Herodotus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/herodotus/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 17 Jan 2025 14:12:19 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Herodotus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/herodotus/ 32 32 136391722 Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/ https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/#respond Sun, 17 Nov 2024 16:24:08 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2625 Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. In dit artikel bieden we een overzicht van het panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners.

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
In this world nothing can be said to be certain, except death and taxes”. De gevleugelde woorden van Benjamin Franklin worden bevestigd door documenten die in 1789 nog niemand kon lezen. Sumerische en Egyptische teksten uit het 3de millennium v.C. tonen hoe staten al bij het begin van de geschiedenis inkomsten verzamelden. Alle overheden, huidige en historische, staan op dat vlak voor gelijkaardige uitdagingen. De oplossingen kunnen echter sterk uiteenlopen.

Sumerische kwitantie voor stro uit de 21ste eeuw v.C.

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. Fiscale hervormingen vormen tevens het onderwerp van mijn nieuwe postdoctorale project ‘FARE‘. Naar aanleiding daarvan bied ik u graag een panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners. Hopelijk maakt dat uw volgende aangifte net iets minder pijnlijk, of voelt u zich op zijn minst een beetje verbonden met uw antieke lotgenoten.

“The thunder of world history”

Fiscaliteit doet misschien niet spontaan veel harten sneller slaan (althans niet van degenen die braaf het verschuldigde betalen). Waarom zouden we ons moeten interesseren voor fiscale geschiedenis? Joseph Schumpeter, een van de meest invloedrijke economen uit de 20ste eeuw, verwoordde het als volgt:

“The spirit of a people, its cultural level, its social structure, the deeds its policy may prepare — all this and more is written in its fiscal history, stripped of all phrases. He who knows how to listen to its message here discerns the thunder of world history more clearly than anywhere else.” (Crisis of the Tax State, 1918)

Het “gedonder van de wereldgeschiedenis” dus! Dat klinkt behoorlijk dramatisch, maar belastingen en hun organisatie bieden inderdaad een schat aan informatie over sociale, economische en politieke geschiedenis. Omdat belastingen een constante zijn doorheen de geschiedenis is een historisch perspectief ook relevant voor de organisatie van onze fiscaliteit, en de antieken kunnen ons een en ander leren over hoe of misschien vooral hoe niet belastingen te organiseren.

Enkele misverstanden over belastingen in de Oudheid

Deze munt van keizer Caligula (37–41 n.C.) verwijst naar zijn afschaffing van een verkoopsbelasting. De voorzijde toont — misschien met enig gevoel voor ironie — de vrijheidsmuts

Antieke heersers worden al te gemakkelijk voorgesteld als hebzuchtige tirannen. Echter, zoals keizer Tiberius opmerkte, is het in het belang van een “herder” om zijn schapen te scheren en niet te villen. De documentaire bronnen uit veel gebieden tonen dat antieke staten op binnenlands vlak stabiele boven maximale inkomsten verkozen. Autocratische regimes beloven bovendien vaak een lager belastingtarief om te compenseren voor een gebrek aan vrijheid. Dat idee gaat al terug tot de Franse filosoof Montesquieu en lijkt haar bevestiging te vinden in de lagere belastingtarieven in het Perzische en Romeinse Rijk. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat deze staten minder in oorlogsvoering moesten investeren. Maar het is misschien geen toeval dat Finland met een van de hoogste belastingen ter wereld steevast op nummer 1 eindigt in het World Happiness Report.

Een ander misverstand is dat antieke economieën “primitief” waren en grotendeels gebaseerd op ruilhandel. Niets is minder waar, en antieke staten begonnen al vroeg belastingen te innen in edelmetaal. In Babylonië vinden we in de ‘Ur-III’-periode (late 3de millennium v.C.) al een belasting op vee in zilver, en in Egypte een gelijkaardige taks geïnd van vissers in het 2de millennium v.C. In de loop van het 1ste millennium v.C. wonnen belastingen in cash echt aan belang doorheen het hele Middellandse Zeegebied en Mesopotamië.

Een lappendeken aan verschillende belastingen

De basis van de meeste hedendaagse staatsfinanciën is de algemene inkomstenbelasting. Ondanks indrukwekkende bureaucratieën had geen enkele antieke staat daarvoor de infrastructuur en de informatie. Om die reden werd er ook vaak een beroep gedaan op lokale elites zoals priesters en op belastingpachters. Aangezien alle antieke beschavingen landbouwsamenlevingen waren, hadden de meeste staten een vorm van belasting op het land. Vaak ging het om 10% van de oogst, maar bijvoorbeeld in Ptolemaeïsch Egypte lag het (variabele) tarief veel hoger. Land dat toebehoorde aan invloedrijke tempels werd vaak minder belast, in Babylonië onder de Perzen bijvoorbeeld maar aan 3%. Degenen wiens hoofdberoep een ambacht of een dienst was, waren doorgaans onderworpen aan een professionele taks. Ook op dat vlak liepen de modaliteiten uiteen, maar de hoogst bekende belasting was die in de Griekse stad Byzantion, waar bepaalde groepen een derde van hun inkomsten moesten afdragen.

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honingNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honing

In de Oudheid kende men geen algemene btw, maar wel verkoopstaksen, die uiteraard werden doorgerekend aan de klant. Die belastingen konden zowel algemene markt-taksen als specifieke belastingen zijn, bijvoorbeeld op de verkoop van gladiatoren in het Romeinse Rijk. Wie een huis kocht of een ander contract wilde laten registreren, betaalde op veel plaatsen een vorm van registratierechten. Zij die producten wilden invoeren of uitvoeren, een activiteit die makkelijk te controleren viel, waren quasi overal onderhevig aan douane- en tolheffingen. Dit soort taksen was in vredestijd de belangrijkste bron van inkomsten voor zowel de Griekse stadstaten als de vroeg-Romeinse Republiek. Zo vermeldt Strabo de spreekwoordelijke domheid van de inwoners van Cumae, die pas 300 jaar na de stichting van de stad douanerechten verpachtten:

[…] κατέσχεν οὖν δόξα ὡς ὀψὲ ᾐσθημένων ὅτι ἐπὶ θαλάττῃ πόλιν οἰκοῖεν. (Strabo XIII, 3, 6)
[…] aldus kregen ze de reputatie een volk te zijn dat pas laat doorhad in een stad bij de zee te wonen.

Een type taks dat vandaag omstreden is, en bijvoorbeeld een groot twistpunt vormt in de Belgische regeringsvorming, is de vermogensbelasting. In de Oudheid was het echter een courante praktijk om hogere defensie-uitgaven te compenseren door vermogens aan te spreken. Zo hieven vele Griekse steden in oorlogstijd de zogenaamde eisphora, en de Romeinen in de Republiek het tributum, beide enkel betaald door zij die een bepaald vermogen bezaten. Ook het antieke China kende in de 2de en 1ste eeuw v.C. een vermogensbelasting. Een gerelateerde praktijk is het innen van successierechten, zoals de vicesima hereditatum (“5% van de erfenis”) ingevoerd door keizer Augustus.

Taksen: een heel karwei

Met 833 mogelijke codes lijkt het invullen van de Belgische belastingaangifte misschien veel werk. Maar het kan erger: in de Oudheid moesten veel inwoners fysiek werk verrichten voor de staat. Vooral in het oude nabije oosten en in Egypte vinden we diverse vormen van corvee (waar ons woord ‘karwei’ van afgeleid is), maar ook de Inca’s, Azteken en de oude Chinezen kenden deze praktijk. In België verdween elke vorm van verplichte arbeid met de opschorting van de militaire dienstplicht in 1992. Naast militaire dienst werd corvee vaak gebruikt voor de cultivatie van staatsland, voor publieke bouwwerken (zoals piramides), en vooral voor het onderhoud van het irrigatiesysteem, waar de hele bevolking baat bij had. Na verloop van tijd konden deze verplichtingen worden afgekocht met zilver of geld. In Mesopotamië werd dit al gangbaar in het 2de millennium v.C., wat suggereert dat deze regio al vroeg een echte arbeidsmarkt had.

Reliëf voor de bouw van een tempel in Lagash (ca. 2500 v.C.). Links houdt koning Ur-Nanshe een typische corveemand voor het dragen van aarde boven zijn hoofd

“No taxation without representation?”

Geen belasting zonder vertegenwoordiging was de slagzin van de Amerikaanse revolutie. Ook in de Oudheid speelden taksen vaak een rol in het uitbreken van opstanden, in het bijzonder wanneer de legitimiteit van de veroveraars om te belasten in twijfel getrokken werd. Voorbeelden zijn legio: de vele revoltes in het Perzische rijk, de grote Thebaanse opstand tegen de Ptolemaeën, de Makkabese opstand tegen de Seleuciden, revoltes tegen de Romeinse overheersing, enz. Sommige regimes, zoals het Perzische rijk of de Delisch-Attische Zeebond verbloemden tribuutbetalingen dan ook als “vrijwillige” giften.

Ionische Grieken brengen giften naar de Perzische koning in deze scène uit de Apadana in Persepolis (eerste helft 5de eeuw v.C.)

Taksen kunnen een teken van onderwerping en uitsluiting zijn, zoals ook het geval was bij de beruchte Joodse taks onder de Romeinen. Anderzijds kon het betalen van belastingen net bijdragen tot het vormen van een gemeenschap en lidmaatschap ervan uitdrukken. Dat wordt op pijnlijke wijze duidelijk voor slaven: zij betaalden nergens zelf belastingen, maar de opbrengst van hun arbeid werd belast. In het oude Rome werden sommige taksen, zoals successierechten, enkel van burgers geheven. Lange tijd dacht men dat de Grieken directe belastingen als een teken van tirannie zagen, maar intussen is het duidelijk dat de steden hun burgers wel degelijk belastten. Wel is het zo dat de Atheners publieke goederen in ruil verwachtten, en dat ze veel meer inspraak hadden dan de onderdanen van de grote rijken.

Belastingvrijstelling: een tweesnijdend zwaard

In andere gevallen was het belastingvrijstelling die bijdroeg tot het definiëren van de gemeenschap. In Sparta was er een onderscheid tussen de Spartaanse burgers die militaire dienst leverden en de heloten die belastingen betaalden. Volgens Herodotus waren de inwoners van het Perzische kerngebied vrijgesteld van belastingen. De Romeinse Republiek schafte in 167 v.C. het tributum af, waardoor de belastingdruk verschoof van de burgers in Italië naar de inwoners van de nieuwe provincies. Onderzoekers hebben recent gewezen op de schaduwkant van deze vrijstelling. Omdat de staat en de elites de bijdragen van de burgers niet langer nodig hadden, verloren deze ook hun onderhandelingspositie en na verloop van tijd hun politieke inspraak.

Na de overwinning op de Macedonische koning Perseus in 167 v.C. (hier afgebeeld door Jean-François Pierre Peyron) schafte Rome de voornaamste belasting voor haar burgers af

Andere vrijstellingen werden toegekend als beloning of om machtige groepen aan de staat te binden. Niet zelden ging het daarbij om priesters, en in onze contreien waren bijvoorbeeld druïden vrijgesteld van belastingen. Taksen en vrijstellingen worden vaak gebruikt om het gedrag van mensen te beïnvloeden (social engineering). In een wel heel driest voorbeeld betaalden ongehuwde vrouwen tussen de 15 en 30 jaar oud in het oude China een tijdlang het vijfvoudige voor de hoofdelijke belasting. Met hetzelfde doel had het Romeinse keizerrijk het ius trium liberorum, dat bepaalde vrijstellingen toekende aan ouders van 3 of meer kinderen. In Ptolemaeïsch Egypte waren er dan weer uitzonderingen voor leraars, winnaars in de spelen, sportcoaches en acteurs. Die groepen hadden allemaal een sterke band met de Griekse cultuur, maar Egyptische priesters genoten ook privileges. Winnaars in de spelen kregen ook elders in de Griekse wereld belastingvrijstelling.

Belastingontduiking: een antieke sport?

Papyrus met aangifte tegen de voller Leon voor het ontwijken van de beroepsbelasting (227 v.C.)

Er wordt wel eens gezegd dat belastingontwijking (legaal) of -ontduiking (illegaal) een nationale sport is in België. Hoewel Plato het betalen van belastingen als een kenmerk van de rechtvaardige man beschrijft, en Jezus aanried om de keizer te geven wat de keizer toekwam, proberen mensen al belastingen te ontwijken zo lang als ze geïnd worden, zoals de klacht van de belastingpachter Athenagoras tegen de voller Leon [TM 43303] aantoont. In het bijzonder de papyri uit Egypte staan bol van de listen om belastingen te ontwijken. De Ptolemaeïsche Hierokles, een serie-overtreder, vroeg bijvoorbeeld aan zijn connecties om “brieven te schrijven naar de douanepost, zodat ze hem genereus behandelen” [TM 2386] en de Romeinse wever Tryphon [TM Arch 249] bleef lustig weefgetouwen bijkopen jaren nadat hij omwille van zijn slechtziendheid van belastingen was vrijgesteld. Overtreders moesten wel oppassen voor informanten, die tot een derde van de boete konden opstrijken.

Het waren overigens niet alleen belastingbetalers die achterpoortjes zochten. Een brief van de Romeinse consuls aan de Griekse stad Oropos uit het jaar 73 v.C. toont hoe sommige belastingpachters wel erg creatief met de fiscale wetgeving omgingen. Enkele jaren voordien had de generaal Sulla tempelland in de omgeving van de stad vrijgesteld van belastingen. Toch probeerden de pachters taksen te innen van de tempel van Amphiaraus. Hun argument? Technisch gezien was Amphiaraus een held, en geen volwaardige god. In dit geval besliste de Romeinse staat, op advies van onder andere Cicero, in het voordeel van de priesters. Maar ook in de Oudheid was het dus belangrijk om de kleine lettertjes te kennen!

Lees meer

Girardin, M. (ed.), Fiscalités antiques. Aux origines de l’administration provinciale romaine, Rome, 2023.
Monson, M. and Scheidel, S. (eds.),  Fiscal Regimes and the Political Economy of Premodern States, Cambridge, 2015.
Valk, J. and Soto Marín, I. (eds.), Ancient Taxation: The Mechanics of Extraction in Comparative Perspective, New York, 2021.

Coverfoto: Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier, afkomstig van Wikimedia [CC0 1.0]

Dit project is gefinancierd onder de Marie Skłodowska-Curie Actions (MSCA)

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/feed/ 0 2625
Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/#respond Thu, 02 Nov 2023 18:08:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2493

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we uit de bewaarde papyri over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of de gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.). Van zulke Egyptische begrafenisondernemers is het reilen en zeilen uitzonderlijk goed gedocumenteerd voor deze periode, door de honderden Egyptische (vooral demotische) en Griekse papyri.

Pekelaars, watergieters en godszegelaars

Een foto van Egyptische mummies, getrokken omstreeks 1870

Zoals de Inuit veel woorden (schijnen te) hebben voor sneeuw, zo hebben Egyptenaren veel woorden voor begrafenisondernemers. In de Ptolemaeïsche papyri is de belangrijkste Egyptische titel voor balsemers chery-heb of ‘voorleespriester’, een religieuze titel die een veel ruimer toepassingsgebied heeft maar in documenten uit deze tijd vooral nog in funeraire context verschijnt. Griekse teksten duiden deze voorleespriesters doorgaans op meer prozaïsche wijze aan als taricheutes of ‘pekelaar’, een titel die men niet alleen voor balsemers, maar ook voor collega’s in de voedselconservenindustrie gebruikt. Occasioneel wordt deze titel ingeruild voor entaphiastes, een meer algemene titel voor begrafenisondernemers, of paraschistes, ‘snijder’, waarover later meer.

Balsemers worden in principe onderscheiden van priesters verantwoordelijk voor de begrafenis en dodencultus, zoals de dodenpriesters van het Huis van de Koe en het Hermias-proces. Zij worden in het Egyptisch wah-moe en in het Grieks choachytes genoemd, allebei te vertalen als ‘watergieter’: zij brengen plengoffers voor de overledenen. Daarnaast zijn zij ook betrokken bij de organisatie van Egyptische festivals. Gaandeweg lijken de taken van de balsemer en de ‘watergieter’ te zijn overgenomen door een en dezelfde specialist, de chetemoe-netjer, Egyptisch voor ‘godszegelaar’, door de Grieken vertaald als nekrotaphos, opnieuw een meer algemene titel. Op enkele plaatsen, in het bijzonder in Hawara, komt de titel chetemoe-netjer haast altijd voor in combinatie met wyt, ‘balsemer’. Er bestaan nog veel meer titels, maar je hebt er waarschijnlijk wel stilaan genoeg van. De Egyptische titels van Ptolemaeïsche begrafenisondernemers hebben een lange voorgeschiedenis: wah-moe verschijnt voor het eerst in Thebe in de Ramessidentijd; de andere titels vind je al terug in tombes uit het Oude en Middenrijk.

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)de Garis Davies, N., en Gardiner, A.H., The Tomb of Antefoker, Vizier of Sesostris I, and of His Wife, Senet (no. 60) (Londen, 1920), pl. XXI

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)

Over lijken

De Ptolemaeïsche begrafenisindustrie werd beheerst door een complex, haast absurd systeem van concessies waarin specialisten het exclusieve recht konden verwerven om funeraire diensten te verlenen aan bepaalde groepen van mensen en daaruit inkomsten op te strijken. Deze rechten konden worden verkocht, vererfd, enzovoort. Wanneer je een dierbare verloor, kon je dus niet zelf kiezen welke balsemer je onder de arm nam: er was één begrafenisonderneming die het mummificatie-recht op de overledene bezat. Een demotisch contract uit Memphis uit 78 v.C. biedt een mooi voorbeeld van zo’n concessie (P. Dem. Memphis 7, TM 43705). In dit contract erkent een groep van vier ‘godszegelaars’ het recht van een andere groep van vijf ‘godszegelaars’ op de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais. Als de familie toch met een lijk zou komen aankloppen bij de eerste groep van balsemers, moeten deze de overledene binnen de vier dagen en op eigen kosten overdragen aan de tweede groep, tenzij het dode familielid in kwestie een vrouw zou zijn die gehuwd is met een man uit een familie waarop de eerste groep het recht heeft én een kind met hem heeft, dit alles “in overeenstemming met de wet van de voorleespriesters.” Kan je nog volgen?

Demotisch contract tussen godszegelaars uit Memphis over de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais (P. Dem. Memphis 7 A, 78 v.C.)

Begrafenisondernemers zagen nauwgezet toe op hun rechten en aarzelden niet om juridische stappen te ondernemen wanneer hun belangen met de voeten werden getreden. Dat kon aanleiding geven tot langdurige conflicten, zoals het geschil tussen Amenothes en Petenephotes, gedocumenteerd door enkele Griekse papyri uit Thebe (P. Tor. Amen. 6/7/8, TM 3596/3597/3598). Deze twee ‘snijders’, tevens bekend uit demotische papyri als ‘voorleespriesters’, hadden naar goede gewoonte een gedetailleerde overeenkomst afgesloten over hun respectievelijke rechten in de plaatselijke mummificatie-industrie. Petenephotes mocht de doden uit verschillende dorpen ten westen van de Nijl mummificeren, Amenothes de doden uit verschillende dorpen ten oosten van de Nijl, met één belangrijke uitzondering: de priesters en slaven uit de tempel van Amon (Karnak), die eveneens binnen de competentie van Petenephotes vielen.

