Van het glazen plafond over de loonkloof tot de informele “pink tax” is er duidelijk nog een hele weg te gaan voor de economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Minder bekend is de rol van belastingen in dit verband, pas vrij recent het onderwerp van onderzoek. Deze blogpost zal dieper ingaan op de verschillende ontwikkelingen van taksen die ook door vrouwen die economisch actief waren in de Oudheid werden betaald, met een focus op Egypte.
Fresco van een jonge vrouw uit Pompeï
Hoewel hedendaagse belastingregels zelden expliciet één geslacht bevoordelen, leiden de toepassing van de regels en hun wisselwerking met de bredere socio-economische realiteit vaak wel tot verschillen. Bijvoorbeeld, de gezamenlijke belastingaangifte van gehuwden – enkel wettelijk verplicht in België en de Democratische Republiek Congo – leidt weliswaar vaak tot een lagere totale belastingdruk, maar doorgaans ten koste van een hoger gemiddeld tarief voor de “secundaire” verdiener, in veel gevallen de echtgenote. Dit is niet alleen relevant voor de gendergelijkheid, maar ook voor de economische productiviteit, aangezien het vrouwen kan ontmoedigen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Zulke kwesties zijn ook relevant voor de Oudheid, en fiscale teksten zijn een belangrijke maar onderbenutte bron voor het bestuderen van de economische activiteiten van antieke vrouwen. Hieronder gebeurt dit aan de hand van zulke documenten uit (vooral Hellenistisch) Egypte, vaak beschouwd als één van de betere plaatsen om een vrouw te zijn in de Oudheid.
Vrouwen in Hellenistisch Egypte
Mummieportret van een vrouw uit Hawara
Die relatief goede positie hadden de Egyptische vrouwen vooral te danken aan hun sterke juridische status. Vrouwen genoten volledige eigendomsrechten over hun roerende en onroerende goederen, mannen en vrouwen erfden op gelijke voet (met uitzondering van de oudste zoon, die een groter deel ontving dan zowel zijn broers als zijn zussen), vrouwen konden petities indienen bij de autoriteiten, en ze konden zelf de scheiding aanvragen. Anderzijds werd het beheer van het gezinsvermogen na het huwelijk vaak aan de echtgenoot toevertrouwd. Bovendien hadden vrouwen geen toegang tot militaire en bestuurlijke functies, met uitzondering van de Ptolemaeïsche koninginnen die bekend stonden om hun actieve politieke en economische rol.
Er waren natuurlijk ook aanzienlijke verschillen in de situatie van individuele vrouwen, die te maken hadden met rijkdom, klasse, leeftijd en andere factoren. Dit hing onder meer samen met het dubbele rechtssysteem: Egyptische vrouwen handelden volledig onafhankelijk, maar Griekse vrouwen hadden voor juridische transacties een voogd (kyrios) nodig, meestal haar echtgenoot of een mannelijk familielid. Paradoxaal genoeg betekent dit dat Egyptische vrouwen die zich introuwden in een Griekse familie er sociaal gezien op vooruitgingen, terwijl haar situatie er naar onze moderne maatstaven op achteruitging. Helaas geven de fiscale teksten zelden inzicht in de exacte positie van de betrokken vrouwen.
Vrouwen van tel: de hoofdelijke belasting
De basis voor het heffen van belastingen in Egypte was de census, waarin het (meestal mannelijke) gezinshoofd een centrale rol speelde. Door de bevolking te tellen, verzamelden de Ptolemaeën de nodige gegevens voor het heffen van de zoutbelasting, een algemene hoofdelijke taks die door het grootste deel van de bevolking betaald moest worden (en die dus niets met de zoutsector te maken had). Ook vrouwen waren deze belasting verschuldigd, aan de helft van het bedrag dat mannen moesten betalen. Het betalen van zo’n belasting kon gezien worden als een graadmeter voor het behoren tot de gemeenschap.
In de late Hellenistische en in de Romeinse periode werd de voornaamste hoofdelijke belasting enkel door mannen betaald, wat gepaard ging met een verslechtering van de juridische positie van vrouwen. Bewijsmateriaal voor de voorafgaande Perzische periode is beperkter, maar er is een hoofdbelastingachtige bijdrage aan de tempel van Jahweh in Elephantine bekend, waarvoor vrouwen hetzelfde bedrag betaalden als mannen [TM 48746]. In dit geval zou de ogenschijnlijke gelijkheid echter door de specifieke Joodse context verklaard kunnen worden: het boek Exodus vermeldt een kopgeld dat door elk individu betaald diende te worden als afkoop voor hun leven.
