Sulla Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/sulla/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 17 Jan 2025 14:12:19 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Sulla Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/sulla/ 32 32 136391722 Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/ https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/#respond Sun, 17 Nov 2024 16:24:08 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2625 Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. In dit artikel bieden we een overzicht van het panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners.

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
In this world nothing can be said to be certain, except death and taxes”. De gevleugelde woorden van Benjamin Franklin worden bevestigd door documenten die in 1789 nog niemand kon lezen. Sumerische en Egyptische teksten uit het 3de millennium v.C. tonen hoe staten al bij het begin van de geschiedenis inkomsten verzamelden. Alle overheden, huidige en historische, staan op dat vlak voor gelijkaardige uitdagingen. De oplossingen kunnen echter sterk uiteenlopen.

Sumerische kwitantie voor stro uit de 21ste eeuw v.C.

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. Fiscale hervormingen vormen tevens het onderwerp van mijn nieuwe postdoctorale project ‘FARE‘. Naar aanleiding daarvan bied ik u graag een panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners. Hopelijk maakt dat uw volgende aangifte net iets minder pijnlijk, of voelt u zich op zijn minst een beetje verbonden met uw antieke lotgenoten.

“The thunder of world history”

Fiscaliteit doet misschien niet spontaan veel harten sneller slaan (althans niet van degenen die braaf het verschuldigde betalen). Waarom zouden we ons moeten interesseren voor fiscale geschiedenis? Joseph Schumpeter, een van de meest invloedrijke economen uit de 20ste eeuw, verwoordde het als volgt:

“The spirit of a people, its cultural level, its social structure, the deeds its policy may prepare — all this and more is written in its fiscal history, stripped of all phrases. He who knows how to listen to its message here discerns the thunder of world history more clearly than anywhere else.” (Crisis of the Tax State, 1918)

Het “gedonder van de wereldgeschiedenis” dus! Dat klinkt behoorlijk dramatisch, maar belastingen en hun organisatie bieden inderdaad een schat aan informatie over sociale, economische en politieke geschiedenis. Omdat belastingen een constante zijn doorheen de geschiedenis is een historisch perspectief ook relevant voor de organisatie van onze fiscaliteit, en de antieken kunnen ons een en ander leren over hoe of misschien vooral hoe niet belastingen te organiseren.

Enkele misverstanden over belastingen in de Oudheid

Deze munt van keizer Caligula (37–41 n.C.) verwijst naar zijn afschaffing van een verkoopsbelasting. De voorzijde toont — misschien met enig gevoel voor ironie — de vrijheidsmuts

Antieke heersers worden al te gemakkelijk voorgesteld als hebzuchtige tirannen. Echter, zoals keizer Tiberius opmerkte, is het in het belang van een “herder” om zijn schapen te scheren en niet te villen. De documentaire bronnen uit veel gebieden tonen dat antieke staten op binnenlands vlak stabiele boven maximale inkomsten verkozen. Autocratische regimes beloven bovendien vaak een lager belastingtarief om te compenseren voor een gebrek aan vrijheid. Dat idee gaat al terug tot de Franse filosoof Montesquieu en lijkt haar bevestiging te vinden in de lagere belastingtarieven in het Perzische en Romeinse Rijk. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat deze staten minder in oorlogsvoering moesten investeren. Maar het is misschien geen toeval dat Finland met een van de hoogste belastingen ter wereld steevast op nummer 1 eindigt in het World Happiness Report.

Een ander misverstand is dat antieke economieën “primitief” waren en grotendeels gebaseerd op ruilhandel. Niets is minder waar, en antieke staten begonnen al vroeg belastingen te innen in edelmetaal. In Babylonië vinden we in de ‘Ur-III’-periode (late 3de millennium v.C.) al een belasting op vee in zilver, en in Egypte een gelijkaardige taks geïnd van vissers in het 2de millennium v.C. In de loop van het 1ste millennium v.C. wonnen belastingen in cash echt aan belang doorheen het hele Middellandse Zeegebied en Mesopotamië.

