Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om twee vertalingen van werken van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17 n.C.). De eerste is ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949) en de tweede ‘Het boek der liefdeszangen’, een vertaling van de Amores, eveneens uit 1941, maar daterend van na ‘De kunst der vrijage’, zo blijkt uit het voorwoord. In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de Amores gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten. In een vorige blog gingen we dit ook al na voor de Ars Amatoria.

Het boek der liefdeszangen

Titelpagina – Het boek der liefdeszangen (vertaling Jan Meihuizen)

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk (of ondeugend?) om een lijst te geven van de weggelaten passages. Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding:

De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Geschrapte libertijnsche passages

De passages, of liever volledige gedichten, die in de Amores worden weggelaten wegens “te libertijnsch”, zijn in tegenstelling tot de weglatingen in de Ars Amatoria wel erg donker van aard. Twee van de weggelaten gedichten behandelen immers abortus en het laatste gaat over erectieproblemen van de verteller. Beide thema’s waren in 1941 blijkbaar zo met taboe bezwaard dat Meihuizen het niet waagde een vertaling van deze gedichten te publiceren, hoewel het laatste gedicht aan de moderne lezer misschien wel een ironische glimlach weet te ontlokken door de omzwachtelde formuleringen die het bevat. We laten de teksten hier verder voor zich spreken.

Amores II, 13

Amores II, 13

Dum labefactat onus gravidi temeraria ventris,
in dubio vitae lassa Corinna iacet.
illa quidem clam me tantum molita pericli
ira digna mea; sed cadit ira metu.
sed tamen aut ex me conceperat—aut ego credo;
est mihi pro facto saepe, quod esse potest.
Isi, Paraetonium genialiaque arva Canopi
quae colis et Memphin palmiferamque Pharon,
quaque celer Nilus lato delapsus in alveo
per septem portus in maris exit aquas,
per tua sistra precor, per Anubidis ora verendi—
sic tua sacra pius semper Osiris amet,
pigraque labatur circa donaria serpens,
et comes in pompa corniger Apis eat!
huc adhibe vultus, et in una parce duobus!
nam vitam dominae tu dabis, illa mihi.
saepe tibi sedit certis operata diebus,
qua cingit laurus Gallica turma tuas.
Tuque laborantes utero miserata puellas,
quarum tarda latens corpora tendit onus,
lenis ades precibusque meis fave, Ilithyia!
digna est, quam iubeas muneris esse tui.
ipse ego tura dabo fumosis candidus aris,
ipse feram ante tuos munera vota pedes.
adiciam titulum: ‘servata Naso Corinna!’
tu modo fac titulo muneribusque locum.
Si tamen in tanto fas est monuisse timore,
hac tibi sit pugna dimicuisse satis!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Abortus 1 »
Omdat ze roekeloos haar zwangerschap wou breken,
worstelt Corinna nu wanhopig met de dood.
Buiten mij om lijdt zij gevaar, en lijdt zo erg dat
ik eerder bang dan boos ben – ook al deed ze dom.
Ik was het toch door wie ze zwanger werd, althans
dat denk ik zo, en wat ik denk is meestal waar…
O Isis! Meesteres over Canopus’ velden!
Vrouwe van Memphis en van Pharos’ palmenzoom,
daar waar de snelle Nijl zijn brede bedding spreidt en
in zeven monden uitstroomt, o! ik smeek u bij
uw ratelklanken, bij de hondskop van Anubis,
zo waar als u bemind zult worden door Osiris,
zo waar een slang zich kronkelt rond uw altaar en
de Apis-stier uw stoet mag begeleiden, sméék ik:
zie op ons neer en spaar, o spaar ons beiden, want
als ú mijn meesteres wilt redden, redt zíj mij!
Hoe vaak niet knielde zij op vaste tijden bij
uw beeld, werd zij gezegend door uw priesterschaar!
Ook Eilithuia, u, godin die vrouwen bijstaat
bij ’t baren, als de last hun angstig lichaam spant:
ik smeek u: wees genadig, hoor naar mijn gebeden,
geef haar het voorrecht van uw gunst, zij is het waard!
Zelf zal ik in witlinnen kleren wierook branden,
zelf aan uw voeten mijn offerande leggen met
het opschrift: ‘Naso’s dank, Corinna iss gespaard’,
mits u mij reden geeft voor opschrift en voor dank…
En als ik iets mag zeggen in dit uur van angst:
laat dit gevecht voorgoed voorbij zijn, leer ervan!

Amores II, 14

Amores II, 14

Quid iuvat inmunes belli cessare puellas,
nec fera peltatas agmina velle sequi,
si sine Marte suis patiuntur vulnera telis,
et caecas armant in sua fata manus?
Quae prima instituit teneros convellere fetus,
militia fuerat digna perire sua.
scilicet, ut careat rugarum crimine venter,
sternetur pugnae tristis harena tuae?
si mos antiquis placuisset matribus idem,
gens hominum vitio deperitura fuit,
quique iterum iaceret generis primordia nostri
in vacuo lapides orbe, parandus erat.
quis Priami fregisset opes, si numen aquarum
iusta recusasset pondera ferre Thetis?
Ilia si tumido geminos in ventre necasset,
casurus dominae conditor Urbis erat;
si Venus Aenean gravida temerasset in alvo,
Caesaribus tellus orba futura fuit.
tu quoque, cum posses nasci formosa, perisses,
temptasset, quod tu, si tua mater opus;
ipse ego, cum fuerim melius periturus amando,
vidissem nullos matre negante dies.
Quid plenam fraudas vitem crescentibus uvis,
pomaque crudeli vellis acerba manu?
sponte fluant matura sua—sine crescere nata;
est pretium parvae non leve vita morae.
vestra quid effoditis subiectis viscera telis,
et nondum natis dira venena datis?
Colchida respersam puerorum sanguine culpant
aque sua caesum matre queruntur Ityn;
utraque saeva parens, sed tristibus utraque causis
iactura socii sanguinis ulta virum.
dicite, quis Tereus, quis vos inritet Iason
figere sollicita corpora vestra manu?
hoc neque in Armeniis tigres fecere latebris,
perdere nec fetus ausa leaena suos.
at tenerae faciunt, sed non inpune, puellae;
saepe, suos utero quae necat, ipsa perit.
ipsa perit, ferturque rogo resoluta capillos,
et clamant ‘merito!’ qui modo cumque vident.
Ista sed aetherias vanescant dicta per auras,
et sint ominibus pondera nulla meis!
di faciles, peccasse semel concedite tuto,
et satis est; poenam culpa secunda ferat!

Vertaling: John Nagelkerken

Wat helpt het dat de meisjes vrijgesteld van krijgsdienst blijven
en niet als schilddraagsters de woeste strijd in willen gaan,
als ze door eigen wapens zonder Mars hun wonden lijden
en blinde handen wapenen tot eigen ondergang?
Zij die als eerste leerde tere vruchten af te drijven
had het verdiend zelf om te komen door haar eigen strijd.
Moet dan, opdat de schoonheid van de buik niet lijdt aan rimpels,
een strijdperk zich ontplooien voor jouw treurige gevecht?
Als moeders zich vanouds hadden gehecht aan die gewoonte,
zou het geslacht der mensen door die wandaad zijn vergaan.
Dan was er weer behoefte aan degene die de stenen
als kiemen van ons volk in een verlaten wereld wierp.
Wie had Priamus’ macht gebroken, als zeegodin Thetis
geweigerd had de last te dragen die ze dragen moest?
Als Ilia de tweeling, toen haar buik nog zwol, gedood had,
dan had de stichter niet bestaan van Rome, heersersstad.
Als Venus in haar zwangerschap Aeneas had geschonden,
dan was de aarde van haar Caesarkinderen beroofd.
Ook jij, al kon je mooi ter wereld komen, was gestorven,
wanneer je moeder had gepoogd wat jij nu hebt gedaan.
Ikzelf, die toch gelukkiger kon sterven, door de liefde,
zou, had mijn moeder mij gedood, geen dag hebben gezien.
Waarom roof je de wijnstok leeg terwijld de druiven groeien,
En pluk je nog onrijpe appels met verharde hand?
Laat al wat rijp is komen, laat wat is ontsproten groeien:
een beetje uitstel wordt met een nieuw leven goed beloond.
Wat graven jullie diep met wapens in je ingewanden
en geven jullie ongeborenen onzalig gif?
De vrouw uit Colchis treft verwijt, met kinderbloed besprenkeld;
men klaagt dat Itys door zijn eigen moeder is gedood.
Zij waren wrede moeders, maar hen dwong een droeve reden
zich op hun man te wreken door verlies van beider bloed.
Zeg eens, wekte een Tereus of een Jason jullie woede
dat jullie eigen lijf doorboren met panische hand?
Dat doen de tijgerinnen niet in hun Armeense schuilplaats,
ook de leeuwin jaagt niet brutaal haar welpen in de dood.
Tedere meisjes doen dat wel, maar niet zonder vergelding:
vaak komt zij die het kindje in haar buik vermoordt zelf om.
Ze komt zelf om; met losse haren komt ze op de brandplaats
en al degenen die het vluchtig zien roepen: ‘Net goed’.
Ik hoop dat zulke kreten in de ijle wind vervliegen
en dat mijn woord als voorteken zonder gewicht mag zijn.
Goden, weest mild, schenkt U één keer genade voor een misstap;
Dat is genoeg, een tweede fout verdient de juiste straf.