Register met betalingen voor de zouttaks [TM 44391]
Verkoopstaksen
Als we de antieke auteurs moeten geloven, was de plaats van de vrouw aan de haard, maar in werkelijkheid werkten vele vrouwen buitenshuis. In dit verband merkt Herodotus op dat in Egypte “vrouwen naar de markt gaan en handeldrijven, terwijl mannen thuisblijven en weven”. Deze opmerkelijke bewering wordt in zekere mate bevestigd door het fiscale bewijsmateriaal: de weversbelasting werd doorgaans door mannen betaald, terwijl vrouwelijke betalers van de beroepsbelasting vaak verkoopsters waren. De belangrijkste bron voor die beroepsbelasting vermeldt betalingen door een kaasverkoopster en een broodverkoopster, naast een koeienhoedster [TM 5804]. De gerelateerde belasting voor de bewaking van werkplaatsen werd bovendien betaald door een groenteverkoopster, die dus haar eigen winkel had [TM 7771].
We vinden vooral veel vrouwen onder de bierverkopers die de bierbelasting betaalden. Er is wel eens gesuggereerd dat dit verband hield met bordelen, maar onze voornaamste bron voor deze belasting beschrijft slechts één van de dertien vrouwen als prostituee, en dergelijke beweringen zijn een voorbeeld van de problematische seksualisering van vrouwelijke arbeid [TM 1894]. De betrokkenheid van vrouwen bij de handel strekte zich bovendien uit tot de lucratieve olie-industrie. Olie was onder de Ptolemaeën een “staatsmonopolie” en de verkoop ervan was onderworpen aan competitieve overheidscontracten. Vooral in stedelijke contexten komen we veel vrouwen tegen: in de hoofdstad van de Arsinoïtische gouw waren 32 van de 48 bekende olieverkopers vrouwen [TM 7514].
Marktscène uit het graf van Ipy
Ook vandaag vinden we in het globale Zuiden bovenmatig veel vrouwen onder de marktkramers. Uit onderzoek blijkt dat dergelijke activiteiten vaak zwaarder worden belast dan andere ondernemingen, omdat lokale overheden bij gebrek aan betrouwbare gegevens gebruikmaken van een vereenvoudigd belastingstelsel dat uitgaat van een “verondersteld inkomen”.
Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS Beeld van de brouwster Inpusheshi
Het is best mogelijk dat het Egyptische systeem op een gelijkaardige manier functioneerde, maar gegevens hierover ontbreken. Hoewel we in veel beroepen occasioneel vrouwen aantreffen (bijvoorbeeld als schoenmakers, bakkers, badhuisbeheerders, wevers, artiesten, balsemers, enz.), werden ze wel degelijk geconfronteerd met structurele hindernissen. Dit komt het duidelijkst tot uiting in het lidmaatschap van beroepsverenigingen, die grotendeels uit mannen bestonden. Anderzijds aarzelde de staat niet om vrouwen in te schakelen als tussenpersonen voor de inning van belastingen in sectoren waar zij een bijzonder belangrijke rol speelden. Zo bestaat het archief van de brouwster Taembes uit bankbetalingen namens haar door verscheidene mannen, wat erop wijst dat zij de pachter was van de dorpsbierbelasting [TM archive 371]. Dit zou haar autoriteit hebben verleend over haar mannelijke collega’s.
De wolbelasting: de dunne grens tussen huishouden en commercie
De voor ons meest interessante taks is de zogenaamde “wolbelasting”, die tegen een laag vast tarief werd betaald, enkel door vrouwen, maar niet door alle vrouwen. Ongeveer één op de drie was eraan onderhevig, hoogstwaarschijnlijk omdat ze sponnen. Het spinnen van garen om aan de vraag voor de antieke textielindustrie te voldoen vereiste een enorme hoeveelheid arbeid. Het grootste deel hiervan werd verricht door vrouwen die deeltijds thuis sponnen, aangezien spinnen gemakkelijk te combineren viel met huishoudelijke taken. Zulke taken zijn belangrijk als economische activiteit op zich en als vereiste voor andere vormen van productie, maar komen zelden terug in fiscale en andere officiële statistieken. Het feit dat de Ptolemaeën ervoor kozen om het spinnen binnen het huishouden in geld te belasten, impliceert dat de vrouwen een zeker inkomen uit dit werk haalden. Met andere woorden, hoewel dit werk thuis werd verricht, werd het garen niet (alleen) gebruikt voor de productie van kleding voor het huishouden. We moeten dus voorzichtig zijn om geen al te scherp onderscheid te maken tussen “huishoudelijke” en “commerciële” activiteiten.