Tempel van Chonsoe (Karnak, Nieuwe Rijk)

Die regeling leidde meer dan eens tot problemen. In 119 v.C. daagde Amenothes Petenephotes voor het gerecht omdat laatstgenoemde vrijgelatenen en afstammelingen van priesters uit de tempel had gebalsemd, terwijl hij alleen het recht op de priesters zelf en de slaven bezat. Amenothes werd in zijn gelijk gesteld. Op zijn beurt klaagde Petenephotes in 116 v.C. Amenothes aan: deze had een districtsschrijver gemummificeerd die weliswaar in een van Amenothes’ dorpen was gestorven maar woonachtig was in een van Petenephotes’ dorpen. Volgens Petenephotes had zijn collega hem al eerder in de luren gelegd door zijn diensten aan te bieden voor zieken die met hoop op herstel naar de tempel van Karnak waren gebracht (misschien meer bepaald naar de bijhorende tempel van Chonsoe, bekend voor zijn geneeskundige krachten) maar het loodje hadden gelegd. Petenephotes lijkt daarbij tactisch te verzwijgen dat hijzelf eigenlijk ook alleen maar het mummificatie-recht op de priesters en slaven van de tempel bezat, niet op zieken die er tijdelijk verbleven. De begrafenisondernemers gingen letterlijk en figuurlijk over lijken.

Eentje met natron (en zonder fouten)

Als klant kan je dan maar best eveneens goede afspraken met de balsemers maken. Het British Museum bewaart een zeldzaam voorbeeld van een mummificatie-contract, opgesteld in Thebe in 269 v.C., in het demotisch en in dubbele redactie (P. BM EA 10077, TM 46059). Het contract begint met een kwitantie van de begrafenisondernemer aan zijn cliënt:

Je hebt me volledig betaald voor de belasting op natron, het loon van de balsemer en alles wat de mummificatie van Paoeser je zoon betreft.

Demotisch mummificatie-contract uit Thebe (269 v.C., British Museum, EA 10077)

Natron is een belangrijk mummificatieproduct, dat gebruikt werd om lichamen te dehydrateren. Vorige commentatoren hebben hier “het aandeel van natron” of zelfs “de reiniging met natron” gelezen, maar het gaat duidelijk om de belasting. In plaats van “het loon van de balsemer” hebben onderzoekers vroeger “mummiewindsels” gelezen: het is altijd opletten geblazen met demotische teksten. Na deze kwijting somt de begrafenisondernemer zijn plichten op: hij zal Paoeser behandelen met pecheret of “medicamenten” (een mooie term voor mummificatieproducten, die de dode van bederf “genezen”), hij zal hem overhandigen aan de watergieter van zijn cliënt (die wellicht de eigenlijke begrafenis verzorgt) en hij zal geen “fout van een voorleespriester” begaan, wat wellicht slaat op fouten in de mummificatie, heel vervelend als je je lichaam na de dood nog nodig hebt… Voor alle zekerheid wordt er ook een deadline vastgesteld: vreemd genoeg 52 dagen (vroeger verkeerdelijk gelezen als 72), terwijl een mummificatie in principe ongeveer 70 dagen duurde.

Enkele jaren geleden dook er tijdens opgravingen in Tebtynis in de Fajoem-oase een nieuw Ptolemaeïsch mummificatie-contract op, voor de overleden echtgenote van een priester (P. Tebt. SCA 6863). Het contract begint opnieuw met een kwijting voor een belasting, deze keer geheven op de “medicamenten” (pecheret), alsook een kwijting voor de aankoopprijs van sefy, een van de belangrijkste funeraire producten in deze periode, wellicht een pekachtige substantie afkomstig van naaldbomen. De begrafenisondernemer verbindt zich ertoe de mummificatie volgens de regeltjes uit te voeren en de klant is op zijn beurt verplicht om alle verdere kosten te betalen.

Het kan op het eerste zicht verbazing wekken dat er zo veel papyri over begrafenissen maar slechts twee mummificatie-contracten gevonden zijn, maar hier zijn twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste werden deze contracten normaal gezien bijgehouden in de archieven van de klanten eerder dan de archieven van de begrafenisondernemers, maar zijn deze laatste veel beter bewaard omdat zij vaak hoog en droog in tombes in de woestijnrand werden opgeborgen. Ten tweede werden dergelijke contracten waarschijnlijk enkel opgesteld als de klant vooruitbetaalde en/of de overeenkomst een rijkelijke begrafenis betrof. Wie betaalt, bepaalt.

Dood en taksen

Bovengenoemde belastingen op natron en “medicamenten” (pecheret) zijn niet de enige in hun soort. Honderden potscherven uit de Grieks-Romeinse periode bevatten kwitanties voor funeraire belastingen, vaak geheven op de eigenlijke begrafenis (een vaste som per lichaam), maar ook op funeraire producten, begraafplaatsen, enzovoorts. De overheid toonde zich zelden zo inventief. Benjamin Franklin merkte al op dat “in this world, nothing is certain except death and taxes.”

Griekse kwitantie uit Diospolis Mikra voor belasting op mummificatie of balsemers en kedria (O. NYU 4, 105 v.C., New York University, O. 18)

Een laat-Ptolemaeïsche Griekse papyrus in de Leuvense collectie (te verschijnen als P. Kynopolites 4, TM 47586 ; 92/59 v.C.) biedt een interessant beeld van overheidsinmenging in de begrafenisindustrie. In dit document geven pachters van de belasting op pharmakon en kedria (duidelijk identiek aan bovenvermelde pecheret en sefy, respectievelijk “medicamenten” en de substantie afkomstig van naaldbomen) de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) van Apollonos Polis in de Kynopolitische nome de toelating om de doden uit de regio te begraven en om voor een vooropgesteld bedrag kedria van de overheid te kopen, op voorwaarde dat zij een hele reeks funeraire belastingen betalen.

 

Overheidscontrole op het belangrijke funeraire product kedria is ook uit andere bronnen bekend: er is bijvoorbeeld een verzoekschrift bewaard over ibisbegravers die kedria bij smokkelaars kopen in plaats van bij de koninklijke winkel. Het doet allemaal hard denken aan het monopolie op olie. De expliciete vermelding van de aankoopprijs van sefy in het eerder genoemde mummificatie-contract uit Tebtynis moet waarschijnlijk ook in deze context begrepen worden. De meeste funeraire belastingen in de Kynopolitische papyrus zijn nog niet bekend uit andere bronnen. De nekrotaphoi moeten niet alleen 600 bronzen drachmen betalen voor elke begrafenis, maar ook 2700 drachmen “voor elk lijk”, dezelfde 2700 drachmen “voor degenen die in de grond neergelegd en terug opgegraven zullen worden voor 70 dagen” en 400 drachmen “na de 70 dagen”: deze belastingen hebben geen betrekking op de begrafenisceremonie maar op de mummificatie. Raar genoeg verbindt de Ptolemaeïsche overheid fiscale consequenties aan het al dan niet respecteren van de canonieke mummificatie-periode van 70 dagen.

De referentie naar lichamen die tijdelijk in de grond worden gestopt roept ook veel vragen op: is dit een alternatieve, goedkopere balsemingsmethode? Een Romeinse grafinscriptie van een Griekse jongen uit Hermopolis (I. Hermoupolis 71, 2de eeuw n.C.) biedt een mogelijke parallel: de knaap vertelt dat hij zijn neef heeft opgedragen om hem “niet te begraven en opnieuw op te graven.” Hij lijkt het niet hoog op te hebben met Egyptische funeraire gebruiken, want hij wil ook begraven worden “zonder kedria en vieze stank, zodat je (= de voorbijganger) niet van me wegvlucht zoals van de andere lijken.” De Kynopolitische papyrus eindigt overigens met een positieve noot: belastingen voor dode kinderen zijn halve prijs.

Vrouwen aan de top

De mummificatie-industrie wordt doorgaans beschouwd als een mannenbastion, maar een nieuwe vondst suggereert dat de werkelijkheid complexer was. Onderzoekers weten al langer dat vrouwen ook als bezitters van funeraire rechten verschijnen in de papyri, maar beargumenteren dan telkens dat zij het eigenlijke werk wel aan mannelijke familieleden zullen hebben uitbesteed. Van een vrouw kan je zoiets toch niet verwachten? Vrouwen worden ook soms als ‘voorleespriester’ vermeld in demotische censuslijsten, maar daar worden ze wel vaker onder het beroep van hun echtgenoot gesorteerd. Toch is er mogelijk meer aan de hand. Een van deze lijsten somt vijf ‘voorleespriesters’ uit de 2de eeuw v.C. uit Shashotep in Midden-Egypte op (P. Count. 53, TM 44406):

Peteharmotnis zoon van …, zijn echtgenote Senpres, Petophois zoon van Totoes, zijn echtgenote Tapsais, Taw… de dochter van Chapochrates. Vijf personen, waaronder twee mannen.

Detail van doodskist van de vrouw Artemidora (Meir, Romeinse Tijd, Metropolitan Museum of Art, 11.155.5)

Door een gelukkig toeval is er in de papyruscollectie van Trinity College Dublin een Grieks verzoekschrift over een conflict tussen enkele van deze begrafenisondernemers bewaard gebleven, ingediend door de ‘pekelaar’ Petophois zoon van Totoes, duidelijk identiek aan de ‘voorleespriester’ Petophois in de demotische lijst (P. TCD Pap. Gr. env. 301, TM 58458). In het verzoekschrift doet hij zijn beklag over Senpres dochter van Teebekis en haar echtgenoot Peteharmonthes (hier = Peteharmotnis), die eveneens voorkomen in de demotische lijst, en een andere vrouw en man, allemaal actief als ‘pekelaars’. Door de fragmentaire bewaringstoestand van het document is de precieze aard van het conflict onduidelijk, maar de problemen hebben duidelijk te maken met het werk van de balsemers: er wordt bijvoorbeeld opnieuw verwezen naar kedria. De vrouwen spelen geen tweede viool, maar zijn de hoofdbeklaagden: Senpres wordt opmerkelijk genoeg vóór haar echtgenoot vermeld, op de derde plaats nog een vrouw. Misschien toch twee keer nadenken voor we vrouwen elke rol van belang in mummificatie ontzeggen? De aanklager Petophois komt trouwens uit een notoire familie van ruziemakers. Het zogenaamde Sioet-archief uit het British Museum informeert ons over (alweer) een resem juridisch procedures met betrekking tot hun familiale mummificatie-rechten en andere bezittingen, naar aanleiding van het tweede huwelijk van Petophois’ grootvader Petetymis.

De Griekse historicus Herodotus (5de eeuw v.C.) dist in zijn beschrijving van Egypte een bijzonder wansmakelijk detail over de mummificatie van vrouwen op (Hist. II 89):

De vrouwen van aanzienlijke mannen geeft men, wanneer ze sterven, niet meteen af om te pekelen, evenmin als vrouwen van grote schoonheid en betere reputatie, maar slechts nadat drie of vier dagen verstreken zijn, geeft men ze aan de pekelaars. Dat doet men om deze reden, dat de pekelaars geen gemeenschap met de vrouwen hebben.

Op basis van deze passage hebben enkele onderzoekers gespeculeerd dat de mummificatie van vrouwen misschien wel vaker aan leden van hetzelfde geslacht werd toevertrouwd, maar dat lijkt heel onzeker. Documenten over funeraire rechten maken in principe geen onderscheid tussen lijken van mannen en vrouwen en de anekdote van Herodotus zou een broodjeaapverhaal kunnen zijn. De genoemde “drie of vier dagen” doen denken aan de traditionele Egyptische rouwperiode van vier dagen, die mogelijk ook verbonden kan worden met de eerder genoemde bepaling in P. Dem. Memphis 7 om fout afgeleverde lichamen binnen de vier dagen aan de juiste begrafenisondernemer te bezorgen. Ongetwijfeld had het verhaal wel succes bij Herodotus’ lezerspubliek.

Paria’s

Volgens de Griekse historicus Diodorus (1ste eeuw v.C.) moet men een onderscheid maken tussen ‘snijders’ (paraschistai) en ‘pekelaars’ (taricheutai): de ‘snijder’ zou een soort van paria zijn die enkel verantwoordelijk is voor de initiële snede in de linkerzij van de overledene en vervolgens ritueel weggejaagd wordt met stenen; de ‘pekelaar’ zou de rest van de mummificatie uitvoeren en wel in hoog aanzien staan bij de bevolking (Bibl. Hist. I 91). Herodotus maakt dit onderscheid niet en zoals reeds eerder uitgelegd lijken de titels ‘snijder’ en ‘pekelaar’ in de papyri op dezelfde hoogte te staan, als Griekse tegenhangers van de Egyptische titel van ‘voorleespriester’. Is het verhaal van Diodorus dan helemaal uit de lucht gegrepen? Misschien niet helemaal…

Ten eerste kan er gewezen worden op een recent ontdekte mummificatie-handleiding uit het Nieuwe Rijk (een goede duizend jaar vóór de Ptolemaeïsche periode dus), die zelfs het Belgische nieuws heeft gehaald (P. Louvre E 32847 + P. Carlsberg 917). Deze tekst vermeldt verschillende groepen van mummificatie-specialisten, waaronder opnieuw de ‘voorleespriester’ maar ook de wedjaoe, afgeleid van het werkwoord wedja, “snijden”, die bovendien weer verantwoordelijk blijkt voor de snede in de linkerzij. De Griekse titel paraschistes heeft hierdoor voor het eerst een duidelijke Egyptische basis, al is het niet helemaal duidelijk of de Egyptische titel wedjaoe nog bestond in de Ptolemaeïsche periode. Verder bevatten twee Ptolemaeïsche papyri aanwijzingen dat balsemers op sommige plaatsen en tijdstippen effectief zijn uitgesloten uit de maatschappij, net als de ‘snijders’ in Diodorus’ relaas.

Grieks verzoekschrift uit Tanis in de Fajoem-oase van de begrafenisondernemer Onnophris (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., Papyrusverzameling Keulen, P. 21358)

De eerste aanwijzing komt uit het fameuze verzoekschrift over kittens (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., TM 704850). De dierenvriend die deze Griekse petitie indiende en kittens in zijn huis had opgenomen, was een begrafenisondernemer, de entaphiastes Onnophris, die elders ook ‘pekelaar’ en ‘voorleespriester’ wordt genoemd. In het verzoekschrift zegt Onnophris op een gegeven ogenblik dat hij zich niet “in het dorp kon laten zien vanwege mijn beroep.” Een expliciete getuigenis voor sociale segregatie. Het document maakt deel uit van een groter papyrusarchief van Onnophris en een collega, die zich behalve met lijken en katjes vooral bezighielden met – kan je het al raden? – rechtszaken over funeraire concessies.

Voor de tweede getuigenis moeten we terugkeren naar het proces tussen Hermias en de dodenpriesters. Dit dispuut had voor een keer niets te maken met funeraire rechten, maar met een groot huis op de oostelijke oever van Thebe, betwist tussen Hermias en de begrafenisondernemers. De advocaat van Hermias stelde tijdens zijn pleidooi dat er enige tijd voorheen op instigatie van de koninklijke arts een bevel was uitgevaardigd dat alle ‘pekelaars’ in Thebe moesten verhuizen naar de westelijke oever, waar de necropool zich bevond (P. Tor. Choach. 12, TM 3563). Voor Hermias mocht het niet baten: de advocaat van zijn tegenstanders legde uit dat zijn cliënten geen ‘pekelaars’ maar ‘watergieters’ waren en er bovendien nog een bijkomende verordening was uitgevaardigd om de ‘pekelaars’ tegen misbruik te beschermen. Toch levert dit opnieuw een aanwijzing voor sociale uitsluiting.

Tot slot kan er gewezen worden op een gelijkaardig gegeven in papyri uit het laat-Romeinse archief van de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) uit de Charga-Oase (3de-4de eeuw n.C.): zij worden regelmatig omschreven als exopylitai, ‘buitenpoorters’, of allophyloi, ‘andersstammigen’. Dit suggereert opnieuw dat zij de reguliere woongebieden niet mochten betreden.

Het is niet duidelijk in hoeverre we deze getuigenissen mogen veralgemenen: op andere plaatsen en tijdstippen lijken Egyptische balsemers wel gewoon onder de andere mensen te hebben geleefd. Waarom zouden ze apart moeten wonen? In veel culturen wordt contact met dode lichamen als onrein beschouwd en worden begrafenisondernemers uit het gewone sociale leven geweerd. In Romeins Puteoli bijvoorbeeld moesten begrafenisondernemers op een bepaalde afstand van de stad wonen en mochten zij deze alleen betreden voor officiële zaken (zoals vastgesteld in de Lex Libitinaria). Ook in de Griekse wereld werden lijken als bron van vervuiling (miasma) gezien. Misschien speelde er Grieks-Romeinse invloed mee? Toch geef ik graag nog een bijkomende verklaring voor de Egyptische balsemers: het waren lastpakken!

Lees meer

G. Baetens, ‘A Dead Man’s Contract: P. BM EA 10077 Revisited’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde 150/2 (2023), pp. 1-12.
G. Baetens, ‘An Embalmers’ Dispute in Hypsele/Shashotep’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 66 (2020), pp. 273-312.
M. Cannata, Three Hundred Years of Death: The Egyptian Funerary Industry in the Ptolemaic Period, Leiden/Boston, 2020.
T. Derda, ‘Necropolis Workers in Greco-Roman Egypt in the Light of the Greek Papyri’, Journal of Juristic Papyrology 21 (1991), pp. 13-36.
Y. Uytterhoeven, Hawara in the Graeco-Roman Period: Life and Death in a Fayum Village, Leuven, 2009.

Deze blogpost is een herwerkte versie van het originele artikel: G. Baetens, Balsemers in Ptolemeïsch Egypte. Een ingewikkelde geschiedenis, Ta-Mery 15 (2003). (Deze uitgave van Huis van Horus is het enige Nederlandstalig magazine over het oude Egypte en bevat populair-wetenschappelijke artikelen geschreven door egyptologen uit Nederland en Vlaanderen).

Coverafbeelding: een adaptatie van de afbeelding ‘Coffin fragment with Nut and Anubis’ vanop Wikimedia (Public Domain: CC0 1.0 DEED).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/feed/ 0 2493
Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/#respond Sun, 08 Oct 2023 16:25:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2472

In onze reeks 'Quis est?' beschrijven we minder bekende figuren uit de Oudheid, zoals deze Sostratos van Aegina? Is deze handelaar, die zowel bij Herodotus als in teksten uit Italië en Egypte wordt vermeld, de rijkste aller Grieken?

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Vorige week pakte de krant De Standaard uit met de test “bent u rijk?”, en voegde daar de boude bewering aan toe dat je “met 2 miljoen tegenwoordig niets bent”. Zorgen over de groeiende ongelijkheid klinken steeds luider, maar tegelijk blijven lijstjes van rijke mensen populair, en kunnen we de capriolen van ’s werelds meest welvarende persoon, Elon Musk, bijna in real time volgen. Hoewel hun invloed misschien wel groter is dan ooit, zijn superrijken niet alleen een hedendaags fenomeen, en ook over hun historische voorgangers doen vaak allerlei straffe verhalen de ronde, waaronder ook over een zeker Sostratos van Aegina.

