papyrologie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/papyrologie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 12 Jul 2026 16:53:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.3 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png papyrologie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/papyrologie/ 32 32 136391722 Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte! https://www.oudegeschiedenis.be/12/07/2026/belastingen-een-mannenzaak-niet-in-hellenistisch-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/07/2026/belastingen-een-mannenzaak-niet-in-hellenistisch-egypte/#respond Sun, 12 Jul 2026 16:53:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2841 Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte!

Van het glazen plafond over de loonkloof tot de informele ‘pink tax’: economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen blijft ook vandaag een actueel thema. Minder bekend is de rol van belastingen in dat verhaal, zowel nu als in het verleden. Aan de hand van fiscale documenten uit (vooral Hellenistisch) Egypte laat deze bijdrage zien hoe economisch actieve vrouwen in de Oudheid belast werden en welke inzichten dat biedt in hun economische positie.

Het bericht Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte! van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Van het glazen plafond over de loonkloof tot de informele “pink tax” is er duidelijk nog een hele weg te gaan voor de economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Minder bekend is de rol van belastingen in dit verband, pas vrij recent het onderwerp van onderzoek. Deze blogpost zal dieper ingaan op de verschillende ontwikkelingen van taksen die ook door vrouwen die economisch actief waren in de Oudheid werden betaald, met een focus op Egypte.

Fresco van een jonge vrouw uit Pompeï

Hoewel hedendaagse belastingregels zelden expliciet één geslacht bevoordelen, leiden de toepassing van de regels en hun wisselwerking met de bredere socio-economische realiteit vaak wel tot verschillen. Bijvoorbeeld, de gezamenlijke belastingaangifte van gehuwden – enkel wettelijk verplicht in België en de Democratische Republiek Congo – leidt weliswaar vaak tot een lagere totale belastingdruk, maar doorgaans ten koste van een hoger gemiddeld tarief voor de “secundaire” verdiener, in veel gevallen de echtgenote. Dit is niet alleen relevant voor de gendergelijkheid, maar ook voor de economische productiviteit, aangezien het vrouwen kan ontmoedigen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Zulke kwesties zijn ook relevant voor de Oudheid, en fiscale teksten zijn een belangrijke maar onderbenutte bron voor het bestuderen van de economische activiteiten van antieke vrouwen. Hieronder gebeurt dit aan de hand van zulke documenten uit (vooral Hellenistisch) Egypte, vaak beschouwd als één van de betere plaatsen om een vrouw te zijn in de Oudheid.

Vrouwen in Hellenistisch Egypte

Mummieportret van een vrouw uit Hawara

Die relatief goede positie hadden de Egyptische vrouwen vooral te danken aan hun sterke juridische status. Vrouwen genoten volledige eigendomsrechten over hun roerende en onroerende goederen, mannen en vrouwen erfden op gelijke voet (met uitzondering van de oudste zoon, die een groter deel ontving dan zowel zijn broers als zijn zussen), vrouwen konden petities indienen bij de autoriteiten, en ze konden zelf de scheiding aanvragen. Anderzijds werd het beheer van het gezinsvermogen na het huwelijk vaak aan de echtgenoot toevertrouwd. Bovendien hadden vrouwen geen toegang tot militaire en bestuurlijke functies, met uitzondering van de Ptolemaeïsche koninginnen die bekend stonden om hun actieve politieke en economische rol.

Er waren natuurlijk ook aanzienlijke verschillen in de situatie van individuele vrouwen, die te maken hadden met rijkdom, klasse, leeftijd en andere factoren. Dit hing onder meer samen met het dubbele rechtssysteem: Egyptische vrouwen handelden volledig onafhankelijk, maar Griekse vrouwen hadden voor juridische transacties een voogd (kyrios) nodig, meestal haar echtgenoot of een mannelijk familielid. Paradoxaal genoeg betekent dit dat Egyptische vrouwen die zich introuwden in een Griekse familie er sociaal gezien op vooruitgingen, terwijl haar situatie er naar onze moderne maatstaven op achteruitging. Helaas geven de fiscale teksten zelden inzicht in de exacte positie van de betrokken vrouwen.

Vrouwen van tel: de hoofdelijke belasting

De basis voor het heffen van belastingen in Egypte was de census, waarin het (meestal mannelijke) gezinshoofd een centrale rol speelde. Door de bevolking te tellen, verzamelden de Ptolemaeën de nodige gegevens voor het heffen van de zoutbelasting, een algemene hoofdelijke taks die door het grootste deel van de bevolking betaald moest worden (en die dus niets met de zoutsector te maken had). Ook vrouwen waren deze belasting verschuldigd, aan de helft van het bedrag dat mannen moesten betalen. Het betalen van zo’n belasting kon gezien worden als een graadmeter voor het behoren tot de gemeenschap.

In de late Hellenistische en in de Romeinse periode werd de voornaamste hoofdelijke belasting enkel door mannen betaald, wat gepaard ging met een verslechtering van de juridische positie van vrouwen. Bewijsmateriaal voor de voorafgaande Perzische periode is beperkter, maar er is een hoofdbelastingachtige bijdrage aan de tempel van Jahweh in Elephantine bekend, waarvoor vrouwen hetzelfde bedrag betaalden als mannen [TM 48746]. In dit geval zou de ogenschijnlijke gelijkheid echter door de specifieke Joodse context verklaard kunnen worden: het boek Exodus vermeldt een kopgeld dat door elk individu betaald diende te worden als afkoop voor hun leven.

Register met betalingen voor de zouttaks [TM 44391]

Verkoopstaksen

Als we de antieke auteurs moeten geloven, was de plaats van de vrouw aan de haard, maar in werkelijkheid werkten vele vrouwen buitenshuis. In dit verband merkt Herodotus op dat in Egypte “vrouwen naar de markt gaan en handeldrijven, terwijl mannen thuisblijven en weven”. Deze opmerkelijke bewering wordt in zekere mate bevestigd door het fiscale bewijsmateriaal: de weversbelasting werd doorgaans door mannen betaald, terwijl vrouwelijke betalers van de beroepsbelasting vaak verkoopsters waren. De belangrijkste bron voor die beroepsbelasting vermeldt betalingen door een kaasverkoopster en een broodverkoopster, naast een koeienhoedster [TM 5804]. De gerelateerde belasting voor de bewaking van werkplaatsen werd bovendien betaald door een groenteverkoopster, die dus haar eigen winkel had [TM 7771].

We vinden vooral veel vrouwen onder de bierverkopers die de bierbelasting betaalden. Er is wel eens gesuggereerd dat dit verband hield met bordelen, maar onze voornaamste bron voor deze belasting beschrijft slechts één van de dertien vrouwen als prostituee, en dergelijke beweringen zijn een voorbeeld van de problematische seksualisering van vrouwelijke arbeid [TM 1894]. De betrokkenheid van vrouwen bij de handel strekte zich bovendien uit tot de lucratieve olie-industrie. Olie was onder de Ptolemaeën een “staatsmonopolie” en de verkoop ervan was onderworpen aan competitieve overheidscontracten. Vooral in stedelijke contexten komen we veel vrouwen tegen: in de hoofdstad van de Arsinoïtische gouw waren 32 van de 48 bekende olieverkopers vrouwen [TM 7514].

Marktscène uit het graf van Ipy

Ook vandaag vinden we in het globale Zuiden bovenmatig veel vrouwen onder de marktkramers. Uit onderzoek blijkt dat dergelijke activiteiten vaak zwaarder worden belast dan andere ondernemingen, omdat lokale overheden bij gebrek aan betrouwbare gegevens gebruikmaken van een vereenvoudigd belastingstelsel dat uitgaat van een “verondersteld inkomen”.

Beeld van de brouwster InpusheshiNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Beeld van de brouwster Inpusheshi

Het is best mogelijk dat het Egyptische systeem op een gelijkaardige manier functioneerde, maar gegevens hierover ontbreken. Hoewel we in veel beroepen occasioneel vrouwen aantreffen (bijvoorbeeld als schoenmakers, bakkers, badhuisbeheerders, wevers, artiesten, balsemers, enz.), werden ze wel degelijk geconfronteerd met structurele hindernissen. Dit komt het duidelijkst tot uiting in het lidmaatschap van beroepsverenigingen, die grotendeels uit mannen bestonden. Anderzijds aarzelde de staat niet om vrouwen in te schakelen als tussenpersonen voor de inning van belastingen in sectoren waar zij een bijzonder belangrijke rol speelden. Zo bestaat het archief van de brouwster Taembes uit bankbetalingen namens haar door verscheidene mannen, wat erop wijst dat zij de pachter was van de dorpsbierbelasting [TM archive 371]. Dit zou haar autoriteit hebben verleend over haar mannelijke collega’s.

De wolbelasting: de dunne grens tussen huishouden en commercie

De voor ons meest interessante taks is de zogenaamde “wolbelasting”, die tegen een laag vast tarief werd betaald, enkel door vrouwen, maar niet door alle vrouwen. Ongeveer één op de drie was eraan onderhevig, hoogstwaarschijnlijk omdat ze sponnen. Het spinnen van garen om aan de vraag voor de antieke textielindustrie te voldoen vereiste een enorme hoeveelheid arbeid. Het grootste deel hiervan werd verricht door vrouwen die deeltijds thuis sponnen, aangezien spinnen gemakkelijk te combineren viel met huishoudelijke taken. Zulke taken zijn belangrijk als economische activiteit op zich en als vereiste voor andere vormen van productie, maar komen zelden terug in fiscale en andere officiële statistieken. Het feit dat de Ptolemaeën ervoor kozen om het spinnen binnen het huishouden in geld te belasten, impliceert dat de vrouwen een zeker inkomen uit dit werk haalden. Met andere woorden, hoewel dit werk thuis werd verricht, werd het garen niet (alleen) gebruikt voor de productie van kleding voor het huishouden. We moeten dus voorzichtig zijn om geen al te scherp onderscheid te maken tussen “huishoudelijke” en “commerciële” activiteiten.

3D-weergave van een Griekse vaas met spinnende vrouwen (Metropolitan Museum of Art)

Belastingen op het vermogen van vrouwen

Een laatste categorie belastingen verraadt de misschien wel belangrijkste economische rol van vrouwen: het bezit van onroerend goed. We vinden vrouwen terug onder de betalers van overdrachtsbelasting, successierechten en eigendomsbelasting. De eigendommen waarvoor zij betaalden, bestonden voornamelijk uit huizen en grond, maar omvatten ook uiteenlopende zaken als duivenhokken.

Maquette van een portiek en tuin

Kwantitatieve gegevens zijn schaars, maar in één huis-aan-huisregister was 16% van de woningen in het bezit van een vrouw. In beter gedocumenteerde Romeins-Egyptische dorpen lag het percentage vrouwelijk eigendom tussen de 20 en 30%. Opvallend genoeg worden vrouwen zelden genoemd als betalers van de oogstbelasting op de velden die zij bezaten. Dit kan erop wijzen dat hun echtgenoten het beheer van de eigendommen op zich namen, maar het zou ook te maken kunnen hebben met het feit dat de meeste van de kwitanties afkomstig zijn uit Opper-Egypte, waar de pachters en niet de eigenaars van de grond verantwoordelijk waren voor de betaling van deze bijdrage. Dit suggereert wel dat vrouwen zelden de belangrijkste verrichters van landbouwwerk waren. Vrouwen haalden vaak inkomsten uit hun eigendom door het aanbieden van leningen. Dit weten we niet uit fiscale documenten, maar uit leenovereenkomsten, aangezien de rente die zij ontvingen niet werd belast, behalve in het geval van registratiekosten voor contracten wanneer de bedragen bijzonder hoog waren.

Een mannenwereld … met mogelijkheden voor vrouwen

Uit de papyri blijkt duidelijk dat Hellenistisch Egypte een patriarchale samenleving was, maar vrouwen waren geenszins veroordeeld tot een leven binnenshuis. Vooral voor vrouwen aan de lagere kant van het sociale spectrum zou dit sowieso nauwelijks haalbaar zijn geweest. We zien dat ze werkzaam waren als handelaars en in mindere mate als ambachtsvrouwen, en ze betaalden belastingen net als hun mannelijke collega’s. In sectoren waar ze bijzonder goed vertegenwoordigd waren, met name de bierindustrie, konden ze bovendien optreden als belastingpachters. Tot een derde van de vrouwen haalde een aanvullend inkomen uit het spinnen van garen en betaalde de wolbelasting, die alleen aan vrouwen werd opgelegd. Vrouwen uit de midden- en hogere klasse bezaten een niet te verwaarlozen deel van het Egyptische onroerend goed en haalden inkomsten uit het uitlenen van geld en graan. Het is dus duidelijk dat Hellenistisch Egypte kansen bood aan vrouwen die bereid en in staat waren deze te grijpen.

Lees meer

Clarysse, W. and Thompson, D.J., Counting the People in Hellenistic Egypt, Cambridge, 2006.

Dogaer, N., ‘Spun and Fleeced? Spinning, the Wool Tax, and Gendered Labour in the Ptolemaic Textile Industry’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 69.2 (2023), 353–370.

Joshi, A., Kangave, J. and van den Boogaard, V., ‘Furthering a Feminist Fiscal Agenda: Engendering Tax and Development’, Development Policy Review 43.3 (2025) (https://doi.org/10.1111/dpr.70005).

OECD, Tax Policy and Gender Equality: A Stocktake of Country Approaches, Paris, 2022.

Schentuleit, M., ‘Gender Issues: Women to the Fore’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Hoboken NJ, 2019, 347–360.

Coverfoto: adaptatie van de 2D-weergave van een afbeelding op een vaas, een ‘Terracotta lekythos (oil flask)’, uit de collectie van The Metropolitan Museum of Art (Public Domain).

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

Het bericht Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte! van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/07/2026/belastingen-een-mannenzaak-niet-in-hellenistisch-egypte/feed/ 0 2841
Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/#respond Sun, 12 Oct 2025 14:02:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2718 De bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten

Ook in de Oudheid konden belastingbetalers zich beroepen op bewijsmateriaal: uit duizenden papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte blijkt dat belastingkwitanties een belangrijk middel vormden om burgers te beschermen tegen fraude en misbruik. Ze tonen aan dat onderdanen niet louter passieve slachtoffers waren van een zwaar belastingsysteem, maar ook rechten konden laten gelden. In dit artikel wordt geschetst hoe deze kwitanties functioneerden, van Ptolemaeïsch Egypte tot zelfs Bactrië en Babylonië, en wat ze onthullen over administratieve continuïteit en de ideologie van redelijkheid bij antieke heersers. Zelfs in een wereld zonder digitale archieven gold: wie zijn bonnetje bijhield, stond sterker.

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zomer brengt in België niet enkel vakantie, maar ook het moment waarop de belastingaangifte ingediend moest worden. Traditioneel gaat dat gepaard met heel wat papierwerk, wat al eens tot frustratie kan leiden. Maar die bureaucratie heeft ook een positieve kant: het papierwerk kan namelijk gebruikt worden om aan te tonen dat aan alle verplichtingen voldaan is. In de Oudheid was dat niet anders. We stellen ons de onderdanen van de antieke heersers al te makkelijk voor als hulpeloze slachtoffers van scrupuleuze belastinginners, die gebukt gingen onder zware fiscale verplichtingen. Dit was echter niet noodzakelijk het geval. Zeker, onze bronnen tonen dat ambtsmisbruik geen uitzondering was, maar er was op zijn minst een ideologie die de nadruk legde op redelijkheid, en individuen stonden niet machteloos. Het meest directe bewijs hiervoor wordt geleverd door de papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte. In het bijzonder de belastingkwitanties die aan de betalers werden uitgedeeld, wijzen op een zekere mate van bescherming.

Antieke belastingbetalers: onderdrukt en overbelast?

De Romeinse keizer Tiberius op een zilveren denarius

We moeten ons uiteraard geen illusies maken over de zwaarte van belastingen in de Oudheid, maar het blijft niettemin onduidelijk wat de belastingdruk was in antieke samenlevingen. In ieder geval erkenden de heersers over het algemeen het feit dat overdreven zware belastingen op lange termijn contraproductief werkten. Het bekendste voorbeeld zijn de woorden die Suetonius toeschrijft aan Tiberius. De keizer vermaande enkele van zijn gouverneurs als volgt: “een goede herder moet zijn schapen scheren, niet villen.” Meer dan een millennium eerder vinden we de redenering nog explicieter terug in Egypte, in de zogenaamde Loyalist Teaching:

Overweldig de boer niet met belastingen, laat hem het goed hebben en hij zal er het volgende jaar nog steeds voor je zijn.

Soortgelijke opvattingen zijn overal in de antieke wereld terug te vinden, van Babylonische wijsheidsliteratuur tot de Arthashâstra in het India van de 4de eeuw v.C. Dat dit niet alleen theoretische overwegingen waren, blijkt het duidelijkst uit de documentaire teksten uit Egypte, inclusief edicten en officiële correspondentie waarin werd vastgelegd wie wat moest bijdragen en waarin ambtenaren die misbruik maakten van hun positie met straffen werden bedreigd.

Belastingkwitanties als bescherming van betalers in Hellenistisch Egypte

Op 25 artabas na heeft Ptolemaios zoon van Harpsalis ons niets toegerekend voor de half-artaba belasting, omdat jij geen kwitantie genomen hebt, aangezien je niks serieus neemt. [P. Tebt. 3 768; TM 7848]

Misstanden tegenover belastingbetalers kwamen wel degelijk voor in Egypte, maar de situatie kon verholpen worden, althans als de betaler eraan gedacht had om een kwitantie mee naar huis te nemen. Met meer dan 2000 gepubliceerde exemplaren vormen belastingkwitanties het meest voorkomende type tekst uit de Ptolemaeïsche periode, en dat aantal neemt nog toe onder de Romeinen. De Ptolemaeïsche kwitanties komen grotendeels uit Opper-Egypte, waar ze op ostraca geschreven werden.

Andere teksten maken echter duidelijk dat het om een algemeen gebruik ging; ook elders in Egypte deelden de autoriteiten zulke bewijsstukken uit. Aangezien er soms verschillende kwitanties op hetzelfde object aangebracht werden, was het waarschijnlijk de betaler zelf die een ostracon, papyrus of houten tabletje meebracht. De meeste betalers waren onderworpen aan een hele reeks belastingen, en in het gemiddelde huishouden zouden er dus verschillende kwitanties terug te vinden geweest zijn, wat interessante vragen oproept over de geletterdheid van de Egyptische bevolking.

Ptolemaeïsche kwitantie voor de belasting op wijngaarden

Kwitantie voor de oogstbelasting uit de 6de eeuw v.C.

Hoewel ze pas vanaf de Ptolemaeïsche periode in grote aantallen bewaard gebleven zijn, kende men in Egypte al eerder belastingkwitanties, ten laatste vanaf de 7de eeuw v.C. De Ptolemaeën namen in dit geval dus een bestaande praktijk over en ze breidden het gebruik ervan uit. Dit hoeft niet te verbazen: contact met de belastingbetalers was een zaak van de lokale administratie, en op dit niveau was de continuïteit het grootst. Kwitanties uit een archief dat toebehoorde aan een zekere Teos (een Thebaanse dodenpriester of choachiet) en diens vrouw Thabis, daterend uit de overgangsperiode tussen de Perzen en de Ptolemaeën (4de eeuw v.C.), tonen bovendien vormelijke continuïteit met de vorige periodes. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een specifieke Ptolemaeïsche vorm van belastingkwitanties, waaronder ook exemplaren die in het Grieks waren opgesteld.

Documenten ten dienste van de bevolking

Het citaat in de vorige sectie toonde reeds dat de kwitanties door de belastingbetalers werden bijgehouden als bewijsstukken. Zonder konden gewetenloze beambten hen twee keer laten betalen. Er zijn meerdere gevallen bekend waarin zulke functionarissen kwitanties aan de betalers probeerden te ontfutselen, hetzij onder valse voorwendselen, hetzij door ze gewoon te stelen, om zo meer geld af te kunnen troggelen van hun slachtoffers.

Takskwitantie in het Demotisch en het Aramees

Gelukkig schetsen andere teksten een positiever beeld van het gebruik van kwitanties. Eén betaler uit de vroeg-Romeinse periode verwijst nog terug naar kwitanties uit de tijd van Cleopatra VII, decennia eerder, en de kwitanties bleven dus zelfs geldig over de regimewissel heen. De meeste Ptolemaeïsche kwitanties werden geschreven in het Demotisch of het Grieks, maar er zijn ook een handvol Aramese exemplaren bewaard. Dit toont nog maar eens aan dat ze bedoeld waren om de belastingbetalers van dienst te zijn, aangezien het Aramees geen officiële taal was van de Ptolemaeïsche staat, maar een minderheidstaal van bepaalde gemeenschappen.

