literatuur Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/literatuur/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 25 Jan 2026 17:20:17 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png literatuur Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/literatuur/ 32 32 136391722 De vergeten dichters van Alexander de Grote https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/#respond Sun, 25 Jan 2026 17:20:17 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2800 Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

Tijdens zijn veldtocht omringde Alexander de Grote zich doelbewust met dichters, in de hoop zijn daden literair te laten vereeuwigen. Helaas blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over, al zijn er gelukkig nog de namen van enkele van deze auteurs overgeleverd, zodat ze niet helemaal vergeten worden.

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

In de Griekse geschiedenis – en eigenlijk ook daarbuiten – behoort de onderneming van Alexander de Grote ongetwijfeld tot de meest epische daden. In de geschiedschrijving heeft Alexander dan ook een blijvende indruk nagelaten, maar zijn naam is, merkwaardig genoeg, aan geen enkel epos verbonden. En dat terwijl Alexander zelf wel degelijk moeite deed om te verzekeren dat zijn daden bezongen zouden worden. Verschillende bronnen vermelden namelijk dat hij een groep dichters meenam op zijn expeditie naar het Oosten, die hij bovendien rijkelijk beloonde. Sommigen van hen zijn nauwelijks bekend (Choerilos van Iasos, Agis van Argos, Pranikos of Pierion) maar Alexander wist ook beroemde figuren aan te trekken, zoals de redenaar Anaximenes van Lampsakos en de filosoof Pyrrho van Elis. Opmerkelijk genoeg blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over.

Choerilus van Iasos

Van de dichters die Alexander op zijn tocht naar het Oosten vergezelden, is Choerilos van Iasos ongetwijfeld de bekendste. Hij wordt genoemd door Horatius en vele andere auteurs, maar zijn reputatie is ronduit slecht: Choerilos geldt als de slechtste dichter uit de Griekse Oudheid. Van zijn werk is bijna niets bewaard gebleven, maar er circuleren tal van anekdotes over hem.

Detail van het beroemde Alexandermozaïek uit de 2de -1ste eeuw v.C., afkomstig uit de exedra van de ‘Casa del Fauno’ in Pompeï

Volgens Horatius (Brief aan Augustus, vv. 232-234) zou Alexander hem met een gouden munt hebben beloond voor elke vers die hij over hem schreef. Andere bronnen vertellen echter een ander verhaal: Alexander beloofde een munt voor elke goede vers, maar een klap voor elke slechte vers – en omdat de slechte verzen talrijker waren, zou Choerilos zijn dood hebben gevonden onder de slagen van de koning.

Deze laatste versie van het verhaal is waarschijnlijk een later verzinsel, want Choerilos lijkt Alexander te hebben overleefd: hij schreef namelijk een werk met de titel Lamiaka. Van dat gedicht is alleen de titel overgeleverd, maar het moet een epos zijn geweest over de Lamische Oorlog (322 v.C.), waarin de Atheners zich tegen de Macedoniërs keerden om hun onafhankelijkheid te herwinnen. Mogelijk componeerde Choerilos het gedicht om de daden van de Macedonische generaal Antipater te verheerlijken, zoals hij eerder voor Alexander had gedaan.

Anaximenes van Lampsakos

Er wordt ook een gedicht over Alexander toegeschreven aan Anaximenes van Lampsakos, de beroemde redenaar en geschiedschrijver van Philippos II en Alexander. Ook over hem is een amusante anekdote overgeleverd. Toen Alexander Troje bezocht en het graf van Achilles zag, greep hij de gelegenheid aan om de roem van Achilles en van zijn dichter, Homerus, te prijzen. Anaximenes was daarbij aanwezig en riep, om hem te vleien, dat hij ook Alexanders glorie onsterfelijk zou maken. Maar Alexander kapte hem meteen af met de woorden:

Ik zou liever Homerus’ Thersites zijn dan jouw Achilles!

Een soortgelijk verhaal wordt trouwens ook over Choerilos van Iasos verteld. De geograaf Pausanias (2de eeuw n.C.) twijfelde of Anaximenes werkelijk zo’n werk had geschreven, maar daar is waarschijnlijk geen reden toe.

Agis van Argos

Twee van de belangrijkste geschiedschrijvers van Alexander, Curtius Rufus en Arrianus, noemen nog een andere dichter: Agis van Argos. Agis wordt beschreven als een van Alexanders meest schaamteloze vleiers. Volgens de bronnen steunde hij de koning vooral tijdens het debat over de proskynesis (προσκύνησις) – een Perzisch gebruik waarbij men zich diep voor de heerser boog. Voor de meeste Grieken was dit ondenkbaar, omdat het neerkwam op de vergoddelijking van een levende vorst. De bronnen zijn dan ook zeer kritisch over Alexanders overname van dit gebruik, dat vaak wordt gezien als het begin van de ontsporing van zijn macht.

Titelpagina voor een 17de eeuwse uitgave van Curtius Rufus’ ‘Historia(e) Alexandri Magni’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Curtius Rufus bijzonder harde woorden heeft voor Agis: hij noemt hem een “slecht dichter”, die alleen nog wordt overtroffen door Choerilos – of beter gezegd, Choerilos is de enige die voor hem moet onderdoen. Blijkbaar speelde Agis gretig in op Alexanders grootheidswaanzin, door in zijn gedicht te beschrijven hoe Herakles, Dionysos en de Dioskouren (Castor en Pollux) Alexander opwachtten om hun plaats aan hem af te staan.

Agis was bovendien buitengewoon jaloers. Volgens Plutarchus (1ste-2de eeuw n.C.) zou hij, toen hij zag hoe Alexander een hofnar rijkelijk beloond had, hebben uitgeroepen:

Ik vind het verachtelijk om te zien hoe de zonen van Zeus zulke onwaardige vleiers waarderen: zoals Herakles bepaalde Kekropen waardeert, en Dionysos zich omringt met Silenen, zo laat ook jij je vleien door dit soort narren!

Die uitval bevat natuurlijk ook verborgen lof, want ze gaat ervan uit dat Alexander een rechtstreekse afstammeling van Zeus was, en bijgevolg gelijk aan Herakles of Dionysos. Toch is het beeld van Agis bijna grotesk: hij bekritiseert Alexanders slechte smaak en gebrek aan oordeel, zonder te beseffen dat hij zelf het meest aan vleierij schuldig is.

Pranikos of Pierion en andere dichters

Plutarchus vertelt ook een anekdote over nog een andere dichter die Alexander vergezelde, wiens naam in twee vormen is overgeleverd: Pranikos of Pierion. Het verhaal speelt zich af tijdens het banket waarop Alexander zijn vriend en bevelhebber Clitus (de Zwarte, Κλεῖτος ὁ Μέλας) doodde. Toen iedereen al dronken was, werden enkele verzen van deze dichter voorgedragen. De verzen in kwestie waren geschreven om generaals te bespotten die door de “barbaren” waren verslagen. Alexander – en natuurlijk ook zijn vleiers – leek deze verzen bijzonder geestig te vinden, maar de oudere gasten voelden zich beledigd door zo’n gebrek aan respect. Vooral Clitus verhief zijn stem tegen Alexander en, aangewakkerd door de wijn, liep de situatie al snel uit de hand, tot Alexander hem uiteindelijk met eigen hand doodde.

De bronnen noemen ook andere dichters, onder wie een obscure Aischrion van Samos (of van Mytilene). Tot Alexanders vleiers behoorde ook een zekere Cleon van Sicilië, die mogelijk een dichter was. Sommige auteurs vermelden zelfs dat de sceptische filosoof Pyrrho van Elis door Alexander zou zijn beloond voor een gedicht dat hij ter ere van hem schreef.

Het verdwijnen van poëzie over Alexander

Uit de bronnen blijkt duidelijk dat Alexander veel aandacht en middelen besteedde om zichzelf te omringen met dichters die zijn onderneming konden vereeuwigen. Zijn doel was wellicht een dichter te vinden die hem kon bezingen zoals Homerus Achilles had bezongen. Misschien wilde hij zich ook laten vergelijken met Herakles, de stamvader van de Macedonische dynastie, met wie hij ook in de kunst vaak wordt geassocieerd. Daarnaast identificeerde Alexander zich met Dionysos, in wie hij een soort voorganger zag van omwille van zijn eigen veldtochten, vooral van die naar Azië.

Alexander de Grote met de leeuwenhuid van Herakles, detail van de zogenaamde “Alexander-sarcofaag”; afkomstig uit Sidon uit de late 4de eeuw v.C.

Toch bereikte Alexander zijn doel niet. Niets van de poëzie die voor hem werd geschreven, is bewaard gebleven. Misschien had hij niet de juiste dichters gekozen door een tekort aan persoonlijk inzicht – of had hij gewoon pech. De omstandigheden van zijn korte leven bieden echter een geloofwaardige verklaring voor dit gemis. In tegenstelling tot wat later gebeurde bij keizer Augustus of bij de Ptolemeïsche dynastie, stierf Alexander op het hoogtepunt van zijn succes, zonder de kans om een periode van vrede mee te maken. In zo’n rustigere tijd had hij misschien een literaire kring kunnen vormen die hem passend zou verheerlijken. De anekdote over Pranikos of Pierion suggereert dat dit soort poëzie soms ook tijdens veldtochten zelf werd gecomponeerd en vervolgens voorgedragen werd tijdens banketten.

Het volledig verdwijnen van deze poëzie lijkt samen te hangen met het overwegend negatieve oordeel dat de antieke bronnen over deze dichters delen. Choerilos geldt als de slechtste dichter van Griekenland, Agis komt vlak na hem, en ook in de anekdotes over Anaximenes en Pranikos of Pierion klinkt eenzelfde oordeel. Maar waren Alexanders dichters werkelijk zo slecht? Helaas kunnen we, zonder ook maar enig overgeleverd fragment, dit oordeel van de Antieken noch bevestigen, noch weerleggen. We kunnen alleen maar hopen dat ze zich niet hebben vergist.

Verder lezen

Het materiaal over Alexander de Grote in de Hellenistische poëzie wordt uitvoerig besproken door Silvia Barbantani, “‘His σῆμα are both continents’. Alexander the Great in Hellenistic Poetry”, in Studi ellenistici 31 (2017), 51–127.

De fragmenten van Choerilus van Iasos zijn verzameld en geanalyseerd door Marco Pelucchi, Cherilo di Iaso, Testimonianze, frammenti, fortuna, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022.

Over de zogenaamde “slechtste dichters” uit de oudheid zie Marco Pelucchi, “Pessimi poetae: On Philodemus, Ancient Tradition, and Selection Criteria”, in N. Bruno, M. Filosa, G. Marinelli (red.), Fragmented Memory: Omission, Selection, and Loss in Ancient and Medieval Literature and History, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022, 27–54.

Coverfoto: Het schilderij ‘Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero’ van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze (CC BY 4.0)

[De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/feed/ 0 2800
Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/ https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/#respond Sun, 28 Dec 2025 18:36:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2770 De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Het Katharinaklooster in Sinaï kent een rijke manuscriptentraditie met teksten zoals de Codex Sinaiticus. Centraal in deze blogpost staan de Schotse tweelingzussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson, die eind 19de eeuw baanbrekend werk verrichtten in de ontdekking, documentatie en publicatie van vroege Syrische en Aramese bijbelhandschriften.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Kort na 550 n.C. liet keizer Justinianus een klooster bouwen in de buurt van de berg Horeb in Sinaï, waar Mozes meer dan 2000 jaar eerder van Jahweh in het brandend braambos de Wet der Tien Tafelen (de 10 geboden) had ontvangen. De plaats was toen al een paar eeuwen heilig en werd bewoond door tientallen eremijten, die vaak door de Bedoeïenen werden lastig gevallen en daarom de keizer hadden verzocht om een versterkte woonplaats voor hen te bouwen. Dit klooster, heden UNESCO Werelderfgoed, is zo goed als ongeschonden bewaard en wordt vandaag nog steeds bewoond door Griekse monniken. In de 10de eeuw werden de relikwieën van de heilige Katharina, die in Alexandrië was terechtgesteld tijdens de grote vervolging van keizer Diocletianus in 307 n.C., naar dit klooster overgebracht, en hiervan getuigt de naam Katharinaklooster (ook wel gekend als het Sinaï-klooster of Sint-Catharinaklooster).

Het Katharinaklooster

Het Katharinaklooster in Sinaï

Al vanaf de 4de eeuw n.C. was de heilige berg van Mozes een aantrekkingspunt voor pelgrims die van Jeruzalem naar Egypte gingen en de 3000 treden van de boeteweg tot boven de berg wilden beklimmen. Bij hun tocht konden ze ook de rots bezoeken waaruit Mozes water had doen ontspringen en de kapel op het plateau waar Jahweh was verschenen aan Elias. In latere tijden kwamen ook Syrische, Arabische en Georgische monniken zich hier vestigen. Het ging wel steeds om orthodoxen, voor wie Christus twee naturen bezit, een goddelijke en een menselijke, die op mysterieuze wijze met mekaar vermengd zijn, niet om miafysieten, voor wie Christus maar één god-menselijke natuur heeft, die op mysterieuze wijze is samengesteld. Het Katharinaklooster was een orthodoxe Griekse enclave in het miafysitische, Koptische en later Islamitische en Arabische Egypte. Wel is er in de 11de eeuw ook een kleine moskee gebouwd binnen de kloostermuren. Van de 17de tot de 19de eeuw werd het klooster vaak door de Russische tsaar begiftigd met geschenken.

Icoon ‘De geestelijke ladder’ uit het Katharinaklooster, gemaakt in de 12de eeuw

Het klooster bevat heel wat prachtige mozaïeken, fresco’s en iconen, verspreid over vele eeuwen, maar is toch vooral beroemd om zijn bibliotheek met honderden handschriften in het Grieks (meer dan 2000), Syrisch (300), christelijk Arabisch (700), Georgisch (100) en Slavisch (40), sommige rijkelijk verlucht. Het beroemdste manuscript van de bibliotheek is ongetwijfeld de ‘Codex Sinaiticus’ [TM 62315], met een volledige tekst van het Oude en het Nieuwe Testament, uit de 4de eeuw n.C., één van de drie basisteksten voor onze kennis van de Griekse bijbel.

De meer dan 400 perkamentbladen van 34 op 38 centimeter zijn telkens beschreven in vier kolommen in zeer regelmatige hoofdletters, alle woorden zonder spatie aan mekaar (scriptio continua). Het grootste deel van de codex werd door de Duitse geleerde Konstantin von Tischendorf in de periode 1844-1859 “geleend” en meegenomen naar Duitsland. Een veertigtal folio’s bleven in Leipzig, maar het grootste deel bood hij aan als geschenk aan de Russische tsaar Alexander II, één van de sponsors van het klooster. De lening werd een schenking en de codex bleef achter in Sint-Petersburg.

In 1933 verkocht de Sovjet-regering van Stalin de codex aan het British Museum voor 100 000 pond. Later, in 1975, ontdekte men in het klooster een geheime bergplaats, met daarin onder andere een twintigtal folio’s van de codex, zodat de monniken toch nog een stukje van het manuscript hebben. Een reconstructie van de hele codex , waarbij de verschillende instituten voorbeeldig hebben samengewerkt, kan je nu gelukkig online consulteren.

Een ingebonden versie van de Codex Sinaiticus uit de British Library

De Schotse tweelingzussen Smith

In 1866 sterft onverwacht de Schotse miljonair John Smith. Hij laat een tweeling achter, Agnes (later Smith Lewis) en Margaret (later Dunlop Gibson), twee dochters van 23 jaar. De meisjes hadden onderricht gekregen van hun vader (want hun moeder stierf kort na de geboorte). Ze zijn gelovige presbyterianen (calvinisten) en trots op hun Schotse afkomst en accent. Ze spreken wel vloeiend Frans, Duits en Italiaans en hebben met hun vader een flink deel van Europa gezien. In het spoor van hun overleden vader plannen ze een grote reis, naar Egypte en het Heilige Land, zonder mannelijke begeleider, wat nogal wat wenkbrauwen doet rijzen. Ze varen de Nijl op, over de cataract van Aswan – er was toen nog geen dam – helemaal tot Aboe Simbel, enkele maanden voor de opening van het Suezkanaal. Daarna bezoeken ze ook nog Jeruzalem, een tegenvaller wegens al die orthodoxe en katholieke rituelen. Ze vertrekken in december 1868 en blijven een heel jaar in het Nabije Oosten.

De gezamenlijke woonst van de twee zussen Smith, Castlebrae in Cambridge

Bij hun terugkeer vestigen ze zich in Londen. Agnes publiceert in 1870 een reisverslag, dat goed wordt ontvangen, en ook twee romans. Ze studeren ook Grieks, oud en modern, en in 1883 ondernemen ze een reis naar Griekenland, opnieuw met hun tweetjes. Margaret huwt nog datzelfde jaar, en Agnes gaat voor het eerst alleen op stap, naar Cyprus en Caïro, waar ondertussen de Engelsen de controle hebben verworven. Drie jaar later sterft Margarets man en de zussen worden herenigd. Het huwelijk van Agnes met de rijke en energieke Samuel Lewis in 1887 maakt hieraan geen einde, want na de wittebroodsweken trekt Margaret in bij het echtpaar in Cambridge, waar ze een imposant huis laten bouwen en belangrijke gasten ontvangen, want professor Lewis was een socialite (een man uit de Britse bovenklasse of society).

Door de onverwachte dood van Lewis in 1891 zijn de zusters echter weer op elkaar aangewezen, voor de rest van hun leven. Dankzij Lewis is Agnes nu ook geïnteresseerd in antieke kunstobjecten en manuscripten en heeft ze ook Syrisch gestudeerd – “niet zo moeilijk als je Hebreeuws en Arabisch kent” – want in die taal zijn bijbelvertalingen bewaard uit een heel vroege tijd. Hier speelt de kennismaking met Rendell Harris, een Quaker, een rol. Deze geleerde, eerst hoogleraar in wiskunde, later in Hebreeuws en Syrisch, had namelijk in het Katharinaklooster een Syrisch manuscript ontdekt met de apologie van Aristides, een Atheense auteur – en later heilige – die zich in de 2de eeuw n.C. tot het christendom had bekeerd [TM 115189]. Het werk wordt vermeld in de kerkgeschiedenis van Eusebius (eerste helft 4de eeuw), maar de echtheid ervan werd betwijfeld tot Rendell Harris deze Syrische vertaling publiceerde.

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)© Westminster College, Cambridge

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)

Syrische manuscripten

In 1892 trekken de zussen dus naar Sinaï met als doel de vele Syrische manuscripten die Rendell Harris niet had kunnen inkijken te bestuderen en te fotograferen. Ze sleuren een enorm fototoestel mee op hun tocht, waarvan het laatste deel op kamelen, en kunnen aanbevelingsbrieven voorleggen van de universiteit van Cambridge (voor de bisschop die permissie moet geven voor hun bezoek) en van Rendell Harris, die in het klooster vrienden had gemaakt onder de monniken. Weinig mensen geloofden dat twee vrouwen tot het klooster zouden worden toegelaten waar von Tisschendorf de boel verpest had door zijn optreden 25 jaar voordien. Maar ze slagen erin het vertrouwen te winnen van vader Galakteon, de bibliothecaris, en inzage te krijgen in de oude Syrische manuscripten.

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex© Westminster College, Cambridge

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex

Eén manuscript bevatte de levens van vrouwelijke heiligen [TM 117947], maar was geschreven op perkamentbladen die waren afgewassen. Onder de heiligenlevens, waarvan sommige – bijvoorbeeld over hoe een vrouwelijke heilige erin slaagt haar maagdelijkheid te bewaren tussen de hoeren – nogal pikant, herkende Agnes een evangelietekst in twee kolommen [TM 117850]. Deze palimpsest was duidelijk heel oud, want de heiligenlevens zijn gedateerd in 698 n.C. en de onderliggende evangelies waren duidelijk eeuwen ouder. Ze fotografeerde meer dan 300 pagina’s van dit manuscript en op de foto’s was, bij hun terugkeer in Cambridge, de onderliggende tekst behoorlijk goed te lezen. Het ging om een heel vroege Syrische vertaling, waarvan tot dan toe slechts één kopie was bewaard.

Alle andere Syrische evangelies bevatten de zogenaamde Pesjitta-vertaling, die pas later tot stand kwam. Zo ontbreekt in het Sinaï-manuscript het einde van het Marcusevangelie met de verschijning van de verrezen Jezus aan Maria Magdalena, zoals ook in twee heel oude Griekse vertalingen. Marcus eindigt met de vrouwen die verbijsterd bij het graf staan. Wellicht zijn die laatste woorden in Marcus een latere toevoeging aan het oudste evangelie, maar voor de diepgelovige zussen was de afwezigheid geen probleem (de andere evangelies vulden dit wel aan), maar vooral een bewijs voor de vroege datum van hun vondst.

In 1893 zijn ze terug in Sinaï, in het gezelschap van Rendell Harris en twee professoren die gespecialiseerd zijn in het Syrisch (vrouwen kunnen in Cambridge nog geen academische posities krijgen en zelfs geen universitair diploma behalen) om het origineel helemaal te ontcijferen en te fotograferen. Deze expeditie eindigt in geruzie, maar toch slagen ze erin om gezamenlijk de tekst te publiceren eind 1894. Het wordt een succes, ook al omdat er voor de journalisten een mooi verhaal aan vasthangt over de vrouwelijke ontdekkers van het manuscript.

Meer manuscripten en palimpsesten

Tijdens hun vele reizen kochten de zussen ook her en der manuscripten. In 1896 kwamen ze terug met een aantal Hebreeuwse teksten, die ze aanvankelijk niet als bijzonder belangwekkend beschouwden. Ze toonden ze aan Solomon Schechter, een orthodoxe Jood maar toch ook een vriend des huizes, en die identificeerde één fragment als het Hebreeuwse origineel van de Wijsheid van Jezus Sirach (ook bekend als Ecclesiasticus). Dit boek was tot dan toe alleen in het Grieks bewaard en daarom als niet authentiek afgewezen door de Joodse en protestantse theologen. Dit zette Schechter ertoe aan om in Caïro te zoeken naar de herkomst van die Hebreeuwse fragmenten. Hierbij stootte hij op de genizah in de synagoge van Oud-Caïro, een bewaarplaats van oude manuscripten die niet mochten worden vernietigd omdat de naam van Jahweh erin voorkwam (of kon voorkomen). Schechter verkreeg de hele collectie, meer dan 400 000 handschriften en gedrukte boeken, en nam die mee naar Cambridge, waar ze nu nog druk bezocht en bestudeerd wordt door Joodse geleerden. De helft van de teksten is nu trouwens online beschikbaar en biedt een ongelooflijk inzicht in het Middeleeuwse Caïro, en niet alleen de Joodse gemeenschap in de stad.

