munt Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/munt/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png munt Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/munt/ 32 32 136391722 Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/ https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/#respond Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2817 een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. werd de Griekse wereld opgeschrikt door de invasie van de Galaten, een gebeurtenis die niet alleen militair maar ook ideologisch diepe sporen naliet. In dit eerste artikel van een tweedelige reeks staat de vraag centraal hoe deze Keltische groep in de Griekse perceptie werd voorgesteld en hoe het beeld van de "barbaarse" vijand vorm kreeg. Vooral de Aetoliërs slaagden erin om dit anti-Galatische discours naar hun hand te zetten en in te zetten als krachtig propagandamiddel die hun politieke positie en legitimiteit versterkte.a

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. heerste er chaos in Griekenland en Macedonië. De recente oorlog tussen de diadochen Seleucus en Lysimachus had zijn tol geëist, en een sterk centraal gezag was ver zoek. Hierdoor werden de Griekse stadstaten en het Macedonische thuisland kwetsbaar. Deze situatie bood een uitgelezen kans voor een bevolkingsgroep die aan de noordelijke grens opdoemde: de Galaten. Aangetrokken door de rijkdommen van de Helleense wereld, vielen deze Kelten vanuit de Balkan Griekenland en Macedonië massaal binnen en zaaiden ze dood en verderf. Deze existentiële dreiging leidde tot een zeldzaam verschijnsel in de antieke wereld: panhelleense samenwerking. Verscheidene leden van het bondgenootschap leverden een grote inspanning om deze “barbaren” te verdrijven, maar het waren vooral de Aetoliërs die te koop liepen met hun rol in de overwinning. Voor hen had deze zege immers grote propagandistische waarde.

Dit artikel vormt het eerste deel van een tweedelige reeks over de negatieve voorstelling van de Galaten in de Hellenistische wereld. In dit deel richten we ons op de specifieke inhoud van het anti-Galatische discours in de Griekse wereld en de Aetolische toepassing van deze propaganda. In het volgende deel verleggen we onze blik naar de grote Hellenistische koninkrijken.

Historische achtergrond

De Galaten waren een Keltische bevolkingsgroep die Galatisch sprak, een taal die nauw verwant was aan het Gallisch. Ze leefden zoals de overige Kelten in stamverband met telkens een stamhoofd aan het roer. De term “Galaat” is terug te voeren op het Oudgriekse woord voor “Galliër”. Vandaag wordt in de wetenschappelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen de termen “Galliër” en “Galaat”. De Galliërs waren de continentale Kelten die in West-Europa bleven, terwijl de term “Galaten” verwijst naar de Kelten die sinds de 5de eeuw v.C. naar de Balkan migreerden. Tegen de vroege 3de eeuw v.C. bevonden deze stammen zich aan de grens van de Griekse wereld.

Over hun vroege geschiedenis is weinig met zekerheid geweten; hun verleden wordt voornamelijk gereconstrueerd op basis van Griekse bronnen die echter bevooroordeeld waren. De Grieken zagen immers de Galaten als het archetype van de barbaar. Recent archeologisch en historisch onderzoek heeft gelukkig enige nuance gebracht in dit eenzijdige beeld. In tegenstelling tot het stereotype van de Keltische volkeren als een zootje ongeregeld, hadden zij juist een complexe en efficiënte sociale en militaire organisatie waarbij de stammen goed samenwerkten.

De route van de Galaten

Nadat de Galaten de Helleense wereld waren binnengevallen, splitste hun leger zich op in grofweg drie colonnes. Eén deel settelde zich in Thracië (Polybius 4.45-46), een andere colonne van zo’n 20 000 krijgers stak de Hellespont over op uitnodiging van Nicomedes I, koning van Bithynië (Livius 38.15.). Hij zette de Kelten in als huurlingen tijdens de burgeroorlog tegen zijn broer, Zipoetes II, in ruil voor woongebied in Noord-Frygië. Deze groep heeft de antieke wereld diepgaand beïnvloed en zal in het tweede deel van deze artikelreeks in de belangstelling komen te staan. Tot slot was er een derde colonne onder leiding van Brennus. Brennus behoorde volgens Strabo (4.1.13) mogelijk tot de stam van de Prausi waarover voor de rest weinig geweten is. Hun eerste doelwit was Paeonië in 280 v.C., een gebied ten noorden van Macedonië. Na deze expeditie wist Brennus zijn krijgers te overtuigen om zich in 279 v.C. te wagen aan een meer uitdagend doelwit: de Griekse stadstaten waar hen mythische rijkdommen zouden opwachten.

De Ketische invasie in Griekenland

De Thermopylae vandaag de dag

Pausanias (10.19-23) wil ons doen geloven dat Brennus’ strijdkracht wel zo’n 152 000 infanteristen en 24 000 ruiters telde. Hoewel deze aantallen waarschijnlijk overdreven zijn, moet het totale aantal Kelten enorm zijn geweest. De bedreiging was in elk geval groot genoeg om de eeuwig kibbelende Griekse stadstaten in elkaars armen te drijven. De panhelleense tactiek moet bekend in de oren klinken voor wie vertrouwd is met de Griekse geschiedenis: de Kelten een halt toeroepen bij de Thermopylae. De eerste Keltische aanval tegen de verdedigers in de befaamde bergpas liep uit op een jammerlijke mislukking en Brennus blies de chamade.

Daarop besloot de Keltische leider het over een andere boeg te gooien. Hij liet een detachement tegen Aetolië uitrukken om de talrijke Aetolische troepen weg te lokken van bij de Griekse hoofdmacht in de Thermopylae. De list werkte, maar tegen een hoge prijs: veel Galaten sneuvelden tijdens deze expeditie. Ondertussen wist Brennus de vijand bij de Thermopylae te omsingelen dankzij de ontdekking van een pad dat om de Griekse linie heen leidde. Hierna volgde echter geen heldhaftig gevecht tot de laatste man zoals Leonidas en zijn ‘driehonderd’ dat destijds hadden gedaan. De Griekse troepen konden op tijd geëvacueerd worden dankzij de Atheense vloot die voor de kust voor anker lag.

Brennus koos vervolgens Delphi uit als nieuw doelwit. Volgens de overlevering werd deze aanval afgeslagen met de hulp van de goden die de Kelten teisterden met onder andere stormen en aardbevingen. Daarnaast droegen de Aetoliërs hun steentje bij door hun guerrillaoorlogvoering waarbij ze de Kelten onophoudelijk bestookten in het ruige terrein van Aetolië. Na een verpletterende nederlaag tegen de Phociërs besloten de Galaten zich halsoverkop terug te trekken. Tijdens de terugtocht bleven de Aetoliërs hen bestoken en uiteindelijk pleegde Brennus zelfmoord uit schaamte. De Keltische dreiging was geweken.

De oorsprong van het anti-Galatische discours

De relatie tussen de Galaten en de Helleense wereld werd dus al vanaf het begin gekenmerkt door conflict. Koning Nicomedes I bood evenwel als eerste een alternatief voor deze gewelddadige omgang met de Keltische stammen: samenwerking. In ruil voor militaire hulp kregen de Galaten land en geld. Dit beleid zouden vervolgens nagenoeg al de Hellenistische heersers in Klein-Azië voeren. Ondanks deze gunstige wederkerige relatie bleven de Grieken de Galaat omschrijven als de barbaar par excellence.

De Galatische levensstijl beantwoordde inderdaad op sommige gebieden aan de Griekse verwachtingen van een barbaar. In hun ogen ging het om loutere nomaden met een woest en vreemd voorkomen, die geen schrift kenden, laat staan geschreven wetten — een van de fundamenten van een beschaafde samenleving volgens de Grieken. Na hun vestiging in Noord-Frygië begonnen de Galaten zich steeds meer te conformeren aan de Griekse verwachtingen van een beschaafde mens. Desondanks zetten de Hellenistische vorsten deze traditie van negatieve voorstellingen voort. Waarom? Het antwoord ligt deels in het propagandistische nut van dergelijke beelden. Hoe woester en gevaarlijker de vijand, des te nobeler en sterker de overwinnaar lijkt. Dit narratief kon aldus bijdragen aan de legitimatie van het Hellenistische koningschap.

De Galaten in Griekse ogen

Al tijdens de grote invasie van 280/279 v.C. werden de Galaten gezien als een levensbedreiging voor de Helleense wereld. Hiervan getuigen enkele inscripties uit de jaren 270 v.C. (o.a. een uit Priëne die de beschermer van de stad roemt [TM 862714] en een dedicatie van een vader uit Thyateira aan Apollo om zijn zoon te redden van de Galaten [TM 838622]). Men kan de Grieken zeker niet beschuldigen van overdrijving. Bij gebrek aan een sterk centraal gezag waren de stadstaten inderdaad kwetsbaar. De poleis ontsnapten zelfs op het nippertje aan een smadelijke nederlaag bij de Thermopylae (zoals beschreven hierboven). Het was mede dankzij de tussenkomst van de goden – volgens de Grieken zelf althans – en onder andere de Aetoliërs dat de ondergang vermeden kon worden (zie Justinus 24.7.6, 24.8.3-7).

De idee van goddelijke interventie raakte al vroeg in zwang. Volgens een decreet uit Kos van 278 v.C. [TM 929025] was Apollo verantwoordelijk voor de triomf, terwijl een inscriptie van Smyrna uit hetzelfde jaar [TM 814632] de overwinning toeschrijft aan meerdere goden. Ondanks de uiteindelijke zege lieten de Galaten toch een trauma achter in het Griekse collectieve geheugen, een trauma dat de bekende Griekse historicus Angelos Chaniotis (in zijn Age of Conquests) zelfs vergelijkt met de shock van 9/11 in de westerse wereld. De Keltische invasie was zo ernstig dat een vergelijking met de Perzische invasies voor de Grieken zeker gerechtvaardigd was. Volgens Pausanias stond ditmaal niet enkel de vrijheid op het spel, maar zelfs het voortbestaan van de Griekse wereld:

ἑώρων δὲ τὸν ἐν τῷ παρόντι ἀγῶνα οὐχ ὑπὲρ ἐλευθερίας γενησόμενον, καθὰ ἐπὶ τοῦ Μήδου ποτέ, οὐδὲ δοῦσιν ὕδωρ καὶ γῆν τὰ ἀπὸ τούτου σφίσιν ἄδειαν φέροντα … ὡς οὖν ἀπολωλέναι δέον ἢ δ᾽ οὖν ἐπικρατεστέρους εἶναι, κατ᾽ ἄνδρα τε ἰδίᾳ καὶ αἱ πόλεις διέκειντο ἐν κοινῷ.

Ze realiseerden zich dat de strijd die hen te wachten stond er niet een voor vrijheid zou zijn, zoals toen ze tegen de Perzen vochten, en dat water en aarde aanbieden hen geen veiligheid zou brengen…  Dus was elke man en elke stadstaat ervan overtuigd dat ze oftewel moesten overwinnen, oftewel ten onder gaan.” (Paus. 10.19.12)

De vergelijking moet haast vanzelfsprekend zijn geweest, niet in het minst omdat de Thermopylae wederom een centraal strijdperk werden. Verder vond Pausanias de schilden van beide volkeren opvallend gelijkend en zag hij parallellen tussen de Galatische cavalerie en de Onsterfelijken, de vermaarde Perzische elitekrijgsmacht. (Pausanias 10.19.4)

De Aetoliërs maakten handig gebruik van deze associatie. Zo plaatsten ze de buitgemaakte Galatische wapenuitrustingen naast die van de Perzen in de tempel van Apollo in Delphi. Dit was een berekende propagandistische truc: dit heiligdom was een van de belangrijkste religieuze centra in de Griekse wereld, waar om de vier jaar vertegenwoordigers van de meeste stadstaten samenkwamen om deel te nemen aan de Pythische Spelen. Bijgevolg konden de Aetoliërs handig hun cruciale rol in de overwinning aan de gehele Helleense wereld meedelen en in herinnering houden.

Tetradrachme van de Aetolische Bond met op de keerzijde (rechts) Aitolos, de personificatie van de Bond, gezeten op typische Galatische schilden, c. 239-229 v.C.

Ze gingen in Delphi hun rol ook op andere manieren in de verf zetten. Zo was er een standbeeld van de personificatie van Aetolië die gezeten was boven een stapel van Keltische wapenuitrustingen. Dit standbeeld kwam ook voor op de munten van de Aetolische Bond. Daarnaast was er de Portico van de Aetoliërs, een van de grootste bouwwerken te Delphi, waar een inscriptie de schenking van Keltische wapenuitrustingen herdacht. De boodschap was helder: net zoals de Atheners destijds bij Marathon en Salamis de Griekse beschaving tegen barbarij hadden beschermd, zo hadden de Aetoliërs eenzelfde dienst bewezen aan de Helleense wereld en dit verdiende respect en erkenning.

De Aetoliërs lijken zich haast uit te roepen tot de nieuwe beschermers van Griekenland en de leidersrol van Athene op te eisen. Ze hervormden zelfs rond 246 v.C. het jaarlijkse Soteria-festival in Delphi ter ere van Zeus tot een vijfjaarlijks, maar grootser gebeuren dat meer in het teken van de Aetoliërs en hun militaire heldendaden stond (zie SIG3 402 [TM 815238]). Opvallend is hoe ze zelfs de rol van de goden begonnen te minimaliseren om de aandacht meer naar zich toe te trekken. Dit alles negeerde natuurlijk volledig de bijdrage van de Griekse stadstaten, maar dat interesseerde hen niet. Er stond immers veel op het spel.

De geopolitieke voordelen van de Galatische overwinning

Na de Galatische episode traden steeds meer leden van de Aetolische Bond toe tot de Amphictionie van Delphi, een zeer oude religieuze vereniging die instond voor de veiligheid van Delphi. Diens leden hadden het recht om stadstaten te straffen die het heiligdom schonden. Deze straf nam soms de vorm aan van een “heilige oorlog” waarbij de leden militair samenwerkten tegen de agressor.

