sarcophagus_AM_Agrigento

“U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep

Monumentum est quod memoriae servandae gratia existat (D 11.7.2.6).

“Een monument is bestemd om een herinnering te bewaren.”

Grafmonumenten in alle vormen en maten, in de meeste gevallen vergezeld van een opschrift met informatie over de overledene, werden opgericht doorheen het hele Romeinse Rijk. Zoals blijkt uit bovenstaand citaat uit de Digesta (een verzameling geschriften van Romeinse rechtsgeleerden), waren deze monumenten bedoeld om de herinnering aan de overledene levend te houden – met succes, gezien het grote aantal grafopschriften dat tot op vandaag bewaard is gebleven. Ze gunnen ons een blik in het leven van machtige leden van de keizerlijke familie, rijke senatoren en generaals, hardwerkende handelaars en middenstanders, jong gestorven kinderen, troetelslaven en zelfs huisdieren. Maar speelden nog andere motieven een rol bij het oprichten van grafmonumenten, afgezien van de wens de nagedachtenis van de overledene te laten vereeuwigen in steen? Geen betere gelegenheid dan Allerzielen om dieper in te gaan op deze vraag en Romeinse grafopschriften onder de loep te nemen.

Levend in steen

Gezien het belang dat de Romeinen hechtten aan het voortleven van de herinnering (memoria) aan de overledene, werden grafmonumenten opgericht op goed zichtbare en druk bezochte plaatsen – weliswaar buiten de stad, want het was verboden om overledenen te begraven binnen de stadsmuren. Necropolen bevonden zich daarom bij de stadspoorten en langs toegangswegen. Het bekendste voorbeeld is de Via Appia, de “koningin der wegen”, die vanuit de hoofdstad Rome naar Brindisi in Zuid-Italië leidde en waarlangs nog restanten van talloze indrukwekkende graftombes te vinden zijn. De zoektocht naar een geschikte locatie was echter geen sinecure, zoals blijkt uit de correspondentie (een brief naar zijn goede vriend Atticus) van Marcus Tullius Cicero, de bekende redenaar, die na de dood van zijn geliefde dochter Tullia in 45 voor Christus een schrijn voor haar wilde laten oprichten en daarvoor kosten noch moeite spaarde (Att. 12-13). Necropolen waren dus allerminst doodse en verlaten plaatsen, zeker niet omdat de Romeinen geloofden dat de geest van de overledene voortleefde in zijn graf. Na de begrafenis werd bij het graf een banket ter ere van de overledene gehouden (het silicernium), en familieleden en vrienden brachten daarnaast ook op vaste tijdstippen (bijvoorbeeld op de verjaardag van de overledene) een bezoek aan het graf, waarbij ze eten en drank achterlieten. Op feestdagen werden ook ter plaatse banketten voorzien, mogelijk in aanwezigheid van de overledene, wat zou verklaren waarom vele overledenen liggend op een aanligbed aan een banket (‘Totenmahl‘) werden afgebeeld.

CIL XIII, 08818

Totenmahl, CIL XIII, 08818 © Corpus Inscriptionum Latinarum – BBAW

“Voorbijganger, hier ben ik!”

Maar niet alleen aan de locatie, ook aan het monument zelf werd veel zorg besteed, want publieke erkenning speelde een belangrijke rol in het voortbestaan van de herinnering aan de overledene. Grafmonumenten wedijverden daarom met elkaar om de aandacht van voorbijgangers te trekken, met soms zeer imposante bouwsels tot gevolg, zoals de piramide van Cestius, een belangrijke magistraat die gefascineerd was door Egypte en daarom in zijn testament liet opnemen dat na zijn dood een grafmonument in de vorm van een piramide moest worden gebouwd in de buurt van Rome. Volgens een inscriptie duurde de bouw 330 dagen en werd het werk, zoals opgedragen bij testament, uitgevoerd door zijn erfgenamen en zijn vrijgemaakte slaaf (Corpus Inscriptionum Latinarum CIL VI 1374). Niet iedereen beschikte natuurlijk over dezelfde middelen, maar er waren talloze andere manieren om voorbijgangers te lokken, zoals de aanwezigheid van stenen banken (onder meer aangetroffen in Pompeï) en opschriften gericht aan voorbijgangers, hen vragend stil te staan en het leven van de overledene te gedenken, want “wat wij zijn zult u ook zijn, en wij waren ooit wat u nu bent” (CLE 799, 1ste eeuw voor Christus).