De Ptolemaeën boden deze dienst gratis aan, in tegenstelling tot de Romeinen, die de bevolking lieten betalen – mensen laten betalen voor het betalen van hun belastingen kan misschien nog een creatieve manier zijn om het gat in de begroting te verkleinen – voor hun belastingkwitanties.

Bescherming van belastingbetalers elders in de Hellenistische wereld

Het feit dat Ptolemaeïsche belastingkwitanties verder bouwden op een bestaand gebruik betekent daarom niet dat het om een exclusief Egyptisch fenomeen ging. Wel is het zo dat alledaagse documenten zoals kwitanties over het algemeen op vergankelijke materialen geschreven werden, die we voornamelijk nog in Egypte terugvinden, dankzij de bijzondere klimatologische omstandigheden.  Maar bij toeval is er een kwitantie uit de 2de eeuw v.C. op dierenhuid bewaard gebleven uit Bactrië, in het huidige Afghanistan. Verschillende van de vermelde formules en ambtenaren zijn ook bekend in Egypte, een illustratie van de verwevenheid van de Hellenistische wereld.

Bactrische belastingskwitantie op dierenhuid uit de 2de eeuw v.C.

Uit het Hellenistische Babylonië zijn weliswaar geen kwitanties bewaard gebleven, maar er zijn wel grote hoeveelheden zegels gevonden met daarop vermeldingen van belastingen. De documenten waaraan ze ooit waren bevestigd, zijn verloren gegaan. Sommige daarvan waren mogelijk belastingkwitanties, en net als in Egypte zijn er voorbeelden van zulke teksten bekend uit de Neobabylonische en Perzische periodes, maar dit is geenszins zeker. In ieder geval dienden de zegels op zichzelf ook als bewijs van de vervulling van bepaalde verplichtingen. Dit illustreert dat er in verschillende antieke samenlevingen verschillende methoden konden worden gebruikt om belastingbetalers te beschermen. Die laatsten waren dus geenszins passieve en uitgebuite onderdanen die weerloos waren tegen misbruik door staatsambtenaren.

Lees meer

Depauw, M., The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes, Turnhout, 2000.
Muhs, B., Tax Receipts, Taxpayers and Taxes in Early Ptolemaic Thebes, Chicago, 2005.
Jakobsson, J. and Glenn, S., ‘New Research on the Bactrian Tax-receipt’, Ancient History Bulletin 32 (2018), 61–71.
van Oppen de Ruiter, B. F. and Wallenfels, R. (eds.), Hellenistic Sealings & Archives: Proceedings of the Edfu Connection, an International Conference, Turnhout, 2021.

Coverafbeelding: adaptatie van een beschilderd tafereel van een veekeuring door Nebamoen (een klerk en graanteller in het befaamde tempelcomplex van Thebe rond 1350 v.C.) uit diens grafcomplex, bewaard in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/feed/ 0 2718
Van Demotisch naar Grieks: Vertalingen, leenwoorden, of verklarende beschrijvingen https://www.oudegeschiedenis.be/31/07/2025/van-demotisch-naar-grieks-vertalingen-leenwoorden-of-verklarende-beschrijvingen/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/07/2025/van-demotisch-naar-grieks-vertalingen-leenwoorden-of-verklarende-beschrijvingen/#respond Thu, 31 Jul 2025 19:55:03 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2690 Tempel van Hathor in Deir el-Medina

In Ptolemaeïsch Thebe vertaalden tweetalige Egyptische scriba’s religieuze en administratieve termen van het Demotisch naar het Grieks met een combinatie van letterlijke vertalingen, fonetische transcripties, leenvertalingen en verklarende omschrijvingen. Deze strategieën weerspiegelen de complexe tweetalige context waarin Grieks en Egyptisch naast elkaar bestonden zonder duidelijke dominantie, al had het Grieks een hogere status in officiële domeinen. Sommige oorspronkelijk Egyptische termen groeiden via herhaald gebruik uit tot volwaardige Griekse leenwoorden, zo blijkt uit de verschillende bronnen (voornamelijk tweetalige papyri) uit Ptolemaeïsch Thebe.

Het bericht Van Demotisch naar Grieks: Vertalingen, leenwoorden, of verklarende beschrijvingen van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Tempel van Hathor in Deir el-Medina

Net zoals we tegenwoordig zonder nadenken googelen of binge-watchen – woorden die uit het Engels zijn overgenomen en helemaal zijn ingeburgerd – zo nam men in de Oudheid ook leenwoorden over wanneer een directe vertaling ontbrak. Tweetalige scriba’s in Ptolemaeïsch Thebe moesten vaak creatief zijn bij het vertalen van religieuze termen, zoals priestertitels en godennamen, van Demotisch naar Grieks. Soms vonden ze een passend Grieks equivalent, maar als dat er niet was, grepen ze naar slimme alternatieven: leenvertalingen, fonetische transcripties of verklarende omschrijvingen. Sommige van deze woorden raakten zo ingeburgerd dat ze uiteindelijk als volwaardige Griekse termen werden beschouwd.

Tweetaligheid in Ptolemaeïsch Thebe

Een Egyptisch schrijverspalet

De sociolinguïstische realiteit van Ptolemaeïsch Egypte kan het best worden omschreven als een situatie van “living apart together”. Er waren individuen die uitsluitend Grieks spraken en anderen die alleen Egyptisch gebruikten, terwijl een derde groep tweetalig was. Beide talen genoten een vergelijkbaar prestige, zonder dat een van de twee volledig dominant was. Toch werd Grieks steevast gebruikt voor officiële en administratieve aangelegenheden. Dit verklaart waarom Egyptenaren eerder geneigd waren Grieks te leren dan omgekeerd. De elites hechtten vermoedelijk het meeste prestige aan hun eigen taal, al hadden zij doorgaans ook kennis van de andere. In Ptolemaeïsch Thebe (het huidige Luxor), in het zuiden van Egypte, bestond de elite voornamelijk uit Egyptische priesters. Zij waren cultureel geworteld in de Egyptische traditie, maar hadden vaak ook een zekere beheersing van het Grieks. De papyri die zij hebben nagelaten, vormen dan ook een waardevolle bron voor het onderzoek naar tweetaligheid in deze periode.

Scriba’s en hun kennis

De Demotische (Egyptische) papyri uit Ptolemaeïsch Thebe zijn in veel gevallen geschreven door notarissen (monographoi), die deel uitmaakten van de Egyptische clerus en werkten voor het notariaat van de tempel. Wie een huis wilde kopen of een huwelijk wilde sluiten, moest naar het notariaat gaan om een contract te laten opstellen, waarbij ook getuigen aanwezig moesten zijn. Soms moesten deze Demotische contracten in het Grieks worden vertaald, bijvoorbeeld wanneer een zaak voor de (Griekse) rechtbank werd gebracht. Dit verklaart waarom zoveel tweetalige papyri uit Ptolemaeïsch Thebe bewaard zijn gebleven (bijvoorbeeld P. BM Andrews 28 [TM 2732]). Naast het Demotische notariaat, waar scriba’s in het Egyptisch schreven, bestond er ook een Grieks notariaat, waar scriba’s (agoranomoi) in het Grieks schreven. Interessant genoeg waren deze Grieks-schrijvende scriba’s vaak Egyptenaren die Grieks hadden geleerd. In sommige gevallen is hun Egyptische achtergrond duidelijk herkenbaar, bijvoorbeeld door de invloed op hun geschreven Grieks en de “fouten” die zij maakten. Juist deze fouten, evenals de manier waarop Egyptische woorden in het Grieks werden weergegeven, bieden waardevolle inzichten in de tweetaligheid in Ptolemaeïsch Thebe en het taalniveau van deze scriba’s.

Voorbeeld van een tweetalig (Demotisch/Grieks) contract uit Ptolemaeïsch Thebe (P. BM Andrews 28 [TM 2732])

Religieuze terminologie in Demotisch en Grieks

Een kruik waarin een Thebaans tweetalig papyrusarchief werd bewaard

Een interessante casus om de tweetaligheid in Ptolemaeïsch Thebe te onderzoeken, is de religieuze terminologie in de tweetalige papyri. Deze omvat onder andere priestertitels, toponiemen van tempels en godennamen. Voor veel traditionele Egyptische (Demotische) termen bestond er geen direct equivalent in het klassieke (koine) Grieks. Om deze begrippen toch weer te geven, moesten scriba’s alternatieve strategieën toepassen wanneer een eenvoudige vertaling niet volstond. Dit leidde tot creatieve aanpassingen en interessante varianten in de manier waarop Demotische woorden in het Grieks werden weergegeven.

Vertalingen en leenvertalingen

De eenvoudigste manier om Egyptische termen in het Grieks weer te geven, was door ze rechtstreeks te vertalen. Zo werden het ‘hoofd van een phyle’ en een ‘wever’ simpelweg vertaald. Wanneer er echter geen bestaand Grieks equivalent voorhanden was, maar een gedeeltelijke vertaling wel mogelijk was, werd vaak een leenvertaling toegepast. Hierbij werd het woord niet in zijn geheel vertaald, maar werd elk afzonderlijk deel omgezet in het Grieks. Zo werd een watergieter (wah-moe) bijvoorbeeld omschreven als ‘degene die water’ (choachytes) uitgiet, en werd een wever van koninklijk linnen een ‘byssos-wever’. Bij al deze (leen)vertalingen was het duidelijk welke functies de personen met deze titels uitoefenden, en er bestond voldoende Griekse woordenschat om geschikte vertalingen te maken. Dit komt mede doordat deze functies, hoewel ze vaak verbonden waren met een tempel- of religieuze context, niet per se cultureel specifiek waren. In wezen betroffen ze vrij algemene beroeps- of taakomschrijvingen.

Buitenlandsismen en leenwoorden

Wanneer functies complexer of minder duidelijk waren, of wanneer er geen passend Grieks equivalent voorhanden was, koos men vaak voor een transcriptie. Dit betekende dat de scriba het Egyptische woord fonetisch weergaf in het Griekse schrift. Deze transcripties konden aanvankelijk een buitenlandsisme zijn, wat betekent dat ze letterlijk on the spot werden geconcipieerd, zonder een gestandaardiseerde spelling. De tweetalige documenten uit Ptolemaeïsch Thebe bevatten enkele interessante voorbeelden van dergelijke buitenlandsismen, zowel voor priestertitels als religieuze toponiemen.

Een eerste voorbeeld komt uit een tweetalige mummielijst (P. Survey 54A, [TM 3582]), waarin de namen en titels van de overledenen staan vermeld voor wie de dodenpriesters plengoffers brachten. Een van de individuen op deze lijst was een hogepriester van Ptah, pꜣ ḥm(-nṯr) Ptḥ, wat in het Grieks doorgaans wordt vertaald als hogepriester van Hephaistos (προφήτης Ἡφαίστου, prophetes Hephaistou). De scriba van deze lijst was echter niet bekend met de gangbare vertaling en kon de titel alleen fonetisch noteren, waardoor hij een buitenlandsisme introduceerde. Hij schreef de titel neer zoals hij die hoorde: φενπταιος (phenptaios; mogelijk uitgesproken als pəhəmpətáh). De scriba was zich duidelijk bewust van zijn onzekerheid, want hij voegde er bijna verontschuldigend aan toe: “of hoe de titel dan ook anders geschreven wordt”.

Griekse gedeelte van een tweetalige mummielijst (P. Survey 54A, [TM 3582])

Andere voorbeelden van buitenlandsismen zijn terug te vinden in enkele Thebaanse toponiemen. Bekende tempels kregen meestal een Griekse vertaling: de tempel van Amon (de Karnak-tempel) werd het Ammonieion, de tempel van Anubis het Anubieion, en de tempel van Isis het Isieion, enzovoort. Wanneer een letterlijke vertaling niet mogelijk was, werd vaak de interpretatio Graeca toegepast, waarbij een Egyptische god werd gelijkgesteld met een Griekse. Zo werd de tempel van Montu het Apollonieion, aangezien Montu werd vereenzelvigd met Apollo; de tempel van Mut werd het Heraion, en de tempel van Hathor het Aphrodisieion. Voor minder bekende tempels of toponiemen kon dit principe niet altijd worden gevolgd, en schreef de scriba soms fonetisch neer wat hij hoorde. Zo werd de tempel van Opet in het Karnak-domein, Pꜣ-pr-ꞽp.t-wr.t, fonetisch weergegeven als Παποηριεῖον of Πεφοηριείο (papoerieion, pephoerieion; mogelijks uitgesproken als *pəp(ʰ)əwèrə). Op dezelfde manier werd het dorp “de fundering van Isis”, gelegen naast de tempel van Deir-Shelwit, Pa-grg(-n)-ꜣs.t, fonetisch weergegeven als Πακηρκεῆσις, Πακερκεεσις (pakerkeesis; mogelijks uitgesproken als *pəkərkəʔésə).

Opvallend bij buitenlandsismen is dat ze meestal slechts één keer voorkomen, zoals in het voorbeeld van de hogepriester van Ptah. Wanneer ze daarentegen meerdere keren worden aangetroffen, zoals bij de toponiemen, ontbreekt vaak een gestandaardiseerde spelling. Dit resulteerde in verschillende Griekse varianten van dezelfde naam. Na verloop van tijd konden dergelijke buitenlandsismen uitgroeien tot volwaardige leenwoorden die zich volledig aan het Grieks hadden aangepast. De buitenlandse oorsprong van het woord speelde dan geen rol meer; het werd volledig geïntegreerd in de taal en kreeg een gestandaardiseerde spelling.

Er zijn niet veel voorbeelden van Demotische termen die uiteindelijk Griekse leenwoorden werden. Toch zijn er enkele titels waarbij dit gebeurde en die volledig ingeburgerd geraakten. Een eerste voorbeeld is de titel mr-šn, die verwees naar een functionaris die verantwoordelijk was voor de financiële administratie van de tempel en verantwoording moest afleggen aan de Ptolemaeïsche overheid. De Griekse variant, λεσῶνις (lesonis), was een fonetische weergave van de Demotische titel, maar in tegenstelling tot buitenlandsismen werd het woord volledig aangepast aan het Grieks en consequent op dezelfde manier geschreven. Een vergelijkbaar geval is de titel gl-šr, die verwees naar een soort soldaat, mogelijk een bewaker van het tempeldomein. In het Grieks werd deze titel weergegeven als καλάσιρις (kalasiris).

Niet alleen titels, maar ook Egyptische epitheta konden zich ontwikkelen tot leenwoorden. Het bekendste voorbeeld hiervan is te vinden binnen de cultus van Amon, de hoofdgod van het Thebaanse gebied. Twee van de meest voorkomende priesterfuncties binnen zijn cultus waren genoemd naar epitheta van Amon: de profeten van Amon in Karnak (Ꞽmn-n-Ꞽp.t-sw.t) en de profeten van Amon-Ra, koning der goden (Ꞽmn-Rꜥ nsw.t nṯr.w). Opmerkelijk genoeg kreeg alleen het laatste epitheton een Griekse tegenhanger: Ἀμονρασονθήρ. Dit was waarschijnlijk omdat dit het meest prominente epitheton van de twee was. Vermoedelijk werd dit Griekse leenwoord ontwikkeld door Egyptische priesters die naar de meest geschikte “vertaling” zochten om de belangrijke cultus van Amon in het Grieks weer te geven.

Verklarende beschrijvingen

Een beeld van een Egyptische scriba (5de dynastie)

Wanneer het oorspronkelijke Egyptische woord voor de scriba duidelijk was, maar er geen Grieks equivalent bestond, kon hij naast een transcriptie ook een verklarende beschrijving ontwikkelen. In zulke gevallen werd niet simpelweg een woord overgenomen, maar werd uitgelegd welke functie een persoon met die titel uitoefende. Opvallend is dat de Griekse equivalenten in veel gevallen explicieter en duidelijker zijn dan de oorspronkelijke Demotische termen.

Het feit dat het Grieks vaak duidelijker is dan het oorspronkelijke Demotisch, komt vooral naar voren in de cultus van heilige valken en ibissen. Deze vogels werden tijdens hun leven verzorgd en gevoed door een bepaalde groep priesters, vervolgens waarschijnlijk ritueel gedood als offer, en daarna gemummificeerd en begraven door een andere groep priesters. In het Demotisch werden de verzorgers aangeduid als ‘dienaar van de ibissen’ (bꜣk nꜣ ḥb.w) en ‘dienaar van de valken’ (bꜣk pꜣ bꞽk). Het Grieks biedt echter een veel specifiekere omschrijving: ἰβιοβοσκός (‘degene die de ibissen voedt’) en ἱερακοβοσκός (‘degene die de valken voedt’). Voor de priesters die de dieren mummificeerden en begroeven, die met een andere Demotische term eveneens ‘dienaar van de ibissen’ (sḏm nꜣ ḥb.w) en ‘dienaar van de valken’ (sḏm pꜣ bꞽk) werden genoemd, bood het Grieks opnieuw een verduidelijking: ἰβιοτάφος (‘degene die de ibissen begraaft’) en ἱερακοτάφος (‘degene die de valken begraaft’). Dit onderscheid zou op basis van het Demotisch alleen nooit zo helder zijn geweest, aangezien beide functies in die taal simpelweg als dienaar werden omschreven.

Een vergelijkbaar fenomeen doet zich voor bij de portiers van de tempel (ry-ꜥꜣ), die in het Grieks werden omschreven als ‘degene die het gordijn omhoog doet’ (παστοφόρος). Deze verklarende beschrijving is veel specifieker dan de algemene Demotische titel ‘portier’. Ook de Egyptische rechter, wpty in het Demotisch, wordt in het Grieks specifieker omschreven als ‘rechter van het volk’ (λαοκρίτης). Dit komt doordat de Grieken het rechtssysteem in Egypte diversifieerden. Naast de Egyptische rechters, die vaak priesters waren en rechtszittingen hielden bij de poorten van de tempels, voegden de Grieken ook hun eigen rechters, chrematistai (koninklijke rechtbanken) en dikastai (Griekse rechtbanken), toe. Deze diversificatie maakte het noodzakelijk om de Egyptische rechters, die al lange tijd bestonden, in het Grieks specifieker te beschrijven. Eveneens interessant is de titel van de Demotische voorleespriester, ẖry-ḥb, die naast het voorlezen van rituele teksten ook verantwoordelijk was voor de mummificatie van lijken. In het Grieks kreeg hij de specifieke titel ‘pekelaar’ (ταριχευτής), omdat hij degene was die de lijken met natron pekelde. Waar de oorspronkelijke Egyptische titel sterk de nadruk legde op de religieuze functie – hij is iemand die rituele teksten voorleest – richt de Griekse titel zich duidelijker op de praktische aspecten van de mummificatie. De Griekse term pekelaar werd overigens ook gebruikt voor mensen die werkzaam waren in de voedselindustrie, specifiek voor degenen die verantwoordelijk waren voor het pekelen van voedsel met zout.

Conclusie

Al deze Griekse verklarende beschrijvingen, die vaak beter uitlegden wat er precies werd bedoeld dan de oorspronkelijke Demotische termen, werden mogelijk ook ontwikkeld door Egyptenaren die Grieks hadden geleerd. Ze werden in ieder geval opgesteld door individuen die goed begrepen welke specifieke functies er uitgevoerd werden. Daarnaast is het belangrijk te benadrukken dat het beschrijven van bepaalde priesterfuncties om een titel te creëren geen nieuw concept was. De Egyptenaren deden dit al in eerdere periodes. Zo werden de verschillende handelingen die bijvoorbeeld tijdens het dagelijkse offerritueel voor de god in de tempel werden uitgevoerd, als volgt beschreven: degene die de horizon binnengaat en ziet wat er is, degene die het schrijn opent en de god ziet, enzovoort. Dit soort verklarende beschrijvingen werden al toegepast in eerdere hiëratische en hiëroglyfische titels. Dit kan een extra reden zijn om aan te nemen dat de Griekse verklarende beschrijvingen voor de Demotische titels eveneens door Egyptenaren werden gemaakt die de Griekse taal hadden geleerd.

Hoewel de tweetalige scriba’s in Ptolemaeïsch Thebe niet altijd volledig begrepen wat er precies aan de hand was en soms fonetisch moesten neerschrijven wat ze hoorden, bezaten ze in de meeste gevallen veel kennis en deden ze hun uiterste best om de religieuze Demotische terminologie zo nauwkeurig mogelijk in het Grieks weer te geven.