De Codex Climaci Rescriptus

Tijdens zo’n reis kochten de zussen in Caïro nog een ander manuscript, dat achteraf ook uit het Katharinaklooster afkomstig bleek, de ‘Codex Climaci Rescriptus’ [TM 140662]. In dit werk beschrijft Johannes, een abt van het klooster, hoe de menselijke ziel door ascese opgaat naar God, langs een ladder (klimax in het Grieks, scala in het Latijn, vandaar de titel van het werk ‘Scala Paradisi’) van de aarde naar de hemel. Heel wat gelovigen slagen niet en worden door de duivels naar de hel gesleept, zoals afgebeeld op het beroemde icoon uit het Katharinaklooster [zie afbeelding hierboven]. De codex bevat een Syrische vertaling van de Griekse tekst, die men kan dateren in de 9de of 10de eeuw, en werd in 1909 door Agnes Smith-Lewis uitgegeven.

De 146 folio’s van de codex zijn nagenoeg allemaal geschreven over een tiental uitgewiste oudere teksten, deels in het Grieks, maar vooral in het christelijk Palestijns Aramees. Deze vorm van Aramees-Syrisch was een later stadium van de taal (of het dialect) die door Christus zelf gesproken werd. De oudere teksten dateren uit de 5de of 6de eeuw en werden dus drie of vier eeuwen later herbruikt voor het ascetisch traktaat van Johannes. Agnes had vlug ook dat schrift en die taal geleerd en zorgde voor een eerste uitgave van deze voor haar bijzonder belangwekkende evangelies in de taal van de heiland zelf (hoewel ze wel realiseerde dat het ging om vertalingen van de Griekse basistekst).

Een palimpsest lezen is niet eenvoudig omdat het onderliggende schrift grotendeels is uitgewist en dan, na eeuwen, toch weer gedeeltelijk zichtbaar wordt. De paleografen uit de 19de en vroege 20ste eeuw gebruikten chemische stoffen om het schrift beter zichtbaar te maken en die beschadigden vaak het perkament, in dit geval echter zonder veel erg.

De manuscripten vandaag

Het door de zussen Smith gestichte Westminster College in Cambridge

Na de dood van de zussen in 1920 (Margaret) en 1926 (Agnes) werden ze begraven bij hun kortstondige echtgenoten. Hun manuscripten hadden ze nagelaten aan het door hen gestichte Westminster College, een college speciaal bedoeld voor de opleiding van presbyteriaanse geestelijken. Hoewel de zussen in Cambridge nooit een diploma – vrouwen waren uitgesloten tot 1948 – konden behalen, kregen ze wel eredoctoraten aan de universiteiten van Halle, Heidelberg, Dublin en St Andrews.

Tot verbijstering van mijn collega’s uit Cambridge heeft het college in 2009 het manuscript van de Codex Climaci Rescriptus laten veilen bij Sotheby’s. Voor ongeveer een half miljoen pond kwam het zo in handen van de familie Green, die het schonk aan het door hen opgerichte Museum of the Bible in Washington. Daar kan het nu bewonderd worden, en is het ook online gedeeltelijk beschikbaar. In een voorbeeldige internationale samenwerking tussen Cambridge, Washington en Sinaï worden nu de christelijke Palestijnse teksten stilaan opnieuw uitgegeven. Met de fotografische middelen waarover men heden beschikt, komt men, een eeuw na de pioniersarbeid van Agnes Smith Lewis – die dit zeker zou hebben geapprecieerd – toch weer een stukje verder. Het Latijnse motto boven de deur van het huis van de tweelingzussen Smith, Castlebrae in Cambridge, luidde niet voor niets: lampada tradam (“ik zal de fakkel doorgeven”).

Meer lezen

Dunlop Gibson, Margaret, How the Codex was Found: A Narrative of Two Visits to Sinai, from Mrs. Lewis’s Journals 1892-1893, Cambridge, 1893.

Soskice, Janet. The Sisters of Sinai: How Two Lady Adventurers Discovered the Hidden Gospels, New York, 2009.

Smith Lewis, Agnes. Apocrypha Syriaca. The Protevangelium Jacobi and transitus Mariae, with texts from the Septuagint, the Corân, the Peshiṭta, and from a Syriac hymn in a Syro-Arabic palimpsest of the fifth and other centuries, Londen, 1902.

Whigham Price, Alan. The Ladies of Castlebrae, Gloucester, 1985.

De bijzondere reisfoto’s van de zussen Smith zijn te bekijken op de website van de Cambridge Digital Library.

Coverafbeelding: Adaptatie van een dia waarop de zussen Smith met hun gezelschap uit Cambridge (en een lokale gids?) aan het rusten zijn tijdens hun reis in de Sinaï-woestijn, gedigitaliseerd door de Cambridge University Library Special Collections.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/feed/ 0 2770
Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/#respond Sun, 05 Jan 2025 18:38:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2658 Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

De fragmenten van Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3e eeuw v.Chr., waarvan slechts delen via latere auteurs zijn overgeleverd, leren ons heel wat biografische gegevens over verschillende Griekse filosofen. Voorbeelden zoals de bigamie van Socrates, de slavernij van Phaedo en Thales’ voorspelling van een olijvenoogst illustreren hoe hij historische verhalen gebruikte om morele en filosofische lessen te benadrukken, hoewel de fragmentarische overlevering uitdagingen biedt voor reconstructie en interpretatie.

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

Slechts een klein deel van klassieke literatuur is volledig bewaard aan ons overgeleverd. De werken van Homerus, Plato en Vergilius zijn uitzonderingen. De werken van quasi alle andere auteurs zijn grotendeels verloren gegaan. Toch kunnen we ons nog steeds een beeld vormen van hun werk dankzij fragmenten die door latere auteurs werden bewaard. Een goed voorbeeld hiervan is Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3de eeuw v.C., dankzij wie er niet alleen mythes, historische en biografische fragmenten over bijvoorbeeld Herakles en Alexander de Grote zijn bewaard, maar ook biografische gegevens van bekende en minder bekende Griekse filosofen.

Literatuur in fragmenten

“Fragmenten” van klassieke literatuur kunnen verschillende vormen aannemen. Soms gaat het om papyri die delen bevatten van een anders verloren geacht werk. Dit noemt men fragmenten uit de directe traditie. Veel vaker zijn fragmenten echter citaten, allusies, samenvattingen en verwijzingen van latere auteurs, bewaard in Middeleeuwse handschriften of papyri. Dit noemen we fragmenten uit de indirecte traditie.

Het onderzoek naar fragmenten uit de indirecte traditie brengt specifieke problemen met zich mee. De auteurs die deze fragmenten aanhalen, hadden meestal niet als doel het werk van antieke auteurs te bewaren, maar gebruikten deze teksten voor hun eigen doeleinden. Ze manipuleerden of veranderden de teksten, soms zelfs door hen te vervalsen. Omdat citaten vaak uit het hoofd werden overgenomen, waren fouten en vergissingen niet ongewoon.

Bovendien beperkten de auteurs zich meestal tot geselecteerde aspecten die hen interesseerden, zonder context of uitleg over het oorspronkelijke doel van de informatie. Daarom vereist de studie van fragmentaire literatuur een grondige analyse van de bronnen, de werkwijze van de auteur en citatiepraktijken om de betrouwbaarheid en selectiecriteria te begrijpen. Dit soort problemen komt vaak voor bij het bestuderen van de Oudgriekse geschiedschrijving en filosofie. Hieronymus van Rhodos biedt een perfect voorbeeld van dit type literatuur.

Oxford Papyrology (2022). P.Oxy. LII 3656
Fragment van P. Oxy. 3656 (een rol uit Oxyrhynchus, een oude Egyptische stad beroemd om de duizenden papyri die daar zijn opgegraven) dateert uit de 2de à 3de eeuw n.C. en bevat een fragment van Hieronymus over een leerlinge van Plato

Het leven en werk van Hieronymus van Rhodos

Buste van Aristoteles, de grondlegger van de peripatetische school, waar Hieronymus toebehoort

Hieronymus van Rhodos was een filosoof die leefde in de 3de eeuw v.C. die behoorde tot de Peripatos, de leerschool opgericht door Aristoteles. Afgezien van een zeventigtal fragmenten is van Hieronymus’ werk niets overgeleverd. Deze fragmenten zijn voornamelijk overgeleverd door auteurs uit latere eeuwen, vooral uit de periode van de Romeinse keizertijd, zoals Plutarchus, Athenaeus en Diogenes Laërtius.

De verzamelde fragmenten van Hieronymus tonen een brede interesse. In deze teksten behandelt hij niet enkel filosofie, maar ook vele andere disciplines, wat kenmerkend is voor de Peripatetische School sinds Aristoteles. Er zijn fragmenten van expliciet filosofisch karakter die zich richten op het identificeren van het “hoogste goed”, terwijl andere zich bezighouden met onderwerpen zoals biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, retorica en geleerdheid. Veel fragmenten bevatten anekdotes over belangrijke figuren uit het verleden, waaronder filosofen, dichters en politici.

De fragmenten van Hieronymus zijn vaak raadselachtig. Bestaande bronnen bieden slechts summiere informatie, waardoor het niet altijd duidelijk is in welke context Hieronymus bepaalde onderwerpen behandelde. Vooral zijn uitgebreid gebruik van anekdotes roept de vraag op welke rol biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

De bigamie van Socrates

Dit manuscript (een pagina uit de codex van Venetië, Biblioteca Nazionale Marciana, Gr. Z 447) bevat de Deipnosophisten van Athenaeus, een werk rijk aan citaten uit verloren werken

Hieronymus is een van de auteurs – samen met Aristoteles en andere peripatetici – die overleveren dat Socrates twee echtgenotes had en dat hij met beiden kinderen verwekte. De historische achtergrond van dit verhaal is moeilijk te achterhalen, aangezien alle bronnen fragmentarisch en tegenstrijdig met elkaar zijn; dit betreft zelfs de identiteit van de twee vrouwen. Ook onder de moderne geleerden zijn de meningen verdeeld: sommigen ontkennen de historische waarde van het verhaal, terwijl anderen er elementen van waarheid in zien.

Het fragment van Hieronymus [nr. 53 in de laatste verzameling, uitgegeven door S.A. White] wordt, mits kleine variaties, aangehaald door Athenaeus en Diogenes Laërtius, beiden auteurs uit de 2de-3de eeuw n.C. Volgens deze bronnen verwees Hieronymus naar een Atheens decreet dat het toestond om met twee vrouwen te trouwen en kinderen met beiden te krijgen met als doel de bevolking te herstellen.

Hieronymus lijkt met dit verhaal een apologie voor Socrates te bieden: hij probeert een ethische en juridische basis te geven aan de bigamie van Socrates, wellicht om hem te verdedigen tegen mogelijke vormen van schandaal. Hoewel het onduidelijk is of dit decreet echt heeft bestaan (in Athene was het altijd toegestaan om kinderen te hebben met een andere vrouw dan de echtgenote), is het zeker dat Hieronymus een positieve houding aannam ten opzichte van Socrates.

‘Socrates, zijn twee vrouwen en Alcibiades’, een schilderij van de Nederlandse schilder Reyer Jacobsz. van Blommendael (1660-1670) waarop zowel Xanthippe als Myrto – een naam overgeleverd door Athenaeus en Diogenes Laërtius – zijn afgebeeld

Slavernij van Phaedo van Elis

Een andere benadering vinden we in een fragment over Phaedo van Elis, een leerling van Socrates [nr. 54 White, via Diogenes Laërtius]. Hier beschuldigt Hieronymus Phaedo ervan een slaaf geweest te zijn. Sommige andere tradities stellen dat Phaedo van nobele afkomst was en tot slaaf werd gemaakt na de val van zijn stad. Hieronymus gebruikte deze informatie mogelijks om Phaedo in diskrediet te brengen als filosoof.

Het fragment is afkomstig uit het werk getiteld Περὶ ἐποχῆς, waar de term epochè verwijst naar de “opschorting van het oordeel”, volgens de terminologie van de sceptische filosofische school. Hoewel het werk verloren is gegaan, is het aannemelijk dat Hieronymus zich daarin tegen het scepticisme uitsprak. Phaedo kan genoemd zijn vanwege zijn connectie met Pyrrho van Elis, de grondlegger van het antieke scepticisme. Dit fragment laat zien hoe biografische elementen geïntegreerd konden worden in filosofische werken. Misschien werd ook het fragment over de bigamie van Socrates in deze context aangehaald?

Thales en de olijven

De filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïek

Hieronymus vermeldt ook een anekdote over Thales van Milete [nr. 47 White, via Diogenes Laërtius]. Thales voorspelde een overvloedige olijvenoogst door gebruik te maken van zijn astronomische kennis. Bijgevolg huurde hij voor een lage prijs alle olijfpersen in de regio en maakte hier later een fortuin mee. De anekdote draagt een duidelijke morele boodschap over het nut van filosofie en wetenschap. Het verhaal werd mogelijk verzonnen als weerwoord tegen het idee dat filosofie nutteloos zou zijn. Thales blijkt ook de hoofdpersoon te zijn in een andere anekdote die door Plato wordt overgeleverd. In deze anekdote was Thales zo begeesterd met het observeren van de hemel dat hij tijdens het wandelen in een put viel en zichzelf dusdanig belachelijk maakte dat zelfs een Thracische slavin in de buurt haar lach niet kon bedwingen.

Het fragment van Hieronymus is afkomstig uit een werk getiteld Τά σποράδην ὑπομνήματα (Losse aantekeningen). Dit lijkt geen strikt filosofisch traktaat te zijn, maar eerder een verzameling diverse materialen, waaronder anekdotes over filosofen.

Pericles en de pedagogen

Buste van Perikles, protagonist van een anekdote geciteerd door Hieronymus

Pericles komt voor in een anekdote over onderwijs [nr. 31 White, overgeleverd in een Middeleeuwse bloemlezing]. Hieronymus benadrukt het belang van het zorgvuldig kiezen van pedagogen (de leraren voor kinderen van gegoede afkomst), een taak die vaak zonder zorg werd uitgevoerd. Hij bekritiseert vooral de gewoonte om niet-Griekse pedagogen in te huren, wat – naar zijn mening – negatieve gevolgen had voor de ethische en taalkundige vorming van kinderen. In deze context citeert hij een geestige opmerking van Perikles. Toen de Atheense strateeg een slaaf uit een olijfboom zag vallen en zijn been breken, riep hij spottend uit:

“Daar is weer een nieuwe pedagoog voor onze kinderen!”

Conclusie

Dit citaat maakt duidelijk dat Hieronymus de gewoonte had om anekdotes te gebruiken in theoretische contexten. We kunnen waarschijnlijk aannemen dat ook zijn andere anekdotes op gelijkaardige wijze tot stand kwamen. Helaas is in de meeste gevallen de oorspronkelijke context volledig verloren gegaan en kunnen we deze alleen hypothetisch reconstrueren. De auteurs die de fragmenten hebben overgeleverd waren vaak meer geïnteresseerd in anekdotes en biografische verhalen dan in de speculatieve onderdelen van de werken. Maar dankzij de vergelijking tussen Hieronymus’ verschillende fragmenten en de studie van andere bronnen over dezelfde zaken, is het nog steeds mogelijk een idee te krijgen van Hieronymus’ werk en de rol die biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

Verder lezen

Steven A. White heeft de testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos verzameld, in het Engels vertaald en van commentaar voorzien in W.W. Fortenbaugh en S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion (New Brunswick, New Jersey/Londen: Transaction, 2004). Hetzelfde volume bevat enkele essays over belangrijke aspecten van de biografie, het werk en de filosofie van Hieronymus.

Over de bigamie van Socrates biedt Jules Labarbe’s artikel “Les compagnes de Socrate” (L’Antiquité Classique, 67, 1998) interessante inzichten.

Coverafbeelding: Adaptatie van Rafaëls ‘De school van Athene’ (1509-1511), waarbij Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren vanop Wikimedia (PD)

[Deze tekst is oorspronkelijk geschreven in het Italiaans. De vertaling naar het Nederlands is uitgevoerd met de hulp van ChatGPT. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/feed/ 0 2658
Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/#respond Sun, 08 Oct 2023 16:25:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2472

In onze reeks 'Quis est?' beschrijven we minder bekende figuren uit de Oudheid, zoals deze Sostratos van Aegina? Is deze handelaar, die zowel bij Herodotus als in teksten uit Italië en Egypte wordt vermeld, de rijkste aller Grieken?

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Vorige week pakte de krant De Standaard uit met de test “bent u rijk?”, en voegde daar de boude bewering aan toe dat je “met 2 miljoen tegenwoordig niets bent”. Zorgen over de groeiende ongelijkheid klinken steeds luider, maar tegelijk blijven lijstjes van rijke mensen populair, en kunnen we de capriolen van ’s werelds meest welvarende persoon, Elon Musk, bijna in real time volgen. Hoewel hun invloed misschien wel groter is dan ooit, zijn superrijken niet alleen een hedendaags fenomeen, en ook over hun historische voorgangers doen vaak allerlei straffe verhalen de ronde, waaronder ook over een zeker Sostratos van Aegina.

Het lot van Crassus, in de zestiende-eeuwse verbeelding

Een andere persoon die wel eens omschreven wordt als de rijkste man in de wereldgeschiedenis is Mansa Musa, de veertiende-eeuwse heerser over het koninkrijk Mali. Op bedevaart naar Mekka zou hij in Caïro zoveel goud uitgedeeld hebben, dat de goudprijs en daarmee de hele economie crashte. In Rome was er de fabelachtige rijkdom van Marcus Licinius Crassus, de triumvir die een groot fortuin vergaarde via speculatie op de vastgoedmarkt. De Parthen waren zich welbewust van ’s mans reputatie, en nadat hij sneuvelde in de slag bij Carrhae (53 v.C.) goten ze volgens de overlevering gesmolten goud in zijn mond. De Griekse steden waren meer egalitair, en het is minder duidelijk wie de rijkste aller Hellenen geweest zou kunnen zijn. Eén man heeft echter een sterke claim, als we tenminste Herodotus mogen geloven. En andere bronnen voor die Sostratos van Aegina suggereren inderdaad dat zijn beschrijving op waargebeurde feiten gebaseerd is.

De reputatie van Sostratos (en die van Herodotus)

Haast terloops, als deel van een verhaal over de Samiërs, merkt de geschiedschrijver Herodotus op dat geen enkele handelaar ooit meer inkomsten vergaarde dan een zekere Sostratos uit Aegina, de zoon van Laodamas:

“ἀπονοστήσαντες οὗτοι ὀπίσω μέγιστα δὴ Ἑλλήνων πάντων τῶν ἡμεῖς ἀτρεκείην ἴδμεν ἐκ φορτίων ἐκέρδησαν, μετά γε Σώστρατον τὸν Λαοδάμαντος Αἰγινήτην: τούτῳ γὰρ οὐκ οἷά τε ἐστὶ ἐρίσαι ἄλλον.”

“Naar huis teruggekeerd, haalden zij [sc. de Samiërs] de meeste winst uit hun vracht van alle Grieken waarover we zekerheid hebben, behalve dan Sostratos, zoon van Laodamas, uit Aegina: met hem kan geen enkel ander wedijveren.” (Historiae 4, 152)

Herodotus, de Griekse geschiedschrijver

Aldus vervoegde Sostratos de selecte groep van Griekse handelaars die bij naam vereeuwigd werden in de literaire bronnen. De Griekse upper class had, net als de Romeinse senatoriale elite, namelijk geen al te hoge pet op van handelaars, en voelde niet vaak de behoefte om hun verwezenlijkingen te vereeuwigen. Desalniettemin suggereert Herodotus’ opmerking dat zijn publiek goed genoeg wist over wie hij het had, aangezien hij geen enkel detail over Sostratos’ activiteiten vermeldt. Gelukkig voor ons is Sostratos (of zijn familie) een van die gevallen waar de literaire en documentaire bronnen elkaar aanvullen. Uit die laatste categorie blijkt een uitgebreid handelsnetwerk, dat zich uitstrekte doorheen het Middellandse Zeegebied. Tegelijk bevestigen deze teksten de geloofwaardigheid van de “vader van de geschiedschrijving”, waar zowel antieke als moderne historici wel eens aan durven twijfelen.

Aegina in de 6de eeuw v.C.

Zesde-eeuwse stater van Aegina met de schilpad

Sostratos’ thuisregio Aegina was een eiland in de Saronische golf, tussen Attica en de Peloponnesos, een strategische locatie om aan handel te doen. Het was dan ook een welvarende gemeenschap, die in de 6de eeuw v.C. belangrijker was dan het nabijgelegen Athene. De Aeginese stater met de bekende schildpad was een van de eerste munten in de Griekse wereld, en andere steden volgden de muntstandaard van Aegina voor het slaan van hun eigen munten. Handelaars als Sostratos speelden hierin een aanzienlijke rol. Aan het einde van de 6de eeuw v.C. bouwde de stad een monumentale tempel voor Aphaea, nog steeds een populaire bezienswaardigheid, en een heiligdom voor Apollo. Sommige onderzoekers willen hier ook de hand van Sostratos in zien, en twee sokkels voor standbeelden dragen inderdaad een inscriptie die verwijst naar iemand met die naam. Na de Perzische oorlogen verloor Aegina aan belang ten voordele van grote rivaal Athene.