Tegen het einde van de jaren 250 v.C. had de Aetolische Bond al negen stemmen – van de 24 – in de raad van de Amphictionie. Dankbaarheid kan een rol hebben gespeeld bij de geleidelijke toelating van de Aetoliërs, maar politieke druk moet de doorslaggevende factor zijn geweest. De Aetolische Bond groeide namelijk in de 3de eeuw v.C. uit tot de grootmacht van Centraal- en West-Griekenland. Ze begonnen zich zelfs te moeien met Egeïsche en Peloponnesische aangelegenheden. Mettertijd versterkte dus ook hun greep op Delphi, dat in de naburige regio Phocis lag. De anti-Galatische propaganda kon deze controle over het heiligdom, evenals hun positie in Griekenland, handig legitimeren.

Inscriptie op de Portico van de Aetoliërs in Delphi die de buitmaking van de Galatische schilden commemoreert

De ideologische voordelen van de Galatische overwinning

De inzet van de Aetolische propaganda ging echter verder dan loutere zelfverheerlijking en legitimatie van hun geopolitieke situatie. Wanneer we de culturele context rond de Aetoliërs erbij betrekken, wordt meteen duidelijker waarom ze zo sterk de nadruk legden op deze overwinning. Het lidmaatschap van de Aetoliërs tot de Helleense beschaving werd namelijk voortdurend in twijfel getrokken. Ze waren volgens de andere stadstaten minder Grieks of zelfs simpelweg barbaren. Zo waren ze niet in polis-verband georganiseerd, maar bestonden ze uit stammen (θνη) die in dorpjes samenleefden.

Bovendien waren ze dikwijls actief als piraten die de zeeën rond Griekenland onveilig maakten. Deze slechte reputatie was volgens de Britse historicus John Grainger (in zijn The League of the Aitolians) al goed gevestigd vooraleer ze zich gingen organiseren in een confederatie in de 4de eeuw v.C. Het feit dat ze een moeilijk verstaanbaar dialect spraken, pleitte ook al niet in hun voordeel. Deze neerbuigende houding vanwege de andere Grieken namen ze allerminst in dank af en ze grepen deze kans om hun “Grieksheid” in het gezicht te duwen van de sceptici. Griekenland had immers haar voortbestaan uitgerekend aan hen te danken.

Vanuit deze optiek kon de toetreding tot de Amphictionie van Delphi hebben gediend als een formalisatie van deze claim. Deze religieuze vereniging kwam samen bij het orakel van Delphi, een van de belangrijkste heiligdommen in de Griekse wereld. Voor de Grieken was hun gedeelde religie een van de belangrijkste expressies van hun culturele eigenheid. Toetreding tot een dergelijke organisatie was daarom een onweerlegbaar bewijs van Griekse identiteit.

Hierbij moet trouwens de Macedonische vorst Philippus II (r. 359-336 v.C.) als model hebben gediend voor de Aetoliërs. Net zoals in het geval van deze West-Grieken was de “Grieksheid” van de Macedoniërs omstreden, en net zoals in het geval van de Aetoliërs was Philippus’ toetreding tot deze Amphictionie een poging om Macedonië op de kaart te zetten als Griekse mogendheid. Net zoals de latere Macedonische overwinning onder leiding van Alexander de Grote (r. 336-323 v.C.) op de Perzische koning Darius III (r. 336–330 v.C.) diende, diende de overwinning op de Galaten om deze claim te bevestigen.

Centraal-Griekenland met Aetolië ten zuiden van Epirus en Thessalië, geklemd tussen Acarnania en Phocis (waar Delphi gelegen is)

Conclusie

De Aetoliërs claimden een centrale rol te hebben gespeeld bij de verdrijving van de Galaten. De invasie van deze Keltische stammen was een ingrijpende gebeurtenis in de 3de eeuw v.C., die een trauma in de Griekse wereld naliet. In hun ogen stond niets minder dan de beschaving op het spel. De bijdrage van de Aetoliërs aan de overwinning kwam deze West-Grieken goed van pas: de politieke invloed van de Aetolische Bond nam in deze periode toe, en het werd tijd om erkenning en respect af te dwingen bij de overige Grieken. Dit was echter geen vanzelfsprekendheid, aangezien de Aetoliërs in het verleden vaak werden bestempeld als barbaren of half-Grieken. Zij wilden eindelijk worden geaccepteerd als volwaardige leden van de Griekse wereld. De overwinning op de Galaten legitimeerde zowel hun aanspraak op deze culturele identiteit als hun stevige greep op Delphi zelf.

De voordelen die dit anti-Galatische narratief bood, gingen niet onopgemerkt voorbij aan andere spelers binnen de Hellenistische wereld. Rond dezelfde periode moesten ook de Hellenistische vorsten aan beide zijden van de Hellespont afrekenen met Galatische invallen. Zij kampten met vergelijkbare legitimiteits- en identiteitsproblemen als de Aetoliërs. Bijgevolg bood de overwinning op deze “barbaren” vergelijkbare ideologische voordelen. Toch zijn er binnen deze propaganda enkele verdere nuances te ontwaren, maar dat is stof voor het volgende deel.

Lees meer

Grainger, J. D., The League of the Aitolians. 1999, Leiden.

Larsen, J., Greek Federal States: Their Institutions and History, 1968, Oxford.

Mitchell, S., Anatolia. Land, Men, and Gods in Asia Minor I. The Celts and the Impact of Roman Rule, 1993, Oxford.

Scholten, J., The Politics of Plunder: Aitolians and their Koinon in the Early Hellenistic Era, 279 – 217 B.C., 2000, Berkeley.

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Marken019AnconaMusArcheo’, afkomstig van een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten – met de typische halsringen en schilden – afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus, vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/feed/ 0 2817
De vergeten dichters van Alexander de Grote https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/#respond Sun, 25 Jan 2026 17:20:17 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2800 Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

Tijdens zijn veldtocht omringde Alexander de Grote zich doelbewust met dichters, in de hoop zijn daden literair te laten vereeuwigen. Helaas blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over, al zijn er gelukkig nog de namen van enkele van deze auteurs overgeleverd, zodat ze niet helemaal vergeten worden.

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

In de Griekse geschiedenis – en eigenlijk ook daarbuiten – behoort de onderneming van Alexander de Grote ongetwijfeld tot de meest epische daden. In de geschiedschrijving heeft Alexander dan ook een blijvende indruk nagelaten, maar zijn naam is, merkwaardig genoeg, aan geen enkel epos verbonden. En dat terwijl Alexander zelf wel degelijk moeite deed om te verzekeren dat zijn daden bezongen zouden worden. Verschillende bronnen vermelden namelijk dat hij een groep dichters meenam op zijn expeditie naar het Oosten, die hij bovendien rijkelijk beloonde. Sommigen van hen zijn nauwelijks bekend (Choerilos van Iasos, Agis van Argos, Pranikos of Pierion) maar Alexander wist ook beroemde figuren aan te trekken, zoals de redenaar Anaximenes van Lampsakos en de filosoof Pyrrho van Elis. Opmerkelijk genoeg blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over.

Choerilus van Iasos

Van de dichters die Alexander op zijn tocht naar het Oosten vergezelden, is Choerilos van Iasos ongetwijfeld de bekendste. Hij wordt genoemd door Horatius en vele andere auteurs, maar zijn reputatie is ronduit slecht: Choerilos geldt als de slechtste dichter uit de Griekse Oudheid. Van zijn werk is bijna niets bewaard gebleven, maar er circuleren tal van anekdotes over hem.

Detail van het beroemde Alexandermozaïek uit de 2de -1ste eeuw v.C., afkomstig uit de exedra van de ‘Casa del Fauno’ in Pompeï

Volgens Horatius (Brief aan Augustus, vv. 232-234) zou Alexander hem met een gouden munt hebben beloond voor elke vers die hij over hem schreef. Andere bronnen vertellen echter een ander verhaal: Alexander beloofde een munt voor elke goede vers, maar een klap voor elke slechte vers – en omdat de slechte verzen talrijker waren, zou Choerilos zijn dood hebben gevonden onder de slagen van de koning.

Deze laatste versie van het verhaal is waarschijnlijk een later verzinsel, want Choerilos lijkt Alexander te hebben overleefd: hij schreef namelijk een werk met de titel Lamiaka. Van dat gedicht is alleen de titel overgeleverd, maar het moet een epos zijn geweest over de Lamische Oorlog (322 v.C.), waarin de Atheners zich tegen de Macedoniërs keerden om hun onafhankelijkheid te herwinnen. Mogelijk componeerde Choerilos het gedicht om de daden van de Macedonische generaal Antipater te verheerlijken, zoals hij eerder voor Alexander had gedaan.

Anaximenes van Lampsakos

Er wordt ook een gedicht over Alexander toegeschreven aan Anaximenes van Lampsakos, de beroemde redenaar en geschiedschrijver van Philippos II en Alexander. Ook over hem is een amusante anekdote overgeleverd. Toen Alexander Troje bezocht en het graf van Achilles zag, greep hij de gelegenheid aan om de roem van Achilles en van zijn dichter, Homerus, te prijzen. Anaximenes was daarbij aanwezig en riep, om hem te vleien, dat hij ook Alexanders glorie onsterfelijk zou maken. Maar Alexander kapte hem meteen af met de woorden:

Ik zou liever Homerus’ Thersites zijn dan jouw Achilles!

Een soortgelijk verhaal wordt trouwens ook over Choerilos van Iasos verteld. De geograaf Pausanias (2de eeuw n.C.) twijfelde of Anaximenes werkelijk zo’n werk had geschreven, maar daar is waarschijnlijk geen reden toe.

Agis van Argos

Twee van de belangrijkste geschiedschrijvers van Alexander, Curtius Rufus en Arrianus, noemen nog een andere dichter: Agis van Argos. Agis wordt beschreven als een van Alexanders meest schaamteloze vleiers. Volgens de bronnen steunde hij de koning vooral tijdens het debat over de proskynesis (προσκύνησις) – een Perzisch gebruik waarbij men zich diep voor de heerser boog. Voor de meeste Grieken was dit ondenkbaar, omdat het neerkwam op de vergoddelijking van een levende vorst. De bronnen zijn dan ook zeer kritisch over Alexanders overname van dit gebruik, dat vaak wordt gezien als het begin van de ontsporing van zijn macht.

Titelpagina voor een 17de eeuwse uitgave van Curtius Rufus’ ‘Historia(e) Alexandri Magni’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Curtius Rufus bijzonder harde woorden heeft voor Agis: hij noemt hem een “slecht dichter”, die alleen nog wordt overtroffen door Choerilos – of beter gezegd, Choerilos is de enige die voor hem moet onderdoen. Blijkbaar speelde Agis gretig in op Alexanders grootheidswaanzin, door in zijn gedicht te beschrijven hoe Herakles, Dionysos en de Dioskouren (Castor en Pollux) Alexander opwachtten om hun plaats aan hem af te staan.

Agis was bovendien buitengewoon jaloers. Volgens Plutarchus (1ste-2de eeuw n.C.) zou hij, toen hij zag hoe Alexander een hofnar rijkelijk beloond had, hebben uitgeroepen:

Ik vind het verachtelijk om te zien hoe de zonen van Zeus zulke onwaardige vleiers waarderen: zoals Herakles bepaalde Kekropen waardeert, en Dionysos zich omringt met Silenen, zo laat ook jij je vleien door dit soort narren!

Die uitval bevat natuurlijk ook verborgen lof, want ze gaat ervan uit dat Alexander een rechtstreekse afstammeling van Zeus was, en bijgevolg gelijk aan Herakles of Dionysos. Toch is het beeld van Agis bijna grotesk: hij bekritiseert Alexanders slechte smaak en gebrek aan oordeel, zonder te beseffen dat hij zelf het meest aan vleierij schuldig is.

Pranikos of Pierion en andere dichters

Plutarchus vertelt ook een anekdote over nog een andere dichter die Alexander vergezelde, wiens naam in twee vormen is overgeleverd: Pranikos of Pierion. Het verhaal speelt zich af tijdens het banket waarop Alexander zijn vriend en bevelhebber Clitus (de Zwarte, Κλεῖτος ὁ Μέλας) doodde. Toen iedereen al dronken was, werden enkele verzen van deze dichter voorgedragen. De verzen in kwestie waren geschreven om generaals te bespotten die door de “barbaren” waren verslagen. Alexander – en natuurlijk ook zijn vleiers – leek deze verzen bijzonder geestig te vinden, maar de oudere gasten voelden zich beledigd door zo’n gebrek aan respect. Vooral Clitus verhief zijn stem tegen Alexander en, aangewakkerd door de wijn, liep de situatie al snel uit de hand, tot Alexander hem uiteindelijk met eigen hand doodde.

De bronnen noemen ook andere dichters, onder wie een obscure Aischrion van Samos (of van Mytilene). Tot Alexanders vleiers behoorde ook een zekere Cleon van Sicilië, die mogelijk een dichter was. Sommige auteurs vermelden zelfs dat de sceptische filosoof Pyrrho van Elis door Alexander zou zijn beloond voor een gedicht dat hij ter ere van hem schreef.

Het verdwijnen van poëzie over Alexander

Uit de bronnen blijkt duidelijk dat Alexander veel aandacht en middelen besteedde om zichzelf te omringen met dichters die zijn onderneming konden vereeuwigen. Zijn doel was wellicht een dichter te vinden die hem kon bezingen zoals Homerus Achilles had bezongen. Misschien wilde hij zich ook laten vergelijken met Herakles, de stamvader van de Macedonische dynastie, met wie hij ook in de kunst vaak wordt geassocieerd. Daarnaast identificeerde Alexander zich met Dionysos, in wie hij een soort voorganger zag van omwille van zijn eigen veldtochten, vooral van die naar Azië.

Alexander de Grote met de leeuwenhuid van Herakles, detail van de zogenaamde “Alexander-sarcofaag”; afkomstig uit Sidon uit de late 4de eeuw v.C.

Toch bereikte Alexander zijn doel niet. Niets van de poëzie die voor hem werd geschreven, is bewaard gebleven. Misschien had hij niet de juiste dichters gekozen door een tekort aan persoonlijk inzicht – of had hij gewoon pech. De omstandigheden van zijn korte leven bieden echter een geloofwaardige verklaring voor dit gemis. In tegenstelling tot wat later gebeurde bij keizer Augustus of bij de Ptolemeïsche dynastie, stierf Alexander op het hoogtepunt van zijn succes, zonder de kans om een periode van vrede mee te maken. In zo’n rustigere tijd had hij misschien een literaire kring kunnen vormen die hem passend zou verheerlijken. De anekdote over Pranikos of Pierion suggereert dat dit soort poëzie soms ook tijdens veldtochten zelf werd gecomponeerd en vervolgens voorgedragen werd tijdens banketten.