Amores III, 7

Amores III, 7

At non formosa est, at non bene culta puella,
at, puto, non votis saepe petita meis!
hanc tamen in nullos tenui male languidus usus,
sed iacui pigro crimen onusque toro;
nec potui cupiens, pariter cupiente puella,
inguinis effeti parte iuvante frui.
illa quidem nostro subiecit eburnea collo
bracchia Sithonia candidiora nive,
osculaque inseruit cupida luctantia lingua
lascivum femori supposuitque femur,
et mihi blanditias dixit dominumque vocavit,
et quae praeterea publica verba iuvant.
tacta tamen veluti gelida mea membra cicuta
segnia propositum destituere meum;
truncus iners iacui, species et inutile pondus,
et non exactum, corpus an umbra forem.
Quae mihi ventura est, siquidem ventura, senectus,
cum desit numeris ipsa iuventa suis?
a, pudet annorum: quo me iuvenemque virumque?
nec iuvenem nec me sensit amica virum!
sic flammas aditura pias aeterna sacerdos
surgit et a caro fratre verenda soror.
at nuper bis flava Chlide, ter candida Pitho,
ter Libas officio continuata meo est;
exigere a nobis angusta nocte Corinnam
me memini numeros sustinuisse novem.
Num mea Thessalico languent devota veneno
corpora? num misero carmen et herba nocent,
sagave poenicea defixit nomina cera
et medium tenuis in iecur egit acus?
carmine laesa Ceres sterilem vanescit in herbam,
deficiunt laesi carmine fontis aquae,
ilicibus glandes cantataque vitibus uva
decidit, et nullo poma movente fluunt.
quid vetat et nervos magicas torpere per artes?
forsitan inpatiens fit latus inde meum.
huc pudor accessit: facti pudor ipse nocebat;
ille fuit vitii causa secunda mei.
At qualem vidi tantum tetigique puellam!
sic etiam tunica tangitur illa sua.
illius ad tactum Pylius iuvenescere possit
Tithonosque annis fortior esse suis.
haec mihi contigerat; sed vir non contigit illi.
quas nunc concipiam per nova vota preces?
credo etiam magnos, quo sum tam turpiter usus,
muneris oblati paenituisse deos.
optabam certe recipi — sum nempe receptus;
oscula ferre — tuli; proximus esse — fui.
quo mihi fortunae tantum? quo regna sine usu?
quid, nisi possedi dives avarus opes?
sic aret mediis taciti vulgator in undis
pomaque, quae nullo tempore tangat, habet.
a tenera quisquam sic surgit mane puella,
protinus ut sanctos possit adire deos?
Sed, puto, non blanda: non optima perdidit in me
oscula; non omni sollicitavit ope!
illa graves potuit quercus adamantaque durum
surdaque blanditiis saxa movere suis.
digna movere fuit certe vivosque virosque;
sed neque tum vixi nec vir, ut ante, fui.
quid iuvet, ad surdas si cantet Phemius aures?
quid miserum Thamyran picta tabella iuvat?
At quae non tacita formavi gaudia mente!
quos ego non finxi disposuique modos!
nostra tamen iacuere velut praemortua membra
turpiter hesterna languidiora rosa —
quae nunc, ecce, vigent intempestiva valentque,
nunc opus exposcunt militiamque suam.
quin istic pudibunda iaces, pars pessima nostri?
sic sum pollicitis captus et ante tuis.
tu dominum fallis; per te deprensus inermis
tristia cum magno damna pudore tuli.
Hanc etiam non est mea dedignata puella
molliter admota sollicitare manu;
sed postquam nullas consurgere posse per artes
inmemoremque sui procubuisse videt,
‘quid me ludis?’ ait, ‘quis te, male sane, iubebat
invitum nostro ponere membra toro?
aut te traiectis Aeaea venefica lanis
devovet, aut alio lassus amore venis.’
nec mora, desiluit tunica velata soluta —
et decuit nudos proripuisse pedes! —
neve suae possent intactam scire ministrae,
dedecus hoc sumpta dissimulavit aqua.

Vertaling: John Nagelkerken

Is ze niet mooi, mijn lieveling, straalt ze niet louter gratie?
Wat heb ik haar met hart en ziel begeerd, wie weet hoe vaak.
Ik hield haar in mijn armen, maar verslapt kon ik niets maken;
ik lag als last, bron van verwijten, dadenloos in bed.
Ik kon ondanks begeerte, ondanks ook haar groot begeren
niets maken met de steunpilaar van mijn slap onderlijf.
Zij schoof haar arm, blank als ivoor, onder mijn hals, nog schoner
dan witte sneeuw die in Sithonisch land gevallen is,
en strikte onze tongen, strijdend met gretige kussen,
en schoof uitdagend met haar wulpse dij onder mijn dij,
en sprak tot mij met lieve woordjes, noemde mij haar meester,
en fluisterde de woorden die men daarbij doorgaans spreekt.
Alsof mijn lijf behandeld was met kille dollekervel
bleef het zich traag verzetten tegen wat ik had gewenst.
Ik lag daar als een machteloze stronk, als pop, als ballast,
en ik wist nauwelijks of ik een mens was of een schim.
Hoe wordt voor mij de ouderdom, als die ooit nog zal komen,
wanneer mijn jeugd de krachten in de eigen tijd al mist?
Ik schaam me voor mijn jaren. Wat moet ik die jong en man ben?
Voor mijn geliefde bleek ik nu niet jong en ook geen man.
Zo staat eeuwig de priesteres op om de vrome vlammen
te koesteren, zo respecteert een lieve broer zijn zus.
Pas nog heeft blonde Chlide twee keer, blanke Pitho drie keer,
drie keer ook Libas van mijn liefdesdienst geprofiteerd.
Corinna riep mij in benauwde nachtelijke uren:
ik weet nog dat ik negen nummertjes presteren kon.
Is nu mijn lichaam door Thessalisch gif verslapt, betoverd?
Mijn ongeluk komt toch niet voort uit toverzang of -kruid?
Of heeft een toverkol een rood wasbeeld mijn naam gegeven
en midden in mijn lever met een dunne naald geprikt?
Door toverspreuk verzwakt ook Ceres tot steriele strohalm,
het water van een bron droogt, door een spreuk getroffen, op,
van eiken vallen eikels, van de wijnstok vallen druiven
door toverzang, en appels storten dan vanzelf terneer.
Waarom zouden door toverkunst mijn zenuwen niet lam zijn?
Misschien is wel mijn middel daarom van gevoel beroofd.
Daar kwam nog schaamte bij met al haar schadelijke werking;
dat was de tweede reden voor mijn machteloos gebrek.
Wat was mijn liefste heerlijk om te zien en om te strelen
(zo wordt ze aldoor door haar eigen tunica gestreeld).
De man van Pylos zou verjongen als hij haar aanraakte,
en Tithonus zou dan in kracht boven zijn jaren staan.
Dat alles bood ze mij, maar aan haar werd geen man geboden.
Waar moet ik nog om bidden in mijn volgende gebed?
Ik denk dat zelfs de grote goden spijt hebben dat zij me
een gave boden die ik zo beschamend heb gebruikt.
Ik wilde graag ontvangen worden: ik werd echt ontvangen;
gekust worden: dat werd ik; bij haar zijn: ik was bij haar.
Wat ben ik met zoveel geluk? Een machteloze koning.
Ik kreeg daar alle rijkdom, maar gedroeg me als een vrek.
Zo staat hij die verraad pleede droog midden in de golven
en hij ziet vruchten die hij echter nooit bereiken kan.
Zo rijst toch niemand ’s morgens van de zij van een lief meisje
dat hij direct een godentempel rein kan binnengaan?
Maar was ze dan misschien niet lief, heeft ze haar beste kussen
dan niet aan mij vergooid, mij niet met al haar kracht gestijfd?
Ze was in staat om zware eiken, hard staal te bewegen
en dove rotsen te ontroeren met haar lieve stem.
Ze had dus zeker macht een man, een levende, te raken:
maar ik was toen niet levend, en geen man, zoals voorheen.
Wat was de zin als Phemius voor dove oren speelde,
wat heeft arme Thamyras aan een prachtig schilderij?
Wat heb ik niet met stille hoop voor vreugdes op zien doemen,
ach wat een standjes droomde ik, wat maakte ik een reeks.
Maar nee, mijn ledematen lagen neer als afgestorven,
nog lelijker verslapt dan rozen, gisteren geplukt.
En kijk, nu zijn ze sterk en weer gezond, nu het niet meetelt;
nu wensen ze de slag en willen staan in het gelid.
Blijf jij beschaamd daar liggen, miserabel stukje lichaam;
Ik ben door jouw beloften zo al eerder zwaar bedot.
Je houdt je meester voor de gek. Je maakt mij ongewapend,
en tot mijn grote schande leed ik zo een triest verlies.
Mijn lief is bovendien zo ver gegaan hem te beroeren,
zachtjes te trachten hem te doen herrijzen met haar hand.
Maar toen ze zag dat hij op geen manier was op te wekken
en daar gewoon bleef liggen zonder zorgen om haar wens,
zei zij: ‘Waarom bespot je mij? Wie zei jou, slappe eikel,
om zonder zin je leden neer te leggen in mijn bed?
Heeft Circe jou door naalden in een wollen pop te steken
behekst, of ben je door een ander lief al uitgeput?’
Direct sprong ze uit bed, in losse tunica gewikkeld
(hoe sierlijk sprongen daar haar blote voetjes op de grond).
Opdat haar dienares niet wist dat zij nog onberoerd was,
verhulde ze de schande en nam voor de schijn een bad.

