mummificatie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/mummificatie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Wed, 08 Nov 2023 10:27:36 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png mummificatie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/mummificatie/ 32 32 136391722 Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/#respond Thu, 02 Nov 2023 18:08:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2493

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we uit de bewaarde papyri over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of de gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.). Van zulke Egyptische begrafenisondernemers is het reilen en zeilen uitzonderlijk goed gedocumenteerd voor deze periode, door de honderden Egyptische (vooral demotische) en Griekse papyri.

Pekelaars, watergieters en godszegelaars

Een foto van Egyptische mummies, getrokken omstreeks 1870

Zoals de Inuit veel woorden (schijnen te) hebben voor sneeuw, zo hebben Egyptenaren veel woorden voor begrafenisondernemers. In de Ptolemaeïsche papyri is de belangrijkste Egyptische titel voor balsemers chery-heb of ‘voorleespriester’, een religieuze titel die een veel ruimer toepassingsgebied heeft maar in documenten uit deze tijd vooral nog in funeraire context verschijnt. Griekse teksten duiden deze voorleespriesters doorgaans op meer prozaïsche wijze aan als taricheutes of ‘pekelaar’, een titel die men niet alleen voor balsemers, maar ook voor collega’s in de voedselconservenindustrie gebruikt. Occasioneel wordt deze titel ingeruild voor entaphiastes, een meer algemene titel voor begrafenisondernemers, of paraschistes, ‘snijder’, waarover later meer.

Balsemers worden in principe onderscheiden van priesters verantwoordelijk voor de begrafenis en dodencultus, zoals de dodenpriesters van het Huis van de Koe en het Hermias-proces. Zij worden in het Egyptisch wah-moe en in het Grieks choachytes genoemd, allebei te vertalen als ‘watergieter’: zij brengen plengoffers voor de overledenen. Daarnaast zijn zij ook betrokken bij de organisatie van Egyptische festivals. Gaandeweg lijken de taken van de balsemer en de ‘watergieter’ te zijn overgenomen door een en dezelfde specialist, de chetemoe-netjer, Egyptisch voor ‘godszegelaar’, door de Grieken vertaald als nekrotaphos, opnieuw een meer algemene titel. Op enkele plaatsen, in het bijzonder in Hawara, komt de titel chetemoe-netjer haast altijd voor in combinatie met wyt, ‘balsemer’. Er bestaan nog veel meer titels, maar je hebt er waarschijnlijk wel stilaan genoeg van. De Egyptische titels van Ptolemaeïsche begrafenisondernemers hebben een lange voorgeschiedenis: wah-moe verschijnt voor het eerst in Thebe in de Ramessidentijd; de andere titels vind je al terug in tombes uit het Oude en Middenrijk.

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)de Garis Davies, N., en Gardiner, A.H., The Tomb of Antefoker, Vizier of Sesostris I, and of His Wife, Senet (no. 60) (Londen, 1920), pl. XXI

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)

Over lijken

De Ptolemaeïsche begrafenisindustrie werd beheerst door een complex, haast absurd systeem van concessies waarin specialisten het exclusieve recht konden verwerven om funeraire diensten te verlenen aan bepaalde groepen van mensen en daaruit inkomsten op te strijken. Deze rechten konden worden verkocht, vererfd, enzovoort. Wanneer je een dierbare verloor, kon je dus niet zelf kiezen welke balsemer je onder de arm nam: er was één begrafenisonderneming die het mummificatie-recht op de overledene bezat. Een demotisch contract uit Memphis uit 78 v.C. biedt een mooi voorbeeld van zo’n concessie (P. Dem. Memphis 7, TM 43705). In dit contract erkent een groep van vier ‘godszegelaars’ het recht van een andere groep van vijf ‘godszegelaars’ op de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais. Als de familie toch met een lijk zou komen aankloppen bij de eerste groep van balsemers, moeten deze de overledene binnen de vier dagen en op eigen kosten overdragen aan de tweede groep, tenzij het dode familielid in kwestie een vrouw zou zijn die gehuwd is met een man uit een familie waarop de eerste groep het recht heeft én een kind met hem heeft, dit alles “in overeenstemming met de wet van de voorleespriesters.” Kan je nog volgen?

Demotisch contract tussen godszegelaars uit Memphis over de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais (P. Dem. Memphis 7 A, 78 v.C.)