Het lot van Crassus, in de zestiende-eeuwse verbeelding

Een andere persoon die wel eens omschreven wordt als de rijkste man in de wereldgeschiedenis is Mansa Musa, de veertiende-eeuwse heerser over het koninkrijk Mali. Op bedevaart naar Mekka zou hij in Caïro zoveel goud uitgedeeld hebben, dat de goudprijs en daarmee de hele economie crashte. In Rome was er de fabelachtige rijkdom van Marcus Licinius Crassus, de triumvir die een groot fortuin vergaarde via speculatie op de vastgoedmarkt. De Parthen waren zich welbewust van ’s mans reputatie, en nadat hij sneuvelde in de slag bij Carrhae (53 v.C.) goten ze volgens de overlevering gesmolten goud in zijn mond. De Griekse steden waren meer egalitair, en het is minder duidelijk wie de rijkste aller Hellenen geweest zou kunnen zijn. Eén man heeft echter een sterke claim, als we tenminste Herodotus mogen geloven. En andere bronnen voor die Sostratos van Aegina suggereren inderdaad dat zijn beschrijving op waargebeurde feiten gebaseerd is.

De reputatie van Sostratos (en die van Herodotus)

Haast terloops, als deel van een verhaal over de Samiërs, merkt de geschiedschrijver Herodotus op dat geen enkele handelaar ooit meer inkomsten vergaarde dan een zekere Sostratos uit Aegina, de zoon van Laodamas:

“ἀπονοστήσαντες οὗτοι ὀπίσω μέγιστα δὴ Ἑλλήνων πάντων τῶν ἡμεῖς ἀτρεκείην ἴδμεν ἐκ φορτίων ἐκέρδησαν, μετά γε Σώστρατον τὸν Λαοδάμαντος Αἰγινήτην: τούτῳ γὰρ οὐκ οἷά τε ἐστὶ ἐρίσαι ἄλλον.”

“Naar huis teruggekeerd, haalden zij [sc. de Samiërs] de meeste winst uit hun vracht van alle Grieken waarover we zekerheid hebben, behalve dan Sostratos, zoon van Laodamas, uit Aegina: met hem kan geen enkel ander wedijveren.” (Historiae 4, 152)

Herodotus, de Griekse geschiedschrijver

Aldus vervoegde Sostratos de selecte groep van Griekse handelaars die bij naam vereeuwigd werden in de literaire bronnen. De Griekse upper class had, net als de Romeinse senatoriale elite, namelijk geen al te hoge pet op van handelaars, en voelde niet vaak de behoefte om hun verwezenlijkingen te vereeuwigen. Desalniettemin suggereert Herodotus’ opmerking dat zijn publiek goed genoeg wist over wie hij het had, aangezien hij geen enkel detail over Sostratos’ activiteiten vermeldt. Gelukkig voor ons is Sostratos (of zijn familie) een van die gevallen waar de literaire en documentaire bronnen elkaar aanvullen. Uit die laatste categorie blijkt een uitgebreid handelsnetwerk, dat zich uitstrekte doorheen het Middellandse Zeegebied. Tegelijk bevestigen deze teksten de geloofwaardigheid van de “vader van de geschiedschrijving”, waar zowel antieke als moderne historici wel eens aan durven twijfelen.

Aegina in de 6de eeuw v.C.

Zesde-eeuwse stater van Aegina met de schilpad

Sostratos’ thuisregio Aegina was een eiland in de Saronische golf, tussen Attica en de Peloponnesos, een strategische locatie om aan handel te doen. Het was dan ook een welvarende gemeenschap, die in de 6de eeuw v.C. belangrijker was dan het nabijgelegen Athene. De Aeginese stater met de bekende schildpad was een van de eerste munten in de Griekse wereld, en andere steden volgden de muntstandaard van Aegina voor het slaan van hun eigen munten. Handelaars als Sostratos speelden hierin een aanzienlijke rol. Aan het einde van de 6de eeuw v.C. bouwde de stad een monumentale tempel voor Aphaea, nog steeds een populaire bezienswaardigheid, en een heiligdom voor Apollo. Sommige onderzoekers willen hier ook de hand van Sostratos in zien, en twee sokkels voor standbeelden dragen inderdaad een inscriptie die verwijst naar iemand met die naam. Na de Perzische oorlogen verloor Aegina aan belang ten voordele van grote rivaal Athene.

Sostratos in Italië

Sostratos zou misschien voor altijd een semi-legendarische figuur gebleven zijn, als de ontdekking van een intrigerende inscriptie in het Etruskische Gravisca daar geen verandering in had gebracht. Het gaat om een stenen anker, gewijd aan een godheid, zoals dat wel vaker gebeurde onder zeelieden als dank voor een veilige zeereis. De tekst is simpel en slechts gedeeltelijk bewaard, maar in al zijn kortheid bijzonder significant:

ΑΠΟΛΟΝΟΣ ΑΙΓΙΝΑΤΑ ΕΜΙ ΣΟΣΤΡΑΤΟΣ ΕΠΟΙΗΣΕ ΗΟ

“Ik behoor toe aan Apollo van Aegina. Sostratos, zoon van … heeft mij gemaakt”

Het anker van SostratosWikimedia

Het anker van Sostratos

De tekst dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de late 6de eeuw v.C., en de combinatie van de naam Sostratos met de godheid uit Aegina maken het zeer waarschijnlijk dat het hier om de handelaar van Herodotus gaat. Bovendien liep het in Gravisca, de haven van de welvarende stad Tarquinia, vol met handelaars. De Etruskische steden waren belangrijke handelspartners voor de Grieken en hun havens waren levendige en kosmopolitische plaatsen met ruimte voor vreemde, niet-Etruskische goden.

Ook in Pyrgi, de haven van dat andere Etruskische centrum Caere, werd een dedicatie gevonden die mogelijk aan Sostratos toegeschreven kan worden. Met welke producten Sostratos zijn fortuin vergaarde, weten we niet zeker, maar tientallen beschilderde Attische vazen met het merkteken “So” (= So(stratos)?) suggereren dat hij de grootste invoerder van aardewerk van zijn tijd was. Belangrijker nog was hun inhoud: Griekse wijn. Hoewel de Etrusken zelf aan viticultuur deden, en hun wijn zelfs exporteerden naar Gallië, verkoos de elite het Griekse product van hogere kwaliteit. Dat ligt vandaag wel even anders: grote delen van Etrurië maken nu deel uit van Toscane, wereldberoemd voor haar Chianti en Brunello. De Etrusken importeerden verder olijfolie, allerlei metalen, luxeproducten zoals ivoor, en slaven. Mogelijk handelde Sostratos ook in sommige van deze goederen.

Sostratos in Egypte?

Sostratos’ activiteiten in Etrurië zouden op zichzelf al indrukwekkend geweest zijn, maar enkele vondsten uit het Egyptische Naukratis zouden er op kunnen wijzen dat zijn netwerk echt het hele Middellandse zeegebied omspande. Naukratis was een belangrijke handelspost in het noorden van Egypte, op dat moment deel van het Perzische rijk (we schrijven enkele decennia vòòr de grote confrontatie tussen dat rijk en de Griekse steden). Net als Gravisca was het een multicultureel emporium, maar Naukratis had een meer uitgesproken Grieks karakter. Het was geen kolonie van een enkele polis, maar een gemeenschap onderhouden met de steun van twaalf verschillende Griekse steden, waaronder Aegina, Sostratos’ thuisstad.

Schaal gewijd door een Sostratos in Naukratis

Enkele dedicaties die op de site teruggevonden zijn, zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van Sostratos en zijn familie: verschillende potten dragen er wijdingen aan Aphrodite Aphrodite van een Sostratos en een Leodamas (een variant van de naam van Sostratos’ vader bij Herodotus, Laodamas). Aphrodite had geen corresponderende tempel op Aegina zoals Apollo, maar speelde in het algemeen een belangrijke rol als beschermster van zeereizigers. Als Aphrodite Euploia kon ze de golven bedwingen en haar adepten een veilige vaart garanderen, en handelaars schreven soms hun commerciële successen aan haar tussenkomst toe.

Ook in Egypte importeerden Grieken hun veelgeprezen wijn, maar het grote geld viel eerder te rapen met het doorverkopen van Egyptische producten zoals graan, linnen en papyrus in de Griekse wereld. Er zijn echter enkele bezwaren tegen de interpretatie dat het hier om de Sostratos van Herodotus zou gaan: Leodamas wordt geïdentificeerd als zijnde afkomstig van de stad Teos, en de dedicatie door Sostratos gebruikt het alfabet van het eiland Chios. Het zou natuurlijk om een bijzonder internationale familie kunnen gaan, en misschien heeft Sostratos zijn graffiti niet zelf geschreven, maar voorzichtigheid is hier toch geboden.

Eén steenrijke Sostratos, of toch meerdere Sostratoi?

Sostratos was geen zeldzame naam in de Oudheid, en sommige onderzoekers betwijfelen dat al deze bronnen verwijzen naar een en dezelfde man, de Sostratos van Herodotus. Anderen kiezen een middenweg, en reconstrueren een familie van handelaars eerder dan één individu. Zowel beroepen als namen werden inderdaad vaak doorgegeven van vader (of grootvader) op zoon. Het blijft moeilijk om alle elementen hard te maken, in het bijzonder de Egyptische connectie, maar zeker het anker voor Apollo van Aegina uit Gravisca spreekt in het voordeel van de betrouwbaarheid van Herodotus. Bovendien kennen we andere handelaars, met veel ongebruikelijkere namen, die sporen achterlieten in zowel Etrurië als Naukratis, zoals een zekere Lethaios en een meneer Hyblesios. We kunnen dus terecht spreken van een geconnecteerde en mobiele wereld, waarin internationale handelaars aanzienlijke fortuinen verdienden. En de terloopse manier waarop Herodotus Sostratos van Aegina vermeldt, leert ons dat zijn succes fabelachtig geweest moet zijn.

Lees meer

Gill, D.W.J., ‘Positivism, Pots and Long-Distance Trade’, in I. Morris (ed.), Classical Greece: Ancient Histories and Modern Archaeologies, Cambridge, 1994, 99–107.
Hornblower, S., ‘Personal Names and the Study of the Ancient Historians’, Proceedings of the British Academy 104 (2000), 129–143.
Johnston, A., ‘Trading Families?’, in R.W.V. Catling and F. Marchand (eds.), Onomatologos. Studies in Greek Personal Names presented to Elaine Matthews, Oxford, 2010, 470–478.
Schweizer, B., ‘Zwischen Naukratis und Gravisca: Händler im Mittelmeerraum des 7. und 6. Jhs. v. Chr.’, in M. Fitzenreiter (ed.), Das Heilige und die Ware: Zum Spannungsfeld von Religion und Ökonomie, London, 2007, 307–324.

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van een zwartfigurige vaas (kylix) uit de 6de eeuw v.C. met daarop Dionysus op een schip tussen de druiven en dolfijnen, via de afbeelding ‘Kylix Dionysus on a ship between dolphins’ vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0 DEED).

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/feed/ 0 2472
Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/#respond Wed, 21 Oct 2020 15:46:52 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1704

Kledij was zeer belangrijk in de Oudheid: als bescherming tegen de elementen, om een identiteit uit te drukken of door hun groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren. Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Stuur ons alsjeblieft het nodige, zodat we niet in schaamte hoeven te leven. Laat hen ons niet bespotten telkens als we binnenkomen, omdat we naakt zijn. Als een versleten mantel voor ons je te duur is, laat ons dan op zijn minst een stuk linnen bezorgen.

‘Koptische’ kindertuniek uit het Metropolitan Museum of Art

Deze smeekbede uit de 3de eeuw v.C. toont hoe belangrijk kledij al was in de Oudheid. Kleren bieden bescherming tegen de elementen, laten ons toe onze identiteit uit te drukken, en hebben in elke historische periode een groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren.

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in CaïroNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in Caïro

Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Een blik in de Grieks-Romeins-Egyptische kleerkast

De koffer van Zenon:

  • een gewassen linnen gewaad (periblema),
  • een gewassen aardkleurige wintermantel (chlamys),
  • een gedragen mantel,
  • een halfgedragen zomermantel,
  • een gewassen naturel wintermantel,
  • een gedragen naturel wintermantel,
  • een nieuwe wikke-kleurige zomermantel,
  • een gewassen witte wintertuniek (chiton) met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek,
  • twee gewassen witte wintertunieken,
  • een halfgedragen tuniek,
  • drie nieuwe witte zomertunieken,
  • een ongevolde tuniek,
  • een half-gedragen tuniek,
  • een gewassen wit bovenkleed voor de winter (himation),
  • een ruwe mantel (tribôn),
  • een gewassen wit zomergewaad (theristron),
  • een halfgedragen zomergewaad,
  • een paar Sardische hoofdkussens,
  • twee nieuwe paren aardkleurige sokken,
  • twee paar nieuwe witte sokken,
  • twee nieuwe witte gordels.

Deze papyrus geeft ons een momentopname van de kleerkist van Zenon, een manager van een groot landgoed uit de 3de eeuw v.C. Door zijn maatschappelijke positie had Zenon ‘s ochtends allicht iets meer keuzestress voor de spiegel dan de gemiddelde Griek of Egyptenaar, maar de gewaden in zijn koffer zijn min of meer representatief. Het basiskledingstuk, zowel voor Egyptenaren als voor Grieken, was de tuniek (in het Grieks chiton, in het Demotisch Egyptisch gtn). De chiton kon tot op de grond komen, tot aan de knieën, of tot aan de middel – in de meeste gevallen zijn zulke details ons niet bekend. We kennen zowel tunieken met als zonder mouwen.

Laat-antieke tuniek met mouwen, in tegenstelling tot de kindertuniek hierboven

Mummieportret van een vrouw met roze himation over haar chiton gedrapeerd

Boven de tuniek droeg men soms een tweede stuk, dat over het onderkleed heen gedrapeerd werd: de himation. Beide kledingstukken bestonden in essentie uit rechthoekige stukken stof. De himation kon op verschillende manieren gedrapeerd worden, al dan niet met behulp van gordels. Soldaten en andere personen die grote afstanden moesten afleggen, vervingen de himation als overkleed al eens door een chlamys, een reismantel die met een gesp aan de schouder werd vastgemaakt.

Beeld van Ptolemaios III als Hermes met chlamys

Zoals blijkt uit de Zenon-papyrus, konden die gewaden naturel of geverfd zijn (over kleuren later meer). Belangrijk was wel dat de kleren gewassen waren, en in het geval van wol behandeld door een voller. Hoewel in de papyri specifieke mannen- en vrouwenversies van kleren voorkomen, droegen beide geslachten in essentie dezelfde kledingstukken.

De meest gebruikte grondstof voor textiel was linnen, gemaakt van de vlasplant. Het materiaal is zeer sterk en absorberend, en het droogt snel. Deze eigenschappen maken de stof ideaal voor een warm woestijnklimaat. ’s Winters en ’s avonds koelt het echter ook in Egypte af, en voor zulke omstandigheden was wol geschikter. Lange tijd werd aangenomen dat er in Egypte geen wol gedragen werd, omdat het volgens Herodotus tegen de religieuze gebruiken inging om begraven te worden of de tempel te betreden met wollen kleren. Als er al zo’n taboe was, gold dat waarschijnlijk alleen voor priesters. Archeologische opgravingen bevestigen dat wol en wollen kledij al voorkwamen in de predynastische periode. In Zenons lijst, net als in andere papyri, vinden we daarnaast winter- en zomervarianten van sommige kledingstukken. Voor de echte koukleumen waren er ook sokken. Tot afschuw van moderne fashionista’s werden deze kousen schaamteloos in de sandalen gedragen. Sterker nog: ze waren er speciaal voor gefabriceerd. De sandalen zelf waren meestal van leer of papyrus.

Een paar sokken uit Romeins Oxyrhynchus, met inkeping aan de tenen voor een sandaalriem

Een textiel-gerelateerde vraag die historici vaak te horen krijgen, is of mensen vroeger ook al ondergoed droegen. Er zijn wel degelijk enkele papyri bewaard die meer licht werpen op deze kwestie. Ongetwijfeld de meest mysterieuze is volgend fragment:

“Verklaring van Harchebis over de clandestien geweven beha’s die gevonden zijn in de tempel”

De verklaring zelf is helaas verloren gegaan. De illegaliteit van de beha’s had waarschijnlijk niets te maken met een algemeen verbod op ondergoed, maar eerder met de specifieke omstandigheden waarin deze exemplaren geproduceerd waren. Zulke tempelwerkplaatsen waren immers in de eerste plaats bedoeld voor het vervaardigen van kledij voor de godenbeelden. Het Griekse woord voor beha betekent letterlijk ‘borstband’, en de antieke exemplaren waren heel wat minder complex dan hun moderne tegenhangers. Waarschijnlijk gaat het om een soort doek, zoals afgebeeld in de Villa del Casale in Sicilië. Het is onduidelijk hoe wijdverspreid ze werkelijk waren. Hetzelfde geldt voor de lendendoek, die vaak afgebeeld werd in de faraonische periode. In de Grieks-Romeinse periode vinden we die vooral terug bij atleten.

De zogenaamde ‘bikini-mozaïek’ met atletes in de Villa del Casale (Sicilië, 4de eeuw n.C.)

De nieuwe kleren van de keizer: mode en innovatie

Vandaag is de textielindustrie een echte mode-industrie, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor fast fashion met snel veranderende trends en relatief lage prijzen. Voor de industriële revolutie was zo’n organisatie onmogelijk. Het produceren van kledij was een veel trager en arbeidsintensiever proces, en een kledingstuk was een substantiële investering, die de meeste mensen maximaal eenmaal per jaar deden. Toch veranderden smaken ook in de Oudheid al, en werden die trends ook overgenomen door anderen, zij het aan een veel trager ritme. Het volgen van de laatste mode was ook sterk vervlochten met sociale status, en was alleen weggelegd voor de elite. Het gaat daarbij niet zozeer om de vorm van kledingstukken, maar eerder over materiaal en versiering. Een ander opvallend verschil was de status van de de kleermakers. Uit de Oudheid is ons geen enkele beroemde ontwerper bekend; de opkomst van internationaal bekende modehuizen is een relatief recent fenomeen.

Munten en standbeelden zijn belangrijke bronnen voor modeverschijnselen. In het bijzonder de kapsels van Romeinse keizerinnen, zoals deze Sabina, vonden navolging bij de elite

De slakkensoort Murex waaruit purperverf gewonnen werd

Een onderscheidend kenmerk van textiel was bijvoorbeeld de kleur. In de papyri vinden we talrijke gekleurde kledingstukken terug, in zowat alle kleuren van de regenboog. Er was ook aandacht voor de juiste tint binnen dezelfde kleur: zo gaven sommigen de voorkeur aan “gras-groen”, waar anderen voor “prei-groen” of “appel-groen” kozen. Verf had meestal een plantaardige of minerale basis, maar sommige formules waren van dierlijke oorsprong. Zo werden insecten gebruikt voor het bekomen van een scharlakenrode kleur.

Mummieportret van een vrouw gehuld in verschillende tinten purper; het Tyrisch purper was een diep purperrood

Een bijzondere rol was weggelegd voor purper. Het maken van purperverf was een zeer tijdrovend en duur proces. Dit had alles te maken met de grondstof, die werd gewonnen uit de schelp van de murex (brandhoren, een soort zeeslak), in het bijzonder in Tyrus, in het huidige Libanon. Volgens experimenten zouden 12 000 slakken niet meer dan 1,4 gram verf opleveren, al moet het wel gezegd worden dat het exacte procedé onbekend is. Purperen kleding was dus een echt statussymbool, en in de laat-Romeinse periode was het recht om de kleur te dragen zelfs exclusief voorbehouden aan de keizer.