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris.

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Amores I, 15

Amores I, 15

Quid mihi Livor edax, ignavos obicis annos,
ingeniique vocas carmen inertis opus;
non me more patrum, dum strenua sustinet aetas,
praemia militiae pulverulenta sequi,
nec me verbosas leges ediscere nec me
ingrato vocem prostituisse foro?
Mortale est, quod quaeris, opus. mihi fama perennis
quaeritur, in toto semper ut orbe canar.
vivet Maeonides, Tenedos dum stabit et Ide,
dum rapidas Simois in mare volvet aquas;
vivet et Ascraeus, dum mustis uva tumebit,
dum cadet incurva falce resecta Ceres.
Battiades semper toto cantabitur orbe;
quamvis ingenio non valet, arte valet.
nulla Sophocleo veniet iactura cothurno;
cum sole et luna semper Aratus erit;
dum fallax servus, durus pater, inproba lena
vivent et meretrix blanda, Menandros erit;
Ennius arte carens animosique Accius oris
casurum nullo tempore nomen habent.
Varronem primamque ratem quae nesciet aetas,
aureaque Aesonio terga petita duci?
carmina sublimis tunc sunt peritura Lucreti,
exitio terras cum dabit una dies;
Tityrus et segetes Aeneiaque arma legentur,
Roma triumphati dum caput orbis erit;
donec erunt ignes arcusque Cupidinis arma,
discentur numeri, culte Tibulle, tui;
Gallus et Hesperiis et Gallus notus Eois,
et sua cum Gallo nota Lycoris erit.
Ergo, cum silices, cum dens patientis aratri
depereant aevo, carmina morte carent.
cedant carminibus reges regumque triumphi,
cedat et auriferi ripa benigna Tagi!
vilia miretur vulgus; mihi flavus Apollo
pocula Castalia plena ministret aqua,
sustineamque coma metuentem frigora myrtum,
atque a sollicito multus amante legar!
pascitur in vivis Livor; post fata quiescit,
cum suus ex merito quemque tuetur honos.
ergo etiam cum me supremus adederit ignis,
vivam, parsque mei multa superstes erit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Dichtersroem »
Bijtgrage Afgunst! U beschuldigt mij dat ik mijn leven
verluier? Noemt mijn dichtwerk een verspild talent?
U vindt dat ik naar ’s lands gebruik, nu ik nog krachtig ben
naar ’t stoffig ereloon van een soldaat moet streven?
Of woordenrijke wetten leren? Of als redenaar
mijn stem prostitueren op het kille Forum?
U stelt een mensendoel. Ik streef naar dichtersroem en naar
onsterflijkheid, naar overal gezongen worden.
Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.
Zolang een druif door sappen zwelt en Ceres’ halmen zwichten
voor ’n kromme zeis, wordt ook Hesiodus gehoord.
Callimachus zal altijd allerwegen te verstaan zijn,
meer om zijn verstechniek dan om zijn dichttalent,
en Sophokles’ kothurnen raken nimmer onbekend, en
Aratus zal bestaan zolang er zon en maan zijn.
Zolang een slaaf kan liegen, vaders streng zijn, hoerenbazen
gemeen, maar hoeren aardig, klinkt Menanders naam;
en Ennius mag technisch falen, maar zijn dichtersfaam
faalt nooit, zomin als Accius met zijn verhalen.
En welke eeuw zal niet van Varro spreken en de vaart
van Jasons eerste schip naar ’t Gulden Vlies verkonden?
Het prachtig dichtwerk van Lucretius gaat niet ten onder
tenzij de dag komt dat de wereld zelf vergaat.
Men zal van Tityrus, van landbouw, van Aeneas weten
zolang de trotse wereldhoofdstad Rome heet
en pas als Cupido geen pijl en boog en fakkel heeft
zal men Tibullus’ knappe dactyli vergeten.
In ’t westen zal men Gallus prijzen, Gallus ook in ’t oosten,
en Lýcoris, zijn lief, klinkt luid met Gallus mee.
Terwijl een keisteen en een ploegschaar van gehard metaal
wegslijten door de tijd, kent poëzie geen sterven.
Ook koningen en wapenfeiten leven voort in verzen
niet minder dan de gouden stromen van de Taag.
Het volk mag jagen naar goedkope praal, maar ík wil graag
Castalisch water uit Apollo’s beker drinken,
en om mijn hoofd een krans van winterschuwe mirte winden
en veelgelezen zijn bij wie om liefde vraagt.
Afgunst bestaat bij ’t leven. Na de dood rust zij in vrede.
Dan wordt een elk beloond naar wat hij heeft gedaan.
Ik zal dus niet vergaan wanneer de laatste vlam mijn lichaam
verslonden heeft, maar voor een groot deel voortbestaan.

Dit gedicht wordt integraal weggelaten omwille van de waslijst antieke auteurs die hier genoemd worden en die voor de niet-gespecialiseerde lezer soms nobele onbekenden zijn. De bekende dichters worden soms met moeilijke omschrijvingen aangeduid. Het eerste voorbeeld daarvan is te vinden in de volgende regels:

Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.

In de Latijnse tekst wordt Homerus niet bij naam genoemd, maar aangeduid met de naam Maeonides (inwoner van Maeonië). Maeonië is een andere naam voor Lydië, in het huidige Turkije, vanwaar Homerus inderdaad afkomstig was volgens de traditie. Op een gelijkaardige manier wordt de volgende auteur, Hesiodus, Ascraeus, (inwoner van Ascra) genoemd. De Hellenistische dichter Callimachus (ca. 305-240 v.C.) wordt dan weer omschreven als Battiades,(letterlijk: zoon van Battus), maar dit slaat dan weer op de dynastie van de Battiaden, een koningsdynastie in zijn thuisstad Cyrene.

Aratus van Soli (315-245 v.C.) was de auteur van een leerdicht met de titel Phainomena, waarin hemellichamen en hemelverschijnselen behandeld werden, vandaar Ovidius’ verwijzing naar zon en maan.

Verder worden ook de Griekse comicus Menander (342-291 v.C.), bekend om zijn typetjes, de fragmentarisch bewaarde Romeinse epische dichter Quintus Ennius (239-169 v.C.) en de Romeinse tragicus Lucius Accius (170-85 v.C.) in sneltempo met naam genoemd. De Varro die genoemd wordt, is, gezien de context, waarschijnlijk niet de encyclopedist en prozaschrijver Marcus Terentius Varro Reatinus (116-27 v.C.), maar de dichter Publius Terentius Varro Atacinus (82-35 v.C.), die de ‘Argonautica‘, een epos van de Griekse dichter Apollonius van Rhodos (ca. 295-215 v.C.), naar het Latijn vertaalde. De link met de reis van de Argonauten op zoek naar het Gulden Vlies wordt in het volgende vers gelegd door de vermelding van het Gulden Vlies en de vermelding van “Aesonius, de zoon van Aeson“, namelijk Jason, de leider van de Argonauten. Ook de Romeinse dichter en epicuristische filosoof Titus Lucretius Carus (99-55 v.C.), bekend om zijn leerdicht De Rerum Natura, wordt vermeld.

Hierna gaat Ovidius over naar de eigen tijd: Tityrus et segetes Aeneiaque arma, “Tityrus, de oogst en de wapens van Aeneas” zijn een verwijzing naar de openingswoorden van respectievelijk de Bucolica (waarin Tityrus een belangrijk personage is), de Georgica (over de landbouw) en de Aeneis van Publius Vergilius Maro (70-19 v.C.). Vervolgens worden ook de Romeinse elegische dichters Albius Tibullus (ca. 55-19 v.C.) en Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.) genoemd, wiens geliefde in zijn poëzie Lycoris heet.

Tot slot is er ook nog een verwijzing naar de Castaliabron bij Delphi, die gewijd was aan Apollo en de Muzen en dus symbool staat voor dichterlijke inspiratie.

Hoewel het merendeel van de verwijzingen in dit gedicht literair-historisch en niet mythologisch zijn, is het hele gedicht door Meihuizen weggelaten, omdat het te veel kennis van de Grieks-Romeinse literatuurgeschiedenis veronderstelt. Bij een inkorting met een parafrase, zoals de vertaling van de Ars Amatoria er vele kent, zou het hele punt van dit gedicht tenietgedaan worden. Daarom opteert Meihuizen hier voor een volledige weglating. Hetzelfde gebeurt ook bij andere gedichten van de Amores.