Begrafenisondernemers zagen nauwgezet toe op hun rechten en aarzelden niet om juridische stappen te ondernemen wanneer hun belangen met de voeten werden getreden. Dat kon aanleiding geven tot langdurige conflicten, zoals het geschil tussen Amenothes en Petenephotes, gedocumenteerd door enkele Griekse papyri uit Thebe (P. Tor. Amen. 6/7/8, TM 3596/3597/3598). Deze twee ‘snijders’, tevens bekend uit demotische papyri als ‘voorleespriesters’, hadden naar goede gewoonte een gedetailleerde overeenkomst afgesloten over hun respectievelijke rechten in de plaatselijke mummificatie-industrie. Petenephotes mocht de doden uit verschillende dorpen ten westen van de Nijl mummificeren, Amenothes de doden uit verschillende dorpen ten oosten van de Nijl, met één belangrijke uitzondering: de priesters en slaven uit de tempel van Amon (Karnak), die eveneens binnen de competentie van Petenephotes vielen.

Tempel van Chonsoe (Karnak, Nieuwe Rijk)

Die regeling leidde meer dan eens tot problemen. In 119 v.C. daagde Amenothes Petenephotes voor het gerecht omdat laatstgenoemde vrijgelatenen en afstammelingen van priesters uit de tempel had gebalsemd, terwijl hij alleen het recht op de priesters zelf en de slaven bezat. Amenothes werd in zijn gelijk gesteld. Op zijn beurt klaagde Petenephotes in 116 v.C. Amenothes aan: deze had een districtsschrijver gemummificeerd die weliswaar in een van Amenothes’ dorpen was gestorven maar woonachtig was in een van Petenephotes’ dorpen. Volgens Petenephotes had zijn collega hem al eerder in de luren gelegd door zijn diensten aan te bieden voor zieken die met hoop op herstel naar de tempel van Karnak waren gebracht (misschien meer bepaald naar de bijhorende tempel van Chonsoe, bekend voor zijn geneeskundige krachten) maar het loodje hadden gelegd. Petenephotes lijkt daarbij tactisch te verzwijgen dat hijzelf eigenlijk ook alleen maar het mummificatie-recht op de priesters en slaven van de tempel bezat, niet op zieken die er tijdelijk verbleven. De begrafenisondernemers gingen letterlijk en figuurlijk over lijken.

Eentje met natron (en zonder fouten)

Als klant kan je dan maar best eveneens goede afspraken met de balsemers maken. Het British Museum bewaart een zeldzaam voorbeeld van een mummificatie-contract, opgesteld in Thebe in 269 v.C., in het demotisch en in dubbele redactie (P. BM EA 10077, TM 46059). Het contract begint met een kwitantie van de begrafenisondernemer aan zijn cliënt:

Je hebt me volledig betaald voor de belasting op natron, het loon van de balsemer en alles wat de mummificatie van Paoeser je zoon betreft.

Demotisch mummificatie-contract uit Thebe (269 v.C., British Museum, EA 10077)

Natron is een belangrijk mummificatieproduct, dat gebruikt werd om lichamen te dehydrateren. Vorige commentatoren hebben hier “het aandeel van natron” of zelfs “de reiniging met natron” gelezen, maar het gaat duidelijk om de belasting. In plaats van “het loon van de balsemer” hebben onderzoekers vroeger “mummiewindsels” gelezen: het is altijd opletten geblazen met demotische teksten. Na deze kwijting somt de begrafenisondernemer zijn plichten op: hij zal Paoeser behandelen met pecheret of “medicamenten” (een mooie term voor mummificatieproducten, die de dode van bederf “genezen”), hij zal hem overhandigen aan de watergieter van zijn cliënt (die wellicht de eigenlijke begrafenis verzorgt) en hij zal geen “fout van een voorleespriester” begaan, wat wellicht slaat op fouten in de mummificatie, heel vervelend als je je lichaam na de dood nog nodig hebt… Voor alle zekerheid wordt er ook een deadline vastgesteld: vreemd genoeg 52 dagen (vroeger verkeerdelijk gelezen als 72), terwijl een mummificatie in principe ongeveer 70 dagen duurde.