Sostratos in Italië

Sostratos zou misschien voor altijd een semi-legendarische figuur gebleven zijn, als de ontdekking van een intrigerende inscriptie in het Etruskische Gravisca daar geen verandering in had gebracht. Het gaat om een stenen anker, gewijd aan een godheid, zoals dat wel vaker gebeurde onder zeelieden als dank voor een veilige zeereis. De tekst is simpel en slechts gedeeltelijk bewaard, maar in al zijn kortheid bijzonder significant:

ΑΠΟΛΟΝΟΣ ΑΙΓΙΝΑΤΑ ΕΜΙ ΣΟΣΤΡΑΤΟΣ ΕΠΟΙΗΣΕ ΗΟ

“Ik behoor toe aan Apollo van Aegina. Sostratos, zoon van … heeft mij gemaakt”

Het anker van SostratosWikimedia

Het anker van Sostratos

De tekst dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de late 6de eeuw v.C., en de combinatie van de naam Sostratos met de godheid uit Aegina maken het zeer waarschijnlijk dat het hier om de handelaar van Herodotus gaat. Bovendien liep het in Gravisca, de haven van de welvarende stad Tarquinia, vol met handelaars. De Etruskische steden waren belangrijke handelspartners voor de Grieken en hun havens waren levendige en kosmopolitische plaatsen met ruimte voor vreemde, niet-Etruskische goden.

Ook in Pyrgi, de haven van dat andere Etruskische centrum Caere, werd een dedicatie gevonden die mogelijk aan Sostratos toegeschreven kan worden. Met welke producten Sostratos zijn fortuin vergaarde, weten we niet zeker, maar tientallen beschilderde Attische vazen met het merkteken “So” (= So(stratos)?) suggereren dat hij de grootste invoerder van aardewerk van zijn tijd was. Belangrijker nog was hun inhoud: Griekse wijn. Hoewel de Etrusken zelf aan viticultuur deden, en hun wijn zelfs exporteerden naar Gallië, verkoos de elite het Griekse product van hogere kwaliteit. Dat ligt vandaag wel even anders: grote delen van Etrurië maken nu deel uit van Toscane, wereldberoemd voor haar Chianti en Brunello. De Etrusken importeerden verder olijfolie, allerlei metalen, luxeproducten zoals ivoor, en slaven. Mogelijk handelde Sostratos ook in sommige van deze goederen.

Sostratos in Egypte?

Sostratos’ activiteiten in Etrurië zouden op zichzelf al indrukwekkend geweest zijn, maar enkele vondsten uit het Egyptische Naukratis zouden er op kunnen wijzen dat zijn netwerk echt het hele Middellandse zeegebied omspande. Naukratis was een belangrijke handelspost in het noorden van Egypte, op dat moment deel van het Perzische rijk (we schrijven enkele decennia vòòr de grote confrontatie tussen dat rijk en de Griekse steden). Net als Gravisca was het een multicultureel emporium, maar Naukratis had een meer uitgesproken Grieks karakter. Het was geen kolonie van een enkele polis, maar een gemeenschap onderhouden met de steun van twaalf verschillende Griekse steden, waaronder Aegina, Sostratos’ thuisstad.

Schaal gewijd door een Sostratos in Naukratis

Enkele dedicaties die op de site teruggevonden zijn, zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van Sostratos en zijn familie: verschillende potten dragen er wijdingen aan Aphrodite Aphrodite van een Sostratos en een Leodamas (een variant van de naam van Sostratos’ vader bij Herodotus, Laodamas). Aphrodite had geen corresponderende tempel op Aegina zoals Apollo, maar speelde in het algemeen een belangrijke rol als beschermster van zeereizigers. Als Aphrodite Euploia kon ze de golven bedwingen en haar adepten een veilige vaart garanderen, en handelaars schreven soms hun commerciële successen aan haar tussenkomst toe.

Ook in Egypte importeerden Grieken hun veelgeprezen wijn, maar het grote geld viel eerder te rapen met het doorverkopen van Egyptische producten zoals graan, linnen en papyrus in de Griekse wereld. Er zijn echter enkele bezwaren tegen de interpretatie dat het hier om de Sostratos van Herodotus zou gaan: Leodamas wordt geïdentificeerd als zijnde afkomstig van de stad Teos, en de dedicatie door Sostratos gebruikt het alfabet van het eiland Chios. Het zou natuurlijk om een bijzonder internationale familie kunnen gaan, en misschien heeft Sostratos zijn graffiti niet zelf geschreven, maar voorzichtigheid is hier toch geboden.

Eén steenrijke Sostratos, of toch meerdere Sostratoi?

Sostratos was geen zeldzame naam in de Oudheid, en sommige onderzoekers betwijfelen dat al deze bronnen verwijzen naar een en dezelfde man, de Sostratos van Herodotus. Anderen kiezen een middenweg, en reconstrueren een familie van handelaars eerder dan één individu. Zowel beroepen als namen werden inderdaad vaak doorgegeven van vader (of grootvader) op zoon. Het blijft moeilijk om alle elementen hard te maken, in het bijzonder de Egyptische connectie, maar zeker het anker voor Apollo van Aegina uit Gravisca spreekt in het voordeel van de betrouwbaarheid van Herodotus. Bovendien kennen we andere handelaars, met veel ongebruikelijkere namen, die sporen achterlieten in zowel Etrurië als Naukratis, zoals een zekere Lethaios en een meneer Hyblesios. We kunnen dus terecht spreken van een geconnecteerde en mobiele wereld, waarin internationale handelaars aanzienlijke fortuinen verdienden. En de terloopse manier waarop Herodotus Sostratos van Aegina vermeldt, leert ons dat zijn succes fabelachtig geweest moet zijn.

Lees meer

Gill, D.W.J., ‘Positivism, Pots and Long-Distance Trade’, in I. Morris (ed.), Classical Greece: Ancient Histories and Modern Archaeologies, Cambridge, 1994, 99–107.
Hornblower, S., ‘Personal Names and the Study of the Ancient Historians’, Proceedings of the British Academy 104 (2000), 129–143.
Johnston, A., ‘Trading Families?’, in R.W.V. Catling and F. Marchand (eds.), Onomatologos. Studies in Greek Personal Names presented to Elaine Matthews, Oxford, 2010, 470–478.
Schweizer, B., ‘Zwischen Naukratis und Gravisca: Händler im Mittelmeerraum des 7. und 6. Jhs. v. Chr.’, in M. Fitzenreiter (ed.), Das Heilige und die Ware: Zum Spannungsfeld von Religion und Ökonomie, London, 2007, 307–324.

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van een zwartfigurige vaas (kylix) uit de 6de eeuw v.C. met daarop Dionysus op een schip tussen de druiven en dolfijnen, via de afbeelding ‘Kylix Dionysus on a ship between dolphins’ vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0 DEED).

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/feed/ 0 2472
Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/#respond Sun, 05 Mar 2023 16:42:18 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2452 Schilderij Vincenzo Foppa - The Young Cicero Reading

Kan een boek de loop van de geschiedenis veranderen? Zeker, althans volgens de bekende Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Hij dacht namelijk bij het begin van de burgeroorlog van 49 v.C. dat het boek van Demetrios van Magnesia 'Over de eendracht' nog de politieke protagonisten Iulius Caesar en Gnaeus Pompeius Magnus van mening kon doen veranderen, iets dat weliswaar net niet lukte en waarvan de bedoeling ook voor ons nog gedeeltelijk een raadsel is gebleven.

Het bericht Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Schilderij Vincenzo Foppa - The Young Cicero Reading

Kan een boek de loop van de geschiedenis veranderen? Zeker, althans volgens de bekende Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Hij dacht namelijk bij het begin van de burgeroorlog van 49 v.C. dat een bepaald Grieks boek nog de politieke protagonisten van mening kon doen veranderen, iets dat weliswaar net niet lukte en waarvan de bedoeling ook voor ons nog gedeeltelijk een raadsel is gebleven.

Politieke situatie 49 v.C.

In het begin van 49 v.C. zat Cicero – om het zachtjes uit te drukken – in een moeilijke persoonlijke en politieke situatie. Iulius Caesars oversteek van de Rubicon op 11 of 12 januari (volgens de Romeinse kalender) betekende het begin van de burgeroorlog tussen hem en de Romeinse Senaat, vertegenwoordigd door Gnaeus Pompeius Magnus. Eind februari was Caesar op weg met zijn leger naar de havenstad Brundisium, waar Pompeius en de Romeinse consuls hun toevlucht hadden gezocht. Van daaruit wilde Pompeius de oversteek naar Griekenland maken. Hoewel Pompeius, die op Cicero’s steun rekende, er herhaaldelijk bij de redenaar op had aangedrongen hem daar te vervoegen, bevond deze zich nog steeds in Campanië, in Formiae, terwijl hij zich afvroeg of hij zich bij Pompeius moest aansluiten en Italië moest verlaten of niet. Cicero was het niet eens met Pompeius’ weigering te proberen tot een akkoord te komen met Caesar en vond dat een burgeroorlog koste wat kost moest worden vermeden. Ondanks de moeilijke situatie dacht Cicero eraan zelf een poging tot verzoening tussen Caesar en Pompeius te ondernemen.

Kaart met de bewegingen van Caesar aan het begin van de burgeroorlog met Pompeius

Over de eendracht

We weten niet wat Cicero precies in gedachten had, maar we weten wel dat hij een bepaald boek als zijn ultieme troef beschouwde. Het boek in kwestie droeg de titel ‘Over de eendracht’ (Περὶ ὁμονοίας) en werd geschreven door de laat-hellenistische geleerde en biograaf Demetrios van Magnesia. We hebben geen informatie over de inhoud van dit werk, dat helemaal verloren is gegaan. We weten enkel dat het was opgedragen aan Cicero’s vriend Titus Pomponius Atticus.

Cicero’s brieven aan Atticus

Eerste pagina van de Brieven naar Atticus (Epistolae Ad Atticum) geschreven door Cicero in een 16de eeuwse druk van Paolo Manuzio in Venetië

We kunnen de gebeurtenissen nog volgen dankzij Cicero’s brieven aan Atticus. In een brief geschreven in Formiae op 27 februari 49 v.C. vraagt Cicero aan Atticus, die zich op dat moment in Rome bevindt, om hem Demetrios’ boek te sturen, omdat hij het voor een zeer bijzondere en dringende aangelegenheid wil gebruiken

Memini librum tibi adferri a Demetrio Magnete ad te missum Περὶ ὁμονοίας. Eum mihi velim mittas. Vides quam causam mediter. 

Ik herinner me dat Demetrios van Magnesia je het boek ‘Over de eendracht’ heeft gebracht, opgedragen aan jou. Ik zou willen dat je het me stuurt. Je ziet wat ik van plan ben. (Cic. Att. 8.11.7)

In een andere brief van de volgende dag (28 februari) herhaalt Cicero hetzelfde verzoek: de zaak is hoogst urgent en hij heeft geen tijd te verliezen

Haec igitur videbis et, quod ante ad te scripsi, Demetri Magnetis librum quem ad te misit de concordia velim mihi mittas.

Je zal hier dus voor zorgen en, zoals ik je eerder schreef, zou ik willen dat je me het boek Over de eendracht van Demetrios van Magnesia stuurt, dat hij aan jou heeft opgedragen. (Cic. Att. 8.12.6)

Maar helaas, te laat. Cicero had niet de tijd om zijn plan uit te voeren. In een andere brief van ongeveer twee weken later (17 maart) lezen we immers dat Cicero het boek van Demetrios naar Atticus heeft teruggestuurd. Het vertrek van de consuls naar Griekenland had zijn plannen verstoord, aangezien een overeenkomst niet mogelijk was zonder de aanwezigheid van de consuls

Quod consules laudas, ego quoque animum laudo, sed consilium reprehendo; discessu enim illorum actio de pace sublata est, quam quidem ego meditabar. Itaque postea Demetri librum de concordia tibi remisi et Philotimo dedi;

“wat jouw verheerlijking van de consuls betreft, ook ik prijs hun ingesteldheid, maar ik keur hun beslissing af; hun vertrek heeft immers de vredesonderhandelingen die ik van plan was onmogelijk gemaakt. Ik heb je Demetrios’ boek Over de eendracht daarna dan maar teruggestuurd en het aan Philotimus gegeven. (Cic. Att. 9.9.2)

Raadsel

Het blijft dus een raadsel wat Cicero precies van plan was met Demetrios’ Over de eendracht, maar in ieder geval vond hij het op een van de meest kritieke momenten in de Romeinse geschiedenis de moeite waard een boek aan te wenden voor politieke doeleinden. Zouden Caesar en Pompeius van gedachten zijn veranderd als Cicero de tijd had gehad om zijn plan uit te voeren?

Verder lezen

P. Zaccaria, Felix Jacoby. Die Fragmente der Griechischen Historiker Continued. IV A: Biography. Fascicle 5. The First Century BC and Hellenistic Authors of Uncertain Date [Nos. 1035-1045], Leiden – Boston: Brill, 2021.

Coverfoto: schilderij van Vincenzo Foppa – The Young Cicero Reading, afkomstig van de Wallace Collection op Art UK (CC BY-NC-ND).

Het bericht Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/feed/ 0 2452
Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/ https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/#respond Wed, 29 Dec 2021 16:42:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2145

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte, van de piramideteksten bij farao Oenas tot sarcofaagteksten in het Middenrijk en papyrusteksten zoals het Dodenboek in het Nieuwe Rijk. Ook in de Grieks-Romeinse periode waren er nog zulke funeraire teksten in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de 'Documenten van het Ademen'.

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte. Deze teksten, die ervoor moesten zorgen dat je na de dood kon verder leven in het hiernamaals, werden eerst geschreven op de binnenkant van de piramides uit het Oude Rijk. Vervolgens kregen ze een nieuwe drager, want vanaf het Middenrijk kwamen ze voor op sarcofagen en vanaf het Nieuwe Rijk op papyri, als het zogenaamde Dodenboek. Voor de meeste onderzoekers stopt deze lange geschiedenis van de funeraire teksten met het Dodenboek, maar ook in de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) waren de teksten nog in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de ‘Documenten van het Ademen’.

De evolutie in een paar woorden

Het startpunt ligt bij farao Oenas (ca. 2367-2347 v.C.) in de 5de dynastie. Zijn piramide in Saqqara bevat het oudste corpus van funeraire en religieuze teksten en de wanden van zijn grafkamer staan vol met hiëroglyfische teksten, de zogenaamde piramideteksten. Het zijn spreuken die Oenas moesten helpen om goed in het hiernamaals te kunnen leven. Aangezien de teksten vol typische “kopieerfouten” staan, wordt er doorgaans van uitgegaan dat het om reeds bestaande teksten gaat, die op de wanden van de piramide gekopieerd werden. De belangrijkste functie van de teksten was om de niet-materiële elementen van de mens samen te brengen. Naast het fysieke lichaam, bevatte de mens volgens de Egyptenaren een ba (de individuele levenskracht) en een ka (de persoonlijkheid of de ziel). De ka maakte het verschil tussen een levend en een dood lichaam, terwijl de ba iemand tot een individu maakte. Wanneer iemand stierf werden de ba en de ka van het lichaam gescheiden. Als deze persoon wilde verder leven in het hiernamaals moesten zijn ba en ka herenigd worden tot een akh. De piramideteksten hadden tot doel deze vereniging te vereenvoudigen. Dankzij de teksten in zijn grafkamer kon Oenas dus een akh worden. De piramideteksten komen voor in 10 koninklijke graven uit het Oude Rijk. Naast de piramide van Oenas bevatten ook de volgende piramides deze funeraire teksten: Teti, Pepi I, Ankhesenpepi II (een vrouw van Pepi I), Merenre, Pepi II, Neith (een vrouw van Pepi II), Iput II (een vrouw van Pepi II), Wedjebetni (een vrouw van Pepi II) uit de 6de dynastie (ca. 2347-2216 v.C.) en Ibi uit de 8ste dynastie (ca. 2216-2134 v.C.).

De binnenkant van de piramida van farao Oenas

Vanaf het Middenrijk (ca. 2040-1783 v.C.) werden de teksten niet meer op piramides geschreven maar kwamen ze voor op sarcofagen. Ook de naam van de funeraire literatuur veranderde naar sarcofaagteksten. Deze evolutie begon al op het einde van het Oude Rijk en in de Eerste Tussentijd (ca. 2216-2040 v.C.) maar kende zijn hoogtepunt in het Middenrijk. Aangezien de teksten nu op lijkkisten geschreven werden, bevonden ze zich al dichter bij het lichaam. Hierdoor ging de vereniging van de ba en de ka in een akh nog vlotter. De sarcofaagspreuken zijn afgeleid en gekopieerd van de piramideteksten, maar er ontstonden ook nieuwe composities. Het belangrijkste verschil met de piramideteksten is dat de sarcofaagteksten ook voor privépersonen konden gebruikt worden, terwijl de piramideteksten alleen voor koningen waren.

Voorbeeld van een sarcofaagtekst op de doodskist van Khnumnakht uit het Middenrijk

De derde fase van de evolutie voltrok zich in het Nieuwe Rijk (ca. 1550-1070 v.C.), wanneer de funeraire literatuur op papyrusrollen werd geschreven. De naam voor de literatuur in het Nieuwe Rijk is het Dodenboek. Ook hier werden de spreuken afgeleid van piramide- en sarcofaagteksten, maar daarnaast werden er nieuwe composities geschreven. De term ‘Dodenboek’ is eigenlijk heel misleidend, want de Dodenboekteksten konden ook in graven voorkomen. Zo zijn de meeste graven in de Vallei der Koningen gedecoreerd met Dodenboekteksten om de farao te helpen in het hiernamaals te geraken. Het gaat ook niet om een standaardversie die gekopieerd werd. Het is een corpus van spreuken die in verschillende combinaties konden voorkomen, waarbij soms vignetten werden toegevoegd die bij een bepaalde spreuk hoorden. Het Dodenboek bleef in omloop tot in de Grieks-Romeinse periode en betreft bijgevolg het genre van funeraire literatuur dat het langste in gebruik was.

Documenten van het Ademen

In de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) ontstond er een nieuw genre funeraire literatuur, de ‘Documenten van het Ademen’. Ze verschenen in verschillende vormen in de multiculturele samenleving van Grieks-Romeins Thebe en vervingen geleidelijk aan het Dodenboek. Ze kunnen gezien worden als de opvolgers van de piramideteksten, de sarcofaagteksten en het Dodenboek. De teksten werden aan de overledene meegegeven als grafgift. Ze werden mee ingezwachteld met de mummie en ook hier hebben de teksten als functie een soort aanbevelingsbrief te zijn voor de overledene in het hiernamaals. Ze moesten de overledenen een tweede leven “vrij van zorgen” geven en ervoor zorgen dat de overledene voor eeuwig en altijd kon ademen. De funeraire teksten uit de Grieks-Romeinse tijd kenden een grote diversiteit en verschillende soorten teksten konden op één papyrus gecombineerd worden. De composities zijn geschreven in het hiëratisch, een cursieve vorm van hiërogliefen. De taal van de documenten is gebaseerd op het klassieke Middelegyptisch met invloed van het Laat-Egyptisch en het Demotisch.

Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft (P. Louvre N. 3284)

Ze zullen Osiris naar het binnenste van het grote meer van Chonsoe brengen. Nadat hij zijn hart heeft gegrepen, zullen ze het document van het ademen, dat aan de binnen- en buitenkant is beschreven, omzwachtelen met koninklijk linnen, geplaatst zijnde onder zijn linkerarm in de buurt van zijn hart. Het overige van de omzwachteling zal erbuiten worden gedaan. Indien deze papyrusrol voor hem wordt gebruikt, dan zal hij samen met de ba’s en de goden voor eeuwig en altijd ademen.

Tweede Document van het Ademen (BM EA10110)

Deze tekst bevat de laatste paragraaf van het zogenaamde ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ en toont aan dat het in de buurt van het hart moest ingezwachteld worden. Dit in tegenstelling tot het ‘Eerste’ en ‘Tweede Document van het Ademen’ die respectievelijk onder het hoofd en onder de voeten van de mummie geplaatst moesten worden. Er bestaan bijgevolg drie verschillende ‘Documenten van het Ademen’ en allen hebben ze een andere inhoud. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ lijkt iets ouder te zijn (Ptolemaeïsch tot Vroeg-Romeins) dan de andere twee composities die eerder in de Late Ptolemaeïentijd verschenen en nog voorkwamen tot in de Romeinse periode. Vanaf de eerste eeuw na Christus ontstonden er ook Demotische ‘Documenten van het Ademen’, de zogenaamde “paspoorten voor het hiernamaals”. Deze teksten waren doorgaans korter dan hun hiëratische tegenhangers. Deze papyri werden ook op de mummie geplaatst, maar daarnaast werden ze ook teruggevonden op tempelmuren, sarcofagen, lijkkisten, ostraca, linnen, enzovoort.

Het slotvignet met de Hathor-koe op het graf

Naast de drie soorten ‘Documenten van het Ademen’ waren er ook verkorte versies in omloop. Verder konden de verscheidene paragrafen in de teksten weggelaten of omgewisseld worden en konden er extra paragrafen aan toegevoegd worden. Sommige documenten bevatten ook iconografie, alhoewel dit geen vereiste was. De iconografie van het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ is in de meeste gevallen redelijk gestandaardiseerd. De meeste teksten bevatten meerdere vignetten of afbeeldingen. Het openingsvignet geeft doorgaans de introductie van de overledene aan de god Osiris weer. Een ander veel voorkomend type vignet is het ‘wegen van het hart’. Deze iconografie stamt af van hoofdstuk 125 van het Dodenboek, de zogenaamde ‘negatieve confessie’ en toont hoe het hart van de overledene op een weegschaal wordt gelegd en wordt afgewogen tegen de Maät-veer (de rechtvaardigheid). Als de weegschaal in balans is, heeft de overledene een goed leven geleid en mag hij of zij de onderwereld betreden. Als dit niet het geval is, wordt de overledene verscheurd door de verslindster, een monster dat doorgaans aanwezig is op het vignet. Het eindvignet toont de Hathor-koe op het graf van de overledene. Meestal wordt er wierook geofferd aan de godin Hathor. Er was geen directe relatie tussen de iconografie en de inhoud van de tekst. De afbeeldingen op de papyri voegen iets toe aan de compositie, eerder dan de inhoud van de tekst te illustreren.

Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd geschreven door de god Thoth in naam van Isis. De inhoud van de tekst legt de nadruk op de toegang van de overledene tot de onderwereld en de mogelijkheid om voor eeuwig en altijd vrij te kunnen ademen.

