olielampenWikimedia

Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros

“Ze wierpen zich op ons en overmanden ons. Met de knuppels die ze bij zich hadden, rosten ze ons af. Niet alleen ik, maar ook mijn vrouw werd verwond, en mijn zaak leed hierdoor een verlies van 10 bronzen talenten.” Geen passage uit een misdaadroman, maar een citaat uit een papyrus uit het jaar 114 v.C. De auteur van deze aangifte was de onfortuinlijke Apollodoros, die van de staat een contract geleaset had om olie te verkopen in het Egyptische dorp Kerkeosiris. De olie in kwestie was geen petroleum, maar plantaardige olie, vooral gewonnen uit het zaad van de sesam- en de castorplant. In een tijd zonder elektriciteit waren deze oliën van levensbelang voor verlichting, en ook in de keuken waren ze onontbeerlijk. De vele overgeleverde papyri over olie bieden ons belangrijke informatie over de economie van Egypte in de oudheid, en in sommige gevallen geven ze ons ook een inkijk in het dagelijkse dorpsleven. Helemaal geweldig wordt het wanneer meerdere papyri over dezelfde persoon bewaard gebleven zijn, zoals in het geval van Apollodoros, wiens lotgevallen we over een langere periode kunnen volgen.

Olieverkoper, een gevaarlijk beroep

Papyrus waarin Apollodoros het relaas van een aanval door oliesmokkelaars doet

We ontmoeten Apollodoros voor het eerst laat in 114 v.C., wanneer hij een aangifte doet bij de komogrammateus of dorpsschrijver Menches over het onrecht dat hem aangedaan werd. Niet alleen waren er illegale olieverkopers actief die zijn exclusieve concessie probeerden te omzeilen, maar deze heren bleken ook nog eens bijzonder agressief. Zijn relaas (P. Tebt. I 39) gaat als volgt:

“Ik vond gesmokkelde olie in het huis van Sisois. Onmiddellijk wendde ik me tot de bevoegde beambte en nam hem mee naar het huis in kwestie. Daarop vielen de genoemde Sisois en zijn vrouw Tausiris ons aan en ze brachten me vele slagen toe. Ze dreven ons uit het huis en sloegen de deur achter ons dicht.”

Apollodoros was echter niet geneigd om snel op te geven, en enkele dagen later probeerde hij opnieuw:

“Ik kwam Sisois tegen bij de tempel van Zeus en probeerde hem te arresteren, in het bijzijn van de bevoegde beambte en een ‘zwaarddrager’. Maar Pausiris, de broer van Sisois, en enkele anderen wierpen zich op ons en overmanden ons. Met de knuppels die ze bijhadden, rosten ze ons af. Niet alleen ik, maar ook mijn vrouw werd verwond, en mijn zaak leed hierdoor een verlies van 10 bronzen talenten.”

Ondanks zijn gewapende escorte haalden de pogingen van die arme Apollodoros dus niets uit.

Het “oliemonopolie”

Castor- of wonderbonen, waaruit olie wordt geperst

De achtergrond waartegen het verhaal van Apollodoros zich afspeelt, is het zogenaamde staatsmonopolie in de Ptolemaeïsche oliesector. De Ptolemaeïsche staat oefende een uitzonderlijk grote controle uit over het kweken van oliehoudende gewassen, over de productie van olie in door de staat bevoorrade olieslagerijen en over de verkoop van het eindproduct door geconcessioneerde olieverkopers. Hiervoor werd intensief samengewerkt met privépersonen die via een veiling het recht op de inkomsten uit de oliesector verwierven, en op die manier het geld voorschoten aan de staat en het risico op zich namen. Als de inkomsten hoger uitvielen dan zijn of haar bod, maakte deze persoon winst, anders moest hij of zij het verlies bijpassen. De staat legde ook de prijzen van de verschillende soorten olie vast en beschermde de inkomsten van de private partners via hoge invoerheffingen op buitenlandse (olijf)olie. Illegale productie en verkoop werden bijzonder zwaar bestraft, met boetes tot 30 000 drachmen, wat voor een gewone Ptolemaeïsche dagloner 300 jaar werk betekende. Zelfs de verkoop van dierlijk vet, een mogelijke vervanger voor olie, werd aan banden gelegd. Dit was tenminste de theorie. In de praktijk bleken zulke uitgebreide regelingen zeer moeilijk af te dwingen door een antieke staat, die veel beperktere mogelijkheden had dan onze moderne regeringen.

