Gert Baetens https://www.oudegeschiedenis.be Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Wed, 08 Nov 2023 10:27:36 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Gert Baetens https://www.oudegeschiedenis.be 32 32 136391722 Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/#respond Thu, 02 Nov 2023 18:08:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2493

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we uit de bewaarde papyri over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of de gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.). Van zulke Egyptische begrafenisondernemers is het reilen en zeilen uitzonderlijk goed gedocumenteerd voor deze periode, door de honderden Egyptische (vooral demotische) en Griekse papyri.

Pekelaars, watergieters en godszegelaars

Een foto van Egyptische mummies, getrokken omstreeks 1870

Zoals de Inuit veel woorden (schijnen te) hebben voor sneeuw, zo hebben Egyptenaren veel woorden voor begrafenisondernemers. In de Ptolemaeïsche papyri is de belangrijkste Egyptische titel voor balsemers chery-heb of ‘voorleespriester’, een religieuze titel die een veel ruimer toepassingsgebied heeft maar in documenten uit deze tijd vooral nog in funeraire context verschijnt. Griekse teksten duiden deze voorleespriesters doorgaans op meer prozaïsche wijze aan als taricheutes of ‘pekelaar’, een titel die men niet alleen voor balsemers, maar ook voor collega’s in de voedselconservenindustrie gebruikt. Occasioneel wordt deze titel ingeruild voor entaphiastes, een meer algemene titel voor begrafenisondernemers, of paraschistes, ‘snijder’, waarover later meer.

Balsemers worden in principe onderscheiden van priesters verantwoordelijk voor de begrafenis en dodencultus, zoals de dodenpriesters van het Huis van de Koe en het Hermias-proces. Zij worden in het Egyptisch wah-moe en in het Grieks choachytes genoemd, allebei te vertalen als ‘watergieter’: zij brengen plengoffers voor de overledenen. Daarnaast zijn zij ook betrokken bij de organisatie van Egyptische festivals. Gaandeweg lijken de taken van de balsemer en de ‘watergieter’ te zijn overgenomen door een en dezelfde specialist, de chetemoe-netjer, Egyptisch voor ‘godszegelaar’, door de Grieken vertaald als nekrotaphos, opnieuw een meer algemene titel. Op enkele plaatsen, in het bijzonder in Hawara, komt de titel chetemoe-netjer haast altijd voor in combinatie met wyt, ‘balsemer’. Er bestaan nog veel meer titels, maar je hebt er waarschijnlijk wel stilaan genoeg van. De Egyptische titels van Ptolemaeïsche begrafenisondernemers hebben een lange voorgeschiedenis: wah-moe verschijnt voor het eerst in Thebe in de Ramessidentijd; de andere titels vind je al terug in tombes uit het Oude en Middenrijk.

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)de Garis Davies, N., en Gardiner, A.H., The Tomb of Antefoker, Vizier of Sesostris I, and of His Wife, Senet (no. 60) (Londen, 1920), pl. XXI

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)

Over lijken

De Ptolemaeïsche begrafenisindustrie werd beheerst door een complex, haast absurd systeem van concessies waarin specialisten het exclusieve recht konden verwerven om funeraire diensten te verlenen aan bepaalde groepen van mensen en daaruit inkomsten op te strijken. Deze rechten konden worden verkocht, vererfd, enzovoort. Wanneer je een dierbare verloor, kon je dus niet zelf kiezen welke balsemer je onder de arm nam: er was één begrafenisonderneming die het mummificatie-recht op de overledene bezat. Een demotisch contract uit Memphis uit 78 v.C. biedt een mooi voorbeeld van zo’n concessie (P. Dem. Memphis 7, TM 43705). In dit contract erkent een groep van vier ‘godszegelaars’ het recht van een andere groep van vijf ‘godszegelaars’ op de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais. Als de familie toch met een lijk zou komen aankloppen bij de eerste groep van balsemers, moeten deze de overledene binnen de vier dagen en op eigen kosten overdragen aan de tweede groep, tenzij het dode familielid in kwestie een vrouw zou zijn die gehuwd is met een man uit een familie waarop de eerste groep het recht heeft én een kind met hem heeft, dit alles “in overeenstemming met de wet van de voorleespriesters.” Kan je nog volgen?

Demotisch contract tussen godszegelaars uit Memphis over de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais (P. Dem. Memphis 7 A, 78 v.C.)

Begrafenisondernemers zagen nauwgezet toe op hun rechten en aarzelden niet om juridische stappen te ondernemen wanneer hun belangen met de voeten werden getreden. Dat kon aanleiding geven tot langdurige conflicten, zoals het geschil tussen Amenothes en Petenephotes, gedocumenteerd door enkele Griekse papyri uit Thebe (P. Tor. Amen. 6/7/8, TM 3596/3597/3598). Deze twee ‘snijders’, tevens bekend uit demotische papyri als ‘voorleespriesters’, hadden naar goede gewoonte een gedetailleerde overeenkomst afgesloten over hun respectievelijke rechten in de plaatselijke mummificatie-industrie. Petenephotes mocht de doden uit verschillende dorpen ten westen van de Nijl mummificeren, Amenothes de doden uit verschillende dorpen ten oosten van de Nijl, met één belangrijke uitzondering: de priesters en slaven uit de tempel van Amon (Karnak), die eveneens binnen de competentie van Petenephotes vielen.