Introductie van de overledene aan de god Osiris (BM EA9995,1)

Een heel interessant gegeven aan deze documenten is dat ze steeds geschreven zijn voor een overledene en dat de naam en titels van deze eigenaar op het document werden geschreven. Hierdoor kunnen we reconstrueren wie zo een document meekreeg en welke functie deze persoon had. De eigenaren behoorden tot tempelpersoneel werkzaam in verschillende Thebaanse culten. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd voornamelijk meegegeven aan overledenen die tot de hoge clerus van Amon-Ra behoorden en dus tijdens hun leven werkzaam waren in de tempel van Karnak. Een bekend voorbeeld betreft de priester Horos, eigenaar van de ‘Joseph Smith papyri’. De twee meest voorkomende titels zijn ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ en ‘sistrum-speelster van Amon-Ra’. De eigenaren van deze teksten konden niet alleen verbonden worden aan de cultus van Amon-Ra, maar bijvoorbeeld ook aan de cultussen van Montoe van Hermonthis (Armant) en de god Chonsoe, die een tempel had binnen het Karnak-complex. De meeste priesters waren niet verbonden aan één cultus, maar konden verschillende goden tegelijkertijd dienen. De weergave van de verscheidene priestertitels in de documenten toont aan dat in dezelfde funeraire papyrus verschillende combinaties van titels kunnen voorkomen. Zo kan iemand in de eerste lijn van de papyrus ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ zijn en enkele lijnen verderop alleen ‘godsvader’. Daarnaast konden er later in de tekst titels voorkomen die niet in de introductie van de overledene aanwezig waren. Naast de titels, werd de filiatie van de overledene doorgaans meegegeven. Vaak werden zowel de moeder als de vader weergegeven, en in enkele uitzonderlijke gevallen zien we een hele stamboom. In andere gevallen hebben we alleen de naam van de moeder of de vader, en soms helemaal geen filiatie. De vader van de overledene kan geïntroduceerd worden door de titel ‘mi nn‘, oftewel van dezelfde rang. Hiermee wordt bedoeld dat de vader tot dezelfde priesterklasse behoorde en dus naar alle waarschijnlijkheid ook een heleboel titels bezat, maar dat in het funeraire document ervoor gekozen werd om enkel de rang van de priester aan te duiden.

Funeraire composities in de Grieks-Romeinse periode

Zoals vaak het geval is met papyri kennen we van de meeste funeraire teksten die vandaag in verscheidene musea verspreid zijn, geen oorspronkelijke archeologische context. Eén graf in de Thebaanse necropool vormt de grote uitzondering, de zogenaamde Soter-tombe. Dit graf, beter bekend als Thebaanse Tombe 33, ligt in de al-Khukha necropool, net naast het Assasif in de buurt van de dodentempel van koningin Hatsjepsoet (Deir el-Bahari). Het graf werd net zoals zovele graven in de Thebaanse necropool hergebruikt in de Grieks-Romeinse periode. Eén van de mensen die hier in een later stadium in begraven werd was Soter, vandaar de naam van de tombe. Hij en zijn familieleden kregen enkele ‘Documenten van het Ademen’ mee. Waarschijnlijk zijn er een twintigtal documenten afkomstig uit dit graf. Naast het ‘Eerste Document van het Ademen’ en het ‘Tweede Document van het Ademen’ verkregen de overledenen, die hier begraven werden, ook late versies van het Dodenboek en een versie van het ‘Boek van het Doorlopen van de Eeuwigheid’, een andere funeraire compositie uit de Grieks-Romeinse tijd. De funeraire literatuur uit deze periode is wel degelijk nog heel bruisend. Vaak wordt het afgedaan als minderwaardig omdat de composities vergeleken worden met de Dodenboeken uit het Nieuw Rijk, die doorgaans als veel kwalitatiever en gedetailleerder beschouwd worden. Hoewel de ‘Documenten van het Ademen’ dan stilistisch minder mooi mogen zijn, vormen ze wel het bewijs dat een typische faraonische traditie nog steeds gevolgd werd en dat er zelfs nieuwe composities werden geschreven in verschillende vormen en combinaties. De creativiteit van de Thebaanse clerus die deze documenten ontwikkelde, vierde dus hoogtij tot ver in de Romeinse periode.

Meer lezen

Coenen, M. & J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek 5, Leuven, 1995.
Coenen, M., ‘Owners of Documents of Breathing Made by Isis’, Chronique d’Egypte 79: 157-158, 2004, 59-72.
Herbin, F.R., Books of Breathing and Related Texts, London, 2008.
Herbin, F.R., Le livre de parcourir l’éternité, OLA 58, Leuven, 1994.
Mosher, M., ‘Theban and Memphite Book of the Dead Traditions in the Late Period’, Journal of the American Research Center in Egypt 29, 1992, p. 143-172.
Smith, M., Traversing Eternity: Texts for the afterlife from Ptolemaic and Roman Egypt, Oxford, 2009.

Coverafbeelding: Adaptatie van een funeraire papyrus met daarop het ‘Boek van het Ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris’ uit het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/feed/ 0 2145
À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/ https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/#respond Sat, 13 Feb 2021 15:08:36 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1234 Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk Het boek der liefdeszangen', een vertaling van de Amores uit 1941. In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om twee vertalingen van werken van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17 n.C.). De eerste is ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949) en de tweede ‘Het boek der liefdeszangen’, een vertaling van de Amores, eveneens uit 1941, maar daterend van na ‘De kunst der vrijage’, zo blijkt uit het voorwoord. In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de Amores gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten. In een vorige blog gingen we dit ook al na voor de Ars Amatoria.

Het boek der liefdeszangen

Titelpagina – Het boek der liefdeszangen (vertaling Jan Meihuizen)

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk (of ondeugend?) om een lijst te geven van de weggelaten passages. Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding:

De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Geschrapte libertijnsche passages

De passages, of liever volledige gedichten, die in de Amores worden weggelaten wegens “te libertijnsch”, zijn in tegenstelling tot de weglatingen in de Ars Amatoria wel erg donker van aard. Twee van de weggelaten gedichten behandelen immers abortus en het laatste gaat over erectieproblemen van de verteller. Beide thema’s waren in 1941 blijkbaar zo met taboe bezwaard dat Meihuizen het niet waagde een vertaling van deze gedichten te publiceren, hoewel het laatste gedicht aan de moderne lezer misschien wel een ironische glimlach weet te ontlokken door de omzwachtelde formuleringen die het bevat. We laten de teksten hier verder voor zich spreken.

Amores II, 13

Amores II, 13

Dum labefactat onus gravidi temeraria ventris,
in dubio vitae lassa Corinna iacet.
illa quidem clam me tantum molita pericli
ira digna mea; sed cadit ira metu.
sed tamen aut ex me conceperat—aut ego credo;
est mihi pro facto saepe, quod esse potest.
Isi, Paraetonium genialiaque arva Canopi
quae colis et Memphin palmiferamque Pharon,
quaque celer Nilus lato delapsus in alveo
per septem portus in maris exit aquas,
per tua sistra precor, per Anubidis ora verendi—
sic tua sacra pius semper Osiris amet,
pigraque labatur circa donaria serpens,
et comes in pompa corniger Apis eat!
huc adhibe vultus, et in una parce duobus!
nam vitam dominae tu dabis, illa mihi.
saepe tibi sedit certis operata diebus,
qua cingit laurus Gallica turma tuas.
Tuque laborantes utero miserata puellas,
quarum tarda latens corpora tendit onus,
lenis ades precibusque meis fave, Ilithyia!
digna est, quam iubeas muneris esse tui.
ipse ego tura dabo fumosis candidus aris,
ipse feram ante tuos munera vota pedes.
adiciam titulum: ‘servata Naso Corinna!’
tu modo fac titulo muneribusque locum.
Si tamen in tanto fas est monuisse timore,
hac tibi sit pugna dimicuisse satis!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Abortus 1 »
Omdat ze roekeloos haar zwangerschap wou breken,
worstelt Corinna nu wanhopig met de dood.
Buiten mij om lijdt zij gevaar, en lijdt zo erg dat
ik eerder bang dan boos ben – ook al deed ze dom.
Ik was het toch door wie ze zwanger werd, althans
dat denk ik zo, en wat ik denk is meestal waar…
O Isis! Meesteres over Canopus’ velden!
Vrouwe van Memphis en van Pharos’ palmenzoom,
daar waar de snelle Nijl zijn brede bedding spreidt en
in zeven monden uitstroomt, o! ik smeek u bij
uw ratelklanken, bij de hondskop van Anubis,
zo waar als u bemind zult worden door Osiris,
zo waar een slang zich kronkelt rond uw altaar en
de Apis-stier uw stoet mag begeleiden, sméék ik:
zie op ons neer en spaar, o spaar ons beiden, want
als ú mijn meesteres wilt redden, redt zíj mij!
Hoe vaak niet knielde zij op vaste tijden bij
uw beeld, werd zij gezegend door uw priesterschaar!
Ook Eilithuia, u, godin die vrouwen bijstaat
bij ’t baren, als de last hun angstig lichaam spant:
ik smeek u: wees genadig, hoor naar mijn gebeden,
geef haar het voorrecht van uw gunst, zij is het waard!
Zelf zal ik in witlinnen kleren wierook branden,
zelf aan uw voeten mijn offerande leggen met
het opschrift: ‘Naso’s dank, Corinna iss gespaard’,
mits u mij reden geeft voor opschrift en voor dank…
En als ik iets mag zeggen in dit uur van angst:
laat dit gevecht voorgoed voorbij zijn, leer ervan!

Amores II, 14

Amores II, 14

Quid iuvat inmunes belli cessare puellas,
nec fera peltatas agmina velle sequi,
si sine Marte suis patiuntur vulnera telis,
et caecas armant in sua fata manus?
Quae prima instituit teneros convellere fetus,
militia fuerat digna perire sua.
scilicet, ut careat rugarum crimine venter,
sternetur pugnae tristis harena tuae?
si mos antiquis placuisset matribus idem,
gens hominum vitio deperitura fuit,
quique iterum iaceret generis primordia nostri
in vacuo lapides orbe, parandus erat.
quis Priami fregisset opes, si numen aquarum
iusta recusasset pondera ferre Thetis?
Ilia si tumido geminos in ventre necasset,
casurus dominae conditor Urbis erat;
si Venus Aenean gravida temerasset in alvo,
Caesaribus tellus orba futura fuit.
tu quoque, cum posses nasci formosa, perisses,
temptasset, quod tu, si tua mater opus;
ipse ego, cum fuerim melius periturus amando,
vidissem nullos matre negante dies.
Quid plenam fraudas vitem crescentibus uvis,
pomaque crudeli vellis acerba manu?
sponte fluant matura sua—sine crescere nata;
est pretium parvae non leve vita morae.
vestra quid effoditis subiectis viscera telis,
et nondum natis dira venena datis?
Colchida respersam puerorum sanguine culpant
aque sua caesum matre queruntur Ityn;
utraque saeva parens, sed tristibus utraque causis
iactura socii sanguinis ulta virum.
dicite, quis Tereus, quis vos inritet Iason
figere sollicita corpora vestra manu?
hoc neque in Armeniis tigres fecere latebris,
perdere nec fetus ausa leaena suos.
at tenerae faciunt, sed non inpune, puellae;
saepe, suos utero quae necat, ipsa perit.
ipsa perit, ferturque rogo resoluta capillos,
et clamant ‘merito!’ qui modo cumque vident.
Ista sed aetherias vanescant dicta per auras,
et sint ominibus pondera nulla meis!
di faciles, peccasse semel concedite tuto,
et satis est; poenam culpa secunda ferat!

Vertaling: John Nagelkerken

Wat helpt het dat de meisjes vrijgesteld van krijgsdienst blijven
en niet als schilddraagsters de woeste strijd in willen gaan,
als ze door eigen wapens zonder Mars hun wonden lijden
en blinde handen wapenen tot eigen ondergang?
Zij die als eerste leerde tere vruchten af te drijven
had het verdiend zelf om te komen door haar eigen strijd.
Moet dan, opdat de schoonheid van de buik niet lijdt aan rimpels,
een strijdperk zich ontplooien voor jouw treurige gevecht?
Als moeders zich vanouds hadden gehecht aan die gewoonte,
zou het geslacht der mensen door die wandaad zijn vergaan.
Dan was er weer behoefte aan degene die de stenen
als kiemen van ons volk in een verlaten wereld wierp.
Wie had Priamus’ macht gebroken, als zeegodin Thetis
geweigerd had de last te dragen die ze dragen moest?
Als Ilia de tweeling, toen haar buik nog zwol, gedood had,
dan had de stichter niet bestaan van Rome, heersersstad.
Als Venus in haar zwangerschap Aeneas had geschonden,
dan was de aarde van haar Caesarkinderen beroofd.
Ook jij, al kon je mooi ter wereld komen, was gestorven,
wanneer je moeder had gepoogd wat jij nu hebt gedaan.
Ikzelf, die toch gelukkiger kon sterven, door de liefde,
zou, had mijn moeder mij gedood, geen dag hebben gezien.
Waarom roof je de wijnstok leeg terwijld de druiven groeien,
En pluk je nog onrijpe appels met verharde hand?
Laat al wat rijp is komen, laat wat is ontsproten groeien:
een beetje uitstel wordt met een nieuw leven goed beloond.
Wat graven jullie diep met wapens in je ingewanden
en geven jullie ongeborenen onzalig gif?
De vrouw uit Colchis treft verwijt, met kinderbloed besprenkeld;
men klaagt dat Itys door zijn eigen moeder is gedood.
Zij waren wrede moeders, maar hen dwong een droeve reden
zich op hun man te wreken door verlies van beider bloed.
Zeg eens, wekte een Tereus of een Jason jullie woede
dat jullie eigen lijf doorboren met panische hand?
Dat doen de tijgerinnen niet in hun Armeense schuilplaats,
ook de leeuwin jaagt niet brutaal haar welpen in de dood.
Tedere meisjes doen dat wel, maar niet zonder vergelding:
vaak komt zij die het kindje in haar buik vermoordt zelf om.
Ze komt zelf om; met losse haren komt ze op de brandplaats
en al degenen die het vluchtig zien roepen: ‘Net goed’.
Ik hoop dat zulke kreten in de ijle wind vervliegen
en dat mijn woord als voorteken zonder gewicht mag zijn.
Goden, weest mild, schenkt U één keer genade voor een misstap;
Dat is genoeg, een tweede fout verdient de juiste straf.

Amores III, 7

Amores III, 7

At non formosa est, at non bene culta puella,
at, puto, non votis saepe petita meis!
hanc tamen in nullos tenui male languidus usus,
sed iacui pigro crimen onusque toro;
nec potui cupiens, pariter cupiente puella,
inguinis effeti parte iuvante frui.
illa quidem nostro subiecit eburnea collo
bracchia Sithonia candidiora nive,
osculaque inseruit cupida luctantia lingua
lascivum femori supposuitque femur,
et mihi blanditias dixit dominumque vocavit,
et quae praeterea publica verba iuvant.
tacta tamen veluti gelida mea membra cicuta
segnia propositum destituere meum;
truncus iners iacui, species et inutile pondus,
et non exactum, corpus an umbra forem.
Quae mihi ventura est, siquidem ventura, senectus,
cum desit numeris ipsa iuventa suis?
a, pudet annorum: quo me iuvenemque virumque?
nec iuvenem nec me sensit amica virum!
sic flammas aditura pias aeterna sacerdos
surgit et a caro fratre verenda soror.
at nuper bis flava Chlide, ter candida Pitho,
ter Libas officio continuata meo est;
exigere a nobis angusta nocte Corinnam
me memini numeros sustinuisse novem.
Num mea Thessalico languent devota veneno
corpora? num misero carmen et herba nocent,
sagave poenicea defixit nomina cera
et medium tenuis in iecur egit acus?
carmine laesa Ceres sterilem vanescit in herbam,
deficiunt laesi carmine fontis aquae,
ilicibus glandes cantataque vitibus uva
decidit, et nullo poma movente fluunt.
quid vetat et nervos magicas torpere per artes?
forsitan inpatiens fit latus inde meum.
huc pudor accessit: facti pudor ipse nocebat;
ille fuit vitii causa secunda mei.
At qualem vidi tantum tetigique puellam!
sic etiam tunica tangitur illa sua.
illius ad tactum Pylius iuvenescere possit
Tithonosque annis fortior esse suis.
haec mihi contigerat; sed vir non contigit illi.
quas nunc concipiam per nova vota preces?
credo etiam magnos, quo sum tam turpiter usus,
muneris oblati paenituisse deos.
optabam certe recipi — sum nempe receptus;
oscula ferre — tuli; proximus esse — fui.
quo mihi fortunae tantum? quo regna sine usu?
quid, nisi possedi dives avarus opes?
sic aret mediis taciti vulgator in undis
pomaque, quae nullo tempore tangat, habet.
a tenera quisquam sic surgit mane puella,
protinus ut sanctos possit adire deos?
Sed, puto, non blanda: non optima perdidit in me
oscula; non omni sollicitavit ope!
illa graves potuit quercus adamantaque durum
surdaque blanditiis saxa movere suis.
digna movere fuit certe vivosque virosque;
sed neque tum vixi nec vir, ut ante, fui.
quid iuvet, ad surdas si cantet Phemius aures?
quid miserum Thamyran picta tabella iuvat?
At quae non tacita formavi gaudia mente!
quos ego non finxi disposuique modos!
nostra tamen iacuere velut praemortua membra
turpiter hesterna languidiora rosa —
quae nunc, ecce, vigent intempestiva valentque,
nunc opus exposcunt militiamque suam.
quin istic pudibunda iaces, pars pessima nostri?
sic sum pollicitis captus et ante tuis.
tu dominum fallis; per te deprensus inermis
tristia cum magno damna pudore tuli.
Hanc etiam non est mea dedignata puella
molliter admota sollicitare manu;
sed postquam nullas consurgere posse per artes
inmemoremque sui procubuisse videt,
‘quid me ludis?’ ait, ‘quis te, male sane, iubebat
invitum nostro ponere membra toro?
aut te traiectis Aeaea venefica lanis
devovet, aut alio lassus amore venis.’
nec mora, desiluit tunica velata soluta —
et decuit nudos proripuisse pedes! —
neve suae possent intactam scire ministrae,
dedecus hoc sumpta dissimulavit aqua.

Vertaling: John Nagelkerken

Is ze niet mooi, mijn lieveling, straalt ze niet louter gratie?
Wat heb ik haar met hart en ziel begeerd, wie weet hoe vaak.
Ik hield haar in mijn armen, maar verslapt kon ik niets maken;
ik lag als last, bron van verwijten, dadenloos in bed.
Ik kon ondanks begeerte, ondanks ook haar groot begeren
niets maken met de steunpilaar van mijn slap onderlijf.
Zij schoof haar arm, blank als ivoor, onder mijn hals, nog schoner
dan witte sneeuw die in Sithonisch land gevallen is,
en strikte onze tongen, strijdend met gretige kussen,
en schoof uitdagend met haar wulpse dij onder mijn dij,
en sprak tot mij met lieve woordjes, noemde mij haar meester,
en fluisterde de woorden die men daarbij doorgaans spreekt.
Alsof mijn lijf behandeld was met kille dollekervel
bleef het zich traag verzetten tegen wat ik had gewenst.
Ik lag daar als een machteloze stronk, als pop, als ballast,
en ik wist nauwelijks of ik een mens was of een schim.
Hoe wordt voor mij de ouderdom, als die ooit nog zal komen,
wanneer mijn jeugd de krachten in de eigen tijd al mist?
Ik schaam me voor mijn jaren. Wat moet ik die jong en man ben?
Voor mijn geliefde bleek ik nu niet jong en ook geen man.
Zo staat eeuwig de priesteres op om de vrome vlammen
te koesteren, zo respecteert een lieve broer zijn zus.
Pas nog heeft blonde Chlide twee keer, blanke Pitho drie keer,
drie keer ook Libas van mijn liefdesdienst geprofiteerd.
Corinna riep mij in benauwde nachtelijke uren:
ik weet nog dat ik negen nummertjes presteren kon.
Is nu mijn lichaam door Thessalisch gif verslapt, betoverd?
Mijn ongeluk komt toch niet voort uit toverzang of -kruid?
Of heeft een toverkol een rood wasbeeld mijn naam gegeven
en midden in mijn lever met een dunne naald geprikt?
Door toverspreuk verzwakt ook Ceres tot steriele strohalm,
het water van een bron droogt, door een spreuk getroffen, op,
van eiken vallen eikels, van de wijnstok vallen druiven
door toverzang, en appels storten dan vanzelf terneer.
Waarom zouden door toverkunst mijn zenuwen niet lam zijn?
Misschien is wel mijn middel daarom van gevoel beroofd.
Daar kwam nog schaamte bij met al haar schadelijke werking;
dat was de tweede reden voor mijn machteloos gebrek.
Wat was mijn liefste heerlijk om te zien en om te strelen
(zo wordt ze aldoor door haar eigen tunica gestreeld).
De man van Pylos zou verjongen als hij haar aanraakte,
en Tithonus zou dan in kracht boven zijn jaren staan.
Dat alles bood ze mij, maar aan haar werd geen man geboden.
Waar moet ik nog om bidden in mijn volgende gebed?
Ik denk dat zelfs de grote goden spijt hebben dat zij me
een gave boden die ik zo beschamend heb gebruikt.
Ik wilde graag ontvangen worden: ik werd echt ontvangen;
gekust worden: dat werd ik; bij haar zijn: ik was bij haar.
Wat ben ik met zoveel geluk? Een machteloze koning.
Ik kreeg daar alle rijkdom, maar gedroeg me als een vrek.
Zo staat hij die verraad pleede droog midden in de golven
en hij ziet vruchten die hij echter nooit bereiken kan.
Zo rijst toch niemand ’s morgens van de zij van een lief meisje
dat hij direct een godentempel rein kan binnengaan?
Maar was ze dan misschien niet lief, heeft ze haar beste kussen
dan niet aan mij vergooid, mij niet met al haar kracht gestijfd?
Ze was in staat om zware eiken, hard staal te bewegen
en dove rotsen te ontroeren met haar lieve stem.
Ze had dus zeker macht een man, een levende, te raken:
maar ik was toen niet levend, en geen man, zoals voorheen.
Wat was de zin als Phemius voor dove oren speelde,
wat heeft arme Thamyras aan een prachtig schilderij?
Wat heb ik niet met stille hoop voor vreugdes op zien doemen,
ach wat een standjes droomde ik, wat maakte ik een reeks.
Maar nee, mijn ledematen lagen neer als afgestorven,
nog lelijker verslapt dan rozen, gisteren geplukt.
En kijk, nu zijn ze sterk en weer gezond, nu het niet meetelt;
nu wensen ze de slag en willen staan in het gelid.
Blijf jij beschaamd daar liggen, miserabel stukje lichaam;
Ik ben door jouw beloften zo al eerder zwaar bedot.
Je houdt je meester voor de gek. Je maakt mij ongewapend,
en tot mijn grote schande leed ik zo een triest verlies.
Mijn lief is bovendien zo ver gegaan hem te beroeren,
zachtjes te trachten hem te doen herrijzen met haar hand.
Maar toen ze zag dat hij op geen manier was op te wekken
en daar gewoon bleef liggen zonder zorgen om haar wens,
zei zij: ‘Waarom bespot je mij? Wie zei jou, slappe eikel,
om zonder zin je leden neer te leggen in mijn bed?
Heeft Circe jou door naalden in een wollen pop te steken
behekst, of ben je door een ander lief al uitgeput?’
Direct sprong ze uit bed, in losse tunica gewikkeld
(hoe sierlijk sprongen daar haar blote voetjes op de grond).
Opdat haar dienares niet wist dat zij nog onberoerd was,
verhulde ze de schande en nam voor de schijn een bad.