Een lappendeken aan verschillende belastingen

De basis van de meeste hedendaagse staatsfinanciën is de algemene inkomstenbelasting. Ondanks indrukwekkende bureaucratieën had geen enkele antieke staat daarvoor de infrastructuur en de informatie. Om die reden werd er ook vaak een beroep gedaan op lokale elites zoals priesters en op belastingpachters. Aangezien alle antieke beschavingen landbouwsamenlevingen waren, hadden de meeste staten een vorm van belasting op het land. Vaak ging het om 10% van de oogst, maar bijvoorbeeld in Ptolemaeïsch Egypte lag het (variabele) tarief veel hoger. Land dat toebehoorde aan invloedrijke tempels werd vaak minder belast, in Babylonië onder de Perzen bijvoorbeeld maar aan 3%. Degenen wiens hoofdberoep een ambacht of een dienst was, waren doorgaans onderworpen aan een professionele taks. Ook op dat vlak liepen de modaliteiten uiteen, maar de hoogst bekende belasting was die in de Griekse stad Byzantion, waar bepaalde groepen een derde van hun inkomsten moesten afdragen.

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honingNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honing

In de Oudheid kende men geen algemene btw, maar wel verkoopstaksen, die uiteraard werden doorgerekend aan de klant. Die belastingen konden zowel algemene markt-taksen als specifieke belastingen zijn, bijvoorbeeld op de verkoop van gladiatoren in het Romeinse Rijk. Wie een huis kocht of een ander contract wilde laten registreren, betaalde op veel plaatsen een vorm van registratierechten. Zij die producten wilden invoeren of uitvoeren, een activiteit die makkelijk te controleren viel, waren quasi overal onderhevig aan douane- en tolheffingen. Dit soort taksen was in vredestijd de belangrijkste bron van inkomsten voor zowel de Griekse stadstaten als de vroeg-Romeinse Republiek. Zo vermeldt Strabo de spreekwoordelijke domheid van de inwoners van Cumae, die pas 300 jaar na de stichting van de stad douanerechten verpachtten:

[…] κατέσχεν οὖν δόξα ὡς ὀψὲ ᾐσθημένων ὅτι ἐπὶ θαλάττῃ πόλιν οἰκοῖεν. (Strabo XIII, 3, 6)
[…] aldus kregen ze de reputatie een volk te zijn dat pas laat doorhad in een stad bij de zee te wonen.

Een type taks dat vandaag omstreden is, en bijvoorbeeld een groot twistpunt vormt in de Belgische regeringsvorming, is de vermogensbelasting. In de Oudheid was het echter een courante praktijk om hogere defensie-uitgaven te compenseren door vermogens aan te spreken. Zo hieven vele Griekse steden in oorlogstijd de zogenaamde eisphora, en de Romeinen in de Republiek het tributum, beide enkel betaald door zij die een bepaald vermogen bezaten. Ook het antieke China kende in de 2de en 1ste eeuw v.C. een vermogensbelasting. Een gerelateerde praktijk is het innen van successierechten, zoals de vicesima hereditatum (“5% van de erfenis”) ingevoerd door keizer Augustus.

Taksen: een heel karwei

Met 833 mogelijke codes lijkt het invullen van de Belgische belastingaangifte misschien veel werk. Maar het kan erger: in de Oudheid moesten veel inwoners fysiek werk verrichten voor de staat. Vooral in het oude nabije oosten en in Egypte vinden we diverse vormen van corvee (waar ons woord ‘karwei’ van afgeleid is), maar ook de Inca’s, Azteken en de oude Chinezen kenden deze praktijk. In België verdween elke vorm van verplichte arbeid met de opschorting van de militaire dienstplicht in 1992. Naast militaire dienst werd corvee vaak gebruikt voor de cultivatie van staatsland, voor publieke bouwwerken (zoals piramides), en vooral voor het onderhoud van het irrigatiesysteem, waar de hele bevolking baat bij had. Na verloop van tijd konden deze verplichtingen worden afgekocht met zilver of geld. In Mesopotamië werd dit al gangbaar in het 2de millennium v.C., wat suggereert dat deze regio al vroeg een echte arbeidsmarkt had.

Reliëf voor de bouw van een tempel in Lagash (ca. 2500 v.C.). Links houdt koning Ur-Nanshe een typische corveemand voor het dragen van aarde boven zijn hoofd

“No taxation without representation?”

Geen belasting zonder vertegenwoordiging was de slagzin van de Amerikaanse revolutie. Ook in de Oudheid speelden taksen vaak een rol in het uitbreken van opstanden, in het bijzonder wanneer de legitimiteit van de veroveraars om te belasten in twijfel getrokken werd. Voorbeelden zijn legio: de vele revoltes in het Perzische rijk, de grote Thebaanse opstand tegen de Ptolemaeën, de Makkabese opstand tegen de Seleuciden, revoltes tegen de Romeinse overheersing, enz. Sommige regimes, zoals het Perzische rijk of de Delisch-Attische Zeebond verbloemden tribuutbetalingen dan ook als “vrijwillige” giften.