Tempel van Chonsoe (Karnak, Nieuwe Rijk)

Die regeling leidde meer dan eens tot problemen. In 119 v.C. daagde Amenothes Petenephotes voor het gerecht omdat laatstgenoemde vrijgelatenen en afstammelingen van priesters uit de tempel had gebalsemd, terwijl hij alleen het recht op de priesters zelf en de slaven bezat. Amenothes werd in zijn gelijk gesteld. Op zijn beurt klaagde Petenephotes in 116 v.C. Amenothes aan: deze had een districtsschrijver gemummificeerd die weliswaar in een van Amenothes’ dorpen was gestorven maar woonachtig was in een van Petenephotes’ dorpen. Volgens Petenephotes had zijn collega hem al eerder in de luren gelegd door zijn diensten aan te bieden voor zieken die met hoop op herstel naar de tempel van Karnak waren gebracht (misschien meer bepaald naar de bijhorende tempel van Chonsoe, bekend voor zijn geneeskundige krachten) maar het loodje hadden gelegd. Petenephotes lijkt daarbij tactisch te verzwijgen dat hijzelf eigenlijk ook alleen maar het mummificatie-recht op de priesters en slaven van de tempel bezat, niet op zieken die er tijdelijk verbleven. De begrafenisondernemers gingen letterlijk en figuurlijk over lijken.

Eentje met natron (en zonder fouten)

Als klant kan je dan maar best eveneens goede afspraken met de balsemers maken. Het British Museum bewaart een zeldzaam voorbeeld van een mummificatie-contract, opgesteld in Thebe in 269 v.C., in het demotisch en in dubbele redactie (P. BM EA 10077, TM 46059). Het contract begint met een kwitantie van de begrafenisondernemer aan zijn cliënt:

Je hebt me volledig betaald voor de belasting op natron, het loon van de balsemer en alles wat de mummificatie van Paoeser je zoon betreft.

Demotisch mummificatie-contract uit Thebe (269 v.C., British Museum, EA 10077)

Natron is een belangrijk mummificatieproduct, dat gebruikt werd om lichamen te dehydrateren. Vorige commentatoren hebben hier “het aandeel van natron” of zelfs “de reiniging met natron” gelezen, maar het gaat duidelijk om de belasting. In plaats van “het loon van de balsemer” hebben onderzoekers vroeger “mummiewindsels” gelezen: het is altijd opletten geblazen met demotische teksten. Na deze kwijting somt de begrafenisondernemer zijn plichten op: hij zal Paoeser behandelen met pecheret of “medicamenten” (een mooie term voor mummificatieproducten, die de dode van bederf “genezen”), hij zal hem overhandigen aan de watergieter van zijn cliënt (die wellicht de eigenlijke begrafenis verzorgt) en hij zal geen “fout van een voorleespriester” begaan, wat wellicht slaat op fouten in de mummificatie, heel vervelend als je je lichaam na de dood nog nodig hebt… Voor alle zekerheid wordt er ook een deadline vastgesteld: vreemd genoeg 52 dagen (vroeger verkeerdelijk gelezen als 72), terwijl een mummificatie in principe ongeveer 70 dagen duurde.

Enkele jaren geleden dook er tijdens opgravingen in Tebtynis in de Fajoem-oase een nieuw Ptolemaeïsch mummificatie-contract op, voor de overleden echtgenote van een priester (P. Tebt. SCA 6863). Het contract begint opnieuw met een kwijting voor een belasting, deze keer geheven op de “medicamenten” (pecheret), alsook een kwijting voor de aankoopprijs van sefy, een van de belangrijkste funeraire producten in deze periode, wellicht een pekachtige substantie afkomstig van naaldbomen. De begrafenisondernemer verbindt zich ertoe de mummificatie volgens de regeltjes uit te voeren en de klant is op zijn beurt verplicht om alle verdere kosten te betalen.

Het kan op het eerste zicht verbazing wekken dat er zo veel papyri over begrafenissen maar slechts twee mummificatie-contracten gevonden zijn, maar hier zijn twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste werden deze contracten normaal gezien bijgehouden in de archieven van de klanten eerder dan de archieven van de begrafenisondernemers, maar zijn deze laatste veel beter bewaard omdat zij vaak hoog en droog in tombes in de woestijnrand werden opgeborgen. Ten tweede werden dergelijke contracten waarschijnlijk enkel opgesteld als de klant vooruitbetaalde en/of de overeenkomst een rijkelijke begrafenis betrof. Wie betaalt, bepaalt.