Het volledig verdwijnen van deze poëzie lijkt samen te hangen met het overwegend negatieve oordeel dat de antieke bronnen over deze dichters delen. Choerilos geldt als de slechtste dichter van Griekenland, Agis komt vlak na hem, en ook in de anekdotes over Anaximenes en Pranikos of Pierion klinkt eenzelfde oordeel. Maar waren Alexanders dichters werkelijk zo slecht? Helaas kunnen we, zonder ook maar enig overgeleverd fragment, dit oordeel van de Antieken noch bevestigen, noch weerleggen. We kunnen alleen maar hopen dat ze zich niet hebben vergist.

Verder lezen

Het materiaal over Alexander de Grote in de Hellenistische poëzie wordt uitvoerig besproken door Silvia Barbantani, “‘His σῆμα are both continents’. Alexander the Great in Hellenistic Poetry”, in Studi ellenistici 31 (2017), 51–127.

De fragmenten van Choerilus van Iasos zijn verzameld en geanalyseerd door Marco Pelucchi, Cherilo di Iaso, Testimonianze, frammenti, fortuna, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022.

Over de zogenaamde “slechtste dichters” uit de oudheid zie Marco Pelucchi, “Pessimi poetae: On Philodemus, Ancient Tradition, and Selection Criteria”, in N. Bruno, M. Filosa, G. Marinelli (red.), Fragmented Memory: Omission, Selection, and Loss in Ancient and Medieval Literature and History, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022, 27–54.

Coverfoto: Het schilderij ‘Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero’ van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze (CC BY 4.0)

[De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/feed/ 0 2800
Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/#respond Tue, 08 Oct 2019 13:52:34 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1358

In onze reeks 'Quis est?' gaan we op zoek naar het levensverhaal van een markant figuur uit de Oudheid. In deze aflevering komen we uit bij Silbannacus, een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De lijst van bekende Romeinse keizers bevat vele namen, vanuit het principaat dat Augustus in 27 v.C. startte (en voortzette met de Julisch-Claudische dynastie) tot het dominaat waarbij het Keizerrijk door meerdere keizers (augusti en caesares) werd geregeerd. In heel deze lijst komen af en toe ook namen voor van keizers die deze titel opeisten en (meestal slechts voor een korte tijd) als usurpator over een gedeelte van het Romeinse Rijk regeerden, bijvoorbeeld Galba, Otho en Vitellius tijdens het beruchte vierkeizerjaar 69 n.C. Een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen, is die van Silbannacus. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Usurpatoren

Een 19de eeuwse illustratie van de overdracht van de keizerskroon door Romulus Augustus aan de Germaanse heerser Odoaker

De laatste keizer – althans van het West-Romeinse rijk – Romulus Augustulus, werd na een heel korte regeertermijn in 476 n.C. afgezet door de Germaanse aanvoerder Odoaker, die zich nadien ook tot koning kroonde en het keizerschap voor de schijn doorgaf aan de toenmalige Oost-Romeinse keizer Zeno. Hiermee eindigt traditioneel een periode die vier eeuwen overspant waarin talloze dynastieën de macht in Rome claimden, afgewisseld met perioden van chaos en anarchie waarin soms voor een heel korte periode een lokale of militaire leider de macht opeiste. Zo’n usurpator was vaak geen lang leven beschoren, aangezien het succes van de revoltes vaak afhing van de (militaire) back-up van de heerser in kwestie en de heersende of daaropvolgende keizer meestal geen medelijden toonde met zo’n overwonnen rebel.

Naast het reeds genoemde drietal van het vierkeizerjaar verging het bijvoorbeeld de beruchte Elagabalus net zo.  Hij heerste gedurende vier jaar, maar werd uiteindelijk ook door de Praetoriaanse Garde vermoord. Nog minder succesvol verging het Nymphidius Sabinus, de prefect van diezelfde garde, die na Nero’s dood de keizerstroon dacht te kunnen claimen als de niet-erkende zoon van Caligula. Hij werd namelijk jammerlijk door zijn eigen garde van het leven beroofd toen Galba Rome zou intreden.

Gravure in een medaillon van Julius Nepos, de laatste gelegitimeerde keizer van het West-Romeinse Rijk

Andere minder bekende figuren die in de plooien van de Romeinse keizergeschiedenis belandden waren bijvoorbeeld Avidius Cassius, de gouverneur van Syria, die in 175 n.C. zelfs nadat het gerucht dat hij had gehoord over de dood van keizer Marcus Aurelius niet waar bleek te zijn, toch zijn onsuccesvolle revolte voortzette. Sommige anderen werden nooit aanvaard door de Senaat als wettige keizer of slaagden er slechts in om een gedeelte van het rijk onder controle te krijgen, vaak dan nog voor een korte tijd. Tot slot probeerde Julius Nepos om als heerser in ballingschap in Dalmatia de keizertitel opnieuw op te eisen, nadat de eerder genoemde Odoaker de macht had gegrepen in Rome, maar ook die poging liep slecht af toen hij in 480 werd gedood door zijn eigen soldaten.

Bekende succesvolle en gelegitimeerde usurpatoren waren onder meer Septimius Severus en Constantijn de Grote die beiden door hun eigen leger tot keizer werden uitgeroepen. Een constante factor in hun greep naar de macht (naast de militaire ondersteuning) was het legitimeren van hun keizerschap. Dat gebeurde op verschillende manieren, bijvoorbeeld door bouwactiviteiten op te zetten of hun eigen munten te laten slaan, waarbij hun keizerschap via allerlei symbolen refereerde aan de Romeinse goden, hun voorgangers als keizers of hun vergoddelijkte status (na hun dood). Beiden regeerden respectievelijk 18 en 31 jaar over het rijk en werden opgevolgd door hun eigen dynastie.

De mysterieuze munten

De zilvermunt van Silbannacus uit het British Museum

Al deze voornoemde keizers zijn ons niet alleen bekend uit de literaire bronnen, maar ook uit opschriften, munten en andere archeologische overblijfselen. Toen in 1937 echter het British Museum in bezit kwam van een zilvermunt (een antoninianus), gekocht van een Zwitserse handelaar die beweerde dat de munt gevonden was in de Franse regio Lorraine, wisten onderzoekers niet wat ze zagen. Op de voorzijde van de munt was namelijk te lezen:

IMP MAR SILBANNACVS AVG

Deze keizer Mar() Silbannacus stelde de specialisten voor een raadsel. Geen keizer met deze naam is ons bekend uit de bronnen en gedacht werd dat het hier misschien om een verkeerde spelling van de naam Silvannacus of Silvaniacus zou kunnen gaan, maar zelfs in dat geval was er geen keizer met die naam gekend. De keerzijde, met daarop de goden Mercurius en Victoria (met een caduceus of olijfkroon en de begeleidende tekst “VICTORIA AUG”) afgebeeld, gaf geen verdere hints over de oorsprong van deze munt. Geopperd werd dat het om de muntslag van een usurpator, tussen de duistere jaren 238 en 260 n.C., zou kunnen gaan, maar zekerheid over de historiciteit van Silbannacus was er niet.

Dit duurde tot in 1996 een tweede munt met dezelfde keizersnaam opdook bij een Franse specialist. Ook deze zilvermunt zou uit Frankrijk afkomstig zijn en werd enkele jaren eerder gevonden in de buurt van Parijs. De voorzijde van deze munt was identiek aan de eerste, maar de keerzijde bevatte ditmaal de god Mars (en de tekst “MARTI PROPVGT”). Dit leidde de onderzoekers naar keizer Aemilianus die in 253 n.C. een drietal maanden regeerde en dezelfde achterzijde met de oorlogsgod (“de Verdediger”) voor een munt had gebruikt. Was het eindelijk duidelijk dat de Silbannacus vermeld op deze mysterieuze munten een usurpator was tijdens dat chaotische jaar waarin verschillende opstanden plaatsvonden en keizers regeerden?

Zilveren Antoninianus van Aemilianus, met op de achterzijde Marti Propugt (Propugnatori), Mars de Verdediger

Silbannacus, de onbekende keizer?

De naam Mar() Silbannacus zorgt nog voor wat meer mysterie. Zelfs als het hier om een verkeerde spelling zou gaan, lijkt er een mogelijke connectie te zijn met de god Silvanus, een Romeinse godheid van de bossen die mogelijk van een Etruskische godheid afstamt. Ook het suffix -acus, dat op een Keltische etymologie duidt, versterkt het vermoeden dat we de achtergrond van Silbannacus in Noord-Italië (waar Kelten en Etruskische invloeden overlapten) moeten zoeken. De andere afkorting MAR() kan een afkorting zijn van de naam ‘Marinus’, ‘Marius’ or ‘Marcius’, aangezien het minder gangbaar was om een praenomen – ‘Marcus‘ in dat geval – te gebruiken op de muntslag. Ook hier blijven we achter hangen bij vermoedens, aangezien geen van deze families uit de 3de eeuw ons bekend zijn uit andere bronnen.

De antoniniani of verzilverde munten (gedevalueerd tot brons tijdens de ‘Crisis van de derde eeuw’) waren gangbaar in deze periode en ook de afbeeldingen op voor- en keerzijde geven weinig hints over de datering ervan. In het midden van deze eeuw vinden we op zo goed als alle munten een afbeelding van de keizer met een gelijkaardige kroon, maar dit leidde niet tot een exactere datering.

Buste van keizer Philippus I Arabs

Buste van keizer Decius

Uiteindelijk blijft de theorie van een usurpator de meest gangbare, althans tot we mogelijk ooit meer bronmateriaal vinden. Twee mogelijkheden werden daarbij het vaakst geopperd. Ten eerste, dat Silbannacus opereerde als een militaire leider in Germania Superior nabij het Rijngebied. Eutropius (IX.4) beschrijft een burgeroorlog in Gallia, mogelijk tijdens de regering van keizer Philippus I Arabs (244-249 n.C.) of meer waarschijnlijk tijdens die van keizer Decius (249-251 n.C.), waarbij Silbannacus dan mogelijk kortstondig het keizerschap zou hebben geclaimd.

De ontdekking van de tweede munt en ook de alternatieve lezing van Eutropius’ burgeroorlog in Galatia maken de tweede theorie plausibeler: de munt van Silbannacus zou dan in Rome geslagen zijn na een korte periode van opstand tussen de strijd om de troon in 253 n.C. Die was al begonnen toen in 251 n.C. keizer Trebonianus Gallus Aemilianus als bevelhebber van de legertroepen naar de Donau stuurde om daar de Gothen te bevechten (Zosimus, I.28.3). Aemilianus won daar een belangrijke veldslag in de zomer van 253 n.C. en zijn soldaten riepen hem vervolgens uit tot keizer. Daaropvolgend stuurde Trebonianus een andere legerleider Valerianus – later bekend als keizer Valerianus I – erop uit om Aemilianus vanuit zijn provincie tegen te houden, maar dit gebeurde te laat, waardoor Aemilianus intussen al in Rome de macht had overgenomen. Valerianus had zich intussen ook aan de Rijn door tot keizer laten uitroepen, waardoor Aemilianus zich genoodzaakt zag met zijn soldaten tegen Valerianus op te trekken. Zoals eerdere voorbeelden werd Aemilianus door zijn eigen soldaten vermoord en kon Valerianus als nieuwe keizer naar Rome trekken. Tijdens deze gebeurtenissen zou onze Silbannacus de macht hebben overgenomen in de hoofdstad van het rijk, om uiteindelijk toch door de troepen van Valerianus te worden afgezet en waarschijnlijk vermoord. Hypothetisch zou Silbannacus zelfs een bevelhebber onder het commando van Aemilianus kunnen zijn geweest die dan zelf de macht in Rome opeiste tijdens diens afwezigheid of na diens dood.

Conclusie

Welke hypothese de juiste is, is moeilijk te bevestigen zonder bijkomend bronnenmateriaal. Het lijdt weinig twijfel dat indien Silbannacus zich tot keizer liet uitroepen – en daar duiden de twee munten toch op – dit waarschijnlijk slechts als usurpator voor een korte periode zal zijn geweest tijdens de turbulente crisisperiode in het midden van 3de eeuw. Dat hij dan meer dan waarschijnlijk op een niet al te vredevolle manier aan zijn einde zal zijn gekomen, hetzij door de troepen van Philips I Arabs, Decius, Valerianus I of misschien zelfs zijn eigen soldaten, lijkt eveneens een aannemelijk scenario. De rest blijft, net zoals zijn munten, voorlopig een mysterie…

Lees meer

Christol, M., L’Empire romain du IIIe siècle. Histoire politique, 192-325 après J.-C., Paris, 1997.

Estiot, S., ‘L’empereur Silbannacus. Un second antoninien,’ Revue numismatique 151, 1996, pp. 105-117.

Mattingly, H., Sutherland, C., Carson, R. (ed.), The Roman imperial coinage, vol. 4: Pertinax – Uranius Antonius, Londen, 1986.

BBC History Extra: https://www.historyextra.com/period/roman/silbannacus-the-roman-emperor-that-time-forgot/

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van het object ‘radiate coin of Silbannacus’ in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0) 

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/feed/ 0 1358
Death on the Nile: Antinoüs en Hadrianus https://www.oudegeschiedenis.be/28/06/2019/death-on-the-nile-antinous-en-hadrianus/ https://www.oudegeschiedenis.be/28/06/2019/death-on-the-nile-antinous-en-hadrianus/#comments Fri, 28 Jun 2019 16:53:41 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1340

Naar aanleiding van Pride Month, een maand in het teken van de LGBT-gemeenschap die jaarlijks in juni wordt gevierd, dook onze numismaticus in de antieke geschiedenis op zoek naar het bekendste homoseksuele liefdesverhaal: dat tussen keizer Hadrianus en een aantrekkelijke jongeman van 13 jaar uit Klein-Azië, Antinoüs. Hoewel hun relatie begon als een echte romance naar Griekse traditie, eindigde het als een moordmysterie zoals in de detectiveverhalen van Agatha Christie.