Meer Lezen

Coussement, S., “Because I am Greek”. Polyonymy as an Expression of Ethnicity in Ptolemaic Egypt, Stud. Hell. 55, Leuven, 2016.

Depauw, M., “Language Use, Literacy, and Bilingualism”, in C. RIGGS (ed), Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, pp. 671-689.

Fewster, P., “Bilingualism in Roman Egypt”, in J. N. ADAMS, M. JANSE and S. SWAIN (eds), Bilingualism in Ancient Society. Language Contact and the Written Word, 2002, pp. 220-245.

Kilani, M., “On the Vocalization of Semitic Words in Late Bronze Age Egyptian transcriptions: New Evidence from Papyrus Anastasi I”, in L. QUICK, S. NOLL, P. Y. YOO and E. KOZLOVA (eds), To Gaul, to Greece and Into Noah’s Ark. Essays in Honour of Kevin J. Cathcart on the Occasion of His Eightieth Birthday, Oxford, 2019, pp. 167-186.

Mairs, C. J. & Martin, R., “A Bilingual ‘Sale’ of Liturgies from the Archive of the Theban Choachytes. P. Berlin 5507, P. Berlin 3098 and P. Leiden 413”, Enchoria 31, 2008/9, pp. 22-67.

Schneider, T., “Three Histories of Translation. Translating in Egypt, Translating Egypt, Translating Egyptian”, in S. MCELDUFF, E. SCIARRINO (eds), Complicating the History of Western Translation. The Ancient Mediterranean in Perspective, London, 2011, pp. 176-188.

Vierros, M., Bilingual Notaries in Hellenistic Egypt. A Study of Greek as a Second Language, Coll. Hell 5, Leuven, 2012.

 

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Temple of Hathor, Deir el-Medina’, vanuit Wikimedia (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Van Demotisch naar Grieks: Vertalingen, leenwoorden, of verklarende beschrijvingen van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/07/2025/van-demotisch-naar-grieks-vertalingen-leenwoorden-of-verklarende-beschrijvingen/feed/ 0 2690
Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/ https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/#respond Sun, 07 Jan 2024 15:30:50 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2580 Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Van de peripateticus Hieronymus van Rhodos zijn weinig biografische gegevens bewaard, maar de 70 van hem overgeleverde fragmenten geven een verrassende versie van de mythe van Tithonus en een alternatieve beschrijving van het uiterlijk van Herakles.

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Zoals ook het geval was met Plato en zijn Academie, lijkt geen van Aristoteles’ leerlingen – denk bijvoorbeeld aan Theophrastus, Eudemus of Strato – dezelfde talenten te hebben gehad als de meester of een vergelijkbare invloed te hebben uitgeoefend op de latere traditie. Het zou echter onterecht zijn deze figuren te onderschatten. Hun onderzoek zette dat van Aristoteles immers voort op verschillende kennisgebieden, van de filosofie tot de filosofie en van de zoölogie tot de biografie.

Wie was Hieronymus?

Hieronymus, over wie het hier zal gaan, is een van de vele obscure peripatetici die leefden in de Hellenistische periode. Hij was afkomstig uit Rhodos en leefde in de 3de eeuw v.C., voornamelijk in Athene. Er is weinig geweten over zijn leven en bovendien is zijn werk verloren gegaan met uitzondering van zo’n 70 ‘fragmenten’: letterlijke citaten en parafrases uit zijn literaire productie in de werken van latere auteurs van wie de werken wel bewaard zijn gebleven in de Middeleeuwse manuscripten of antieke papyri. Hoewel vandaag nauwelijks nog iemand hem kent, was Hieronymus toch een van de meest illustere peripatetische filosofen van zijn tijd en bleef zijn faam zelfs na zijn dood doorleven: Strabo (1ste eeuw v.C.- 1ste eeuw n.C.) rekende hem nog steeds tot de beroemde burgers van Rhodos; Cicero en Plutarchus vermeldden hem met appreciatie als filosoof; Dionysius van Halicarnassus (1ste eeuw v.C.) waardeerde hem als literair criticus.

Van Hieronymus zijn, in tegenstelling tot de grondlegger van de Peripatetische School, deze Aristoteles, geen afbeeldingen bewaard

In de fragmenten van Hieronymus vinden we de uitgebreide interesses weerspiegeld die de Peripatetische School al sinds Aristoteles kenmerkten. Zo zijn er heel wat filosofische fragmenten, waarin Hieronymus zich bezighoudt met de definitie van het hoogste goed en een theorie van de woede presenteert (lang voor de Stoïcijnse filosoof Seneca dit deed in zijn De ira). De meeste fragmenten gaan echter over andere onderwerpen: biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, filologie, eruditie, … Opvallend vaak neemt Hieronymus bepaalde standpunten in, die we elders in de traditie niet terugvinden. Van opmerkelijk belang zijn hierbij de mythologische fragmenten en de historisch-biografische fragmenten. Drie hiervan, die me bijzonder interessant lijken, wil ik hier onder de aandacht brengen.

De mythe van Tithonus

Een fragment van Hieronymus (F 46 White, in enkele commentaren op de ‘Ilias’ bewaard) gaat over de mythe van Eos (de godin van de dageraad) en Tithonus (een Trojaanse prins). De bekendste versie van de mythe, die heel waarschijnlijk ook de oorspronkelijke is en die al geattesteerd is in de Homerische ‘Hymne aan Aphrodite’, alsook bij Mimnermus en Sappho, gaat als volgt: Eos werd zo verliefd op Tithonus dat ze aan Zeus de onsterfelijkheid voor haar geliefde vroeg en verkreeg. Alles ging goed totdat Tithonus oud begon te worden. Eos was namelijk vergeten om naast onsterfelijkheid ook eeuwige jeugd aan Zeus te vragen. In het begin verjoeg Eos Tithonus uit het huwelijksbed, maar ze bleef voor hem zorgen. Toen Tithonus echter steeds ouder en zwakker werd, walgde Eos van hem en sloot hem op in een grot.

De mythe van Eos en Tithonus afgebeeld op een Attische roodfigurige ‘kylix’

Bij Hieronymus vinden we echter een ander einde van het verhaal. Toen Tithonus zo oud en zwak was geworden dat het leven voor hem ondraaglijk was geworden, vroeg hij Eos hem te doden om hem verdere pijn te besparen. De godin bedacht echter een list: ze veranderde hem in een cicade, zodat zij voor altijd zijn stem kon blijven horen. Deze versie van de mythe, met wat we een happy ending zouden kunnen beschouwen, is duidelijk het resultaat van een latere adaptatie en modificatie. In het begin gaf de mythe vooral uitdrukking aan de angst voor ouderdom en maakte het de onmogelijkheid voor een mens duidelijk om te kunnen genieten van de goddelijke privileges zoals eeuwige gezondheid en onsterfelijkheid. Een heel triest verhaal dus. In de door Hieronymus overgeleverde versie verklaart de mythe van Tithonus in plaats daarvan de oorsprong van het prachtige lied van de cicaden, waarin voor hem de stem van Tithonos en de liefde van Eos eeuwig voortleven. Het werd zo één van de vele etiologische verhalen die voornamelijk in de Hellenistische tijd heel populair waren, die vaak op traditionele mythes gebaseerd waren en deze op een aangename manier herwerkten.

Het uiterlijk van Herakles 

Het verhaal van Tithonus is niet het enige geval waarin Hieronymus een bijzondere versie van een mythe bewaard heeft. In een ander fragment (F 44A White, overgeleverd door Clemens van Alexandrië, een christelijke auteur die leefde in de 2de eeuw .C.) geeft hij een zeer buitengewone beschrijving van Herakles, die wordt beschreven als “kort, met warrig haar en sterk”. Deze versie is erg vreemd, omdat Herakles over het algemeen heel anders wordt beschreven. Een collega van Hieronymus, de peripateticus Dicaearchus, noemde Herakles bijvoorbeeld “lang en slank” en “met lang haar”.

Herakles tegen Antaios op de Euphronius-krater uit het Louvre

Ook in andere bronnen werd Herakles helemaal niet als “kort” beschreven. Pythagoras had zijn lichaamslengte zelfs als uitzonderlijk lang berekend op basis van het feit dat zijn voeten, waarmee hij het stadion van Olympia had afgemeten, veel groter waren dan die van een gewone man. De enige parallel voor het verhaal van Hieronymus is te vinden bij de dichter Pindarus, waar Herakles wordt beschreven als “klein van gestalte” maar wel “onverwoestbaar van geest”. Ook het detail van het “warrige haar” is erg vreemd. Op vazen wordt Herakles meestal afgebeeld met heel net haar, in tegenstelling tot zijn barbaarse tegenstanders, zoals bijvoorbeeld op de beroemde Euphronius-krater in het Louvre.

Tegen de algemene traditie in zou Herakles, de zoon van Zeus van Alkmene, de held van de twaalf werken, volgens Hieronymus dus … een kort, gedrongen mannetje met ongekamd haar zijn geweest! Hieronymus’ beschrijving lijkt best negatief. Hoe kunnen we dit verklaren? Misschien heeft dit te maken met het ‘euhemerisme’, een stroming in de interpretatie van mythes die in de Hellenistische tijd wijdverspreid was en vooral door Euhemerus van Messene (4de eeuw v.C.) toegepast werd: volgens hem waren de goden slechts mensen die later vergoddelijkt werden. Als er dus een verband was tussen deze stroming en ons fragment, dan was de functie van de benadrukking van Herakles’ gebreken (of, als we het voorzichtiger willen formuleren, in ieder geval zijn onvolkomenheden) wellicht om zijn menselijke en sterfelijke oorsprong te onderstrepen en te “bewijzen”.

Het seksleven van Alexander de Grote

Hieronymus toonde dezelfde belangstelling voor uitzonderlijke en nauwelijks geattesteerde tradities ook in niet-mythologische fragmenten. Opmerkelijk is hier een fragment (F 30 White, bewaard door Athenaeus, een auteur die in de 2de eeuw n.C. leefde) over Alexander de Grote, waarin zonder enig bijkomend detail wordt beweerd dat Alexander er niet toe in staat was om seksuele relaties te hebben.

Deze bijzonderheid wordt voor het eerst vermeld in Hieronymus en heeft zo goed als geen invloed gehad op de overlevering over de koning. Nergens anders vinden we immers hetzelfde detail. Andere bronnen vermoeden dat Alexander wel eens homoseksueel zou kunnen zijn geweest. De daardoor veroorzaakte onmogelijkheid om kinderen te verwekken zou bijgevolg de basis kunnen vormen van ons verhaal. Zo staat bijvoorbeeld in een andere anekdote te lezen hoe Alexanders moeder Olympias zelfs probeerde de jonge Alexander naar bed te krijgen met de mooie Thessalische hetaere Kallixena, maar ze slaagde er niet in. Hieronymus’ kritiek lijkt echter van een andere strekking te zijn geweest. Hij zinspeelde misschien op erectiestoornissen die Alexander door overmatig wijngebruik af en toe gehad zou kunnen hebben. Hieronymus schreef namelijk ook een traktaat over dronkenschap en buitensporig drankgebruik, thema’s die vaak worden aangetroffen in de historiografie over Alexander. Het lijkt daarom een plausibele verklaring te zijn dat hij een verband legde tussen deze twee problemen van de koning.

De bekendste afbeelding van Alexander de Grote, een detail uit de Slag bij Issus, op een mozaïekvloer die momenteel in het museum van Napels te bezichtigen is

Het belang van Hieronymus’ overlevering

Hieronymus’ belangstelling voor zowel mythe als geschiedenis is op zich niet verrassend, ook omdat het onderscheid tussen mythe en geschiedenis in het Griekse denken niet zo vastomlijnd was. Wat wel opvalt, is het feit dat zijn naam in verband wordt gebracht met mythische en historische verhalen die zeer zeldzaam zijn in de overlevering. Dit kan deels te wijten zijn aan de latere overlevering, die zich toegespitst kan hebben op de meest uitzonderlijke aspecten in zijn werk. Dit lijkt echter niet de enige verklaring te zijn. Dergelijke obscure varianten van verhalen moeten inderdaad een rol hebben gespeeld in het werk van Hieronymus, ook al kunnen we niet meer achterhalen in welke mate.

We kunnen slechts betreuren dat Hieronymus’ werk bijna volledig verloren is gegaan en alleen bewaard is gebleven in fragmenten, die vaak obscuur, dubbelzinnig en moeilijk te begrijpen zijn. Toch geven deze fragmenten ons een idee van zijn mythologisch-historische studies. Zijn vaak bizarre en buitengewone versies verschaffen ons inzicht in wetenschappelijke en literaire debatten die we anders misschien niet zouden verwachten en waarvan ons de achterliggende redenen en de tendensen bij een eerste lectuur meestal ontgaan. Die zullen er echter wel vaak geweest zijn. Alleen de zorgvuldige studie van de fragmenten, de context waarin ze worden geciteerd of geparafraseerd en de parallelle traditie over elk onderwerp maken het mogelijk Hieronymus’ verhalen in hun context te plaatsen en hun betekenis te begrijpen, of op zijn minst enkele plausibele interpretaties te kunnen formuleren.

Verder lezen

De testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos zijn verzameld, vertaald en becommentarieerd door S.A. White in W.W. Fortenbaugh - S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion, Londen/New York 2004. In dezelfde bundel kan men een aantal essays vinden die belangrijke aspecten van Hieronymus’ biografie, filosofie en werk bespreken.

Voor de haardracht van Herakles, vooral in de figuratieve kunsten, is nuttige lectuur E.A. Mackay, “The Hairstyle of Herakles,” in A.J. Clark - J. Gaunt (reds.), Essays in Honor of Dietrich von Bothmer, Amsterdam 2002, pp. 203-210.

Over het seksleven van Alexander de Grote en de bronnen hierover kan men de volgende studies lezen: D. Ogden, “Alexander’s Sex Life,” in W. Heckel – L. A. Tritle (eds.). Alexander the Great. A New History, Malden (Mass.)/Oxford/Chichester 2009, pp. 203–217 en S. Müller, “The Sexuality of the Argeads,” in K.R. Moore (red.), The Routledge Companion to the Reception of Ancient Greek and Roman Sexuality, Londen/New York 2023, pp. 212-228.

Coverafbeelding: de fresco ‘The School of Aristotle’, geschilderd door Gustav Adolph Spangenberg in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg, vanop Wikimedia (Public Domain)

[Deze tekst werd oorspronkelijk in het Italiaans geschreven. Een eerste Nederlandse versie werd door DeepL gemaakt die dan grondig herwerkt werd. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn hulp en Ide François voor het proeflezen.] 

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/feed/ 0 2580
Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/#respond Thu, 02 Nov 2023 18:08:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2493

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we uit de bewaarde papyri over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of de gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.). Van zulke Egyptische begrafenisondernemers is het reilen en zeilen uitzonderlijk goed gedocumenteerd voor deze periode, door de honderden Egyptische (vooral demotische) en Griekse papyri.

Pekelaars, watergieters en godszegelaars

Een foto van Egyptische mummies, getrokken omstreeks 1870

Zoals de Inuit veel woorden (schijnen te) hebben voor sneeuw, zo hebben Egyptenaren veel woorden voor begrafenisondernemers. In de Ptolemaeïsche papyri is de belangrijkste Egyptische titel voor balsemers chery-heb of ‘voorleespriester’, een religieuze titel die een veel ruimer toepassingsgebied heeft maar in documenten uit deze tijd vooral nog in funeraire context verschijnt. Griekse teksten duiden deze voorleespriesters doorgaans op meer prozaïsche wijze aan als taricheutes of ‘pekelaar’, een titel die men niet alleen voor balsemers, maar ook voor collega’s in de voedselconservenindustrie gebruikt. Occasioneel wordt deze titel ingeruild voor entaphiastes, een meer algemene titel voor begrafenisondernemers, of paraschistes, ‘snijder’, waarover later meer.

Balsemers worden in principe onderscheiden van priesters verantwoordelijk voor de begrafenis en dodencultus, zoals de dodenpriesters van het Huis van de Koe en het Hermias-proces. Zij worden in het Egyptisch wah-moe en in het Grieks choachytes genoemd, allebei te vertalen als ‘watergieter’: zij brengen plengoffers voor de overledenen. Daarnaast zijn zij ook betrokken bij de organisatie van Egyptische festivals. Gaandeweg lijken de taken van de balsemer en de ‘watergieter’ te zijn overgenomen door een en dezelfde specialist, de chetemoe-netjer, Egyptisch voor ‘godszegelaar’, door de Grieken vertaald als nekrotaphos, opnieuw een meer algemene titel. Op enkele plaatsen, in het bijzonder in Hawara, komt de titel chetemoe-netjer haast altijd voor in combinatie met wyt, ‘balsemer’. Er bestaan nog veel meer titels, maar je hebt er waarschijnlijk wel stilaan genoeg van. De Egyptische titels van Ptolemaeïsche begrafenisondernemers hebben een lange voorgeschiedenis: wah-moe verschijnt voor het eerst in Thebe in de Ramessidentijd; de andere titels vind je al terug in tombes uit het Oude en Middenrijk.

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)de Garis Davies, N., en Gardiner, A.H., The Tomb of Antefoker, Vizier of Sesostris I, and of His Wife, Senet (no. 60) (Londen, 1920), pl. XXI

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)

Over lijken

De Ptolemaeïsche begrafenisindustrie werd beheerst door een complex, haast absurd systeem van concessies waarin specialisten het exclusieve recht konden verwerven om funeraire diensten te verlenen aan bepaalde groepen van mensen en daaruit inkomsten op te strijken. Deze rechten konden worden verkocht, vererfd, enzovoort. Wanneer je een dierbare verloor, kon je dus niet zelf kiezen welke balsemer je onder de arm nam: er was één begrafenisonderneming die het mummificatie-recht op de overledene bezat. Een demotisch contract uit Memphis uit 78 v.C. biedt een mooi voorbeeld van zo’n concessie (P. Dem. Memphis 7, TM 43705). In dit contract erkent een groep van vier ‘godszegelaars’ het recht van een andere groep van vijf ‘godszegelaars’ op de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais. Als de familie toch met een lijk zou komen aankloppen bij de eerste groep van balsemers, moeten deze de overledene binnen de vier dagen en op eigen kosten overdragen aan de tweede groep, tenzij het dode familielid in kwestie een vrouw zou zijn die gehuwd is met een man uit een familie waarop de eerste groep het recht heeft én een kind met hem heeft, dit alles “in overeenstemming met de wet van de voorleespriesters.” Kan je nog volgen?

Demotisch contract tussen godszegelaars uit Memphis over de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais (P. Dem. Memphis 7 A, 78 v.C.)

Begrafenisondernemers zagen nauwgezet toe op hun rechten en aarzelden niet om juridische stappen te ondernemen wanneer hun belangen met de voeten werden getreden. Dat kon aanleiding geven tot langdurige conflicten, zoals het geschil tussen Amenothes en Petenephotes, gedocumenteerd door enkele Griekse papyri uit Thebe (P. Tor. Amen. 6/7/8, TM 3596/3597/3598). Deze twee ‘snijders’, tevens bekend uit demotische papyri als ‘voorleespriesters’, hadden naar goede gewoonte een gedetailleerde overeenkomst afgesloten over hun respectievelijke rechten in de plaatselijke mummificatie-industrie. Petenephotes mocht de doden uit verschillende dorpen ten westen van de Nijl mummificeren, Amenothes de doden uit verschillende dorpen ten oosten van de Nijl, met één belangrijke uitzondering: de priesters en slaven uit de tempel van Amon (Karnak), die eveneens binnen de competentie van Petenephotes vielen.

Tempel van Chonsoe (Karnak, Nieuwe Rijk)

Die regeling leidde meer dan eens tot problemen. In 119 v.C. daagde Amenothes Petenephotes voor het gerecht omdat laatstgenoemde vrijgelatenen en afstammelingen van priesters uit de tempel had gebalsemd, terwijl hij alleen het recht op de priesters zelf en de slaven bezat. Amenothes werd in zijn gelijk gesteld. Op zijn beurt klaagde Petenephotes in 116 v.C. Amenothes aan: deze had een districtsschrijver gemummificeerd die weliswaar in een van Amenothes’ dorpen was gestorven maar woonachtig was in een van Petenephotes’ dorpen. Volgens Petenephotes had zijn collega hem al eerder in de luren gelegd door zijn diensten aan te bieden voor zieken die met hoop op herstel naar de tempel van Karnak waren gebracht (misschien meer bepaald naar de bijhorende tempel van Chonsoe, bekend voor zijn geneeskundige krachten) maar het loodje hadden gelegd. Petenephotes lijkt daarbij tactisch te verzwijgen dat hijzelf eigenlijk ook alleen maar het mummificatie-recht op de priesters en slaven van de tempel bezat, niet op zieken die er tijdelijk verbleven. De begrafenisondernemers gingen letterlijk en figuurlijk over lijken.