Mogelijk leek de kostbare tuniek op deze met figuren versierde mantel uit Hellenistisch Etrurië

Slakken-uitscheiding is natuurlijk niet de enige bron van purperen kleurstoffen. In de papyri vinden we ook goedkopere oplossingen, zoals het mengen van blauwe en rode verf, of het gebruik van planten. Zulke praktijken waren schering en inslag, en om het hoogwaardige slakkenpurper van deze imitaties te onderscheiden, spraken ververs van “echt purper” of “zeepurper”, in tegenstelling tot het goedkopere “lokale purper” of “wortelpurper”. Wie zijn welvaart wilde tentoonspreiden kon dat ook op andere manieren, die moeilijker te imiteren vielen. Een petitie uit 244 v.C. licht ons bijvoorbeeld in over de aankoop van een tuniek waarop figuren geborduurd waren. Het stuk kostte 1270 drachmen, het honderdvoudige van de gemiddelde prijs van een chiton in die periode, wat overeenkomt met 15 à 20 jaarlonen voor een modale Egyptenaar. Echte haute couture dus.

Tijdens de Romeinse periode deed katoen zijn intrede in Egypte

Net zoals bepaalde steden en regio’s vandaag bekend staan om hun verfijnde of modieuze textielproductie, kende Grieks-Romeins Egypte ook regionale specialiteiten. Het beste vlas en linnen kwamen bijvoorbeeld uit de noordelijke Nijldelta, in het bijzonder uit Mendes. Andere specialiteiten werden ingevoerd van elders. Zo stond Milete, in het huidige Turkije, bekend om haar bijzonder fijne wol. Griekse ondernemers importeerden daarom het Milesische schapenras in Egypte. De wol was zo kostbaar dat de dieren een leren dekkleed droegen om ze te beschermen. Klein-Aziatische producten in het algemeen waren goed vertegenwoordigd in de Egyptische textielindustrie. Zo werden de tarsikarioi een belangrijke beroepsgroep in de Romeinse periode. Deze wevers maakten kleding die oorspronkelijk een specialiteit van de stad Tarsus was. Ook de Sardische kussens die we eerder in Zenons garderobe tegenkwamen, stamden uit Klein-Azië.

Na de overwinning van Octavianus op Cleopatra VII deelden de Romeinen de lakens uit in Egypte. In hun kielzog brachten zij rijks-brede trends met zich mee. Naast de Tarsische gewaden of stoffen, deed na verloop van tijd bijvoorbeeld ook de dalmatikè haar intrede: een brede tuniek, oorspronkelijk afkomstig uit Dalmatië, die net als vele andere gewaden uit de Oudheid nog verder leeft in de christelijke liturgie. De verovering leidde echter niet tot een volledige vernieuwing van de garderobe. Zo vinden we in Egypte weinig sporen terug van de toga, het archetypische kledingstuk van de gegoede Romeinse burger. Andere ontwikkelingen in Romeins Egypte hadden niets met de Romeinse cultuur te maken. Waar de chiton in de Hellenistische periode doorgaans mouwloos was, kwam in de Romeinse periode bijvoorbeeld de tuniek met mouwen in zwang. Ook katoen werd in de vroege Romeinse periode geïntroduceerd, maar die nieuwe vezel kwam evenmin vanuit het westen. Vandaag is het de belangrijkste textielvezel in Egypte en de rest van de wereld.

Waar de welgestelde inwoners van Grieks-Romeins Egypte dus zeer bezorgd waren over hun voorkomen en het volgen van de laatste nieuwe mode, kende de regio langs de andere kant ook een bloeiende markt in tweedehands textiel. Kledij werd ook gerecycleerd voor begrafenissen, denk bijvoorbeeld maar aan de zogenaamde ‘mummie van Zagreb’, wier windsels oorspronkelijk dienstdeden als Etruskische rituele kalender. Veel mummietextiel vertoont daarnaast sporen van herstelwerk, een duidelijk teken van hergebruik. In sommige gevallen werden nieuwe stukken textiel vervaardigd uit oude kledij. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de productie van luxueuze tapijten, een praktijk die men vandaag als upcycling zou aanduiden.

De windsels met Etruskische tekst van de ‘mummie van Zagreb’ zijn een duidelijk bewijs voor het hergebruik van textiel in een funeraire context

Er wordt wel eens gezegd dat in de mode “alles terugkomt”. We kijken dan ook reikhalzend uit naar het eerste modehuis dat modellen met een chiton en himation de catwalk op stuurt!

Lees meer

Droß-Krüpe, K., Wolle – Weber – Wirtschaft. Die Textilproduktion der römischen Kaiserzeit im Spiegel der papyrologischen Überlieferung, Wiesbaden, 2011.

Dunand, F., ‘L’artisanat du textile dans l’Égypte lagide’, Ktèma 4 (1979), 47-69.

M. Harlow (ed.), A cultural history of dress and fashion in antiquity, Londen en New York, 2017.

G. Vogelsang-Eastwood, De kleren van de farao, Amsterdam, 1994.

Coverfoto: adaptatie van een scan uit het boek ‘The New Student’s Reference Work, 5 volumes, Chicago, 1914′, gepubliceerd op Wikimedia (Public Domain)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1704
In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/#respond Fri, 21 Feb 2020 16:37:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1434

Het toerisme in Egypte beleefde vooral hoogdagen na de verovering door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel "binnenlandse" als "buitenlandse" reizen. In dit artikel gaan we in het spoor van Herodotus op zoek naar de typische plaatsen die werden aangedaan door keizers, soldaten, ambassadeurs of andere beambten.

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Met de geplande opening van het Grand Egyptian Museum in het vooruitzicht prijkt Egypte bovenaan menig lijstje met “top # plaatsen om te bezoeken in 2020”. De toeristische sector is erg belangrijk voor het land, en na enkele moeilijke jaren neemt het aantal bezoekers weer gestaag toe. Het rijke Egyptische verleden spreekt al veel langer tot de verbeelding van reizigers. Deze fascinatie gaat al terug tot in de Oudheid. Het toerisme beleefde vooral hoogdagen na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel “binnenlandse” als “buitenlandse” reizen. Verplaatsingen van de eerste soort behelsden vaak een bezoek aan een tempel in het kader van een pelgrimage. Uitheemse bezoekers waren doorgaans soldaten, ambassadeurs, of beambten die in staatsdienst in het land waren. Ook Romeinse keizers bezochten de provincie Aegyptus. De grootste keizerlijke toerist was zonder twijfel Hadrianus, die meer dan de helft van zijn regeerperiode onderweg was. Anderen reisden uit interesse: volgens Tacitus bezocht Germanicus Egypte “om de antiquiteiten te zien” (“cognoscendae antiquitatis“).

Naar aanleiding van zijn bezoek liet Hadrianus deze munt met verpersoonlijking van Egypte slaan. De figuur houdt een Egyptisch sistrum vast, en links ontwaren we een ibis, het heilige dier van Thoth.

Toerisme in Egypte: een lange geschiedenis

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in SaqqaraNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in Saqqara

Ook voor Egypte deel werd van de Grieks-Romeinse wereld werd er natuurlijk druk gereisd. Vanaf het Oude Rijk vinden we inscripties van passanten in de regio van het eerste cataract (het huidige Sehel-eiland). De eerste graffiti achtergelaten door ‘toeristen’ dateren uit de 18de en de 19de Dynastie: de kapellen rond de trappenpiramide van Djoser in Saqqara zijn bezaaid met inscripties van schrijvers die hun bewondering voor de site uitdrukken.

Vanaf de Late Tijd (664-332 v.C.) vonden meer en meer Grieken hun weg naar Egypte. Al in 591 v.C. kerfden Griekse huurlingen een boodschap in het linkerbeen van een beeld van Ramses II in Abu Simbel. Andere toeristen kwamen met vredelievendere bedoelingen: enkele illustere voorbeelden zijn de Atheense staatsman Solon, de wiskundigen Thales en Pythagoras en de filosoof Plato. De bekendste toerist was de historicus Herodotus, die zeer onder de indruk was: “Nergens zijn er zoveel wonderlijke zaken, noch zijn er ergens ter wereld zoveel werken van onbeschrijfelijke grootheid te zien.” Latere Grieks-Romeinse toeristen bekeken Egypte door de lens van deze voorgangers: ze hadden respect voor de oude Egyptische cultuur, maar tegelijk bleef het land ook exotisch en ‘barbaars’. Sommige graffiti van bezoekers gebruiken zo het woord “historeo“, “ik onderzoek”, een rechtstreekse verwijzing naar het werk van Herodotus.

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.

De tempel van Abu SimbelNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Abu Simbel

Bruisend Alexandrië

Halve drachme van de Romeinse keizer Antoninus Pius met de pharos en tetradrachme van de keizer Commodus met de pharos en een zeilschip

In de Grieks-Romeinse periode bereikten de meeste reizigers Egypte per boot, via de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij het naderen van de kust werden ze begroet door een van de spectaculairste bouwwerken uit de oudheid: de pharos, een vuurtoren die meer dan 100 meter boven de zee oprees. De stad was niet alleen een belangrijk commercieel centrum, maar ook de intellectuele hoofdstad van het Middellandse Zeegebied. Bezoekers konden zich er vergapen aan spectaculaire sites die vandaag verdwenen zijn onder de moderne bebouwing. In het rijkversierde Mouseion en de bibliotheek kon men de grote geleerden van die tijd aan het werk zien. Het grote Serapeum, een van de beroemdste heidense tempels uit de Oudheid, was een andere populaire bezienswaardigheid. Gedistingeerde gasten werden ontvangen op het spectaculaire koninklijke paleis.

Alexandrië kende ook Egyptische elementen, zoals de “Cleopatra’s Needles” nu in Londen en New York

Het mausoleum van Alexander de Grote in de stad ontwikkelde zich tot een waar bedevaartsoord. In 48 v.C. kwam Julius Caesar het lichaam eer bewijzen, en hij werd daarin nagevolgd door talrijke latere keizers. Ook zijn adoptiefzoon Augustus bezocht het graf, en zou volgens kwatongen (Cassius Dio) een stukje van de neus van Alexander afgebroken hebben. Gevraagd of hij daarnaast de tombes van de Ptolemaeën wilde bezoeken, zou hij geantwoord hebben dat hij “een koning wilde zien, niet gewoon wat lijken”. De Hellenistische koningen zelf toonden zich ook niet altijd even respectvol tegenover de doden: aanvankelijk lag Alexander in een gouden sarcofaag, maar die werd door Ptolemaios X omgesmolten en vervangen door een glazen exemplaar.

De Grand Tour van het faraonische verleden

Veel reizigers trokken van Alexandrië naar het zuiden om met eigen ogen de monumenten uit de faraonische tijd te bekijken. De eerste attractie die men tegenkwam was Heliopolis. De lokale priesters genoten de reputatie bijzonder geleerd te zijn, en de stad trok dan ook veel filosofen aan. Vandaag blijft er van Heliopolis niet veel over: de monumenten zijn gebruikt als steengroeve voor de aanleg van Caïro. Hetzelfde lot viel de oorspronkelijke hoofdstad Memphis te beurt, een andere populaire stopplaats. Van de beroemde Ptah-tempel en het paleis van Apries zijn slechts schamele ruïnes overgebleven.

Tot de weinige overblijfselen die vandaag nog in Memphis zelf te bezichtigen vallen, behoort dit kolossale beeld van farao Ramses II

Andere trekpleisters in de buurt hebben de tand des tijds beter doorstaan. Een van de hoogtepunten van elke reis naar Egypte, toen zowel als nu, zijn de piramides van Gizeh. De antieke auteurs maakten daarbij dezelfde bedenkingen als menig moderne toerist; terwijl Diodorus zich verwondert over hun grootte en vakmanschap, veroordeelt Herodotus het morele karakter van mannen die zoveel middelen aanwendden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Over Cheops beweert hij dat hij zelfs zijn eigen dochter prostitueerde om fondsen te werven. In de Romeinse periode werd ook de sfinx, die tot de regering van keizer Nero onder het zand begraven lag, drukbezocht. Ingekerfde gedichten vergelijken de vredige Egyptische sfinx met diens wrede Griekse tegenhanger uit het verhaal van Oedipus.

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bijNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bij

Alvorens te arriveren in de religieuze hoofdstad Thebe, deden sommige bezoekers Hermopolis aan. Ter hoogte van deze stad verdronk de onfortuinlijke Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus, tijdens een boottocht op de Nijl. Anderen stopten bij de dodentempel van Seti I in Abydos, bij de Grieken bekend als het Memnoneion.  In de Romeinse periode trok de plaats veel pelgrims aan; de tempel huisvestte toen een gerenommeerd orakel van de god Bes.

De tempel van Seti I in Abydos

De grootste concentratie aan faraonische monumenten vond men toen ook al terug in Thebe, het moderne Luxor. Al in de Romeinse periode leefde het – enigszins overdreven – beeld van het honderd-poortige Thebe als één groot openluchtmuseum. Net als vandaag stroomden er vele bezoekers samen aan de tempels van Karnak en Luxor, maar de populairste trekpleisters bevonden zich op de westoever van de Nijl. De absolute topattractie waren twee standbeelden van farao Amenhotep III, de zogenaamde ‘Kolossen van Memnon’. Griekse en Romeinse bezoekers dachten dat de sculpturen de Ethiopische held Memnon uit de Trojaanse Oorlog afbeeldden. Als gevolg van een aardbeving produceerde een van de beelden geluid bij het opkomen van de zon. Dit werd geïnterpreteerd als het zingen van Memnon naar zijn moeder Eos, de godin van de dageraad. De beelden zijn bezaaid met graffiti, waaronder een gedicht van de dichteres Julia Balbilla, die keizer Hadrianus vergezelde. Sinds de 3de eeuw n.C. is het beeld opgehouden met zingen, maar de sculpturen staan er nog steeds. Sterker nog, bij recente opgravingen werden fragmenten van meer beelden teruggevonden!

De Kolossen van Memnon vandaagNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Kolossen van Memnon vandaag

De moderne trekpleister Vallei der Koningen kreeg in de Oudheid eveneens veel bezoekers over de vloer. Grieken en Romeinen lieten meer dan 2000 graffiti achter in de tombes van de farao’s. Sommige bezoekers kennen we uit andere bronnen: papyrologen zijn bijvoorbeeld bijzonder enthousiast over de graffiti van Dryton, wiens levensloop goed gekend is via zijn papyrusarchief. Het is onduidelijk of de Grieks-Romeinse bezoekers begrepen wat ze zagen. De graffiti drukken in de eerste plaats bewondering uit. De populairste attractie was het graf van Ramses VI, waar we graffiti aantreffen van bezoekers uit het hele Middellandse Zeegebied. Uit sommige van deze inscripties blijkt dat de reizigers in kwestie dachten dat het de tombe van Memnon was, aan wie ook de Kolossen werden gelinkt. Deze obsessie voor de Homerische held Memnon (zie ook het ‘Memnoneion’ van Abydos) roept de vraag op in hoeverre de Grieks-Romeinse bezoekers echt in het faraonische verleden geïnteresseerd waren, dan wel vooral op zoek gingen naar echo’s van hun eigen tradities.

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VINico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VI

Echte fanatiekelingen zoals Strabo reisden na Thebe nog verder door naar het zuiden, naar het eiland Elephantine. Naast de grote Khnum-tempel oefende vooral de eerste cataract een grote aantrekkingskracht uit. Volgens Herodotus was dit de bron van de Nijl. Seneca en Strabo beschrijven het spektakel dat werd opgevoerd door de onverschrokken veermannen, die zich met boot en al in de stroomversnelling storten. De redenaar Aelius Aristides beweert er zelfs aan deelgenomen te hebben. Vandaag is het “oorverdovende gebrul” van de cataract evenwel het zwijgen opgelegd door de bouw van de nabijgelegen dam. Ook de Isis-tempel op het eiland Philae verwelkomde talrijke pelgrims en toeristen, die vele graffiti achterlieten.

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaarNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaar

Off the beaten track: krokodillen voederen in de Fayoem

Het Qarun-meer waarnaar de regio Fayoem genoemd is, via het Koptische phiom of “het meer”

Sommige reizigers bezochten naast de faraonische overblijfselen ook een meer recent ontwikkeld gebied: de Fayoem. Het droogleggen en in cultivatie brengen van grote delen van deze regio was een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Ptolemaeïsche dynastie, die deze krachttoer ook graag etaleerde aan buitenlandse ambassadeurs. De papyri uit de Fayoem tonen dat zulke bezoeken nauwkeurig georkestreerd werden. Vooral Zenon, de manager van een groot landgoed, krijgt duidelijke instructies: hij moet de nederzettingen en de tempels voor de koning tonen, net als de wegen en de dijken, en bovenal benadrukken hoe nieuw alles is. In een andere brief wordt hem opgedragen om zo snel mogelijk strijdwagens en pakdieren in orde te maken voor ambassadeurs van Paerisades II, koning van Cimmerisch Bosporus, en uit Argos. Zenon wordt aangemaand om zich te haasten: op het moment dat de brief geschreven werd, was het schip net uitgevaren! Op het programma stond meestal ook een bezoek aan enkele faraonische overblijfselen, vooral het zogenaamde ‘Labyrint van Hawara’, het complex rond de dodentempel van Amenemhat III. Volgens Herodotus overtrof deze constructie zelfs de piramides.

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom OmboNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom Ombo

Ook toeristen die op zoek waren naar een bijzondere ervaring kwamen in de Fayoem aan hun trekken. In Krokodilopolis werd de god Sobek vereerd in de vorm van een heilige krokodil. De lokale priesters voederden het dier met brood, vlees en wijn meegebracht door bezoekers. Strabo’s beschrijving doet haast denken aan een malafide dolfinarium: nauwelijks heeft de krokodil het voedsel naar binnen gewerkt, of er staat al een nieuwe bezoeker klaar; de priesters snellen ernaartoe, vangen het dier, en stoppen hem opnieuw offers toe. Een brief bewaard op papyrus bevestigt dat deze praktijk een vast deel uitmaakte van de tour voor buitenlandse bezoekers: een beambte wordt opgedragen alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van een Romeinse senator, inclusief “de gebruikelijke hapjes voor de krokodillen”. Een andere Romeinse ambassadeur kwam op een minder aangename manier in aanraking met de Egyptische dierenculten. Diodorus verhaalt hoe hij met eigen ogen aanschouwde hoe een menigte de doodstraf eiste voor een Romein die per ongeluk een kat had gedood. Ook toen loonde het dus om reisadvies in te winnen over de lokale gewoonten!

Lees meer

Casson, L., Travel in the Ancient World, Baltimore, 1994.

Meeus, A., ‘Life Portraits: Royals and People in a Globalizing World’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Medford, 2019, 89-99.

Rosenmeyer, P. A., The Language of Ruins: Greek and Latin Inscriptions on the Memnon Colossus (2018).

Rutherford, I. C., ‘Travel and Pilgrimage’, in C. Riggs (ed.), The Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, 701-716.

Van ‘t Dack, E., Reizen, expedities en emigratie uit Italië naar Ptolemaeïsch Egypte, Brussel, 1980.