Enkele jaren geleden dook er tijdens opgravingen in Tebtynis in de Fajoem-oase een nieuw Ptolemaeïsch mummificatie-contract op, voor de overleden echtgenote van een priester (P. Tebt. SCA 6863). Het contract begint opnieuw met een kwijting voor een belasting, deze keer geheven op de “medicamenten” (pecheret), alsook een kwijting voor de aankoopprijs van sefy, een van de belangrijkste funeraire producten in deze periode, wellicht een pekachtige substantie afkomstig van naaldbomen. De begrafenisondernemer verbindt zich ertoe de mummificatie volgens de regeltjes uit te voeren en de klant is op zijn beurt verplicht om alle verdere kosten te betalen.

Het kan op het eerste zicht verbazing wekken dat er zo veel papyri over begrafenissen maar slechts twee mummificatie-contracten gevonden zijn, maar hier zijn twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste werden deze contracten normaal gezien bijgehouden in de archieven van de klanten eerder dan de archieven van de begrafenisondernemers, maar zijn deze laatste veel beter bewaard omdat zij vaak hoog en droog in tombes in de woestijnrand werden opgeborgen. Ten tweede werden dergelijke contracten waarschijnlijk enkel opgesteld als de klant vooruitbetaalde en/of de overeenkomst een rijkelijke begrafenis betrof. Wie betaalt, bepaalt.

Dood en taksen

Bovengenoemde belastingen op natron en “medicamenten” (pecheret) zijn niet de enige in hun soort. Honderden potscherven uit de Grieks-Romeinse periode bevatten kwitanties voor funeraire belastingen, vaak geheven op de eigenlijke begrafenis (een vaste som per lichaam), maar ook op funeraire producten, begraafplaatsen, enzovoorts. De overheid toonde zich zelden zo inventief. Benjamin Franklin merkte al op dat “in this world, nothing is certain except death and taxes.”

Griekse kwitantie uit Diospolis Mikra voor belasting op mummificatie of balsemers en kedria (O. NYU 4, 105 v.C., New York University, O. 18)

Een laat-Ptolemaeïsche Griekse papyrus in de Leuvense collectie (te verschijnen als P. Kynopolites 4, TM 47586 ; 92/59 v.C.) biedt een interessant beeld van overheidsinmenging in de begrafenisindustrie. In dit document geven pachters van de belasting op pharmakon en kedria (duidelijk identiek aan bovenvermelde pecheret en sefy, respectievelijk “medicamenten” en de substantie afkomstig van naaldbomen) de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) van Apollonos Polis in de Kynopolitische nome de toelating om de doden uit de regio te begraven en om voor een vooropgesteld bedrag kedria van de overheid te kopen, op voorwaarde dat zij een hele reeks funeraire belastingen betalen.

 

Overheidscontrole op het belangrijke funeraire product kedria is ook uit andere bronnen bekend: er is bijvoorbeeld een verzoekschrift bewaard over ibisbegravers die kedria bij smokkelaars kopen in plaats van bij de koninklijke winkel. Het doet allemaal hard denken aan het monopolie op olie. De expliciete vermelding van de aankoopprijs van sefy in het eerder genoemde mummificatie-contract uit Tebtynis moet waarschijnlijk ook in deze context begrepen worden. De meeste funeraire belastingen in de Kynopolitische papyrus zijn nog niet bekend uit andere bronnen. De nekrotaphoi moeten niet alleen 600 bronzen drachmen betalen voor elke begrafenis, maar ook 2700 drachmen “voor elk lijk”, dezelfde 2700 drachmen “voor degenen die in de grond neergelegd en terug opgegraven zullen worden voor 70 dagen” en 400 drachmen “na de 70 dagen”: deze belastingen hebben geen betrekking op de begrafenisceremonie maar op de mummificatie. Raar genoeg verbindt de Ptolemaeïsche overheid fiscale consequenties aan het al dan niet respecteren van de canonieke mummificatie-periode van 70 dagen.

De referentie naar lichamen die tijdelijk in de grond worden gestopt roept ook veel vragen op: is dit een alternatieve, goedkopere balsemingsmethode? Een Romeinse grafinscriptie van een Griekse jongen uit Hermopolis (I. Hermoupolis 71, 2de eeuw n.C.) biedt een mogelijke parallel: de knaap vertelt dat hij zijn neef heeft opgedragen om hem “niet te begraven en opnieuw op te graven.” Hij lijkt het niet hoog op te hebben met Egyptische funeraire gebruiken, want hij wil ook begraven worden “zonder kedria en vieze stank, zodat je (= de voorbijganger) niet van me wegvlucht zoals van de andere lijken.” De Kynopolitische papyrus eindigt overigens met een positieve noot: belastingen voor dode kinderen zijn halve prijs.