Dood en taksen

Bovengenoemde belastingen op natron en “medicamenten” (pecheret) zijn niet de enige in hun soort. Honderden potscherven uit de Grieks-Romeinse periode bevatten kwitanties voor funeraire belastingen, vaak geheven op de eigenlijke begrafenis (een vaste som per lichaam), maar ook op funeraire producten, begraafplaatsen, enzovoorts. De overheid toonde zich zelden zo inventief. Benjamin Franklin merkte al op dat “in this world, nothing is certain except death and taxes.”

Griekse kwitantie uit Diospolis Mikra voor belasting op mummificatie of balsemers en kedria (O. NYU 4, 105 v.C., New York University, O. 18)

Een laat-Ptolemaeïsche Griekse papyrus in de Leuvense collectie (te verschijnen als P. Kynopolites 4, TM 47586 ; 92/59 v.C.) biedt een interessant beeld van overheidsinmenging in de begrafenisindustrie. In dit document geven pachters van de belasting op pharmakon en kedria (duidelijk identiek aan bovenvermelde pecheret en sefy, respectievelijk “medicamenten” en de substantie afkomstig van naaldbomen) de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) van Apollonos Polis in de Kynopolitische nome de toelating om de doden uit de regio te begraven en om voor een vooropgesteld bedrag kedria van de overheid te kopen, op voorwaarde dat zij een hele reeks funeraire belastingen betalen.

 

Overheidscontrole op het belangrijke funeraire product kedria is ook uit andere bronnen bekend: er is bijvoorbeeld een verzoekschrift bewaard over ibisbegravers die kedria bij smokkelaars kopen in plaats van bij de koninklijke winkel. Het doet allemaal hard denken aan het monopolie op olie. De expliciete vermelding van de aankoopprijs van sefy in het eerder genoemde mummificatie-contract uit Tebtynis moet waarschijnlijk ook in deze context begrepen worden. De meeste funeraire belastingen in de Kynopolitische papyrus zijn nog niet bekend uit andere bronnen. De nekrotaphoi moeten niet alleen 600 bronzen drachmen betalen voor elke begrafenis, maar ook 2700 drachmen “voor elk lijk”, dezelfde 2700 drachmen “voor degenen die in de grond neergelegd en terug opgegraven zullen worden voor 70 dagen” en 400 drachmen “na de 70 dagen”: deze belastingen hebben geen betrekking op de begrafenisceremonie maar op de mummificatie. Raar genoeg verbindt de Ptolemaeïsche overheid fiscale consequenties aan het al dan niet respecteren van de canonieke mummificatie-periode van 70 dagen.

De referentie naar lichamen die tijdelijk in de grond worden gestopt roept ook veel vragen op: is dit een alternatieve, goedkopere balsemingsmethode? Een Romeinse grafinscriptie van een Griekse jongen uit Hermopolis (I. Hermoupolis 71, 2de eeuw n.C.) biedt een mogelijke parallel: de knaap vertelt dat hij zijn neef heeft opgedragen om hem “niet te begraven en opnieuw op te graven.” Hij lijkt het niet hoog op te hebben met Egyptische funeraire gebruiken, want hij wil ook begraven worden “zonder kedria en vieze stank, zodat je (= de voorbijganger) niet van me wegvlucht zoals van de andere lijken.” De Kynopolitische papyrus eindigt overigens met een positieve noot: belastingen voor dode kinderen zijn halve prijs.

Vrouwen aan de top

De mummificatie-industrie wordt doorgaans beschouwd als een mannenbastion, maar een nieuwe vondst suggereert dat de werkelijkheid complexer was. Onderzoekers weten al langer dat vrouwen ook als bezitters van funeraire rechten verschijnen in de papyri, maar beargumenteren dan telkens dat zij het eigenlijke werk wel aan mannelijke familieleden zullen hebben uitbesteed. Van een vrouw kan je zoiets toch niet verwachten? Vrouwen worden ook soms als ‘voorleespriester’ vermeld in demotische censuslijsten, maar daar worden ze wel vaker onder het beroep van hun echtgenoot gesorteerd. Toch is er mogelijk meer aan de hand. Een van deze lijsten somt vijf ‘voorleespriesters’ uit de 2de eeuw v.C. uit Shashotep in Midden-Egypte op (P. Count. 53, TM 44406):

Peteharmotnis zoon van …, zijn echtgenote Senpres, Petophois zoon van Totoes, zijn echtgenote Tapsais, Taw… de dochter van Chapochrates. Vijf personen, waaronder twee mannen.

