Mons Claudianus

Rondjes draaien in de woestijn

Geachte liefhebbers van de hoogst verheven antieke cultuur, graag stel ik u vandaag voor aan niemand minder dan Philokles, een der grootsche persoonen der vaderlandsche geschiedenis Egyptens. Doet geen belletje rinkelen, zegt u? Kan ik mij voorstellen. De zaakjes waar Philokles zich mee bezig hield, waren namelijk niet allemaal even koosjer, en daarover weiden leerkrachten geschiedenis nu eenmaal niet graag uit.

Philokles, de filantroop

Philokles leefde ergens rond het einde van de eerste en begin van de tweede eeuw na Christus aan de rand van de Egyptische maatschappij, letterlijk én figuurlijk. Op een pre-motorische jetski langs de oevers van de Nijl scheuren om indruk te maken op de plaatselijke tandeloze schones -al dat zand was écht niet goed voor het gebit!- was niet aan hem besteed. Hij bracht zijn leven namelijk door in de dorre Oostelijke Woestijn tussen de Nijlvallei en de Rode Zee. Dit gebied werd doorkruist door allerlei handelsroutes, en langs die routes bevonden zich op regelmatige afstand kleine Romeinse legerkampen.

Handelsroutes en Romeinse legerkampen in het Egyptische Oostelijke Woestijngebied©J.-P. Brun

Handelsroutes en Romeinse legerkampen in het Egyptische Oostelijke Woestijngebied

Deze kampen stonden mee in voor de bewaking van de handelskaravanen die regelmatig tochtjes maakten tussen Berenike en Myos Hormos aan de kust, en hoofdzakelijk Koptos aan de Nijl. Er lagen ook verschillende belangrijke steengroeves in dit gebied, die vooral door de keizers gebruikt werden om hun megalomane paleizen in Rome te versieren. Elk kamp werd bewoond door een handjevol soldaten die zich vaak maanden aan een stuk steendood –pun intended– verveelden. Veel meer dan een onverwachte bedoeïenenaanval nu en dan, viel er daar niet te beleven. Tot Philokles op het toneel verscheen.

Philokles was zelf geen soldaat, dus wat ging die kerel daar in godsnaam zoeken? Het leven is al zo kort, en was 2000 jaar geleden doorgaans nog korter dan nu. Maar onze dierbare Philokles was een gewiekst zakenman, en had al snel door dat er bij die vol heimwee wegkwijnende soldaatjes wel iets te rapen viel. Onder het motto “het leven is geen ponykamp, want zo’n beesten zijn te duur in Egypte”, sjorde hij heel zijn hebben en houden op de rug van zijn kameel, en vertrok naar het beloofde land.

De route door de Oostelijke Woestijn stond bekend om de handel met het Verre Oosten, van waar er allerlei exotische producten werd geïmporteerd. Maar Philokles ging het zo ver niet zoeken. Nee, hij stortte zich op een meer bescheiden marktsegment. Het leger voorzag de soldaten namelijk wel van basisproducten, zoals graan en wijn (brood werden ze geacht zelf te bakken, je kon dus maar beter wat patissier-skills in je vingertoppen hebben als je je aanmeldde voor legerdienst). Maar luxeproducten, zoals vlees en groentjes -jawel, dat lees je goed- moesten de soldaten zelf voorzien. En dat is nu eenmaal niet zo vanzelfsprekend wanneer je midden in de woestijn zit. Toen Philokles zich van dit gat in de Oostelijke Woestijnkampenmarkt bewust werd, begonnen de drachmen-tekens ongetwijfeld in zijn ogen te flikkeren.

Van a tot vlo

ostraca Philokles©A. Bülow-Jacobsen

De ostraca met brieven van Philokles

We zijn vrij goed op de hoogte van Philokles’ handeltje dankzij een hele hoop ostraca die in twee kampen, Krokodilo en Didymoi, zijn teruggevonden. Het zijn bijna allemaal brieven die door hemzelf zijn geschreven of aan hem zijn geadresseerd. Na zich door het ‘maan roos vis’-boekje te hebben geworsteld om dan laatst te eindigen in de schoonschriftwedstrijd op het einde van het schooljaar, besloot hij dat hij genoeg had geleerd om zijn plan te trekken. Klinkers vond hij overschat, zeker de dubbele, dus schreef hij er net genoeg om zich op potscherf verstaanbaar te maken:

Φιλοκλῆς καὶ Σ̣π ̣ ̣(l. Σκνὶψ) Καππάρι (l. Καππάρει) τ̣ῶ ἀδελφῶ πλῖ̣σ̣τα (l. πλεῖστα) χαίριν (l. χαίρειν)· τὸ προσκύνημά συ (l. σου) ποῶ (l. ποιῶ) παρὰ τὸν̣ Π̣ᾶ̣ν̣α̣ν

“Philokles en Sknips groeten Kapparis hun broer hartelijk. Ik heb gebeden voor jou tot Pan …”  (O. Did. 379, l. 1-4)

Aangezien zijn brieven in meerdere kampen teruggevonden zijn, had hij zich waarschijnlijk ook op de vastgoedmarkt gestort en in verschillende kampen in een optrekje geïnvesteerd. Omdat stenen muren op zich toch ook maar wat kil zijn, zelfs in zo’n heet klimaat als in Egypte, had hij voor het binnenhuisarchitectonisch aspect en de onmisbare female finishing touch niet één, maar zelfs twee vrouwen in huis gehaald: een wat oudere dame met de wat ongelukkige naam Sknips (die letterlijk ‘vlo’ betekent), en een -laat ons hopen voor Philokles- parasietenvrije juffer genaamd Hegemonis.

Zoals professor Willy Clarysse het in heel voorzichtige bewoordingen omschrijft: “Het is niet onmogelijk dat Philokles er een ménage à trois op nahield met beide vrouwen, maar aangezien verwantschapstermen zoals ‘broer’ en ‘zus’ nogal vrij gebruikt werden, kunnen we niet helemaal zeker zijn.” (Je ‘broer’ kon dus effectief je broer zijn, of je echtgenoot, of je vriend, je neef, je tandarts waar je na het laten trekken van tien zanderige tanden toch wel een vrij vertrouwelijke band mee hebt opgebouwd, etc.). Ik ben voor de meer gewaagde hypothese dat Philokles een sm-verslaving had en Hegemonis in huis heeft gehaald voor wat dirty talk en spanking (haar naam betekent tenslotte ‘Führer’). Of misschien was hij gewoon allergisch aan vlooienbeten, en, ja, every poppa needs some sugar once in while.

Tournée générale

Veel van de teksten in het archief van Philokles gaan over eten, maar het is niet altijd duidelijk of de kolen, uien, appels, worsten, wijn, gezouten vis, kippen, varkensvlees of konijnenstront bedoeld zijn voor eigen gebruik, of voor zijn handeltje. Zijn meest lucratieve onderneming draaide echter rond… hoertjes. Op vraag van de soldaten stuurde Philokles namelijk meisjes naar de kampen. Deze meisjes, die vaak nog erg jong waren, werden via Koptos in de Nijlvallei naar de kampen gebracht. Voor ieder meisje moest er 108 drachmen aan invoerrechten betaald worden. De gemiddelde prijs voor een gezelschapsdame was 60 drachmen voor één maand, en daar moest dan nog 12 drachmen belastingen op betaald worden. Aangezien er ongeveer 15 soldaten in één kamp zaten, betaalde ieder dus zo’n 4 drachmen voor één maand “gezelschap”. Dat komt overeen met ongeveer vier dagen loon. Sommige dames waren iets duurder dan andere, en in enkele gevallen konden sommige individuen, waarschijnlijk hogergeplaatste officieren, een meisje voor “privégebruik” bestellen.

Het “werk” dat deze meisjes in de kampen verrichten wordt in de bronnen omschreven als κυκλεύειν, wat letterlijk ‘ronddraaien’ betekent. Normaal wordt deze term gebruikt in de context van irrigatie, als in ‘aan het waterwiel draaien’, en zo werd het aanvankelijk ook vertaald door de uitgevers van de brieven van Philokles. Ze maakten daarbij wel de kanttekening dat het nogal vreemd was dat Philokles vrouwen naar de woestijn bracht, gewoon om water uit de waterputten te halen.