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris.

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Amores I, 15

Amores I, 15

Quid mihi Livor edax, ignavos obicis annos,
ingeniique vocas carmen inertis opus;
non me more patrum, dum strenua sustinet aetas,
praemia militiae pulverulenta sequi,
nec me verbosas leges ediscere nec me
ingrato vocem prostituisse foro?
Mortale est, quod quaeris, opus. mihi fama perennis
quaeritur, in toto semper ut orbe canar.
vivet Maeonides, Tenedos dum stabit et Ide,
dum rapidas Simois in mare volvet aquas;
vivet et Ascraeus, dum mustis uva tumebit,
dum cadet incurva falce resecta Ceres.
Battiades semper toto cantabitur orbe;
quamvis ingenio non valet, arte valet.
nulla Sophocleo veniet iactura cothurno;
cum sole et luna semper Aratus erit;
dum fallax servus, durus pater, inproba lena
vivent et meretrix blanda, Menandros erit;
Ennius arte carens animosique Accius oris
casurum nullo tempore nomen habent.
Varronem primamque ratem quae nesciet aetas,
aureaque Aesonio terga petita duci?
carmina sublimis tunc sunt peritura Lucreti,
exitio terras cum dabit una dies;
Tityrus et segetes Aeneiaque arma legentur,
Roma triumphati dum caput orbis erit;
donec erunt ignes arcusque Cupidinis arma,
discentur numeri, culte Tibulle, tui;
Gallus et Hesperiis et Gallus notus Eois,
et sua cum Gallo nota Lycoris erit.
Ergo, cum silices, cum dens patientis aratri
depereant aevo, carmina morte carent.
cedant carminibus reges regumque triumphi,
cedat et auriferi ripa benigna Tagi!
vilia miretur vulgus; mihi flavus Apollo
pocula Castalia plena ministret aqua,
sustineamque coma metuentem frigora myrtum,
atque a sollicito multus amante legar!
pascitur in vivis Livor; post fata quiescit,
cum suus ex merito quemque tuetur honos.
ergo etiam cum me supremus adederit ignis,
vivam, parsque mei multa superstes erit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Dichtersroem »
Bijtgrage Afgunst! U beschuldigt mij dat ik mijn leven
verluier? Noemt mijn dichtwerk een verspild talent?
U vindt dat ik naar ’s lands gebruik, nu ik nog krachtig ben
naar ’t stoffig ereloon van een soldaat moet streven?
Of woordenrijke wetten leren? Of als redenaar
mijn stem prostitueren op het kille Forum?
U stelt een mensendoel. Ik streef naar dichtersroem en naar
onsterflijkheid, naar overal gezongen worden.
Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.
Zolang een druif door sappen zwelt en Ceres’ halmen zwichten
voor ’n kromme zeis, wordt ook Hesiodus gehoord.
Callimachus zal altijd allerwegen te verstaan zijn,
meer om zijn verstechniek dan om zijn dichttalent,
en Sophokles’ kothurnen raken nimmer onbekend, en
Aratus zal bestaan zolang er zon en maan zijn.
Zolang een slaaf kan liegen, vaders streng zijn, hoerenbazen
gemeen, maar hoeren aardig, klinkt Menanders naam;
en Ennius mag technisch falen, maar zijn dichtersfaam
faalt nooit, zomin als Accius met zijn verhalen.
En welke eeuw zal niet van Varro spreken en de vaart
van Jasons eerste schip naar ’t Gulden Vlies verkonden?
Het prachtig dichtwerk van Lucretius gaat niet ten onder
tenzij de dag komt dat de wereld zelf vergaat.
Men zal van Tityrus, van landbouw, van Aeneas weten
zolang de trotse wereldhoofdstad Rome heet
en pas als Cupido geen pijl en boog en fakkel heeft
zal men Tibullus’ knappe dactyli vergeten.
In ’t westen zal men Gallus prijzen, Gallus ook in ’t oosten,
en Lýcoris, zijn lief, klinkt luid met Gallus mee.
Terwijl een keisteen en een ploegschaar van gehard metaal
wegslijten door de tijd, kent poëzie geen sterven.
Ook koningen en wapenfeiten leven voort in verzen
niet minder dan de gouden stromen van de Taag.
Het volk mag jagen naar goedkope praal, maar ík wil graag
Castalisch water uit Apollo’s beker drinken,
en om mijn hoofd een krans van winterschuwe mirte winden
en veelgelezen zijn bij wie om liefde vraagt.
Afgunst bestaat bij ’t leven. Na de dood rust zij in vrede.
Dan wordt een elk beloond naar wat hij heeft gedaan.
Ik zal dus niet vergaan wanneer de laatste vlam mijn lichaam
verslonden heeft, maar voor een groot deel voortbestaan.

Dit gedicht wordt integraal weggelaten omwille van de waslijst antieke auteurs die hier genoemd worden en die voor de niet-gespecialiseerde lezer soms nobele onbekenden zijn. De bekende dichters worden soms met moeilijke omschrijvingen aangeduid. Het eerste voorbeeld daarvan is te vinden in de volgende regels:

Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.

In de Latijnse tekst wordt Homerus niet bij naam genoemd, maar aangeduid met de naam Maeonides (inwoner van Maeonië). Maeonië is een andere naam voor Lydië, in het huidige Turkije, vanwaar Homerus inderdaad afkomstig was volgens de traditie. Op een gelijkaardige manier wordt de volgende auteur, Hesiodus, Ascraeus, (inwoner van Ascra) genoemd. De Hellenistische dichter Callimachus (ca. 305-240 v.C.) wordt dan weer omschreven als Battiades,(letterlijk: zoon van Battus), maar dit slaat dan weer op de dynastie van de Battiaden, een koningsdynastie in zijn thuisstad Cyrene.

Aratus van Soli (315-245 v.C.) was de auteur van een leerdicht met de titel Phainomena, waarin hemellichamen en hemelverschijnselen behandeld werden, vandaar Ovidius’ verwijzing naar zon en maan.

Verder worden ook de Griekse comicus Menander (342-291 v.C.), bekend om zijn typetjes, de fragmentarisch bewaarde Romeinse epische dichter Quintus Ennius (239-169 v.C.) en de Romeinse tragicus Lucius Accius (170-85 v.C.) in sneltempo met naam genoemd. De Varro die genoemd wordt, is, gezien de context, waarschijnlijk niet de encyclopedist en prozaschrijver Marcus Terentius Varro Reatinus (116-27 v.C.), maar de dichter Publius Terentius Varro Atacinus (82-35 v.C.), die de ‘Argonautica‘, een epos van de Griekse dichter Apollonius van Rhodos (ca. 295-215 v.C.), naar het Latijn vertaalde. De link met de reis van de Argonauten op zoek naar het Gulden Vlies wordt in het volgende vers gelegd door de vermelding van het Gulden Vlies en de vermelding van “Aesonius, de zoon van Aeson“, namelijk Jason, de leider van de Argonauten. Ook de Romeinse dichter en epicuristische filosoof Titus Lucretius Carus (99-55 v.C.), bekend om zijn leerdicht De Rerum Natura, wordt vermeld.

Hierna gaat Ovidius over naar de eigen tijd: Tityrus et segetes Aeneiaque arma, “Tityrus, de oogst en de wapens van Aeneas” zijn een verwijzing naar de openingswoorden van respectievelijk de Bucolica (waarin Tityrus een belangrijk personage is), de Georgica (over de landbouw) en de Aeneis van Publius Vergilius Maro (70-19 v.C.). Vervolgens worden ook de Romeinse elegische dichters Albius Tibullus (ca. 55-19 v.C.) en Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.) genoemd, wiens geliefde in zijn poëzie Lycoris heet.

Tot slot is er ook nog een verwijzing naar de Castaliabron bij Delphi, die gewijd was aan Apollo en de Muzen en dus symbool staat voor dichterlijke inspiratie.

Hoewel het merendeel van de verwijzingen in dit gedicht literair-historisch en niet mythologisch zijn, is het hele gedicht door Meihuizen weggelaten, omdat het te veel kennis van de Grieks-Romeinse literatuurgeschiedenis veronderstelt. Bij een inkorting met een parafrase, zoals de vertaling van de Ars Amatoria er vele kent, zou het hele punt van dit gedicht tenietgedaan worden. Daarom opteert Meihuizen hier voor een volledige weglating. Hetzelfde gebeurt ook bij andere gedichten van de Amores.

Amores III, 9

Een tweede gedicht dat weggelaten wordt omwille van een te grote veronderstelde kennis bij de antieke lezer, is Amores III, 9, dat gaat over de dood van Ovidius’ collega-dichter Tibullus.

Amores III, 9

Memnona si mater, mater ploravit Achillem,
et tangunt magnas tristia fata deas,
flebilis indignos, Elegia, solve capillos!
a, nimis ex vero nunc tibi nomen erit! —
ille tui vates operis, tua fama, Tibullus
ardet in extructo, corpus inane, rogo.
ecce, puer Veneris fert eversamque pharetram
et fractos arcus et sine luce facem;
adspice, demissis ut eat miserabilis alis
pectoraque infesta tundat aperta manu!
excipiunt lacrimas sparsi per colla capilli,
oraque singultu concutiente sonant.
fratris in Aeneae sic illum funere dicunt
egressum tectis, pulcher Iule, tuis;
nec minus est confusa Venus moriente Tibullo,
quam iuveni rupit cum ferus inguen aper.
at sacri vates et divum cura vocamur;
sunt etiam qui nos numen habere putent.
Scilicet omne sacrum mors inportuna profanat,
omnibus obscuras inicit illa manus!
quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?
carmine quid victas obstipuisse feras?
et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
dicitur invita concinuisse lyra.
adice Maeoniden, a quo ceu fonte perenni
vatum Pieriis ora rigantur aquis —
hunc quoque summa dies nigro submersit Averno.
defugiunt avidos carmina sola rogos;
durant, vatis opus, Troiani fama laboris
tardaque nocturno tela retexta dolo.
sic Nemesis longum, sic Delia nomen habebunt,
altera cura recens, altera primus amor.
Quid vos sacra iuvant? quid nunc Aegyptia prosunt
sistra? quid in vacuo secubuisse toro?
cum rapiunt mala fata bonos — ignoscite fasso! —
sollicitor nullos esse putare deos.
vive pius — moriere; pius cole sacra — colentem
mors gravis a templis in cava busta trahet;
carminibus confide bonis — iacet, ecce, Tibullus:
vix manet e toto, parva quod urna capit!
tene, sacer vates, flammae rapuere rogales
pectoribus pasci nec timuere tuis?
aurea sanctorum potuissent templa deorum
urere, quae tantum sustinuere nefas!
avertit vultus, Erycis quae possidet arces;
sunt quoque, qui lacrimas continuisse negant.
Sed tamen hoc melius, quam si Phaeacia tellus
ignotum vili supposuisset humo.
hinc certe madidos fugientis pressit ocellos
mater et in cineres ultima dona tulit;
hinc soror in partem misera cum matre doloris
venit inornatas dilaniata comas,
cumque tuis sua iunxerunt Nemesisque priorque
oscula nec solos destituere rogos.
Delia discedens ‘felicius’ inquit ‘amata
sum tibi; vixisti, dum tuus ignis eram.’
cui Nemesis ‘quid’ ait ’tibi sunt mea damna dolori?
me tenuit moriens deficiente manu.’
Si tamen e nobis aliquid nisi nomen et umbra
restat, in Elysia valle Tibullus erit.
obvius huic venias hedera iuvenalia cinctus
tempora cum Calvo, docte Catulle, tuo;
tu quoque, si falsum est temerati crimen amici,
sanguinis atque animae prodige Galle tuae.
his comes umbra tua est; siqua est modo corporis umbra,
auxisti numeros, culte Tibulle, pios.
ossa quieta, precor, tuta requiescite in urna,
et sit humus cineri non onerosa tuo!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Bij de dood van Tibullus »
Als Memnons moeder en Achilles’ moeder treuren over
hun zoons, als droeve dood godinnenmoeders raakt,
treur dan, Elegia! Klaag luid met losgebonden haren,
want nu, helaas, draagt u pas echt uw ware naam:
uw dichter, die zijn verzen wijdde aan u faam, Tibullus,
brandde in ’t vuur, zijn nietig lichaam is vergaan.
Zie Cupido: hij heeft zijn pijlenkoker naar beneden
gericht, zijn boog is slap, zijn fakkel zonder licht.
Kijk hoe verdrietig hij daar loopt, zijn vleugels neergeklapt,
zijn borst ontbloot; hij stompt zich met gebalde vuisten;
zijn haar, dat rond zijn schouders hangt, vangt hete tranen;
er klinkt gesnik dat schokkend aan zijn mond ontsnapt.
Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.
Ook Venus treurt. Het leed om haar Tibullus is niet minder
dan toen Adonis omkwam door een zijnenbeet.
Men noemt ons, dichters, heilig; lievelingen van de goden.
Sommigen kennen ons zelfs godeninspraak toe.
Maar al die heiligheid verbleekt bij ’t onheil van de dood,
die krijgt ons allemaal in zijn obscure greep.
Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders,
bij goddelijk gezang, waarmee hij ieder dier
kon temmen? Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?
Of neem Homerus, die vanuit een altijd rijke bron
andere dichters van zijn verzenstroom liet drinken:
ook hij ging na zijn laatste uur de zwarte Avernus in,
alleen zijn poëzie ontkwam het gulzig vuur.
Zijn dichtwerk leeft, de roem van Trojes strijd, de list
van ’t trage weefsel dat ’s nachts weer werd uitgewist.
Zo zul jij, Nemesis, jij, Delia, lang na Tibullus
voortklinken – zijn geliefden van nu en weleer.
Geen offer baat nu meer. Baatte het soms in Isis’ tempel
ver van zijn bed met ratelklanken hulp te smeken?
Nee, als de dood een edel mens verraadt, vermoed ik eerder
– vergeef me – dat er helemaal geen god bestaat.
Leef braaf, dan sterf je braaf. Bid vroom, toch word je vroom en wel
eens door de dood verrast; die brengt je naar de hel.
Of denk je dat gedichten toveren? Zie naar Tibullus,
die kleine urn daarginds is alles wat hij was.
Heilige dichter! Heeft het doodsvuur jou zo snel verteerd?
Was er geen enkele schroom jouw lichaam zo te schenden?
Waarom heeft het geen gouden godshuis aangetast;
daar heeft men toch de macht om rampen af te wenden?
Venus, godin van Eryx’ burcht, heeft haar gelaat – zo zegt men –
snel afgewend, zij hield haar tranen niet meer in.
Toch is dit beter dan wanneer hij als een onbekende
op Korfu was begraven in een nietig graf.
Hier heeft zijn moeder nog bij ’t afscheid zijn betraande ogen
gesloten en zijn as de laatste eer gebracht.
Zijn droeve zuster stond haar moeder in dit groot verdriet
ter zij, zich hevig rukkend aan haar losse haren,
en na hen kwamen Delia en Nemesis. Zij kusten
het lichaam nog. Toen ’t brandde, bleven zij erbij,
en Delia riep nog als afscheid: ‘Mooier dan jouw liefde
bestond er geen, ik was voor jou je levensvlam.’
Maar toen zij Nemesis: ‘Nee! Míjn verlies is heel wat erger
dan jouw verdriet! Bij ’t sterven zocht hij nog mijn hand…’
Als er van ons meer rest dan naam en schaduw, woont Tibullus
straks in de Elyseese Velden, waar Catullus,
geleerd poëet, hem welkom heet, het jeugdige hoofd omvlecht
met klimoprank. Getrouw gaat Calvus aan zijn zij,
en Gallus ook, tenminste als die aanklacht van verraad
vals is gebleken en zijn zelfmoord onterecht.
Jouw schim, Tibullus, als jouw schim daar is zoals jij was,
behoort bij hen; jij vult hun edel aantal aan.
Mogen je resten, bid ik, vredigrusten in de grafurn
en laat de aarde niet zwaar drukken op je as.

Het is duidelijk dat de vele mythologische verwijzingen in deze lange klaagzang naar Meihuizens smaak te veel vergen van “den hedendaagschen mensch. Over Memnon, de mythologische koning van Ethiopië, weten we dat hij met een leger naar Troje trok, om de Trojanen te steunen tegen de Grieken. Hij doodde Antilochus, de zoon van Nestor. Nestor smeekte toen Achilles wraak te nemen, waarna Achilles Memnon doodde. Zijn moeder Aurora (de Dageraad) was hierdoor overmand door verdriet, en smeekte Jupiter hem de onsterfelijkheid te schenken en haar wens werd vervuld. De tranen die zij huilde, werden gezien als de dauw. Ook Achilles zou de Trojaanse Oorlog niet overleven.

Zowel Memnon als Achilles stierven jong en dat is ook voor Tibullus het geval: hij werd slechts 36 jaar oud, als we aannemen dat hij geboren werd in 55 v.C. (een datum tussen 54 en 49 v.C. is echter even goed mogelijk). Vandaar dat Ovidius’ Elegia, de goddelijke personificatie van het genre van de elegie, aanspoort te rouwen om haar spreekwoordelijke zoon. Het feit dat ze “nu pas haar ware naam draagtis een woordspel: het Griekse woord ἔλεγος, waarvan de benaming van het genre werd afgeleid, betekent immers klaagzang of rouwklacht.

De volgende verwijzing betreft Cupido, die in de Latijnse tekst niet bij naam genoemd wordt, maar met “puer Veneris“, “jongen van Venus“, wordt aangeduid. In de volgende regels wordt hij in verband gebracht met Aeneas:

Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.

In de Latijnse tekst staat iets minder precies frater, “broer” te lezen, maar Aeneas, net als Cupido een zoon van Venus, is inderdaad een halfbroer van Cupido. Julus, die hier ook genoemd wordt, is de zoon van Aeneas.

De in het Latijnse origineel niet geïdentificeerde iuvenis, “jongeman”, is Adonis, die tijdens de jacht op een wild zwijn door het dier verwond werd aan de dij. Hij probeerde nog weg te komen, maar zijn been weigerde mee te werken en op die manier kreeg het zwijn de kans hem dood te trappen. Volgens de mythe barstte Venus toen zodanig in tranen uit, dat bos- en waternimfen, goden en mensen en zelfs de natuur zich bij haar aansloten en samen met haar om Adonis rouwden. Het verdriet om Tibullus is volgens Ovidius nog erger. Deze sterke formulering komt enkel tot haar recht wanneer men voldoende kennis heeft van deze mythe.

In de volgende verzen laat Marietje d’Hane-Scheltema iets weg in haar vertaling. Ze vertaalt het volgende vers immers als volgt:

Quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?

Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders […] ?

In de Latijnse versie wordt Orpheus ‘de Ismarische Orpheus’ genoemd, naar de vallei waar hij volgens de mythologie de wilde dieren in bekoring bracht door zijn gezang.

Ook de volgende verzen worden door D’Hane-Scheltema expliciterend vertaald:

Et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
Dicitur invita concinuisse lyra.

[…] Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?

Linus was, net als Orpheus, een mythologische musicus en zanger-dichter. Hij was de zoon van Apollo, die hier door Ovidius niet bij naam wordt genoemd. De woordspeling die Ovidius hier maakt, gaat verloren in de vertaling. Als we de leestekens wegdenken, die in de oudheid niet in de tekst stonden, is het eerste vers van bovenstaand verspaar dubbelzinnig: ofwel zong Apollo “Ai, Linus!”, ofwel zong hij een αἴλινος, een rouwlied, ofwel riep hij αἴλινον, wee.

De volgende regels gaan over Homerus, ook hier weer Maeonides genoemd (cf. supra), die vergeleken wordt met de bron van Piëria, verblijfplaats van de Muzen, in de zin dat hij net als die bron een inspiratie was voor dichters van latere tijden. De Avernus die hier genoemd wordt, is het Lago d’Averno bij Cumae, dat gold als de toegangspoort tot de onderwereld en er dus ook symbool voor kon staan. De volgende regels roepen zowel zijn Ilias” (“de roem van Trojes strijd”) als de Odyssee op: nog steeds hopend op Odysseus’ terugkeer, weigerde zijn vrouw Penelope te hertrouwen en om aan de opdringerige aanbidders te ontkomen, beweerde zij dat zij bezig was een lijkkleed te weven voor haar schoonvader Laërtes en dat ze niet kon hertrouwen, vóórdat dit was voltooid. ’s Nachts trok zij echter het weefsel dat zij overdag had afgewerkt weer uit elkaar en stelde zo een beslissing uit.

De volgende verzen spreken over de geliefden die Tibullus in zijn gedichten behandelt: Delia is het onderwerp van zijn eerste boek elegieën en Nemesis is de centrale figuur in het tweede boek. De godin van Eryx’ burcht wordt in de vertaling geïdentificeerd als Venus, maar van de oorspronkelijke lezer werd verwacht dat hij wist dat Eryx, zoon van Venus, de mythologische koning van Sicilië was die door Hercules werd verslagen in een vuistgevecht en daardoor stierf. De berg waar hij begraven werd, werd naar hem Eryx genoemd.

In de scène die volgt, wordt Tibullus in de onderwereld verwelkomt door een paar illustere voorgangers: Gaius Valerius Catullus (ca. 84-54 en 47 v.C.), Gaius Licinius Macer Calvus (82-47 v.C.) en de reeds genoemde Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.), die inderdaad zelfmoord pleegde nadat hij bij keizer Augustus in ongenade viel.