Eentje met natron (en zonder fouten)

Als klant kan je dan maar best eveneens goede afspraken met de balsemers maken. Het British Museum bewaart een zeldzaam voorbeeld van een mummificatie-contract, opgesteld in Thebe in 269 v.C., in het demotisch en in dubbele redactie (P. BM EA 10077, TM 46059). Het contract begint met een kwitantie van de begrafenisondernemer aan zijn cliënt:

Je hebt me volledig betaald voor de belasting op natron, het loon van de balsemer en alles wat de mummificatie van Paoeser je zoon betreft.

Demotisch mummificatie-contract uit Thebe (269 v.C., British Museum, EA 10077)

Natron is een belangrijk mummificatieproduct, dat gebruikt werd om lichamen te dehydrateren. Vorige commentatoren hebben hier “het aandeel van natron” of zelfs “de reiniging met natron” gelezen, maar het gaat duidelijk om de belasting. In plaats van “het loon van de balsemer” hebben onderzoekers vroeger “mummiewindsels” gelezen: het is altijd opletten geblazen met demotische teksten. Na deze kwijting somt de begrafenisondernemer zijn plichten op: hij zal Paoeser behandelen met pecheret of “medicamenten” (een mooie term voor mummificatieproducten, die de dode van bederf “genezen”), hij zal hem overhandigen aan de watergieter van zijn cliënt (die wellicht de eigenlijke begrafenis verzorgt) en hij zal geen “fout van een voorleespriester” begaan, wat wellicht slaat op fouten in de mummificatie, heel vervelend als je je lichaam na de dood nog nodig hebt… Voor alle zekerheid wordt er ook een deadline vastgesteld: vreemd genoeg 52 dagen (vroeger verkeerdelijk gelezen als 72), terwijl een mummificatie in principe ongeveer 70 dagen duurde.

Enkele jaren geleden dook er tijdens opgravingen in Tebtynis in de Fajoem-oase een nieuw Ptolemaeïsch mummificatie-contract op, voor de overleden echtgenote van een priester (P. Tebt. SCA 6863). Het contract begint opnieuw met een kwijting voor een belasting, deze keer geheven op de “medicamenten” (pecheret), alsook een kwijting voor de aankoopprijs van sefy, een van de belangrijkste funeraire producten in deze periode, wellicht een pekachtige substantie afkomstig van naaldbomen. De begrafenisondernemer verbindt zich ertoe de mummificatie volgens de regeltjes uit te voeren en de klant is op zijn beurt verplicht om alle verdere kosten te betalen.

Het kan op het eerste zicht verbazing wekken dat er zo veel papyri over begrafenissen maar slechts twee mummificatie-contracten gevonden zijn, maar hier zijn twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste werden deze contracten normaal gezien bijgehouden in de archieven van de klanten eerder dan de archieven van de begrafenisondernemers, maar zijn deze laatste veel beter bewaard omdat zij vaak hoog en droog in tombes in de woestijnrand werden opgeborgen. Ten tweede werden dergelijke contracten waarschijnlijk enkel opgesteld als de klant vooruitbetaalde en/of de overeenkomst een rijkelijke begrafenis betrof. Wie betaalt, bepaalt.

Dood en taksen

Bovengenoemde belastingen op natron en “medicamenten” (pecheret) zijn niet de enige in hun soort. Honderden potscherven uit de Grieks-Romeinse periode bevatten kwitanties voor funeraire belastingen, vaak geheven op de eigenlijke begrafenis (een vaste som per lichaam), maar ook op funeraire producten, begraafplaatsen, enzovoorts. De overheid toonde zich zelden zo inventief. Benjamin Franklin merkte al op dat “in this world, nothing is certain except death and taxes.”

Griekse kwitantie uit Diospolis Mikra voor belasting op mummificatie of balsemers en kedria (O. NYU 4, 105 v.C., New York University, O. 18)

Een laat-Ptolemaeïsche Griekse papyrus in de Leuvense collectie (te verschijnen als P. Kynopolites 4, TM 47586 ; 92/59 v.C.) biedt een interessant beeld van overheidsinmenging in de begrafenisindustrie. In dit document geven pachters van de belasting op pharmakon en kedria (duidelijk identiek aan bovenvermelde pecheret en sefy, respectievelijk “medicamenten” en de substantie afkomstig van naaldbomen) de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) van Apollonos Polis in de Kynopolitische nome de toelating om de doden uit de regio te begraven en om voor een vooropgesteld bedrag kedria van de overheid te kopen, op voorwaarde dat zij een hele reeks funeraire belastingen betalen.

 

Overheidscontrole op het belangrijke funeraire product kedria is ook uit andere bronnen bekend: er is bijvoorbeeld een verzoekschrift bewaard over ibisbegravers die kedria bij smokkelaars kopen in plaats van bij de koninklijke winkel. Het doet allemaal hard denken aan het monopolie op olie. De expliciete vermelding van de aankoopprijs van sefy in het eerder genoemde mummificatie-contract uit Tebtynis moet waarschijnlijk ook in deze context begrepen worden. De meeste funeraire belastingen in de Kynopolitische papyrus zijn nog niet bekend uit andere bronnen. De nekrotaphoi moeten niet alleen 600 bronzen drachmen betalen voor elke begrafenis, maar ook 2700 drachmen “voor elk lijk”, dezelfde 2700 drachmen “voor degenen die in de grond neergelegd en terug opgegraven zullen worden voor 70 dagen” en 400 drachmen “na de 70 dagen”: deze belastingen hebben geen betrekking op de begrafenisceremonie maar op de mummificatie. Raar genoeg verbindt de Ptolemaeïsche overheid fiscale consequenties aan het al dan niet respecteren van de canonieke mummificatie-periode van 70 dagen.

De referentie naar lichamen die tijdelijk in de grond worden gestopt roept ook veel vragen op: is dit een alternatieve, goedkopere balsemingsmethode? Een Romeinse grafinscriptie van een Griekse jongen uit Hermopolis (I. Hermoupolis 71, 2de eeuw n.C.) biedt een mogelijke parallel: de knaap vertelt dat hij zijn neef heeft opgedragen om hem “niet te begraven en opnieuw op te graven.” Hij lijkt het niet hoog op te hebben met Egyptische funeraire gebruiken, want hij wil ook begraven worden “zonder kedria en vieze stank, zodat je (= de voorbijganger) niet van me wegvlucht zoals van de andere lijken.” De Kynopolitische papyrus eindigt overigens met een positieve noot: belastingen voor dode kinderen zijn halve prijs.

Vrouwen aan de top

De mummificatie-industrie wordt doorgaans beschouwd als een mannenbastion, maar een nieuwe vondst suggereert dat de werkelijkheid complexer was. Onderzoekers weten al langer dat vrouwen ook als bezitters van funeraire rechten verschijnen in de papyri, maar beargumenteren dan telkens dat zij het eigenlijke werk wel aan mannelijke familieleden zullen hebben uitbesteed. Van een vrouw kan je zoiets toch niet verwachten? Vrouwen worden ook soms als ‘voorleespriester’ vermeld in demotische censuslijsten, maar daar worden ze wel vaker onder het beroep van hun echtgenoot gesorteerd. Toch is er mogelijk meer aan de hand. Een van deze lijsten somt vijf ‘voorleespriesters’ uit de 2de eeuw v.C. uit Shashotep in Midden-Egypte op (P. Count. 53, TM 44406):

Peteharmotnis zoon van …, zijn echtgenote Senpres, Petophois zoon van Totoes, zijn echtgenote Tapsais, Taw… de dochter van Chapochrates. Vijf personen, waaronder twee mannen.

Detail van doodskist van de vrouw Artemidora (Meir, Romeinse Tijd, Metropolitan Museum of Art, 11.155.5)

Door een gelukkig toeval is er in de papyruscollectie van Trinity College Dublin een Grieks verzoekschrift over een conflict tussen enkele van deze begrafenisondernemers bewaard gebleven, ingediend door de ‘pekelaar’ Petophois zoon van Totoes, duidelijk identiek aan de ‘voorleespriester’ Petophois in de demotische lijst (P. TCD Pap. Gr. env. 301, TM 58458). In het verzoekschrift doet hij zijn beklag over Senpres dochter van Teebekis en haar echtgenoot Peteharmonthes (hier = Peteharmotnis), die eveneens voorkomen in de demotische lijst, en een andere vrouw en man, allemaal actief als ‘pekelaars’. Door de fragmentaire bewaringstoestand van het document is de precieze aard van het conflict onduidelijk, maar de problemen hebben duidelijk te maken met het werk van de balsemers: er wordt bijvoorbeeld opnieuw verwezen naar kedria. De vrouwen spelen geen tweede viool, maar zijn de hoofdbeklaagden: Senpres wordt opmerkelijk genoeg vóór haar echtgenoot vermeld, op de derde plaats nog een vrouw. Misschien toch twee keer nadenken voor we vrouwen elke rol van belang in mummificatie ontzeggen? De aanklager Petophois komt trouwens uit een notoire familie van ruziemakers. Het zogenaamde Sioet-archief uit het British Museum informeert ons over (alweer) een resem juridisch procedures met betrekking tot hun familiale mummificatie-rechten en andere bezittingen, naar aanleiding van het tweede huwelijk van Petophois’ grootvader Petetymis.

De Griekse historicus Herodotus (5de eeuw v.C.) dist in zijn beschrijving van Egypte een bijzonder wansmakelijk detail over de mummificatie van vrouwen op (Hist. II 89):

De vrouwen van aanzienlijke mannen geeft men, wanneer ze sterven, niet meteen af om te pekelen, evenmin als vrouwen van grote schoonheid en betere reputatie, maar slechts nadat drie of vier dagen verstreken zijn, geeft men ze aan de pekelaars. Dat doet men om deze reden, dat de pekelaars geen gemeenschap met de vrouwen hebben.

Op basis van deze passage hebben enkele onderzoekers gespeculeerd dat de mummificatie van vrouwen misschien wel vaker aan leden van hetzelfde geslacht werd toevertrouwd, maar dat lijkt heel onzeker. Documenten over funeraire rechten maken in principe geen onderscheid tussen lijken van mannen en vrouwen en de anekdote van Herodotus zou een broodjeaapverhaal kunnen zijn. De genoemde “drie of vier dagen” doen denken aan de traditionele Egyptische rouwperiode van vier dagen, die mogelijk ook verbonden kan worden met de eerder genoemde bepaling in P. Dem. Memphis 7 om fout afgeleverde lichamen binnen de vier dagen aan de juiste begrafenisondernemer te bezorgen. Ongetwijfeld had het verhaal wel succes bij Herodotus’ lezerspubliek.

Paria’s

Volgens de Griekse historicus Diodorus (1ste eeuw v.C.) moet men een onderscheid maken tussen ‘snijders’ (paraschistai) en ‘pekelaars’ (taricheutai): de ‘snijder’ zou een soort van paria zijn die enkel verantwoordelijk is voor de initiële snede in de linkerzij van de overledene en vervolgens ritueel weggejaagd wordt met stenen; de ‘pekelaar’ zou de rest van de mummificatie uitvoeren en wel in hoog aanzien staan bij de bevolking (Bibl. Hist. I 91). Herodotus maakt dit onderscheid niet en zoals reeds eerder uitgelegd lijken de titels ‘snijder’ en ‘pekelaar’ in de papyri op dezelfde hoogte te staan, als Griekse tegenhangers van de Egyptische titel van ‘voorleespriester’. Is het verhaal van Diodorus dan helemaal uit de lucht gegrepen? Misschien niet helemaal…

Ten eerste kan er gewezen worden op een recent ontdekte mummificatie-handleiding uit het Nieuwe Rijk (een goede duizend jaar vóór de Ptolemaeïsche periode dus), die zelfs het Belgische nieuws heeft gehaald (P. Louvre E 32847 + P. Carlsberg 917). Deze tekst vermeldt verschillende groepen van mummificatie-specialisten, waaronder opnieuw de ‘voorleespriester’ maar ook de wedjaoe, afgeleid van het werkwoord wedja, “snijden”, die bovendien weer verantwoordelijk blijkt voor de snede in de linkerzij. De Griekse titel paraschistes heeft hierdoor voor het eerst een duidelijke Egyptische basis, al is het niet helemaal duidelijk of de Egyptische titel wedjaoe nog bestond in de Ptolemaeïsche periode. Verder bevatten twee Ptolemaeïsche papyri aanwijzingen dat balsemers op sommige plaatsen en tijdstippen effectief zijn uitgesloten uit de maatschappij, net als de ‘snijders’ in Diodorus’ relaas.

Grieks verzoekschrift uit Tanis in de Fajoem-oase van de begrafenisondernemer Onnophris (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., Papyrusverzameling Keulen, P. 21358)

De eerste aanwijzing komt uit het fameuze verzoekschrift over kittens (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., TM 704850). De dierenvriend die deze Griekse petitie indiende en kittens in zijn huis had opgenomen, was een begrafenisondernemer, de entaphiastes Onnophris, die elders ook ‘pekelaar’ en ‘voorleespriester’ wordt genoemd. In het verzoekschrift zegt Onnophris op een gegeven ogenblik dat hij zich niet “in het dorp kon laten zien vanwege mijn beroep.” Een expliciete getuigenis voor sociale segregatie. Het document maakt deel uit van een groter papyrusarchief van Onnophris en een collega, die zich behalve met lijken en katjes vooral bezighielden met – kan je het al raden? – rechtszaken over funeraire concessies.

Voor de tweede getuigenis moeten we terugkeren naar het proces tussen Hermias en de dodenpriesters. Dit dispuut had voor een keer niets te maken met funeraire rechten, maar met een groot huis op de oostelijke oever van Thebe, betwist tussen Hermias en de begrafenisondernemers. De advocaat van Hermias stelde tijdens zijn pleidooi dat er enige tijd voorheen op instigatie van de koninklijke arts een bevel was uitgevaardigd dat alle ‘pekelaars’ in Thebe moesten verhuizen naar de westelijke oever, waar de necropool zich bevond (P. Tor. Choach. 12, TM 3563). Voor Hermias mocht het niet baten: de advocaat van zijn tegenstanders legde uit dat zijn cliënten geen ‘pekelaars’ maar ‘watergieters’ waren en er bovendien nog een bijkomende verordening was uitgevaardigd om de ‘pekelaars’ tegen misbruik te beschermen. Toch levert dit opnieuw een aanwijzing voor sociale uitsluiting.

Tot slot kan er gewezen worden op een gelijkaardig gegeven in papyri uit het laat-Romeinse archief van de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) uit de Charga-Oase (3de-4de eeuw n.C.): zij worden regelmatig omschreven als exopylitai, ‘buitenpoorters’, of allophyloi, ‘andersstammigen’. Dit suggereert opnieuw dat zij de reguliere woongebieden niet mochten betreden.

Het is niet duidelijk in hoeverre we deze getuigenissen mogen veralgemenen: op andere plaatsen en tijdstippen lijken Egyptische balsemers wel gewoon onder de andere mensen te hebben geleefd. Waarom zouden ze apart moeten wonen? In veel culturen wordt contact met dode lichamen als onrein beschouwd en worden begrafenisondernemers uit het gewone sociale leven geweerd. In Romeins Puteoli bijvoorbeeld moesten begrafenisondernemers op een bepaalde afstand van de stad wonen en mochten zij deze alleen betreden voor officiële zaken (zoals vastgesteld in de Lex Libitinaria). Ook in de Griekse wereld werden lijken als bron van vervuiling (miasma) gezien. Misschien speelde er Grieks-Romeinse invloed mee? Toch geef ik graag nog een bijkomende verklaring voor de Egyptische balsemers: het waren lastpakken!

Lees meer

G. Baetens, ‘A Dead Man’s Contract: P. BM EA 10077 Revisited’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde 150/2 (2023), pp. 1-12.
G. Baetens, ‘An Embalmers’ Dispute in Hypsele/Shashotep’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 66 (2020), pp. 273-312.
M. Cannata, Three Hundred Years of Death: The Egyptian Funerary Industry in the Ptolemaic Period, Leiden/Boston, 2020.
T. Derda, ‘Necropolis Workers in Greco-Roman Egypt in the Light of the Greek Papyri’, Journal of Juristic Papyrology 21 (1991), pp. 13-36.
Y. Uytterhoeven, Hawara in the Graeco-Roman Period: Life and Death in a Fayum Village, Leuven, 2009.

Deze blogpost is een herwerkte versie van het originele artikel: G. Baetens, Balsemers in Ptolemeïsch Egypte. Een ingewikkelde geschiedenis, Ta-Mery 15 (2003). (Deze uitgave van Huis van Horus is het enige Nederlandstalig magazine over het oude Egypte en bevat populair-wetenschappelijke artikelen geschreven door egyptologen uit Nederland en Vlaanderen).

Coverafbeelding: een adaptatie van de afbeelding ‘Coffin fragment with Nut and Anubis’ vanop Wikimedia (Public Domain: CC0 1.0 DEED).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/feed/ 0 2493
Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/#respond Fri, 06 Jan 2023 13:55:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2337 De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

De talrijke Egyptische festivals kennen we vooral uit het Midden- en Nieuwe Rijk, maar bloeiden ook voort tot in de Grieks-Romeinse periode. Sommige feesten werden enkel lokaal georganiseerd, andere vonden plaats doorheen het hele land. In dit artikel gaan we na, op basis van enkele attestaties van bekende voorbeelden zoals het Thebaanse Dalfeest en het Min-feest hoe priesters betrokken waren bij de organisatie van zulke festiviteiten, bijvoorbeeld met offers en rituelen.

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

In het oude Egypte bestonden er enorm veel festivals. Deze konden zowel lokaal als op grootschalige manier in het hele land plaatsvinden. Bij deze “nationale” feesten waren er vaak lokale varianten terug te vinden. Alhoewel een Egyptisch festival doorgaans wordt voorgesteld als een processie van de ene tempel naar de andere, kwam er nog veel meer bij kijken. Een dergelijk feestgebeuren bestond ook uit verschillende rituelen, zoals het aanbrengen van offers of het uitvoeren van allerlei cultushandelingen. Priesters speelden hierin een belangrijke rol. Alhoewel we zulke feesten vooral kennen uit het Midden- en Nieuwe Rijk, floreerden verschillende Egyptische festivals nog steeds in de Grieks-Romeinse periode, wanneer eerst de Ptolemaeën en later de Romeinen het land regeerden.

Het Dalfeest

Omdat het onmogelijk zou zijn om alle Egyptische festivals uit de doeken te doen, focust dit artikel op enkele belangrijke religieuze festiviteiten. Een voorbeeld hiervan is het Thebaanse Dalfeest of het ‘Mooie Feest van de Vallei’. Dit feest vond jaarlijks plaats in Thebe (het moderne Luxor) ter ere van de god Amon. Er vond een processie plaats van de tempel van Karnak naar de tempel van Deir el-Bahari. Daarbij werd het godenbeeld van Amon uit zijn kapel in Karnak gehaald (oorspronkelijk de Rode Kapel van koningin Hatsjepsoet) en op een draagbare bark geplaatst. Vervolgens droegen priesters dat heilige schip, de Oeserhat, op hun schouders doorheen de tempel tot aan de Nijl, waarna ze het op een grote vaarbare boot plaatsten.

Overzicht van het Thebaanse gebied met de tempels van Karnak en Luxor ende Thebaanse necropool. De tempels van Medinet Habu, Merenptah, Thoetmosis IV, het Ramesseum en Deir el-Bahari zijn voorbeelden van Huizen van Miljoenen Jaren

Na de overtocht over de Nijl hield de god Amon halt bij verschillende tempels, de zogenaamde ‘Huizen van Miljoenen Jaren’. Opeenvolgende koningen lieten deze dodentempels, die zich op één rij bevonden, bouwen om er na hun overlijden miljoenen jaren te kunnen verblijven. Een van de meest bekende is de tempel van Deir el-Bahari, het eindpunt van de tocht van Amon. Het belangrijkste ritueel vond in deze tempel plaats en stond bekend als ‘Doven van de Fakkels in Melk’. Daarbij  bracht Amon de nacht door in het centrale heiligdom, omringd door vier melkbassins en fakkels.