Detail van doodskist van de vrouw Artemidora (Meir, Romeinse Tijd, Metropolitan Museum of Art, 11.155.5)

Door een gelukkig toeval is er in de papyruscollectie van Trinity College Dublin een Grieks verzoekschrift over een conflict tussen enkele van deze begrafenisondernemers bewaard gebleven, ingediend door de ‘pekelaar’ Petophois zoon van Totoes, duidelijk identiek aan de ‘voorleespriester’ Petophois in de demotische lijst (P. TCD Pap. Gr. env. 301, TM 58458). In het verzoekschrift doet hij zijn beklag over Senpres dochter van Teebekis en haar echtgenoot Peteharmonthes (hier = Peteharmotnis), die eveneens voorkomen in de demotische lijst, en een andere vrouw en man, allemaal actief als ‘pekelaars’. Door de fragmentaire bewaringstoestand van het document is de precieze aard van het conflict onduidelijk, maar de problemen hebben duidelijk te maken met het werk van de balsemers: er wordt bijvoorbeeld opnieuw verwezen naar kedria. De vrouwen spelen geen tweede viool, maar zijn de hoofdbeklaagden: Senpres wordt opmerkelijk genoeg vóór haar echtgenoot vermeld, op de derde plaats nog een vrouw. Misschien toch twee keer nadenken voor we vrouwen elke rol van belang in mummificatie ontzeggen? De aanklager Petophois komt trouwens uit een notoire familie van ruziemakers. Het zogenaamde Sioet-archief uit het British Museum informeert ons over (alweer) een resem juridisch procedures met betrekking tot hun familiale mummificatie-rechten en andere bezittingen, naar aanleiding van het tweede huwelijk van Petophois’ grootvader Petetymis.

De Griekse historicus Herodotus (5de eeuw v.C.) dist in zijn beschrijving van Egypte een bijzonder wansmakelijk detail over de mummificatie van vrouwen op (Hist. II 89):

De vrouwen van aanzienlijke mannen geeft men, wanneer ze sterven, niet meteen af om te pekelen, evenmin als vrouwen van grote schoonheid en betere reputatie, maar slechts nadat drie of vier dagen verstreken zijn, geeft men ze aan de pekelaars. Dat doet men om deze reden, dat de pekelaars geen gemeenschap met de vrouwen hebben.

Op basis van deze passage hebben enkele onderzoekers gespeculeerd dat de mummificatie van vrouwen misschien wel vaker aan leden van hetzelfde geslacht werd toevertrouwd, maar dat lijkt heel onzeker. Documenten over funeraire rechten maken in principe geen onderscheid tussen lijken van mannen en vrouwen en de anekdote van Herodotus zou een broodjeaapverhaal kunnen zijn. De genoemde “drie of vier dagen” doen denken aan de traditionele Egyptische rouwperiode van vier dagen, die mogelijk ook verbonden kan worden met de eerder genoemde bepaling in P. Dem. Memphis 7 om fout afgeleverde lichamen binnen de vier dagen aan de juiste begrafenisondernemer te bezorgen. Ongetwijfeld had het verhaal wel succes bij Herodotus’ lezerspubliek.

Paria’s

Volgens de Griekse historicus Diodorus (1ste eeuw v.C.) moet men een onderscheid maken tussen ‘snijders’ (paraschistai) en ‘pekelaars’ (taricheutai): de ‘snijder’ zou een soort van paria zijn die enkel verantwoordelijk is voor de initiële snede in de linkerzij van de overledene en vervolgens ritueel weggejaagd wordt met stenen; de ‘pekelaar’ zou de rest van de mummificatie uitvoeren en wel in hoog aanzien staan bij de bevolking (Bibl. Hist. I 91). Herodotus maakt dit onderscheid niet en zoals reeds eerder uitgelegd lijken de titels ‘snijder’ en ‘pekelaar’ in de papyri op dezelfde hoogte te staan, als Griekse tegenhangers van de Egyptische titel van ‘voorleespriester’. Is het verhaal van Diodorus dan helemaal uit de lucht gegrepen? Misschien niet helemaal…

Ten eerste kan er gewezen worden op een recent ontdekte mummificatie-handleiding uit het Nieuwe Rijk (een goede duizend jaar vóór de Ptolemaeïsche periode dus), die zelfs het Belgische nieuws heeft gehaald (P. Louvre E 32847 + P. Carlsberg 917). Deze tekst vermeldt verschillende groepen van mummificatie-specialisten, waaronder opnieuw de ‘voorleespriester’ maar ook de wedjaoe, afgeleid van het werkwoord wedja, “snijden”, die bovendien weer verantwoordelijk blijkt voor de snede in de linkerzij. De Griekse titel paraschistes heeft hierdoor voor het eerst een duidelijke Egyptische basis, al is het niet helemaal duidelijk of de Egyptische titel wedjaoe nog bestond in de Ptolemaeïsche periode. Verder bevatten twee Ptolemaeïsche papyri aanwijzingen dat balsemers op sommige plaatsen en tijdstippen effectief zijn uitgesloten uit de maatschappij, net als de ‘snijders’ in Diodorus’ relaas.

Grieks verzoekschrift uit Tanis in de Fajoem-oase van de begrafenisondernemer Onnophris (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., Papyrusverzameling Keulen, P. 21358)

De eerste aanwijzing komt uit het fameuze verzoekschrift over kittens (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., TM 704850). De dierenvriend die deze Griekse petitie indiende en kittens in zijn huis had opgenomen, was een begrafenisondernemer, de entaphiastes Onnophris, die elders ook ‘pekelaar’ en ‘voorleespriester’ wordt genoemd. In het verzoekschrift zegt Onnophris op een gegeven ogenblik dat hij zich niet “in het dorp kon laten zien vanwege mijn beroep.” Een expliciete getuigenis voor sociale segregatie. Het document maakt deel uit van een groter papyrusarchief van Onnophris en een collega, die zich behalve met lijken en katjes vooral bezighielden met – kan je het al raden? – rechtszaken over funeraire concessies.