Amores III, 9

Een tweede gedicht dat weggelaten wordt omwille van een te grote veronderstelde kennis bij de antieke lezer, is Amores III, 9, dat gaat over de dood van Ovidius’ collega-dichter Tibullus.

Amores III, 9

Memnona si mater, mater ploravit Achillem,
et tangunt magnas tristia fata deas,
flebilis indignos, Elegia, solve capillos!
a, nimis ex vero nunc tibi nomen erit! —
ille tui vates operis, tua fama, Tibullus
ardet in extructo, corpus inane, rogo.
ecce, puer Veneris fert eversamque pharetram
et fractos arcus et sine luce facem;
adspice, demissis ut eat miserabilis alis
pectoraque infesta tundat aperta manu!
excipiunt lacrimas sparsi per colla capilli,
oraque singultu concutiente sonant.
fratris in Aeneae sic illum funere dicunt
egressum tectis, pulcher Iule, tuis;
nec minus est confusa Venus moriente Tibullo,
quam iuveni rupit cum ferus inguen aper.
at sacri vates et divum cura vocamur;
sunt etiam qui nos numen habere putent.
Scilicet omne sacrum mors inportuna profanat,
omnibus obscuras inicit illa manus!
quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?
carmine quid victas obstipuisse feras?
et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
dicitur invita concinuisse lyra.
adice Maeoniden, a quo ceu fonte perenni
vatum Pieriis ora rigantur aquis —
hunc quoque summa dies nigro submersit Averno.
defugiunt avidos carmina sola rogos;
durant, vatis opus, Troiani fama laboris
tardaque nocturno tela retexta dolo.
sic Nemesis longum, sic Delia nomen habebunt,
altera cura recens, altera primus amor.
Quid vos sacra iuvant? quid nunc Aegyptia prosunt
sistra? quid in vacuo secubuisse toro?
cum rapiunt mala fata bonos — ignoscite fasso! —
sollicitor nullos esse putare deos.
vive pius — moriere; pius cole sacra — colentem
mors gravis a templis in cava busta trahet;
carminibus confide bonis — iacet, ecce, Tibullus:
vix manet e toto, parva quod urna capit!
tene, sacer vates, flammae rapuere rogales
pectoribus pasci nec timuere tuis?
aurea sanctorum potuissent templa deorum
urere, quae tantum sustinuere nefas!
avertit vultus, Erycis quae possidet arces;
sunt quoque, qui lacrimas continuisse negant.
Sed tamen hoc melius, quam si Phaeacia tellus
ignotum vili supposuisset humo.
hinc certe madidos fugientis pressit ocellos
mater et in cineres ultima dona tulit;
hinc soror in partem misera cum matre doloris
venit inornatas dilaniata comas,
cumque tuis sua iunxerunt Nemesisque priorque
oscula nec solos destituere rogos.
Delia discedens ‘felicius’ inquit ‘amata
sum tibi; vixisti, dum tuus ignis eram.’
cui Nemesis ‘quid’ ait ‘tibi sunt mea damna dolori?
me tenuit moriens deficiente manu.’
Si tamen e nobis aliquid nisi nomen et umbra
restat, in Elysia valle Tibullus erit.
obvius huic venias hedera iuvenalia cinctus
tempora cum Calvo, docte Catulle, tuo;
tu quoque, si falsum est temerati crimen amici,
sanguinis atque animae prodige Galle tuae.
his comes umbra tua est; siqua est modo corporis umbra,
auxisti numeros, culte Tibulle, pios.
ossa quieta, precor, tuta requiescite in urna,
et sit humus cineri non onerosa tuo!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Bij de dood van Tibullus »
Als Memnons moeder en Achilles’ moeder treuren over
hun zoons, als droeve dood godinnenmoeders raakt,
treur dan, Elegia! Klaag luid met losgebonden haren,
want nu, helaas, draagt u pas echt uw ware naam:
uw dichter, die zijn verzen wijdde aan u faam, Tibullus,
brandde in ’t vuur, zijn nietig lichaam is vergaan.
Zie Cupido: hij heeft zijn pijlenkoker naar beneden
gericht, zijn boog is slap, zijn fakkel zonder licht.
Kijk hoe verdrietig hij daar loopt, zijn vleugels neergeklapt,
zijn borst ontbloot; hij stompt zich met gebalde vuisten;
zijn haar, dat rond zijn schouders hangt, vangt hete tranen;
er klinkt gesnik dat schokkend aan zijn mond ontsnapt.
Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.
Ook Venus treurt. Het leed om haar Tibullus is niet minder
dan toen Adonis omkwam door een zijnenbeet.
Men noemt ons, dichters, heilig; lievelingen van de goden.
Sommigen kennen ons zelfs godeninspraak toe.
Maar al die heiligheid verbleekt bij ’t onheil van de dood,
die krijgt ons allemaal in zijn obscure greep.
Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders,
bij goddelijk gezang, waarmee hij ieder dier
kon temmen? Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?
Of neem Homerus, die vanuit een altijd rijke bron
andere dichters van zijn verzenstroom liet drinken:
ook hij ging na zijn laatste uur de zwarte Avernus in,
alleen zijn poëzie ontkwam het gulzig vuur.
Zijn dichtwerk leeft, de roem van Trojes strijd, de list
van ’t trage weefsel dat ’s nachts weer werd uitgewist.
Zo zul jij, Nemesis, jij, Delia, lang na Tibullus
voortklinken – zijn geliefden van nu en weleer.
Geen offer baat nu meer. Baatte het soms in Isis’ tempel
ver van zijn bed met ratelklanken hulp te smeken?
Nee, als de dood een edel mens verraadt, vermoed ik eerder
– vergeef me – dat er helemaal geen god bestaat.
Leef braaf, dan sterf je braaf. Bid vroom, toch word je vroom en wel
eens door de dood verrast; die brengt je naar de hel.
Of denk je dat gedichten toveren? Zie naar Tibullus,
die kleine urn daarginds is alles wat hij was.
Heilige dichter! Heeft het doodsvuur jou zo snel verteerd?
Was er geen enkele schroom jouw lichaam zo te schenden?
Waarom heeft het geen gouden godshuis aangetast;
daar heeft men toch de macht om rampen af te wenden?
Venus, godin van Eryx’ burcht, heeft haar gelaat – zo zegt men –
snel afgewend, zij hield haar tranen niet meer in.
Toch is dit beter dan wanneer hij als een onbekende
op Korfu was begraven in een nietig graf.
Hier heeft zijn moeder nog bij ’t afscheid zijn betraande ogen
gesloten en zijn as de laatste eer gebracht.
Zijn droeve zuster stond haar moeder in dit groot verdriet
ter zij, zich hevig rukkend aan haar losse haren,
en na hen kwamen Delia en Nemesis. Zij kusten
het lichaam nog. Toen ’t brandde, bleven zij erbij,
en Delia riep nog als afscheid: ‘Mooier dan jouw liefde
bestond er geen, ik was voor jou je levensvlam.’
Maar toen zij Nemesis: ‘Nee! Míjn verlies is heel wat erger
dan jouw verdriet! Bij ’t sterven zocht hij nog mijn hand…’
Als er van ons meer rest dan naam en schaduw, woont Tibullus
straks in de Elyseese Velden, waar Catullus,
geleerd poëet, hem welkom heet, het jeugdige hoofd omvlecht
met klimoprank. Getrouw gaat Calvus aan zijn zij,
en Gallus ook, tenminste als die aanklacht van verraad
vals is gebleken en zijn zelfmoord onterecht.
Jouw schim, Tibullus, als jouw schim daar is zoals jij was,
behoort bij hen; jij vult hun edel aantal aan.
Mogen je resten, bid ik, vredigrusten in de grafurn
en laat de aarde niet zwaar drukken op je as.

Het is duidelijk dat de vele mythologische verwijzingen in deze lange klaagzang naar Meihuizens smaak te veel vergen van “den hedendaagschen mensch. Over Memnon, de mythologische koning van Ethiopië, weten we dat hij met een leger naar Troje trok, om de Trojanen te steunen tegen de Grieken. Hij doodde Antilochus, de zoon van Nestor. Nestor smeekte toen Achilles wraak te nemen, waarna Achilles Memnon doodde. Zijn moeder Aurora (de Dageraad) was hierdoor overmand door verdriet, en smeekte Jupiter hem de onsterfelijkheid te schenken en haar wens werd vervuld. De tranen die zij huilde, werden gezien als de dauw. Ook Achilles zou de Trojaanse Oorlog niet overleven.

Zowel Memnon als Achilles stierven jong en dat is ook voor Tibullus het geval: hij werd slechts 36 jaar oud, als we aannemen dat hij geboren werd in 55 v.C. (een datum tussen 54 en 49 v.C. is echter even goed mogelijk). Vandaar dat Ovidius’ Elegia, de goddelijke personificatie van het genre van de elegie, aanspoort te rouwen om haar spreekwoordelijke zoon. Het feit dat ze “nu pas haar ware naam draagtis een woordspel: het Griekse woord ἔλεγος, waarvan de benaming van het genre werd afgeleid, betekent immers klaagzang of rouwklacht.