Ionische Grieken brengen giften naar de Perzische koning in deze scène uit de Apadana in Persepolis (eerste helft 5de eeuw v.C.)

Taksen kunnen een teken van onderwerping en uitsluiting zijn, zoals ook het geval was bij de beruchte Joodse taks onder de Romeinen. Anderzijds kon het betalen van belastingen net bijdragen tot het vormen van een gemeenschap en lidmaatschap ervan uitdrukken. Dat wordt op pijnlijke wijze duidelijk voor slaven: zij betaalden nergens zelf belastingen, maar de opbrengst van hun arbeid werd belast. In het oude Rome werden sommige taksen, zoals successierechten, enkel van burgers geheven. Lange tijd dacht men dat de Grieken directe belastingen als een teken van tirannie zagen, maar intussen is het duidelijk dat de steden hun burgers wel degelijk belastten. Wel is het zo dat de Atheners publieke goederen in ruil verwachtten, en dat ze veel meer inspraak hadden dan de onderdanen van de grote rijken.

Belastingvrijstelling: een tweesnijdend zwaard

In andere gevallen was het belastingvrijstelling die bijdroeg tot het definiëren van de gemeenschap. In Sparta was er een onderscheid tussen de Spartaanse burgers die militaire dienst leverden en de heloten die belastingen betaalden. Volgens Herodotus waren de inwoners van het Perzische kerngebied vrijgesteld van belastingen. De Romeinse Republiek schafte in 167 v.C. het tributum af, waardoor de belastingdruk verschoof van de burgers in Italië naar de inwoners van de nieuwe provincies. Onderzoekers hebben recent gewezen op de schaduwkant van deze vrijstelling. Omdat de staat en de elites de bijdragen van de burgers niet langer nodig hadden, verloren deze ook hun onderhandelingspositie en na verloop van tijd hun politieke inspraak.

Na de overwinning op de Macedonische koning Perseus in 167 v.C. (hier afgebeeld door Jean-François Pierre Peyron) schafte Rome de voornaamste belasting voor haar burgers af

Andere vrijstellingen werden toegekend als beloning of om machtige groepen aan de staat te binden. Niet zelden ging het daarbij om priesters, en in onze contreien waren bijvoorbeeld druïden vrijgesteld van belastingen. Taksen en vrijstellingen worden vaak gebruikt om het gedrag van mensen te beïnvloeden (social engineering). In een wel heel driest voorbeeld betaalden ongehuwde vrouwen tussen de 15 en 30 jaar oud in het oude China een tijdlang het vijfvoudige voor de hoofdelijke belasting. Met hetzelfde doel had het Romeinse keizerrijk het ius trium liberorum, dat bepaalde vrijstellingen toekende aan ouders van 3 of meer kinderen. In Ptolemaeïsch Egypte waren er dan weer uitzonderingen voor leraars, winnaars in de spelen, sportcoaches en acteurs. Die groepen hadden allemaal een sterke band met de Griekse cultuur, maar Egyptische priesters genoten ook privileges. Winnaars in de spelen kregen ook elders in de Griekse wereld belastingvrijstelling.

Belastingontduiking: een antieke sport?

Papyrus met aangifte tegen de voller Leon voor het ontwijken van de beroepsbelasting (227 v.C.)

Er wordt wel eens gezegd dat belastingontwijking (legaal) of -ontduiking (illegaal) een nationale sport is in België. Hoewel Plato het betalen van belastingen als een kenmerk van de rechtvaardige man beschrijft, en Jezus aanried om de keizer te geven wat de keizer toekwam, proberen mensen al belastingen te ontwijken zo lang als ze geïnd worden, zoals de klacht van de belastingpachter Athenagoras tegen de voller Leon [TM 43303] aantoont. In het bijzonder de papyri uit Egypte staan bol van de listen om belastingen te ontwijken. De Ptolemaeïsche Hierokles, een serie-overtreder, vroeg bijvoorbeeld aan zijn connecties om “brieven te schrijven naar de douanepost, zodat ze hem genereus behandelen” [TM 2386] en de Romeinse wever Tryphon [TM Arch 249] bleef lustig weefgetouwen bijkopen jaren nadat hij omwille van zijn slechtziendheid van belastingen was vrijgesteld. Overtreders moesten wel oppassen voor informanten, die tot een derde van de boete konden opstrijken.