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-BahariS. Schott (1937), p. 15

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-Bahari

De volgende ochtend werden deze fakkels gedoofd in de melk. Deze melkbassins werden vanuit Karnak meegedragen en bij elke halte, elk ‘Huis van Miljoenen Jaren, onder de boeg van de processiebark geplaatst. Het echte ritueel vond pas plaats in Deir el-Bahari zelf. Deze cultushandeling had als doel om Amon te verjongen, zodat zijn regeneratie over de hele necropool verspreid raakte, tot bij de overledenen daar. Dat het hier gebeurde en niet in de andere ‘Huizen van Miljoenen Jaren’ zorgde ervoor dat deze tempel een essentiële functie kreeg in het geheel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’.

Het volksfeest

Naast de tempelprocessie van de ene naar de andere tempel, vond er ook een echt volksfeest plaats waarbij de bevolking feest vierde in de graven van hun overleden voorouders. Met dit onderdeel van het festival was een hele reeks van rituelen verbonden. Er werd eerst een vuuroffer gebracht voor de god Amon-Ra in de voorhof van het graf. Dit was meteen ook het belangrijkste aangeboden offer, gevolgd door de zogenaamde Stundenwachen, waarbij elk uur verschillende priesters een bepaalde taak uitvoerden. Deze taken konden bestaan uit het voorlezen van rituele teksten, maar ook opnieuw uit het aanbrengen van offers.

S. Schott (1952), p. 43

Het bespelen van een sistrum (TT 69) en het aanreiken van een Menat-halsketting (TT 82)

Verder kwamen zangeressen afkomstig uit de tempel van Karnak langs de graven in de necropool. Deze zangeressen schudden met menats (halskettingen met een contragewicht) en sistra (rituele muziekinstrumenten). Beide zijn rituele attributen van de godin Hathor. Doordat de priesteressen met deze rituele objecten langs de graven in de necropool voorbijkwamen, konden de grafeigenaren in contact komen met de magisch geladen voorwerpen van de godin. Ook de haremdames van de godin Hathor kwamen langs de graven terwijl ze een gouden palmblad uitstrekten naar het graf. Vervolgens werden er boeketten van de god Amon, die afkomstig waren uit de verschillende tempels waar halt was gehouden, gepresenteerd aan de overleden grafeigenaren.

Ter afsluiting vond er in het graf het eigenlijke feestmaal plaats voor de familieleden van de overledene, met veel muziek, dans en drank. Al deze rituelen, zoals het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, maar tevens ook de offers, zoals het vuuroffer voor Amon-Ra, vormen samen een geheel. Ze zorgden ervoor dat het doel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’ tot een goed einde kon gebracht worden: de regeneratie van de god Amon en alle overledenen in de necropool.

Het Dalfeest in de Grieks-Romeinse periode

Onze kennis over het Dalfeest dateert voornamelijk uit het Nieuwe Rijk, alhoewel het feest zeker en vast nog werd gevierd in de Grieks-Romeinse periode. Enkele Griekse papyri (zie verder) vermelden namelijk het festival, maar dat komt verder ook nog voor op cultusbeelden van privépersonen, enzovoort. Onze exacte kennis over de verschillende rituele handelingen is echter beperkter. Priesters voerden zeker en vast nog verscheidene rituelen of offers uit, maar de specifieke omstandigheden zijn moeilijker te achterhalen. De functie van de danseressen en zangeressen van Amon is echter wel nog geattesteerd tot in de Romeinse periode. Alhoewel een verdere uitleg ontbreekt, kunnen we er alleen maar van uitgaan dat ze nog een rol speelden tijdens de Thebaanse festiviteiten, waaronder het Dalfeest.

Ook voor de belangrijkste rituele handeling, het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, hebben we geen concrete aanwijzingen dat het nog plaatsvond in de Grieks-Romeinse periode. Het heiligdom waarin de handeling zich afspeelde, werd echter nog vernieuwd onder de regering van PtolemaiosVIII (in de 2de eeuw v.C.). Verder is de functie van melkdragers nog geattesteerd, maar of we deze zomaar in verband mogen brengen met het ritueel dat ons voornamelijk uit het Nieuwe Rijk bekend is, is twijfelachtig. Het dragen van melk was nodig tijdens de Dalfeest-processie van het ene ‘Huis van Miljoenen Jaren’ naar het andere, maar melk werd eveneens gebruikt voor veel andere rituelen en offers. Het staat bijgevolg vast dat het ‘Mooie Feest van de Vallei’ nog een enorm belangrijke rol speelde in de Grieks-Romeinse periode, maar hoe dit zich dan vertaalde in de praktische uitvoering van rituelen en offers is minder duidelijk.

Het Min-feest

We hebben wel een duidelijker beeld over de exacte uitvoering van een ander feest, dat ter ere van de god Min, in de Grieks-Romeinse periode. De reeks van rituelen die bij dit feest hoorde, is namelijk afgebeeld op de Ptolemaeïsche en vroeg-Romeinse tempels van Edfu en Dendera. De meeste bronnen voor dit feest dateren zelfs uit de Grieks-Romeinse periode, alhoewel het feest en de bijhorende rituelen hun oorsprong kenden in de faraonische periode. Het belangrijkste ritueel tijdens het Min-feest was ‘Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel’ en was een soort “klim-ceremonie”. Het Min-feest was niet verbonden aan een specifieke tempel en het ritueel kende een lange geschiedenis, waarvan we de eerste attestatie uit Saqqara kennen (uit de dodentempel van farao Pepi II).

Voor het Nieuwe Rijk komen de meeste attestaties uit de tempels van Karnak en Luxor. Tijdens het ritueel werd een tent opgezet voor de Min-stier. Zoals vermeld, gaat het om een “klim-ceremonie”, waarbij de klimmers afkomstig zouden geweest zijn uit Nubië, ten zuiden van Egypte. Er waren verscheidene facetten verbonden aan het ritueel en ook hier kunnen we een “vaste” volgorde reconstrueren.

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijnÉmile Chassinat - Le temple d'Edfou 9 (1929), pl. XXXIb

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijn

Ten eerste bracht de koning (of in ieder geval een hogepriester in naam van de koning) er een offer voor het stiersymbool ka, dat al sinds het Nieuwe Rijk gelijkgesteld stond aan de cultuskapel (sehenet). Vervolgens werd het stiersymbool opgericht en werden er 4 steunen of pilaren toegevoegd. 8 mannen, met veren getooid, beklommen deze steunen die waarschijnlijk georiënteerd waren naar de 4 windrichtingen. Terwijl zij klommen, hielden de koning en andere aanwezigen, vermoedelijk priesters, 16 touwen vast. Vervolgens sloeg de koning viermaal met een hedj-scepter in de 4 windrichtingen voor de inzegening, een ritueel dat is afgebeeld op enkele tempels. In de tempel van Edfu zijn er zelfs 5 van dergelijke scènes te vinden, waaronder een variant: daarop staan 10 klimmers in plaats van 8.

Waarom hielden de Egyptenaren een dergelijke ceremonie voor Min? Deze god was niet alleen een vruchtbaarheidsgod (makkelijk te herkennen aan de stijve fallus in het merendeel van de afbeeldingen), maar de Egyptische bevolking zag Min ook als de god van de woestijn en bejubelde hem als ‘bedwinger van de vreemde landen’. De deelnemers, de klimmers, droegen veren op hun hoofd, vermoedelijk als voorstelling van een volk uit het zuiden. De 4 steunen, geplaatst in de verschillende windrichtingen, stelden op hun beurt de vreemde volkeren rondom Egypte voor. Door het uitvoeren van dit ritueel werd de god Min opnieuw ingezegend in alle richtingen en als god van de woestijn moest hij ervoor zorgen dat niemand de grenzen van Egypte zou oversteken.

Egyptische festivals: offer of ritueel?

De hierboven aangehaalde voorbeelden tonen de complexiteit van Egyptische festivals. Tijdens één festival voerden priesters er vaak verscheidene rituelen uit in verschillende volgordes. Ook waren sommige rituelen aan meerdere festivals verbonden. Zo maakten offers deel uit van elk festival, maar daarentegen waren het Doven van de Fakkels in Melk en Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel alleen aan respectievelijk het Dalfeest en het Min-feest verbonden.

De rol van priesters in de festivals

Terwijl de praktische uitvoering van rituelen in de Grieks-Romeinse periode duidelijker was vastgelegd voor het Min-feest dan voor het Dalfeest, is het bij de organisatie en de rol van priesters het omgekeerde. Voor het Min-feest hebben we geen papyri met verwijzingen naar de priesters die erbij betrokken waren. De enige informatie waarover we beschikken, valt af te leiden van de afbeeldingen op tempelmuren.

Bij het Thebaanse Dalfeest is dit anders. Onder meer de Thebaanse hoge clerus, en meer bepaald de priesters van Amonrasonther, waren betrokken bij de financiering van het feest. Op een Griekse papyrus uit de koninklijke bank van Thebe (UPZ 2 199; [TM 3601]) lezen we immers het volgende:

“het heilige schip voor (de feesten van) Phaophi en Pauni”

Deze en andere teksten uit hetzelfde archief maken duidelijk dat het heilige schip een reparatie moest ondergaan. De twee maanden Phaophi en Pauni komen overeen met de periodes waarin respectievelijk het Opet-feest (een jaarlijkse processie van Karnak naar Luxor) en het Dalfeest werden gevierd. De Ptolemaeïsche regering stortte het geld op een rekening van de Koninklijke Bank van Thebe, zodat de priesters van Amonrasonther het konden gebruiken om herstellingen aan het heilige schip, de reeds vermelde Oeserhat, uit te voeren in functie van de jaarlijkse oversteken van de Nijl.

De rol van de choachieten

Een andere Griekse papyrustekst (P. Survey 48; [TM 3563]), die dateert uit ongeveer dezelfde periode en afkomstig is uit een archief van dodenpriesters, toont aan dat deze groep priesters ook betrokken waren bij hetzelfde festival. Deze dodenpriesters, choachieten genaamd, waren verantwoordelijk voor de libatie-offers voor de overledenen in de necropool. Ze leidden ook de begrafenissen van de overledenen. P. Survey 48 vertelt ons dat ze ook meededen aan het Dalfeest. Ze mochten namelijk vooraan lopen tijdens de jaarlijkse overtochten van de grote god Amon naar de Memnoneia (de Thebaanse westoever) en de dromoi van Amon en Moet klaarmaken door ze te bestrooien met zand.

Deze dromoi zijn de processiewegen die vanuit de tempel van Karnak vertrokken: de dromos van Amon tijdens het Dalfeest, de dromos van Moet tijdens het Opet-festival. Dit maakt duidelijk dat verschillende priestergroepen betrokken waren bij een festival: de hogepriesters van Amon-Ra moesten ervoor zorgen dat het geld (gestort door de overheid) ging naar de herstelling van het heilige schip, de Oeserhat, terwijl de dodenpriesters vooraan mochten lopen tijdens de processie van het Dalfeest en de dromoi moesten klaarmaken voor zowel het Dal als het Opet-feest.

Het Dekadenfeest

Bij een ander Thebaans festival waren dezelfde priesters betrokken. De choachieten functioneerden niet alleen als dodenpriesters, maar namen ook deel aan het wekelijkse Dekadenfeest, dat om de 10 dagen (= de lengte van een Egyptische week; deka is 10 in het Oudgrieks) werd gevierd. Hierbij brachten ze plengoffers in de necropool. Bij dit feest ging de god Amenophis van de tempel in Luxor op bezoek bij de tempel van Medinet Habu aan de overzijde van de Nijl.

Ook een ander type priesters was betrokken bij hetzelfde festival. De eigenaar van de funeraire papyrus P. Denon [TM 57737], een ‘Document van het Ademen’ (= een papyrus die in de tombe van de overledene werd meegegeven als grafgift) was namelijk een ‘Dienaar van Horus, Dienaar van de Witte Kroon’. Priesters die deze titel droegen, speelden een belangrijke rol in het Dekadenfeest. Terwijl de choachieten plengoffers brachten in de necropool, speelde deze priester met de naam Nespaoetitawi de liturgische rol van ‘uitstekende erfgenaam’. Hierbij voerde hij rituelen uit voor de overleden voorouders in de tempel van Medinet Habu in naam van de god Amenophis. De eigenaar van deze papyrus was tijdens zijn leven niet alleen werkzaam in dit festival, maar hij was ook een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’. Bijgevolg hoorde hij tot dezelfde klasse priesters die de financiering voor de herstelling van de heilige boot van Amon verkregen.

De funeraire papyrus P. Denon waarvan de eigenaar vermoedelijk een functie had in het Dekadenfeest

Bronnen voor de Egyptische festivals?

Het bronnenmateriaal met beschrijvingen van priesterfuncties in Egyptische feesten is jammer genoeg eerder beperkt. Het is daardoor niet altijd duidelijk welke priesters bij welke festiviteiten betrokken waren en wat hun functie precies was. De tekstuele verwijzingen naar titels en festivals zitten dan ook verscholen in verschillende teksttypes, zoals funeraire of documentaire papyri. Die gebeurden verschillende talen of schriften, zoals in de verschillende schriftvarianten van de Egyptische taal (hiëratisch, hiëroglyfisch, Demotisch) of Griekse inscripties. Alhoewel ze moeilijk te vinden zijn, verwijzen enkele teksten letterlijk naar feesten. Een Demotische graffito achtergelaten in de tempel van Medinet Habu (Graff. Med. Habu 47 [TM 48569]) is geschreven door een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra, de manager van de bark van Amon’. Meer informatie geeft het graffito ons niet, maar het toont aan dat dergelijke functies wel degelijk bestonden.

Nog iets meer informatie hebben we dankzij een ostracon uit Thebe (O. Theb. Dem. D31 [TM 50654]). Hierin verhuurt de ene priester aan een andere een maand tempeldienst. De priester die de tempelmaand huurde, moest “de bijhorende diensten en het reinigingsoffer uitvoeren, alsook de processiefeesten”. Een verdere specificatie over welk feest het hier ging, vinden we in de tekst echter niet terug.

Conclusie?

We kunnen bijgevolg in zekere mate reconstrueren welke offers en rituelen plaatsvonden tijdens Egyptische festivals in de Grieks-Romeinse periode, maar een exacte reconstructie is echter niet voor elke festival tot in detail te achterhalen. Verder zijn ook de tekstuele bronnen over Egyptische priesters niet altijd even gedetailleerd. Doorgaans betreft het eerder vage omschrijvingen en is het niet eenvoudig te achterhalen welke priesters welke functies uitoefenden. Het lijkt echter wel duidelijk dat ook de taken in Egyptische festivals verdeeld werden onder verschillende types priesters, die zowel in de tempels als de necropool werkzaam waren.

Lees meer

Birk, R.M., Türöffner des Himmels: prosopographische Studien zur thebanischen Hohepriesterschaft der Ptolemäerzeit, Wiesbaden, 2020.
Bogaert, R. ‘Un cas de faux en écriture à la Banque Royale thébaine en 131 avant J.-C.’, Chronique d’Égypte (CdÉ) 63, 1988, 145-154.
Dogaer, L., ‘The Beautiful Festival of the Valley in the Graeco-Roman Period: a Revised Perspective’, Journal of Egyptian Archaeology (JEA) 106, 2020, 205-214.
Rochholz, M. & R. Gundlach, Feste im Tempel, Wiesbaden, 1998.
Schott, S., ‘Das Löschen von Fackeln in Milch’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache (ZÄS) 73, 1937, 1-25.
Schott, S., Altägyptische Festdaten, Wiesbaden, 1950.
Schott, S., Das Schöne Fest von Wüstentale: Festbräuche einer Totenstadt (Akademie der Wissenschaften und der Literatur Mainz. Abhandlungen der Geistes- und Sozialwissenschaftlichen Klasse, 11), Wiesbaden, 1952.

Coverafbeelding: adaptatie van schilderij ‘The Barque of Amun Arriving at the West Bank of Thebes’ van Charles K. Wilkinson uit The Met (Public Domain)

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/feed/ 0 2337
Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/ https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/#respond Wed, 29 Dec 2021 16:42:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2145

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte, van de piramideteksten bij farao Oenas tot sarcofaagteksten in het Middenrijk en papyrusteksten zoals het Dodenboek in het Nieuwe Rijk. Ook in de Grieks-Romeinse periode waren er nog zulke funeraire teksten in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de 'Documenten van het Ademen'.

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte. Deze teksten, die ervoor moesten zorgen dat je na de dood kon verder leven in het hiernamaals, werden eerst geschreven op de binnenkant van de piramides uit het Oude Rijk. Vervolgens kregen ze een nieuwe drager, want vanaf het Middenrijk kwamen ze voor op sarcofagen en vanaf het Nieuwe Rijk op papyri, als het zogenaamde Dodenboek. Voor de meeste onderzoekers stopt deze lange geschiedenis van de funeraire teksten met het Dodenboek, maar ook in de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) waren de teksten nog in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de ‘Documenten van het Ademen’.

De evolutie in een paar woorden

Het startpunt ligt bij farao Oenas (ca. 2367-2347 v.C.) in de 5de dynastie. Zijn piramide in Saqqara bevat het oudste corpus van funeraire en religieuze teksten en de wanden van zijn grafkamer staan vol met hiëroglyfische teksten, de zogenaamde piramideteksten. Het zijn spreuken die Oenas moesten helpen om goed in het hiernamaals te kunnen leven. Aangezien de teksten vol typische “kopieerfouten” staan, wordt er doorgaans van uitgegaan dat het om reeds bestaande teksten gaat, die op de wanden van de piramide gekopieerd werden. De belangrijkste functie van de teksten was om de niet-materiële elementen van de mens samen te brengen. Naast het fysieke lichaam, bevatte de mens volgens de Egyptenaren een ba (de individuele levenskracht) en een ka (de persoonlijkheid of de ziel). De ka maakte het verschil tussen een levend en een dood lichaam, terwijl de ba iemand tot een individu maakte. Wanneer iemand stierf werden de ba en de ka van het lichaam gescheiden. Als deze persoon wilde verder leven in het hiernamaals moesten zijn ba en ka herenigd worden tot een akh. De piramideteksten hadden tot doel deze vereniging te vereenvoudigen. Dankzij de teksten in zijn grafkamer kon Oenas dus een akh worden. De piramideteksten komen voor in 10 koninklijke graven uit het Oude Rijk. Naast de piramide van Oenas bevatten ook de volgende piramides deze funeraire teksten: Teti, Pepi I, Ankhesenpepi II (een vrouw van Pepi I), Merenre, Pepi II, Neith (een vrouw van Pepi II), Iput II (een vrouw van Pepi II), Wedjebetni (een vrouw van Pepi II) uit de 6de dynastie (ca. 2347-2216 v.C.) en Ibi uit de 8ste dynastie (ca. 2216-2134 v.C.).

De binnenkant van de piramida van farao Oenas

Vanaf het Middenrijk (ca. 2040-1783 v.C.) werden de teksten niet meer op piramides geschreven maar kwamen ze voor op sarcofagen. Ook de naam van de funeraire literatuur veranderde naar sarcofaagteksten. Deze evolutie begon al op het einde van het Oude Rijk en in de Eerste Tussentijd (ca. 2216-2040 v.C.) maar kende zijn hoogtepunt in het Middenrijk. Aangezien de teksten nu op lijkkisten geschreven werden, bevonden ze zich al dichter bij het lichaam. Hierdoor ging de vereniging van de ba en de ka in een akh nog vlotter. De sarcofaagspreuken zijn afgeleid en gekopieerd van de piramideteksten, maar er ontstonden ook nieuwe composities. Het belangrijkste verschil met de piramideteksten is dat de sarcofaagteksten ook voor privépersonen konden gebruikt worden, terwijl de piramideteksten alleen voor koningen waren.

Voorbeeld van een sarcofaagtekst op de doodskist van Khnumnakht uit het Middenrijk

De derde fase van de evolutie voltrok zich in het Nieuwe Rijk (ca. 1550-1070 v.C.), wanneer de funeraire literatuur op papyrusrollen werd geschreven. De naam voor de literatuur in het Nieuwe Rijk is het Dodenboek. Ook hier werden de spreuken afgeleid van piramide- en sarcofaagteksten, maar daarnaast werden er nieuwe composities geschreven. De term ‘Dodenboek’ is eigenlijk heel misleidend, want de Dodenboekteksten konden ook in graven voorkomen. Zo zijn de meeste graven in de Vallei der Koningen gedecoreerd met Dodenboekteksten om de farao te helpen in het hiernamaals te geraken. Het gaat ook niet om een standaardversie die gekopieerd werd. Het is een corpus van spreuken die in verschillende combinaties konden voorkomen, waarbij soms vignetten werden toegevoegd die bij een bepaalde spreuk hoorden. Het Dodenboek bleef in omloop tot in de Grieks-Romeinse periode en betreft bijgevolg het genre van funeraire literatuur dat het langste in gebruik was.