Aangezien dit gedicht bol staat van de mythologische en literair-historische verwijzingen die zelfs voor een gespecialiseerde lezer in onze tijd niet altijd evident zijn, opteert Meihuizen in zijn populariserende vertaling bewust voor een volledige weglating.

Amores I, 8, 47-48

Dat de weglatingen die Meihuizen doet soms een beetje van willekeur getuigen, bewijst het volgende voorbeeld. Net na een verwijzing naar de Sabijnse maagdenroof die hij wel behoudt, laat hij het volgende stukje weg:

Penelope iuvenum vires temptabat in arcu;
qui latus argueret, corneus arcus erat.

[…] Zelfs Penelope probeerde
vrijers te testen met een boog. Het was
een hoornen boog die hun prestaties woog…
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Men kan nochtans verwachten dat een lezer die de Sabijnse maagdenroof kent, ook genoeg op de hoogte is van de Griekse mythologie om deze episode uit de ‘Odysseete kennen. Een reden voor de weglating is hier dus moeilijk te vinden, aangezien de passage evenmin getuigt van een te “libertijnsch” karakter, zeker in de context van het gedicht, waarin de oude koppelaarster Dipsas – vrij vertaald “Zattefles” een jong meisje verleidingstips geeft.

Amores I, 9, 33-40

Ook in de volgende weggelaten passage gaat het niet bepaald over onbekende episodes uit de mythologie en zijn de verwijzingen ook niet zo cryptisch dat ze een goed tekstbegrip in de weg zouden staan:

Amores I, 9, 33-40

ardet in abducta Briseide magnus Achilles—
dum licet, Argeas frangite, Troes, opes!
Hector ab Andromaches conplexibus ibat ad arma,
et, galeam capiti quae daret, uxor erat.
summa ducum, Atrides, visa Priameide fertur
Maenadis effusis obstipuisse comis.
Mars quoque deprensus fabrilia vincula sensit;
notior in caelo fabula nulla fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Achilles brandde van verdriet na ‘t weggaan van Briseïs
– een kans voor Troje om de Grieken te verslaan -,
Hektor trok pas ten strijde na Andromaches omhelzing,
het was zijn vrouw die hem de helm heeft aangereikt,
en Agamemnon, leider aller leiders, is zowaar
bezweken voor Cassandra’s wild Maenadenhaar.
Zelfs Mars werd kunstig ingesnoerd en voelde liefdesboeien –
niet één verhaal in ’t godenrijk is zo vermaard.

De enige verwijzing die misschien wat uitleg behoeft, zijn de liefdesboeien van Mars: dit is een verwijzing naar het verhaal waarin Vulcanus zijn vrouw Venus in bed betrapt met Mars en hen vangt in een door hem gemaakt gouden net. Vervolgens zet hij hen te kijk bij de andere goden.

Amores I, 10, 49-52

Het boek der liefdeszangen (p39)

Ook deze mythologische uitweiding wordt geschrapt, terwijl een aantal andere mythologische voorbeelden die aan het begin van hetzelfde gedicht voorkomen, niet door Meihuizen worden geschrapt.

Amores I, 10, 49-52

Non fuit armillas tanti pepigisse Sabinas,
ut premerent sacrae virginis arma caput;
e quibus exierat, traiecit viscera ferro
filius, et poenae causa monile fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Kijk naar Tarpeia, die Sabijnse pronkjuwelen
bedongen had en met de dood werd afgestraft
of naar Eríphyle: zij boette voor een halssnoer
en werd vermoord door hem aan wie zij ’t leven gaf…

Tarpeia noch Eriphyle wordt hier in het Latijn bij naam genoemd. Tarpeia kan wel geïdentificeerd worden door de verwijzing naar de “Sabijnse pronkjuwelendie ze van de Sabijnen als beloning vroeg voor haar verraad. De verwijzing naar Eriphyle was voor de antieke lezer duidelijk door de vermelding van het halssnoer dat ze als steekpenning kreeg om haar man Amphiaraüs te verraden aan Polynices (cf. supra). Amphiaraüs’ zoon Alcmaeon nam hiervoor wraak door zijn moeder te vermoorden. De moderne lezer heeft uiteraard meer moeite met deze cryptische verwijzingen.

Amores II, 5, 38-40

Het boek der liefdeszangen (p69)

In deze passage wordt de blos van Ovidius’ betrapte ontrouwe liefje met veel mythologische vergelijkingen beschreven:

Zoo bloost de hemel voor den Dageraad of een meisje, als de bruidegom, waarmede zij pas gehuwd is, haar aankijkt; zoo kleuren de rozen rood op tusschen de leliën.

Het volgende stukje laat hij dan weer weg:

Amores II, 5, 38-40

aut ubi cantatis Luna laborat equis,
aut quod, ne longis flavescere possit ab annis,
Maeonis Assyrium femina tinxit ebur.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

[…] als de maan wanneer zij
betoverd is; of als ivoor dat vrouwen
soms roze verven, als het door de tijd
geel dreigt te worden […]

Dit stukje wordt misschien weggelaten omwille van de geografische verwijzingen, die hier niet echt een verwijzing naar een mythe lijken: het gaat in de Latijnse tekst om een “Maeonische (= Lydische) vrouw die Assyrisch ivoor verft. De reden voor weglating is ook hier tamelijk vaag.

Amores II, 6, 36

In een gedicht naar aanleiding van de dood van de papegaai van Corinna wordt enkel het volgende vers weggelaten. Het komt uit een deel van het gedicht waarin de papegaai vergeleken wordt met andere vogels, onder andere de raaf, waarover het volgende wordt gezegd:

illa quidem saeclis vix moritura novem.

[…] al leeft dat dier
wel negenmaal zo lang.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

De reden dat het hier weggelaten is, is waarschijnlijk dat de raaf in de oudheid een bekendstond om zijn spreekwoordelijk lange levensduur, een cliché dat de moderne lezer waarschijnlijk niet kent. Toch is het ook hier een merkwaardige weglating, want in hetzelfde gedicht worden korte verwijzingen naar Philomela, Orestes en Pylades, Protesilaüs, Thersites en Hector niet weggelaten, terwijl die potentieel meer problemen zouden opleveren.

Amores II, 17, 18

Het boek der liefdeszangen (p101)

In een gedicht waarover hij zich erover beklaagt dat Corinna zich te mooi voelt voor hem en dat ook laat blijken, somt Ovidius ter illustratie mythologische mannen op die een vrouw hadden die ook out of their league was:

Men zegt immers, dat de nimf Calypso, verliefd op een gewonen sterveling, dien man tegen zijn zin vasthield. Men zegt verder, dat een Nereïde, een zeegodin, het hield met den koning van Phthiotis en dat Venus koosde met Vulcanus, ofschoon deze zoo van zijn aambeeld kwam en met zijn mank been leelijk hinkte. […] En daarom moet ook gij, mijn zon, me tot je nemen […]

Het gaat hier uiteraard achtereenvolgens om Odysseus en Calypso, Peleus en Thetis, en Vulcanus en Venus. Het voorbeeld dat Ovidius tussen Peleus en Thetis enerzijds en Venus en Vulcanus anderzijds noemt, is door Meihuizen weggelaten:

Egeriam iusto concubuisse Numae
[…] de wijze koning Numa
beminde Egeria […]
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Naast de bekendere mythologische koppels vallen de tweede Romeinse koning Numa Pompilius en zijn vrouw, de nimf Egeria, hier uit de boot, hetgeen naar onze inschatting wel in lijn ligt met de mythologische kennis van het doelpubliek: Egeria is inderdaad minder bekend dan Calypso.

Amores II, 18, 23-26

In dit gedicht vergelijkt Ovidius zijn eigen lichte dichtwerk met het “serieuze” werk van (Pompeius) Macer. De Macer die in dit gedicht wordt aangesproken, is dus niet de reeds vermelde Gaius Licinius Macer Calvus (82 v.C. – 47 v.C.), maar een aangetrouwd familielid van Ovidius, waarover we weinig meer weten dan dat hij een epos over Achilles schreef. Ovidius vergelijkt zijn eigen werk met dat van Macer en heeft het op een bepaald moment ook over de ‘Heroides’, een reeks fictieve brieven van vrouwen en geliefden van bekende helden aan hun man. Een voorbeeld van zo’n brief is de brief van Penelope aan Odysseus en Meihuizen laat dat voorbeeld ook staan in zijn vertaling. De volgende voorbeelden van brieven uit de ‘Heroides’ laat hij echter weg:

Quod Paris et Macareus et quod male gratus Iason
Hippolytique parens Hippolytusque legant,
quodque tenens strictum Dido miserabilis ensem
dicat et Aoniae Lesbis amata lyrae.

[…] ja, al die brieven
aan Paris, Jason, Theseus en veel meer;
wat Dido had te zeggen vóór haar trieste zelfmoord;
wat Sappho aan haar minnaar Phaon schreef.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Ook de vertaling van Marietje d’Hane-Scheltema is hier tamelijk vrij. De brief aan Paris is van de nimf Oenone, die hij voor Helena in de steek liet. De brief aan Jason komt niet van Medea, zoals we zouden verwachten, maar van Hypsipyle, de koningin van Lemnos. De brief aan Theseus, hier omschreven als “Hippolyti parens“, komt wel van de verwachte kant: het is Ariadne die hem schrijft. Theseus liet Ariadne op achter op Naxos om er met haar zuster Phaedra vandoor te gaan. Phaedra is dan weer de schrijfster van een fictieve brief aan Theseus’ zoon Hippolytus. In de Nederlandse vertaling wordt dit wat weggemoffeld door de vertaling “veel meer”, maar in het Latijn levert dit een mooi polyptoton op met “Hippolytique en Hippolytusquekort na elkaar in hetzelfde vers.

Tot slot komen nog twee vrouwen aan bod die zelfmoord pleegden uit liefdesverdriet: eerst is er Dido, die Aeneas er niet toe kon bewegen bij haar in Carthago te blijven, zoals dit mooi beschreven staat in het vierde boek van Vergilius’ ‘Aeneis. Zijn lot was immers om de basis te leggen van wat later Rome zou worden en daardoor kon hij niet in Carthago blijven. Dido pleegde zelfmoord, maar niet voordat ze de stad die hij zou stichten te vervloeken en de oorlog te verklaren. Vergilius liet Dido op die manier de Punische Oorlogen na de feiten voorspellen (in technische termen heet dit een vaticinium ex eventu). De tweede vrouw die hier wordt vermeld is de Griekse dichteres Sappho van Lesbos (7de – 6de eeuw v.C.). Hoewel ze vooral bekend is van de “lesbische” liefdes die ze in haar poëzie beschrijft (en waarvan we niet zeker weten of dat wel autobiografisch bedoeld is!), was het toch een man, Phaon, die haar zo wanhopig maakte van liefdesverdriet dat ze zelfmoord pleegde. De anekdote is overigens waarschijnlijk niet historisch, maar dit is moeilijk onomstotelijk te bewijzen.

Amores II, 18, 30-31

Even verder in het gedicht komen Phaedra en Dido opnieuw aan bod, in deze verzen die weggelaten worden, blijkbaar uit consequentie omdat ze ervoor ook al gecensureerd werden.

Legit ab Hippolyto scripta noverca suo.
Iam pius Aeneas miserae rescripsit Elissae.

De stiefmoeder las in de brief van haar Hippolytus.
Vrome Aeneas gaf al antwoord aan arme Elissa.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Wat vreemd is, is dat de verwijzingen naar de zeer bekende figuren Phaedra (“de stiefmoeder”) en Dido (“Elissa) geschrapt worden, maar dat de – naar ons oordeel althans – veel minder bekende Phyllis niet uit deze cataloog geschrapt wordt. Phyllis pleegde zelfmoord nadat haar geliefde Demophon niet terugkeerde van een reis. Ze werd volgens de mythe in een amandelboom veranderd. Dido kwam ook al voor in het niet geschrapte vers 25, een paar verzen voor deze passage. Ook hier is dus een tamelijk grote mate van willekeur te bespeuren in Meihuizens selectie van passages.

Amores II, 18, 33-34

Twee verzen verder wordt er alweer geknipt in de opsomming die het gedicht zo rijk maakt door de volgende verzen weg te laten.

tristis ad Hypsipylen ab Iasone littera venit;
det votam Phoebo Lesbis amata lyram.

Een droef bericht werd aan Hypsipyle gebracht van Jason,
En Sappho wijdt aan Phoebus bitter de beloofde lier.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Amores III, 3, 17-18

De volgende weggelaten passage is een korte illustratie bij een these die Ovidius poneert: “Zegt me, o goden, indien dat meisje U ongestraft heeft mogen bedriegen, waarom moet ik dan boeten voor wat een ander verdient?” Hij illustreert dit met het volgende voorbeeld uit de mythologie:

An non invidiae vobis Cepheia virgo est,
pro male formosa iussa parente mori?

Was Cepheus’ dochter dan geen reden om jullie te haten
Toen ze de dood moest vinden voor haar moeders schoonheidswaan?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Omdat het hier slechts om een korte zijsprong gaat, valt de onmiddellijke overgang naar het volgende punt minder op: “Is het niet voldoende, dat ik aan U als getuigen niets had en dat ze nu zoowel de gefopte goden als mijzelf straffeloos kan uitlachen?”

De dochter van Cepheus die hier genoemd wordt, is Andromeda. Wanneer Andromeda’s moeder Cassiopeia opschept dat zijzelf (of volgens sommige bronnen Andromeda zelf) mooier is dan de Nereïden, neemt Poseidon hiervoor wraak door een zeemonster, Cetus, te sturen dat de kust van hun thuisland Ethiopië onveilig maakt. Andromeda wordt als zoenoffer voor het monster aan een rots geketend, maar wordt gered door Perseus, die met haar trouwt en haar meeneemt naar Griekenland.

Amores III, 3, 37-40

In een passage, waarin Ovidius zich erover beklaagt dat goden al te makkelijk een oogje dichtknijpen voor vrouwen, citeert hij één uitzondering, die in Meihuizens vertaling wordt weggelaten:

Tot meruere peti — Semele miserabilis arsit!
Officio est illi poena reperta suo;
At si venturo se subduxisset amanti,
Non pater in Baccho matris haberet opus.

Velen verdienden straf, maar arme Semele moest branden;
zij heeft haar straf gevonden nadat ze hem had gediend.
Maar had ze bij zijn komst zich aan het liefdesvuur onttrokken,
dan had de vader nooit voor Bacchus moeders taak vervuld.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Semele, de moeder van Dionysos, verbrandde toen ze Zeus in zijn goddelijke gedaante zag, iets dat voor stervelingen onmogelijk is zonder te sterven. Ze deed dit op aangeven van Hera, die zich als oude vrouw vermomd had om Semele te doen twijfelen aan de identiteit van haar minnaar. Zeus kon de ongeboren Dionysos nog redden en naaide hem in zijn dij, totdat het kind volgroeid was en geboren kon worden.

Amores III, 5, 28

In een voorspellende droom, waarin de dichter en zijn liefje worden gesymboliseerd door een stier en een koe, wordt in de beschrijving van de omgeving het volgende vers weggelaten.

Carpebant tauri pabula laeta procul

(er graasden stieren in de verte vrolijk in het gras),
(Vertaling: John Nagelkerken)

De reden van deze weglating is hier volstrekt onbekend: het gaat hier niet om een verwijzing naar een mythe die voor het doelpubliek te obscuur is. Dit werd waarschijnlijk eerder weggelaten omdat het een parenthese vormt die de zin “nodeloos compliceert” en niet essentieel is voor een goed begrip van het geheel.

Amores III, 6, 13-16

Wanneer de dichter op zijn weg naar zijn liefje gestuit wordt door een kolkende rivier, wenst hij dat hij vleugels had.

Nunc ego, quas habuit pinnas Danaeius heros,
Terribili densum cum tulit angue caput,
Nunc opto currum, de quo Cerealia primum
Semina venerunt in rude missa solum.

Had ik nu maar de vleugels die de held, Danaë’s zoon, had
toen hij het hoofd, met gruwelslangen dichtbegroeid, meenam;
had ik nu maar de wagen waarmee voor het eerst de zaden
van Ceres werden uitgezaaid in maagdelijke grond.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Voor de goede verstaander is dit een verwijzing naar de gevleugelde sandalen die Perseus kreeg van Mercurius toen hij ten strijde trok tegen de gorgo Medusa, wier hoofd “met gruwelslangen dichtbegroeid” was en die hij onthoofdde om een einde te maken aan haar terreur. Het tweede deel verwijst naar de godin Ceres als uitvindster en godin van de landbouw, vandaar de verwijzing naar het zaad dat zij voor het eerst in de aarde zou gezaaid hebben.

Amores III, 6, 25-45

“Rivieren moeten juist jongelui bij de liefde behulpzaam zijn; er zijn trouwens die zelf ondervonden, wat liefde zeggen wil.” Aldus vat Meihuizen de volgende regels samen, die allemaal voorbeelden zijn van riviergoden die verliefd werden. Het is niet moeilijk om in te zien waarom deze passage ten prooi valt aan de regel dat te moeilijke passages, die te veel mythologische kennis veronderstellen, worden weggelaten.

Amores III, 6, 25-45

Inachus in Melie Bithynide pallidus isse
Dicitur et gelidis incaluisse vadis.
Nondum Troia fuit lustris obsessa duobus,
Cum rapuit vultus, Xanthe, Neaera tuos.
Quid? non Alpheon diversis currere terris
Virginis Arcadiae certus adegit amor?
Te quoque promissam Xutho, Penee, Creusam
Pthiotum terris occuluisse ferunt.
Quid referam Asopon, quem cepit Martia Thebe,
Natarum Thebe quinque futura parens?
Cornua si tua nunc ubi sint, Acheloe, requiram,
Herculis irata fracta querere manu;
Nec tanti Calydon nec tota Aetolia tanti,
Una tamen tanti Deianira fuit.
Ille fluens dives septena per ostia Nilus,
Qui patriam tantae tam bene celat aquae,
Fertur in Euanthe collectam Asopide flammam
Vincere gurgitibus non potuisse suis.
Siccus ut amplecti Salmonida posset Enipeus,
Cedere iussit aquam; iussa recessit aqua.
Men zegt dat Inachus verbleekt is voor ‘t Bithynisch meisje,
voor Melië, en in zijn kille voorden is verhit.
In tweemaal vijf jaar was nog steeds niet Troje ingenomen
toen aan Neaera, Xanthus, jij je hart en ziel verloor.

Vertaling: John Nagelkerken

Zo dreef toch ook verbeten liefde voor ’t Arcadisch meisje
Alpheüs zover dat hij snelde door een land ver weg.
Men zegt dat jij, Peneüs, eens Creüsa hebt verborgen
in het Phthiotisch land, die eerst aan Xuthus was beloofd.
En Asopus die werd geboeid door Thebe, van Mars stammend,
de Thebe die voor hem een vijftal dochters baren zou.
En als ik nu Acheloüs, zou vragen naar jouw horens,
dan klaagde je: ‘Gebroken door de hand van Hercules.’
Noch Caldydon noch heel Aetolië had zoveel waarde,
zoveel was voor u beiden slechts Deïanira waard.
De rijke Nijl die uitstroomt via zeven riviermonden
en die de bron van zoveel water knap verborgen houdt
heeft, naar men zegt, het vuur dat was ontstoken door Evanthe,
Asopus’ dochter, ook niet kunnen blussen met zijn vloed.
Opdat Enipeus Tyro in een droog bed kon omhelzen,
beval hij dat het water week; het week op zijn bevel.

Amores III, 6, 101-104

Aangezien de vorige passage werd weggelaten, is het logisch dat deze, die ernaar verwijst, voor de consistentie van het geheel ook weggelaten diende te worden.

Huic ego, vae! demens narrabam fluminum amores!
Iactasse indigne nomina tanta pudet.
Nescio quem hunc spectans Acheloon et Inachon amnem
Et potui nomen, Nile, referre tuum!

Ik dwaas vertelde hem liefdesverhalen van rivieren;
ik schaam me dat ik zinloos grote namen heb genoemd:
terwijl ik naar dit onbenullig stroompje keek, besprak ik
Acheloüs en Inachos en uw naam, vader Nijl.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Spijtig is wel dat hiermee een deel van de pointe van het hele gedicht verloren gaat in de vertaling, het is letterlijk en figuurlijk lost in translation.

Amores III, 10, 45-46

In dit gedicht beklaagt Ovidius zich over de negendaagse periode van verplichte seksuele onthouding in de aanloop naar een jaarlijks feest ter ere van Ceres. Het gedicht is tegelijk een lofzang op Ceres als milde godin van de landbouw (en dus ook van beschaving). Zo wordt verhaald hoe Ceres op Jasius verliefd werd. Aangezien deze mythe volledig verteld wordt, is dat geen probleem op het vlak van voorkennis, maar de volgende korte verwijzing is dat wel.

Cur ego sim tristis, cum sit tibi nata reperta
Regnaque quam Iuno sorte minore regat?

Moet ik nu droevig zijn nu U Uw dochter hebt hervonden,
die slechts voor Juno onderdoet in koninklijke macht?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Dit is een verwijzing naar de eigenlijke reden van het feest: bij het begin van de lente keer Proserpina, Ceres’ dochter, immers terug uit de onderwereld van bij haar ontvoerder en later echtgenoot Pluto. Omdat Proserpina na haar schaking immers zes granaatappelpitten had gegeten in de onderwereld, kon ze niet meer terugkeren naar de wereld van de levenden. Omdat Ceres’ hierdoor ontroostbaar was en de wereld geteisterd werd door een eeuwige winter, mocht Proserpina gedurende zes maanden per jaar naar haar moeder terugkeren, waardoor het wisselen van de seizoenen mythologisch werd verklaard. Meihuizen vond dit echter duidelijk te veel achtergrondkennis om in slechts twee verzen op te roepen en schrapte ze daarom in zijn vertaling. Jammer is wel dat het net deze twee regels zijn die de hoofdgedachte van het gedicht als geheel kernachtig vertolken.