Het waren overigens niet alleen belastingbetalers die achterpoortjes zochten. Een brief van de Romeinse consuls aan de Griekse stad Oropos uit het jaar 73 v.C. toont hoe sommige belastingpachters wel erg creatief met de fiscale wetgeving omgingen. Enkele jaren voordien had de generaal Sulla tempelland in de omgeving van de stad vrijgesteld van belastingen. Toch probeerden de pachters taksen te innen van de tempel van Amphiaraus. Hun argument? Technisch gezien was Amphiaraus een held, en geen volwaardige god. In dit geval besliste de Romeinse staat, op advies van onder andere Cicero, in het voordeel van de priesters. Maar ook in de Oudheid was het dus belangrijk om de kleine lettertjes te kennen!

Lees meer

Girardin, M. (ed.), Fiscalités antiques. Aux origines de l’administration provinciale romaine, Rome, 2023.
Monson, M. and Scheidel, S. (eds.),  Fiscal Regimes and the Political Economy of Premodern States, Cambridge, 2015.
Valk, J. and Soto Marín, I. (eds.), Ancient Taxation: The Mechanics of Extraction in Comparative Perspective, New York, 2021.

Coverfoto: Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier, afkomstig van Wikimedia [CC0 1.0]

Dit project is gefinancierd onder de Marie Skłodowska-Curie Actions (MSCA)

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/feed/ 0 2625
Waren de Romeinen koppensnellers? https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/#comments Fri, 09 Feb 2018 15:48:10 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=506 051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de "beschaafde" wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de “beschaafde” wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Decebalus en Trajanus

Grafstèle Tiberius Claudius Maximus waarop tweemaal een halsring (torquis) en een militaire armband (armilla) zijn afgebeeld

In 89 n.C. sloot keizer Domitianus een vredesverdrag met Decebalus, de nieuwe koning van Dacië, na een oorlog die vier jaar had geduurd. Decebalus werd een socius et amicus, een cliëntkoning van Rome. Als Trajanus in 101 n.C. keizer wordt, ontbrandt een nieuwe oorlog, waarbij de Romeinen voor het eerst de Donau oversteken. Decebalus wordt verslagen, zijn soldaten plegen collectief zelfmoord als de hoofdstad Sarmizegatusa wordt ingenomen. Decebalus ontsnapt eerst nog, maar wordt dan in het nauw gedreven en pleegt op zijn beurt zelfmoord.

De feiten kennen we uit Cassius Dio (68.14.3) en uit de inscriptie van Tiberius Claudius Maximus, de onderofficier (‘duplicarius) die Decebalus had gevangengenomen. Als beloning “quod cepisset Decebalum et caput eius pertulisset ei Ranisstoro” wordt Maximus bevorderd tot decurio en ontvangt hij twee torques et twee armillae. Die laat hij afbeelden op de stele, onder een scène waarin hij te paard toestormt op de stervende Decebalus (herkenbaar aan zijn typisch Thracische helm en zeshoekig schild), die zijn zwaard laat vallen.

De gevangenname van de koning wordt ook afgebeeld op de beroemde zuil van Trajanus in Rome (scène 145).

Decebalus, omsingeld door Romeinse soldaten, staat op het punt zich de keel over te snijden met zijn Dacische kromzwaard (‘falx’).

Maximus preciseert in zijn inscriptie dat hij het hoofd van Decebalus naar Ranisstorum heeft gebracht, waar de keizer ongetwijfeld verbleef; volgens Dio werd het hoofd zelfs naar Rome overgebracht. In 107 n.C. viert Trajanus daar zijn grote triomf, met 123 dagen spektakels, waarbij 11000 dieren en 10000 gladiatoren betrokken waren (Cassius Dio 68.15.1). Bij die gelegenheid ontvangt hij de eretitel ‘Dacicus’, overwinnaar op de Daciërs.

Onthoofding van de vijand en uitstalling van zijn hoofd als trofee is niet alleen een bewijs dat hij fysiek is geëlimineerd, maar ook een symbool van de totale overwinning. Het werd door de Romeinen niet gezien als een barbaars gebruik -zoals wij dat nu aanvoelen bij de gruweldaden van IS– maar als een uitzonderlijke bestraffing (denken we maar aan Catilina of aan de proscripties), zeker in oorlogsomstandigheden. Op de zuil van Trajanus, bijvoorbeeld, tonen niet minder dan zes scènes hoofden van vijanden. Gewoonlijk worden deze hoofden gepresenteerd aan de overwinnaar-opperbevelhebber, in het geval van Decebalus eerst in Dacië zelf, in aanwezigheid van de troepen (scène 147 op de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten[1]), en later nog eens in Rome. Daar werd het, volgens een later Byzantijns historicus, op een piek geplaatst in het midden van de stad, om te eindigen op de ‘scalae Gemoniae’ (in 106 n.C.), de trappen bij de Tarpeïsche rots en het Capitool[2]. Dit was alleen maar mogelijk als het hoofd eerst behandeld was om het te bewaren[3].