Het bericht Death on the Nile: Antinoüs en Hadrianus van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

In Agatha ChristieDeath on the Nile (1937) dient de Belgische detective Hercule Poirot zijn legendarische speurderskunsten aan het werk te zetten om een passionele moord – met nog wat collateral damage – op een stoomboot te ontrafelen. Decor voor het moordmysterie: Egypte, het land van piramides en farao’s. Het zwoele Egyptische klimaat kan de gemoederen blijkbaar nogal eens verhitten, want ook in de Oudheid vond een mysterieus sterfgeval plaats op de rivier met in de hoofdrollen: de Romeinse keizer Hadrianus en zijn homoseksuele geliefde Antinoüs.

Keizer op reis

In 130 n.C. bezocht de Romeinse keizer Hadrianus (117-138 n.C.) het Nijlland samen met zijn entourage. Hadrianus was een reiziger in hart en nieren: hij inspecteerde persoonlijk de provincies van het keizerrijk, zijn villa in Tivoli (op zo’n 30 kilometer van Rome) fleurde hij op met exotische motieven en hij liet munten slaan met de beeltenis van elk gebied dat hij bezocht. Tussen 128 n.C. en 130 n.C. werd hij op die tochten vergezeld door een aantrekkelijke jongeman uit Klein-Azië, Antinoüs genaamd. We weten amper iets over het persoonlijke leven van Antinoüs voor hij Hadrianus ontmoette. Wellicht werd hij geboren in het stadje Claudiopolis in Bithynië, in de lagere middenstand. Tijdens een bezoek van Hadrianus aan Claudiopolis in 123 n.C. moet hij de aandacht van de keizer getrokken hebben, want kort daarna, in 125 n.C., werd hij voor verdere scholing naar Rome gestuurd. Ergens in de volgende jaren begon Hadrianus een relatie met Antinoüs. Hadrianus was rond de veertig, Antinoüs zo’n dertien jaar jong.

Bustes van Hadrianus en Antinoüs uit het British Museum

Op z’n Grieks

Het moet onthouden worden dat Hadrianus – misschien wel het meest van alle Romeinse keizers – doordrongen was van de Griekse cultuur, waarin relaties met minderjarigen (of toch wat wij als minderjarigen beschouwen) niet enkel toegestaan, maar soms zelfs aangemoedigd werden. “The past is a foreign country, they do things differently there“, om het met de woorden van L.P. Harley te zeggen. Homoseksualiteit in het algemeen was daarnaast een wijdverspreid fenomeen in de Grieks-Romeinse cultuurwereld. En hoewel Hadrianus getrouwd was met een vrouw, impliceren de literaire bronnen dat het allerminst een gelukkig huwelijk was: de keizer was nu eenmaal “voor de mannen”.

Man overboord

Deel van het keizerlijke bezoek aan Egypte bestond uit een boottocht op de Nijl. Tevoren hadden de keizer en zijn minnaar nog een leeuwenjacht georganiseerd in de Libische woestijn, waar Hadrianus op het nippertje het leven van de jonge Antinoüs had kunnen redden. Op de rivier sloeg het noodlot echter toe. Ter hoogte van Hermopolis viel Antinoüs overboord en verdronk hij. Hadrianus was ontroostbaar: muliebriter flevit (“hij huilde als een vrouw”) merkt de Historia Augusta op. Dat was niet het enige wat hij deed. Antinoüs werd vergoddelijkt: voortaan was hij een heros, een held die een positie tussen gewone stervelingen en goden bekleedde. Daarnaast stichtte Hadrianus tegenover Hermopolis een nieuwe stad ter ere van zijn overleden minnaar, Antinoöpolis genaamd. Het gemummificeerde lichaam van de jongeman zou uiteindelijk begraven worden in Hadrianus’ villa in Tivoli.

De numismatische erfenis

Vele steden in het oosten van het rijk plaatsten Antinoüs al gauw op hun munten, zeker wanneer de keizer op bezoek kwam. Vaak gaat het om commemoratieve stukken die niet per se bedoeld waren voor grootschalige monetaire circulatie. Een mooi voorbeeld hiervan is de onderstaande munt uit Mantinea in Arcadië (op de Peloponnesos). Mantinea zou de moederstad van het Bithynische Claudiopolis geweest zijn, en had dus een bijzondere band met Antinoüs. Het gelaat is verfijnd met de typerende ‘sensuele lippen’ die ook bij de meesterwerken van de klassiek Griekse muntslag vaak te vinden zijn. Het ontblootte bovenlijf straalt jeugdige kracht uit, en maakte de antieke kijker meteen duidelijk dat het om een heros ging.

Bronzen medaille uit Mantinea, geslagen ca. 131-132 n.C.

Een duister kantje

Daar eindigt het verhaal echter niet. Al in de Oudheid werd immers getwijfeld aan de uitleg van Hadrianus dat Antinoüs’ dood een ongeluk geweest zou zijn, wat ook moderne onderzoekers aan het speculeren gezet heeft. Mogelijke denkpistes zijn dat Antinoüs door een andere minnaar van Hadrianus vermoord zou zijn of – nog merkwaardiger – dat Antinoüs het slachtoffer geweest zou zijn van een gruwelijke ceremonie waarbij hij als mensenoffer het voortleven van de keizer, die kampte met een zwakke gezondheid, moest garanderen. Misschien deed de jongeman het zelfs vrijwillig. Wat er ook van zij, het doet de auteur alleszins denken aan het legendarische nummer van Meat Loaf: “And I would do anything for love, but I won’t do that“.

Lees meer

Lambert, R. ‘Beloved and God. The Story of Hadrian and Antinous’, Londen: Weidenfeld and Nicolson, 1984.

Pudill, R. ‘Göttlicher Antinoos. Ein Idealbild jugendlicher Schönheit‘, Battenberg: Regenstauf, 2017.

Coverafbeelding: adaptatie van de foto ‘Hadrian and Antinous. Cornwall LGBT History Project 2016. Malcolm Lidbury b’ door Pinkpasty op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Death on the Nile: Antinoüs en Hadrianus van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/28/06/2019/death-on-the-nile-antinous-en-hadrianus/feed/ 1 1340
‘Obesus Etruscus’: het goede leven in het oude Italië? https://www.oudegeschiedenis.be/18/02/2019/obesus-etruscus-het-goede-leven-in-het-oude-italie/ https://www.oudegeschiedenis.be/18/02/2019/obesus-etruscus-het-goede-leven-in-het-oude-italie/#respond Mon, 18 Feb 2019 14:53:12 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1257 Obesus Etruscus

Weinig culturen uit de Oudheid spreken zo tot de verbeelding als de Etruskische. De inwoners van Etrurië vormden een rijk en machtig volk in het 1ste millennium v.C., maar moesten uiteindelijk het onderspit delven tegen de Romeinen. De klassieke auteurs, die vaak pas eeuwen later schreven, benadrukten graag hoe "anders" dit volk was dan zij, en met veel genoegen beschreven ze hun "vreemde" gewoonten. Een van die hardnekkige stereotypes is dat van de decadente ‘obesus Etruscus’.

Het bericht ‘Obesus Etruscus’: het goede leven in het oude Italië? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Obesus Etruscus

Weinig culturen uit de Oudheid spreken zo tot de verbeelding als de Etruskische. De inwoners van Etrurië vormden een rijk en machtig volk in het 1ste millennium v.C., maar moesten uiteindelijk het onderspit delven tegen de Romeinen. Ze spraken en schreven een taal die niet verwant is met de vele Italische talen die hun buren spraken, en die tot op vandaag nog steeds niet helemaal ontcijferd is. We kennen de Etrusken dan ook vooral via de geschriften van de Grieken en de Romeinen over hen. De klassieke auteurs, die vaak pas eeuwen later schreven, benadrukten graag hoe “anders” dit volk was dan zij, en met veel genoegen beschreven ze hun “vreemde” gewoonten. Dit alles maakt dat er een zweem van mysterie over de Etrusken hangt, die aanleiding geeft tot fascinatie enerzijds, maar ook vele vergezochte theorieën en misverstanden anderzijds. Een van die hardnekkige stereotypes is dat van de decadente ‘obesus Etruscus‘.

De Etrusken

De 6de-eeuwse ‘sarcofaag van de echtgenoten’: de Etrusken op het hoogtepunt van hun macht

De Etrusken bewoonden stadstaten in het huidige Toscane, Umbrië en Lazio. Ze vormden een culturele, maar niet altijd een politieke eenheid. Over de oorsprong van de Etrusken bestond er al in de oudheid veel discussie: omwille van hun vreemde taal en de duidelijk zichtbare oosterse invloeden konden sommigen maar moeilijk geloven dat het volk autochtoon was. De meest invloedrijke theorie was die van Herodotus, die schreef dat de Etrusken oorspronkelijk geëmigreerde Lydiërs waren. Ook sommige moderne onderzoekers hangen deze these aan. Andere hypotheses noemen de Alpen, Centraal-Europa of Thessalië (of aliens, in bepaalde, liever te vermijden, regionen van het wereldwijde web). Al verschillende keren trachtten wetenschappers de kwestie op te lossen via DNA-onderzoek, maar de resultaten wijzen telkens in een andere richting (maar nooit naar aliens).

Wat er ook van zij, de Etrusken waren eeuwenlang een macht om rekening mee te houden in het Middellandse Zeegebied. In het bijzonder van de 7de tot de eerste helft van de 5de eeuw v.C. kenden de steden een grote bloei. Vernieuwingen in de landbouw, ontginning van bodemrijkdommen en de resulterende ambachtelijke productie maakten op hun beurt een intensieve lange-afstandshandel mogelijk, waar de Etrusken gretig van profiteerden. Hun welvaart werd in latere tijden legendarisch. Tot de slag bij Cumae (474 v.C.) beheersten de Etrusken en hun Carthaagse bondgenoten de westelijke Middellandse Zee, en ook over land deden de stadstaten aan expansie. Vanaf de 4de eeuw botsten ze echter op de territoriale aspiraties van het groeiende Rome, waaraan ze in de loop van de volgende anderhalve eeuw een voor een ten prooi vielen. Langzaamaan verdween ook de Etruskische cultuur, en de inwoners van Etrurië assimileerden met de Romeinen.

Notoire feestvierders

De fabelachtige rijkdom van de Etrusken leverde hen ook de reputatie van feestvarkens op. Volgens Diodorus Siculus waren de oogsten in Etrurië zo overvloedig, dat de Etrusken niet een-, maar tweemaal daags een overdadig banket konden organiseren. Aangezien de Etrusken ook grote handelaars waren, kwamen er naast de lokale landbouwproducten ook allerlei exotische spijzen op tafel. Theopompus geeft een levendige beschrijving van hoe het er volgens hem aan toeging bij zo’n luxueus banket: er werden grote hoeveelheden wijn geconsumeerd – niet alleen door de mannen, maar ook door de vrouwen! -, waarop het geheel ontaardde in een orgie waarbij de Etrusken het met iedereen deden: hun vrouwen, prostituees, maar het liefst van al met jongemannen, en dat “terwijl de lampen nog aan waren”!

Een typische banketscène uit de Tomba della Nave: de slaven zijn weliswaar naakt, maar de vrouwen kunnen bezwaarlijk losbandig genoemd worden

Schilderingen in Etruskische graven beelden ook zulke banketten af, evenwel zonder de seksuele escapades, die misschien wel het resultaat waren van de levendige verbeelding van Theopompus of zijn informanten. Wel komen we wel degelijk vrouwen tegen in deze banketscènes, een groot contrast met de Griekse wereld, waar het leven van de elitevrouw zich grotendeels in het vrouwenvertrek afspeelde. Deze relatieve vrijheid leverde de Etruskische vrouw een slechte reputatie op bij de Grieken en de Romeinen. Entertainment kon tijdens de maaltijd natuurlijk ook niet ontbreken, en de Etrusken staan bekend om hun voorliefde voor muziek. Veel afbeeldingen van banketten tonen dansers en muzikanten: vooral blazers, maar ook snaarinstrumenten en percussie zijn vertegenwoordigd. Sommige muurschilderingen tonen ook het typisch Griekse drankspel kottabos.

Muzikanten begeleiden een banket in de Tomba della Leopardi

De ‘obesus etruscus’

De sarcofaag van Lars Pulena, een voorname inwoner van Tarquinia

 

In de ogen van de Romeinen, die steeds op hun hoede waren voor luxuria, kon er uit zulke schranspartijen natuurlijk niets goeds voortkomen. De echte of vermeende Etruskische hang naar luxe en de daaruit voortkomende decadentie zorgde voor een beeld van een zwak, ‘ontmand’ volk. Tegen de 1ste eeuw v.C. kwam daar nog een gerelateerd stereotype bij: dat van de zwaarlijvige Etrusk. Catullus voert in zijn 39ste Ode, waarin hij het sociale gedrag van een Romeinse man hekelt, de ‘obesus Etruscus’ op. Vergilius heeft het op zijn beurt dan weer over de ‘pinguis Tyrrhenus’, de vette Tyrrheen (een andere benaming voor de Etrusken). De context is echter niet per se negatief: hij beschrijft een religieuze ceremonie, waar de Etrusken beroemd om waren, en later in hetzelfde gedicht wordt ook de vruchtbare bodem als pinguis omschreven. Het is Vergilius dus eerder te doen om de overvloed van het Italiaanse land.

De zogenaamde ‘sarcofago dell’obeso’ in het Museo Archeologico Nazionale di Firenze

20ste-eeuwse historici verbonden deze opmerkingen met bepaalde Etruskische sarcofagen, waarop de overledene eerder corpulent afgebeeld werd. Deze beelden dateren echter van het einde van de vierde tot het midden van de 2de eeuw, honderd jaar voor Catullus en Vergilius actief waren. De sculpturen worden vaak gecontrasteerd met de klassieke Grieks-Romeinse kunst, die eerder afkerig stond tegenover het afbeelden van imperfecties. Het gaat altijd om mannen, vaak van middelbare leeftijd en voormalige magistraten of priesters. De twee poëtische Romeinse passages, die uit een heel andere tijd en context stammen, worden vaak gecombineerd met deze objecten om het beeld te creëren van de ongezonde, decadante Etrusk: zo verwijst men bijvoorbeeld naar deze sarcofaag als de ‘Sarcofago dell’Obeso’, naar de opmerking van Catullus.