Amores III, 12, 21-40

Het boek der liefdeszangen (p141)

In dit gedicht klaagt Ovidius opnieuw, deze keer over het feit dat zijn Corinna te veel aanbidders aantrekt omdat hij haar de hemel heeft ingeprezen in zijn gedichten. Hij komt tot de vaststelling dat het feit dat dichters over het algemeen kleurrijke en fantastische onwaarheden verkopen blijkbaar geen afbreuk doet aan het belang dat gehecht wordt aan hun woorden. In deze tijden, waarin vals nieuws soms een grote impact kan hebben, lijkt deze gedachte achteraf bekeken zelfs een beetje profetisch. Als voorbeelden van dergelijke dichterlijke fantasieën geeft Ovidius de volgende opsomming.

Amores III, 12, 21-40

Per nos Scylla patri caros furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes;
Nos pedibus pinnas dedimus, nos crinibus angues;
Victor Abantiades alite fertur equo.
Idem per spatium Tityon porreximus ingens,
Et tria vipereo fecimus ora cani;
Fecimus Enceladon iaculantem mille lacertis,
Ambiguae captos virginis ore viros.
Aeolios Ithacis inclusimus utribus Euros;
Proditor in medio Tantalus amne sitit.
De Niobe silicem, de virgine fecimus ursam.
Concinit Odrysium Cecropis ales Ityn;
Iuppiter aut in aves aut se transformat in aurum
Aut secat inposita virgine taurus aquas.
Protea quid referam Thebanaque semina, dentes;
Qui vomerent flammas ore, fuisse boves;
Flere genis electra tuas, Auriga, sorores;
Quaeque rates fuerint, nunc maris esse deas;
Aversumque diem mensis furialibus Atrei,
Duraque percussam saxa secuta lyram?

Vertaling: John Nagelkerken

Door ons draagt Scylla, die haar vaders kostbaar haar wegroofde,
razende honden rond haar liezen en haar onderlijf.
Wij gaven vleugels aan de voeten, slangen aan de haren;
als winnaar mende Abas’ kleinzoon het gevleugeld paard.
Wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte,
de adderhond hebben wij met drie koppen uitgerust.
Wij maakten dat Encelados met duizend armen gooide,
dat mannen voor de stem van vogelvrouwen zijn gezwicht.
Aeolus’ stormen stopten wij in zakken voor Odysseus,
verrader Tantalus staat in het water en lijdt dorst.
Een meisje werd berin door ons, en Niobe een steenklomp;
en Cecrops’ vogel klaagt om Itys uit Odrysia.
En Juppiter (sic) verandert zich in goud of in een vogel
of snijdt als stier door water met een meisje op zijn rug.
Moet ik van Proteus spreken, van Thebaanse zaden, tanden,
van runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt?
En hoe jouw zusters, wagenmenner, barnsteentranen huilen,
hoe zij die schepen zijn geweest nu zeegodinnen zijn,
en hoe de dag zich afwendde van Atreus’ dodenmaaltijd,
en hoe het hard gesteente citerklanken heeft gevolgd?

Scylla, die samen met Charybdis de Straat van Messina, de zee-engte tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig zou maken, was volgens de mythologie een knappe nimf, maar toen Glaucus haar de liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe haar uit jaloezie in een monster met het bovenlichaam van een vrouw, maar uit haar zij groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Ze kreeg ook twaalf poten en haar lichaam eindigde in een vissenstaart.

Om Medusa, met “slangen aan de haren” te verslaan, kreeg Perseus de sandalen van Mercurius (“vleugels aan de voeten”). Uit het bloed van de gestorven Medusa werd Pegasus, het “gevleugeld paard” geboren. Bellerophon zou, gezeten op Pegasus, later het monster Chimaera verslaan. De kleinzoon van Abas die hier vermeld wordt is niet Bellerophon, maar Perseus, die echter de achterkleinzoon van Abas is. De omschrijving met “Abantiades” laat echter enige ruimte voor interpretatie in deze specifieke passage en de verwarring tussen de stamboom van Perseus en Bellerophon is typisch voor het niet-canonieke karakter dat de mythologie in de oudheid had.

Tityos was volgens de mythologie een reus uit Euboea. Nadat hij zich vergrepen had aan Leto werd hij door haar kinderen Artemis en Apollo gedood. In de onderwereld werd hij als volgt gestraft. Hij werd vastgebonden aan de grond. Volgens de ‘Odyssee’ besloeg hij een lengte van “negen voren” (Od. XI, 576-581), vandaar dus de stelling “wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte”. Twee gieren pikten aan zijn steeds weer aangroeiende lever, een straf die sterk doet denken aan die van Prometheus.

De “adderhond” met drie koppen is Cerberus, de waakhond van de onderwereld, die volgens de mythologie een slang als staart had en ook verschillende slangen op andere plaatsten op zijn lijf.

Encelados was één van de Giganten die de heerschappij van de Olympische goden probeerden omver te werpen, wat mislukte. Hij werd volgens de mythologie onder de Etna begraven, en zou de uitbarstingen van diezelfde vulkaan veroorzaken. Hij gooide volgens de mythologie hele bomen als speren met de kracht van duizend bovenarmen.

De vogelvrouwen die Ovidius vermeldt zijn de harpijen, maar hun nichten, de Sirenen, die zeelui op de klippen lokten met hun mooie stem, waren degenen die “mannen deden zwichten”. Opnieuw contamineert Ovidius hier (bewust?) twee verschillende mythen.

De stormen die Aeolus voor Odysseus in zakken stopte, zijn een bekend gegeven uit Homerus’ Oddyssee en ook de spreekwoordelijk geworden straf van Tantalus in de onderwereld, de tantaluskwelling, wordt hier vermeld. Tantalus werd gestraft voor verschillende misdaden. Nadat hij door Zeus was uitgenodigd om bij de Olympische goden te komen eten, verraadde hij geheimen die Zeus hem verteld had. Daarnaast stal hij nectar en ambrozijn, voedsel dat voorbehouden was aan de goden. Als klap op de vuurpijl schotelde hij de goden zijn in stukken gesneden zoon Pelops voor om te testen of zij wel degelijk alwetend waren. Dat bleken ze inderdaad te zijn en ze straften hem er zwaar voor, door hem eeuwig honger en dorst te laten lijden terwijl hij in het water stond met vruchten bijna binnen handbereik.

Het meisje dat berin werd is Callisto, die door de jaloerse Juno in een berin werd veranderd en na haar dood het sterrenbeeld van de Grote Beer werd. Niobe werd veranderd in een rots, omdat ze de inwoners van Thebe beval haar te aanbidden in plaats van de godin Leto, die maar twee kinderen (Artemis en Apollo) had, terwijl zij zeven zonen en zeven dochters had. Haar kinderen werden door Artemis en Apollo gedood en zijzelf veranderde van verdriet in een rots. Uit haar tranen ontstond de rivier Acheloüs.

Jupiter veranderde zichzelf in een gouden regen om tot bij de opgesloten Danaë te geraken en in een zwaan om bij Leda te raken. Om Ganymedes te ontvoeren nam hij de gedaante van een adelaar aan, om Europa te ontvoeren veranderde hij zich in een stier.

De zeegod Proteus kon van vorm veranderen om zo te ontsnappen aan mensen die hem vroegen de toekomst te voorspellen, een andere gave van hem. Enkel wie hem kon vangen, mocht hem vragen om de toekomst te voorspellen.

De “Thebaanse zaden” waarvan sprake zijn de zogenaamde spartoi van Thebe. Toen Cadmus bij de stichting van de stad Thebe een draak verslagen had, droeg Athena hem op de tanden van de draak te zaaien. Uit de tanden groeiden geduchte soldaten.

Volgens sommige bronnen konden de runderen van Geryones, die Herakles moest stelen als één van zijn twaalf werken, vuur spuwen, vandaar de vermelding van “runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt”. De verwijzing is echter weinig specifiek.

De wagenmenner die Ovidius nogal onduidelijk aanduidt, is Phaëthon. De zonnegod Helios liet zijn zoon Phaeton op een dag de zonnewagen besturen. Phaeton kon de paarden niet in toom houden, waardoor de zon hemel en aarde verschroeide. Zo kregen de mensen in Ethiopië hun donkere kleur volgens deze mythe. Om de aarde te redden komt Zeus tussenbeide door zijn bliksemschicht naar Phaeton te slinger waardoor hij sterft. De zusters van Phaeton wenen om hem en hun neerdruppelende tranen stollen tot barnsteen.

“Atreus’ dodenmaaltijd” kan wijzen op het mythologische gegeven dat Atreus, een koning van Mycene en vader van Agamemnon en Menelaos, de zonen van zijn broer Thyestes kookte en aan hun vader als eten aanbood. Dit deed hij als wraak omdat Thyestes overspel had gepleegd met zijn vrouw en hem tijdelijk zijn troon ontnomen had.

Amphion bouwde de muren van Thebe door het “hard gesteente citerklanken te laten volgen”. Hij kon zo mooi op zijn instrument spelen dat hij de natuur kon laten gehoorzamen.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnsch” zijn, zijn in de Amores weggelaten, omdat daar thema’s zoals abortus een wel erg donkere kant van de losse moraal uit Ovidius’ tijd laten zien en omdat erectiestoornissen ook als te expliciet werden bevonden om (een vertaling van) een volledig gedicht aan te wijden. Dit gegeven verdient eigenlijk op zichzelf een uitgebreide behandeling. Dat censuur geenszins een oplossing vormt, moge duidelijk zijn.

Lees meer

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Nagelkerken, J. 1995. Amores. Baarn: Ambo.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

Coverfoto: adaptatie van het schilderij ‘The Awakening of Adonis’ van John William Waterhouse (1899) vanop Wikimedia (Public Domain)

Het bericht À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/feed/ 0 1234
Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/#respond Sat, 23 Jan 2021 15:47:28 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1793

Rijke Grieken konden goed hun geld en roem verdienen met muziek, terwijl andere types muzikanten in Ptolemaeïsch en Romeins Egypte minder kans hadden om hun talenten in de verf te zetten, zoals de provinciale muzikanten. Dankzij bewaarde papyri is het toch mogelijk om een analyse te maken van het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte.

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Heel wat onderzoekers bogen zich de laatste decennia over muziek en muzikanten in de Oudheid, waarbij ze voornamelijk focusten op muzikanten in het antieke Griekenland en Rome. De faraonische periode in Egypte wordt in mindere mate bestudeerd, en Ptolemaeïsch en Romeins Egypte (Grieks-Romeins Egypte) zit al helemaal in het verdomhoekje. Nochtans bevatten een aantal Griekse papyri uit die periode informatie over de Oudheid die elders niet voorhanden is. Een studie naar muzikanten in Grieks-Romeins Egypte kan daarom onze kennis over de Griekse wereld aanvullen, maar is an sich ook een boeiend onderwerp.

Muzikanten vormden een specifieke beroepscategorie in Grieks-Romeins Egypte. De grote diversiteit in muzikanten en instrumenten in die periode wijst erop dat muziek alomtegenwoordig was in verschillende domeinen en lagen van de antieke samenleving. Zo werden offers voor de goden gebracht onder muzikale begeleiding, marcheerden infanteriesoldaten op het ritme van fluitmuziek, verlichtten andere muzikanten het werk van plukkers tijdens de druivenoogst, enzovoort. Muziek, vaak in combinatie met dans, kwam je uiteraard ook tegen op de talrijke dorpsfestivals in de Egyptische chora.

Scène uit een Romeinse mozaïek met twee druivenpletters en een fluitspeler (rechts) uit de 3de eeuw n.C.

Muziek in Ptolemaeïsch Egypte

Bepaalde mannelijke leden van de rijke Griekse elite lieten zich in Ptolemaeïsch Egypte in met muziek. Dat gebeurde al van kindsbeen af (ca. 12 jaar of jonger) en op een intensieve manier. Dergelijke jongens deden de “muziekmicrobe” waarschijnlijk op tijdens hun algemene vorming in de gymnasia, want dit vormde een belangrijk onderdeel van hun basisopleiding. Nadien zochten ze een muziekmeester (hoogstwaarschijnlijk zelf een ex-muzikant) die hen tijdens de vele trainingsuren kon begeleiden. Die vroege voorbereiding had als doel om op latere leeftijd uit te blinken op (inter)nationale muziekwedstrijden tijdens sacrale festivals in de toenmalige Griekse wereld. Muzikanten die schitterden tijdens die wedstrijden konden in sommige gevallen genieten van een grote naambekendheid in (een deel van) de antieke Griekse wereld, belastingprivileges verkrijgen en een fortuin verwerven.

De bekendste wedstrijden speelden zich af in Griekenland, met de Pythische Spelen in Delphi als absolute topper voor muzikanten. Koning Ptolemaios II riep in Egypte soortgelijke festivals in het leven (onder meer de Ptolemaia en Basileia) die gemodelleerd waren naar de oude Griekse festivals met sport- en muziekwedstrijden. Hij noemde ze ‘isolympische spelen’ en stuurde boodschappers naar verschillende Griekse steden om zijn spelen te promoten. De steden werden gevraagd om hun potentiële winnaars op dezelfde wijze te belonen en te behandelen als winnaars van de Olympische Spelen (in CID 4.40 [TM 813992]). Toch evenaarden de Ptolemaia nooit de grote Griekse spelen en zijn ze in Egypte voor de laatste keer in 211-210 v.C. geattesteerd.

Om de diversiteit tussen verschillende types muzikanten aan te tonen volgen hieronder twee casestudy’s. Ten eerste staan we even stil bij het leven van Herakleotes, een jonge Griekse kitharôde. Hij staat model voor het leven van een wedstrijdmuzikant die uit een rijker, Grieks milieu kwam. Dergelijke artiesten hadden soms een jarenlange voorbereiding achter de kiezen om zich klaar te stomen voor een belangrijke wedstrijd. Het niveau van professionalisering lag hoogstwaarschijnlijk bijzonder hoog. Het bestaan van ‘provinciale muzikanten’ toont aan dat het beroep muzikant niet enkel was weggelegd voor welgestelden in Romeins Egypte. Dit type muzikanten verenigde zich in groepen en bood entertainment aan op lokale dorpsfestivals in plaats van op te treden op grote muziekwedstrijden.

Herakleotes: tonnen ambitie, maar geen middelen

Roodfigurige vaas met afbeelding van een jongeman die de kithara bespeelt (ca. 490 v.C.)

In het bekende papyrusarchief van Zenon, komen drie teksten voor die een Griekse jongeman uit de 3de eeuw v.C. schreef (P. Cairo Zen. 3 59440 [TM 1080], PSI 9 1011 [TM 2448] en P. Lond. 7 2017 [TM 1579]). Zijn naam was Herakleotes en hij was een van de Griekse inwoners van het dorpje Philadelpheia in de Fajoem. Uit de drie verzoekschriften (hypomnèmata of memoranda) die hij richtte aan Zenon, zijn we deels ingelicht over de moeilijke situatie waarin hij verkeerde. Herakleotes zat namelijk midden in zijn opleiding tot professionele kitharôde (κιθαρῳδός) – een type muzikant dat liederen zong en zichzelf daarbij begeleidde op de kithara (κιθάρα), een hoogwaardig snaarinstrument – toen het noodlot voor hem toesloeg. Zijn muziekleerkracht Demeas, tevens hoofd van het lokale gymnasion, overleed terwijl hij Herakleotes nog twee jaar had moeten opleiden. Dat de band tussen leerling en leerkracht sterk was (misschien was Herakleotes zelfs geadopteerd door zijn muziekleerkracht), bewees Demeas’ testament waarin de jongeman opgenomen was. Het maakte van Herakleotes de erfgenaam van Demeas’ muziekinstrument, hoogstwaarschijnlijk een kithara van uitmuntende kwaliteit. In zijn memoranda kaartte de jonge muzikant aan dat hij als rechtmatige erfgenaam nog steeds niets gezien had van zijn beloofde erfenis. Sterker nog, de kithara was zelfs niet opgenomen in een inventaris van Demeas’ spullen die na zijn dood was opgesteld en leek dus spoorloos verdwenen. Herakleotes achterhaalde voor het schrijven van een volgend memorandum dat Demeas’ kithara zich bij een zekere Hiëron bevond. Het instrument diende als onderpand met een waarde van 105 drachmen. Daaruit kan afgeleid worden dat de kostprijs van een nieuwe kithara veel hoger lag en dus uitsluitend aangekocht kon worden door rijke Grieken uit de elite. Bijgevolg waren alleen de rijkste (Griekse) inwoners van Ptolemaeïsch Egypte, die de financiële middelen hadden, in staat om zich te professionaliseren op een hoogstaand niveau.

Hieronder volgt de vertaling van een van de drie memoranda (P. Lond. 7 2017 [TM 1579]) die Herakleotes aan zijn voogden Zenon en Nestos schreef en waarin hij op een beleefde, maar wel wanhopige toon, beterschap voor zijn toestand hoopte te verkrijgen.

Memorandum van Herakleotes aan Zenon en Nestos, mijn aangewezen voogden.
Ik heb u al drie memoranda bezorgd met de volgende vraag: mijn leraar Demeas heeft bij testament voor mij bepaald dat voor mijn onderhoud moet worden gezorgd en dat ik alles moet krijgen wat een gentleman (vrij man) nodig heeft om zich te oefenen in het citherspel, totdat ik kan optreden in de wedstrijd. U geeft me elke maand drie drachmen en vier en een halve obool voor vlees, drie drachmen en drie chalkoi voor olie, twee drachmen en een halve obool voor vis, zeven en een halve chous wijn. Ik heb u gezegd dat dit niet voldoende is voor mij om te oefenen en u gevraagd mij omwille van Demeas en uit eerlijkheid, een maandelijkse uitkering te geven van zeven drachmen en drie obolen voor vlees, zes drachmen en zes chalkoi voor olie, zeven drachmen en drie obolen voor vis en vijftien choës wijn. Maar u hebt helemaal niet gereageerd op mijn memoranda.
Daarom vraag ik u nog een keer om mijn instrument terug te geven, dat me bij testament werd nagelaten en dat nu in het bezit is van Hiëron, of om een ander evenwaardig instrument te kopen en het mij te geven. Zo zal ik kunnen oefenen en deelnemen aan de wedstrijd, anders zal ik achterstand oplopen omdat ik geen instrument heb. En ik vraag u ook mij al het nodige te geven, zoals ik het schrijf in mijn memorandum en zoals het testament bepaalt, tot ik kan optreden in de wedstrijd. Als u dat niet wilt doen, vraag ik u mij voor twee jaar de overeenkomstige maandelijkse som te geven, zodat ik voor mezelf kan zorgen, een manager kan vinden en kan deelnemen aan de wedstrijden die de koning uitschrijft. Zo zal ik hier niet verkommeren, maar in staat zijn mezelf te helpen.
Vaarwel. Jaar 6 van de maand […]

(CLARYSSE, W. en VANDORPE, K., Zenon: Grieks manager in de schaduw van de piramiden, Leuven, 1990, p. 60-61).

Dit verzoekschrift behandelt opnieuw de vraag naar Demeas’ instrument, maar toont daarnaast aan dat Herakleotes maandelijkse voedseltoelagen ontving, maar er niet tevreden mee was. Het geld zou volgens de papyrus besteed worden aan olie, wijn, vlees en vis. Achter de keuze voor die specifieke voedingswaren kunnen we waarschijnlijk meer afleiden dan enkel het lievelingseten van de jonge Griek. Zo is geweten uit literaire bronnen dat bepaalde muzikanten in de Griekse wereld er een specifiek dieet op nahielden, omdat ze geloofden dat sommige voedingswaren een positief effect hadden op hun muziekspel. Zo komen vis (paling) en vlees bijvoorbeeld terug in de werken van Athenaeus van Naukratis (Deipnosophistae, 14.623C) en Plutarchus (De gloria Atheniensium, 6) als middeltjes die de adem konden versterken en de stem krachtiger konden maken. Uiteraard kwam dat goed van pas als kitharôde in opleiding. Dit memorandum is dus mogelijk de enige documentaire bron die dat gebruik uit literaire bronnen kan bevestigen.

De Romeinse geschiedschrijver Suetonius geeft in zijn keizersbiografieën een ander voorbeeld van een strikt dieet voor artiesten. In zijn beschrijving van keizer Nero vermeldde hij hoe Nero zelf de ambitie koesterde om een bekend artiest te worden en wat hij er voor over had om die droom te laten uitkomen. Hij zou zichzelf allerlei voedingsvoorschriften opgelegd hebben, dronk cocktails die het braken stimuleerden en liep een hele tijd rond met loden borstplaten die zijn longinhoud en zangstem moesten versterken (De vita Caesarum, Nero 20).

Hoewel Herakleotes met zijn acht drachmen en vijf obolen per maand over een groter budget beschikte om te spenderen aan voedsel dan toenmalige landarbeiders, hoopte hij via zijn verzoekschriften het maandelijkse bedrag ruim te verdubbelen.

Voeding

Gekregen toelage

Gewenste toelage

Vlees

3 drachmen, 4 obolen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Olie

[3] drachmen & 3 chalkoi

6 drachmen & 6 chalkoi

Ὄψον (vis)

2 drachmen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Wijn

7,5 choës

15 choës

TOTAAL

8 drachmen, 5 obolen, 3 chalkoi & 7,5 choës

21 drachmen, 6 chalkoi & 15 choës

Tabel met overzicht van de maandelijkse toelagen van Herakleotes en zijn gewenste toelage voor vlees, olie, vis en wijn.

De reden waarom Herakleotes telkens opnieuw hamerde op het terugkrijgen van het instrument (of een nieuw instrument van dezelfde goede kwaliteit) en zichzelf hoogstwaarschijnlijk voedde met stemversterkende middeltjes lezen we in de voorlaatste regel van het verzoekschrift: “Zodat hij zou kunnen deelnemen aan de wedstrijd die de koning had uitgeschreven”. De jonge kitharôde was dus van plan om binnen twee jaar deel te nemen aan een grote muziekwedstrijd op een sacraal festival in Egypte. Het is helaas onduidelijk of het om de Basileia of Ptolemaia ging. Een van zijn grootste angsten lezen we ook in de papyrus, namelijk dat hij een achterstand zou oplopen op de andere deelnemers omdat hij niet beschikte over een instrument waarop hij dagelijks kon oefenen. Zijn dossier toont aan dat de voorbereidingen voor een dergelijke muziekwedstrijd al zeer vroeg aanvatten en verduidelijkt opnieuw het professionalisme dat door de artiesten aan de dag werd gelegd.