Coverfoto: adaptatie van afbeelding ‘Le Sphynx apres les déblaiements et les deux grandes pyramides / Bonfils’ op Wikimedia (Public Domain) & ‘buste beroemde Griekse Herodotus’ op Pixabay

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1434
Over aangeschoten ambtenaren en de brouwersbelasting: bier en de staat in Ptolemaeïsch Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/30/05/2019/over-aangeschoten-ambtenaren-en-de-brouwersbelasting-bier-en-de-staat-in-ptolemaeisch-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/05/2019/over-aangeschoten-ambtenaren-en-de-brouwersbelasting-bier-en-de-staat-in-ptolemaeisch-egypte/#respond Thu, 30 May 2019 14:50:07 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1316

Waar de Grieken en de Romeinen hun keel liefst met wijn smeerden, werd Egypte in de Oudheid meer met bier geassocieerd. Nadat de Ptolemaeïsche koningen Egypte hadden veroverd en er een Griekse bureaucratie introduceerden, tornden zij niet aan de dominante positie van bier. Integendeel, ze stimuleerden en sloegen op velerlei wijze munt uit de Egyptische bierindustrie, onder andere door het opleggen van een bier- of brouwersbelasting.

Het bericht Over aangeschoten ambtenaren en de brouwersbelasting: bier en de staat in Ptolemaeïsch Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De Egyptenaren drinken wijn gemaakt van gerst, want zij kennen de wijnstok niet. (Herodotus, Historiai II, 77).

Hoewel Herodotus het gevarieerde Egyptische alcoholassortiment hier oneer aandoet, maakt zijn opvatting wel duidelijk hoezeer Egypte in de Oudheid met bier geassocieerd werd. Waar de Grieken en de Romeinen hun keel liefst met wijn smeerden, was de nationale drank van het oude Egypte het gerstenat dat ook in onze contreien zo geliefd was, en nog steeds is. Die voorliefde werd duidelijk niet gedeeld door de klassieke auteurs. Volgens Plinius de Oudere was bier weliswaar zeer geschikt als gelaatsbehandeling, maar zeker niet voor consumptie. De latere keizer Julianus Apostata verkoos duidelijk ook wijn: in een gedicht prijst hij de druivendrank als ‘nectar-geurend’, terwijl bier wordt afgedaan als ‘naar geiten ruikend’. Geld, daarentegen, stinkt niet, moeten de Ptolemaeïsche koningen gedacht hebben, want nadat zij Egypte veroverden en er een Griekse bureaucratie introduceerden, tornden zij niet aan de dominante positie van bier. Integendeel, ze stimuleerden en sloegen op velerlei wijze munt uit de Egyptische bierindustrie. 

Een drank voor goden, levenden en doden

Het belang van bier voor de Egyptische cultuur, maatschappij en economie kan nauwelijks onderschat worden. In feite was er in Egypte al grootschalige bierproductie voor er farao’s waren: de eerste grote brouwinstallaties dateren uit het 4de millennium v.C. Zo werd in Hierakonpolis een pre-dynastische brouwerij ontdekt die minstens 400 liter bier per keer kon verwerken. Ook in Egyptische offers en rituelen speelde bier een cruciale rol. Meer nog, in de Egyptische mythologie had de mensheid er zelfs haar voortbestaan aan te danken. Op een dag wantrouwde de zonnegod Ra het menselijke geslacht namelijk zozeer dat hij besloot om zijn dochter Sechmet dan wel Hathor – afhankelijk van de versie – op strafexpeditie te sturen. De godin ging echter zo fel te keer dat Ra vreesde dat er geen mensen meer zouden overblijven. Hij besliste dan om de aarde te bedekken met een rood bier. Hathor/Sechmet verwarde het bier met bloed, werd dronken en viel in slaap; de mensheid was gered. Ieder jaar werd deze verlossing in Egypte gevierd met het ‘festival van de dronkenschap’, waarbij de bevolking zich op eenzelfde wijze tegoed deed aan copieuze hoeveelheden bier en wijn, op kosten van de staat. Vooral Hathor werd met bier geassocieerd, als de uitvindster ervan en als ‘meesteres van de dronkenschap’, maar ze deelde deze bevoegdheid met tal van andere mindere godinnen, zoals Menqet en Tenenet.

De antieke Egyptenaren hielden wel van een feestje, getuige deze scène uit het graf van Nebamun

Ook op gewone dagen deden Egyptische stervelingen zich maar al te graag tegoed aan het alcoholhoudende brouwsel. Mensen van alle geslachten en leeftijden dronken bier, van ’s morgens tot ’s avonds. Zo weten we uit rekeningen op papyrus dat bier ook deel uitmaakte van het ontbijt. Het Egyptische bier was dan ook voedzaam en calorierijk, minder gefilterd en steriel dan het heldere commerciële drankje waar wij aan gewend zijn. Daarnaast was het zonder twijfel veiliger om te drinken dan water dat rechtstreeks uit de Nijl gehaald werd, en komen we bier eveneens tegen als ingrediënt in medische recepten. Naast de levenden, hadden ook de doden behoefte aan bier. De drank was steevast deel van de offers die gebracht werden aan de overledenen. Het buitengewoon interessante graf van de hogepriester Petosiris uit Hermopolis toont een scène waarin de overledene een spel speelt met een vriend “totdat hij zichzelf verfrist in de bierkamer”, aldus de legende.

Deze Syrische huurling hield zoveel van het Egyptische bier dat hij zich al drinkend op zijn grafstèle liet afbeelden

Overdaad schaadt

In deze vermaningsbrief wordt een beambte met de toepasselijke naam Dionysios terechtgewezen door zijn superieur. Op het einde lezen we “Als je denkt dat het leuk is om de dronkaard uit te hangen en tegelijk bescherming te genieten, dan heb je nog niet aan morgen gedacht!”

In het dagelijkse leven werd er weliswaar veel bier geconsumeerd, maar dronkenschap werd niet op prijs gesteld. Demotische wijsheidsteksten waarschuwen voor de gevolgen van overmatig alcoholgebruik. Ook wetten hielden hier rekening mee: in Alexandrië was gedronken hebben een verzwarende omstandigheid bij een misdaad. In de papyri wordt er ook wel eens geklaagd over de gevolgen van dronkenschap. Zo verhaalt een amusante petitie hoe een beneveld gezelschap trachtte in te breken in een kroeg, teneinde zich verder tegoed te doen aan de alcoholvoorraad van de uitbater. In het bijzonder staatsbeambten werd vaak overmatig alcoholgebruik aangewreven. Vooral lagere ambtenaren worden door hun oversten gewezen op de gevolgen van hun drankgebruik, maar ook de hooggeplaatste strategos, de provinciegouverneur, werd ervan beticht zijn werkbezoek aan een tempel al drinkend door te brengen. Dat deze beschuldigingen niet uit de lucht gegrepen zijn, leert ons een rekening voor een goederentransport, waarin er een budget voorzien is voor “bier voor de douanebeambten”.

De Ptolemaeïsche bierindustrie

Met de komst van de Grieken verloor Egypte dus geenszins zijn voorliefde voor bier, en de bierindustrie bleef dan ook een bloeiende economische sector. De basiselementen van het brouwproces waren dezelfde als vandaag: gerst werd eerst gemout, waarop de bekomen suikers door fermentatie met behulp van gist werden omgezet in alcohol. Het grootste verschil met hedendaags bier was de afwezigheid van hop. Dit beïnvloedde niet alleen de smaak, maar vooral ook de houdbaarheid: Egyptisch bier kon hooguit een week bewaard worden. In de papyri vinden we tal van variëteiten, gaande van bekend in de oren klinkend ‘zoet bier’ of ‘donker bier’ tot het mysterieuze ‘ijzeren bier’ en het dure ‘Siutbier’ (een bijzondere lokale variëteit, de Ptolemaeïsche Westvleteren?). De god Ptah  – of eerder: zijn priesters – gaf dan weer de voorkeur aan ‘zwaar bier’.

In afbeeldingen werd het brouwen van bier vaak geassocieerd met het bakken van brood, waarvoor ook graan en gist gebruikt werd

Aangezien gerst vrij beschikbaar was in Egypte, en er behalve aardewerken potten voor de rest niets nodig was, konden mensen allicht thuis bier brouwen. Desalniettemin had bijna elk Egyptisch dorp zijn eigen professionele brouwers, in tegenstelling tot wijnverkopers, die we enkel in de grote centra tegenkomen. Deze brouwers waren verenigd in beroepsassociaties, zoals de ambachten en gilden uit latere tijden. In de bierindustrie waren opvallend veel vrouwen actief, meer dan in andere traditioneel vrouwelijke beroepen zoals textielproductie. Het beroep van brouwer werd ook vaak doorgegeven van de ouders aan hun kinderen. Brouwers verkochten hun bier vaak zelf, en het Griekse woord voor brouwerij, zytopolion (ζυτοπώλιον), betekent letterlijk ‘bierwinkel’. Het gerstenat werd echter ook op tal van andere plaatsen verkocht: naast bars, schonken bijvoorbeeld ook de baden en bordelen van Ptolemaeïsch Egypte bier.

Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vrouwen speelden een belangrijke rol in de Egyptische bierindustrie. Links zien we hoe het bier gefilterd wordt; rechts plaatst een man een lemen stop op een bierkruik

De bierbelasting

Zo’n lucratieve branche ontsnapte uiteraard niet aan de aandacht van de Ptolemaeïsche administratie. Brouwers en bierverkopers waren onderworpen aan de zutera (ζυτηρά). Uit takslijsten weten we dat deze belasting tot de meest significante staatsinkomsten op dorpsniveau behoorde. Zoals de meeste belastingen werd ook de bierbelasting verpacht aan private ondernemers (zie ook de inkomsten uit het zogenaamde ‘oliemonopolie‘). Elk jaar vond er een veiling plaats, waar mensen konden bieden op de staatsinkomsten uit de bierindustrie van het dorp. Als de uiteindelijke inkomsten hoger bleken dan het gedane bod, maakte de pachter winst. In het tegengestelde geval moest hij of zij het verschil bijpassen.

Omwille van de lage kostprijs van bier betaalden de brouwers hun belasting grotendeels in brons, eerder dan in het meer kostbare zilver

In de praktijk was de pachter van de Ptolemaeïsche bierbelasting vaak zelf brouwer. Vanuit ons modern perspectief lijkt zo’n situatie de deur wagenwijd open te zetten voor misbruik en fraude. Vanuit het standpunt van de oudheid is het echter een perfect logische evolutie: het waren net de mensen die werkzaam waren in de bierindustrie die over de nodige informatie beschikten om de belastinginning vlot te laten verlopen. Er traden dan ook vooral problemen op wanneer een buitenstaander het contract pachtte. De machtige ‘ambachtsgilden’ waren niet gesteld op inmenging van buitenaf. Natuurlijk oefende ook de staat controle uit: de eigenlijke inning van de belastingen gebeurde door staatsbeambten, en van de pachters werd verwacht dat ze borgen stelden, mensen die beloofden om de staat te vergoeden indien de pachters hun verantwoordelijkheden niet nakwamen. Dat gebeurde ook regelmatig, en dit kon nare gevolgen hebben voor de borgen: in sommige gevallen werd hun huis openbaar verkocht.

Staatsgraan voor de brouwers

Ptolemaeïsche belastingpachters hadden niet alleen een financiële verantwoordelijkheid, maar waren ook betrokken bij de supervisie van de sectoren die onderworpen waren aan ‘hun’ belasting. In het geval van de bierindustrie hielden ze zich bezig met het verdelen van staatsgraan aan de brouwers. Dat zit zo: traditioneel werden ambachtslieden in Egypte door de overheid of door andere grote instellingen zoals tempels of grote landerijen van grondstoffen voorzien. De ambachtsman was zo verzekerd van zijn levensonderhoud, en kon in de tijd die overbleef voor eigen rekening werken.

In eerdere periodes werd Egyptisch bier ook van emmertarwe gemaakt, maar in de Ptolemaeïsche periode vinden we enkel gerst

De Ptolemaeën behielden een deel van dat systeem: de staatsgraanschuren leverden op maandelijkse basis gerst aan de brouwers. In tegenstelling tot vroegere tijden moeten we dat echter niet zien als een vorm van staatssubsidie. De Ptolemaeën lieten de brouwers immers betalen voor hun gerst!

Het systeem was voor de staat een handige manier om een deel van haar inkomen in natura – de oogstbelasting werd in graan betaald – om te zetten in cash. Maar ook de brouwers hadden voordeel bij deze werkwijze: zij waren immers verzekerd van een stabiele graanvoorziening. Hoewel er een vrije markt was voor gerst, functioneerde die in de Oudheid uiteraard niet zo vlot als vandaag, en het zou de brouwers behoorlijk wat tijd en geld kosten om tot overeenkomsten met individuele boeren te komen. En geld, dat hadden ze natuurlijk al nodig om hun belastingen te betalen!

Coverfoto: adaptatie van een foto van het object ‘Painted wooden model group: four figures preparing food and beer’ in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

Meer lezen?

Clarysse, W., ‘Use and Abuse of Beer and Wine in Graeco-Roman Egypt’, in K. Geus and K. Zimmerman (eds.), Studia Phoenicia XVI. Punica – Lybica –Ptolemaica. Festschrift für W. Huß (Orientalia Lovaniensia analecta 104), Leuven, Paris and Sterling, 2001, 159-166.

Drexhage, H.-J., ‘Bierproduzenten und Bierhändler in der papyrologischen Überlieferung’, MBAH 16.2 (1997), 32-39.

Geller, J., ‘From prehistory to history: beer in Egypt’, in R. Friedman and B. Adams (eds), The followers of Horus: studies dedicated to Michael Allen Hoffman, Oxford, 1992, 19-26.

Leitz, C., ‘Das Menu-Lied: eine Anleitung zum Bierbrauen für Hathor in 18 Schritten’, in R. Jasnow and G. Widmer (eds.), Illuminating Osiris: Egyptological studies in honor of Mark Smith, Atlanta, 2017, 221-237.

Samuel, D., ‘Brewing and Baking’, in P. T. Nicholson and I. Shaw (eds.), Ancient Egyptian materials and technology, Cambridge, 2000, 537-576,

Thompson, D. J., ‘The Ptolemaic Ethnos’, in V. Gabrielsen and C. A. Thomsen (eds.), Private Associations and the Public Sphere. Proceedings of a Symposium heldat the Royal Danish Academy of Sciences and Letters, 9-11 September 2010 (Scientia Danica. Series H, Humanistica, 8 vol. 9), Copenhagen, 2015, 301-313.

Het bericht Over aangeschoten ambtenaren en de brouwersbelasting: bier en de staat in Ptolemaeïsch Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/05/2019/over-aangeschoten-ambtenaren-en-de-brouwersbelasting-bier-en-de-staat-in-ptolemaeisch-egypte/feed/ 0 1316
‘Obesus Etruscus’: het goede leven in het oude Italië? https://www.oudegeschiedenis.be/18/02/2019/obesus-etruscus-het-goede-leven-in-het-oude-italie/ https://www.oudegeschiedenis.be/18/02/2019/obesus-etruscus-het-goede-leven-in-het-oude-italie/#respond Mon, 18 Feb 2019 14:53:12 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1257 Obesus Etruscus

Weinig culturen uit de Oudheid spreken zo tot de verbeelding als de Etruskische. De inwoners van Etrurië vormden een rijk en machtig volk in het 1ste millennium v.C., maar moesten uiteindelijk het onderspit delven tegen de Romeinen. De klassieke auteurs, die vaak pas eeuwen later schreven, benadrukten graag hoe "anders" dit volk was dan zij, en met veel genoegen beschreven ze hun "vreemde" gewoonten. Een van die hardnekkige stereotypes is dat van de decadente ‘obesus Etruscus’.

Het bericht ‘Obesus Etruscus’: het goede leven in het oude Italië? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Obesus Etruscus

Weinig culturen uit de Oudheid spreken zo tot de verbeelding als de Etruskische. De inwoners van Etrurië vormden een rijk en machtig volk in het 1ste millennium v.C., maar moesten uiteindelijk het onderspit delven tegen de Romeinen. Ze spraken en schreven een taal die niet verwant is met de vele Italische talen die hun buren spraken, en die tot op vandaag nog steeds niet helemaal ontcijferd is. We kennen de Etrusken dan ook vooral via de geschriften van de Grieken en de Romeinen over hen. De klassieke auteurs, die vaak pas eeuwen later schreven, benadrukten graag hoe “anders” dit volk was dan zij, en met veel genoegen beschreven ze hun “vreemde” gewoonten. Dit alles maakt dat er een zweem van mysterie over de Etrusken hangt, die aanleiding geeft tot fascinatie enerzijds, maar ook vele vergezochte theorieën en misverstanden anderzijds. Een van die hardnekkige stereotypes is dat van de decadente ‘obesus Etruscus‘.

De Etrusken

De 6de-eeuwse ‘sarcofaag van de echtgenoten’: de Etrusken op het hoogtepunt van hun macht

De Etrusken bewoonden stadstaten in het huidige Toscane, Umbrië en Lazio. Ze vormden een culturele, maar niet altijd een politieke eenheid. Over de oorsprong van de Etrusken bestond er al in de oudheid veel discussie: omwille van hun vreemde taal en de duidelijk zichtbare oosterse invloeden konden sommigen maar moeilijk geloven dat het volk autochtoon was. De meest invloedrijke theorie was die van Herodotus, die schreef dat de Etrusken oorspronkelijk geëmigreerde Lydiërs waren. Ook sommige moderne onderzoekers hangen deze these aan. Andere hypotheses noemen de Alpen, Centraal-Europa of Thessalië (of aliens, in bepaalde, liever te vermijden, regionen van het wereldwijde web). Al verschillende keren trachtten wetenschappers de kwestie op te lossen via DNA-onderzoek, maar de resultaten wijzen telkens in een andere richting (maar nooit naar aliens).

Wat er ook van zij, de Etrusken waren eeuwenlang een macht om rekening mee te houden in het Middellandse Zeegebied. In het bijzonder van de 7de tot de eerste helft van de 5de eeuw v.C. kenden de steden een grote bloei. Vernieuwingen in de landbouw, ontginning van bodemrijkdommen en de resulterende ambachtelijke productie maakten op hun beurt een intensieve lange-afstandshandel mogelijk, waar de Etrusken gretig van profiteerden. Hun welvaart werd in latere tijden legendarisch. Tot de slag bij Cumae (474 v.C.) beheersten de Etrusken en hun Carthaagse bondgenoten de westelijke Middellandse Zee, en ook over land deden de stadstaten aan expansie. Vanaf de 4de eeuw botsten ze echter op de territoriale aspiraties van het groeiende Rome, waaraan ze in de loop van de volgende anderhalve eeuw een voor een ten prooi vielen. Langzaamaan verdween ook de Etruskische cultuur, en de inwoners van Etrurië assimileerden met de Romeinen.

Notoire feestvierders

De fabelachtige rijkdom van de Etrusken leverde hen ook de reputatie van feestvarkens op. Volgens Diodorus Siculus waren de oogsten in Etrurië zo overvloedig, dat de Etrusken niet een-, maar tweemaal daags een overdadig banket konden organiseren. Aangezien de Etrusken ook grote handelaars waren, kwamen er naast de lokale landbouwproducten ook allerlei exotische spijzen op tafel. Theopompus geeft een levendige beschrijving van hoe het er volgens hem aan toeging bij zo’n luxueus banket: er werden grote hoeveelheden wijn geconsumeerd – niet alleen door de mannen, maar ook door de vrouwen! -, waarop het geheel ontaardde in een orgie waarbij de Etrusken het met iedereen deden: hun vrouwen, prostituees, maar het liefst van al met jongemannen, en dat “terwijl de lampen nog aan waren”!