Voor de tweede getuigenis moeten we terugkeren naar het proces tussen Hermias en de dodenpriesters. Dit dispuut had voor een keer niets te maken met funeraire rechten, maar met een groot huis op de oostelijke oever van Thebe, betwist tussen Hermias en de begrafenisondernemers. De advocaat van Hermias stelde tijdens zijn pleidooi dat er enige tijd voorheen op instigatie van de koninklijke arts een bevel was uitgevaardigd dat alle ‘pekelaars’ in Thebe moesten verhuizen naar de westelijke oever, waar de necropool zich bevond (P. Tor. Choach. 12, TM 3563). Voor Hermias mocht het niet baten: de advocaat van zijn tegenstanders legde uit dat zijn cliënten geen ‘pekelaars’ maar ‘watergieters’ waren en er bovendien nog een bijkomende verordening was uitgevaardigd om de ‘pekelaars’ tegen misbruik te beschermen. Toch levert dit opnieuw een aanwijzing voor sociale uitsluiting.

Tot slot kan er gewezen worden op een gelijkaardig gegeven in papyri uit het laat-Romeinse archief van de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) uit de Charga-Oase (3de-4de eeuw n.C.): zij worden regelmatig omschreven als exopylitai, ‘buitenpoorters’, of allophyloi, ‘andersstammigen’. Dit suggereert opnieuw dat zij de reguliere woongebieden niet mochten betreden.

Het is niet duidelijk in hoeverre we deze getuigenissen mogen veralgemenen: op andere plaatsen en tijdstippen lijken Egyptische balsemers wel gewoon onder de andere mensen te hebben geleefd. Waarom zouden ze apart moeten wonen? In veel culturen wordt contact met dode lichamen als onrein beschouwd en worden begrafenisondernemers uit het gewone sociale leven geweerd. In Romeins Puteoli bijvoorbeeld moesten begrafenisondernemers op een bepaalde afstand van de stad wonen en mochten zij deze alleen betreden voor officiële zaken (zoals vastgesteld in de Lex Libitinaria). Ook in de Griekse wereld werden lijken als bron van vervuiling (miasma) gezien. Misschien speelde er Grieks-Romeinse invloed mee? Toch geef ik graag nog een bijkomende verklaring voor de Egyptische balsemers: het waren lastpakken!

Lees meer

G. Baetens, ‘A Dead Man’s Contract: P. BM EA 10077 Revisited’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde 150/2 (2023), pp. 1-12.
G. Baetens, ‘An Embalmers’ Dispute in Hypsele/Shashotep’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 66 (2020), pp. 273-312.
M. Cannata, Three Hundred Years of Death: The Egyptian Funerary Industry in the Ptolemaic Period, Leiden/Boston, 2020.
T. Derda, ‘Necropolis Workers in Greco-Roman Egypt in the Light of the Greek Papyri’, Journal of Juristic Papyrology 21 (1991), pp. 13-36.
Y. Uytterhoeven, Hawara in the Graeco-Roman Period: Life and Death in a Fayum Village, Leuven, 2009.

Deze blogpost is een herwerkte versie van het originele artikel: G. Baetens, Balsemers in Ptolemeïsch Egypte. Een ingewikkelde geschiedenis, Ta-Mery 15 (2003). (Deze uitgave van Huis van Horus is het enige Nederlandstalig magazine over het oude Egypte en bevat populair-wetenschappelijke artikelen geschreven door egyptologen uit Nederland en Vlaanderen).

Coverafbeelding: een adaptatie van de afbeelding ‘Coffin fragment with Nut and Anubis’ vanop Wikimedia (Public Domain: CC0 1.0 DEED).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/feed/ 0 2493
Valentijn in Egypte: overspel in de papyri https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2019/valentijn-in-egypte-overspel-in-de-papyri/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2019/valentijn-in-egypte-overspel-in-de-papyri/#respond Thu, 14 Feb 2019 15:39:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1238 overspel in de papyri

Naar aanleiding van Valentijn schrijven we een special over papyri die ons een geprivilegieerde inkijk bieden in de dagdagelijkse realiteit van de Egyptische oudheid. De meeste papyrusteksten die tot ons zijn gekomen zijn nooit bestemd geweest voor een ruim publiek, maar alleen voor beperkt gebruik. Maar bieden deze papyri ook een inkijk in de slaapkamer van onze voorouders? Wat vertellen de papyri over overspel?