Documenten van het Ademen

In de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) ontstond er een nieuw genre funeraire literatuur, de ‘Documenten van het Ademen’. Ze verschenen in verschillende vormen in de multiculturele samenleving van Grieks-Romeins Thebe en vervingen geleidelijk aan het Dodenboek. Ze kunnen gezien worden als de opvolgers van de piramideteksten, de sarcofaagteksten en het Dodenboek. De teksten werden aan de overledene meegegeven als grafgift. Ze werden mee ingezwachteld met de mummie en ook hier hebben de teksten als functie een soort aanbevelingsbrief te zijn voor de overledene in het hiernamaals. Ze moesten de overledenen een tweede leven “vrij van zorgen” geven en ervoor zorgen dat de overledene voor eeuwig en altijd kon ademen. De funeraire teksten uit de Grieks-Romeinse tijd kenden een grote diversiteit en verschillende soorten teksten konden op één papyrus gecombineerd worden. De composities zijn geschreven in het hiëratisch, een cursieve vorm van hiërogliefen. De taal van de documenten is gebaseerd op het klassieke Middelegyptisch met invloed van het Laat-Egyptisch en het Demotisch.

Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft (P. Louvre N. 3284)

Ze zullen Osiris naar het binnenste van het grote meer van Chonsoe brengen. Nadat hij zijn hart heeft gegrepen, zullen ze het document van het ademen, dat aan de binnen- en buitenkant is beschreven, omzwachtelen met koninklijk linnen, geplaatst zijnde onder zijn linkerarm in de buurt van zijn hart. Het overige van de omzwachteling zal erbuiten worden gedaan. Indien deze papyrusrol voor hem wordt gebruikt, dan zal hij samen met de ba’s en de goden voor eeuwig en altijd ademen.

Tweede Document van het Ademen (BM EA10110)

Deze tekst bevat de laatste paragraaf van het zogenaamde ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ en toont aan dat het in de buurt van het hart moest ingezwachteld worden. Dit in tegenstelling tot het ‘Eerste’ en ‘Tweede Document van het Ademen’ die respectievelijk onder het hoofd en onder de voeten van de mummie geplaatst moesten worden. Er bestaan bijgevolg drie verschillende ‘Documenten van het Ademen’ en allen hebben ze een andere inhoud. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ lijkt iets ouder te zijn (Ptolemaeïsch tot Vroeg-Romeins) dan de andere twee composities die eerder in de Late Ptolemaeïentijd verschenen en nog voorkwamen tot in de Romeinse periode. Vanaf de eerste eeuw na Christus ontstonden er ook Demotische ‘Documenten van het Ademen’, de zogenaamde “paspoorten voor het hiernamaals”. Deze teksten waren doorgaans korter dan hun hiëratische tegenhangers. Deze papyri werden ook op de mummie geplaatst, maar daarnaast werden ze ook teruggevonden op tempelmuren, sarcofagen, lijkkisten, ostraca, linnen, enzovoort.

Het slotvignet met de Hathor-koe op het graf

Naast de drie soorten ‘Documenten van het Ademen’ waren er ook verkorte versies in omloop. Verder konden de verscheidene paragrafen in de teksten weggelaten of omgewisseld worden en konden er extra paragrafen aan toegevoegd worden. Sommige documenten bevatten ook iconografie, alhoewel dit geen vereiste was. De iconografie van het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ is in de meeste gevallen redelijk gestandaardiseerd. De meeste teksten bevatten meerdere vignetten of afbeeldingen. Het openingsvignet geeft doorgaans de introductie van de overledene aan de god Osiris weer. Een ander veel voorkomend type vignet is het ‘wegen van het hart’. Deze iconografie stamt af van hoofdstuk 125 van het Dodenboek, de zogenaamde ‘negatieve confessie’ en toont hoe het hart van de overledene op een weegschaal wordt gelegd en wordt afgewogen tegen de Maät-veer (de rechtvaardigheid). Als de weegschaal in balans is, heeft de overledene een goed leven geleid en mag hij of zij de onderwereld betreden. Als dit niet het geval is, wordt de overledene verscheurd door de verslindster, een monster dat doorgaans aanwezig is op het vignet. Het eindvignet toont de Hathor-koe op het graf van de overledene. Meestal wordt er wierook geofferd aan de godin Hathor. Er was geen directe relatie tussen de iconografie en de inhoud van de tekst. De afbeeldingen op de papyri voegen iets toe aan de compositie, eerder dan de inhoud van de tekst te illustreren.

Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd geschreven door de god Thoth in naam van Isis. De inhoud van de tekst legt de nadruk op de toegang van de overledene tot de onderwereld en de mogelijkheid om voor eeuwig en altijd vrij te kunnen ademen.

Introductie van de overledene aan de god Osiris (BM EA9995,1)

Een heel interessant gegeven aan deze documenten is dat ze steeds geschreven zijn voor een overledene en dat de naam en titels van deze eigenaar op het document werden geschreven. Hierdoor kunnen we reconstrueren wie zo een document meekreeg en welke functie deze persoon had. De eigenaren behoorden tot tempelpersoneel werkzaam in verschillende Thebaanse culten. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd voornamelijk meegegeven aan overledenen die tot de hoge clerus van Amon-Ra behoorden en dus tijdens hun leven werkzaam waren in de tempel van Karnak. Een bekend voorbeeld betreft de priester Horos, eigenaar van de ‘Joseph Smith papyri’. De twee meest voorkomende titels zijn ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ en ‘sistrum-speelster van Amon-Ra’. De eigenaren van deze teksten konden niet alleen verbonden worden aan de cultus van Amon-Ra, maar bijvoorbeeld ook aan de cultussen van Montoe van Hermonthis (Armant) en de god Chonsoe, die een tempel had binnen het Karnak-complex. De meeste priesters waren niet verbonden aan één cultus, maar konden verschillende goden tegelijkertijd dienen. De weergave van de verscheidene priestertitels in de documenten toont aan dat in dezelfde funeraire papyrus verschillende combinaties van titels kunnen voorkomen. Zo kan iemand in de eerste lijn van de papyrus ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ zijn en enkele lijnen verderop alleen ‘godsvader’. Daarnaast konden er later in de tekst titels voorkomen die niet in de introductie van de overledene aanwezig waren. Naast de titels, werd de filiatie van de overledene doorgaans meegegeven. Vaak werden zowel de moeder als de vader weergegeven, en in enkele uitzonderlijke gevallen zien we een hele stamboom. In andere gevallen hebben we alleen de naam van de moeder of de vader, en soms helemaal geen filiatie. De vader van de overledene kan geïntroduceerd worden door de titel ‘mi nn‘, oftewel van dezelfde rang. Hiermee wordt bedoeld dat de vader tot dezelfde priesterklasse behoorde en dus naar alle waarschijnlijkheid ook een heleboel titels bezat, maar dat in het funeraire document ervoor gekozen werd om enkel de rang van de priester aan te duiden.

Funeraire composities in de Grieks-Romeinse periode

Zoals vaak het geval is met papyri kennen we van de meeste funeraire teksten die vandaag in verscheidene musea verspreid zijn, geen oorspronkelijke archeologische context. Eén graf in de Thebaanse necropool vormt de grote uitzondering, de zogenaamde Soter-tombe. Dit graf, beter bekend als Thebaanse Tombe 33, ligt in de al-Khukha necropool, net naast het Assasif in de buurt van de dodentempel van koningin Hatsjepsoet (Deir el-Bahari). Het graf werd net zoals zovele graven in de Thebaanse necropool hergebruikt in de Grieks-Romeinse periode. Eén van de mensen die hier in een later stadium in begraven werd was Soter, vandaar de naam van de tombe. Hij en zijn familieleden kregen enkele ‘Documenten van het Ademen’ mee. Waarschijnlijk zijn er een twintigtal documenten afkomstig uit dit graf. Naast het ‘Eerste Document van het Ademen’ en het ‘Tweede Document van het Ademen’ verkregen de overledenen, die hier begraven werden, ook late versies van het Dodenboek en een versie van het ‘Boek van het Doorlopen van de Eeuwigheid’, een andere funeraire compositie uit de Grieks-Romeinse tijd. De funeraire literatuur uit deze periode is wel degelijk nog heel bruisend. Vaak wordt het afgedaan als minderwaardig omdat de composities vergeleken worden met de Dodenboeken uit het Nieuw Rijk, die doorgaans als veel kwalitatiever en gedetailleerder beschouwd worden. Hoewel de ‘Documenten van het Ademen’ dan stilistisch minder mooi mogen zijn, vormen ze wel het bewijs dat een typische faraonische traditie nog steeds gevolgd werd en dat er zelfs nieuwe composities werden geschreven in verschillende vormen en combinaties. De creativiteit van de Thebaanse clerus die deze documenten ontwikkelde, vierde dus hoogtij tot ver in de Romeinse periode.

Meer lezen

Coenen, M. & J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek 5, Leuven, 1995.
Coenen, M., ‘Owners of Documents of Breathing Made by Isis’, Chronique d’Egypte 79: 157-158, 2004, 59-72.
Herbin, F.R., Books of Breathing and Related Texts, London, 2008.
Herbin, F.R., Le livre de parcourir l’éternité, OLA 58, Leuven, 1994.
Mosher, M., ‘Theban and Memphite Book of the Dead Traditions in the Late Period’, Journal of the American Research Center in Egypt 29, 1992, p. 143-172.
Smith, M., Traversing Eternity: Texts for the afterlife from Ptolemaic and Roman Egypt, Oxford, 2009.

Coverafbeelding: Adaptatie van een funeraire papyrus met daarop het ‘Boek van het Ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris’ uit het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/feed/ 0 2145
Mummies en Mormonen https://www.oudegeschiedenis.be/06/11/2021/mummies-en-mormonen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/11/2021/mummies-en-mormonen/#respond Sat, 06 Nov 2021 18:39:57 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2113

De link tussen de Mormonen en het antieke Egypte is er van in het begin geweest, via de collectie mummies en papyri van stichter Joseph Smith. Hij vertaalde ook zelf verschillende fragmenten van deze funeraire papyri uit Thebe en meende daarin verschillende bijbelse thema's te herkennen, onder andere uit de boeken van Abraham en Jozef. Egyptologen waren al meteen vernietigend in hun oordeel over deze interpretaties, maar pas toen na de dood van Smith de verloren gewaande papyri opdoken in het New Yorkse Metropolitan Museum konden ze de hiëratische tekst en de hiëroglyfische vignetten zelf bestuderen. Dat onderzoek leverde enkele verrassende vaststellingen op.

Het bericht Mummies en Mormonen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Op 21 september 1823 verscheen de engel Moroni aan de 17-jarige Joseph Smith en onthulde hem dat een collectie gouden platen, geschreven door profeten van het Oude Testament, verborgen was onder een heuvel in de buurt van New York. De tekst op de platen was geschreven in een “hervormd Egyptisch schrift”. Pas vier jaar later krijgt Smith toestemming om de platen mee te nemen om ze ontcijferen en te vertalen. Hij dicteert zijn vertaling aan zijn discipelen in 1828 en 1829, en na heel wat moeilijkheden verschijnt een eerste druk in 1830. De eerste oplage bestaat uit 5000 exemplaren. Het manuscript van die eerste druk is gedeeltelijk bewaard en online beschikbaar. Ondertussen zijn er 200 miljoen exemplaren geproduceerd!

Boek van Mormon

Joseph Smith (1805-1844), de stichter van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en grondlegger van het Mormoonse geloof

Het ‘Boek van Mormon’ is “een verslag geschreven door de hand van Mormon, op platen genomen van de platen van Nephi“. Mormon was een profeet, generaal van de Nephieten en historicus, die leefde in Amerika omstreeks 400 n.C. en vader was van Moroni, die zelf ook een deel van het werk redigeerde en na zijn dood en verrijzenis het boek aan Joseph Smith liet zien. Het boek bevat een profetisch verslag over gebeurtenissen die zich afspelen vanaf de val van Adam en Eva, over de vlucht van enkele Joden juist voor de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs tot de verschijning van de verrezen Christus in Amerika. Het wordt door de Mormonen gezien als een aanvulling op de Bijbel. Behalve Smith zelf hebben elf medewerkers de platen (even) gezien voor hij ze teruggaf aan de engel Moroni. Voor zijn volgelingen bevat het boek een authentieke historische beschrijving, maar het speelt geen rol in de professionele geschiedschrijving. In de Mormoonse kerk is het boek van Mormon “een ander testament van Jezus Christus”, een standaardwerk voor theologie en liturgie, hoewel het niet overal even enthousiast is onthaald, ook niet binnen de Mormoonse gemeenschap.

Mummies en papyri

Begin juli 1835 presenteerde M.H. Chandler in Kirkland, Ohio, een rondreizende tentoonstelling met vier Egyptische mummies en enkele papyri, afkomstig uit de opgravingen van de Italiaanse archeoloog Antonio Lebolo in Gebel Gurnah (op de westelijke Nijloever recht over Luxor) tussen 1818 en 1822. Smith, die via het boek van Mormon kennis had van het “hervormd Egyptisch schrift”, was geïnteresseerd en stelde zijn voorlopige vertalingen ter beschikking van Chandler.

The Huntington Library

Kirtland, July 6,1835.
This is to make known to all who may be desirous, concerning the knowledge of Mr. Joseph Smith, Jr., in deciphering the ancient Egyptian hieroglyphic characters in my possession, which I have, in many eminent cities, showed to the most learned; and, from the information that I could ever learn, or meet with, I find that of Mr. Joseph Smith, Jr., to correspond in the most minute matters.
“Michael H. Chandler.
Traveling with, and proprietor of, Egyptian mummies’

Nog dezelfde maand kochten enkele leden van zijn jonge kerk de hele tentoonstelling voor 2400 dollar. Smith herkende in deze teksten verschillende bijbelse thema’s, onder andere een boek van Abraham, een boek van Jozef (de patriarch) en een verhaal van een Egyptische prinses Katumin. Alleen zijn vertaling van het boek van Abraham werd ook uitgegeven in 1842. Jean-François Champollions ontcijfering van het hiërogliefenschrift – Champollions brief aan de Franse historicus Bon-Joseph Dacier dateert van 1822) was toen in Amerika nog niet bekend en Smith vertaalt in de traditie van de 18de eeuw, die aannam dat de hiërogliefen begrippen en zelfs hele zinnen uitdrukten.

Na de dood van Smith, die in 1844 gelyncht werd terwijl hij in Carthago, Illinois in de gevangenis zat, trokken de Mormonen onder leiding van Brigham Young westwaarts, om zich uiteindelijk te vestigen in Salt Lake City, Utah. De mummies en de papyri bleven bezit van Smith’s familie en gingen nadien verloren. Men dacht dat ze waren vernietigd in de grote brand van Chicago in 1871, tot ze in 1967 plots opdoken in het Metropolitan Museum van New York, dat ze in 1947 had gekocht van een bediende van Smiths familie. Nu zijn ze in handen van de Mormoonse kerk in Salt Lake City.

Joseph Smith papyri

Terwijl professionele egyptologen tot hiertoe enkel een paar platen in de uitgave van het boek van Abraham konden vergelijken met de vertalingen van Smith (en hierover een vernietigend oordeel uitspraken), was nu plots de hele papyrus beschikbaar, met meerdere kolommen hiëratische tekst en de hiëroglyfische vignetten. Vijf objecten kunnen nu worden geïdentificeerd met de papyri die ooit in het bezit waren van Joseph Smith. Van het dodenboek van Nainoub (3) en de hypokephalos van Sesongosis (5) is alleen een facsimile bewaard.

 type object

 beschrijving door Smith

 identificatie

 TM nummer(*)

 1

 papyrus

 boek van Abraham

 boek van ademen voor de priester Horos

 48570

 2

 papyrus

 boek van Jozef

 dodenboek van Senminis

 56951

 3

 papyrus

 niet vermeld bij Smith

 vignet van dodenboek van Nai-noub

 56952

 4

 papyrus

 verhaal van prinses Katumin dochter van farao Onitas

 funeraire papyrus van Amenothes

 133517

 5

 hypokephalos

 facsimile 2 in het boek van ademen

 hypokephalos van Sesongosis

 117796

(*) De TM nummers verwijzen naar de Leuvense database Trismegistos [https://www.trismegistos.org/] , waar men alle metadata (plaats, tijd, bewaarplaats etc.) en bibliografische referenties kan vinden, alsook links met de foto's die online beschikbaar zijn.

Het boek van Abraham “translated from the papyrus translated by Joseph Smith” bevat, volgens de editie “een vertaling van enkele antieke geschriften die in onze handen zijn gevallen van de catacomben van Egypte, de geschriften van Abraham toen hij in Egypte was, geschreven in zijn eigen hand op papyrus”. De vertaling begint als volgt :

In het land van de Chaldeeërs, in de verblijfplaats van mijn vader, zag ik, Abraham, dat het nodig was voor mij een andere verblijfplaats te vinden. Die vondst bracht voor mij groter geluk en vrede en rust. Ik zocht naar de zegeningen van de vaders en het recht waardoor ik zou worden gewijd om datzelfde te beheren.” De vertaling is duidelijk afhankelijk van de Engelse bijbelvertaling (de King James bible) en vele hoofdstukken zetten de bijbeltekst om van de derde naar de eerste persoon. Volgens Smyth gebruikte Mozes het boek van Abraham toen hij het boek Genesis redigeerde. Omdat de papyrus door Abraham zelf geschreven is, staat alles in de eerste persoon.

Joseph Smith Papyri Fragment XI

Boek van het Ademen

Voor egyptologen bevat de papyrus een kopie van het hiëratische ‘Boek van het Ademen’ voor de Thebaanse priester Horos. Boeken van het Ademen zijn welbekend in de Ptolemaeïsche en vroeg-Romeinse periode, waar ze het bekende dodenboek vervangen of aanvullen. Ze garanderen een gelukkig hiernamaals voor de overledene (“gerechtvaardigd” voor de rechter Osiris) en geven hem “de adem van het leven” terug. Ze vergezelden de mummie in het graf, wellicht één van de mummies die door Chandler werden tentoongesteld, zoals blijkt uit een beschrijving in de Painesville Telegraph van 1835 (nog voor Smith de papyri kocht). De papyrus van Horos is een “boek van het ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris”, waardoor de dode, één met de gestorven en herrezen Osiris, al zijn mogelijkheden terugkrijgt in het hiernamaals.

We beschikken over een twintigtal gelijkaardige funeraire papyri, die alleen verschillen door de naam en titels van de gestorvene en door enkele varianten. De papyrus, oorspronkelijk ongeveer anderhalve meter lang, is beschadigd, maar kan dankzij die parallellen gemakkelijk worden aangevuld. De tekst begint met de identificatie van de dode:

[Osiris godsvader en] profeet van Amon-Re koning der goden, dienaar van Min die zijn vijanden slacht, dienaar van Chonsou die macht heeft in Thebe, Horos (gerechtvaardigd) zoon van de man met dezelfde titels, directeur van de geheimen en reiniger van de god Osoroeris (gerechtvaardigd), en van de muzikante van [Amon-]Re Chibois (gerechtvaardigd).

Dan volgen spreuken die aan Horos het eeuwig leven garanderen, beginnend met:

Moge uw ba leven onder hen en moge je begraven worden in het westen [van Thebe]. [O Anubis, moge jij hem] een mooie schitterende begrafenis geven in het westen van Thebe in het gebergte van Manoe.