3D-weergave van een Griekse vaas met spinnende vrouwen (Metropolitan Museum of Art)
Belastingen op het vermogen van vrouwen
Een laatste categorie belastingen verraadt de misschien wel belangrijkste economische rol van vrouwen: het bezit van onroerend goed. We vinden vrouwen terug onder de betalers van overdrachtsbelasting, successierechten en eigendomsbelasting. De eigendommen waarvoor zij betaalden, bestonden voornamelijk uit huizen en grond, maar omvatten ook uiteenlopende zaken als duivenhokken.
Maquette van een portiek en tuin
Kwantitatieve gegevens zijn schaars, maar in één huis-aan-huisregister was 16% van de woningen in het bezit van een vrouw. In beter gedocumenteerde Romeins-Egyptische dorpen lag het percentage vrouwelijk eigendom tussen de 20 en 30%. Opvallend genoeg worden vrouwen zelden genoemd als betalers van de oogstbelasting op de velden die zij bezaten. Dit kan erop wijzen dat hun echtgenoten het beheer van de eigendommen op zich namen, maar het zou ook te maken kunnen hebben met het feit dat de meeste van de kwitanties afkomstig zijn uit Opper-Egypte, waar de pachters en niet de eigenaars van de grond verantwoordelijk waren voor de betaling van deze bijdrage. Dit suggereert wel dat vrouwen zelden de belangrijkste verrichters van landbouwwerk waren. Vrouwen haalden vaak inkomsten uit hun eigendom door het aanbieden van leningen. Dit weten we niet uit fiscale documenten, maar uit leenovereenkomsten, aangezien de rente die zij ontvingen niet werd belast, behalve in het geval van registratiekosten voor contracten wanneer de bedragen bijzonder hoog waren.
Een mannenwereld … met mogelijkheden voor vrouwen
Uit de papyri blijkt duidelijk dat Hellenistisch Egypte een patriarchale samenleving was, maar vrouwen waren geenszins veroordeeld tot een leven binnenshuis. Vooral voor vrouwen aan de lagere kant van het sociale spectrum zou dit sowieso nauwelijks haalbaar zijn geweest. We zien dat ze werkzaam waren als handelaars en in mindere mate als ambachtsvrouwen, en ze betaalden belastingen net als hun mannelijke collega’s. In sectoren waar ze bijzonder goed vertegenwoordigd waren, met name de bierindustrie, konden ze bovendien optreden als belastingpachters. Tot een derde van de vrouwen haalde een aanvullend inkomen uit het spinnen van garen en betaalde de wolbelasting, die alleen aan vrouwen werd opgelegd. Vrouwen uit de midden- en hogere klasse bezaten een niet te verwaarlozen deel van het Egyptische onroerend goed en haalden inkomsten uit het uitlenen van geld en graan. Het is dus duidelijk dat Hellenistisch Egypte kansen bood aan vrouwen die bereid en in staat waren deze te grijpen.
Lees meer
Clarysse, W. and Thompson, D.J., Counting the People in Hellenistic Egypt, Cambridge, 2006.
Dogaer, N., ‘Spun and Fleeced? Spinning, the Wool Tax, and Gendered Labour in the Ptolemaic Textile Industry’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 69.2 (2023), 353–370.
Joshi, A., Kangave, J. and van den Boogaard, V., ‘Furthering a Feminist Fiscal Agenda: Engendering Tax and Development’, Development Policy Review 43.3 (2025) (https://doi.org/10.1111/dpr.70005).
OECD, Tax Policy and Gender Equality: A Stocktake of Country Approaches, Paris, 2022.
Schentuleit, M., ‘Gender Issues: Women to the Fore’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Hoboken NJ, 2019, 347–360.
Coverfoto: adaptatie van de 2D-weergave van een afbeelding op een vaas, een ‘Terracotta lekythos (oil flask)’, uit de collectie van The Metropolitan Museum of Art (Public Domain).
[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]







RSS - berichten