Het graf als statussymbool

Het belang van grafmonumenten ging echter nog dieper dan enkel het verlangen om het leven – en met name de verdiensten – van de overledene te laten vastleggen voor latere generaties, want het streven naar het verkrijgen, en vooral ook behouden, van publieke erkenning en sociaal aanzien kenmerkte in toenemende mate de Romeinse samenleving vanaf de late Republiek. Monumenten werden daarom soms al bij leven opgericht (vivus fecit), en erfgenamen werd bij testament opgedragen om een graf en monument te voorzien dat de status en rijkdom van de overledene weerspiegelde. Deze instructies konden zeer gedetaileerd zijn: in PetroniusSatyricon, een politieke satire daterend uit de eerste eeuw na Christus, wordt de draak gestoken met de rijke Trimalchio, een voormalige slaaf, die tijdens een feestmaal (en na de nodige glazen wijn) een kopie van zijn testament bovenhaalt en laat voorlezen hoe zijn monument er moet uitzien, inclusief schepen met volle zeilen, hemzelf, zittend op een podium, terwijl hij munten rondstrooit, zijn vrouw Fortunata, afgebeeld met een duif in de hand en een hondje aan de riem, zijn troetelslaaf, grote amforen en een zonnewijzer (71). Het komt dan ook als geen verrassing dat vooral sociale nieuwkomers zoals ridders en vrijgelaten slaven sterk vertegenwoordigd zijn in grafopschriften. Maar grafmonumenten werden niet alleen als sociale vehikels gebruikt door de overledene: ook hun erfgenamen maakten dankbaar gebruik van de publieke zichtbaarheid die grafmonumenten boden, want in opschriften vinden we niet alleen informatie over de overledene, maar ook over de oprichter. Op sommige monumenten wordt de oprichter zelfs eerst vermeld, gevolgd door een overzicht van zijn eigen illustere carrière.

Voor de allerliefste…

Ondanks het feit dat de meeste grafopschriften behoorlijk gestandaardiseerd opgesteld waren, beginnend met de aanroeping van de geest van de overledene, gevolgd door diens naam, beroep, carrièrehoogtepunten en leeftijd, en eindigend met informatie over het graf of de oprichter, zijn er ook enkele bijzonder ontroerende opschriften overgeleverd, waaruit duidelijk de smart en rouw van de nabestaanden blijkt. Het meest gekende voorbeeld is de Laudatio Turiae, een deels bewaard epigram van een echtgenoot voor zijn geliefde overleden vrouw, waarin haar moed en haar toewijding geprezen wordt. Daarnaast bestonden ook opschriften die eerder filosofisch van aard waren, zoals blijkt uit enkele regels uit het opschrift van Tiberius Claudius Secundus uit Pompeï: “De baden, de wijn en de liefde richten ons lichaam te gronde, maar de baden, de wijn en de liefde maken ook het leven” (CIL VI 15258). En opschriften waren ook niet verstoken van humor, zoals blijkt uit volgende dialoog op de grafsteen van een herbergier genaamd “Meneer Erotiek”, gevonden nabij Pompeï. Het bijhorende reliëf toont een reiziger met een muilezel aan de hand, die afrekent bij een herbergier, vermoedelijk Eroticus:

CIL IX 2689

CIL IX 2689 © Corpus Inscriptionum Latinarum – BBAW

“Lucius Calidius Eroticus heeft bij leven voor zichzelf en zijn vrouw Fannia Voluptas [deze steen] gemaakt. “Herbergier, laten we afrekenen: je hebt wijn: 1/6 as (ongeveer 0,5 liter); brood: 1 as, maaltijd: 2 as.” “Dat klopt.” “Een meisje: 8 as.” “Dat klopt ook.” “Hooi voor de muilezel: 2 as.” “Die muilezel zal me nog eens te gronde richten!” (CIL IX 2689).

Dit was uiteraard slechts een kleine greep uit het overweldigende aanbod van grafopschriften, maar voor wie graag zelf op ontdekking gaat in de wereld van de Romeinse epigrafie, voorzien we onderstaande mini-gids. Vale viator! Maar grafschenners, let op: “opto ei cum dolore corporis longo tempore vivat et cum mortuus fuerit, inferi eum non recipiant”… (“ik wens hem (= de grafschender) een door pijn verscheurd lichaam zolang hij leeft en wanneer hij dood zal zijn dat de goden van de onderwereld hem niet ontvangen”).

[Meest gebruikelijke afkortingen]

 DM  Dis Manibus  aan de goden van de onderwereld
 F  filius of filia  zoon of dochter
 VIX  vixit  heeft geleefd
 ANN  annis of annos  jaren
 FC  faciendum curavit  hij heeft (deze steen) laten maken
 H  heres  erfgenaam
 HFC  heres faciendum curavit  de erfgenaam heeft (deze steen) laten maken
 EX T  ex testamento  bij testament
 DSP  de sua pecunia  uit eigen zak
 V F  vivus fecit  hij heeft bij leven (deze steen) laten maken
 HSE  hic situs est  hier ligt de overledene
 BM  bene merenti  welverdiend

Selecte bibliografie

H. Devijver, ‘Een sociogram van Tacitus’ en Plinius’ maatschappij’, in Kleio 14 (1984), p. 101-126.

V. Hunink, Levend in steen. Romeinse grafinscripties, Budel, 2007.

J. de Jong, ‘Maatregelen tegen memoria. Belang en betekenis van herinnering en herinneringsstraffen in de Romeinse vroege Keizertijd’, in Groniek 203 (2014), p. 129-146.

G. Woolf, ‘Monumental Writing and the Expansion of Roman Society in the Early Empire’, in Journal of Roman Studies 86 (1996), p. 22-39.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Sarcophagus, marble, mourning for child’ van Zde op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Een gedachte over ““U die voorbijgaat… denk aan ons”: Romeinse grafopschriften onder de loep

  1. ‘U die voorbijgaat…’

    Mooi initiatief. Met teksten en commentaar aangepast aan het tijdsgebeuren.
    Proficiat aan de bedenkers.

    Ronny Verhelle
    lic. Klassieke filologie (1965-69)

Geef een reactie