Maar in feite is κυκλεύειν dus een eufemisme voor het ‘ronddraaien’ van de ene man naar de andere. Hoeveel rondjes een meisje zoal moest draaien op één dag weten we niet, maar laat ons hopen dat er toch wat clausules waren voorzien in haar contract… Ik vraag mij trouwens af hoe ze ooit op die term gekomen zijn: dansten de meisjes in pirouette-achtige bewegingen van het ene soldatenoptrekje naar het andere? Of sliepen die mannen allemaal in één grote barak en konden ze dan lekker lui van de ene af rollen en op naar de volgende?

Philokles lijkt dan misschien wel min of meer een vaste relatie gehad te hebben met Sknips en Hegemonis, dat weerhield hem er toch niet van om ook hen af en toe aan soldaten uit te lenen, zoals beschreven in deze brief (O. Did. 406) aan een zekere Rusticus:

“Ik laat weten dat ik mijn vrouw aan jou heb toevertrouwd om haar af te leveren aan het kamp van Aphrodites Orous. Als iemand haar lastig valt, breng haar dan terug naar mij. Als iemand haar misbruikt, dan krijg je met mij te maken. Zij mag met niemand het bed delen tenzij met jouw toestemming. Als ze daar een probleem heeft dat niet informeel opgelost kan worden, probeer het dan in de hand te houden tot de centurio arriveert. Want anders, als dat gebeurt, dan zal ik met je afrekenen! Want ik heb al wat ik heb aan jou toevertrouwd en je zal mij de vrouw onder je voogdij teruggeven.”

Business is business blijkbaar…

Tekening van de Romeinse nederzetting aan de Mons Claudianus

Alle mooie verhalen…

Zoals in alle mooie verhaaltjes, bloeide er af en toe ook effectief iets moois op tussen een meisje en een soldaat, en dat zorgde dan voor problemen met haar eigenaar. Wanneer Antonius verliefd wordt op Iulia, vraagt haar pooier Cornelius aan het kamp waar ze op dat moment tewerkgesteld is, om haar enkele dagen verlof te geven zodat ze haar paramour kan bezoeken. Wanneer zij echter niet terugkomt na enkele dagen, dreigt Cornelius dat hij de inkomsten van de dagen die hij kwijt is aan Antonius zal aanrekenen (O. Did. 333). Een zekere Sosianus heeft minstens zes ostraca volgeschreven met erotische verzen aan zijn geliefde Aspidous, waaruit blijkt dat niet alleen zijn hart, maar ook andere lichaamsdelen in brand stonden (Route de Myos Hormos, p. 466-467). Laat ons hopen dat dit enkel figuurlijk bedoeld was, want anders is dit mogelijk de allereerste getuigenis van gonorroe. Had hij in dat geval maar de gynaecologische papyrus van Kahun gelezen, waarin een ecologisch alternatief voor het condoom wordt aangeboden: een goed laagje krokodillenstront erop, en beuken maar!

Lees meer

Voor meer literatuur over Philokles en zijn hoertjes kan je terecht bij:

Bülow-Jacobsen, A., ‘Private Letters’, in: H. Cuvigny (ed.), Didymoi. Une garnison romaine dans le désert Oriental d’Egypte II: les textes (IFAO 51), Cairo, 2012.

Cuvigny, H., La route de Myos Hormos. L’armée dans le désert Oriental d’Égypte. Praesidia du désert de Bérénice I. Volume II (Fouilles de l’Ifao 48/2), Cairo, 2003, 376.

Cuvigny, H., ‘Femmes tournantes: remarques sur la prostitution dans les garnisons romaines du désert de Bérénice’, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik, 172 (2010), p. 159-166.

Yanne Broux studeerde Oude Geschiedenis en Assyriologie aan KU Leuven. Na haar studies is ze, verleid door redelijk eerlijke beloftes over een niet-zo-flitsende carrière in de academische wereld, overgelopen naar Egypte. Ze stortte zich vol ijver op dubbelnamen in de Romeins tijd, en na een kritieke periode waarin het even leek of ze het sanatorium niet meer zou mogen verlaten, zag ze opeens het licht en publiceerde ze een boek over dit merkwaardige fenomeen, dat alle cruciale aspecten van de antieke samenleving blijkt te verklaren. Als postdoc specialiseerde ze zich in spaghetti monsters en andere computergerelateerde hocus-pocus, en sinds kort werkt ze op een project in Bordeaux, waar de wijn heel goed is, en de manga-afdeling in de Fnac nog beter (het onderwerp moet ze nog eens navragen wanneer ze nuchter is).

Geef een reactie