Vrouwen aan de top

De mummificatie-industrie wordt doorgaans beschouwd als een mannenbastion, maar een nieuwe vondst suggereert dat de werkelijkheid complexer was. Onderzoekers weten al langer dat vrouwen ook als bezitters van funeraire rechten verschijnen in de papyri, maar beargumenteren dan telkens dat zij het eigenlijke werk wel aan mannelijke familieleden zullen hebben uitbesteed. Van een vrouw kan je zoiets toch niet verwachten? Vrouwen worden ook soms als ‘voorleespriester’ vermeld in demotische censuslijsten, maar daar worden ze wel vaker onder het beroep van hun echtgenoot gesorteerd. Toch is er mogelijk meer aan de hand. Een van deze lijsten somt vijf ‘voorleespriesters’ uit de 2de eeuw v.C. uit Shashotep in Midden-Egypte op (P. Count. 53, TM 44406):

Peteharmotnis zoon van …, zijn echtgenote Senpres, Petophois zoon van Totoes, zijn echtgenote Tapsais, Taw… de dochter van Chapochrates. Vijf personen, waaronder twee mannen.

Detail van doodskist van de vrouw Artemidora (Meir, Romeinse Tijd, Metropolitan Museum of Art, 11.155.5)

Door een gelukkig toeval is er in de papyruscollectie van Trinity College Dublin een Grieks verzoekschrift over een conflict tussen enkele van deze begrafenisondernemers bewaard gebleven, ingediend door de ‘pekelaar’ Petophois zoon van Totoes, duidelijk identiek aan de ‘voorleespriester’ Petophois in de demotische lijst (P. TCD Pap. Gr. env. 301, TM 58458). In het verzoekschrift doet hij zijn beklag over Senpres dochter van Teebekis en haar echtgenoot Peteharmonthes (hier = Peteharmotnis), die eveneens voorkomen in de demotische lijst, en een andere vrouw en man, allemaal actief als ‘pekelaars’. Door de fragmentaire bewaringstoestand van het document is de precieze aard van het conflict onduidelijk, maar de problemen hebben duidelijk te maken met het werk van de balsemers: er wordt bijvoorbeeld opnieuw verwezen naar kedria. De vrouwen spelen geen tweede viool, maar zijn de hoofdbeklaagden: Senpres wordt opmerkelijk genoeg vóór haar echtgenoot vermeld, op de derde plaats nog een vrouw. Misschien toch twee keer nadenken voor we vrouwen elke rol van belang in mummificatie ontzeggen? De aanklager Petophois komt trouwens uit een notoire familie van ruziemakers. Het zogenaamde Sioet-archief uit het British Museum informeert ons over (alweer) een resem juridisch procedures met betrekking tot hun familiale mummificatie-rechten en andere bezittingen, naar aanleiding van het tweede huwelijk van Petophois’ grootvader Petetymis.

De Griekse historicus Herodotus (5de eeuw v.C.) dist in zijn beschrijving van Egypte een bijzonder wansmakelijk detail over de mummificatie van vrouwen op (Hist. II 89):

De vrouwen van aanzienlijke mannen geeft men, wanneer ze sterven, niet meteen af om te pekelen, evenmin als vrouwen van grote schoonheid en betere reputatie, maar slechts nadat drie of vier dagen verstreken zijn, geeft men ze aan de pekelaars. Dat doet men om deze reden, dat de pekelaars geen gemeenschap met de vrouwen hebben.

Op basis van deze passage hebben enkele onderzoekers gespeculeerd dat de mummificatie van vrouwen misschien wel vaker aan leden van hetzelfde geslacht werd toevertrouwd, maar dat lijkt heel onzeker. Documenten over funeraire rechten maken in principe geen onderscheid tussen lijken van mannen en vrouwen en de anekdote van Herodotus zou een broodjeaapverhaal kunnen zijn. De genoemde “drie of vier dagen” doen denken aan de traditionele Egyptische rouwperiode van vier dagen, die mogelijk ook verbonden kan worden met de eerder genoemde bepaling in P. Dem. Memphis 7 om fout afgeleverde lichamen binnen de vier dagen aan de juiste begrafenisondernemer te bezorgen. Ongetwijfeld had het verhaal wel succes bij Herodotus’ lezerspubliek.