Het bericht Valentijn in Egypte: overspel in de papyri van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
overspel in de papyri

In 2017 pakte het weekblad Flair uit met een onthutsend artikel: uit een wereldwijde bevraging (door datingsite Victoria Milan) bleek dat 38% van de vrouwen en 36% van de mannen Valentijn liever zouden doorbrengen met hun minnaar dan met hun vaste partner. Maar liefst 21% van de bevraagden gaven aan Valentijn bij voorkeur te willen vieren met hun minnaar én partner. Verontrustende resultaten, maar Flair heeft altijd gelijk. Wij grijpen deze feestdag van de liefde graag aan voor een korte uiteenzetting over overspel in de papyri.

De vele duizenden papyri die de tand des tijds hebben doorstaan in het droge klimaat van Egypte bieden een geprivilegieerde inkijk in de dagdagelijkse realiteit van de Egyptische oudheid. De meeste papyrusteksten die tot ons zijn gekomen zijn nooit bestemd geweest voor een ruim publiek, maar alleen voor beperkt gebruik: brieven, contracten, gerechtsstukken, kwitanties, rekeningen en dergelijke meer, niet zo verschillend van wat je vandaag aantreft in de prullenmand. De schrijvers van deze papyrusteksten hadden echter nooit kunnen bevroeden dat beschaving de mens op een dag zo ver zou drijven deze papyri uit hun prullenmand op te diepen en letter voor letter te ontcijferen om de arme stakkers hun diepste geheimen te ontfutselen. Dit voyeurisme heeft zich vandaag ontwikkeld tot een wetenschappelijke discipline, druk beoefend door Leuvense oudheidkundigen. Maar bieden deze papyri ook een inkijk in de slaapkamer van onze voorouders? Wat vertellen de papyri over overspel?

#MeToo

We beginnen onze reis in het Nieuwe Rijk, iets langer dan 3000 jaar geleden. Overspel met gehuwde vrouwen bekleedt een prominente plaats in een aantal klachten uit de Ramessidentijd, hoofdzakelijk afkomstig uit de arbeidersnederzetting Deir el-Medina, nabij de Vallei der Koningen. Een goed voorbeeld van zulke klacht is Papyrus Salt 124 (= P. BM 10055), waarin een zekere Amennacht zijn dorpsgenoot Paneb van allerhande kwaad beschuldigt ten overstaan van de vizier (de eerste minister zeg maar). Paneb werd niet alleen beschuldigd van diefstal, omkoping en geweld, maar ook van onkuise handelingen met een hele resem vrouwen:

Paneb had seks met de dorpsbewoonster Tuy, die de vrouw is van de werkman Qenna; hij had seks met Hul, die samen is met Pendwau; hij had seks met de dorpsbewoonster Hul, die samen is met Hesysunebef (…) en wanneer hij seks had gehad met Hul, had hij seks met Webchet, haar dochter; en Aapehty, zijn zoon, had eveneens seks met Webchet.

Paneb maakte het dus wel erg bont. Mogelijk was hierbij machtsmisbruik in het spel: Paneb was opzichter van de werken aan het koningsgraf in de Vallei der Koningen en had als dusdanig heel wat invloed in het arbeidersdorp Deir el-Medina. #MeToo in het oude Egypte?

Deir el-Medina

Het voorbeeld van womanizer Paneb mag natuurlijk niet veralgemeend worden. Een heel andere kijk op huwelijkstrouw vinden we in P. Leiden I 371, eveneens uit de Ramessidische periode. In deze brief van een man aan zijn overleden echtgenote – zulke brieven schreven Egyptenaren wel vaker – benadrukt de eerste herhaaldelijk dat hij zijn vrouw altijd trouw is gebleven, zowel voor als na haar dood. Misschien brengt deze geste de romantische zielen onder ons in vervoering, maar recent onderzoek door Lana Troy stelt vraagtekens bij de traditionele romantische interpretatie van deze papyrus. Volgens Troy beschuldigt de schrijver van P. Leiden I 371 de geest van zijn dierbare van onheil: ofschoon hij altijd zo goed voor zijn vrouw heeft gezorgd, valt zij hem lastig vanuit het dodenrijk.

De wijze raad van Anchsjesjonqy

 Vooraleer we kijken naar documentaire papyri uit latere periodes, kan het interessant zijn om even stil te staan bij referenties naar overspel in literaire papyri. Een eerste verwijzing naar overspel vinden we in het Dodenboek, een verzameling van funeraire teksten die sinds het Nieuwe Rijk gebruikt wordt om doden te begeleiden tijdens hun tocht door de onderwereld en occasioneel ook om de mummie van Imhotep tot leven te wekken. In de zogenaamde ‘Negatieve confessie’, uitgesproken door de overledenen wanneer zij voor de dodengod Osiris verschijnen en hun hart door Anubis wordt gewogen, geven de doden een opsomming van allerhande stoute zaken waaraan zij zich nooit hebben bezondigd: zij hebben niet gemoord, niet gestolen, niet gelogen, niemand pijn gedaan, niemand doen wenen … én zij zijn niet vreemdgegaan. Als hun hart rechtvaardig blijkt, mogen zij in de onderwereld blijven wonen; zo niet, worden zij opgegeten door de nijlpaardleeuwkrokodil Amemet (kan je het horen?), een onplezierige tweede dood.