Scène 147 van de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten

Cicero en Marcus Antonius

19de eeuwse voorstelling op een folio van de moord op Cicero

In 43 v.C. grijpen Marcus Antonius, Octavianus en Lepidus de macht in Rome met het zogenoemde tweede triumviraat, dat officieel wordt bekrachtigd door de ‘Lex Titia’ op 27 oktober. Onmiddellijk worden de voornaamste tegenstanders, niet alleen de Caesarmoordenaars Brutus en Cassius, maar ook een driehonderd vooraanstaande politici die in Rome waren gebleven, buiten de wet geplaatst, en een premie van 25000 drachmen wordt op hun hoofd gezet. Op aandringen van Marcus Antonius komen ook Cicero en zijn broer Quintus en diens zoon op de lijst te staan. Cicero, die op dit moment in Tusculum verblijft, probeert nog te ontsnappen naar Brutus in Macedonië maar wordt op 7 december gevat door een detachement onder leiding van Popilius Laenas en gedood. De episode wordt uitvoerig beschreven door Plutarchus (Cicero 47-49) en Appianus (Historiae 4.19-20). Als Cicero de centurio Herennius ziet naderen, geeft hij zijn slaven bevel zijn draagstoel neer te zetten en steekt zelf zijn nek uit de draagstoel. Als hoofd en hand van Cicero in Rome aan Antonius worden getoond, zegt hij: “laat de proscripties nu maar ophouden”. Het hoofd en de handen (of, volgens andere bronnen, de rechterhand), laat hij op de tribune leggen boven de rostra, een schouwspel dat de Romeinen angst moet aanjagen.

Waren de Romeinen koppensnellers?

“Koppensnellen is het afsnijden en meenemen van iemands hoofd na die persoon te hebben gedood. Dit proces werd in oude tijden in veel culturen toegepast, waaronder China, India, Nigeria, Nurestan, Myanmar, Borneo, Indonesia, de Filipijnen, Taiwan, Japan, Micronesië, Melanesië, Nieuw-Zeeland en het Amazonebekken. Het behoort tot de oudste rituelen ter wereld. (Wikipedia)

Voor de Oudheid wordt dit gebruik zoals gedefinieerd door Wikipedia vaak toegeschreven aan de Kelten, door antieke auteurs, maar ook door moderne geleerden[4]. Dit gaat zover dat passages in Latijnse teksten waar Romeinse soldaten de hoofden van vijanden als trofee meenemen vaak worden toegeschreven aan “hulptroepen” of aan de barbaarse omgeving waarin de militairen verbleven. Wanneer Caesar in 46 v.C. de hoofden van soldaten die een te groot deel van de buit opeisten laat vastspijkeren op de poort van het kamp, beoordeelt Rambaud dit in zijn boek ‘César als “rude maintien de la discipline, utile avec des légionnaires que je crois Gaulois et habitués à chasser des têtes.”

Munt van Marcus Sergius Silus uit de late 2de eeuw v.C.

Maar ook bij de Romeinen was onthoofding van tegenstanders welbekend en in bepaalde situaties wijd verspreid. In 1964 verzamelde J.-L. Voisin een vijftigtal voorbeelden uit literaire teksten (met uitsluiting van onthoofding op basis van een gerechtelijk vonnis), een tiental archeologische getuigenissen, zoals de zuil van Trajanus of de triomfboog van Orange en enkele grafmonumenten van soldaten, en zelfs een munt uit de late tweede eeuw v.C., waar een ruiter zwaait met een afgehouwen hoofd[5].

Het doden van een vijand en het afhouwen van zijn hoofd zijn twee verschillende zaken. Denken we bijvoorbeeld aan David, die Goliath doodt met zijn slinger, en dan pas zijn hoofd afhakt. Iemands hoofd afhakken is geen simpele taak, zelfs niet als die persoon gebonden is en zijn hoofd op een kapblok ligt. Meer dan eens moest de beul zijn bloedig handwerk in meerdere keren voltooien; in die zin was de guillotine eigenlijk humaner dan de bijl. Met een zwaard is het nog moeilijker om in één houw een hoofd af te hakken, zeker als de tegenstander rechtop staat[6]. Uiteindelijk lukt dit alleen in de oudste half-mythologische voorbeelden of met medewerking van het slachtoffer, zoals Caius Cassius, die na de slag bij Philippi “een capuchon over zijn hoofd trok en zonder vrees zijn nek voorhield aan een vrijgelatene” (Vell. Pat. 70, 2).