Joseph Smith Papyri Fragment I

Facsimile van de papyrus in het Mormoonse heilige boek ‘De Parel van Grote Waarde’

Bij de ‘Hor papyrus’ hoort ook bovenstaand vignet met hiëroglyfische tekst dat door Smith uitvoerig wordt becommentarieerd en waarvan een facsimile is opgenomen in de publicatie van het boek van Abraham. De scène komt alleen hier voor op een papyrus, maar ze is bekend uit scènes op de muren van de tempels: Osiris ligt op een dodenbed, en wordt tot leven gewekt door Anubis, de dodengod met de hondenkop; symbool van dit leven is zijn erecte penis, waarmee hij zijn postume zoon de god Horus (toevallig draagt de bezitter van de tekst dezelfde naam) tot leven zal wekken. Onder hem staan de vier kruiken of canopen voor de gemummificeerde ingewanden van de overledene. Daaronder ziet men de Nijl met daarin een krokodil, het dier dat hielp bij het bijeenbrengen van de ledematen van de vermoorde Osiris, die door zijn broer Seth in 50 stukken was gehakt. Smith heeft deze scène helemaal anders geïnterpreteerd en ingebed in zijn verhaal over Abraham in Egypte: op een altaar ligt Abraham vastgebonden, terwijl de heidense priester Elkenah op het punt staat hem te offeren. De ba-vogel (de ziel of individualiteit van de dode) is bij hem een engel des heren en de Nijl wordt de pijlers van de hemel, met daarin de afgod van farao (de krokodil). Op het facsimile wordt dit netjes getoond door middel van cijfers, zodat er geen twijfel kan bestaan over hoe de lezer van Smith dit moet begrijpen.

Hypokephalos van Sheshonq

De hypokephalos van Sheshonq

Ook de hypokephalos van Sheshonq werd door Smith geïnterpreteerd als een deel van het boek van Abraham. Een hypokephalos is een cirkelvormig amulet, dat onder het hoofd van de afgestorvene werd gelegd en meestal een hoofdstuk bevat van kapittel 162 van het dodenboek. De tekst is geschreven in cursieve hiërogliefen, en de beschadigde stukken zijn in de gedrukt editie “hersteld” met tekens uit andere teksten (een oudere kopie van Smith laat zien waar de tekst toen al verloren was). De hypokephalos zelf is niet bewaard en de egyptologen moeten het dus doen met de twee facsimiles. Maar de tekst kan gemakkelijk gereconstrueerd worden op basis van tientallen parallellen, en de naam van de bezitter, een zekere Sheshonq (Sesongosis), is bewaard zonder titels.

De gereconstrueerde hypokephalos van Joseph Smith

Smiths nummering en interpretatie van de scènes laat zien dat hij niet had begrepen dat je van rechts naar links moet lezen en dat sommige scènes binnen de cirkel 180° gedraaid zijn. Voor Smith had de hypokephalos betrekking op Egyptische astronomie. Hij geeft 21 nummers, tekst en vignetten dooreen. Scène 5 bijvoorbeeld toont de Hathor-koe in het midden en de vier mummificatiekruiken (de vier Horos-zonen, dezelfde als in het vignet van onze eerste tekst) voor haar. Zo interpreteert hij de hemelkoe (zonder de tekst) als volgt “Dit is in het Egyptisch Enish-go-on-dosh. Dit is ook één van de leidende planeten. De Egyptenaren zeggen dat het de zon is en dat hij zijn licht ontvangt van Kolob via het medium van Kae-e-vanrash, die andere vaste planeten of sterren bestuurt.” De namen zijn gewoon verzonnen. De vier mummificatiekruiken worden bij hem de vier windstreken. Vier korte hiëroglyfische teksten (zijn nummers 8-11), die een gebed met de naam van de overledene bevatten, bevatten voor hem “geschriften die nog niet aan de wereld mogen worden geopenbaard, maar die men zal verkrijgen in de tempel van god.”

Horos, de Thebaanse priester

De overleden Horos, zoon van Osoroeris, is een priester van de grote tempel van Karnak, een “profeet van Amon-Re koning der goden”, maar hij draagt ook de zeldzame titel “dienaar van Min die zijn vijanden slacht”. Deze titel komt eigenlijk maar voor bij één familie, waarvan de gecompliceerde stamboom door de Leuvense onderzoeker Mark Coenen tussen 1995 en 2003 werd gereconstrueerd op grond van tien funeraire papyri, één standbeeld en een mummiewindsel in Europese en Amerikaanse musea (Tübingen, Wenen, Parijs, Genève, Oxford en Baltimore). De papyri stammen wellicht alle uit dezelfde opgraving als de ‘Joseph Smith papyrus’ en bieden informatie over zeven generaties priesters in de 2de en 1ste eeuw v.C. In zes daarvan verschijnt de priester Horos, die naast het ‘Boek van het Ademen’ (de ‘Joseph Smith papyrus’) ook nog een dodenboek meenam in zijn graf (nu in het Louvre).

Tom Gheldof | OUDE GESCHIEDENIS

Stamboom van de priester Horos

Opinie van de egyptologen

Voor de Mormoonse theologen is de restitutie van de papyri tegelijk een godsgeschenk en een reuzegroot probleem. In 1861 al had Théodule Devéria, een erkend specialist van funeraire schriften die onder andere de cataloog van de Louvre papyri had gepubliceerd, gewezen op absurditeiten en anachronismen in de vertalingen van Joseph Smith. Abraham leefde, als hij al bestond, meer dan duizend jaar voor de papyri door hem werden geschreven. In 1912 vroeg F.S. Spalding, de Anglicaanse bisschop van Utah, een tiental bekende geleerden hun mening over Smiths vertaling; de antwoorden waren vernietigend.

Nadat in 1967 de geschriften publiek werden gemaakt, met foto’s die toelieten de lezingen te controleren, was het onmogelijk om de eensgezinde opinie van de egyptologen te negeren. Behalve enkele replieken ad hominem, waarbij de persoon van meerdere geleerden werd in vraag gesteld (“a jury of Gentiles, prejudiced, ill-tempered, and mad with pride of human learning“), hebben ze twee uitwegen. Volgens sommigen gebruikte Smith de ‘Hor papyrus’ enkel als een “mnemonic device” om de goddelijke inspiratie in de juiste banen te gidsen, maar dit is in tegenspraak met Smiths eigen nadruk op de wetenschappelijke waarde van zijn “vertalingen” (een studie met alfabet en grammatica van zijn hand is bewaard). Anderen wijzen erop dat Egyptische hiërogliefen verschillende interpretaties toelaten, op verschillende niveaus. Hier kunnen ze zich beroepen op de profeet, die zelf verschillende niveaus onderscheidde bij zijn vertaalwerk (doch die sloten wel vrij dicht bij elkaar aan). Of, zoals een Mormoonse egyptoloog het uitdrukte bij zijn uitgave van de tekst: “Wat ik hier bied, is een letterlijke egyptologische vertaling van de papyrus, maar die kan natuurlijk niet tippen aan de geïnspireerde vertaling van Joseph Smith”. Of hoe de “multiplicity of approaches” het geloof toch nog kan redden. Maar ik heb niet kunnen vinden hoe de theologen verklaren dat er tientallen nagenoeg identieke kopieën zijn van het boek van het ademen. Die kunnen toch niet allemaal door Abraham zijn geschreven?

Bibliografie

R.K. Ritner, The Joseph Smith Egyptian papyri. A complete edition, Salt Lake City, 2013

M. Coenen – J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek nr. 5, Leuven, 1995

Coverfoto: adaptatie van het schilderij ‘The Hill Cumorah by C.C.A. Christensen’ van Wikimedia (Public Domain), de ‘Only Known Depiction From Michael Chandler Mummy Collection By Samuel Morton Crania Aegyptica’ van Wikipedia (Public Domain) en de ‘Joseph Smith Papyrus V’ van Wikimedia (Public Domain)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Mummies en Mormonen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/11/2021/mummies-en-mormonen/feed/ 0 2113
Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/#respond Tue, 20 Apr 2021 14:30:12 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1949

Op 20 april 202 v.C. gebeurde er iets met de kittens in het huis van Onnophris, een lokale begrafenisondernemer uit het Fajoem-dorpje Tanis. Hij getuigt daarover in een petitie aan de politiechef Machatas. In deze blogpost kom je te weten waarom Onnophris zo verveeld was met wat er in zijn huis gebeurde en hoezeer heilige katten van levensbelang waren in Egypte.

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Waarom zijn heilige katten een zaak van levensbelang in Egypte? Om op die vraag te kunnen antwoorden keren we terug naar  20 april 202 v.C., een dag waarop er iets gebeurde met de kittens in het huis van Onnophris. Deze begrafenisondernemer uit het dorpje Tanis in de Fajoem-oase schreef die dag namelijk de volgende petitie aan de politiechef Machatas:

Toen er enkele katjes werden geboren in mijn huis en toen hun moeder ze niet kwam opzoeken ging ik naar de tempel van Boubastis en ik vroeg de sompheis om te komen en ze mee te nemen naar de Boubastistempel. Maar ze kwamen niet en trokken zich er niets van aan. De katjes werden door mij grootgebracht met melk in mijn huis. Toen gebeurde het dat ze werden meegesleurd door een kater, die ze uit mijn huis meenam tot op de avenue. Ik snelde erheen en riep de mensen die erbij stonden en het hoorden om hulp. We stonden er rond en konden met moeite één katje afpakken met hulp van de omstaanders, onder wie Phasis de dorpssecretaris, aan wie ik een getuigenverslag gaf over wat er was gebeurd. Ik wist niet wat gedaan omdat ik vernam dat u afwezig was en ik kon me in het dorp niet laten zien wegens mijn beroep. Op de 22ste van de huidige maand bracht ik dan het poesje tot aan de poort van de Boubastistempel en ik schonk het met de bede dat de sompheis het zouden binnenbrengen. Want ik mag de tempel niet binnengaan. Opdat ik niet later valselijk zou worden beschuldigd door mensen met kwade bedoelingen, vraag ik met aandrang dat u uw handtekening zou zetten onder alles wat hieronder geschreven staat. Als dat gebeurt, dan zal ik genieten van uw hulp. (P. Köln 15 594)

De Egyptische kattengodin Bastet

Onnophris voelt zich duidelijk verantwoordelijk voor de katjes die in zijn huis geboren zijn en wil het overlevende katje snel een thuis bezorgen in de tempel van de kattengodin Bastet, Boubastis in het Grieks. Somphis is een Egyptisch woord voor “danser” en deze dansers zijn nauw verbonden met de cultus van de godin. Onnophris mag de tempel niet binnen, dat is het voorrecht van de priesters; en begrafenisondernemers zijn zeker onrein en mogen zeker niet door de poort. Onnophris is duidelijk niet gerust in de zaak: hij doet een beroep op het getuigenis van de dorpssecretaris en wil nu ook nog een handtekening van de politiechef. Wat er ondertussen van het katje geworden is, blijft in het ongewisse.

Egyptenaren en hun katten

Dit gebeuren lijkt als twee druppels water op wat Herodotus drie eeuwen vroeger schreef over de Egyptenaren en hun katten:

Vele dieren leven en eten met de mensen samen en hun aantal zou veel groter zijn, als niet het volgende de katten overkwam. Wanneer de vrouwtjes jongen hebben gekregen, zoeken ze de katers niet langer op. De katers willen met de poezen paren, maar krijgen de kans niet. Hierop bedenken ze het volgende: ze halen op gewelddadige of geniepige wijze de jongen bij de poezen weg en doden die, maar peuzelen ze daarna niet op. Wanneer de poezen hun jongen kwijt zijn, verlangen ze naar andere en zoeken ze de katers weer op. Dit dier wil nu eenmaal graag jongen. (Hist. II.66).

Artemis, de Griekse godin van de jacht

In het volgende hoofdstukje vertelt Herodotus dat “de katten na hun dood naar heilige kamers in de stad Boubastis worden overgebracht, waar ze worden gebalsemd en begraven”. Boubastis, de stad in de Delta die aan de kattengodin is gewijd, is volgens Herodotus ook de stad met het grootste carnaval in Egypte, ter ere van Artemis, de Griekse godin die door hem met Bastet wordt geïdentificeerd. Hij beschrijft dit feest als volgt:

“Wanneer ze nu naar de stad Boubastis afreizen, gaat dat ongeveer als volgt. Mannen varen samen met vrouwen en er is een massa volk van beiderlei kunne in iedere boot. Sommige vrouwen hebben ratels bij zich waarmee ze kabaal maken, sommige mannen blazen gedurende de hele boottocht op fluiten. De rest van de vrouwen en mannen zingt en klapt in de handen. Als ze op hun tocht langs een andere stad aankomen, trekken ze de boot aan land en dan gebeurt het volgende: sommige vrouwen doen zoals ik heb gezegd, anderen roepen naar de vrouwen in die stad en maken grapjes met hen, nog anderen dansen en staan recht terwijl ze hun kleed opheffen. Dat doen ze bij elke stad die aan de rivier ligt. Wanneer ze Boubastis hebben bereikt, vieren ze feest en brengen ze grote offers. Tijdens dat feest wordt er meer wijn geconsumeerd dan in heel de rest van het jaar. Tot wel zevenhonderdduizend mensen, mannen en vrouwen, kinderen niet meegerekend, komen er samen, naar de inwoners zeggen. (Hist. II.60)

De verering van katten

Katten afgebeeld op en onder de stoel van grafeigenaar Ipuy en diens vrouw

Katten werden in het Nabije Oosten wellicht al getemd rond 5000 v.C., maar in Egypte blijven tamme katten zeldzaam tot in het Middenrijk (ca. 2000 v.C.). Vanaf het Nieuwe Rijk (ca. 1500 v.C.) zijn er talrijke afbeeldingen van katten als helpers bij de jacht op watervogels en als huisdier onder de stoel van de grafeigenaar. Vanaf de 18de dynastie worden de dieren ook vereerd en die verering neemt een enorme vlucht in de laat-faraonische en Grieks-Romeinse tijd. Getuigen hiervan zijn de kattenkerkhoven en de honderden bronzen beeldjes die over heel Egypte zijn gevonden.

Kattenmummies uit het British Museum

Zo werd ca. 1880-1890 in Beni Hasan in Midden-Egypte een kerkhof gevonden met meer dan 200 000 gemummificeerde katten, die de kinderen aan toeristen verkochten. Een duizendtal werd naar Liverpool gebracht, de meeste hiervan werden verwerkt tot meststof, maar enkele zijn nu te bewonderen in het zoölogisch museum. Ook op veel andere plaatsen vond men kattenmummies, onder andere in Boubastis – natuurlijk – en in Saqqara, de begraafplaats van Memphis. Het graf van de vizier Aperel (18de dynastie) werd later hergebruikt als begraafplaats voor katten (men vond er 200 kattenmummies), maar de meeste mummies dateren uit de Grieks-Romeinse tijd. In 2011 werd een kerkhof bloot gelegd met 600 gemummificeerde katten en enkele honden vlakbij Berenike, een nederzetting aan de Rode Zee van waaruit de handelsroute naar Jemen en India vertrok. Het gaat hier klaarblijkelijk om huisdieren, vaak voorzien van een bronzen halsband. Maar in veel gevallen zijn de dieren met opzet gedood, zoals blijkt uit röntgenfoto’s. Ze werden gekweekt om te worden geofferd aan de godin; ze stierven door wurging of werden doodgeslagen, vaak op erg jonge leeftijd.

© P. Osypińska

Skelet van een kat uit de dierenbegraafplaats in Berenike

Bastet, de Egyptische kattengodin

De leeuwengodin Sachmet

De godin Bastet was oorspronkelijk een leeuwin, maar wordt “getemd” tot kat en zo de tegenpool van de woeste leeuwin Sachmet . Deze metamorfose wordt verteld in de mythe van de verre godin. Tefnout, de dochter van de zonnegod Re, verlaat het hof van haar vader in Heliopolis (de “zonnestad”) en trekt naar Nubische woestijn. Daar geeft ze als bloeddorstige godin (onder de naam Sachmet) vrije loop aan haar woeste karakter. Maar Re wil dat ze terug naar huis komt en stuurt haar broer Shou, de god van de wind, en Thoth, de god van schrift en taal, om haar terug te halen. Met heel wat moeite slagen ze in hun opdracht door zich om te toveren in twee onschuldige aapjes en haar leuke verhalen te vertellen, onder andere de parabel van de leeuw en de muis. Ze beschrijven het verdriet van haar vader Re en van alle mensen om haar afwezigheid en beloven dat de mensen voor haar tempels zullen bouwen en feesten organiseren bij haar terugkeer. Als ze uiteindelijk ja zegt, danst Shou van vreugde – vandaar die priesters-dansers uit onze petitie! – maar Thoth, die een nieuwe woedeuitbarsting wil voorkomen, giet rode wijn in het water van de Nijl in Philae en als de godin daarvan drinkt, denkend dat het bloed is, wordt ze dronken en valt in slaap. Als ze weer wakker wordt is ze gekalmeerd en is de leeuwin veranderd in een brave poes, Sachmet wordt weer Bastet. Bij haar terugkeer is heel het land in feest en vooral natuurlijk haar stad Boubastis en iedereen mag zoveel wijn drinken als hij kan. Bastet is dus de getemde versie van de vreselijke Sachmet, maar ook van de Nijl die na de woeste stroomversnelling van Philae elk jaar Egypte overstroomt en vruchtbaar maakt.

Hoe de Grieken ertoe gekomen zijn om de sexy Egyptische kattengodin te identificeren met de maagdelijke Artemis, de godin van de jacht en van de maan, is niet helemaal duidelijk. Beide waren helpsters bij de geboorte (katten hebben veel jongen en baren gemakkelijk) en dit heeft zeker een rol gespeeld. Dit wordt treffend geïllustreerd door een recente opgraving (in 2009) van een tempel in het centrum van Alexandrië (Kom el-Dikke). Hierbij kwamen honderden beeldjes van katten (vaak met jongen) en kinderen in kalksteen (met sporen van de oorspronkelijke beschildering en verguldsel), brons en faience te voorschijn, die aan de godin Boubastis/Artemis waren gewijd. De tempel was opgericht kort na de stichting van Alexandrië (misschien al in de 4de eeuw v.C.) en de beeldjes ook uit de vroege Ptolemaeïsche tijd zijn gewijd aan de Egyptische Boubastis. Maar op de funderingsplaatjes van de tempel werd deze gewijd aan Artemis door koningin Berenike omstreeks 244 v.C. Heel wat beeldjes, meestal in Griekse stijl, waren gewijd door vrouwen met originele Griekse namen, zoals Philixo, Phormion, Theano, Galateia en de zusjes Asteria en Timarion, ongetwijfeld om een voorspoedige bevalling te verkrijgen of hiervoor te danken. De Egyptische godin was dus al vroeg populair bij de Griekse burgers van de wereldstad.

© C. Méla & F. Mori, Alexandrie la Divine. Volume I

Kattenbeeldjes, gewijd aan de godin Boubastis/Artemis

Conclusie

De heilige dieren waren beschermd, zoals we al horen bij Herodotus: “Wanneer iemand een van die dieren doodt, krijgt hij bij opzettelijk handelen de doodstraf. Is er geen opzet in het spel, wordt hem een straf door de priesters opgelegd. Wie echter een ibis of havik doodt, met of zonder opzet, moet in elk geval sterven” (Hist. II.65).  Diodorus vertelt hoe een Romeins ambassadeur per ongeluk een kat doodreed en hierom door de Alexandrijnen ter plekke werd gelyncht, hoewel koning Ptolemaios (de vader van Cleopatra) juist op dat moment er alles aan deed om de Romeinen te vriend te houden. De episode wordt zelfs vermeld door Cicero en helpt ons om te begrijpen waarom Onnophris zo verveeld zit met wat er in zijn huis is gebeurd met de kittens op 20 april 202 v.C.

Lees meer

De katten van de farao’s. “4000 jaar goddelijke gratie”, catalogus van een tentoonstelling in het Museum voor Natuurwetenschappen, 1990.

Jean-Yves Carrez, ‘Le Boubasteion (Artémision) d’Alexandrie’, in : Charles Méla & Frédéric Möri (eds.), Alexandrie la Divine. Volume I, Genève, 2014, pp. 268-273.

P.Köln 15 594 [TM 704850]

Coverfoto: afbeelding ‘Cat Coffin with Mummy’ van de collectie uit het Brooklyn Museum (CC-BY)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/feed/ 0 1949
Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/#respond Sat, 23 Jan 2021 15:47:28 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1793

Rijke Grieken konden goed hun geld en roem verdienen met muziek, terwijl andere types muzikanten in Ptolemaeïsch en Romeins Egypte minder kans hadden om hun talenten in de verf te zetten, zoals de provinciale muzikanten. Dankzij bewaarde papyri is het toch mogelijk om een analyse te maken van het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte.