De afloop van het verhaal van de jonge muzikant is helaas niet overgeleverd. Of hij ooit uitgroeide tot een succesvol kitharôde en fortuin verwierf, weten we evenmin. Zijn verhaal is waarschijnlijk wel exemplarisch voor de inspanningen die jonge Grieken in Egypte moesten leveren om het te schoppen tot professionele muzikant. Ze hadden een flinke portie motivatie (om dagelijks te trainen), discipline (zich houden aan de juiste voedingsvoorwaarden), begeleiding (een goede leermeester die hen de kneepjes van het vak moest bijbrengen en een mentorfunctie vervulde) en vooral een groot budget nodig (om het dure concertinstrument, de levensmiddelen en het loon van hun trainer te financieren).

Provinciale muzikanten in Romeins Egypte

Niet alle muzikanten in Grieks-Romeins Egypte hadden de mogelijkheid om zich evenzeer te professionaliseren als de rijke Griekse elite en deel te nemen aan muziekwedstrijden. Dat wil daarom niet zeggen dat enkel rijke personen het beroep van muzikant konden uitoefenen. Het werd uitgeoefend door mensen uit verschillende sociale lagen van de antieke samenleving. Zo bestond er bijvoorbeeld een middenklasse onder de muzikanten waarover meerdere details bekend zijn. Die informatie hebben we te danken aan een twintigtal (deels) bewaarde juridische documentaire bronnen (contracten) die de muzikanten afsloten met particulieren (bijvoorbeeld P. Oxy. 10 1275 [TM 31729], P. Oxy. 74 5014 [TM 128320], P. L. Bat. 6 54 [TM 10761], P. Flor. 1 74 [TM 23578]).

Daarnaast bestaan er nog enkele gelijkaardige contracten die afgesloten werden door dansers of danseressen of andere types van artiesten (bijvoorbeeld P. Corn. 9 [TM 10609] en BGU 7 1648 [TM 27600]). De documenten laten zien dat bepaalde muzikanten zich verenigden in ensembles en rondtrokken in hun eigen gouw of provincie om lokale dorpsfestivals tegen betaling op te vrolijken met hun muziek. Dat gebeurde voornamelijk in de Romeinse periode, hoewel er mogelijk precedenten waren in de Ptolemaeïsche periode (P. Hib. 1 54 [TM 8204], P. Oxy. 4 731 [TM 20431] en CPR 18 1 [TM 7760]). Hun beperkte actieradius (voornamelijk binnen hun eigen gouw/provincie) leverde hen de bijnaam ‘provinciale muzikanten’ in het huidige onderzoek op.

De contracten bieden informatie over de werkgevers, de muzikanten zelf (auleten waren muzikanten die de aulos bespeelden, een typisch Grieks blaasinstrument, en dat type muzikanten komt in papyri het vaakst voor) en de interne hiërarchie, de duur van de voorziene arbeid, de uitbetaling van de artiesten (een krotalistria was bijvoorbeeld een vrouwelijke danseres die een soort castagnetten hanteerde terwijl ze danste), de regeling van hun transport naar het dorp, hun bezittingen, enzovoort. Onderstaande vertaling van een 3de-eeuwse papyrus uit Oxyrhynchus (P. Oxy. 34 2721 [TM 16593]) kan dienen als pars pro toto wegens de grote uniformiteit van de contracten:

Zijn onderling overeengekomen, Aurelios Ptollion, zoon van Barbaros, en Heras, zoon van Heras, beiden burgemeester van de mannen die feest vieren in het dorp Nesmeimis, en anderzijds Antinoos, zoon van Hermias, eerste auleet en aan het hoofd geplaatst van drie auleten en een krotalistria:
Ptollion en de anderen huurden Antinoos in met zijn volledige compagnie om op te treden voor de mannen die feesten op een festival van vier dagen vanaf de elfde van de volgende maand van Hathyr van dit jaar, voor een dagelijks salaris van 50 drachmen, 12 paren brood, twee kotylai radijsolie, behalve degene die voor verlichting dient, en een rantsoen, en de gebruikelijke diensten, en, voor alle dagen een keramion wijn, alle waren zijn puur.
In verband met hun salaris. Antinoos krijgt hier als voorschot 20 drachmen, en ze (Aurelios en Heras) zullen hem en de anderen transporteren met drie ezels, behalve bij overmacht, van de Oxyrhynchitische gouw. Ze zullen hen brengen naar het dorp en hen een veilige en stille accommodatie aanbieden, en na de vier dagen, nadat ze tevreden zijn met hun salarissen en de fooien, in totaal en verplicht, zullen ze hen transporteren op de vijftiende naar dezelfde Oxyrhynchites met eenzelfde aantal ezels, drie, gezond en wel.
Antinoos van zijn kant stemt in met alle vastgestelde bepalingen hierboven. De wederzijdse overeenkomst, opgemaakt in twee exemplaren is geldig.
Het veertiende jaar van de keizer Marcus Aurelius Severus Alexander, Pius, Felix, Augustus, de dertiende Phaophi.

Deze juridische documenten laten zien dat het contract vaak onderhandeld werd tussen twee partijen. De eerste partij was die van de werkgever, die de muzikanten inhuurde. In sommige gevallen was dat een van de prostatai (προστάται: dorpsautoriteiten) van de kleine kômai (κῶμαι: dorpjes) op het Egyptische platteland. Toch konden het ook gewoon (rijke) particulieren of leden van een lokale dorpsvereniging zijn die een beroep deden op de kunsten van de muzikanten. De andere partij in de contracten, die de muzikanten of artiesten vertegenwoordigde, was vaak de prôtaulès (πρωταύλης: eerste auleet of fluitspeler, hoofdauleet) en/of proestôs (προεστώς: leidinggevende of letterlijk “aan het hoofd geplaatste”). In sommige papyri ontving de hoofdauleet ook een voorschot, dat hij waarschijnlijk volledig in eigen zak kon steken.

Roodfigurige vaas met afbeelding van een vrouwelijke auleet (ca. 480 v.C.)

De betaling voor het hele orkest was steeds tweeledig. Naast een goed salaris, uitbetaald in drachmen, ontvingen ze levensmiddelen (olie, wijn en brood) voor de tijd die ze spendeerden in het dorp. Vaak kregen ze daar ook een verblijfplaats aangeboden. Helaas zwijgen de papyri over hoe het geld nadien verdeeld werd. Kregen alle leden van de compagnie hetzelfde salaris, of hadden bepaalde muzikanten recht op meer vergoeding dan anderen? Een aparte clausule in het contract toont dat de werkgevers ezels (en waarschijnlijk een soort escorte) ter beschikking stelden om de muzikanten te helpen met hun transport (van en) naar het dorp. Dat was geen overbodige luxe, want de dure instrumenten en de goede uitbetaling van hun loon maakten hen hoogstwaarschijnlijk tot een geliefd doelwit voor dieven.

Helaas roepen de contracten meer vragen op dan dat ze ons antwoorden verschaffen. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk hoe de rekrutering van dergelijke artiesten gebeurde en of ze een formele opleiding hadden genoten. Daarnaast is er het hierboven besproken probleem van de betaling. Wie kreeg welk deel van de uitbetaling en verdeelde de prôtaulès het geld? De ambulante ensembles leken dus op korte termijn heel wat geld te kunnen verdienen, maar het is onduidelijk of dit een fulltime bezigheid was.

Lees meer

Bélis, A., ‘Les termes grecs et latins désignant des spécialités musicales’, Revue de Philologie de Litterature et d’Histoire anciennes 62 (1988), p. 227-250.
Bélis, A., Les musiciens dans l’antiquité, Parijs, 1999.
Bélis, A., ‘Contrats et engagements de musiciens et d’artistes transmis par des papyrus grecs’, p. 149-157 in Emerit (ed.), Le statut du musician dans la méditerranée ancienne: Égypte, Mésopotamie, Grèce, Rome, Parijs, 2013.
Manniche, L., Music and musicians in ancient Egypt, Londen, 1991.
Power, T., The culture of kitharôidia, Cambridge, Massachusetts en Londen, 2010.
Vandoni, M., Feste pubbliche e private nei documenti greci, Milaan, 1964, n° 14-27.

Coverafbeelding: adaptatie van de flyer van de tentoonstelling ‘Sounds of Roman Egypt’ in het UCL Petrie Museum (22 januari-22 april 2019) (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1793
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739
In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/#respond Fri, 21 Feb 2020 16:37:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1434

Het toerisme in Egypte beleefde vooral hoogdagen na de verovering door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel "binnenlandse" als "buitenlandse" reizen. In dit artikel gaan we in het spoor van Herodotus op zoek naar de typische plaatsen die werden aangedaan door keizers, soldaten, ambassadeurs of andere beambten.

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Met de geplande opening van het Grand Egyptian Museum in het vooruitzicht prijkt Egypte bovenaan menig lijstje met “top # plaatsen om te bezoeken in 2020”. De toeristische sector is erg belangrijk voor het land, en na enkele moeilijke jaren neemt het aantal bezoekers weer gestaag toe. Het rijke Egyptische verleden spreekt al veel langer tot de verbeelding van reizigers. Deze fascinatie gaat al terug tot in de Oudheid. Het toerisme beleefde vooral hoogdagen na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel “binnenlandse” als “buitenlandse” reizen. Verplaatsingen van de eerste soort behelsden vaak een bezoek aan een tempel in het kader van een pelgrimage. Uitheemse bezoekers waren doorgaans soldaten, ambassadeurs, of beambten die in staatsdienst in het land waren. Ook Romeinse keizers bezochten de provincie Aegyptus. De grootste keizerlijke toerist was zonder twijfel Hadrianus, die meer dan de helft van zijn regeerperiode onderweg was. Anderen reisden uit interesse: volgens Tacitus bezocht Germanicus Egypte “om de antiquiteiten te zien” (“cognoscendae antiquitatis“).

Naar aanleiding van zijn bezoek liet Hadrianus deze munt met verpersoonlijking van Egypte slaan. De figuur houdt een Egyptisch sistrum vast, en links ontwaren we een ibis, het heilige dier van Thoth.

Toerisme in Egypte: een lange geschiedenis

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in SaqqaraNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in Saqqara

Ook voor Egypte deel werd van de Grieks-Romeinse wereld werd er natuurlijk druk gereisd. Vanaf het Oude Rijk vinden we inscripties van passanten in de regio van het eerste cataract (het huidige Sehel-eiland). De eerste graffiti achtergelaten door ‘toeristen’ dateren uit de 18de en de 19de Dynastie: de kapellen rond de trappenpiramide van Djoser in Saqqara zijn bezaaid met inscripties van schrijvers die hun bewondering voor de site uitdrukken.

Vanaf de Late Tijd (664-332 v.C.) vonden meer en meer Grieken hun weg naar Egypte. Al in 591 v.C. kerfden Griekse huurlingen een boodschap in het linkerbeen van een beeld van Ramses II in Abu Simbel. Andere toeristen kwamen met vredelievendere bedoelingen: enkele illustere voorbeelden zijn de Atheense staatsman Solon, de wiskundigen Thales en Pythagoras en de filosoof Plato. De bekendste toerist was de historicus Herodotus, die zeer onder de indruk was: “Nergens zijn er zoveel wonderlijke zaken, noch zijn er ergens ter wereld zoveel werken van onbeschrijfelijke grootheid te zien.” Latere Grieks-Romeinse toeristen bekeken Egypte door de lens van deze voorgangers: ze hadden respect voor de oude Egyptische cultuur, maar tegelijk bleef het land ook exotisch en ‘barbaars’. Sommige graffiti van bezoekers gebruiken zo het woord “historeo“, “ik onderzoek”, een rechtstreekse verwijzing naar het werk van Herodotus.

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.

De tempel van Abu SimbelNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Abu Simbel

Bruisend Alexandrië

Halve drachme van de Romeinse keizer Antoninus Pius met de pharos en tetradrachme van de keizer Commodus met de pharos en een zeilschip

In de Grieks-Romeinse periode bereikten de meeste reizigers Egypte per boot, via de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij het naderen van de kust werden ze begroet door een van de spectaculairste bouwwerken uit de oudheid: de pharos, een vuurtoren die meer dan 100 meter boven de zee oprees. De stad was niet alleen een belangrijk commercieel centrum, maar ook de intellectuele hoofdstad van het Middellandse Zeegebied. Bezoekers konden zich er vergapen aan spectaculaire sites die vandaag verdwenen zijn onder de moderne bebouwing. In het rijkversierde Mouseion en de bibliotheek kon men de grote geleerden van die tijd aan het werk zien. Het grote Serapeum, een van de beroemdste heidense tempels uit de Oudheid, was een andere populaire bezienswaardigheid. Gedistingeerde gasten werden ontvangen op het spectaculaire koninklijke paleis.

Alexandrië kende ook Egyptische elementen, zoals de “Cleopatra’s Needles” nu in Londen en New York

Het mausoleum van Alexander de Grote in de stad ontwikkelde zich tot een waar bedevaartsoord. In 48 v.C. kwam Julius Caesar het lichaam eer bewijzen, en hij werd daarin nagevolgd door talrijke latere keizers. Ook zijn adoptiefzoon Augustus bezocht het graf, en zou volgens kwatongen (Cassius Dio) een stukje van de neus van Alexander afgebroken hebben. Gevraagd of hij daarnaast de tombes van de Ptolemaeën wilde bezoeken, zou hij geantwoord hebben dat hij “een koning wilde zien, niet gewoon wat lijken”. De Hellenistische koningen zelf toonden zich ook niet altijd even respectvol tegenover de doden: aanvankelijk lag Alexander in een gouden sarcofaag, maar die werd door Ptolemaios X omgesmolten en vervangen door een glazen exemplaar.

De Grand Tour van het faraonische verleden

Veel reizigers trokken van Alexandrië naar het zuiden om met eigen ogen de monumenten uit de faraonische tijd te bekijken. De eerste attractie die men tegenkwam was Heliopolis. De lokale priesters genoten de reputatie bijzonder geleerd te zijn, en de stad trok dan ook veel filosofen aan. Vandaag blijft er van Heliopolis niet veel over: de monumenten zijn gebruikt als steengroeve voor de aanleg van Caïro. Hetzelfde lot viel de oorspronkelijke hoofdstad Memphis te beurt, een andere populaire stopplaats. Van de beroemde Ptah-tempel en het paleis van Apries zijn slechts schamele ruïnes overgebleven.

Tot de weinige overblijfselen die vandaag nog in Memphis zelf te bezichtigen vallen, behoort dit kolossale beeld van farao Ramses II

Andere trekpleisters in de buurt hebben de tand des tijds beter doorstaan. Een van de hoogtepunten van elke reis naar Egypte, toen zowel als nu, zijn de piramides van Gizeh. De antieke auteurs maakten daarbij dezelfde bedenkingen als menig moderne toerist; terwijl Diodorus zich verwondert over hun grootte en vakmanschap, veroordeelt Herodotus het morele karakter van mannen die zoveel middelen aanwendden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Over Cheops beweert hij dat hij zelfs zijn eigen dochter prostitueerde om fondsen te werven. In de Romeinse periode werd ook de sfinx, die tot de regering van keizer Nero onder het zand begraven lag, drukbezocht. Ingekerfde gedichten vergelijken de vredige Egyptische sfinx met diens wrede Griekse tegenhanger uit het verhaal van Oedipus.

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bijNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bij

Alvorens te arriveren in de religieuze hoofdstad Thebe, deden sommige bezoekers Hermopolis aan. Ter hoogte van deze stad verdronk de onfortuinlijke Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus, tijdens een boottocht op de Nijl. Anderen stopten bij de dodentempel van Seti I in Abydos, bij de Grieken bekend als het Memnoneion.  In de Romeinse periode trok de plaats veel pelgrims aan; de tempel huisvestte toen een gerenommeerd orakel van de god Bes.

De tempel van Seti I in Abydos

De grootste concentratie aan faraonische monumenten vond men toen ook al terug in Thebe, het moderne Luxor. Al in de Romeinse periode leefde het – enigszins overdreven – beeld van het honderd-poortige Thebe als één groot openluchtmuseum. Net als vandaag stroomden er vele bezoekers samen aan de tempels van Karnak en Luxor, maar de populairste trekpleisters bevonden zich op de westoever van de Nijl. De absolute topattractie waren twee standbeelden van farao Amenhotep III, de zogenaamde ‘Kolossen van Memnon’. Griekse en Romeinse bezoekers dachten dat de sculpturen de Ethiopische held Memnon uit de Trojaanse Oorlog afbeeldden. Als gevolg van een aardbeving produceerde een van de beelden geluid bij het opkomen van de zon. Dit werd geïnterpreteerd als het zingen van Memnon naar zijn moeder Eos, de godin van de dageraad. De beelden zijn bezaaid met graffiti, waaronder een gedicht van de dichteres Julia Balbilla, die keizer Hadrianus vergezelde. Sinds de 3de eeuw n.C. is het beeld opgehouden met zingen, maar de sculpturen staan er nog steeds. Sterker nog, bij recente opgravingen werden fragmenten van meer beelden teruggevonden!

De Kolossen van Memnon vandaagNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Kolossen van Memnon vandaag

De moderne trekpleister Vallei der Koningen kreeg in de Oudheid eveneens veel bezoekers over de vloer. Grieken en Romeinen lieten meer dan 2000 graffiti achter in de tombes van de farao’s. Sommige bezoekers kennen we uit andere bronnen: papyrologen zijn bijvoorbeeld bijzonder enthousiast over de graffiti van Dryton, wiens levensloop goed gekend is via zijn papyrusarchief. Het is onduidelijk of de Grieks-Romeinse bezoekers begrepen wat ze zagen. De graffiti drukken in de eerste plaats bewondering uit. De populairste attractie was het graf van Ramses VI, waar we graffiti aantreffen van bezoekers uit het hele Middellandse Zeegebied. Uit sommige van deze inscripties blijkt dat de reizigers in kwestie dachten dat het de tombe van Memnon was, aan wie ook de Kolossen werden gelinkt. Deze obsessie voor de Homerische held Memnon (zie ook het ‘Memnoneion’ van Abydos) roept de vraag op in hoeverre de Grieks-Romeinse bezoekers echt in het faraonische verleden geïnteresseerd waren, dan wel vooral op zoek gingen naar echo’s van hun eigen tradities.

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VINico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VI

Echte fanatiekelingen zoals Strabo reisden na Thebe nog verder door naar het zuiden, naar het eiland Elephantine. Naast de grote Khnum-tempel oefende vooral de eerste cataract een grote aantrekkingskracht uit. Volgens Herodotus was dit de bron van de Nijl. Seneca en Strabo beschrijven het spektakel dat werd opgevoerd door de onverschrokken veermannen, die zich met boot en al in de stroomversnelling storten. De redenaar Aelius Aristides beweert er zelfs aan deelgenomen te hebben. Vandaag is het “oorverdovende gebrul” van de cataract evenwel het zwijgen opgelegd door de bouw van de nabijgelegen dam. Ook de Isis-tempel op het eiland Philae verwelkomde talrijke pelgrims en toeristen, die vele graffiti achterlieten.

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaarNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaar

Off the beaten track: krokodillen voederen in de Fayoem

Het Qarun-meer waarnaar de regio Fayoem genoemd is, via het Koptische phiom of “het meer”

Sommige reizigers bezochten naast de faraonische overblijfselen ook een meer recent ontwikkeld gebied: de Fayoem. Het droogleggen en in cultivatie brengen van grote delen van deze regio was een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Ptolemaeïsche dynastie, die deze krachttoer ook graag etaleerde aan buitenlandse ambassadeurs. De papyri uit de Fayoem tonen dat zulke bezoeken nauwkeurig georkestreerd werden. Vooral Zenon, de manager van een groot landgoed, krijgt duidelijke instructies: hij moet de nederzettingen en de tempels voor de koning tonen, net als de wegen en de dijken, en bovenal benadrukken hoe nieuw alles is. In een andere brief wordt hem opgedragen om zo snel mogelijk strijdwagens en pakdieren in orde te maken voor ambassadeurs van Paerisades II, koning van Cimmerisch Bosporus, en uit Argos. Zenon wordt aangemaand om zich te haasten: op het moment dat de brief geschreven werd, was het schip net uitgevaren! Op het programma stond meestal ook een bezoek aan enkele faraonische overblijfselen, vooral het zogenaamde ‘Labyrint van Hawara’, het complex rond de dodentempel van Amenemhat III. Volgens Herodotus overtrof deze constructie zelfs de piramides.

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom OmboNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom Ombo

Ook toeristen die op zoek waren naar een bijzondere ervaring kwamen in de Fayoem aan hun trekken. In Krokodilopolis werd de god Sobek vereerd in de vorm van een heilige krokodil. De lokale priesters voederden het dier met brood, vlees en wijn meegebracht door bezoekers. Strabo’s beschrijving doet haast denken aan een malafide dolfinarium: nauwelijks heeft de krokodil het voedsel naar binnen gewerkt, of er staat al een nieuwe bezoeker klaar; de priesters snellen ernaartoe, vangen het dier, en stoppen hem opnieuw offers toe. Een brief bewaard op papyrus bevestigt dat deze praktijk een vast deel uitmaakte van de tour voor buitenlandse bezoekers: een beambte wordt opgedragen alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van een Romeinse senator, inclusief “de gebruikelijke hapjes voor de krokodillen”. Een andere Romeinse ambassadeur kwam op een minder aangename manier in aanraking met de Egyptische dierenculten. Diodorus verhaalt hoe hij met eigen ogen aanschouwde hoe een menigte de doodstraf eiste voor een Romein die per ongeluk een kat had gedood. Ook toen loonde het dus om reisadvies in te winnen over de lokale gewoonten!

Lees meer

Casson, L., Travel in the Ancient World, Baltimore, 1994.

Meeus, A., ‘Life Portraits: Royals and People in a Globalizing World’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Medford, 2019, 89-99.

Rosenmeyer, P. A., The Language of Ruins: Greek and Latin Inscriptions on the Memnon Colossus (2018).

Rutherford, I. C., ‘Travel and Pilgrimage’, in C. Riggs (ed.), The Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, 701-716.

Van ‘t Dack, E., Reizen, expedities en emigratie uit Italië naar Ptolemaeïsch Egypte, Brussel, 1980.

Coverfoto: adaptatie van afbeelding ‘Le Sphynx apres les déblaiements et les deux grandes pyramides / Bonfils’ op Wikimedia (Public Domain) & ‘buste beroemde Griekse Herodotus’ op Pixabay

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1434