De Etruskische levensstijl

Zijn er redenen om aan te nemen dat de Etrusken er een ongezonde levensstijl op nahielden? Archeologische en iconografische bronnen tonen inderdaad de ontwikkeling van een banketcultuur als deel van de identiteit van de opkomende aristocratie vanaf de zogenaamde oriëntaliserende periode (700-575 v.C.). De elite benadrukte op deze manier haar rijkdom en economische macht, wat in het Engels mooi omschreven wordt als ‘conspicuous consumption’. Tijdens zulke banketten werd er volop vlees en wijn geconsumeerd, en de aristocraten die eraan deelnamen, letten daarbij allicht niet al te veel op hun lijn. Zij waren echter zeker niet representatief voor de Etruskische bevolking als geheel. Bovendien werden ook lang niet alle Etruskische aristocraten uit de Hellenistische periode op een mollige manier vereeuwigd. In andere kunstvormen werden Etrusken evenmin als zwaarlijvig voorgesteld.

Mannen en vrouwen liggen samen aan in deze banketscène uit de Tomba dei Leopardi

Het dieet van de gemiddelde Etrusk zag er naar alle waarschijnlijkheid heel anders uit dan de beroemde aristocratische exploten. Archeologisch onderzoek bevestigt de belangrijke rol van graanproducten, en ook peulvruchten als bonen en linzen werden regelmatig gegeten. Net als in de rest van het Middellandse zeegebied, speelde de olijf eveneens een belangrijke rol in het Etruskische dieet. Er zijn ook sporen van veeteelt gevonden, en in de loop van het eerste millennium v.C. werd met name het fokken van varkens en het houden van pluimvee alsmaar belangrijker. Analyse van beenderen en tanden toont echter aan dat de meeste Etrusken grotendeels vegetarisch aten. Het nuttigen van vlees bleef voor hen waarschijnlijk beperkt tot religieuze en andere ceremonies. In de kuststeden behoorden uiteraard ook vis en schaaldieren tot het dieet.

Dit reliëf uit het graf met de toepasselijke naam Tomba della Caccia e Pesca beeldt onder andere vissers af

Sarcofagen: ideologie en artistieke trends

Octodrachme van Ptolemaios III

De iconografische voorstellingen van ‘obese’ Etrusken zijn dus al bij al beperkt: het gaat enkel om mannen, afgebeeld op sarcofagen en urnes tijdens de Hellenistische periode. Veel van deze werken vertonen stilistische gelijkenissen die suggereren dat ze in een beperkt aantal werkplaatsen gemaakt werden, bijvoorbeeld in Chiusi. Eerdere monumenten uit dezelfde stad beeldden daarentegen sterk geïdealiseerde lichamen af. Het is weinig waarschijnlijk dat de inwoners van Chiusi doorheen de tijd plots massaal bijkwamen. De afbeelding van het Etruskische lichaam had dus meer te maken met culturele conventies. De link met de ‘conspicuous consumption’ en de overvloeds-ideologie van de Etruskische elite is dan snel gelegd. Aangezien deze monumenten typisch zijn voor de Hellenistische periode, zien sommige onderzoekers een verband met de afbeelding van de Ptolemaeïsche koningen uit Egypte (305-30 v.C.), in wier ideologie overvloed eveneens een grote rol speelde. De eerste Etruskische voorbeelden dateren echter al uit de late 4de eeuw. Het gaat om kostelijke kunstwerken, met veel oog voor detail vervaardigd in opdracht van vooraanstaande families; mogelijk gaat het hierbij om een waarheidsgetrouwe afbeelding van deze prominente personen, voor wie een corpulent lichaam welvaart en gezondheid uitstraalde. Vanaf de 3de eeuw werden zulke afbeeldingen dan een echte trend.

Romeinse stereotypes

Een Romein die dezelfde beelden zag, interpreteerde de signalen waarschijnlijk heel anders dan de Etrusken zelf. Maar de oorsprong van de Romeinse conceptie van de ‘vette Etrusk’ hangt eerder samen met het algemene beeld van decadentie dat de Romeinse auteurs van de Etrusken ophangen. Zo schrijft Posidonius dat de Etrusken vroeger een mannelijk en krijgshaftig volk waren, maar de Etrusken van zijn tijd hun dagen doorbrachten met drinken en ‘onmannelijk’ vermaak. De Etrusken van de 1ste eeuw v.C. waren inderdaad niet meer zo machtig als hun voorouders. Voor de Romeinen lag de oorzaak daarvan in de rijkdom van de oorspronkelijke Etrusken, die hen week en decadent maakte, en uiteindelijk tot hun verval leidde. Deze schrijvers wilden Rome behoeden voor hetzelfde lot. Ze problematiseerden aldus gewoontes die onwenselijk zijn in een Romeinse context, zoals de ongetwijfeld overvloedige banketten. Voor de Etruskische elite was dit echter een manier om sociale banden aan te halen binnen en buiten de gemeenschap. Zelfs tussen deze buurvolkeren was interculturele communicatie dus niet vanzelfsprekend. De Romeinse bronnen vertellen ons tot op zekere hoogte iets over de Etruskische realiteit, maar weerspiegelen vooral de waarden van de Romeinse elite. De moraliserende schrijvers waren overigens niet bijzonder succesvol in hun missie: vandaag associëren we vooral de Romeinen met overvloedige banketten en orgieën!

Lees meer

Becker, H., ‘Luxuria prolapso est: Etruscan Wealth and Decadence’, in S. Bell and A. Carpino (eds.), A Companion to the Etruscans, Hoboken, 2015, 293-304.
Briquel, D., La civilsation étrusque, Parijs, 1999. (In het bijzonder de sectie ‘Usages scandaleux aux yeux des Grecs’)
Colivicchi, F., ‘Banqueting and Food’, in A. Naso (ed.), Etruscology, Berlijn, 2017, 207-220.
Kistler, E., ‘Feasts. Wine and Society in the eight-sixth centuries BCE’, in A. Naso (ed.), Etruscology, Berlijn, 2017, 195-206.
Korenjak, M., ‘The Etruscans in Ancient Literature’, in A. Naso (ed.), Etruscology, Berlijn, 2017, 35-52.
Turfa, J. M., ’The Obesus Etruscus: Can the Trope be True?’, in S. Bell and A. Carpino (eds.), A Companion to the Etruscans, Hoboken, 2015, 321-336.

Wie niet genoeg kan krijgen van de fascinerende Etruskische beschaving, kan vanaf dinsdag 19 februari terecht bij de collegereeks georganiseerd door het Nederlands Klassiek Verbond (NKV) Vlaams-Brabant. Meer informatie via Nico Dogaer of op Facebook.

Coverfoto: foto van sculptuur van een Etruskische sarcofaag van een ‘obesus Etruscus’ uit het Boston Museum of Fine Arts (Public Domain)

Het bericht ‘Obesus Etruscus’: het goede leven in het oude Italië? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/18/02/2019/obesus-etruscus-het-goede-leven-in-het-oude-italie/feed/ 0 1257
Het cijfer theta en ons getal 13 https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/ https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/#comments Tue, 04 Dec 2018 13:54:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1115 jachtscène Colosseum met theta nigrum

De letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος ("dood"), in de administratie van het Romeinse leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de "zwarte theta" (theta nigrum). In dit artikel gaan we na waar dit teken vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
jachtscène Colosseum met theta nigrum

Op het beroemde mozaïek van Torrenova uit de 4e eeuw n.C. (dat zich nu in de Galleria Borghese, een museum in Rome, bevindt), meer dan 20 meter lang, worden verschillende gladiatoren afgebeeld met hun typische wapenrusting, in gevechten van man tegen man. De strijders worden geïdentificeerd met hun namen in het Latijn, maar bij enkele gesneuvelden, zoals Astivus en Rodanus op de foto van deze mozaïek hieronder (en van een andere mozaïek uit het Colosseum hierboven), staat een cirkel doorkruist met een horizontale lijn, een Griekse theta, als afkorting voor θ(άνατος), de dood. In dit artikel gaan we na waar dit teken, ook bekend als de ‘zwarte theta’ (theta nigrum), vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Gladiatorengevecht op gedeelte van mozaïek uit het museum in de Villa Borghese

Het teken θ of de theta nigrum

Hetzelfde teken wordt ook gebruikt voor gesneuvelden in het Romeinse leger. Dit weten we uit de christelijke auteur Rufinus (Apologia adversus Hieronymum 2.40) die zich nogal omslachtig uitdrukt:

Accepto breviculo in quo militum nomina continentur, nitatur inspicere quanti ex militibus supersint, quanti in bello ceciderint; et requirens qui inspicere missus est, propriam notam, verbi causa, ut dici solet, theta, ad uniuscuiusque defuncti nomen adscribat.

Toen hij een breviculum had ontvangen, waarin de namen stonden van de soldaten, deed hij zijn best om te controleren hoeveel soldaten er nog in leven waren en hoeveel er in de oorlog waren gesneuveld; hij eiste dat de man die erop uit was gestuurd om te controleren, de notitie die, zoals men pleegt te zeggen,  omwille van het woord (nl. θάνατος) passend was, namelijk een theta, zou schrijven bij de naam van elke gesneuvelde).

pridianum met een theta naast de overleden soldaatP. Brooklyn Gr. 24

pridianum met een theta naast de overleden soldaat

Rufinus’ uitspraak wordt bevestigd door Latijnse papyri van de militaire administratie, zoals in aanwezigheidslijsten van soldaten (pridiana), die we kennen uit Egypte en uit Dura Europos aan de Eufraat. Een theta naast de naam van een soldaat duidt aan dat hij is gesneuveld of gestorven (zie de grote theta in de marge naast regel 4 op de afbeelding hiernaast).

In één pridianum worden gestorven soldaten onderscheiden naar gelang van de manier waarop ze zijn omgekomen “perit in aqua”, “occisus a latronibus” (“verloren gegaan in water”, d.w.z. verdronken, “gedood door rovers”) en “θetati” (“gesneuvelden”). De laatste groep, met een Griekse theta in een Latijns leenwoord, waren ongetwijfeld soldaten “killed in action”:

translatus in exercitum pannoni[cum
perit in aqua
.occisus. a latron[i]bus                        eq(ues) [
θetati                [in] is equites I[
summa decesserunt in is [

militaire lijstR.O. Fink, Roman military records, 1971, nr. 63 r.11= New Pal. Soc. II.2 pl. 186

De militaire lijst of pridianum met de Griekse theta in een Latijns leenwoord

Nochtans vindt men in Rome deze theta ook op grafsteles voor gewone burgers, al vanaf de Late Republiek, soms vergezeld van een V – voor Vivus natuurlijk – voor levende personen die de grafstele hebben besteld (ZPE 136 (2001), pp. 267-276).

Deze theta wordt kort besproken in de Etymologiae van Isidoros van Sevilla (Etymologiae iii 7.9 en Origenes I.3.8), die zegt dat in “militaire rapporten van de ouden” een theta werd geplaatst bij de naam van elke gesneuvelde (theta ad uniuscuiusque defuncti nomen adponebatur) en dat het teken Θ staat voor “dood” (mors, in het Grieks θάνατος), omdat de rechters deze letter plaatsten naast de naam van de veroordeelden:

Iudices litteram θ adponebant ad eorum nomina quos supplicio afficiebant. Et dicitur theta ἀπὸ θανάτου, id est a morte.

Hij citeert hierbij een hexameter van een onbekende auteur, die het heeft over de “infelix littera theta“, “de ongelukkige letter theta”.

In de klassieke Latijnse auteurs wordt op de ‘zwarte theta’ of theta nigrum gealludeerd door de dichters Persius en Martialis. Persius heeft het in zijn vierde satyre over “nigrum uitio praefigere theta”,  “de deugd merken met een zwarte theta” (l.13), en Martialis wijdt een epigram (VII 37) aan een rechter (de quaestor Castricus) die ervan hield willekeurig doodvonnissen uit te spreken (telkens hij zijn neus snoot), maar door zijn collega’s wordt belet zijn neus te snuiten!

Nosti mortiferum quaestoris, Castrice, signum?
Est operae pretium discere theta nouum:
exprimeret quotiens rorantem frigore nasum,
letalem iuguli iusserat esse notam.

Ken je het teken des doods van de quaestor Castricus? Het loont de moeite die nieuwe theta te leren kennen. Telkens hij zijn neus snoot die droop van de kou, had hij bevolen dat dit moest worden genoteerd als een doodvonnis.

De θ als cijfer 9

In de Griekse wereld staat de letter theta ook voor het cijfer 9. Zo vindt men in Griekse inscripties uit de Hellenistische tijd datums als ἔτους θ Φαρμουθι θ, wat betekent 9 Pharmouthi (een Egyptische maand) van jaar 9. In de periode van de tetrarchie (van 285 tot 324 n.C.) was het de gewoonte om te dateren met de regeringsdata van de Augusti en de Caesares. Zo wordt het jaar 295/296 in officiële documenten aangeduid als (ἔτους) ιβ καὶ (ἔτους) ια καὶ (ἔτους) δ τῶν κυρίων ἡμῶν Διοκλητιανοῦ καὶ Μαξιμιανοῦ Σεβαστῶν καὶ Κωνσταντίου καὶ Γαλερίου ἐπιφανεστάτων Καισάρων, wat men kan vertalen als “jaar 12 en jaar 11 en jaar 4 van onze heren Diocletianus en Maximianus Augusti en Constantinus en Galerius Caesares”. Slechts zelden worden de jaartallen voluit geschreven, op één uitzondering na : het jaar 9 wordt in bijna de helft van de gevallen niet aangeduid door het cijfer θ, maar voluit geschreven als ἐνάτου. Zo schrijft in 324 n.C. één scriba zelfs κ (ἔτους) καὶ ἔννεα καὶ ι (ἔτους) καὶ ιβ (ἔτους) : jaar 20 en jaar negen-10 en jaar 12. Het is evident dat sommige scribae de negatieve letter theta vermeden in dateringen.