Paria’s

Volgens de Griekse historicus Diodorus (1ste eeuw v.C.) moet men een onderscheid maken tussen ‘snijders’ (paraschistai) en ‘pekelaars’ (taricheutai): de ‘snijder’ zou een soort van paria zijn die enkel verantwoordelijk is voor de initiële snede in de linkerzij van de overledene en vervolgens ritueel weggejaagd wordt met stenen; de ‘pekelaar’ zou de rest van de mummificatie uitvoeren en wel in hoog aanzien staan bij de bevolking (Bibl. Hist. I 91). Herodotus maakt dit onderscheid niet en zoals reeds eerder uitgelegd lijken de titels ‘snijder’ en ‘pekelaar’ in de papyri op dezelfde hoogte te staan, als Griekse tegenhangers van de Egyptische titel van ‘voorleespriester’. Is het verhaal van Diodorus dan helemaal uit de lucht gegrepen? Misschien niet helemaal…

Ten eerste kan er gewezen worden op een recent ontdekte mummificatie-handleiding uit het Nieuwe Rijk (een goede duizend jaar vóór de Ptolemaeïsche periode dus), die zelfs het Belgische nieuws heeft gehaald (P. Louvre E 32847 + P. Carlsberg 917). Deze tekst vermeldt verschillende groepen van mummificatie-specialisten, waaronder opnieuw de ‘voorleespriester’ maar ook de wedjaoe, afgeleid van het werkwoord wedja, “snijden”, die bovendien weer verantwoordelijk blijkt voor de snede in de linkerzij. De Griekse titel paraschistes heeft hierdoor voor het eerst een duidelijke Egyptische basis, al is het niet helemaal duidelijk of de Egyptische titel wedjaoe nog bestond in de Ptolemaeïsche periode. Verder bevatten twee Ptolemaeïsche papyri aanwijzingen dat balsemers op sommige plaatsen en tijdstippen effectief zijn uitgesloten uit de maatschappij, net als de ‘snijders’ in Diodorus’ relaas.

Grieks verzoekschrift uit Tanis in de Fajoem-oase van de begrafenisondernemer Onnophris (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., Papyrusverzameling Keulen, P. 21358)

De eerste aanwijzing komt uit het fameuze verzoekschrift over kittens (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., TM 704850). De dierenvriend die deze Griekse petitie indiende en kittens in zijn huis had opgenomen, was een begrafenisondernemer, de entaphiastes Onnophris, die elders ook ‘pekelaar’ en ‘voorleespriester’ wordt genoemd. In het verzoekschrift zegt Onnophris op een gegeven ogenblik dat hij zich niet “in het dorp kon laten zien vanwege mijn beroep.” Een expliciete getuigenis voor sociale segregatie. Het document maakt deel uit van een groter papyrusarchief van Onnophris en een collega, die zich behalve met lijken en katjes vooral bezighielden met – kan je het al raden? – rechtszaken over funeraire concessies.

Voor de tweede getuigenis moeten we terugkeren naar het proces tussen Hermias en de dodenpriesters. Dit dispuut had voor een keer niets te maken met funeraire rechten, maar met een groot huis op de oostelijke oever van Thebe, betwist tussen Hermias en de begrafenisondernemers. De advocaat van Hermias stelde tijdens zijn pleidooi dat er enige tijd voorheen op instigatie van de koninklijke arts een bevel was uitgevaardigd dat alle ‘pekelaars’ in Thebe moesten verhuizen naar de westelijke oever, waar de necropool zich bevond (P. Tor. Choach. 12, TM 3563). Voor Hermias mocht het niet baten: de advocaat van zijn tegenstanders legde uit dat zijn cliënten geen ‘pekelaars’ maar ‘watergieters’ waren en er bovendien nog een bijkomende verordening was uitgevaardigd om de ‘pekelaars’ tegen misbruik te beschermen. Toch levert dit opnieuw een aanwijzing voor sociale uitsluiting.

Tot slot kan er gewezen worden op een gelijkaardig gegeven in papyri uit het laat-Romeinse archief van de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) uit de Charga-Oase (3de-4de eeuw n.C.): zij worden regelmatig omschreven als exopylitai, ‘buitenpoorters’, of allophyloi, ‘andersstammigen’. Dit suggereert opnieuw dat zij de reguliere woongebieden niet mochten betreden.