Het wegen van het hart in het Dodenboek van Any (P. BM 10470, ca. 1250 v.C.)

Al even gruwelijk is het ‘Verhaal van de twee broers’, bewaard op Papyrus D’Orbiney (P. BM 10183). Deze vertelling gaat – ja hoor! – over twee broers, Anubis en Bata, die eerst eensgezind samen land bewerkten, maar spoedig in een ruzie verwikkeld raakten om een vrouw. Toen de echtgenote van Anubis hem op een dag kwam vertellen dat zijn jongere broer Bata haar had proberen verleiden, besloot Anubis zijn broer te vermoorden. Bata kon ternauwernood ontsnappen door een schietgebedje tot de zonnegod te richten, die een meer vol krokodillen tussen de twee broers tevoorschijn toverde. Dit bood Bata de gelegenheid om zich te verdedigen: allereerst verzekerde hij zijn broer van zijn eerlijkheid door zijn eigen edele delen af te snijden en in het water te werpen en vervolgens legde hij uit dat hij zijn schoonzus helemaal niet had proberen versieren, maar zijn schoonzus hem! Toen zij was afgewezen, had de listige vrouw het verhaal omgedraaid in de hoop dat haar echtgenoot zich op Bata zou wreken. Toen Anubis dat vernomen had, keerde hij onmiddellijk naar huis terug, doodde hij zijn echtgenote en wierp hij haar voor de honden. Het verhaal gaat nog even verder, maar uiteindelijk werden Bata en Anubis koning en kroonprins en leefden zij nog lang en gelukkig.

Ook de zogeheten Egyptische wijsheidsteksten bieden een interessante blik op morele concepties rond overspel in het oude Egypte. De ‘Leer van Anchsjesjonqy’ (P. BM 10508 e.a.) kan dienen als voorbeeld. Deze lange reeks van raadgevingen van de gevangen priester Anchsjesjonqy aan zijn zoon, aldus het kaderverhaal, bevat niet alleen belangrijk huwelijksadvies van algemene aard (bv. “degene die zich schaamt voor seks met zijn vrouw zal geen kinderen krijgen”), maar verwijst ook meerdere malen naar overspel. Bij momenten zijn de raadgevingen best geestig: “huw niet met een vrouw wier echtgenoot nog leeft, opdat je jezelf geen vijand zou maken”, “indien je je vrouw met haar minnaar aantreft, troost jezelf dan eveneens met een (nieuwe) bruid”, of “als een vrouw geen zorg draagt voor het bezit van haar echtgenoot, heeft zij een andere man in gedachten”. Waarschuwingen zoals “degene die een gehuwde vrouw liefheeft zal gedood worden op haar deurdrempel” of “degene die een gehuwde vrouw neemt op haar bed, zijn vrouw zal genomen worden op de grond” zijn veel minder grappig: zij getuigen van moord en verkrachting als vorm van eerwraak. In het algemeen is de wijze raad van Anchsjesjonqy weinig vrouwvriendelijk.

God, geld en seks

De talrijke papyri uit Ptolemaeïsch Egypte bevatten ook interessante gegevens. Een eerste belangrijke groep van teksten in dit kader zijn de tempeleden: deze eden, overigens een uitvinding van vroegere datum, werden gezworen in heiligdommen in de naam van de goden en houden doorgaans verband met rechtszaken en disputen. Zij werden neergeschreven op potscherven (ostraca), die eveneens deel uitmaken van het papyrologische werkveld. Meer dan twintig van deze eden betreffen huwelijksproblemen en verschillende van deze teksten refereren naar overspel. Zo zwoer bijvoorbeeld een zekere Taminis omstreeks het einde van de 2de eeuw v.C. in Djeme (op de oostelijke oever van Thebe): “Sinds mijn huwelijk met jou tot op vandaag heb ik jou niet bestolen, heb ik jou niet beroofd, heb ik niets in het geheim gedaan, voor meer dan 20 zilverlingen; ik heb niet met een (andere) man geslapen tijdens ons huwelijk” (O. BM 31940 = O. Tempeleide 7). Wanneer je dit corpus van teksten van naderbij bekijkt, valt het op dat het overgrote deel van deze eden met betrekking tot overspel gezworen worden door vrouwen. Opnieuw een teken van vrouwonvriendelijkheid? Ja en neen: onderzoekers hebben gewezen op een nauwe band tussen deze eden en bepalingen in het Egyptische huwelijksrecht. Een echtscheiding zonder grondige reden kon een man een bomvol geld kosten; kon hij echter aantonen dat zijn vrouw hem ontrouw was geweest of oneerlijk was geweest over de financiële huishouding, was hij veel minder geld aan zijn echtgenote verschuldigd. Het eisen van een tempeleed was een goede manier om dit te bewijzen. Mannen konden hun vrouw wel beter niet in het wilde weg van ontrouw beschuldigden: als zij uiteindelijk de eed durfden zweren en aldus hun onschuld bewezen, moest hun echtgenoot een boete betalen. “Waarom lieg je dan niet gewoon?”, vraag je je vandaag af. Het antwoord is eenvoudig: de goden in wier naam je meineed had gezworen en in wie de Egyptenaren hartstochtelijk geloofden, konden je op allerlei vreselijke manieren straffen.

