Sarkozy en MerkelWikimedia

Monetair populisme nu en in de oudheid

In een moderne zoektocht naar antwoorden op vragen van financieel-economische aard wordt de (klassieke) oudheid zelden geraadpleegd. Begrijpelijk -zou je zeggen- want de economieën uit beide tijdvakken zijn immers niet met elkaar te vergelijken. Maar langs de andere kant ook weer jammer, want parallellen zijn er wel degelijk, evenals antieke voorbeelden die geen navolging verdienen. In deze blogpost bekijken we de parallellen tussen de monetaire crisis onder keizer Diocletianus en de recente kredietcrisis die in landen zoals Frankrijk en Duitsland met een beurstransactietaks te lijf werd gegaan.

Kredietcrisis

Neem nu de recente kredietcrisis. Begonnen in 2007 met de stagnerende huizenprijzen in de Verenigde Staten, spreidde deze zich als een olievlek uit over de financiële markten en veroorzaakte een wereldwijde economische depressie. De meest spectaculaire elementen waren het omvallen van de Amerikaanse bank Lehman Brothers en het dreigende staatsbankroet van Griekenland. Nicolas Sarkozy en Angela Merkel dachten de crisis in de Eurozone te lijf te moeten gaan met onder andere een belasting op transacties in de financiële sector. Door aan- en verkoop van waardepapieren aan een taks te onderwerpen, zouden de banken gaan meebetalen aan de crisis die, in de ogen van de Frans-Duitse tandem, juist zij hadden veroorzaakt. Bovendien zou een dergelijke belasting de “verderfelijke” invloed van speculanten op de beurskoersen afremmen. Tot slot zouden de extra belastingopbrengsten de lidstaten met hun noodlijdende begrotingen bepaald niet ongelegen komen.

Sarkozy en Merkel op een congres in Marseille in 2011

Onder kenners was het van meet af aan duidelijk dat een beurstransactietaks nooit het beoogde effect zou kunnen sorteren. Want, indien de beurshandel zich al niet zou verplaatsten naar Amerika en/of Azië, zou de belasting toch zeker in de tarieven van de banken worden doorgerekend en aldus op de beleggers worden afgewenteld. Particulieren en pensioenfondsen zouden uiteindelijk het gelag gaan betalen en de samenleving zou worden verrijkt met de zoveelste Kriegs- und Krisensteuer die waarschijnlijk nooit meer zou worden afgeschaft. Ook was het zonneklaar dat de maatregel voorbij ging aan de oorzaken van de crisis en dat de verantwoordelijke politici een behoorlijk pak boter op hun hoofd hadden. Immers, enerzijds was het toezicht op banken en andere financiële instellingen ondanks de waarschuwingen die sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw stelselmatig waren afgegeven, ernstig tekortgeschoten. Anderzijds was het de torenhoge staatsschuld in de diverse landen van met name Europa die de crisis zo’n vlucht had doen nemen. Het meest frappante aan het voorstel was echter wel de wijze waarop de protagonisten schaamteloos inspeelden op de onderbuikgevoelens in de maatschappij om zo de aandacht van hun falende geldpolitiek af te leiden. De electoraal oninteressante en toch al niet populaire banken en speculanten kregen de zwartepiet toegeschoven, terwijl het rupsje-nimmer-zat namens de overheid er weer een nieuwe inkomstenbron bij zou krijgen.

Monetaire hervormingen van Diocletianus

Argenteus met opschrift “DIOCLETIANUS AUG(USTUS)”. Op de keerzijde vier tetrarchen
in offerscène met opschrift “VIRTUS MILITUM” (soldatendeugd)

Niet zozeer de oorzaken van de crisis, maar wel de zinloosheid van het bestrijdingsmiddel alsmede het populisme waarmee dit aan het grote publiek werd gepresenteerd doet denken aan de monetaire crisis die het Romeinse Rijk aan het begin van de 4de eeuw van onze jaartelling teisterde. Voorafgaand aan de crisis was met de troonsbestijging van Gaius Aurelius Valerius Diocletianus in 284 net weer een periode van relatieve rust en voorspoed aangebroken. Deze visionaire staatsman bracht eenheid en stabiliteit terug in het rijk. Voorbij leek het “tijdperk van ijzer en roest” (235-284), dat gekenmerkt werd door interne strubbelingen, externe dreiging en een economische en culturele neergang. Hij was de stichter van de tetrarchie (Grieks: tettares, vier en archein, heersen), de regeringsvorm waarin twee seniorkeizers (augusti) telkens twee juniorkeizers (caesares) kozen om zich door hen na twintig jaar te laten vervangen. Diocletianus, ook bekend vanwege zijn christenvervolgingen, voerde een nieuwe administratieve indeling in en reorganiseerde het leger. Ook op het fiscale en economische vlak bracht hij ingrijpende hervormingen tot stand. Op het monetaire vlak was hij, zoals zal blijken, minder getalenteerd.