In de vroege republiek (tot de Punische oorlogen) zijn het bijna uitsluitend buitenlandse vijanden die worden onthoofd, meestal na een tweegevecht. In die periode zijn de killers ook leden van voorname Romeinse families (te beginnen met Romulus): het doden van een vijand brengt roem voor de soldaat en voor zijn familie. Vanaf de tweede eeuw zijn het vooral naamloze soldaten die hoofden afhakken. Dit blijft zo wanneer ten gevolge van de Burgeroorlogen voornamelijk Romeinse burgers slachtoffer worden van die praktijk. De afgehakte hoofden leveren een flinke premie op voor diegene die ze meebrengt (niet altijd de moordenaar) en kan laten zien aan Sulla, Antonius, Caligula of Nero. Galba werd in 69 n.C. vermoord, maar men had zijn lijk laten liggen. Een passerend soldaat hakte het hoofd af en incasseerde de premie[7]. In het geval van Caius Gracchus (121 v.C.) werd als prijs zelfs het gewicht van zijn hoofd in goud uitgeloofd. De moordenaar, Septimuleius, vond er dan niets beter op dan de hersenen uit het hoofd te verwijderen en de schedel op te vullen met lood[8]. Bij zijn campagne tegen de Germanen (278 n.C.) loofde, volgens de ‘Historia Augusta‘ (Probus 14) keizer Probus één goudstuk uit voor elk afgehouwen hoofd.

De hoofden waren belangrijk als bewijs dat een tegenstander wel degelijk was geëlimineerd. Ze waren een symbool van de totale overwinning, waarbij de vijanden werden gedemotiveerd (zoals in het geval van Decebalus of bij de proscripties). Zo liet Caesar bij het beleg van Munda rond de stad een palissade oprichten met de hoofden van de gedode vijanden gericht naar de stad, waar de aanhangers van Pompeius zich hadden verschanst, “zoals de Galliërs dat doen” (Bell. Hisp. 32, 2). In 38 v.C. wordt het hoofd van de Parthische koning Pacorus geshowd in alle steden die van Rome waren afgevallen en zo wordt het gebied zonder strijd heroverd (Florus, Epitome 2, 19, 7). Na Nero’s dood werd hij op eigen verzoek verbrand; daarna stonden nog drie valse Nero’s op; als men zijn hoofd had laten zien, zou dit niet zijn gebeurd. Ook daarvoor dienden de hoofden van usurpatoren wier poging mislukt was, zoals Pescennius Niger (voor de muren van Byzantium door Septimius Severus). Nog in 313 n.C. laat Constantijn het hoofd van Maxentius meevoeren in zijn triomftocht, als een van de grote attracties (Paneg., 10, 31, 4).

Pacorus (voor zijn onthoofding)

Soms wordt het hoofd ook postuum nog mishandeld. Hierbij speelt wraak een rol. Een bekend voorbeeld is Galba, wiens hoofd in 69 n.C. door de knechten en staljongens op de punt van een lans werd rondgedragen in het kamp, terwijl ze riepen “Galba, mijn hartedief, geniet toch van je jeugd.” (Suetonius, Galba 20) De vrijgelatene Patronius kocht het hoofd om het te plaatsen waar zijn patronus eerder door Galba was terechtgesteld.

 

Galba (voor zijn onthoofding)

Onthoofding had ook een religieuze dimensie. Bij een juridische executie kreeg de familie het lichaam en het hoofd terug en kon een normale begrafenis plaatshebben, maar niet bij een onthoofding ter plekke: de dode kan nergens rust vinden.

Koppensnellen was dus wel degelijk een geaccepteerde en zelfs geïnstitutionaliseerde praktijk in het antieke Rome, ook al was ze beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden (burgeroorlog en buitenlandse oorlogen) en gericht tegen leiders van de oppositie, niet tegen alle vijanden (zoals blijkbaar bij de Kelten). Wanneer ze toch wordt veroordeeld als een vorm van crudelitas, dan is het omwille van passionele overdrijvingen tegenover de dode. Zo wordt Marcus Aurelius geprezen omdat hij het hoofd van Avidius Cassius, door hem geëist, niet wil zien, terwijl Marius, die in 87 v.C. met overdreven genoegen het hoofd van Marcus Antonius – de grootvader van de gelijknamige triumvir – had beledigd, gebrek aan zelfbeheersing wordt verweten. Hier speelt het motief van het afgehouwen hoofd op de feesttafel een rol: niet alleen bij Herodes met het hoofd van Johannes de Doper of heer Halewijn (“en het hoofd werd op de tafel gezet”), maar ook bij de triumvir Marcus Antonius. Sommigen linken dit zelfs aan kannibalisme. Ook grapjes ten koste van de overleden vijand worden niet geapprecieerd, zoals in het geval van Nero, die lacht met de lange neus van Rubelius Plautus, of Fulvia, de echtgenote van Marcus Antonius, die een speld steekt door de tong van de dode Cicero. Augustus daarentegen laat het hoofd van Brutus, die zelfmoord pleegde na de slag bij Philippi, naar Rome brengen en voor het beeld van de vergoddelijkte Caesar leggen, en dit leek wel aanvaardbaar voor antieke bronnen.