Het is niet duidelijk in hoeverre we deze getuigenissen mogen veralgemenen: op andere plaatsen en tijdstippen lijken Egyptische balsemers wel gewoon onder de andere mensen te hebben geleefd. Waarom zouden ze apart moeten wonen? In veel culturen wordt contact met dode lichamen als onrein beschouwd en worden begrafenisondernemers uit het gewone sociale leven geweerd. In Romeins Puteoli bijvoorbeeld moesten begrafenisondernemers op een bepaalde afstand van de stad wonen en mochten zij deze alleen betreden voor officiële zaken (zoals vastgesteld in de Lex Libitinaria). Ook in de Griekse wereld werden lijken als bron van vervuiling (miasma) gezien. Misschien speelde er Grieks-Romeinse invloed mee? Toch geef ik graag nog een bijkomende verklaring voor de Egyptische balsemers: het waren lastpakken!

Lees meer

G. Baetens, ‘A Dead Man’s Contract: P. BM EA 10077 Revisited’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde 150/2 (2023), pp. 1-12.
G. Baetens, ‘An Embalmers’ Dispute in Hypsele/Shashotep’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 66 (2020), pp. 273-312.
M. Cannata, Three Hundred Years of Death: The Egyptian Funerary Industry in the Ptolemaic Period, Leiden/Boston, 2020.
T. Derda, ‘Necropolis Workers in Greco-Roman Egypt in the Light of the Greek Papyri’, Journal of Juristic Papyrology 21 (1991), pp. 13-36.
Y. Uytterhoeven, Hawara in the Graeco-Roman Period: Life and Death in a Fayum Village, Leuven, 2009.

Deze blogpost is een herwerkte versie van het originele artikel: G. Baetens, Balsemers in Ptolemeïsch Egypte. Een ingewikkelde geschiedenis, Ta-Mery 15 (2003). (Deze uitgave van Huis van Horus is het enige Nederlandstalig magazine over het oude Egypte en bevat populair-wetenschappelijke artikelen geschreven door egyptologen uit Nederland en Vlaanderen).

Coverafbeelding: een adaptatie van de afbeelding ‘Coffin fragment with Nut and Anubis’ vanop Wikimedia (Public Domain: CC0 1.0 DEED).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/feed/ 0 2493
Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/#respond Tue, 09 Jun 2020 15:15:10 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1599 Tempelcompex van Karnak

Het 'Huis van de Koe' was een district in de stad Thebe, in het zuiden van Egypte, waar vele dodenpriesters een huis bezaten. Het district is gelegen op de Thebaanse oostoever, ten noorden van de bekende tempel van Karnak. De aankoop en verkoop van de huizen, die zich in dit district bevonden, zijn voor ons bewaard in de vele papyrusarchieven die de Thebaanse dodenpriesters hebben achtergelaten. Dankzij deze koopcontracten is het mogelijk om een reconstructie te maken van hoe het district er precies heeft uitgezien.

Het bericht Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Tempelcompex van Karnak

Het ‘Huis van de Koe’ was een district in de stad Thebe, in het zuiden van Egypte, waar vele dodenpriesters een huis bezaten. Het district is gelegen op de Thebaanse oostoever, ten noorden van de bekende tempel van Karnak. De aankoop en verkoop van de huizen, die zich in dit district bevonden, zijn voor ons bewaard in de vele papyrusarchieven die de Thebaanse dodenpriesters hebben achtergelaten. Dankzij deze koopcontracten is het mogelijk om een reconstructie te maken van hoe het district er precies heeft uitgezien.

“Honderdpoortig” Thebe

Het Egyptische Thebe “met de honderd poorten”, zoals Homerus de stad omschreef, is lange tijd de religieuze hoofdstad van het Nijlland geweest. In het Thebaanse gebied werden er talloze feesten en processies voor verscheidene goden georganiseerd. Het religieuze landschap van Thebe werd door de Nijl in twee delen gesplitst, met op de oostoever de tempels van Luxor en Karnak, en op de westoever de vele dodentempels (o.a. van Deir el-Bahari en Medinet Haboe), het arbeidersdorp Deir el-Medina, en de Vallei der Koningen en Koninginnen. Verder zijn er op de westoever bijzonder veel graven van privépersonen terug te vinden, die verdeeld zijn over een aantal necropolen, waaronder de bekende Asasif-necropool en de necropolen Dra Aboe el-Naga en Sjeik Abd el-Koerna.