P. Oxy. 36 2765 l.2P. Oxy. 36 2765 l.2

Het vermijden van de letter theta bij een datering op een papyrus, gevonden op de vuilnisbelt van Oxyrhynchus

Ditzelfde fenomeen kan men ook zien op munten. Onze voorbeelden komen vooral uit Alexandrië, omdat alleen in Egypte consequent wordt gedateerd met keizersjaren. De tekst op munten uit Egypte bevat vooral de naam/namen van de keizer, en een jaaraanduiding aangeduid met het teken L. Omdat de plaats beperkt is, worden de jaartallen op enkele uitzonderingen na meestal in cijfervorm gegeven. Tot de voornaamste uitzonderingen behoren opnieuw de jaren 9, waar in plaats van het cijfer 9 (θ) het woord ἐνάτου voluit wordt geschreven, vanaf Nero tot Diocletianus. Op 461 bewaarde munten uit Alexandrië telt men 387 uitgeschreven negens tegenover slechts 74 keer het cijfer 9. Alleen de munten van Septimius Severus en Severus Alexander gebruiken systematisch het cijferteken.

[Jaar 9 op Alexandrijnse munten van Nero tot Maximianus]

Keizer Jaar negen voluit Jaar 9 met cijfer
Nero 22 0
Vespasianus 33 2
Domitianus 18 0
Traianus 0 4
Hadrianus 95 22
Antoninus Pius 103 1
Marcus Aurelius 18 16
Septimius Severus 0 10
Severus Alexander 0 7
Gallienus 28 16
Diocletianus 36 0
Maximianus 30 0

(uit Chiron 10, 1980, p. 543)

Op de munten van Diocletianus bijvoorbeeld worden achtste en tiende jaar in cijfers geschreven (H en I), terwijl men voor een gelijkaardige munt van het negende jaar ENATOY gebruikt voluit schrijft.

 

 

 

 

Drie munten van keizer Diocletianus voor jaar 8, negen en 10

munt GallienusNick Vaneerdewegh | OUDE GESCHIEDENIS

munt Gallienus

In Antiochië bedenkt men een andere oplossing. Enkele munten uit het negende jaar van keizer Gallienus dragen als datum ΕΔ en ΗΑ, waarbij het cijfer 9 wordt omschreven als 5+4 en 8+1.

Op munten uit Rome staat vanaf Philippus I Arabs (251 n.C.) vaak een cijfer met aanduiding van één van de 12 officinae (workshops) waar de munten werden geslagen: A Β Γ Δ Ε S Ζ Η Ν X XI XII : de lagere getallen worden weergegeven door Griekse cijfers (A-H met een S voor het Griekse cijfer sti = 6), de hogere getallen door Latijnse cijfers (X -XII). Voor de weergave van de 9e officina wordt het cijfer Θ = 9 soms vervangen door N = nona of ook (in Antiochië) door ΔΕ = 4+5. Er komt pas een eind aan dit gebruik na de dood van de christelijke keizer Constantijn in 337 n.C.

 

Munt uit Alexandrië met afbeelding van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.); op de keerzijde, onder de staande keizer: SMALN = S(acra) M(oneta) AL(exandria) 9e (officina)

Munt uit Antiochië met afbeelding van keizerin Helena (327-329 n.C.); op de keerzijde leest men onder de staande figuur SMANT = S(acra) M(oneta) ANT(iochia), maar rechts naast de figuur leest men ΔE = 4+5, voor de 9e officina.

Munt uit Kyzikos, met dezelfde afbeeldingen van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.). Hier is de 9e officina wel door een theta weergeveven : SMKΘ = S(acra) M(oneta) K(yzikos) 9e (officina)

Ongeluksgetal?

Kort samengevat : de letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος (“dood”), in de administratie van het leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de “zwarte theta” (theta nigrum). Om die reden wordt theta soms vermeden, bijvoorbeeld bij de telling van de officinae in Rome wordt hij vervangen door Latijnse N (voor nona = negende). Vooral in verband met de naam van de keizer (9e jaar van keizer zo-en-zo) vermijden schrijvers in Egypte (papyri) en ontwerpers van munten (Alexandrië en Antiochië) de letter en schrijven het jaartal voluit of door een combinatie van 8 + 1. Het gaat niet om een officieel verbod, maar om een tendens, die men statistisch kan vaststellen, want men vindt naast elkaar op munten en papyri ἐνάτου, H+A (= 8 + 1) en Θ (= 9). Αan dit gebruik komt een einde na de dood van Constantijn, hoewel op Latijnse grafinscripties het symbool O met schuine streep nog wordt gebruikt tot in de Middeleeuwen. Het wordt dan wel geïnterpreteerd als obiit, maar stamt wel af van de theta nigrum.

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naamWilly Clarysse | OUDE GESCHIEDENIS

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naam

In tegenstelling tot ons getal 13, waar de schrijfwijze er niet toe doet (ook “dertien” heeft een negatieve klank), is er geen taboe tegen het getal negen, maar alleen tegen het cijfer Θ. Terwijl 13 een ongeluksgetal is (de dertien deelnemers aan het laatste avondmaal, waaronder Judas), is θ enkel een ongelukscijfer; met het getal 9 is niets fout.

Meer lezen

G.R. Watson, Theta Nigrum, Journal of Roman Studies 42 (1952) pp. 56-62
Margherita Guarducci, Dal gioco letterare alla crittografia mistica, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II 16.2 (1978), pp. 1754-1755
Iveta Mednikarova, The use of Θ in Latin funerary inscriptions, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 136 (2001), pp. 267-276
L. Rocchetti, Il mosaico con scene di anfiteatro al museo Borghese, Rivista Istituto Nazionale di Archeologia e Storia dell’Arte, anno 19.10, 1961
Armin U. Stylow und J. David Thomas, Zur Vermeidung von Theta in Datierungen nach kaiserlichen Regierungsjahren und in verwandten Zusammenhängen, Chiron 10 (1980) pp. 537-551

Coverfoto: adaptatie van foto ‘Hunting Scene Colosseo’ door Jastrow op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/feed/ 2 1115
Munt van de maand: Dood aan de democratie, de ondergang van Athene https://www.oudegeschiedenis.be/22/10/2018/munt-van-de-maand-dood-aan-de-democratie-de-ondergang-van-athene/ https://www.oudegeschiedenis.be/22/10/2018/munt-van-de-maand-dood-aan-de-democratie-de-ondergang-van-athene/#respond Mon, 22 Oct 2018 14:56:42 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1072 'Perikles hält die Leichenrede', een schilderij van Philipp Foltz (1852)

In 431 v.C. brak de Peloponnesische Oorlog uit, de grootste oorlog die tot dan toe in Griekenland gewoed had, zo verzekert de Griekse historicus Thucydides ons. Aan de ene kant van de strijdlijn stonden het democratische Athene en zijn bondgenoten en aan de andere kant van de strijdlijn stonden het oligarchische Sparta en zijn bondgenoten. Uit de laatste fase van deze Peloponnesische Oorlog dateert een uiterst zeldzaam exemplaar van Atheense goudmuntslag: een gouden stater.

Het bericht Munt van de maand: Dood aan de democratie, de ondergang van Athene van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
'Perikles hält die Leichenrede', een schilderij van Philipp Foltz (1852)

In 431 v.C. brak de Peloponnesische Oorlog uit, de grootste oorlog die tot dan toe in Griekenland gewoed had, zo verzekert de Griekse historicus Thucydides ons. Aan de ene kant van de strijdlijn stonden het democratische Athene en zijn bondgenoten en aan de andere kant van de strijdlijn stonden het oligarchische Sparta en zijn bondgenoten. Uit de laatste fase van deze Peloponnesische Oorlog dateert een uiterst zeldzaam exemplaar van Atheense goudmuntslag: een gouden stater.

De Peloponnesische Oorlog

De allianties tijdens de start van de Peloponnesische Oorlog in 431 v.C.

Athene kende na het afslaan van twee grote Perzische invasies (492-490, 480-479 v.C.) een grote culturele en economische bloei, die ten dele gestoeld was op de inkomsten die stad onttrok aan de Delisch-Attische Zeebond. Oorspronkelijk werd de Delisch-Attische Zeebond in 478 v.C. opgericht om te verzekeren dat de Perzen geen verder gevaar meer zouden vormen voor Griekenland. Athene ging de Zeebond echter al snel domineren, en de financiële bijdragen van de andere leden dienden – zeer tot hun ongenoegen – om de Atheense oorlogskas te spekken en de stad te verfraaien. Sparta en zijn bondgenoten zagen deze Atheense expansiezucht echter met lede ogen aan.

Een goede dertig jaar lang vochten Athene en Sparta een bittere oorlog uit. Vooral de Atheners kregen het zwaar te verduren. De strategie van Pericles, die bij de aanvang van de oorlog de voornaamste staatsman van Athene was, bestond erin de bevolking achter de stadsmuren terug te trekken, en ondertussen de Spartanen met de superieure Atheense vloot te bekampen. Het Atheense platteland kreeg echter met herhaaldelijke Spartaanse raids te maken, en tot overmaat van ramp brak in 430 v.C. een vreselijke epidemie uit in de overbevolkte stad, waar uiteindelijk ook Pericles aan zou bezwijken. Toch gaven de Atheners zich niet gewonnen. Een desastreuze expeditie naar Sicilië tussen 415 en 413 v.C. luidde echter het begin van het einde in. De Spartanen voerden de druk danig op, en eens ze erin slaagden Athene af te snijden van de zilvermijnen in Laurion, kwam de stad al gauw in financiële nood.

Goud en brons

In 407-406 v.C. werd de situatie dermate penibel dat Athene niet langer in staat was zilveren munten te produceren. Om de oorlog verder te bekostigen, ging Athene voor de eerste keer in zijn monetaire geschiedenis over tot het slaan van gouden munten. Zeer bijzonder aan deze munten is dat we exact weten waar het goud vandaan komt. Bij het Parthenon stonden immers acht beelden van Nikè, de godin van de overwinning, die met goud bekleed waren. Het goud werd van zeven van de acht beelden afgehaald en omgesmolten. Deze wanhoopsdaad bleek echter niet genoeg, want een korte tijd later begon de stad met het slaan van door zilver omhulde bronzen munten: πονηρὰ χαλκία, “waardeloze bronsmuntjes”, zo omschreef de komedieschrijver Aristophanes ze.

Onderstaande munt is allesbehalve een waardeloos stuk. Het gaat om een uiterst zeldzaam exemplaar van de goudmuntslag van de Atheners tijdens de Peloponnesische Oorlog. Op de voorzijde is Athena te zien, de beschermgodin van de stad en tevens oorlogsgodin. Op de keerzijde staat een uiltje met een olijftak, beide symbolen van Athena. De legende luidt ΑΘΕ, een afkorting voor AΘΕΝΑΙΩΝ, oftewel ‘van de Atheners’.

Gouden Atheense stater, geslagen ca. 407-404 v.C. (getekende reproductie)

Gouden Atheense stater, geslagen ca. 407-404 v.C. (getekende reproductie)

Afloop

De Atheense inspanningen mochten overigens niet baten: in 405 v.C. werd de Atheense vloot finaal verslagen bij Aegospotami, in 404 v.C. gaf de stad zich over. De Spartaanse veldheer Lysander installeerde een oligarchisch regime, de zogenaamde Dertig Tirannen, die hard tekeergingen tegen hun politieke tegenstanders. Democratisch gezinde Atheners wisten hun nieuwe heersers weliswaar al gauw omver te werpen in een revolutie (303 v.C.), maar de Atheense macht zou zich nooit meer volledig herstellen.

Lees meer

Thompson, Wesley E., en Wesley C. Thompson. “The Golden Nikai and the Coinage of Athens”. The Numismatic Chronicle 10 (1970): 1-6.

Kagan, D. The Peloponnesian War. 4 vols. 2003. Herdruk, Londen: Penguin Books, 2004.

Coverafbeelding: adaptatie van het schilderij ‘Perikles hält die Leichenrede’, van Philipp Foltz (1852), vanop Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Munt van de maand: Dood aan de democratie, de ondergang van Athene van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/22/10/2018/munt-van-de-maand-dood-aan-de-democratie-de-ondergang-van-athene/feed/ 0 1072
Munt van de maand: Happy Days Are Here Again https://www.oudegeschiedenis.be/10/04/2018/munt-van-de-maand-happy-days-are-here-again/ https://www.oudegeschiedenis.be/10/04/2018/munt-van-de-maand-happy-days-are-here-again/#respond Tue, 10 Apr 2018 11:33:28 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=825

Voor de munt van deze maand bezoeken we de Late Oudheid, met name het jaar 348 n.C., waar op dat moment twee broers, Constans en Constantius II, samen over het Romeinse Rijk regeerden. Zij lanceerden de bronzen munten die bekend staan als Fel Temp Reparatio en ook de aanzet moesten vormen tot het herstel van gelukkige tijden.

Het bericht Munt van de maand: Happy Days Are Here Again van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Voor de munt van deze maand bezoeken we de Late Oudheid, met name het jaar 348 n.C., waar op dat moment twee broers, Constans en Constantius II, samen over het Romeinse Rijk regeerden. Zij lanceerden de bronzen munten die bekend staan als Fel Temp Reparatio en ook de aanzet moesten vormen tot het herstel van gelukkige tijden.

Tussen Rome en Amerika

“Happy Days Are Here Again”, zo klonk in 1932 het campagnelied van Franklin Delano Roosevelt, die in 1933 als 32ste president van de Verenigde Staten ingezworen werd. De hoopgevende boodschap van zijn campagne bleek geen leugen te zijn: als crisismanager bij uitstek loodste Roosevelt zijn land zowel door de Grote Depressie als door de Tweede Wereldoorlog. In de ‘Presidential Historians Survey‘ van 2017 verkozen Amerikaanse historici F. D. Roosevelt zelfs tot derde “beste” president in de Amerikaanse geschiedenis.

Menig Romeins keizer heeft getracht een dergelijke populariteit te winnen, en munten vormden hier een dankbaar instrument voor. Quasi iedere Romein – van de keuterboer in Gallia Belgica tot de rijke senator in Africa Proconsularis – kreeg in zijn of haar leven immers munten in de hand. We weten niet zeker wie er in de Keizertijd bepaalde wat er op de munten kwam te staan: hield de keizer zich hier persoonlijk mee bezig of werd deze taak gedelegeerd aan de (munt)administratie? In het tweede geval kon de administratie zo niet alleen de keizer ophemelen bij de bevolking, maar ook in het aanzien van de keizer zelf stijgen door hem te flatteren met nieuwe muntontwerpen. Wellicht lieten sommige keizers zich meer in met monetaire zaken dan anderen, en ligt de waarheid ergens in het midden.