Svedomsky: Fulvia met het hoofd van Cicero

[1] De rechterhand werd ongetwijfeld afgehakt als getuigenis van de trouweloosheid (‘perfidia) van Decebalus, die zijn verbond met Rome had geschonden. Ook in Xenophons ‘Anabasis’ worden hoofd en rechterhand van Kyros na zijn dood in Kynaxa afgehakt (Anabasis 1 10.1).

[2] Dit is waarschijnlijk zelfs overgeleverd op een fragmentje van de ‘Fasti Ostienses’, Inscr. Ital. XIII.1, pp. 198-199 : [caput] Decibali [- –  in sca]lis Gemoni[is iacuit].

[3] En vrij gedetailleerde beschrijving vind men bij Lucanus, Pharsalia, 687-691, betreffende het hoofd van Pompeius, gedood bij zijn landing in Egypte, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“Met een gruwzame ingreep heeft men het bloed uit het hoofd verwijderd en tevens de hersens, de huid wordt gedroogd, men laat rottend vocht uit de binnenste holtes wegstromen en het gezicht maakt men met een inspuiting duurzaam.”

[4] Bv. P. Lambrechts, L’exaltation de la tête dans la pensée et dans l’art  des Celtes, Brugge, 1954.

[5] J.-L. Voisin, Les Romains, chasseurs de têtes, in: Du chatiment dans la cité. Supplices corporels et peines de mort dans le monde antique, Rome 1984, pp. 241-292.

[6] Een gruwelijke illustratie hiervan vindt men bij Lucanus, Pharsalia, 670-674, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“De woeste Septimius ontdekte bij de uitvoering van zijn misdaad (de moord op Pompeius) een nog grotere misdaad:  hij scheurde de toga open, ontblootte het eerbiedwaardig gezicht van de stervende Magnus, grijpt diens nog ademend hoofd en legt de verslappende nek op de zijwaarts geplaatste roeibank. Dan snijdt hij de spieren en aderen door, geruime tijd breekt hij nek en gewichten; er bestond geen kunst van onthoofding met één slag”.

[7] Suetonius, Galba 20: “Galba werd vermoord bij de Curtiusvijver en men liet hem liggen zoals hij lag. Een gewone soldaat, die toevallig terugkwam van de graanbedeling, zette zijn rantsoen op de grond en hakte het hoofd af van het lijk. Omdat er geen haar op stond om het vast te houden, borg hij het hoofd eerst in een plooi van zijn mantel; daarna stak hij zijn duim in de mond en droeg het zo naar Otho.”

[8] Men kan dit in detail lezen bij Plutarchus, C. Gracchus, 17, 5.

Coverfoto: afbeelding ‘Die Reliefs der Traianssäule, Tafel LI’ van Conrad Cichorius (1896) op Wikimedia

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/feed/ 1 506
Accipere quam facere praestat iniuriam https://www.oudegeschiedenis.be/03/12/2017/accipere-quam-facere-praestat-iniuriam/ https://www.oudegeschiedenis.be/03/12/2017/accipere-quam-facere-praestat-iniuriam/#respond Sun, 03 Dec 2017 00:31:31 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=258 uitspraak_Bart_De_Wever

Afgelopen week gebruikte Bart De Wever de Latijnse uitspraak "accipere quam facere praestat iniuriam" (het is beter onrecht te ondergaan dan te plegen), maar in welke antieke context werd deze quote de eerste keer gebruikt?

Het bericht Accipere quam facere praestat iniuriam van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
uitspraak_Bart_De_Wever

Af en toe duikt eens een andere Latijnse spreuk dan “Carpe Diem” op in het dagelijkse taalgebruik van onze politici. Afgelopen week was het weer zover: de burgervader van Antwerpen, Bart De Wever, haalde – zoals beloofd in onze openingsblogpost – de volgende uitspraak boven als reactie op een nieuwe peiling na de recente schandaalsfeer die in de Scheldestad rond zijn partij N-VA was ontstaan: “Accipere quam facere praestat iniuriam“.