De reglementen van religieuze verenigingen vormen een tweede belangrijke bron van informatie. Het reglement van de ‘associatie van de tempel van Horus Behdety’ (P. Lille Dem. I 29, 223 v.C.) bestraft overspel met de echtgenote van een ander lid van de vereniging met uitsluiting uit de associatie en een boete van 2 kite zilver: op zich niet onoverkomelijk als je weet dat dit bedrag overeenstemt met zo’n 12 daglonen en dat je vier keer zwaarder werd beboet als je een ander lid van de vereniging vertelde dat hij lepra had, terwijl dat niet waar was. In de ‘associatie van de krokodil’ in Tebtynis was het wel opletten geblazen: daar betaalde je in geval van overspel 300 deben of 3000 kite (P. Prague, 137 v.C.). Het is moeilijk om de precieze waarde van deze geldsom in te schatten, vanwege de instabiliteit van het Ptolemeïsche monetaire systeem in deze periode, maar in ieder geval lijkt het om een aanzienlijk bedrag te gaan: voor 300 deben kon je in deze vereniging even goed driemaal je overste slaan of drie collega’s van lepra beschuldigen. Misschien was de krokodillenclub recentelijk opgeschrikt door een schandaaltje?

Demotisch reglement van de ‘associatie van de tempel van Horus Behdety’ (P. Lille dem. I 29, 223 v.C.)F. De Cenival. Les associations religieuses en Égypte d'après les documents démotiques

Demotisch reglement van de ‘associatie van de tempel van Horus Behdety’ (P. Lille dem. I 29, 223 v.C.)

Crimes passionnels

De laatste papyrus die hier de revue zal passeren, dateert uit de late 4de eeuw n.C. BGU IV 1024 is een fragment uit een juridisch handboek, dat drie samenvattingen van moordprocessen bevat. De eerste zaak betreft een man die zijn echtgenote op heterdaad betrapte met een minnaar; laatstgenoemde kon vluchten, maar de vrouw werd door haar man neergestoken. De tweede zaak, “tegen iemand die zijn vriendin te graag ziet”, lijkt sterk op de eerste, maar in dit geval zijn de man en de overspelige vrouw niet gehuwd. De derde zaak, tot slot, gaat over de moord op een prostituee door een jaloerse Alexandrijnse senator. Deze ‘crimes passionnels’ herinneren aan de Ptolemaeïsche petities van de tweelingzussen in het Memphitische Serapeum, die al eens besproken werden op deze blog: de moeder van deze meisjes had haar minnaar gevraagd om haar echtgenoot uit de weg te ruimen. Het lot van de eerste man uit het juridische handboek is onbekend. In de tweede zaak gold de liefde als verzachtende omstandigheid en werd de moordenaar ‘slechts’ veroordeeld tot levenslange dwangarbeid in de mijnen. De Alexandrijnse senator op zijn beurt kon op minder clementie rekenen: de rechter koos partij voor de prostituee, een meelijwekkend wezen dat gedwongen werd haar lichaam te verkopen, en veroordeelde de senator, die zijn stand ten schande had gemaakt, tot de dood. Ook vandaag nog wordt liefdeswaanzin in sommige rechtssystemen ingeroepen als verzachtende omstandigheid in moordzaken. In België is dit gegeven in 1997 uit de wet geschrapt. Toch nog niet helemaal gerust? Dan moet je maar Valentijn vieren met je eigen partner!

Lees meer

Christopher Eyre, ‘Crime and Adultery in Ancient Egypt’, The Journal of Egyptian Archaeology 70 (1984), p. 92-105.

Françoise De Cenival. Les associations religieuses en Égypte d’après les documents démotiques (Bibliothèque d’étude de l’Institut français d’archéologie orientale 46). Caïro, 1972.

James Keenan, ‘Roman Criminal Law in a Berlin Papyrus Codex (BGU IV 1024-1027), Archiv für Papyrusforschung 35 (1989), p. 15-23.

Sandra Lippert, S., Einführung in die altägyptische Rechtsgeschichte (2de editie), Berlin, 2012.

Lana Troy, ‘How to treat a lady: Reflections on the ‘notorious’ P. Leiden I 371’, in Rune Nyord & Kim Ryholt (edd.), Lotus and Laurel: Studies on Egyptian Language and Religion in Honour of Paul John Frandsen, Kopenhagen, 2015, p. 403-418.

Coverfoto: adaptatie van schilderij ‘Cleopatra’ door Alexandre Cabanel op Wikimedia (CC0) en de afbeelding ‘Turin Erotic Papyrus Scene’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Valentijn in Egypte: overspel in de papyri van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2019/valentijn-in-egypte-overspel-in-de-papyri/feed/ 0 1238