Een typische banketscène uit de Tomba della Nave: de slaven zijn weliswaar naakt, maar de vrouwen kunnen bezwaarlijk losbandig genoemd worden

Schilderingen in Etruskische graven beelden ook zulke banketten af, evenwel zonder de seksuele escapades, die misschien wel het resultaat waren van de levendige verbeelding van Theopompus of zijn informanten. Wel komen we wel degelijk vrouwen tegen in deze banketscènes, een groot contrast met de Griekse wereld, waar het leven van de elitevrouw zich grotendeels in het vrouwenvertrek afspeelde. Deze relatieve vrijheid leverde de Etruskische vrouw een slechte reputatie op bij de Grieken en de Romeinen. Entertainment kon tijdens de maaltijd natuurlijk ook niet ontbreken, en de Etrusken staan bekend om hun voorliefde voor muziek. Veel afbeeldingen van banketten tonen dansers en muzikanten: vooral blazers, maar ook snaarinstrumenten en percussie zijn vertegenwoordigd. Sommige muurschilderingen tonen ook het typisch Griekse drankspel kottabos.

Muzikanten begeleiden een banket in de Tomba della Leopardi

De ‘obesus etruscus’

De sarcofaag van Lars Pulena, een voorname inwoner van Tarquinia

 

In de ogen van de Romeinen, die steeds op hun hoede waren voor luxuria, kon er uit zulke schranspartijen natuurlijk niets goeds voortkomen. De echte of vermeende Etruskische hang naar luxe en de daaruit voortkomende decadentie zorgde voor een beeld van een zwak, ‘ontmand’ volk. Tegen de 1ste eeuw v.C. kwam daar nog een gerelateerd stereotype bij: dat van de zwaarlijvige Etrusk. Catullus voert in zijn 39ste Ode, waarin hij het sociale gedrag van een Romeinse man hekelt, de ‘obesus Etruscus’ op. Vergilius heeft het op zijn beurt dan weer over de ‘pinguis Tyrrhenus’, de vette Tyrrheen (een andere benaming voor de Etrusken). De context is echter niet per se negatief: hij beschrijft een religieuze ceremonie, waar de Etrusken beroemd om waren, en later in hetzelfde gedicht wordt ook de vruchtbare bodem als pinguis omschreven. Het is Vergilius dus eerder te doen om de overvloed van het Italiaanse land.

De zogenaamde ‘sarcofago dell’obeso’ in het Museo Archeologico Nazionale di Firenze

20ste-eeuwse historici verbonden deze opmerkingen met bepaalde Etruskische sarcofagen, waarop de overledene eerder corpulent afgebeeld werd. Deze beelden dateren echter van het einde van de vierde tot het midden van de 2de eeuw, honderd jaar voor Catullus en Vergilius actief waren. De sculpturen worden vaak gecontrasteerd met de klassieke Grieks-Romeinse kunst, die eerder afkerig stond tegenover het afbeelden van imperfecties. Het gaat altijd om mannen, vaak van middelbare leeftijd en voormalige magistraten of priesters. De twee poëtische Romeinse passages, die uit een heel andere tijd en context stammen, worden vaak gecombineerd met deze objecten om het beeld te creëren van de ongezonde, decadante Etrusk: zo verwijst men bijvoorbeeld naar deze sarcofaag als de ‘Sarcofago dell’Obeso’, naar de opmerking van Catullus.

De Etruskische levensstijl

Zijn er redenen om aan te nemen dat de Etrusken er een ongezonde levensstijl op nahielden? Archeologische en iconografische bronnen tonen inderdaad de ontwikkeling van een banketcultuur als deel van de identiteit van de opkomende aristocratie vanaf de zogenaamde oriëntaliserende periode (700-575 v.C.). De elite benadrukte op deze manier haar rijkdom en economische macht, wat in het Engels mooi omschreven wordt als ‘conspicuous consumption’. Tijdens zulke banketten werd er volop vlees en wijn geconsumeerd, en de aristocraten die eraan deelnamen, letten daarbij allicht niet al te veel op hun lijn. Zij waren echter zeker niet representatief voor de Etruskische bevolking als geheel. Bovendien werden ook lang niet alle Etruskische aristocraten uit de Hellenistische periode op een mollige manier vereeuwigd. In andere kunstvormen werden Etrusken evenmin als zwaarlijvig voorgesteld.

Mannen en vrouwen liggen samen aan in deze banketscène uit de Tomba dei Leopardi

Het dieet van de gemiddelde Etrusk zag er naar alle waarschijnlijkheid heel anders uit dan de beroemde aristocratische exploten. Archeologisch onderzoek bevestigt de belangrijke rol van graanproducten, en ook peulvruchten als bonen en linzen werden regelmatig gegeten. Net als in de rest van het Middellandse zeegebied, speelde de olijf eveneens een belangrijke rol in het Etruskische dieet. Er zijn ook sporen van veeteelt gevonden, en in de loop van het eerste millennium v.C. werd met name het fokken van varkens en het houden van pluimvee alsmaar belangrijker. Analyse van beenderen en tanden toont echter aan dat de meeste Etrusken grotendeels vegetarisch aten. Het nuttigen van vlees bleef voor hen waarschijnlijk beperkt tot religieuze en andere ceremonies. In de kuststeden behoorden uiteraard ook vis en schaaldieren tot het dieet.

Dit reliëf uit het graf met de toepasselijke naam Tomba della Caccia e Pesca beeldt onder andere vissers af

Sarcofagen: ideologie en artistieke trends

Octodrachme van Ptolemaios III

De iconografische voorstellingen van ‘obese’ Etrusken zijn dus al bij al beperkt: het gaat enkel om mannen, afgebeeld op sarcofagen en urnes tijdens de Hellenistische periode. Veel van deze werken vertonen stilistische gelijkenissen die suggereren dat ze in een beperkt aantal werkplaatsen gemaakt werden, bijvoorbeeld in Chiusi. Eerdere monumenten uit dezelfde stad beeldden daarentegen sterk geïdealiseerde lichamen af. Het is weinig waarschijnlijk dat de inwoners van Chiusi doorheen de tijd plots massaal bijkwamen. De afbeelding van het Etruskische lichaam had dus meer te maken met culturele conventies. De link met de ‘conspicuous consumption’ en de overvloeds-ideologie van de Etruskische elite is dan snel gelegd. Aangezien deze monumenten typisch zijn voor de Hellenistische periode, zien sommige onderzoekers een verband met de afbeelding van de Ptolemaeïsche koningen uit Egypte (305-30 v.C.), in wier ideologie overvloed eveneens een grote rol speelde. De eerste Etruskische voorbeelden dateren echter al uit de late 4de eeuw. Het gaat om kostelijke kunstwerken, met veel oog voor detail vervaardigd in opdracht van vooraanstaande families; mogelijk gaat het hierbij om een waarheidsgetrouwe afbeelding van deze prominente personen, voor wie een corpulent lichaam welvaart en gezondheid uitstraalde. Vanaf de 3de eeuw werden zulke afbeeldingen dan een echte trend.

Romeinse stereotypes

Een Romein die dezelfde beelden zag, interpreteerde de signalen waarschijnlijk heel anders dan de Etrusken zelf. Maar de oorsprong van de Romeinse conceptie van de ‘vette Etrusk’ hangt eerder samen met het algemene beeld van decadentie dat de Romeinse auteurs van de Etrusken ophangen. Zo schrijft Posidonius dat de Etrusken vroeger een mannelijk en krijgshaftig volk waren, maar de Etrusken van zijn tijd hun dagen doorbrachten met drinken en ‘onmannelijk’ vermaak. De Etrusken van de 1ste eeuw v.C. waren inderdaad niet meer zo machtig als hun voorouders. Voor de Romeinen lag de oorzaak daarvan in de rijkdom van de oorspronkelijke Etrusken, die hen week en decadent maakte, en uiteindelijk tot hun verval leidde. Deze schrijvers wilden Rome behoeden voor hetzelfde lot. Ze problematiseerden aldus gewoontes die onwenselijk zijn in een Romeinse context, zoals de ongetwijfeld overvloedige banketten. Voor de Etruskische elite was dit echter een manier om sociale banden aan te halen binnen en buiten de gemeenschap. Zelfs tussen deze buurvolkeren was interculturele communicatie dus niet vanzelfsprekend. De Romeinse bronnen vertellen ons tot op zekere hoogte iets over de Etruskische realiteit, maar weerspiegelen vooral de waarden van de Romeinse elite. De moraliserende schrijvers waren overigens niet bijzonder succesvol in hun missie: vandaag associëren we vooral de Romeinen met overvloedige banketten en orgieën!

Lees meer

Becker, H., ‘Luxuria prolapso est: Etruscan Wealth and Decadence’, in S. Bell and A. Carpino (eds.), A Companion to the Etruscans, Hoboken, 2015, 293-304.
Briquel, D., La civilsation étrusque, Parijs, 1999. (In het bijzonder de sectie ‘Usages scandaleux aux yeux des Grecs’)
Colivicchi, F., ‘Banqueting and Food’, in A. Naso (ed.), Etruscology, Berlijn, 2017, 207-220.
Kistler, E., ‘Feasts. Wine and Society in the eight-sixth centuries BCE’, in A. Naso (ed.), Etruscology, Berlijn, 2017, 195-206.
Korenjak, M., ‘The Etruscans in Ancient Literature’, in A. Naso (ed.), Etruscology, Berlijn, 2017, 35-52.
Turfa, J. M., ’The Obesus Etruscus: Can the Trope be True?’, in S. Bell and A. Carpino (eds.), A Companion to the Etruscans, Hoboken, 2015, 321-336.

Wie niet genoeg kan krijgen van de fascinerende Etruskische beschaving, kan vanaf dinsdag 19 februari terecht bij de collegereeks georganiseerd door het Nederlands Klassiek Verbond (NKV) Vlaams-Brabant. Meer informatie via Nico Dogaer of op Facebook.

Coverfoto: foto van sculptuur van een Etruskische sarcofaag van een ‘obesus Etruscus’ uit het Boston Museum of Fine Arts (Public Domain)

Het bericht ‘Obesus Etruscus’: het goede leven in het oude Italië? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/18/02/2019/obesus-etruscus-het-goede-leven-in-het-oude-italie/feed/ 0 1257
Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/#comments Thu, 05 Apr 2018 16:08:52 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=779 schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Kruisiging als pre-Romeinse executiemethode

Voor de Romeinse periode was een bepaalde vorm van kruisiging als executie al bekend bij andere antieke volkeren zoals de Assyriërs en de Egyptenaren. Al in de oudste wetteksten uit de Codex Hammurabi uit de 18de eeuw v.C. komt mogelijk de vroegste vermelding van een kruisiging voor, hoewel niet in de later bekende vorm: in het geval een vrouw overspel zou plegen en haar man en de echtgenote van haar minnaar zou vermoorden, worden zowel zij als haar minnaar aan een paal gespietst (Cod. Ham. 153).

Voor Egypte zijn er verschillende bronnen, waaronder inscripties op papyrus, met verschillende hiërogliefen die verwijzen naar het spietsen op een paal. Ook bij de veldtocht van de Assyrische heerser Šalmanassar III in de 9de eeuw v.C. werden Syriërs geëxecuteerd door hun onderste delen te spietsen met een paal, zo toont één van de reliëfs op de bronzen poorten van Balawat. Deze methode werd nadien ook nog door onder meer Darius I gebruikt om 3000 Babyloniërs terecht te stellen, zo blijkt uit de zogenaamde drietalige Behistuninscriptie en het relaas van Herodotus (III,159). Diezelfde Griekse geschiedschrijver vernoemt in zijn Historiai nog enkele keren de techniek van het spietsen, onder andere in zijn beschrijving van Astyages, de laatste koning van de Meden (I,128) en Oroetes, de gouverneur van Sardis die zijn tegenstander Polykrates, tiran van Samos (III,125) liet executeren. Bij deze laatste was het opvallend dat de man al dood was voor hij werd gespietst of gekruisigd. Herodotus gebruikt twee werkwoorden voor de terechtstelling, anaskolopizō (ἀνασκολοπίζω) en anastauroō (ἀνασταυρόω), die beide als ‘op een staak spietsen’ kunnen worden vertaald.

Afbeelding van gespietste Syrische gevangen tijdens de veldtocht van Šalmanassar III, te zien op de Balawat-poort

Ook bij de Grieken kwam kruisiging voor en wel in een vorm die nauwer aansluit bij wat de Romeinen deden. Nog bij Herodotus lezen we namelijk in zijn verslag over de Tweede Perzische Oorlog van Xerxes (IX,120) dat de Atheense generaal Xanthippus, de vader van Pericles, Artayctes, een gevangengenomen Perzische generaal, levend aan een plank liet nagelen. Alexander de Grote doodde volgens historiograaf Quintus Curtius Rufus 2000 inwoners van Tyrus door hen aan een kruis te hangen (crucibus adfixi) op een groot gedeelte het strand (Hist. Alex. IV,4,7).

Paal of kruis?

Gravure van een crux simplex ad infixionem met een gespietste terdoodveroordeelde, uit een boek van Justus Lipsius

Etymologisch gezien verwijzen de Griekse termen voor kruisiging naar een opgerichte paal of staak (stauros). Ons woord kruis daarentegen is afgeleid van het Latijnse crux, zoals kruisiging van crucifixio, letterlijk het fixeren/vasthangen (facere) aan een kruis. In de Romeinse periode waren er verschillende vormen van kruisigingen: aan een boom (infelix lignum), een opgerichte paal (crux simplex) of een samengesteld kruis (crux composita) dat bestond uit een opgerichte paal (stipes) en een dwarsbalk (patibulum). Naar vorm kwam dit laatste kruis voor als een X-vormig kruis (crux decussata), een Latijns kruis (crux immissa) of een T-vormige Tau-kruis (crux commissa). Het kruis kon ook hoog zijn (crux sublimis), maar in de meeste gevallen ging het om een laaghangend kruis (crux humilis). Naar afmetingen was de opstaande balk ongeveer tussen 1,8 en 2,4 meter hoog en de dwarsbalk tussen 1,5 en 1,8 meter lang. Kruisen konden meer dan 120 kilogram wegen, waarbij het patibulum soms al tot 60 kilogram zwaar kon zijn.

De Romeinse methode ging meestal als volgt: eerst werd de verticale paal in de grond geplaatst, waarna de dwarsbalk pas eraan werd bevestigd nadat de ter dood veroordeelde eraan was genageld of gebonden. Een inscriptie (titulus) werd soms ook nog bij aan de paal genageld boven het hoofd van het slachtoffer. Seneca bevestigt dit in zijn De Consolatione ad Marciam:

Video istic cruces non unius quidem generis sed aliter ab aliis fabricatas: capite quidam conversos in terram suspendere, alii per obscena stipitem egerunt, alii brachia patibulo explicuerunt. (VI,20,3)

Ik zie daar kruisen, niet slechts van een soort, maar gemaakt op veel verschillende manieren: sommige hebben hun slachtoffers met hun hoofd op de grond, anderen aan hun private delen gespietst, nog anderen strekken hun armen uit op de dwarsbalk.

De voornaamste doodsoorzaak bij de Romeinse vorm van kruisigen zou verstikking door zuurstoftekort of hartfalen zijn. Dit treedt bij een normale hangende positie aan het kruis al op na minder dan een uur, maar door de toevoeging van zogenaamde sediles, bankjes voor de voeten of het zitvlak om op te rusten, kon de lijdensweg die tot de dood leidde met enkele uren worden verlengd.

Kruisiging bij de Romeinen

Hoe de Romeinen met kruisiging als executiemethode in contact kwamen is niet zeker, maar een plausibele uitleg lijkt dat ze na de Tweede Punische Oorlog (218 v.C. – 201 v.C.) met de Carthagers -die kruisigingen gebruikten om zelfs hun generaals die faalden in de oorlog terecht te stellen- ook deze techniek begonnen toe te passen. Livius beschrijft in zijn Ab Urbe Condita de eerste keer dat de Romeinen 25 slaven kruisigden tijdens de campagne tegen Hannibal:

Per eosdem dies speculator Carthaginiensis, qui per biennium fefellerat, Romae deprensus praecisisque manibus dimissus, et servi quinque et viginti in crucem acti, quod in campo Martio coniurassent. (XXII,33)

Rond die tijd werd in Rome een Carthaagse spion opgepakt, die zich gedurende twee jaar aan de gevangenneming had onttrokken, en nadat zijn handen waren afgesneden, mocht hij gaan, en werden 25 slaven gekruisigd, op beschuldiging van samenzwering op het Marsveld.

In de daaropvolgende jaren raakten kruisigingen ook verder ingeburgerd in het Romeinse leger, bijvoorbeeld wanneer Scipio Africanus in 201 v.C. na de val van Carthago de perfugae of deserteurs uit zijn leger, allen Romeinen, dezelfde doodstraf oplegt. (Liv. XXX,43)

Kruisiging werd gebruikt als executiemiddel voor slaven, piraten en criminelen die geen Romeins burgerschap bezaten. Een uitzondering op die laatste regel vormden de deserteurs of burgers die beschuldigd werden van hoogverraad. Tijdens de Republiek kruisigde Crassus in de nasleep van de opstand van Spartacus, ook bekend als de Derde Slavenoorlog, 6000 van diens aanhangers en deze zorgden er volgens Appianus voor dat de volledige weg van Capua naar Rome vol stond met kruisen.

Kruisigingsscène uit de film Spartacus (1960) van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol

Ook de Cilicische piraten die Caesar ontvoerden in 75 v.C. kwamen volgens de biografie van Plutarchus op deze manier aan hun einde. In 70 v.C. trad Cicero op als advocaat tegen Verres, de gouverneur van Sicilië, die een Romeins burger met de naam Gavius liet kruisigen, ondanks zijn burgerschap. De redenaar beschouwt kruisiging als de meest wrede en onterende (crudelissimi taeterrimique) straf (In Verrem II,5,165). In dezelfde rechtszaak spreekt hij ook het volgende uit:

Facinus est vincire civem Romanum, scelus verberare, prope parricidium necare: quid dicam in crucem tollere? Verbo satis digno tam nefaria res appellari nullo modo potest. (In Verrem II,5,170)

Het is een misdaad om een Romeins burger te knevelen, hem geselen is een boosaardigheid, hem ter dood brengen is bijna vadermoord: en dan wat te zeggen over hem kruisigen? Dat is zo’n schuldige handeling die onmogelijk adequaat kan worden uitgedrukt met een term slecht genoeg ervoor.

In de keizertijd kwam het al wel eens voor dat een libertus, een vrijgelaten slaaf, niet aan de kruisiging ontsnapte. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Asiaticus, die nadat zijn meester Vitellius in het vierkeizerjaar 69 was verslagen, werd gekruisigd. (Tac. Hist. IV,11,10). Bij de massale kruisiging van slaven lijkt het niet onwaarschijnlijk dat af en toe ook vrouwen en kinderen niet aan deze doodstraf ontsnapten. Zo schreef Publius Cornelius Tacitus in zijn Annales (XIV,45) dat leeftijd noch geslacht een invloed had op de uitvoering van deze vorm van executie en dat onder de slaven die gekruisigd werden voor de moord door één van hen op hun meester Lucius Pedanius Secundus zich ook vele vrouwen en kinderen bevonden. Zo kennen we ook het voorbeeld van een vrouwelijke libertaIde, die werd gekruisigd op bevel van keizer Tiberius, en van wie het verhaal ons is overgeleverd door Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae, XVIII,3,4). De Joodse geschiedschrijver (en legerleider) vertelt in datzelfde boek ook over de koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat, Alexander Iannaeus, die in 88 v.C. na een Farizeeënopstand 800 van zijn tegenstanders liet kruisigen (XIII,380). In de literaire bronnen uit de Romeinse periode lezen we dus steeds over kruisigingen door ophanging, met uitzondering van de Britse koningin Boudicca die in de revolte van 60/61 de gruwelijke methode van het op een staak spietsen nog toepaste op Romeinse matrones en Plutarchus die beide methoden nog beschrijft in zijn Moralia (499D). Tot slot kennen we natuurlijk nog de spietsing van Cicero’s handen en hoofd aan de Rostra, maar dat gebeurde na zijn executie en was meer bedoeld als afschrikking voor de andere politieke tegenstanders van het tweede triumviraat (uit Appianus‘ Bellum Civile 4,20).