De Thraciër

Papyrus met daarop onder andere een petitie waarin Apollodoros zijn ontdekking van oliesmokkel meedeelt

Dit wordt pijnlijk duidelijk in het geval van Apollodoros. Zijn verkooprecht, dat in theorie exclusief was, bleek namelijk zo lek als een zeef. Uit het voorjaar van 113 v. Chr. kennen we een tweede papyrus (P. Tebtunis I 38) die over gesmokkelde olie in Kerkeosiris handelt:

“Vanwege Apollodoros, de verantwoordelijke voor de distributie van en belasting op olie in Kerkeosiris voor het vierde jaar. Mijn onderneming is een complete mislukking geworden door de smokkel en illegale verkoop van sesam- en castorolie in het dorp. Vandaar dat, wanneer het nieuws me bereikte dat een zekere Thraciër wiens naam ik niet ken, olie smokkelde naar het huis van Petesouchos de leerverkoper en deze verkocht, ik de burgemeester en de vertegenwoordiger van de politiecommissaris meenam naar het huis, waar ik weliswaar de Thraciër aantrof, maar de gesmokkelde goederen waren al verwijderd. Na een zoektocht vond ik de olie toch, verstopt in huiden en schapenvellen van de leerverkoper. De Thraciër kon echter ontkomen…”

Apollodoros de tollenaar?

Uit de voorgaande petitie leren we niet alleen dat het zoeken naar smokkelaars een voltijdse job was voor Apollodoros, maar ook dat hij naast de concessie voor olieverkoop een belasting op olie pachtte. Belastingpacht was een praktijk die heel vaak werd toegepast in de oudheid, zowel bij de klassieke Grieken, als bij de Romeinen, als in de hellenistische koninkrijken. Het principe is hetzelfde als voor de inkomsten uit de oliesector: de pachter doet een bod en garandeert de staat een bepaalde som. Zijn inkomsten hangen dan af van hoeveel belastingen er effectief geïnd werden. Deze pachters waren soms heuse financiële ondernemers, die tegelijkertijd belastingen in uiteenlopende sectoren pachtten. Andere, meer bescheiden, pachters kwamen vaak uit de sector zelf die belast werd. Zulke personen hadden immers kostbare informatie die nuttig was voor de staat. Het lijkt erop dat Apollodoros een voorbeeld van dat laatste fenomeen was. Uit onder meer het Nieuwe Testament weten we dat zulke pachters of ‘tollenaars’ heel onpopulair waren bij de plaatselijke bevolking. Misschien verklaart dit ook wel waarom Apollodoros niet bepaald vriendelijk bejegend werd…

Zacheüs, de Joodse oppertollenaar van Jericho ten tijde van Jezus (naar een schilderij van James Tissot)

Smokkel: een terugkerend probleem

Hoe dan ook, Apollodoros’ lijdensweg was nog niet ten einde. In een derde en laatste papyrus klaagt hij tegenover de dorpsschrijver dat hij “in buitengewone armoede” terechtgekomen is door degenen die illegaal olie smokkelen en verkopen. Apollodoros was niet de enige wiens contract met de staat schade ondervond door smokkel. De papyri verhalen over tal van gevallen van oliesmokkel. Ongeveer een eeuw voor de avonturen van Apollodoros werd er in het dorp Oxyrhyncha zelfs een informant vermoord. Dit hoeft niet te verbazen, gezien er grof geld verdiend kon worden, de boetes zeer hoog waren, en de smokkelnetwerken soms de indruk van georganiseerde misdaad geven. Ook in andere sectoren was de staat nauw betrokken, en waren er vormen van privaat-publieke samenwerking die aanleiding gaven tot “illegale” activiteiten en smokkel. Zo horen we onder meer over illegaal zout, gesmokkelde ezelhuiden, jeneverbesextract en linnen.

Een nieuw hoofdstuk

Een scarabee of mestkever

De drie papyri die ons het verhaal van Apollodoros leren kennen, zijn reeds 100 jaar gepubliceerd en bekend bij onderzoekers. Historisch onderzoek staat echter niet stil, en er duiken voortdurend nieuwe teksten op die ons dwingen om het heersende beeld bij te stellen. In het geval van Apollodoros is er nog een vierde, weliswaar fragmentarische, ongepubliceerde papyrus die ons meer leert over zijn oliehandel. Deze tekst wordt momenteel bestudeerd en klaargemaakt voor publicatie door ondergetekende, dus speciaal voor onze lezers volgt hier een sneak peek van lopend Leuvens onderzoek. De tekst dateert van 2 augustus 113 v.C., en is dus jonger dan de tot nu toe bekende papyri. Uit het document blijkt dat Apollodoros’ problemen nog niet ten einde waren. Ditmaal speelt de vuilnisbelt van het dorp Kerkeosiris een prominente rol. De tekst leert ons dat er iets verstopt is op de vuilnisbelt, maar het is niet duidelijk wat. Illegale olie? Smokkelaars? Of toch nog iets helemaal anders? Wordt vervolgd…

Coverfoto: adaptatie van foto ‘AncienLamps’ door Combirom2 op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Nico Dogaer studeerde in 2015 af als master in de geschiedenis van de oudheid. Sindsdien is hij verbonden aan de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis. Zijn interesse gaat vooral uit naar de multiculturele samenleving en de socio-economische geschiedenis van Grieks-Romeins Egypte. Momenteel werkt hij als FWO-aspirant aan een doctoraat over de rol van de staat in de Ptolemaeïsche handel en nijverheid.

Geef een reactie