De volgende verwijzing betreft Cupido, die in de Latijnse tekst niet bij naam genoemd wordt, maar met “puer Veneris“, “jongen van Venus“, wordt aangeduid. In de volgende regels wordt hij in verband gebracht met Aeneas:

Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.

In de Latijnse tekst staat iets minder precies frater, “broer” te lezen, maar Aeneas, net als Cupido een zoon van Venus, is inderdaad een halfbroer van Cupido. Julus, die hier ook genoemd wordt, is de zoon van Aeneas.

De in het Latijnse origineel niet geïdentificeerde iuvenis, “jongeman”, is Adonis, die tijdens de jacht op een wild zwijn door het dier verwond werd aan de dij. Hij probeerde nog weg te komen, maar zijn been weigerde mee te werken en op die manier kreeg het zwijn de kans hem dood te trappen. Volgens de mythe barstte Venus toen zodanig in tranen uit, dat bos- en waternimfen, goden en mensen en zelfs de natuur zich bij haar aansloten en samen met haar om Adonis rouwden. Het verdriet om Tibullus is volgens Ovidius nog erger. Deze sterke formulering komt enkel tot haar recht wanneer men voldoende kennis heeft van deze mythe.

In de volgende verzen laat Marietje d’Hane-Scheltema iets weg in haar vertaling. Ze vertaalt het volgende vers immers als volgt:

Quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?

Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders […] ?

In de Latijnse versie wordt Orpheus ‘de Ismarische Orpheus’ genoemd, naar de vallei waar hij volgens de mythologie de wilde dieren in bekoring bracht door zijn gezang.

Ook de volgende verzen worden door D’Hane-Scheltema expliciterend vertaald:

Et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
Dicitur invita concinuisse lyra.

[…] Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?

Linus was, net als Orpheus, een mythologische musicus en zanger-dichter. Hij was de zoon van Apollo, die hier door Ovidius niet bij naam wordt genoemd. De woordspeling die Ovidius hier maakt, gaat verloren in de vertaling. Als we de leestekens wegdenken, die in de oudheid niet in de tekst stonden, is het eerste vers van bovenstaand verspaar dubbelzinnig: ofwel zong Apollo “Ai, Linus!”, ofwel zong hij een αἴλινος, een rouwlied, ofwel riep hij αἴλινον, wee.

De volgende regels gaan over Homerus, ook hier weer Maeonides genoemd (cf. supra), die vergeleken wordt met de bron van Piëria, verblijfplaats van de Muzen, in de zin dat hij net als die bron een inspiratie was voor dichters van latere tijden. De Avernus die hier genoemd wordt, is het Lago d’Averno bij Cumae, dat gold als de toegangspoort tot de onderwereld en er dus ook symbool voor kon staan. De volgende regels roepen zowel zijn Ilias” (“de roem van Trojes strijd”) als de Odyssee op: nog steeds hopend op Odysseus’ terugkeer, weigerde zijn vrouw Penelope te hertrouwen en om aan de opdringerige aanbidders te ontkomen, beweerde zij dat zij bezig was een lijkkleed te weven voor haar schoonvader Laërtes en dat ze niet kon hertrouwen, vóórdat dit was voltooid. ‘s Nachts trok zij echter het weefsel dat zij overdag had afgewerkt weer uit elkaar en stelde zo een beslissing uit.

De volgende verzen spreken over de geliefden die Tibullus in zijn gedichten behandelt: Delia is het onderwerp van zijn eerste boek elegieën en Nemesis is de centrale figuur in het tweede boek. De godin van Eryx’ burcht wordt in de vertaling geïdentificeerd als Venus, maar van de oorspronkelijke lezer werd verwacht dat hij wist dat Eryx, zoon van Venus, de mythologische koning van Sicilië was die door Hercules werd verslagen in een vuistgevecht en daardoor stierf. De berg waar hij begraven werd, werd naar hem Eryx genoemd.

In de scène die volgt, wordt Tibullus in de onderwereld verwelkomt door een paar illustere voorgangers: Gaius Valerius Catullus (ca. 84-54 en 47 v.C.), Gaius Licinius Macer Calvus (82-47 v.C.) en de reeds genoemde Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.), die inderdaad zelfmoord pleegde nadat hij bij keizer Augustus in ongenade viel.

Aangezien dit gedicht bol staat van de mythologische en literair-historische verwijzingen die zelfs voor een gespecialiseerde lezer in onze tijd niet altijd evident zijn, opteert Meihuizen in zijn populariserende vertaling bewust voor een volledige weglating.

Amores I, 8, 47-48

Dat de weglatingen die Meihuizen doet soms een beetje van willekeur getuigen, bewijst het volgende voorbeeld. Net na een verwijzing naar de Sabijnse maagdenroof die hij wel behoudt, laat hij het volgende stukje weg:

Penelope iuvenum vires temptabat in arcu;
qui latus argueret, corneus arcus erat.

[…] Zelfs Penelope probeerde
vrijers te testen met een boog. Het was
een hoornen boog die hun prestaties woog…
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Men kan nochtans verwachten dat een lezer die de Sabijnse maagdenroof kent, ook genoeg op de hoogte is van de Griekse mythologie om deze episode uit de ‘Odysseete kennen. Een reden voor de weglating is hier dus moeilijk te vinden, aangezien de passage evenmin getuigt van een te “libertijnsch” karakter, zeker in de context van het gedicht, waarin de oude koppelaarster Dipsas – vrij vertaald “Zattefles” een jong meisje verleidingstips geeft.

Amores I, 9, 33-40

Ook in de volgende weggelaten passage gaat het niet bepaald over onbekende episodes uit de mythologie en zijn de verwijzingen ook niet zo cryptisch dat ze een goed tekstbegrip in de weg zouden staan:

Amores I, 9, 33-40

ardet in abducta Briseide magnus Achilles—
dum licet, Argeas frangite, Troes, opes!
Hector ab Andromaches conplexibus ibat ad arma,
et, galeam capiti quae daret, uxor erat.
summa ducum, Atrides, visa Priameide fertur
Maenadis effusis obstipuisse comis.
Mars quoque deprensus fabrilia vincula sensit;
notior in caelo fabula nulla fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Achilles brandde van verdriet na ‘t weggaan van Briseïs
– een kans voor Troje om de Grieken te verslaan -,
Hektor trok pas ten strijde na Andromaches omhelzing,
het was zijn vrouw die hem de helm heeft aangereikt,
en Agamemnon, leider aller leiders, is zowaar
bezweken voor Cassandra’s wild Maenadenhaar.
Zelfs Mars werd kunstig ingesnoerd en voelde liefdesboeien –
niet één verhaal in ’t godenrijk is zo vermaard.

De enige verwijzing die misschien wat uitleg behoeft, zijn de liefdesboeien van Mars: dit is een verwijzing naar het verhaal waarin Vulcanus zijn vrouw Venus in bed betrapt met Mars en hen vangt in een door hem gemaakt gouden net. Vervolgens zet hij hen te kijk bij de andere goden.

Amores I, 10, 49-52

Het boek der liefdeszangen (p39)

Ook deze mythologische uitweiding wordt geschrapt, terwijl een aantal andere mythologische voorbeelden die aan het begin van hetzelfde gedicht voorkomen, niet door Meihuizen worden geschrapt.

Amores I, 10, 49-52

Non fuit armillas tanti pepigisse Sabinas,
ut premerent sacrae virginis arma caput;
e quibus exierat, traiecit viscera ferro
filius, et poenae causa monile fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Kijk naar Tarpeia, die Sabijnse pronkjuwelen
bedongen had en met de dood werd afgestraft
of naar Eríphyle: zij boette voor een halssnoer
en werd vermoord door hem aan wie zij ’t leven gaf…

Tarpeia noch Eriphyle wordt hier in het Latijn bij naam genoemd. Tarpeia kan wel geïdentificeerd worden door de verwijzing naar de “Sabijnse pronkjuwelendie ze van de Sabijnen als beloning vroeg voor haar verraad. De verwijzing naar Eriphyle was voor de antieke lezer duidelijk door de vermelding van het halssnoer dat ze als steekpenning kreeg om haar man Amphiaraüs te verraden aan Polynices (cf. supra). Amphiaraüs’ zoon Alcmaeon nam hiervoor wraak door zijn moeder te vermoorden. De moderne lezer heeft uiteraard meer moeite met deze cryptische verwijzingen.

Amores II, 5, 38-40

Het boek der liefdeszangen (p69)

In deze passage wordt de blos van Ovidius’ betrapte ontrouwe liefje met veel mythologische vergelijkingen beschreven:

Zoo bloost de hemel voor den Dageraad of een meisje, als de bruidegom, waarmede zij pas gehuwd is, haar aankijkt; zoo kleuren de rozen rood op tusschen de leliën.