Uit de spelen van Plautus, ook al zijn het komedies, en andere literaire bronnen zoals Plutarchus kunnen we al enkele details afleiden van hoe de kruisiging bij de Romeinen concreet werd uitgevoerd. Plautus (Carbonaria, fr. 2) vermeldt bijvoorbeeld dat de terdoodveroordeelde met het patibulum naar de plek waar de verticale balk van kruis was opgetrokken, moest wandelen en vervolgens eerst aan de dwarsbalk werd genageld, alvorens die balk horizontaal aan de opgerichte paal werd bevestigd. Ook Plutarchus (De Sera 554b) vermeldt dat de veroordeelde het kruis op zijn rug moest dragen (en waarschijnlijk gaat het hier ook enkel over de dwarsbalk).

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimillatekening door prof. Antonio Lombatti

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimilla

Diezelfde procedure blijkt ook uit een wettekst voor begrafenisondernemers (AE 1971, 88) die in de Italiaanse kuststad Puteoli is gevonden. De wet schrijft onder meer voor dat eigenaars die een slaaf willen laten kruisigen zelf moet opdraaien voor alle kosten zoals de houten palen (waaronder het patibulum), kettingen en koorden voor de zweepslagen. Ook de kosten voor diegenen die deze zaken naar de plaats van executie brengen en voor de beul zelf zijn ten laste van de eigenaar. In een andere sectie van de wet wordt ook gesproken over publieke executies, uitgesproken door magistraten (mogelijk voor het laten kruisigen van vreemdelingen en burgers uit de lagere klassen). Daarbij moeten de de aannemers van zulke opdrachten gratis het volgende voorzien: kruisen (cruces), nagels, pek, was en kaarsen. Die laatste drie zaken waren voor het martelen van de gevangen voor ze werden gekruisigd, een praktijk die gangbaar was in de Romeinse periode. De terdoodveroordeelde werd eveneens voor het kruisigen eerst van zijn kleding ontdaan en vervolgens vaak nog aan zweepslagen onderworpen.

Een graffito die eveneens uit Puteoli afkomstig is, daterend uit de tijd van Trajanus of Hadrianus, bevestigt dat de terdoodveroordeelde naakt aan het kruis werd gespijkerd. Op de afbeelding, gevonden op taberna 5, een gasthuis, is een naakte vrouw aan het kruis te zien. Het opschrift vermeldt nog haar naam, Alkimilla, die mogelijk op de titulus was geschreven (tenzij het hier eerder over een vervloeking dan over een echte representatie zou gaan).

Daarnaast hebben we nog archeologische bewijs. Het eerste daarvan komt uit Jeruzalem, waar in een graftombe de overblijfselen van een gekruisigde man samen met zijn kind zijn ontdekt. Een opschrift op de tombe geeft ons de naam van beiden: yhwḥann / yhwḥann bn ḥgqwl (Jehohanan, Jehohanan ben Hagkol). De overblijfselen van beide hielen van de man zijn doorspijkerd met een nagel, terwijl de handen en polsen van de man dit niet hebben, er waarschijnlijk op duidend dat zijn armen waren vastgebonden aan de dwarsbalk, in plaats van gespijkerd. Een tweede geval werd in 2007 opgegraven in het Italiaanse Gavello, zo’n 75 kilometer van Venetië. Het gaat hier opnieuw om een man, begraven in een geïsoleerd graf zonder grafgiften, wiens rechterhiel doorboord was. Na een multidisciplinair onderzoek concludeerden wetenschappers dat dit waarschijnlijk ook zal gebeurd zijn bij de kruising van deze man (mogelijk een slaaf of misdadiger) waarbij een nagel zou zijn gebruikt om hem in een open of rechtshangende positie te fixeren. Dat archeologen nog niet meer dergelijke voorbeelden hebben gevonden, kan verschillende oorzaken hebben. De de kostprijs van de nagels kan ervoor hebben gezorgd dat er een voorkeur werd gegeven aan het kruisigen met het gebruik touw, maar ook het hergebruik van de nagels en de sociale positie van de gekruisigden maken het aannemelijk dat er op dit moment niet meer materieel bewijs is gevonden.

Vondst van een skelet in Fenstanton met een spijker in de rechterhiel

Toch bracht een vondst uit 2017 uit het Britse graafschap Cambridgeshire mogelijk nieuw bewijs voor een kruisiging aan het licht. Op de site van een oude melkfabriek in Fenstanton, in het oosten van Engeland, werden toen de overblijfselen van een Romeinse nederzetting gevonden met daarbij ook enkele begraafplaatsen. In één daarvan troffen archeologen het skelet van een jonge man, tussen de 25 en 35 jaar oud, aan, maar pas toen het enige tijd later in het laboratorium werd schoongemaakt merkten onderzoekers op dat er een gat in zijn rechterhiel zat, doorboord door een 5 centimeter lange spijker. Koolstofdatering maakte duidelijk dat hij tussen 130 en 360 n.C. gestorven is en een DNA-analyse toonde aan dat hij geen familie was van andere overledenen uit de begraafplaatsen, maar dat hij wel tot de plaatselijke bevolking behoorde.

Naast de spijker in zijn hiel werden nog enkele belangrijke aanwijzingen gevonden voor een dood door kruisiging. Zo lag de man naast een houten constructie, vermoedelijk de plank waaraan hij was vastgebonden, had hij 6 gebroken ribben (misschien veroorzaakt door een zwaard) en een ontsteking aan zijn dunne benen, allemaal aanwijzingen dat hij waarschijnlijk vastgebonden was. Naast deze (impliciete) tekenen dat het hier mogelijk om een misdadiger gaat die eerst werd gemarteld en vervolgens aan het kruis genageld, werden in hetzelfde graf ook nog 12 andere ijzeren spijkers gevonden. Een ondiep gaatje in het rechterbot van de man, hetzelfde been waarin de dertiende nagel door zijn rechterhiel was geslagen, suggereert dat een eerste poging om het te kruisigen niet was gelukt. Volgens de onderzoekers maakt dit alles van het opgegraven skelet het eerste – en het best bewaarde – archeologische bewijs van een kruisdode in Noord-Europa.

De kruisiging van Jezus

Flavius Josephus geeft ons nog een breder beeld over het gebruik van kruisigingen bij Joden. In zijn De Bello Iudaico over de Joodse Oorlog tegen keizer Titus verhaalt hij (V,11) hoe Joodse opstandelingen werden gekruisigd langs de muur van Jeruzalem en hoe de Romeinse soldaten er genoegen in schepten om hun lijden te verlengen door hen in verschillende posities te kruisigen, zodat hun doodsstrijd langer zou duren. Daarnaast haalt hij ook aan dat in sommige gevallen Joden van goede afkomst werden gekruisigd, als het ware om te tonen dat zij door hun misdaad en bijhorende straf hun status waren kwijtgeraakt. Een ander voorbeeld van een massale kruisiging vinden we in zijn Antiquitates Iudaicae (XVII,10,295) waar Publius Quinctilius Varus – later bekend als de Romeinse generaal die in het Teutoburgerwoud met zijn troepen werd afgeslacht door de Germanen – 2000 Joodse rebellen kruisigde na de Joodse opstand van 4 v.C.

Ook in het Oude Testament leren we al iets over de herkomst van kruisiging als straf. Een passage in Deuteronomium (21:22-23) levert veel onzekerheid op bij bijbelonderzoekers. Waarbij vroeger werd gedacht dat een Joodse man kon worden veroordeeld tot de dood en nadien zou worden opgehangen, menen onderzoekers nu dat het woord talah mogelijk toch zou moeten worden geïnterpreteerd als gespietst aan een staak. Weliswaar gebeurde dit enkel met het hoofd van een veroordeelde nadat hij al was geëxecuteerd op een traditionele manier volgende de Joodse wet: door steniging, verbranding, wurging of onthoofding. In andere passages (Genesis 40:19 en Esther 7:10) wordt al gerefereerd aan de traditie van ophanging, kruisiging of spietsen, bij de oude Egyptenaren en de Perzen, maar ook hier zijn deze interpretaties niet onomstreden. Hoewel kruisiging dus waarschijnlijk niet tot het vroegste Joodse recht behoorde, lijkt het mogelijk dat door de Romeinse invloed deze doodstraf ook nadien werd toegepast bij misdaden waarbij de misdadiger op een zo beschamend mogelijke manier moest worden terechtgesteld.

Hoewel de historiciteit van Jezus intussen niet echt meer wordt betwijfeld, blijven er toch nog heel wat onzekerheden (o.a. over de datering in het jaar 30 of 33) bestaan over het kruisigingsverhaal dat ons voornamelijk is overgeleverd via de vier evangelisten. Wat betreft het waarom van zijn veroordeling tot het kruis door Pontius Pilatus, prefect van Judaea (praefectus Iudaeae) kunnen we vermoeden dat het hier om zogenaamde majesteitsschennis gaat. Kajafas, de hogepriester van de Joodse tempel in Jeruzalem, ondervroeg Jezus na zijn veroordeling door de Joodse raad of sanhedrin (die de wettelijke veroordeling tot de doodstraf overlieten aan de Romeinen) over zijn claim als messias of ‘Koning der Joden’. De bestraffing van deze vorm van hoogverraad (vroeger bekend als perduellio, maar in Jezus’ tijd waarschijnlijk al gekend onder de term maiestas) was tijdens de regering van Tiberius een gekende manier om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen.

Over de prelude naar de executie kunnen we uit uit de evangelies (Matteüs 27:27, Marcus 15:15, Lucas 23:16, Johannes 19:1) en ook uit de Eerste brief van Petrus (2:24) afleiden dat ook Jezus naar Romeins gebruik eerst afgeranseld werd in het praetorium en mogelijk ontdaan werd van zijn kleding, waarschijnlijk met meer dan 39 zweepslagen zoals het Joods recht voorschrijft (Deuteronomium 25:3). Daarna werd hij nog bespot en geslagen door Romeinse soldaten en de vazalkoning van Galilea en en Perea, Herodes Antipas (Lucas 23:11), die hem tooiden met een rode (Matteüs 27:28) of purperen (Marcus 15:17) toga -een verwijzing naar zijn zogenaamde koningschap-, een houten staf als scepter en een doornenkroon. Vervolgens moest hij (al dan niet met hulp van Simon van Cyrene) het kruis – waarschijnlijk enkel met de patibulum of dwarsbalk zoals bleek uit Plautus – dragen naar de plaats van zijn executie buiten de muren van Jeruzalem, Golgotha.

Aangekomen op de plaats van executie werd een titulus met het opschrift ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’ werd in drie talen (Hebreeuws, Latijn en Grieks) aangebracht volgens Johannes (19:20; de drie andere evangelisten vermelden een kortere variant op ‘Koning der Joden’). Over de concrete uitvoering van de kruisiging worden we weinig wijzer, buiten het feit dat dezelfde evangelist nog beschrijft dat een Romeinse soldaat met zijn lans een steekwonde aanbracht in de zij van Jezus (mogelijk de oorzaak van zijn dood). Zijn benen werden ook niet meer gebroken, omdat de soldaten merkten dat hij net daarvoor gestorven was, iets dat wel gebeurde met de twee misdadigers die naast hem waren gekruisigd (Johannes 19:30-34). Dat Christus gekruisigd werd met nagels lijkt aannemelijk, het archeologische bewijs -hoewel: testis unus testis nullus– ondersteunt op zijn minst het nagelen van de voeten aan het kruis en de armen gespreid. De stigmata aan zijn handen (Johannes 20:25) kunnen erop wijzen dat hetzelfde ook gebeurde met zijn handen. Dit alles zou ook betekenen dat Jezus aan een samengesteld kruis werd gekruisigd en niet simpelweg aan een rechtopstaand crux simplex, zoals sommige geleerden hebben proberen aantonen. De Alexamenos-grafitto, een mogelijke afbeelding van Jezus’ dood gevonden in de buurt van de Palatijnse heuvel in Rome en waarschijnlijk stammend uit de 3de eeuw n.C., lijkt dit te bevestigen, hoewel ook hierover de meningen uiteenlopen.

Kruisigingsscène uit de film ‘The Passion of the Christ’ (2004) van Mel Gibson

Volgens Marcus (15:25) gebeurde de kruisiging van Jezus tijdens het derde uur (om ongeveer 9 uur ’s ochtends) en duurde zijn doodstrijd zes uur. Dat zou extreem lang zijn, tenzij een voet- of zitbank zou zijn gebruikt zodat het zuurstoftekort pas na enkele uren zou optreden. Johannes (19:14) beschrijft de uitvoering van de doodstraf aan het kruis op het zesde uur (rond de middag). Dat Christus met zijn laatste adem nog enkele woorden kon uitspreken lijkt onwaarschijnlijk en past vooral binnen de religieuze context van het messiasverhaal.

Nadien werd het lichaam van Jezus nog opgevraagd bij Pilatus. Zowel bij Matteüs, Lucas als Marcus vinden we het verhaal dat Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam te mogen begraven en dat de Romeinse prefect dit toestond. Het vervolg van het verhaal en Christus’ verrijzenis die elk jaar nog wordt herdacht met Pasen kennen we.

Conclusie

De kruisiging van Jezus was zowel een logische als een onlogische straf in het historische perspectief van het gebruik van deze executiemethode. Hoewel de Romeinen kruisiging niet hebben uitgevonden, hebben ze deze gruwelijke vorm van terechtstelling wel afgeleid van de methode om terdoodveroordeelden of reeds geëxecuteerde personen aan een paal te spietsen en geperfectioneerd. Deze zware straf werd normaal gezien enkel uitgesproken tegen slaven, vreemdelingen, revolutionairen of zware criminelen die geen Romeins burgerrecht bezaten (enkele uitzonderingen zoals deserteurs niet te na gesproken). Ook na Jezus kennen we nog verschillende voorbeelden van gekruisigde christenen, van wie sommigen zoals de apostelen Petrus en Andreas later ook heilig werden verklaard.

Zoals uit de literaire bronnen blijkt, was kruisiging ook een manier om een veroordeelde te vernederen – een teken van schande – en zwaar te doen afzien tijdens het volledige proces. In de meeste gevallen zal een combinatie van zuurstoftekort, wonden opgelopen bij het martelen voor de executie en andere lichamelijke verschijnselen ten gevolge van het kruisigen tot de dood hebben geleid. In Jezus’ geval kunnen we ervan uitgaan dat hij een te grote politieke tegenstander (verzwaard door zijn voorstelling als ‘Koning der joden’) van zowel de heersende Joodse klasse als de Romeinen zal zijn geworden, waarna ook tegen hem de doodstraf door kruisiging werd uitgesproken. Over de details van de kruisiging, net zoals over de methode zelf, heerst nog veel controverse, gaande van het gebruikte materiaal tot de exacte omstandigheden.

Uiteindelijk zou het nog duren tot Constantijn de Grote aan het begin van de 4de eeuw n.C. kruisiging als executiemethode zou verbieden. Dit verbod, waarvan geen edict is teruggevonden, maar enkel een passage bij Sozomenus (Historia Ecclesiastica I,8,13), werd volgens de historiograaf Aurelius Victor (De Caesaribus, XLI,4) meer ingegeven door des keizers menselijkheid, dan door religieuze overtuigingen. De christelijke bekeerling, astroloog en schrijver Firmicus Maternus, een tijdgenoot van Constantijn die nog schreef onder diens opvolgers, gebruikt in zijn voorspellingen kruisiging als voorbeeld van een traditionele doodstraf (Mathesis VIII,7; VIII,25). De duidelijkste wettekst die een verbod instelt op kruisigingen is de codex van keizer Theodosius II (Codex Theodosianus), die werd uitgevaardigd in 438/439 n.C., meer dan een eeuw later dan keizer Constantijn, hoewel de doodstraf in gebruik bleef voor slaven die tegen hun meester samenzwoeren (IX,5,1,1). In sommige landen in het Midden-Oosten bestaat kruisiging als executiemethode ook nog vandaag de dag.

Lees meer

Cook, J. G. (2014), Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen.

Hengel, M. (1977), Crucifixion in the Ancient World and the Folly of the Message of the Cross, Philadelphia.

Kuhn, H.-W. (1982), “Die Kreuzesstrafe während der frühen Kaiserzeit. Ihre Wirklichkeit und Wertung in der Umwelt des Urchristentums” in ANRW II/25.1, pp. 648-793.

Robison, J. C. (2002). “Crucifixion in the Roman World: The Use of Nails at the Time of Christ.” Studia Antiqua 2.1.

Samuelsson, G., (2013), Crucifixion in Antiquity. An Inquiry into the Background of the New Testament Terminology of Crucifixion (2nd edition), Tübingen.

Coverfoto: schilderij ‘De kruisiging’ door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447), uit het Rijksmuseum

Update I: dit artikel werd begin 2020 aangevuld met het archeologisch bewijs uit Gavello na de wetenschappelijke publicatie in: Gualdi-Russo, E. et al. (2019), “A multidisciplinary study of calcaneal trauma in Roman Italy: a possible case of crucifixion?” in Archaeological and Anthropological Sciences 11, pp. 1783–1791.

Update II: dit artikel werd in december 2021 aangevuld met nieuw archeologisch bewijs uit Cambridgeshire dat werd gepubliceerd in: Ingham, D. & Duhig, C. (2021), “Crucifixion in the Fens: Life and Death in Roman Fenstanton” in British Archaeology Magazine, January | February 2022.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/feed/ 1 779
‘Fire and Fury’, of toch gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Michael Wolff en antieke historici over hun methode https://www.oudegeschiedenis.be/15/01/2018/fire-and-fury-toch-gewoon-oude-wijn-nieuwe-zakken-michael-wolff-en-antieke-historici-methode/ https://www.oudegeschiedenis.be/15/01/2018/fire-and-fury-toch-gewoon-oude-wijn-nieuwe-zakken-michael-wolff-en-antieke-historici-methode/#respond Mon, 15 Jan 2018 16:38:51 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=555 Michael Wolff, 'Fire and Fury: Inside the Trump White House'

De inleiding van het veelbesproken boek van Michael Wolff, 'Fire and Fury: Inside the Trump White House' opent met een paragraaf over de methode waarin de auteur van dit schandaalboek uitlegt welke methode hij heeft gebruikt om verhalen over de president neer te schrijven. Iemand die zijn klassiekers (of althans de historiografen) een beetje kent, heeft de indruk dit al eens gelezen te hebben.

Het bericht ‘Fire and Fury’, of toch gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Michael Wolff en antieke historici over hun methode van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Michael Wolff, 'Fire and Fury: Inside the Trump White House'

“Heel wat verhalen over wat gebeurt in het Witte Huis onder Trump zijn in tegenspraak met andere verhalen. Andere verhalen zijn, geheel in de stijl van Trump zelf, onwaarheden. Die tegenstellingen, en dat losse omgaan met de waarheid en de realiteit, vormen een rode draad in dit boek. Soms heb ik de spelers hun versie van de feiten laten weergeven en is het aan de lezer ze te beoordelen. In andere gevallen heb ik, door de consistentie van verschillende bronnen die ik kan vertrouwen, versies neergezet van gebeurtenissen waarvan ik geloof dat ze echt zijn.”