Romeinse broedertwist

De broers Constans en Constantius II waren zonen van de vermaarde Constantijn de Grote (306-337 n.C.), de eerste christelijke Romeinse keizer. Dat christelijke geloof stond geduchte familieruzies alleszins niet in de weg. In ware Game of Thrones-stijl overleefden Constans en Constantius als enigen een bloedige machtsstrijd waarin systematisch de mannelijke nakomelingen van Constantijn uitgeschakeld werden. Tussen de resterende broers heerste evenmin eendracht: Constantius was een Ariaanse ketter, Constans een orthodoxe gelovige. In de jaren ’40 van de 4de eeuw stonden de twee op het punt slaags te raken met elkaar. Oorlog kon echter nipt vermeden worden, en monetaire noden dwongen de broers hun broederlijke twisten opzij te zetten. In 348 n.C. hervormden ze het bronsgeld, dat een geheel nieuwe iconografie en slogan kreeg.

Romeinse Rijk in 348 n.C. Constans heerste over de westelijke gebieden (rood), Constantius II over het oosten (paars)

Conflict aan het oostfront

Één van de nieuwe muntbeelden – zeer bekend onder numismaten – was de zogenaamde ‘falling horseman‘ Op de onderstaande munt is te zien hoe een Romeinse soldaat een vallende ruiter neersteekt, een quasi unieke scène in de Romeinse beeldtaal. De ruiter heeft op dit exemplaar een merkwaardig hoofddeksel op, dat te herkennen valt als een ‘Phrygische muts’. De Romeinen associeerden zo’n muts automatisch met de klederdracht van de Perzen in het Oosten. Het Perzische Rijk stond in 348 n.C. onder het bewind van de dynastie der Sassaniden (224 – 651 n.C.),  die het verzwakte Parthenrijk omtoverde in een geduchte tegenstander voor de Romeinen, en hen regelmatig het leven zuur maakte. De Sassaniden stonden – net als hun Parthische voorgangers – overigens bekend om hun excellente cavalerie. Constantius, die het oostelijke deel van het Romeinse Rijk bestierde, lag regelmatig in conflict met de Sassaniden, veelal met wisselend succes. Dat hield hem – of zijn administratie – alvast niet tegen de situatie aan het oostelijk front op de munten als een groot Romeins succes voor te stellen. De munt ademt als het ware typische Romeinse zelfverzekerdheid uit. Het muntbeeld moet vooral aan Constantius gelinkt worden: Constans kreeg een aantal eigen muntbeelden die meer op zijn politieke situatie in het westen afgestemd waren.

De kwaliteit van het muntbeeld durfde nogal eens variëren. Op de linkse munt gaat het duidelijk om een paard dat valt met zijn ruiter

op de rechtse munt lijkt het paard eerder op een gemutileerde krokodil

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het verbindende element bij uitstek tussen de verschillende muntbeelden van de hervorming van 348 n.C. was de sloganeske keerzijdelegende FEL TEMP REPARATIO. Wellicht moeten we dit lezen als FEL(icium) TEMP(orum) REPARATIO, wat zoveel betekent als “Het herstel van gelukkige tijden”, of zoals één numismaat het vlotter vertaalde, “Happy Days are Here Again”. Constans en Constantius waren uiteraard de architecten van dat herstel. Om het Romeinse Rijk weer “groot” te maken, was de vernietiging of onderwerping van “barbaren” een belangrijke voorwaarde. Voor de meeste Romeinen was de enige goede barbaar immers een dode of tot slaaf gemaakte barbaar. Niet toevallig was vernietiging of onderwerping van barbaren (Perzisch, Gotisch, Frankisch, of iets anders) een geliefd thema voor munttypes. In onze tijd kunnen we maar afwachten of bepaalde potentaten een gelijkaardige oorlogszuchtige koers zullen varen om hun land “groot” te maken.

Lees meer

KENT, J.C.P., ‘Fel. Temp. Reparatio’, Numismatic Chronicle, 7 (1976), 83–90.

KRAFT, K., ‘Die Taten des Kaiser Constans und Constantius II’, Jahrbuch für Numismatik und Geldgeschichte, 9 (1958), 141-186.

LEVICK, B., ‘Propaganda and the Imperial Coinage’, Antichthon, 16 (1981), 104-116.

MATTINGLY, H., ‘Fel. Temp. Reparatio’, Numismatic Chronicle, 13 (1933), 182-202.

PORTMANN, W.‚ ‘Die politische Krise zwischen den Kaisern Constantius II. und Constans’, Historia, 48 (1999), 301-329.

Presidential Historians Survey 2017 (https://www.cspan.org/presidentsurvey2017/?page=methodology). Geraadpleegd op 27/03/2018.

VANEERDEWEGH, N., ‘Fel Temp Reparatio: image, audience and meaning in the mid-4th century’, Revue Belge de Numismatique et de Sigillographie, 163 (2017), 143-166.

Coverfoto: adaptatie van foto “Yalta Conference (Churchill, Roosevelt, Stalin)” op Wikimedia (Public Domain) met ‘Falling Horseman’-munt uit Aquileia van de American Numismatic Society (Public Domain)

Het bericht Munt van de maand: Happy Days Are Here Again van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/10/04/2018/munt-van-de-maand-happy-days-are-here-again/feed/ 0 825
Monetair populisme nu en in de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/16/03/2018/monetair-populisme-nu-en-in-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/16/03/2018/monetair-populisme-nu-en-in-de-oudheid/#comments Fri, 16 Mar 2018 16:00:56 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=253 Sarkozy en Merkel

In een moderne zoektocht naar antwoorden op vragen van financieel-economische aard wordt de (klassieke) Oudheid jammer genoeg zelden geraadpleegd. In deze blogpost bekijken we de parallellen tussen de monetaire crisis onder keizer Diocletianus en de recente kredietcrisis die in landen zoals Frankrijk en Duitsland met een beurstransactietaks te lijf werd gegaan.

Het bericht Monetair populisme nu en in de Oudheid van Jos Paulissen verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Sarkozy en Merkel

In een moderne zoektocht naar antwoorden op vragen van financieel-economische aard wordt de (klassieke) Oudheid zelden geraadpleegd. Begrijpelijk – zou je zeggen – want de economieën uit beide tijdvakken zijn immers niet met elkaar te vergelijken. Maar langs de andere kant ook weer jammer, want parallellen zijn er wel degelijk, evenals antieke voorbeelden die geen navolging verdienen. In deze blogpost bekijken we de parallellen tussen de monetaire crisis onder keizer Diocletianus en de recente kredietcrisis die in landen zoals Frankrijk en Duitsland met een beurstransactietaks te lijf werd gegaan.

Kredietcrisis

Neem nu de recente kredietcrisis. Begonnen in 2007 met de stagnerende huizenprijzen in de Verenigde Staten, spreidde deze zich als een olievlek uit over de financiële markten en veroorzaakte een wereldwijde economische depressie. De meest spectaculaire elementen waren het omvallen van de Amerikaanse bank Lehman Brothers en het dreigende staatsbankroet van Griekenland. Nicolas Sarkozy en Angela Merkel dachten de crisis in de Eurozone te lijf te moeten gaan met onder andere een belasting op transacties in de financiële sector. Door aan- en verkoop van waardepapieren aan een taks te onderwerpen, zouden de banken gaan meebetalen aan de crisis die, in de ogen van de Frans-Duitse tandem, juist zij hadden veroorzaakt. Bovendien zou een dergelijke belasting de “verderfelijke” invloed van speculanten op de beurskoersen afremmen. Tot slot zouden de extra belastingopbrengsten de lidstaten met hun noodlijdende begrotingen bepaald niet ongelegen komen.

Sarkozy en Merkel op een congres in Marseille in 2011

Onder kenners was het van meet af aan duidelijk dat een beurstransactietaks nooit het beoogde effect zou kunnen sorteren. Want, indien de beurshandel zich al niet zou verplaatsten naar Amerika en/of Azië, zou de belasting toch zeker in de tarieven van de banken worden doorgerekend en aldus op de beleggers worden afgewenteld. Particulieren en pensioenfondsen zouden uiteindelijk het gelag gaan betalen en de samenleving zou worden verrijkt met de zoveelste Kriegs- und Krisensteuer die waarschijnlijk nooit meer zou worden afgeschaft. Ook was het zonneklaar dat de maatregel voorbij ging aan de oorzaken van de crisis en dat de verantwoordelijke politici een behoorlijk pak boter op hun hoofd hadden. Immers, enerzijds was het toezicht op banken en andere financiële instellingen ondanks de waarschuwingen die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw stelselmatig waren afgegeven, ernstig tekortgeschoten. Anderzijds was het de torenhoge staatsschuld in de diverse landen van met name Europa die de crisis zo’n vlucht had doen nemen. Het meest frappante aan het voorstel was echter wel de wijze waarop de protagonisten schaamteloos inspeelden op de onderbuikgevoelens in de maatschappij om zo de aandacht van hun falende geldpolitiek af te leiden. De electoraal oninteressante en toch al niet populaire banken en speculanten kregen de zwartepiet toegeschoven, terwijl het rupsje-nimmer-zat namens de overheid er weer een nieuwe inkomstenbron bij zou krijgen.

Monetaire hervormingen van Diocletianus

Argenteus met opschrift “DIOCLETIANUS AUG(USTUS)”. Op de keerzijde vier tetrarchen
in offerscène met opschrift “VIRTUS MILITUM” (soldatendeugd)

Niet zozeer de oorzaken van de crisis, maar wel de zinloosheid van het bestrijdingsmiddel alsmede het populisme waarmee dit aan het grote publiek werd gepresenteerd doet denken aan de monetaire crisis die het Romeinse Rijk aan het begin van de 4de eeuw van onze jaartelling teisterde. Voorafgaand aan de crisis was met de troonsbestijging van Gaius Aurelius Valerius Diocletianus in 284 n.C. net weer een periode van relatieve rust en voorspoed aangebroken. Deze visionaire staatsman bracht eenheid en stabiliteit terug in het rijk. Voorbij leek het “tijdperk van ijzer en roest” (235-284 n.C.), dat gekenmerkt werd door interne strubbelingen, externe dreiging en een economische en culturele neergang. Hij was de stichter van de tetrarchie (Grieks: tettares, vier en archein, heersen), de regeringsvorm waarin twee seniorkeizers (augusti) telkens twee juniorkeizers (caesares) kozen om zich door hen na twintig jaar te laten vervangen. Diocletianus, ook bekend vanwege zijn christenvervolgingen, voerde een nieuwe administratieve indeling in en reorganiseerde het leger. Ook op het fiscale en economische vlak bracht hij ingrijpende hervormingen tot stand. Op het monetaire vlak was hij, zoals zal blijken, minder getalenteerd.

Metaalgehalte van Romeinse zilvermunten

Metaalgehalte van Romeinse zilvermunten

Veruit de belangrijkste munt doorheen de Grieks-Romeinse oudheid was de zilvermunt. Steeds hield haar waarde verband met de hoeveelheid edelmetaal die zij bevatte. Gedurende de keizertijd nam het zilvergehalte gestaag af, van rond 97% ten tijde van de eerste keizers tot zo’n 3% tegen het jaar 272 n.C. (zie grafiek hiernaast). De collectieve lasten, voornamelijk soldij (stipendium) en andere militaire uitgaven, namen exponentieel toe, niet alleen door de talloze campagnes en burgeroorlogen, maar ook omdat de soldaten alsmaar meer en hogere beloningen verlangden (zie tabel hieronder). Romes (potentiële) vijanden moesten steeds vaker middels immense sommen goud en zilver tot bedaren worden gebracht. Daarbovenop kwamen gelduitdelingen aan het volk (congiaria), peperdure spelen (circenses) en dito bouwprogramma’s die sommige keizers zich meenden te kunnen permitteren.

[Stipendium van Romeinse soldaten]

Periode Sestertiën Denariën
Tot 89 900 225
89 – 202 1200 300
202 – 212 1600 400
Vanaf 212 2400 600

 

Eén van de 4 overblijvende fragmenten van Diocletianus’ prijzenedict, bewaard in een kerk in het Griekse Geraki

 

In 294 n.C. voerden Diocletianus en de zijnen onder meer een munt met 92% zilver in. Zij probeerden zo het vertrouwen in het monetaire systeem te herstellen. Deze argenteus was op den duur echter niet houdbaar en in september 301 n.C. verdubbelden de tetrarchen de nominale waarde ervan zonder gewicht of gehalte te wijzigen. Gevolg was een inflatie die alle vorige in de schaduw stelde. Drie maanden later zag een edict (edictum de pretiis rerum venalium) het licht waarin voor een hele reeks aan goederen en diensten maximumprijzen werden vastgesteld. Naast het feit dat op (het aanzetten tot) overtredingen en hamsteren de doodstraf stond, is het interessantste aspect van dit prijzenedict de considerans (praefatio). Daarin kregen de handelaren de schuld van de economische misère. Deze “ongecontroleerde waanzinnigen” en “gewetenlozen” hadden enkel hun “grenzeloze en uitzinnige hebzucht” voor ogen en organiseerden een “stormloop op winst en profijt zonder mededogen voor de mensheid”. Het edict had niet het gewenste effect, omdat genoemde goederen en diensten simpelweg van de officiële markten verdwenen. Wellicht al in 305 n.C., het jaar van Diocletianus’ abdicatie, raakte het in onbruik.

fragment van het in steen gekapte prijsedict (gegoten kopie uit het Berlijnse Pergamonmuseum)

Naar een beurstransactietaks?

Zou de moderne kredietcrisis anders zijn aangepakt als de monetaire crisis uit het begin van de 4de eeuw n.C van tevoren zou zijn bestudeerd? Of is dat laatste juist wel gebeurd en heeft de handelwijze van Diocletianus en de zijnen, in casu het bestrijden van een crisis met onzinnige maatregelen en daarmee ook nog goed weg komen, als bron van inspiratie gefungeerd? We zullen het nooit weten. Gelukkig is een beurstransactietaks niet in heel Europa ingevoerd. Slechts enkele landen, waaronder Frankrijk, hebben voor een dergelijke belasting gekozen. Voor Duitsland zal de positie van Frankfurt als belangrijk internationaal financieel centrum een reden zijn geweest om zulks niet te doen.