Het volgende stukje laat hij dan weer weg:

Amores II, 5, 38-40

aut ubi cantatis Luna laborat equis,
aut quod, ne longis flavescere possit ab annis,
Maeonis Assyrium femina tinxit ebur.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

[…] als de maan wanneer zij
betoverd is; of als ivoor dat vrouwen
soms roze verven, als het door de tijd
geel dreigt te worden […]

Dit stukje wordt misschien weggelaten omwille van de geografische verwijzingen, die hier niet echt een verwijzing naar een mythe lijken: het gaat in de Latijnse tekst om een “Maeonische (= Lydische) vrouw die Assyrisch ivoor verft. De reden voor weglating is ook hier tamelijk vaag.

Amores II, 6, 36

In een gedicht naar aanleiding van de dood van de papegaai van Corinna wordt enkel het volgende vers weggelaten. Het komt uit een deel van het gedicht waarin de papegaai vergeleken wordt met andere vogels, onder andere de raaf, waarover het volgende wordt gezegd:

illa quidem saeclis vix moritura novem.

[…] al leeft dat dier
wel negenmaal zo lang.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

De reden dat het hier weggelaten is, is waarschijnlijk dat de raaf in de oudheid een bekendstond om zijn spreekwoordelijk lange levensduur, een cliché dat de moderne lezer waarschijnlijk niet kent. Toch is het ook hier een merkwaardige weglating, want in hetzelfde gedicht worden korte verwijzingen naar Philomela, Orestes en Pylades, Protesilaüs, Thersites en Hector niet weggelaten, terwijl die potentieel meer problemen zouden opleveren.

Amores II, 17, 18

Het boek der liefdeszangen (p101)

In een gedicht waarover hij zich erover beklaagt dat Corinna zich te mooi voelt voor hem en dat ook laat blijken, somt Ovidius ter illustratie mythologische mannen op die een vrouw hadden die ook out of their league was:

Men zegt immers, dat de nimf Calypso, verliefd op een gewonen sterveling, dien man tegen zijn zin vasthield. Men zegt verder, dat een Nereïde, een zeegodin, het hield met den koning van Phthiotis en dat Venus koosde met Vulcanus, ofschoon deze zoo van zijn aambeeld kwam en met zijn mank been leelijk hinkte. […] En daarom moet ook gij, mijn zon, me tot je nemen […]

Het gaat hier uiteraard achtereenvolgens om Odysseus en Calypso, Peleus en Thetis, en Vulcanus en Venus. Het voorbeeld dat Ovidius tussen Peleus en Thetis enerzijds en Venus en Vulcanus anderzijds noemt, is door Meihuizen weggelaten:

Egeriam iusto concubuisse Numae
[…] de wijze koning Numa
beminde Egeria […]
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Naast de bekendere mythologische koppels vallen de tweede Romeinse koning Numa Pompilius en zijn vrouw, de nimf Egeria, hier uit de boot, hetgeen naar onze inschatting wel in lijn ligt met de mythologische kennis van het doelpubliek: Egeria is inderdaad minder bekend dan Calypso.

Amores II, 18, 23-26

In dit gedicht vergelijkt Ovidius zijn eigen lichte dichtwerk met het “serieuze” werk van (Pompeius) Macer. De Macer die in dit gedicht wordt aangesproken, is dus niet de reeds vermelde Gaius Licinius Macer Calvus (82 v.C. – 47 v.C.), maar een aangetrouwd familielid van Ovidius, waarover we weinig meer weten dan dat hij een epos over Achilles schreef. Ovidius vergelijkt zijn eigen werk met dat van Macer en heeft het op een bepaald moment ook over de ‘Heroides’, een reeks fictieve brieven van vrouwen en geliefden van bekende helden aan hun man. Een voorbeeld van zo’n brief is de brief van Penelope aan Odysseus en Meihuizen laat dat voorbeeld ook staan in zijn vertaling. De volgende voorbeelden van brieven uit de ‘Heroides’ laat hij echter weg:

Quod Paris et Macareus et quod male gratus Iason
Hippolytique parens Hippolytusque legant,
quodque tenens strictum Dido miserabilis ensem
dicat et Aoniae Lesbis amata lyrae.

[…] ja, al die brieven
aan Paris, Jason, Theseus en veel meer;
wat Dido had te zeggen vóór haar trieste zelfmoord;
wat Sappho aan haar minnaar Phaon schreef.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Ook de vertaling van Marietje d’Hane-Scheltema is hier tamelijk vrij. De brief aan Paris is van de nimf Oenone, die hij voor Helena in de steek liet. De brief aan Jason komt niet van Medea, zoals we zouden verwachten, maar van Hypsipyle, de koningin van Lemnos. De brief aan Theseus, hier omschreven als “Hippolyti parens“, komt wel van de verwachte kant: het is Ariadne die hem schrijft. Theseus liet Ariadne op achter op Naxos om er met haar zuster Phaedra vandoor te gaan. Phaedra is dan weer de schrijfster van een fictieve brief aan Theseus’ zoon Hippolytus. In de Nederlandse vertaling wordt dit wat weggemoffeld door de vertaling “veel meer”, maar in het Latijn levert dit een mooi polyptoton op met “Hippolytique en Hippolytusquekort na elkaar in hetzelfde vers.

Tot slot komen nog twee vrouwen aan bod die zelfmoord pleegden uit liefdesverdriet: eerst is er Dido, die Aeneas er niet toe kon bewegen bij haar in Carthago te blijven, zoals dit mooi beschreven staat in het vierde boek van Vergilius’ ‘Aeneis. Zijn lot was immers om de basis te leggen van wat later Rome zou worden en daardoor kon hij niet in Carthago blijven. Dido pleegde zelfmoord, maar niet voordat ze de stad die hij zou stichten te vervloeken en de oorlog te verklaren. Vergilius liet Dido op die manier de Punische Oorlogen na de feiten voorspellen (in technische termen heet dit een vaticinium ex eventu). De tweede vrouw die hier wordt vermeld is de Griekse dichteres Sappho van Lesbos (7de – 6de eeuw v.C.). Hoewel ze vooral bekend is van de “lesbische” liefdes die ze in haar poëzie beschrijft (en waarvan we niet zeker weten of dat wel autobiografisch bedoeld is!), was het toch een man, Phaon, die haar zo wanhopig maakte van liefdesverdriet dat ze zelfmoord pleegde. De anekdote is overigens waarschijnlijk niet historisch, maar dit is moeilijk onomstotelijk te bewijzen.

Amores II, 18, 30-31

Even verder in het gedicht komen Phaedra en Dido opnieuw aan bod, in deze verzen die weggelaten worden, blijkbaar uit consequentie omdat ze ervoor ook al gecensureerd werden.

Legit ab Hippolyto scripta noverca suo.
Iam pius Aeneas miserae rescripsit Elissae.

De stiefmoeder las in de brief van haar Hippolytus.
Vrome Aeneas gaf al antwoord aan arme Elissa.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Wat vreemd is, is dat de verwijzingen naar de zeer bekende figuren Phaedra (“de stiefmoeder”) en Dido (“Elissa) geschrapt worden, maar dat de – naar ons oordeel althans – veel minder bekende Phyllis niet uit deze cataloog geschrapt wordt. Phyllis pleegde zelfmoord nadat haar geliefde Demophon niet terugkeerde van een reis. Ze werd volgens de mythe in een amandelboom veranderd. Dido kwam ook al voor in het niet geschrapte vers 25, een paar verzen voor deze passage. Ook hier is dus een tamelijk grote mate van willekeur te bespeuren in Meihuizens selectie van passages.

Amores II, 18, 33-34

Twee verzen verder wordt er alweer geknipt in de opsomming die het gedicht zo rijk maakt door de volgende verzen weg te laten.

tristis ad Hypsipylen ab Iasone littera venit;
det votam Phoebo Lesbis amata lyram.

Een droef bericht werd aan Hypsipyle gebracht van Jason,
En Sappho wijdt aan Phoebus bitter de beloofde lier.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Amores III, 3, 17-18

De volgende weggelaten passage is een korte illustratie bij een these die Ovidius poneert: “Zegt me, o goden, indien dat meisje U ongestraft heeft mogen bedriegen, waarom moet ik dan boeten voor wat een ander verdient?” Hij illustreert dit met het volgende voorbeeld uit de mythologie:

An non invidiae vobis Cepheia virgo est,
pro male formosa iussa parente mori?

Was Cepheus’ dochter dan geen reden om jullie te haten
Toen ze de dood moest vinden voor haar moeders schoonheidswaan?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Omdat het hier slechts om een korte zijsprong gaat, valt de onmiddellijke overgang naar het volgende punt minder op: “Is het niet voldoende, dat ik aan U als getuigen niets had en dat ze nu zoowel de gefopte goden als mijzelf straffeloos kan uitlachen?”

De dochter van Cepheus die hier genoemd wordt, is Andromeda. Wanneer Andromeda’s moeder Cassiopeia opschept dat zijzelf (of volgens sommige bronnen Andromeda zelf) mooier is dan de Nereïden, neemt Poseidon hiervoor wraak door een zeemonster, Cetus, te sturen dat de kust van hun thuisland Ethiopië onveilig maakt. Andromeda wordt als zoenoffer voor het monster aan een rots geketend, maar wordt gered door Perseus, die met haar trouwt en haar meeneemt naar Griekenland.