Aldus citeert Het Laatste Nieuws de inleiding van het veelbesproken boek van Michael Wolff, ‘Fire and Fury: Inside the Trump White House. Iemand die zijn klassiekers (of althans de historiografen) een beetje kent, heeft de indruk dit al eens gelezen te hebben.

Herodotus

En inderdaad, bij de Griekse historicus Herodotus (ca. 485-425/420 v.C.) vinden we de volgende passage:

ἐγὼ δὲ ὀφείλω λέγειν τὰ λεγόμενα, πείθεσθαί γε μὲν οὐ παντάπασι ὀφείλω, καί μοι τοῦτο τὸ ἔπος ἐχέτω ἐς πάντα λόγον. (Hist. VII, 152)

Ik moet zeggen wat gezegd is, ik moet zelf geenszins overtuigd zijn, en moge dit principe voor mij gelden in mijn hele werk.

Dit is het oordeel van betrouwbaarheid aan de lezer overlaten, door de verschillende versies allemaal aan te reiken, zonder zelf -expliciet- een voorkeur te laten blijken. Maar “in andere gevallen heb ik, door de consistentie van verschillende bronnen die ik kan vertrouwen, versies neergezet van gebeurtenissen waarvan ik geloof dat ze echt zijn, beweert Wolff. Bovendien gebruikt Herodotus hoofdzakelijk mondelinge bronnen, net zoals Wolff ook beweert te doen.

Thucydides

Thucydides, Grieks historicus

In zijn bekende methodekapittel vermeldt de Griekse historicus Thucydides (ca. 460-400 v.C.) expliciet zijn gevolgde methode bij het neerschrijven van zijn geschiedwerk. Dat klinkt bij hem zo:

Καὶ ὅσα μὲν λόγῳ εἶπον ἕκαστοι ἢ μέλλοντες πολεμήσειν ἢ ἐν αὐτῷ ἤδη ὄντες, χαλεπὸν τὴν ἀκρίβειαν αὐτὴν τῶν λεχθέντων διαμνημονεῦσαι ἦν ἐμοί τε ὧν αὐτὸς ἤκουσα καὶ τοῖς ἄλλοθέν ποθεν ἐμοὶ ἀπαγγέλλουσιν: ὡς δ᾽ ἂν ἐδόκουν ἐμοὶ ἕκαστοι περὶ τῶν αἰεὶ παρόντων τὰ δέοντα μάλιστ᾽ εἰπεῖν, ἐχομένῳ ὅτι ἐγγύτατα τῆς ξυμπάσης γνώμης τῶν ἀληθῶς λεχθέντων, οὕτως εἴρηται.
Τὰ δ᾽ ἔργα τῶν πραχθέντων ἐν τῷ πολέμῳ οὐκ ἐκ τοῦ παρατυχόντος πυνθανόμενος ἠξίωσα γράφειν, οὐδ᾽ ὡς ἐμοὶ ἐδόκει, ἀλλ᾽ οἷς τε αὐτὸς παρῆν καὶ παρὰ τῶν ἄλλων ὅσον δυνατὸν ἀκριβείᾳ περὶ ἑκάστου ἐπεξελθών. Ἐπιπόνως δὲ ηὑρίσκετο, διότι οἱ παρόντες τοῖς ἔργοις ἑκάστοις οὐ ταὐτὰ περὶ τῶν αὐτῶν ἔλεγον, ἀλλ᾽ ὡς ἑκατέρων τις εὐνοίας ἢ μνήμης ἔχοι. (Hist. I, 22)

Wat de verschillende sprekers in de toespraken die ik zelf gehoord heb, precies gezegd hebben, kon ik me niet goed meer herinneren en de mensen die mij verslag hebben uitgebracht over andere toespraken hadden dezelfde ervaring. Bij de weergave van de toespraken ben ik daarom uitgegaan van wat de sprekers naar mijn mening gezegd moeten hebben, gegeven de op dat moment bestaande situatie. Daarbij ben ik over het geheel genomen zo dicht mogelijk gebleven bij de strekking van wat er werkelijk is gezegd.
Wat de feitelijke oorlogshandelingen betreft, leek het me echter niet juist op te schrijven wat de eerste de beste informant me daarover te melden had of wat me waarschijnlijk voorkwam. Naar alle gebeurtenissen heb ik zo nauwkeurig mogelijk onderzoek verricht, of ik er nu zelf bij geweest was of mijn kennis van anderen gekregen had. Het heeft me heel wat moeite gekost de waarheid te achterhalen, want ooggetuigen vertelden verschillende verhalen over dezelfde gebeurtenissen. Dat hing ervan af welke partij hun voorkeur had of wat ze zich nog konden herinneren.

Ook Thucydides worstelde dus met het probleem van ooggetuigenverslagen die elkaar tegenspraken en is dus verplicht de gebeurtenissen te reconstrueren. Hij maakt daarbij echter wel een onderscheid tussen wat gezegd is (“ὅσα μὲν λόγῳ εἶπον”) en wat gedaan is (“τὰ δ᾽ ἔργα τῶν πραχθέντων”). Wolff maakt dit onderscheid duidelijk niet.

Tacitus

De Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (ca. 56-117 n.C.) geeft ook aanwijzingen over zijn methode wanneer er verschillende versies van een verhaal de ronde doen. Zo merkt hij in het dertiende boek van zijn ‘Annales‘ het volgende op:

Nos consensum auctorum secuturi, quae diversa prodiderint sub nominibus ipsorum trademus. (Ann. XIII, 20)

Wij zullen de overeenstemmende mening van de auteurs volgen, maar waar ze verschillende versies overgeleverd hebben zullen wij ze onder hun eigen naam overleveren.

Suetonius

Michael Wolff, auteur van het schandaalboek over de Amerikaanse president Donald Trump

De eerste antieke auteur aan wie classici denken wanneer ze de auteur van een schandaalboek met een auteur uit de Oudheid moeten vergelijken, is wellicht de Romeinse biograaf Gaius Suetonius Tranquillus (69/70-140 n.C.). David Remnick, hoofdredacteur van The New Yorker, vergelijkt Donald Trump in zijn editoriaal met de Romeinse Keizer Nero en citeert daarbij Suetonius zonder Wolff expliciet met Suetonius te vergelijken:

What made the Emperor Nero tick, Suetonius writes in “Lives of the Caesars,” was “a longing for immortality and undying fame, though it was ill-regulated.” Many Romans were convinced that Nero was mentally unbalanced and that he had burned much of the imperial capital to the ground just to make room for the construction of the Domus Aurea, a gold-leaf-and-marble palace that stretched from the Palatine to the Esquiline Hill.

Het feit dat Remnick Suetonius citeert, is hier misschien gepaster dan men op het eerste gezicht zou denken: hoewel Suetonius niet expliciet zijn manier van werken vermeldt, blijkt uit zijn werk toch dat hij zich sterk focust op de figuur van de keizer, schrijft over alle aspecten van het leven van de keizers en de feiten voor zichzelf laat spreken, zij het meestal zonder een expliciet oordeel te vellen. Daarbij maakte hij zeker ook gebruik van mondelinge tradities en zelfs van praatjes en roddels. Michael Wolff werd in het verleden ook al beticht van een dergelijke losse omgang met de waarheid en de realiteit. Geheel passend in het thema laten we een paar bronnen voor zich spreken:

“De 64-jarige Wolff is allerminst een conventioneel journalist. Zijn procedé is telkens hetzelfde: hij legt zijn oor te luisteren op feestjes of tijdens lunch­partijen waar de drank stevig vloeit, en hij is niet vies van geruchten. Hij slaagt er vaak in om met enkele welgemikte woorden in zijn teksten een suggestieve sfeer te creëren. Het is zijn bedoeling om de lezer een blik te gunnen achter de schermen van de politiek.” (VRT News)

“In reviewing Wolff’s 2008 book “The Man Who Owns the News: Inside the Secret World of Rupert Murdoch,” the late New York Times media columnist David Carr wrote: “Historically, one of the problems with Wolff’s omniscience is that while he may know all, he gets some of it wrong.”” (CNBC)

Arrianus

Lucius Flavius Arrianus, schrijver van de Anabasis Alexandri

Een minder bekende antieke auteur dan de voorgaande, maar wel de eerste aan wie de schrijver van dit stukje moest denken, is Lucius Flavius Arrianus (89 n.C – na 145/146 n.C.), een Griekstalig schrijver die in de inleiding van zijn ‘Anabasis Alexandri‘ (‘Veldtocht van Alexander’) het volgende opmerkt:

Πτολεμαῖος ὁ Λάγου καὶ Ἀριστόβουλος ὁ Ἀριστοβούλου ὅσα μὲν ταὐτὰ ἄμφω περὶ Ἀλεξάνδρου τοῦ Φιλίππου συνέγραψαν, ταῦτα ἐγὼ ὡς πάντῃ ἀληθῆ ἀναγράφω, ὅσα δὲ οὐ ταὐτά, τούτων τὰ πιστότερα ἐμοὶ φαινόμενα καὶ ἅμα ἀξιαφηγητότερα ἐπιλεξάμενος. Ἄλλοι μὲν δὴ ἄλλα ὑπὲρ Ἀλεξάνδρου ἀνέγραψαν, οὐδ᾽ ἔστιν ὑπὲρ ὅτου πλείονες ἢ ἀξυμφωνότεροι ἐς ἀλλήλους: ἀλλ᾽ ἐμοὶ Πτολεμαῖός τε καὶ Ἀριστόβουλος πιστότεροι ἔδοξαν ἐς τὴν ἀφήγησιν. […] Ἔστι δὲ ἃ καὶ πρὸς ἄλλων ξυγγεγραμμένα, ὅτι καὶ αὐτὰ ἀξιαφήγητά τε μοι ἔδοξε καὶ οὐ πάντῃ ἄπιστα, ὡς λεγόμενα μόνον ὑπὲρ Ἀλεξάνδρου ἀνέγραψα. (Arr. An. I, pr.)

Wat Ptolemaios, de zoon van Lagos, en Aristoboulos, de zoon van Aristoboulos, beiden hetzelfde over Alexander, de zoon van Philippos, opschreven, dat schrijf ik op als volkomen waar, wat zij het niet hetzelfde [opschreven], daarvan heb ik geselecteerd wat mij betrouwbaarder voorkomt en tegelijk vermeldenswaardiger. Sommigen schreven het ene over over Alexander, anderen iets anders; en er is niemand over wie meer of meer met elkaar in tegenspraak zijnde auteurs geschreven hebben. Maar mij schijnen Ptolemaios en Aristoboulos het meest betrouwbaar voor mijn relaas […] Wat er bestaat aan geschriften die door anderen geschreven zijn, schreef ik, omdat ook die mij het vermelden waard en niet geheel onbetrouwbaar leken, op als dingen die slechts over Alexander gezegd zijn.

Conclusie

Concluderend kunnen we dus stellen dat Michael Wolff een aanpak hanteert die zo oud is als de straat. Omdat geweten is dat het relaas van antieke historici met de nodige korrel zout genomen moet worden, is het ook het beste diezelfde strategie toe te passen op Michael Wolff. Daarbij moeten we steeds de wijze woorden van Thucydides in het achterhoofd houden:

[…] οὔτε ὡς ποιηταὶ ὑμνήκασι περὶ αὐτῶν ἐπὶ τὸ μεῖζον κοσμοῦντες μᾶλλον πιστεύων, οὔτε ὡς λογογράφοι ξυνέθεσαν ἐπὶ τὸ προσαγωγότερον τῇ ἀκροάσει ἢ ἀληθέστερον […] (Thuc. I, 21)

Men moet niet te zeer afgaan op de poëzie van de dichters, want die hebben de zaken groter en mooier voorgesteld dan ze waren. Ook moet men niet te veel waarde hechten aan de geschriften van de kroniekschrijvers, want die vonden het belangrijker om met een verhaal te komen dat prettig in het gehoor lag, dan om precies de waarheid te vertellen.

Beknopte bibliografie

Lewin, L. 2002. Thucydides. Een blijvend bezit. De oorlog tussen de Peloponnesiërs en de Atheners. Κτῆμα ἐς αἰεί. Delft: Eburon.

Coverfoto: remix van de afbeelding ‘American Flag’ van de website PublicDomainPictures.net (CC0 1.0) en de cover van het boek Fire and Fury van Michael Wolf op Wikipedia

Het bericht ‘Fire and Fury’, of toch gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Michael Wolff en antieke historici over hun methode van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/15/01/2018/fire-and-fury-toch-gewoon-oude-wijn-nieuwe-zakken-michael-wolff-en-antieke-historici-methode/feed/ 0 555
Woord van de maand: historia https://www.oudegeschiedenis.be/14/11/2017/woord-van-de-maand-historia/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/11/2017/woord-van-de-maand-historia/#comments Tue, 14 Nov 2017 14:42:58 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=121 schilderij 'Die Seeschlacht bei Salamis' van Wilhelm Von Kaulbach (1868)

Elke maand bespreekt oudegeschiedenis.be een woord uit de oudheid, bijvoorbeeld uit het Grieks of het Latijn. Het Latijnse leenwoord 'historia' is in de meeste moderne Europese talen hét woord om het begrip 'geschiedenis' uit te drukken. Ontdek hier de herkomst van dit woord.

Het bericht Woord van de maand: historia van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'Die Seeschlacht bei Salamis' van Wilhelm Von Kaulbach (1868)

Het Latijnse leenwoord ‘historia‘ is in de meeste moderne Europese talen hét woord om het begrip ‘geschiedenis’ uit te drukken. In het Nederlands en Duits hebben we ‘historisch’ (‘geschiedenis’ en ‘Geschichte‘ zijn Germaanse woorden), in het Engels ‘history‘ én ‘story‘, in het Frans ‘histoire‘, in het Italiaans ‘storia‘, in het Spaans ‘historia‘, in het Russisch ‘История’, enzovoort. Dit woord betekent in het Grieks oorspronkelijk ‘een onderzoek’ of ‘een schriftelijke neerslag van observaties’. De Griekse historicus (daar hebben we de term al) Herodotus (ca. 485 – 425/420 v.C.), die dankzij de Romeinse politicus Marcus Tullius Cicero (106 – 43 v.C.) vaak de eretitel ‘vader van de geschiedschrijving’ krijgt, gebruikte de term voor het eerst om zijn eigen werk mee aan te duiden. Zo begint hij zijn werk, dat later net om die reden ‘Historiën’ (Ἱστορίαι) genoemd zou worden, met de woorden “Dit is het verslag van het onderzoek van Herodotus van Halicarnassus”, of in het Grieks “Ἡροδότου Ἁλικαρνησσέος ἱστορίης ἀπόδεξις ἥδε“. Vele Griekse en Romeinse historici zouden hem navolgen door hun geschiedwerken ook ‘Ἱστορίαι’/’Historiae‘ te gaan noemen. In wat volgt bespreken we kort hoe terecht die bijnaam van Herodotus eigenlijk is.

Vader van de geschiedschrijving

Het staat vast dat Herodotus de “vader van de geschiedschrijving” is in de zin dat hij het is die als eerste een groot historisch werk in proza geschreven heeft over wereldgeschiedenis en dat is ook de reden dat Cicero hem de titel toekent. Daarbij moet echter opgemerkt worden dat ‘de eerste zijn om iets te doen’ in de oudheid vaak betekende dat men ‘de eerste was om iets op een uitmuntende wijze te doen’.  Dat betekent dat de titel van ‘vader van de geschiedschrijving’ niet gaat naar degene die als eerste een poging ondernam om aan (een soort van) historiografie te doen. Zo wordt Homerus in de Oudheid beschouwd als de eerste en belangrijkste dichter van de Griekse literatuur, maar uit onderzoek is geweten dat hij voorlopers had. Iets gelijkaardigs kan gezegd worden van Herodotus.

Romeinse kopie van een Grieks bronzen beeld van het hoofd van Herodotus uit het Metropolitan Museum of Art

Historiografische traditie

Het idee om het verleden te bewaren voor het nageslacht was al veel ouder dan Herodotus. Zo hadden de Sumeriërs al kronieken en zijn er ook Egyptische, Hettitische, Assyrische, Babylonische en Perzische koningsannalen en -kronieken bekend. Daarnaast zijn ook de historische boeken van het Oude Testament het vermelden waard in dit overzicht. Wat Herodotus echter onderscheidt van al deze geschriften, is dat hij zoveel mogelijk objectief probeert te zijn, terwijl de genoemde voorgaande geschriften vaak een ideologisch karakter hebben. Bovendien is het weinig waarschijnlijk dat Herodotus als Griek deze tradities gekend heeft.

Een tweede categorie voorgangers lag voor Herodotus (geografisch) dichter bij huis: in de Griekse dichtkunst zijn immers al bepaalde trekken van de latere historiografische traditie terug te vinden. Homerus (alweer hij) geeft immers al blijk van een historisch bewustzijn. Het is niet toevallig dat de ‘Ilias‘, het oudst bewaarde dichtwerk in het Grieks, een onderwerp heeft dat historisch is, of ten minste als historisch beschouwd werd. Bovendien heeft Homerus ook aandacht voor de oorzakelijke samenhang van de gebeurtenissen (een belangrijk kenmerk van historiografie), en valt het op dat de Trojanen niet gediaboliseerd worden[1], hoewel dat niet onlogisch zou zijn voor een Griekse dichter die schrijft over een oorlog die de Grieken wonnen tegen een buitenlands volk. Een ander kenmerk van historiografie, namelijk de systematisering en rationalisering van “wat verteld wordt”, is te vinden bij de dichter Hesiodus (midden 8ste eeuw v.C.). Hij probeert uit vele tegengestelde tradities een eenduidige godenstamboom op te stellen in zijn ‘Theogonie’. Verder kan de tragicus Aeschylus (ca. 525– 456 v.C.) ook als een voorganger van Herodotus worden beschouwd: zijn tragedie ‘Perzen’ (opgevoerd in 472 v.C.) behandelde immers een historisch thema en dat zelfs zeer kort nadat de feiten plaatsgevonden hadden.

Herodotos en Thucydides

Een derde categorie voorgangers ligt niet alleen geografisch, maar ook qua genre dichter in Herodotus’ buurt: het gaat om de zogenaamde logografen, een groep prozaschrijvers uit de tweede helft van de 6de en de 5de eeuw v.C. In de Oudheid kregen ze wel al kritiek van de historicus Thucydides (ca. 460 – 400 v.C.), die vond dat ze de zaken vaak te overdreven voorstelden, maar aangezien van hun werken slechts fragmenten bewaard zijn gebleven, is hun waarde moeilijk te bepalen. Over het algemeen wordt aangenomen dat Thucydides ze iets te veel over dezelfde kam schoor, maar dat zijn kritiek wel gegrond is.

Alles bij elkaar kan men dus stellen dat Herodotus’ titel pater historiae wel verdiend is, met dien verstande dat het idee voor zijn werk niet uit het niets ontstond.

[1] Hector is als jonge vader zelfs sympathieker dan de woesteling Achilles, naar de mening van de schrijver.

Lees meer

G. Schepens (2010), Historiografie in de oudheid.

Coverfoto: adaptatie van schilderij ‘Die Seeschlacht bei Salamis’ van Wilhelm Von Kaulbach (1868) op Wikimedia

Het bericht Woord van de maand: historia van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/11/2017/woord-van-de-maand-historia/feed/ 1 121