Overigens is een beurstransactietaks op zichzelf de moeite van het overwegen waard. Het is immers niet in te zien waarom financiële transacties verschoond zouden moeten blijven nu niet-financiële worden getroffen met omzetbelasting, accijnzen en andere bijzondere verbruiksbelastingen. Ook het feit dat de handel in financiële producten de reële handel met een veelvoud overtreft, pleit voor een dergelijke belasting. Haar invoering zou echter het resultaat van een principiële heroverweging van het fiscale stelsel moeten zijn in plaats van een paniekreactie op een crisis. Daarnaast dient er een oplossing te komen voor het “buitenlandlek” (de beurzen in Amerika en/of Azië) en moeten andere belastingen overeenkomstig worden verlaagd. Laat ons niet vergeten dat overtaxation een serieus gevaar is voor elke samenleving. Wellicht zou je zelfs kunnen stellen dat deze factor mede een rol heeft gespeeld bij de ondergang van het West-Romeinse Rijk in de 5de eeuw n.C. Voorwaar, zeker geen voorbeeld dat navolging verdient …

Coverfoto: remix van een foto door Sebastian Zwez op Wikimedia (CC-BY 3.0 DE) en de foto ‘Diocletian bust’ van Giovanni Dall’Orto op Wikimedia (licensed with Attribution)

Het bericht Monetair populisme nu en in de Oudheid van Jos Paulissen verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/16/03/2018/monetair-populisme-nu-en-in-de-oudheid/feed/ 1 253
Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/#respond Thu, 08 Mar 2018 14:47:27 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=700 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Sinds 1908 en de staking van een groep vrouwen in New York staat 8 maart in het teken van Internationale Vrouwendag. Tijd om ook eens te kijken naar befaamde vrouwen uit de Oudheid, waar weinig antieke vrouwen zoveel politieke invloed hadden als Fulvia. Lees hier een uitgebreid portret van deze intrigerende dame.

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Weinig antieke vrouwen hadden zoveel politieke invloed als Fulvia Flacca Bambula. Door haar drie huwelijken, telkens met een belangrijke politicus, was zij nauw betrokken bij de strijd om de macht in de woelige 1ste eeuw v.C. Fulvia is minder bekend – thanks, HBO – maar zeker niet minder fascinerend dan illustere tijdgenotes als Cleopatra of Octavia. Zo was ze de eerste sterfelijke vrouw die op een Romeinse munt opdook. Haar invloed was de toekomstige keizer Augustus zo’n doorn in het oog dat hij in zijn pen kroop om een vulgair epigram te schrijven om haar te belasteren. Later is ze dan ook vooral bekend geworden voor de scène waarin ze uit wraak haarspelden door Cicero’s tong gestoken zou hebben.

Fulvia en het hoofd van Cicero: vol verwachting houdt ze in dit schilderij van Maura y Montaner de haarspelden in de aanslag.

In moderne tijden groeide Fulvia als sterke vrouw uit tot een icoon van het feminisme. In de Oudheid werd haar politieke en vermeende militaire optreden haar echter niet in dank afgenomen door de geschiedschrijvers, niet toevallig mannen uit de gegoede klasse. Zij schetsen het beeld van een dominante, hebzuchtige en wrede ‘virago‘, een vrouw die alle gendergrenzen overschrijdt. Dit onfraaie beeld leert ons weliswaar veel over hoe hevig (mannelijke) Romeinen reageerden op vrouwen die zich in de publieke ruimte waagden, maar het betekent ook dat het moeilijk is om uitspraken te doen over de historische Fulvia, wat op zichzelf natuurlijk veelzeggend is. Laat ons toch een poging ondernemen.

Vrouwen in de Late Republiek

Net als ieder ander was Fulvia een kind van haar tijd, en haar lotgevallen kunnen niet los gezien worden van de uitzonderlijke omstandigheden waarin ze leefde. Traditioneel hadden Romeinse vrouwen weinig rechten. Ze mochten niet stemmen, hadden niet het recht in beroep te gaan en wettelijk gezien waren ze eeuwig minderjarig en dus onderhevig aan de voogdij van een mannelijke verwant. Ten gevolge van de burgeroorlogen van de 1ste eeuw v.C. kwam er verandering in de situatie van de Romeinse vrouw. Door de lange afwezigheid of zelfs de dood van vele mannelijke familieden was er op het thuisfront geen machtige pater familias meer. Bovendien waren er vaak meerdere generaties van mannen bij het krijgsgebeuren betrokken, waardoor vrouwen grote sommen geld erfden. Vooral vrouwen uit de hogere klassen, zoals Fulvia, maakten van deze situatie gebruik om zich meer te laten gelden in de publieke sfeer.

Voor Romeinse vrouwen was het devies sois belle et tais-toi

Het bewogen leven van Fulvia

We ontmoeten Fulvia voor het eerst in 60 v.C., bij haar eerste huwelijk met de beruchte demagoog Clodius, bekend van zijn bittere vete met Cicero. Haar eerste publieke optreden vond plaats op de begrafenis van Clodius, die tijdens een gewelddadige confrontatie – hoe kon het ook anders in de 1ste eeuw v.C. – vermoord was door de bodyguards van zijn politieke tegenstander Milo, een bekende scène voor wie in de middelbare school Latijn volgde. Minder bekend is dat Fulvia zijn lichaam door de straten van Rome droeg en zoveel misbaar maakte dat er rellen uitbraken en Clodius’ aanhangers hem prompt cremeerden, tezamen met het Romeinse senaatsgebouw. Fulvia slaagde er daarna in om de loyaliteit van Clodius’ medestanders vast te houden, en gecombineerd met haar aanzienlijk fortuin maakte dit haar tot een macht om rekening mee te houden. In 52 v.C. hertrouwde ze met Gaius Scribonius Curio, een andere vooraanstaande politicus uit de partij van Clodius en Caesar. Al snel kwam ook Curio echter op gewelddadige wijze aan zijn einde.

De Curia Iulia, de vervanger van de met Clodius in de vlammen opgegane Curia Cornelia

Het bekendst, of beruchtst, is Fulvia van haar derde huwelijk, met de triumvir Marcus Antonius. Gedurende de hele woelige periode 47-40 v.C. stond ze haar echtgenoot bij in diens strijd met Cicero en Octavianus, de toekomstige keizer Augustus. Vooral over deze periode zijn de bronnen heel negatief: zij zou uit eigenbelang haar man gedomineerd hebben, en hij zou met haar getrouwd zijn omwille van haar geld. Het koppel zou “provincies en koninkrijken bij opbod verkocht hebben”. Daarnaast zouden ze in grote mate verantwoordelijk geweest zijn voor de bloederige proscripties, waarbij vijanden van het triumviraat ter dood veroordeeld werden en hun bezit geconfisqueerd. Zo zou Fulvia volgens één bron haar buurman op de proscriptielijst geplaatst hebben, omdat die zijn huis niet aan haar had willen verkopen. Ook Cicero werd het slachtoffer van deze praktijk. Verder bemiddelde Fulvia meermaals direct bij de senaat wanneer die Antonius tot staatsvijand wilde uitroepen. Volgens Cassius Dio was zij de echte consul wanneer Antonius en Octavianus niet in Rome waren, eerder dan de verkozenen. Kortom, Fulvia was een bezige bij.

Het sluitstuk van Fulvia’s publieke carrière was de zogenaamde Perusinische Oorlog. In 41 v.C., toen Marcus Antonius zelf in het oosten was – en voor het eerst kennismaakte met Cleopatra! – verdedigde ze de belangen van haar echtgenoot, samen met diens broer Lucius, bij de verdeling van gronden aan veteranen in Italië. Dit leidde tot spanningen met Octavianus, die deze belangrijke groep ook aan zich wilde binden. Uiteindelijk mondden deze spanningen uit in een gewapend conflict. Volgens sommige latere bronnen voerde Fulvia in eigen persoon de troepen aan. Na enkele maanden moesten Lucius en Fulvia zich terugtrekken in Perusia, het huidige Perugia, dat daarop belegerd werd. Uitgehongerd gaven ze zich na een tijd over en Fulvia vluchtte naar Griekenland, waar ze door Antonius in de steek gelaten werd. Niet veel later stierf ze. Dit kwam goed uit voor Antonius en Octavianus, die de schuld voor hun conflict op Fulvia afschoven en aldus (voor even) vrede sloten.

Munt geslagen door Marcus Antonius. De voorzijde toont de gevleugelde godin Victoria, naar verluidt met de gelaatstrekken van Fulvia, maar de toeschrijving is onzeker

Een vernietigend portret

Hoe groot Fulvia’s rol in deze gebeurtenissen echt was, is moeilijk te bepalen. Dat heeft alles te maken met de bronnen die over haar schrijven. De bewaarde werken zijn namelijk zo goed als allemaal van de hand van auteurs die Fulvia en haar echtgenoten vijandig gezind waren. Tijdens haar leven schreef vooral Cicero over Fulvia. Cicero vocht bittere vetes uit met zowel Clodius als Marcus Antonius. Aan die laatste wijdde Cicero zijn Philippicae, een reeks beschadigende redevoeringen, en het is in deze teksten dat hij Fulvia opvoert als een wrede, hebzuchtige en dominante vrouw om de zwakte van Antonius te benadrukken. Anderzijds zag hij in Fulvia mogelijk ook de opvolgster van zijn rivaal Clodius.

Octavianus: niet zo deugdzaam als hij liet uitschijnen, maar wel een meesterlijk propagandist

Ook de propagandamachine van Octavianus werkte in die tijd op volle toeren. Via Martialis is er een epigram van Octavianus zelf overgeleverd waarin die refereert aan de affaire tussen Marcus Antonius en Glaphyra, de koningin van Cappadocië. De toekomstige keizer schrijft dat Fulvia hem dan voor de keuze stelde: eveneens ontucht plegen, of vechten. Octavianus laat ons daarop weten dat “zijn lul hem dierbaarder is dan zijn leven” en dat hij daarom het gevecht aangaat. De toekomstige keizer van Rome lijkt hier dus niet ver boven het niveau van de gemiddelde ‘online troll’ verheven geweest te zijn.

Dit negatieve beeld oefende een grote fascinatie en tegelijk ook afkeer uit op latere geschiedschrijvers, steevast mannen die tot de hogere klassen behoorden. Plutarchus, die in het algemeen al een vrij negatief vrouwbeeld had, noemt haar “een vrouwtje dat niet gaf om spinnen of huishoudelijk werk”, zij wilde “niet enkel regeren over een gewoon burger, maar heersen over een heerser en een commandant commanderen”. Volgens Paterculus “had zij niets van een vrouw, behalve het lichaam”. Cassius Dio gaat het verst in zijn negatieve typering, en het is aan hem dat we de scène met het hoofd van Cicero te danken hebben. Hij schrijft hierover:

Fulvia nam het hoofd in haar handen voor het werd weggehaald en begon er vreselijk tegen uit te varen. Ze zette het op haar knieën, maakte de mond open, trok de tong naar buiten en stak daar een van haar haarpinnen doorheen. Daarbij maakte ze ook nog allerlei smerige, sarcastische opmerkingen. (vertaling G. De Vries)

Fulvia: een “gevaarlijke” vrouw

Wat moeten we nu met de overgeleverde informatie? De bronnen zijn duidelijk gekleurd, en de auteurs gebruikten Fulvia elk voor hun eigen doeleinden. Haar dominante rol moest voor Cicero en Plutarchus in de eerste plaats de zwakte van Antonius in de verf zetten. Haar wreedheid vinden we dan weer terug in de passages over de proscripties. Door de rol van Octavianus’ tegenstanders uit te vergroten, wilden diens propagandisten, zoals Cassius Dio, de verantwoordelijkheid van de toekomstige keizer in deze pijnlijke gebeurtenissen verdoezelen. Bovendien komen vrouwen zelden toevallig voor bij de antieke auteurs. Zij waren moralistisch geïnspireerd en de vrouwen die ze opvoerden, fungeerden als voorbeelden van hoe het wel of – in dit geval – niet moest. Dit maakt het heel moeilijk om Fulvia’s ware rol in de gebeurtenissen te achterhalen.

Romeinse slingerkogel met inscriptie

Haar prominente aanwezigheid in de bronnen wijst er op zijn minst op dat Fulvia een bekend en invloedrijk figuur was. Dat ze zeker een rol gespeeld heeft, wordt ook aangetoond door archeologische bronnen. In de buurt van Perugia zijn slingerprojectielen opgegraven met obscene boodschappen – om de lezer gerust te stellen: af en toe schreven de Romeinen ook nog niet-obscene boodschappen – aan haar adres. Dit bewijst dat de vijandige soldaten haar goed genoeg kenden om zich rechtstreeks tot haar te richten. Stond zij werkelijk bevelen te roepen vanop de muren van Perugia, met het zwaard in de hand? Waarschijnlijk niet, maar het is wel aannemelijk dat zij haar politieke invloed aanwendde in de publieke ruimte.

 

Dat verklaart waarschijnlijk de hevige reactie van de antieke auteurs. Politieke en zeker militaire activiteiten waren typisch mannelijke prerogatieven, die de positie van de man in de maatschappij moesten legitimeren. Ook het publiek spreken was een belangrijk element van de mannelijke identiteit. Het beeld van een vrouw met te veel macht ondermijnde de sociale structuren en duidde op een maatschappij in crisis, wat de Romeinse mannen angst aanjoeg. Augustus’ agressieve epigram kan trouwens ook gelezen worden als een poging om zijn eigen mannelijkheid te bevestigen. Deze opvattingen leidden zeker bij de latere auteurs, die Fulvia’s werkelijke rol niet meer konden onderscheiden van de propaganda, tot uitingen van afkeer en tot het beeld van een dominant manwijf. In die latere tijden was er overigens geen ruimte meer voor zulke directe vrouwelijke invloed, een erfenis van Augustus’ hervormingen. De geschiedenis is dus geen lineaire vooruitgang naar een betere wereld voor iedereen. Dat besef is ook vandaag nog relevant, want er zijn nog steeds mannelijke stemmen die de vrouwelijke het liefst het zwijgen zouden opleggen.

Coverfoto: schilderij ‘Fulvia with the head of Cicero’ van Pavel Svedomsky (1849-1904) op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/feed/ 0 700