Amores III, 3, 37-40

In een passage, waarin Ovidius zich erover beklaagt dat goden al te makkelijk een oogje dichtknijpen voor vrouwen, citeert hij één uitzondering, die in Meihuizens vertaling wordt weggelaten:

Tot meruere peti — Semele miserabilis arsit!
Officio est illi poena reperta suo;
At si venturo se subduxisset amanti,
Non pater in Baccho matris haberet opus.

Velen verdienden straf, maar arme Semele moest branden;
zij heeft haar straf gevonden nadat ze hem had gediend.
Maar had ze bij zijn komst zich aan het liefdesvuur onttrokken,
dan had de vader nooit voor Bacchus moeders taak vervuld.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Semele, de moeder van Dionysos, verbrandde toen ze Zeus in zijn goddelijke gedaante zag, iets dat voor stervelingen onmogelijk is zonder te sterven. Ze deed dit op aangeven van Hera, die zich als oude vrouw vermomd had om Semele te doen twijfelen aan de identiteit van haar minnaar. Zeus kon de ongeboren Dionysos nog redden en naaide hem in zijn dij, totdat het kind volgroeid was en geboren kon worden.

Amores III, 5, 28

In een voorspellende droom, waarin de dichter en zijn liefje worden gesymboliseerd door een stier en een koe, wordt in de beschrijving van de omgeving het volgende vers weggelaten.

Carpebant tauri pabula laeta procul

(er graasden stieren in de verte vrolijk in het gras),
(Vertaling: John Nagelkerken)

De reden van deze weglating is hier volstrekt onbekend: het gaat hier niet om een verwijzing naar een mythe die voor het doelpubliek te obscuur is. Dit werd waarschijnlijk eerder weggelaten omdat het een parenthese vormt die de zin “nodeloos compliceert” en niet essentieel is voor een goed begrip van het geheel.

Amores III, 6, 13-16

Wanneer de dichter op zijn weg naar zijn liefje gestuit wordt door een kolkende rivier, wenst hij dat hij vleugels had.

Nunc ego, quas habuit pinnas Danaeius heros,
Terribili densum cum tulit angue caput,
Nunc opto currum, de quo Cerealia primum
Semina venerunt in rude missa solum.

Had ik nu maar de vleugels die de held, Danaë’s zoon, had
toen hij het hoofd, met gruwelslangen dichtbegroeid, meenam;
had ik nu maar de wagen waarmee voor het eerst de zaden
van Ceres werden uitgezaaid in maagdelijke grond.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Voor de goede verstaander is dit een verwijzing naar de gevleugelde sandalen die Perseus kreeg van Mercurius toen hij ten strijde trok tegen de gorgo Medusa, wier hoofd “met gruwelslangen dichtbegroeid” was en die hij onthoofdde om een einde te maken aan haar terreur. Het tweede deel verwijst naar de godin Ceres als uitvindster en godin van de landbouw, vandaar de verwijzing naar het zaad dat zij voor het eerst in de aarde zou gezaaid hebben.

Amores III, 6, 25-45

“Rivieren moeten juist jongelui bij de liefde behulpzaam zijn; er zijn trouwens die zelf ondervonden, wat liefde zeggen wil.” Aldus vat Meihuizen de volgende regels samen, die allemaal voorbeelden zijn van riviergoden die verliefd werden. Het is niet moeilijk om in te zien waarom deze passage ten prooi valt aan de regel dat te moeilijke passages, die te veel mythologische kennis veronderstellen, worden weggelaten.

Amores III, 6, 25-45

Inachus in Melie Bithynide pallidus isse
Dicitur et gelidis incaluisse vadis.
Nondum Troia fuit lustris obsessa duobus,
Cum rapuit vultus, Xanthe, Neaera tuos.
Quid? non Alpheon diversis currere terris
Virginis Arcadiae certus adegit amor?
Te quoque promissam Xutho, Penee, Creusam
Pthiotum terris occuluisse ferunt.
Quid referam Asopon, quem cepit Martia Thebe,
Natarum Thebe quinque futura parens?
Cornua si tua nunc ubi sint, Acheloe, requiram,
Herculis irata fracta querere manu;
Nec tanti Calydon nec tota Aetolia tanti,
Una tamen tanti Deianira fuit.
Ille fluens dives septena per ostia Nilus,
Qui patriam tantae tam bene celat aquae,
Fertur in Euanthe collectam Asopide flammam
Vincere gurgitibus non potuisse suis.
Siccus ut amplecti Salmonida posset Enipeus,
Cedere iussit aquam; iussa recessit aqua.
Men zegt dat Inachus verbleekt is voor ‘t Bithynisch meisje,
voor Melië, en in zijn kille voorden is verhit.
In tweemaal vijf jaar was nog steeds niet Troje ingenomen
toen aan Neaera, Xanthus, jij je hart en ziel verloor.

Vertaling: John Nagelkerken

Zo dreef toch ook verbeten liefde voor ’t Arcadisch meisje
Alpheüs zover dat hij snelde door een land ver weg.
Men zegt dat jij, Peneüs, eens Creüsa hebt verborgen
in het Phthiotisch land, die eerst aan Xuthus was beloofd.
En Asopus die werd geboeid door Thebe, van Mars stammend,
de Thebe die voor hem een vijftal dochters baren zou.
En als ik nu Acheloüs, zou vragen naar jouw horens,
dan klaagde je: ‘Gebroken door de hand van Hercules.’
Noch Caldydon noch heel Aetolië had zoveel waarde,
zoveel was voor u beiden slechts Deïanira waard.
De rijke Nijl die uitstroomt via zeven riviermonden
en die de bron van zoveel water knap verborgen houdt
heeft, naar men zegt, het vuur dat was ontstoken door Evanthe,
Asopus’ dochter, ook niet kunnen blussen met zijn vloed.
Opdat Enipeus Tyro in een droog bed kon omhelzen,
beval hij dat het water week; het week op zijn bevel.

Amores III, 6, 101-104

Aangezien de vorige passage werd weggelaten, is het logisch dat deze, die ernaar verwijst, voor de consistentie van het geheel ook weggelaten diende te worden.

Huic ego, vae! demens narrabam fluminum amores!
Iactasse indigne nomina tanta pudet.
Nescio quem hunc spectans Acheloon et Inachon amnem
Et potui nomen, Nile, referre tuum!

Ik dwaas vertelde hem liefdesverhalen van rivieren;
ik schaam me dat ik zinloos grote namen heb genoemd:
terwijl ik naar dit onbenullig stroompje keek, besprak ik
Acheloüs en Inachos en uw naam, vader Nijl.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Spijtig is wel dat hiermee een deel van de pointe van het hele gedicht verloren gaat in de vertaling, het is letterlijk en figuurlijk lost in translation.

Amores III, 10, 45-46

In dit gedicht beklaagt Ovidius zich over de negendaagse periode van verplichte seksuele onthouding in de aanloop naar een jaarlijks feest ter ere van Ceres. Het gedicht is tegelijk een lofzang op Ceres als milde godin van de landbouw (en dus ook van beschaving). Zo wordt verhaald hoe Ceres op Jasius verliefd werd. Aangezien deze mythe volledig verteld wordt, is dat geen probleem op het vlak van voorkennis, maar de volgende korte verwijzing is dat wel.

Cur ego sim tristis, cum sit tibi nata reperta
Regnaque quam Iuno sorte minore regat?

Moet ik nu droevig zijn nu U Uw dochter hebt hervonden,
die slechts voor Juno onderdoet in koninklijke macht?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Dit is een verwijzing naar de eigenlijke reden van het feest: bij het begin van de lente keer Proserpina, Ceres’ dochter, immers terug uit de onderwereld van bij haar ontvoerder en later echtgenoot Pluto. Omdat Proserpina na haar schaking immers zes granaatappelpitten had gegeten in de onderwereld, kon ze niet meer terugkeren naar de wereld van de levenden. Omdat Ceres’ hierdoor ontroostbaar was en de wereld geteisterd werd door een eeuwige winter, mocht Proserpina gedurende zes maanden per jaar naar haar moeder terugkeren, waardoor het wisselen van de seizoenen mythologisch werd verklaard. Meihuizen vond dit echter duidelijk te veel achtergrondkennis om in slechts twee verzen op te roepen en schrapte ze daarom in zijn vertaling. Jammer is wel dat het net deze twee regels zijn die de hoofdgedachte van het gedicht als geheel kernachtig vertolken.

Amores III, 12, 21-40

Het boek der liefdeszangen (p141)

In dit gedicht klaagt Ovidius opnieuw, deze keer over het feit dat zijn Corinna te veel aanbidders aantrekt omdat hij haar de hemel heeft ingeprezen in zijn gedichten. Hij komt tot de vaststelling dat het feit dat dichters over het algemeen kleurrijke en fantastische onwaarheden verkopen blijkbaar geen afbreuk doet aan het belang dat gehecht wordt aan hun woorden. In deze tijden, waarin vals nieuws soms een grote impact kan hebben, lijkt deze gedachte achteraf bekeken zelfs een beetje profetisch. Als voorbeelden van dergelijke dichterlijke fantasieën geeft Ovidius de volgende opsomming.