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Heel wat onderzoekers bogen zich de laatste decennia over muziek en muzikanten in de Oudheid, waarbij ze voornamelijk focusten op muzikanten in het antieke Griekenland en Rome. De faraonische periode in Egypte wordt in mindere mate bestudeerd, en Ptolemaeïsch en Romeins Egypte (Grieks-Romeins Egypte) zit al helemaal in het verdomhoekje. Nochtans bevatten een aantal Griekse papyri uit die periode informatie over de Oudheid die elders niet voorhanden is. Een studie naar muzikanten in Grieks-Romeins Egypte kan daarom onze kennis over de Griekse wereld aanvullen, maar is an sich ook een boeiend onderwerp.

Muzikanten vormden een specifieke beroepscategorie in Grieks-Romeins Egypte. De grote diversiteit in muzikanten en instrumenten in die periode wijst erop dat muziek alomtegenwoordig was in verschillende domeinen en lagen van de antieke samenleving. Zo werden offers voor de goden gebracht onder muzikale begeleiding, marcheerden infanteriesoldaten op het ritme van fluitmuziek, verlichtten andere muzikanten het werk van plukkers tijdens de druivenoogst, enzovoort. Muziek, vaak in combinatie met dans, kwam je uiteraard ook tegen op de talrijke dorpsfestivals in de Egyptische chora.

Scène uit een Romeinse mozaïek met twee druivenpletters en een fluitspeler (rechts) uit de 3de eeuw n.C.

Muziek in Ptolemaeïsch Egypte

Bepaalde mannelijke leden van de rijke Griekse elite lieten zich in Ptolemaeïsch Egypte in met muziek. Dat gebeurde al van kindsbeen af (ca. 12 jaar of jonger) en op een intensieve manier. Dergelijke jongens deden de “muziekmicrobe” waarschijnlijk op tijdens hun algemene vorming in de gymnasia, want dit vormde een belangrijk onderdeel van hun basisopleiding. Nadien zochten ze een muziekmeester (hoogstwaarschijnlijk zelf een ex-muzikant) die hen tijdens de vele trainingsuren kon begeleiden. Die vroege voorbereiding had als doel om op latere leeftijd uit te blinken op (inter)nationale muziekwedstrijden tijdens sacrale festivals in de toenmalige Griekse wereld. Muzikanten die schitterden tijdens die wedstrijden konden in sommige gevallen genieten van een grote naambekendheid in (een deel van) de antieke Griekse wereld, belastingprivileges verkrijgen en een fortuin verwerven.

De bekendste wedstrijden speelden zich af in Griekenland, met de Pythische Spelen in Delphi als absolute topper voor muzikanten. Koning Ptolemaios II riep in Egypte soortgelijke festivals in het leven (onder meer de Ptolemaia en Basileia) die gemodelleerd waren naar de oude Griekse festivals met sport- en muziekwedstrijden. Hij noemde ze ‘isolympische spelen’ en stuurde boodschappers naar verschillende Griekse steden om zijn spelen te promoten. De steden werden gevraagd om hun potentiële winnaars op dezelfde wijze te belonen en te behandelen als winnaars van de Olympische Spelen (in CID 4.40 [TM 813992]). Toch evenaarden de Ptolemaia nooit de grote Griekse spelen en zijn ze in Egypte voor de laatste keer in 211-210 v.C. geattesteerd.

Om de diversiteit tussen verschillende types muzikanten aan te tonen volgen hieronder twee casestudy’s. Ten eerste staan we even stil bij het leven van Herakleotes, een jonge Griekse kitharôde. Hij staat model voor het leven van een wedstrijdmuzikant die uit een rijker, Grieks milieu kwam. Dergelijke artiesten hadden soms een jarenlange voorbereiding achter de kiezen om zich klaar te stomen voor een belangrijke wedstrijd. Het niveau van professionalisering lag hoogstwaarschijnlijk bijzonder hoog. Het bestaan van ‘provinciale muzikanten’ toont aan dat het beroep muzikant niet enkel was weggelegd voor welgestelden in Romeins Egypte. Dit type muzikanten verenigde zich in groepen en bood entertainment aan op lokale dorpsfestivals in plaats van op te treden op grote muziekwedstrijden.

Herakleotes: tonnen ambitie, maar geen middelen

Roodfigurige vaas met afbeelding van een jongeman die de kithara bespeelt (ca. 490 v.C.)

In het bekende papyrusarchief van Zenon, komen drie teksten voor die een Griekse jongeman uit de 3de eeuw v.C. schreef (P. Cairo Zen. 3 59440 [TM 1080], PSI 9 1011 [TM 2448] en P. Lond. 7 2017 [TM 1579]). Zijn naam was Herakleotes en hij was een van de Griekse inwoners van het dorpje Philadelpheia in de Fajoem. Uit de drie verzoekschriften (hypomnèmata of memoranda) die hij richtte aan Zenon, zijn we deels ingelicht over de moeilijke situatie waarin hij verkeerde. Herakleotes zat namelijk midden in zijn opleiding tot professionele kitharôde (κιθαρῳδός) – een type muzikant dat liederen zong en zichzelf daarbij begeleidde op de kithara (κιθάρα), een hoogwaardig snaarinstrument – toen het noodlot voor hem toesloeg. Zijn muziekleerkracht Demeas, tevens hoofd van het lokale gymnasion, overleed terwijl hij Herakleotes nog twee jaar had moeten opleiden. Dat de band tussen leerling en leerkracht sterk was (misschien was Herakleotes zelfs geadopteerd door zijn muziekleerkracht), bewees Demeas’ testament waarin de jongeman opgenomen was. Het maakte van Herakleotes de erfgenaam van Demeas’ muziekinstrument, hoogstwaarschijnlijk een kithara van uitmuntende kwaliteit. In zijn memoranda kaartte de jonge muzikant aan dat hij als rechtmatige erfgenaam nog steeds niets gezien had van zijn beloofde erfenis. Sterker nog, de kithara was zelfs niet opgenomen in een inventaris van Demeas’ spullen die na zijn dood was opgesteld en leek dus spoorloos verdwenen. Herakleotes achterhaalde voor het schrijven van een volgend memorandum dat Demeas’ kithara zich bij een zekere Hiëron bevond. Het instrument diende als onderpand met een waarde van 105 drachmen. Daaruit kan afgeleid worden dat de kostprijs van een nieuwe kithara veel hoger lag en dus uitsluitend aangekocht kon worden door rijke Grieken uit de elite. Bijgevolg waren alleen de rijkste (Griekse) inwoners van Ptolemaeïsch Egypte, die de financiële middelen hadden, in staat om zich te professionaliseren op een hoogstaand niveau.

Hieronder volgt de vertaling van een van de drie memoranda (P. Lond. 7 2017 [TM 1579]) die Herakleotes aan zijn voogden Zenon en Nestos schreef en waarin hij op een beleefde, maar wel wanhopige toon, beterschap voor zijn toestand hoopte te verkrijgen.

Memorandum van Herakleotes aan Zenon en Nestos, mijn aangewezen voogden.
Ik heb u al drie memoranda bezorgd met de volgende vraag: mijn leraar Demeas heeft bij testament voor mij bepaald dat voor mijn onderhoud moet worden gezorgd en dat ik alles moet krijgen wat een gentleman (vrij man) nodig heeft om zich te oefenen in het citherspel, totdat ik kan optreden in de wedstrijd. U geeft me elke maand drie drachmen en vier en een halve obool voor vlees, drie drachmen en drie chalkoi voor olie, twee drachmen en een halve obool voor vis, zeven en een halve chous wijn. Ik heb u gezegd dat dit niet voldoende is voor mij om te oefenen en u gevraagd mij omwille van Demeas en uit eerlijkheid, een maandelijkse uitkering te geven van zeven drachmen en drie obolen voor vlees, zes drachmen en zes chalkoi voor olie, zeven drachmen en drie obolen voor vis en vijftien choës wijn. Maar u hebt helemaal niet gereageerd op mijn memoranda.
Daarom vraag ik u nog een keer om mijn instrument terug te geven, dat me bij testament werd nagelaten en dat nu in het bezit is van Hiëron, of om een ander evenwaardig instrument te kopen en het mij te geven. Zo zal ik kunnen oefenen en deelnemen aan de wedstrijd, anders zal ik achterstand oplopen omdat ik geen instrument heb. En ik vraag u ook mij al het nodige te geven, zoals ik het schrijf in mijn memorandum en zoals het testament bepaalt, tot ik kan optreden in de wedstrijd. Als u dat niet wilt doen, vraag ik u mij voor twee jaar de overeenkomstige maandelijkse som te geven, zodat ik voor mezelf kan zorgen, een manager kan vinden en kan deelnemen aan de wedstrijden die de koning uitschrijft. Zo zal ik hier niet verkommeren, maar in staat zijn mezelf te helpen.
Vaarwel. Jaar 6 van de maand […]

(CLARYSSE, W. en VANDORPE, K., Zenon: Grieks manager in de schaduw van de piramiden, Leuven, 1990, p. 60-61).

Dit verzoekschrift behandelt opnieuw de vraag naar Demeas’ instrument, maar toont daarnaast aan dat Herakleotes maandelijkse voedseltoelagen ontving, maar er niet tevreden mee was. Het geld zou volgens de papyrus besteed worden aan olie, wijn, vlees en vis. Achter de keuze voor die specifieke voedingswaren kunnen we waarschijnlijk meer afleiden dan enkel het lievelingseten van de jonge Griek. Zo is geweten uit literaire bronnen dat bepaalde muzikanten in de Griekse wereld er een specifiek dieet op nahielden, omdat ze geloofden dat sommige voedingswaren een positief effect hadden op hun muziekspel. Zo komen vis (paling) en vlees bijvoorbeeld terug in de werken van Athenaeus van Naukratis (Deipnosophistae, 14.623C) en Plutarchus (De gloria Atheniensium, 6) als middeltjes die de adem konden versterken en de stem krachtiger konden maken. Uiteraard kwam dat goed van pas als kitharôde in opleiding. Dit memorandum is dus mogelijk de enige documentaire bron die dat gebruik uit literaire bronnen kan bevestigen.

De Romeinse geschiedschrijver Suetonius geeft in zijn keizersbiografieën een ander voorbeeld van een strikt dieet voor artiesten. In zijn beschrijving van keizer Nero vermeldde hij hoe Nero zelf de ambitie koesterde om een bekend artiest te worden en wat hij er voor over had om die droom te laten uitkomen. Hij zou zichzelf allerlei voedingsvoorschriften opgelegd hebben, dronk cocktails die het braken stimuleerden en liep een hele tijd rond met loden borstplaten die zijn longinhoud en zangstem moesten versterken (De vita Caesarum, Nero 20).

Hoewel Herakleotes met zijn acht drachmen en vijf obolen per maand over een groter budget beschikte om te spenderen aan voedsel dan toenmalige landarbeiders, hoopte hij via zijn verzoekschriften het maandelijkse bedrag ruim te verdubbelen.

Voeding

Gekregen toelage

Gewenste toelage

Vlees

3 drachmen, 4 obolen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Olie

[3] drachmen & 3 chalkoi

6 drachmen & 6 chalkoi

Ὄψον (vis)

2 drachmen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Wijn

7,5 choës

15 choës

TOTAAL

8 drachmen, 5 obolen, 3 chalkoi & 7,5 choës

21 drachmen, 6 chalkoi & 15 choës

Tabel met overzicht van de maandelijkse toelagen van Herakleotes en zijn gewenste toelage voor vlees, olie, vis en wijn.

De reden waarom Herakleotes telkens opnieuw hamerde op het terugkrijgen van het instrument (of een nieuw instrument van dezelfde goede kwaliteit) en zichzelf hoogstwaarschijnlijk voedde met stemversterkende middeltjes lezen we in de voorlaatste regel van het verzoekschrift: “Zodat hij zou kunnen deelnemen aan de wedstrijd die de koning had uitgeschreven”. De jonge kitharôde was dus van plan om binnen twee jaar deel te nemen aan een grote muziekwedstrijd op een sacraal festival in Egypte. Het is helaas onduidelijk of het om de Basileia of Ptolemaia ging. Een van zijn grootste angsten lezen we ook in de papyrus, namelijk dat hij een achterstand zou oplopen op de andere deelnemers omdat hij niet beschikte over een instrument waarop hij dagelijks kon oefenen. Zijn dossier toont aan dat de voorbereidingen voor een dergelijke muziekwedstrijd al zeer vroeg aanvatten en verduidelijkt opnieuw het professionalisme dat door de artiesten aan de dag werd gelegd.

De afloop van het verhaal van de jonge muzikant is helaas niet overgeleverd. Of hij ooit uitgroeide tot een succesvol kitharôde en fortuin verwierf, weten we evenmin. Zijn verhaal is waarschijnlijk wel exemplarisch voor de inspanningen die jonge Grieken in Egypte moesten leveren om het te schoppen tot professionele muzikant. Ze hadden een flinke portie motivatie (om dagelijks te trainen), discipline (zich houden aan de juiste voedingsvoorwaarden), begeleiding (een goede leermeester die hen de kneepjes van het vak moest bijbrengen en een mentorfunctie vervulde) en vooral een groot budget nodig (om het dure concertinstrument, de levensmiddelen en het loon van hun trainer te financieren).

Provinciale muzikanten in Romeins Egypte

Niet alle muzikanten in Grieks-Romeins Egypte hadden de mogelijkheid om zich evenzeer te professionaliseren als de rijke Griekse elite en deel te nemen aan muziekwedstrijden. Dat wil daarom niet zeggen dat enkel rijke personen het beroep van muzikant konden uitoefenen. Het werd uitgeoefend door mensen uit verschillende sociale lagen van de antieke samenleving. Zo bestond er bijvoorbeeld een middenklasse onder de muzikanten waarover meerdere details bekend zijn. Die informatie hebben we te danken aan een twintigtal (deels) bewaarde juridische documentaire bronnen (contracten) die de muzikanten afsloten met particulieren (bijvoorbeeld P. Oxy. 10 1275 [TM 31729], P. Oxy. 74 5014 [TM 128320], P. L. Bat. 6 54 [TM 10761], P. Flor. 1 74 [TM 23578]).

Daarnaast bestaan er nog enkele gelijkaardige contracten die afgesloten werden door dansers of danseressen of andere types van artiesten (bijvoorbeeld P. Corn. 9 [TM 10609] en BGU 7 1648 [TM 27600]). De documenten laten zien dat bepaalde muzikanten zich verenigden in ensembles en rondtrokken in hun eigen gouw of provincie om lokale dorpsfestivals tegen betaling op te vrolijken met hun muziek. Dat gebeurde voornamelijk in de Romeinse periode, hoewel er mogelijk precedenten waren in de Ptolemaeïsche periode (P. Hib. 1 54 [TM 8204], P. Oxy. 4 731 [TM 20431] en CPR 18 1 [TM 7760]). Hun beperkte actieradius (voornamelijk binnen hun eigen gouw/provincie) leverde hen de bijnaam ‘provinciale muzikanten’ in het huidige onderzoek op.

De contracten bieden informatie over de werkgevers, de muzikanten zelf (auleten waren muzikanten die de aulos bespeelden, een typisch Grieks blaasinstrument, en dat type muzikanten komt in papyri het vaakst voor) en de interne hiërarchie, de duur van de voorziene arbeid, de uitbetaling van de artiesten (een krotalistria was bijvoorbeeld een vrouwelijke danseres die een soort castagnetten hanteerde terwijl ze danste), de regeling van hun transport naar het dorp, hun bezittingen, enzovoort. Onderstaande vertaling van een 3de-eeuwse papyrus uit Oxyrhynchus (P. Oxy. 34 2721 [TM 16593]) kan dienen als pars pro toto wegens de grote uniformiteit van de contracten:

Zijn onderling overeengekomen, Aurelios Ptollion, zoon van Barbaros, en Heras, zoon van Heras, beiden burgemeester van de mannen die feest vieren in het dorp Nesmeimis, en anderzijds Antinoos, zoon van Hermias, eerste auleet en aan het hoofd geplaatst van drie auleten en een krotalistria:
Ptollion en de anderen huurden Antinoos in met zijn volledige compagnie om op te treden voor de mannen die feesten op een festival van vier dagen vanaf de elfde van de volgende maand van Hathyr van dit jaar, voor een dagelijks salaris van 50 drachmen, 12 paren brood, twee kotylai radijsolie, behalve degene die voor verlichting dient, en een rantsoen, en de gebruikelijke diensten, en, voor alle dagen een keramion wijn, alle waren zijn puur.
In verband met hun salaris. Antinoos krijgt hier als voorschot 20 drachmen, en ze (Aurelios en Heras) zullen hem en de anderen transporteren met drie ezels, behalve bij overmacht, van de Oxyrhynchitische gouw. Ze zullen hen brengen naar het dorp en hen een veilige en stille accommodatie aanbieden, en na de vier dagen, nadat ze tevreden zijn met hun salarissen en de fooien, in totaal en verplicht, zullen ze hen transporteren op de vijftiende naar dezelfde Oxyrhynchites met eenzelfde aantal ezels, drie, gezond en wel.
Antinoos van zijn kant stemt in met alle vastgestelde bepalingen hierboven. De wederzijdse overeenkomst, opgemaakt in twee exemplaren is geldig.
Het veertiende jaar van de keizer Marcus Aurelius Severus Alexander, Pius, Felix, Augustus, de dertiende Phaophi.

Deze juridische documenten laten zien dat het contract vaak onderhandeld werd tussen twee partijen. De eerste partij was die van de werkgever, die de muzikanten inhuurde. In sommige gevallen was dat een van de prostatai (προστάται: dorpsautoriteiten) van de kleine kômai (κῶμαι: dorpjes) op het Egyptische platteland. Toch konden het ook gewoon (rijke) particulieren of leden van een lokale dorpsvereniging zijn die een beroep deden op de kunsten van de muzikanten. De andere partij in de contracten, die de muzikanten of artiesten vertegenwoordigde, was vaak de prôtaulès (πρωταύλης: eerste auleet of fluitspeler, hoofdauleet) en/of proestôs (προεστώς: leidinggevende of letterlijk “aan het hoofd geplaatste”). In sommige papyri ontving de hoofdauleet ook een voorschot, dat hij waarschijnlijk volledig in eigen zak kon steken.

Roodfigurige vaas met afbeelding van een vrouwelijke auleet (ca. 480 v.C.)

De betaling voor het hele orkest was steeds tweeledig. Naast een goed salaris, uitbetaald in drachmen, ontvingen ze levensmiddelen (olie, wijn en brood) voor de tijd die ze spendeerden in het dorp. Vaak kregen ze daar ook een verblijfplaats aangeboden. Helaas zwijgen de papyri over hoe het geld nadien verdeeld werd. Kregen alle leden van de compagnie hetzelfde salaris, of hadden bepaalde muzikanten recht op meer vergoeding dan anderen? Een aparte clausule in het contract toont dat de werkgevers ezels (en waarschijnlijk een soort escorte) ter beschikking stelden om de muzikanten te helpen met hun transport (van en) naar het dorp. Dat was geen overbodige luxe, want de dure instrumenten en de goede uitbetaling van hun loon maakten hen hoogstwaarschijnlijk tot een geliefd doelwit voor dieven.

Helaas roepen de contracten meer vragen op dan dat ze ons antwoorden verschaffen. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk hoe de rekrutering van dergelijke artiesten gebeurde en of ze een formele opleiding hadden genoten. Daarnaast is er het hierboven besproken probleem van de betaling. Wie kreeg welk deel van de uitbetaling en verdeelde de prôtaulès het geld? De ambulante ensembles leken dus op korte termijn heel wat geld te kunnen verdienen, maar het is onduidelijk of dit een fulltime bezigheid was.

Lees meer

Bélis, A., ‘Les termes grecs et latins désignant des spécialités musicales’, Revue de Philologie de Litterature et d’Histoire anciennes 62 (1988), p. 227-250.
Bélis, A., Les musiciens dans l’antiquité, Parijs, 1999.
Bélis, A., ‘Contrats et engagements de musiciens et d’artistes transmis par des papyrus grecs’, p. 149-157 in Emerit (ed.), Le statut du musician dans la méditerranée ancienne: Égypte, Mésopotamie, Grèce, Rome, Parijs, 2013.
Manniche, L., Music and musicians in ancient Egypt, Londen, 1991.
Power, T., The culture of kitharôidia, Cambridge, Massachusetts en Londen, 2010.
Vandoni, M., Feste pubbliche e private nei documenti greci, Milaan, 1964, n° 14-27.

Coverafbeelding: adaptatie van de flyer van de tentoonstelling ‘Sounds of Roman Egypt’ in het UCL Petrie Museum (22 januari-22 april 2019) (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1793