Metaalgehalte van Romeinse zilvermunten

Metaalgehalte van Romeinse zilvermunten

Veruit de belangrijkste munt doorheen de Grieks-Romeinse oudheid was de zilvermunt. Steeds hield haar waarde verband met de hoeveelheid edelmetaal die zij bevatte. Gedurende de keizertijd nam het zilvergehalte gestaag af, van rond 97% ten tijde van de eerste keizers tot zo’n 3% tegen het jaar 272 (zie grafiek hiernaast). De collectieve lasten, voornamelijk soldij (stipendium) en andere militaire uitgaven, namen exponentieel toe, niet alleen door de talloze campagnes en burgeroorlogen, maar ook omdat de soldaten alsmaar meer en hogere beloningen verlangden (zie tabel hieronder). Romes (potentiële) vijanden moesten steeds vaker middels immense sommen goud en zilver tot bedaren worden gebracht. Daarbovenop kwamen gelduitdelingen aan het volk (congiaria), peperdure spelen (circenses) en dito bouwprogramma’s die sommige keizers zich meenden te kunnen permitteren.

[Stipendium van Romeinse soldaten]

Periode Sestertiën Denariën
Tot 89 900 225
89 – 202 1200 300
202 – 212 1600 400
Vanaf 212 2400 600

 

Eén van de 4 overblijvende fragmenten van Diocletianus’ prijzenedict, bewaard in een kerk in het Griekse Geraki

 

In 294 voerden Diocletianus en de zijnen onder meer een munt met 92% zilver in. Zij probeerden zo het vertrouwen in het monetaire systeem te herstellen. Deze argenteus was op den duur echter niet houdbaar en in september 301 verdubbelden de tetrarchen de nominale waarde ervan zonder gewicht of gehalte te wijzigen. Gevolg was een inflatie die alle vorige in de schaduw stelde. Drie maanden later zag een edict (edictum de pretiis rerum venalium) het licht waarin voor een hele reeks aan goederen en diensten maximumprijzen werden vastgesteld. Naast het feit dat op (het aanzetten tot) overtredingen en hamsteren de doodstraf stond, is het interessantste aspect van dit prijzenedict de considerans (praefatio). Daarin kregen de handelaren de schuld van de economische misère. Deze “ongecontroleerde waanzinnigen” en “gewetenlozen” hadden enkel hun “grenzeloze en uitzinnige hebzucht” voor ogen en organiseerden een “stormloop op winst en profijt zonder mededogen voor de mensheid”. Het edict had niet het gewenste effect, omdat genoemde goederen en diensten simpelweg van de officiële markten verdwenen. Wellicht al in 305, het jaar van Diocletianus’ abdicatie, raakte het in onbruik.

fragment van het in steen gekapte prijsedict (gegoten kopie uit het Berlijnse Pergamonmuseum)

Naar een beurstransactietaks?

Zou de moderne kredietcrisis anders zijn aangepakt als de monetaire crisis uit het begin van de vierde eeuw van tevoren zou zijn bestudeerd? Of is dat laatste juist wel gebeurd en heeft de handelwijze van Diocletianus en de zijnen, in casu het bestrijden van een crisis met onzinnige maatregelen en daarmee ook nog goed weg komen, als bron van inspiratie gefungeerd? We zullen het nooit weten. Gelukkig is een beurstransactietaks niet in heel Europa ingevoerd. Slechts enkele landen, waaronder Frankrijk, hebben voor een dergelijke belasting gekozen. Voor Duitsland zal de positie van Frankfurt als belangrijk internationaal financieel centrum een reden zijn geweest om zulks niet te doen.

Overigens is een beurstransactietaks op zichzelf de moeite van het overwegen waard. Het is immers niet in te zien waarom financiële transacties verschoond zouden moeten blijven nu niet-financiële worden getroffen met omzetbelasting, accijnzen en andere bijzondere verbruiksbelastingen. Ook het feit dat de handel in financiële producten de reële handel met een veelvoud overtreft, pleit voor een dergelijke belasting. Haar invoering zou echter het resultaat van een principiële heroverweging van het fiscale stelsel moeten zijn in plaats van een paniekreactie op een crisis. Daarnaast dient er een oplossing te komen voor het “buitenlandlek” (de beurzen in Amerika en/of Azië) en moeten andere belastingen overeenkomstig worden verlaagd. Laat ons niet vergeten dat overtaxation een serieus gevaar is voor elke samenleving. Wellicht zou je zelfs kunnen stellen dat deze factor mede een rol heeft gespeeld bij de ondergang van het West-Romeinse Rijk in de 5de eeuw. Voorwaar, zeker geen voorbeeld dat navolging verdient …

Coverfoto: remix van een foto door Sebastian Zwez op Wikimedia (CC-BY 3.0 DE) en de foto ‘Diocletian bust’ van Giovanni Dall’Orto op Wikimedia

Jos Paulissen behaalde in 2011 zijn Master Geschiedenis van de Oudheid aan de KU Leuven. Eerder rondde hij zijn studie Fiscale Economie aan Tilburg University in Nederland af. Hij is als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de KU Leuven, Onderzoeksgroep Oudheid en houdt zich vooral bezig met het belastingwezen in Graeco-Romeins Egypte.

Een gedachte over “Monetair populisme nu en in de oudheid

  1. Economie blijft een afwegingsvraagstuk, waarbij bepaalde sterke privé belangen meer doorgezet worden dan het algemeen belang.

Geef een reactie