Amores III, 12, 21-40

Per nos Scylla patri caros furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes;
Nos pedibus pinnas dedimus, nos crinibus angues;
Victor Abantiades alite fertur equo.
Idem per spatium Tityon porreximus ingens,
Et tria vipereo fecimus ora cani;
Fecimus Enceladon iaculantem mille lacertis,
Ambiguae captos virginis ore viros.
Aeolios Ithacis inclusimus utribus Euros;
Proditor in medio Tantalus amne sitit.
De Niobe silicem, de virgine fecimus ursam.
Concinit Odrysium Cecropis ales Ityn;
Iuppiter aut in aves aut se transformat in aurum
Aut secat inposita virgine taurus aquas.
Protea quid referam Thebanaque semina, dentes;
Qui vomerent flammas ore, fuisse boves;
Flere genis electra tuas, Auriga, sorores;
Quaeque rates fuerint, nunc maris esse deas;
Aversumque diem mensis furialibus Atrei,
Duraque percussam saxa secuta lyram?

Vertaling: John Nagelkerken

Door ons draagt Scylla, die haar vaders kostbaar haar wegroofde,
razende honden rond haar liezen en haar onderlijf.
Wij gaven vleugels aan de voeten, slangen aan de haren;
als winnaar mende Abas’ kleinzoon het gevleugeld paard.
Wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte,
de adderhond hebben wij met drie koppen uitgerust.
Wij maakten dat Encelados met duizend armen gooide,
dat mannen voor de stem van vogelvrouwen zijn gezwicht.
Aeolus’ stormen stopten wij in zakken voor Odysseus,
verrader Tantalus staat in het water en lijdt dorst.
Een meisje werd berin door ons, en Niobe een steenklomp;
en Cecrops’ vogel klaagt om Itys uit Odrysia.
En Juppiter (sic) verandert zich in goud of in een vogel
of snijdt als stier door water met een meisje op zijn rug.
Moet ik van Proteus spreken, van Thebaanse zaden, tanden,
van runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt?
En hoe jouw zusters, wagenmenner, barnsteentranen huilen,
hoe zij die schepen zijn geweest nu zeegodinnen zijn,
en hoe de dag zich afwendde van Atreus’ dodenmaaltijd,
en hoe het hard gesteente citerklanken heeft gevolgd?

Scylla, die samen met Charybdis de Straat van Messina, de zee-engte tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig zou maken, was volgens de mythologie een knappe nimf, maar toen Glaucus haar de liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe haar uit jaloezie in een monster met het bovenlichaam van een vrouw, maar uit haar zij groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Ze kreeg ook twaalf poten en haar lichaam eindigde in een vissenstaart.

Om Medusa, met “slangen aan de haren” te verslaan, kreeg Perseus de sandalen van Mercurius (“vleugels aan de voeten”). Uit het bloed van de gestorven Medusa werd Pegasus, het “gevleugeld paard” geboren. Bellerophon zou, gezeten op Pegasus, later het monster Chimaera verslaan. De kleinzoon van Abas die hier vermeld wordt is niet Bellerophon, maar Perseus, die echter de achterkleinzoon van Abas is. De omschrijving met “Abantiades” laat echter enige ruimte voor interpretatie in deze specifieke passage en de verwarring tussen de stamboom van Perseus en Bellerophon is typisch voor het niet-canonieke karakter dat de mythologie in de oudheid had.

Tityos was volgens de mythologie een reus uit Euboea. Nadat hij zich vergrepen had aan Leto werd hij door haar kinderen Artemis en Apollo gedood. In de onderwereld werd hij als volgt gestraft. Hij werd vastgebonden aan de grond. Volgens de ‘Odyssee’ besloeg hij een lengte van “negen voren” (Od. XI, 576-581), vandaar dus de stelling “wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte”. Twee gieren pikten aan zijn steeds weer aangroeiende lever, een straf die sterk doet denken aan die van Prometheus.

De “adderhond” met drie koppen is Cerberus, de waakhond van de onderwereld, die volgens de mythologie een slang als staart had en ook verschillende slangen op andere plaatsten op zijn lijf.

Encelados was één van de Giganten die de heerschappij van de Olympische goden probeerden omver te werpen, wat mislukte. Hij werd volgens de mythologie onder de Etna begraven, en zou de uitbarstingen van diezelfde vulkaan veroorzaken. Hij gooide volgens de mythologie hele bomen als speren met de kracht van duizend bovenarmen.

De vogelvrouwen die Ovidius vermeldt zijn de harpijen, maar hun nichten, de Sirenen, die zeelui op de klippen lokten met hun mooie stem, waren degenen die “mannen deden zwichten”. Opnieuw contamineert Ovidius hier (bewust?) twee verschillende mythen.

De stormen die Aeolus voor Odysseus in zakken stopte, zijn een bekend gegeven uit Homerus’ Oddyssee en ook de spreekwoordelijk geworden straf van Tantalus in de onderwereld, de tantaluskwelling, wordt hier vermeld. Tantalus werd gestraft voor verschillende misdaden. Nadat hij door Zeus was uitgenodigd om bij de Olympische goden te komen eten, verraadde hij geheimen die Zeus hem verteld had. Daarnaast stal hij nectar en ambrozijn, voedsel dat voorbehouden was aan de goden. Als klap op de vuurpijl schotelde hij de goden zijn in stukken gesneden zoon Pelops voor om te testen of zij wel degelijk alwetend waren. Dat bleken ze inderdaad te zijn en ze straften hem er zwaar voor, door hem eeuwig honger en dorst te laten lijden terwijl hij in het water stond met vruchten bijna binnen handbereik.

Het meisje dat berin werd is Callisto, die door de jaloerse Juno in een berin werd veranderd en na haar dood het sterrenbeeld van de Grote Beer werd. Niobe werd veranderd in een rots, omdat ze de inwoners van Thebe beval haar te aanbidden in plaats van de godin Leto, die maar twee kinderen (Artemis en Apollo) had, terwijl zij zeven zonen en zeven dochters had. Haar kinderen werden door Artemis en Apollo gedood en zijzelf veranderde van verdriet in een rots. Uit haar tranen ontstond de rivier Acheloüs.

Jupiter veranderde zichzelf in een gouden regen om tot bij de opgesloten Danaë te geraken en in een zwaan om bij Leda te raken. Om Ganymedes te ontvoeren nam hij de gedaante van een adelaar aan, om Europa te ontvoeren veranderde hij zich in een stier.

De zeegod Proteus kon van vorm veranderen om zo te ontsnappen aan mensen die hem vroegen de toekomst te voorspellen, een andere gave van hem. Enkel wie hem kon vangen, mocht hem vragen om de toekomst te voorspellen.

De “Thebaanse zaden” waarvan sprake zijn de zogenaamde spartoi van Thebe. Toen Cadmus bij de stichting van de stad Thebe een draak verslagen had, droeg Athena hem op de tanden van de draak te zaaien. Uit de tanden groeiden geduchte soldaten.

Volgens sommige bronnen konden de runderen van Geryones, die Herakles moest stelen als één van zijn twaalf werken, vuur spuwen, vandaar de vermelding van “runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt”. De verwijzing is echter weinig specifiek.

De wagenmenner die Ovidius nogal onduidelijk aanduidt, is Phaëthon. De zonnegod Helios liet zijn zoon Phaeton op een dag de zonnewagen besturen. Phaeton kon de paarden niet in toom houden, waardoor de zon hemel en aarde verschroeide. Zo kregen de mensen in Ethiopië hun donkere kleur volgens deze mythe. Om de aarde te redden komt Zeus tussenbeide door zijn bliksemschicht naar Phaeton te slinger waardoor hij sterft. De zusters van Phaeton wenen om hem en hun neerdruppelende tranen stollen tot barnsteen.

“Atreus’ dodenmaaltijd” kan wijzen op het mythologische gegeven dat Atreus, een koning van Mycene en vader van Agamemnon en Menelaos, de zonen van zijn broer Thyestes kookte en aan hun vader als eten aanbood. Dit deed hij als wraak omdat Thyestes overspel had gepleegd met zijn vrouw en hem tijdelijk zijn troon ontnomen had.

Amphion bouwde de muren van Thebe door het “hard gesteente citerklanken te laten volgen”. Hij kon zo mooi op zijn instrument spelen dat hij de natuur kon laten gehoorzamen.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnsch” zijn, zijn in de Amores weggelaten, omdat daar thema’s zoals abortus een wel erg donkere kant van de losse moraal uit Ovidius’ tijd laten zien en omdat erectiestoornissen ook als te expliciet werden bevonden om (een vertaling van) een volledig gedicht aan te wijden. Dit gegeven verdient eigenlijk op zichzelf een uitgebreide behandeling. Dat censuur geenszins een oplossing vormt, moge duidelijk zijn.

Lees meer

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Nagelkerken, J. 1995. Amores. Baarn: Ambo.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

Coverfoto: adaptatie van het schilderij ‘The Awakening of Adonis’ van John William Waterhouse (1899) vanop Wikimedia (Public Domain)

Geef een reactie