Ciceroniaanse conversaties

De uitspraak kan makkelijk worden toegeschreven aan Cicero en komt uit diens Tusculanae Disputationes (Tusc.), een filosofisch traktaat waarin de Romeinse redenaar fictieve gesprekken houdt op zijn landgoed in Tusculum. In deze stad, gelegen aan de Albaanse heuvels in de Italiaanse regio Latium, bezat hij net als vele consulaire families een villa niet zo ver van Rome, waar hij regelmatig heen trok om nieuwe traktaten te schrijven. Boek V van deze conversaties over ethische problemen handelt over de stelling van de stoïcijnen dat de deugd alleen volstaat om een gelukkig leven te leiden.

Overblijfselen van waar zich mogelijk de villa van Cicero in Tusculum bevond

In dit gesprek met Marcus Brutus – die van de moord op Caesar en schrijver van een verloren gegaan boek De virtute (Over de deugd), dat aan Cicero was opgedragen – komt de passage voor in de beschrijving van de deugdzaamheid van enkele consuls. Zo plaatst hij in Tusc. V, 56 het gedrag van Gaius Marius tegenover de gedwongen zelfmoord van zijn collega Quintus Lutatius Catulus, die nadat hij samen met Marius de Germaanse stam van de Cimbri versloeg in de slag bij Vercellae van 101 v.C., diens politieke tegenstander Sulla besloot te steunen in de burgeroorlog van 88-87 v.C.

“[…] Nam cum accipere quam facere praestat iniuriam, tum morti iam ipsi adventanti paullum procedere ob viam, quod fecit Catulus, quam quod Marius, talis viri interitu sex suos obruere consulatus et contaminare extremum tempus aetatis.”

“Want het is immers beter om zich te onderwerpen aan onrecht dan het te plegen, maar ook om een kleine stap vooruit te zetten naar de dood die op zich al dichterbij komt, zoals Catulus deed, dan zoals Marius deed door de moord op zo’n man, en zo de roem van zijn zes consulaten te overschaduwen en de laatste periode van zijn leven te besmeuren.”

Gorgias van Leontini

Oorsprong

Toch haalde ook Cicero al de mosterd voor de uitspraak over onrecht bij een voorganger, namelijk Socrates in Plato’s Gorgias. In deze dialoog plaatst de Griekse filosoof zijn leermeester tegenover Gorgias, een sofist uit Leontini, een stad in Sicilië. Socrates valt hem en zijn filosofische medestanders aan over hun sofistische opvattingen. In Gorgias 469C-475D (en herhaald in 483A) twist Socrates met Polos, een leerling van Gorgias, over het recht om retoriek te gebruiken om aan een terechte veroordeling te ontsnappen. Na een lange argumentatie slaagt hij erin om de sofist te overtuigen van het feit dat het slechter is om onrecht te begaan dan onrecht te ondergaan (“Τὸ ἀδικεῖν τοῦ ἀδικεῖσθαι κάκιον) en dus ook om retoriek te misbruiken voor eigen gewin.

Na deze twee voorbeelden komt deze uitspraak in allerlei variaties nog voor bij Plato zelf (als mogelijke auteur van zijn zevende brief, Epist. VII, 335A), latere heidense auteurs zoals Seneca (Phoenissae 494) en Simplicius van Cilicië (in zijn commentaar op AristotelesDe Caelo) en christelijke kerkvaders zoals Augustinus en Gregorius van Nazianze.

Het lijkt dus duidelijk dat Bart De Wever zich met zijn quote in een antieke filosofische traditie plaatst, waarin de uitspraak vooral wordt gelinkt aan het concept van de deugd (bij Cicero) en dat van de retoriek (bij Plato), en probeert de Vlaamse politicus hiermee vooral aan te tonen dat boontje om zijn loontje komt (in dit geval in de vorm van een positieve peiling voor zijn partij).

Meer lezen

E.R. Dodds, Plato. Gorgias (1959)

C. H. Tarnopolsky, Prudes, Perverts, and Tyrants: Plato’s Gorgias and the Politics of Shame (2010)

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Bart De Wever’ van Miel Pieters op Wikimedia (CC BY-SA 2.0)

Het bericht Accipere quam facere praestat iniuriam van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/03/12/2017/accipere-quam-facere-praestat-iniuriam/feed/ 0 258