In het Thebaanse gebied ontstonden verschillende religieuze connecties, die zich vertaalden in prominente festivals. Zo was er het ‘Mooie Feest van de Vallei’, waarbij de god Amon jaarlijks van zijn Karnaktempel naar Deir el-Bahari gebracht werd, het Opet-feest, waarbij een processie jaarlijks van Karnak naar Luxor trok, en het Dekadenfeest waarbij de god Amenophis van Luxor elke tien dagen een bezoek bracht aan de tempel van Medinet Haboe aan de overzijde van de Nijl. Tijdens deze festiviteiten oefenden de Thebaanse dodenpriesters belangrijke taken uit, zoals het brengen van plengoffers voor bepaalde goden. Naast hun dagelijkse functie om te zorgen voor de overledenen in de necropool, trokken de priesters de religieuze festiviteiten van Thebe steeds mee op gang.

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloonLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloon

Grondplan van het Karnak-complex, met de tempels van Amon-Ra en Montoe. Het ‘Huis van de Koe’ bevond zich naast deze twee tempels. De exacte locatie is tot op heden echter onbekend

Het Karnak-complex op de oostelijke oever bestond uit verschillende tempels, waaronder de ‘Amon-Ra’-tempel, die de belangrijkste was. Verder werden er eveneens tempels gebouwd voor de goden Montoe en Moet, respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de ‘Amon-Ra’-tempel. Rond het tempelcomplex werden vrij dicht woningen gebouwd, die samen met de tempel de stad Diospolis Megale vormden. Deze stad bestond uit verschillende districten, en één van deze districten was het ‘Huis van de Koe’. Dit district was gelegen ten noorden van de tempel van Amon-Ra en ten westen van de tempel van Montoe. De naam verwijst naar de tempel van Montoe, die ook wel de tempel van de koe genoemd werd (Egyptisch: tA-Hw.t-n-pA-iH). De koopcontracten van deze huizen zijn bewaard gebleven in enkele papyrusarchieven van de dodenpriesters uit de regio, waaruit blijkt dat vele van hen een huis in dit district bezaten. De locaties van de huizen worden in de contracten niet beschreven zoals we vandaag een adres zouden opgeven, maar aan de hand van de buren in de verscheidene windrichtingen (een voorbeeld volgt verder). Er is dus heel wat puzzelwerk vereist om een plattegrond van het ‘Huis van de Koe’ te reconstrueren.

 

De Thebaanse priesterarchieven

Uit het Thebaanse gebied zijn heel wat papyrusarchieven bewaard uit de Ptolemaeïsche tijd (332-30 v.C.). Zowel het Egyptisch als het Grieks werden gebruikt als voertaal in private en officiële context. De private papyrusarchieven uit Ptolemaeïsch Egypte staan toe een preciezer beeld te krijgen van het leven van de mensen uit deze periode dan vele andere bronnen uit de oudheid. Papyrusarchieven bevatten vaak de private administratie van de eigenaar en regelmatig kunnen we daardoor, helemaal of gedeeltelijk, het leven van de mensen reconstrueren.

In Thebe zijn heel wat tweetalige archieven van dodenpriesters teruggevonden en dankzij deze documenten zijn we goed ingelicht over hun werk in de necropool. Er dienden namelijk verschillende stappen ondernomen te worden vooraleer de overledene een begraafplaats kreeg in de Thebaanse necropool. Voor deze verschillende fases waren verschillende soorten priesters verantwoordelijk. Het verwijderen van de organen en het balsemen werd bijvoorbeeld uitgevoerd door respectievelijk de paraschistai (“degene die het lichaam opent”) en de taricheutai (“degene die pekelt”). Verder zorgden de nekrotaphoi (“degene die het lijk draagt”) ervoor dat de mummie bij zijn graf in de necropool terecht kwam. Na de begrafenis, namen de choachytai (letterlijke vertaling van het Egyptische wAH.w-mw, “degene die water uitgiet”) de zorg van de overledene op zich en zorgden ze dagelijks voor de libaties en de nodige voedseloffers. Het is voornamelijk van deze laatste groep priesters, de choachieten, dat er veel archieven bewaard zijn. Deze teksten verduidelijken naast hun beroepsleven ook heel wat over hun privéleven, met name over waar ze precies gehuisvest waren. Dit brengt ons bij het ‘Huis van de Koe’, het district op de Thebaanse oostoever, waar veel van deze priesterfamilies een huis bezaten.

De Thebaanse necropool in Sjeik Abd el-Koerna, waar vele priesters werkzaam warenLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Thebaanse necropool in Sjeik Abd el-Koerna, waar vele priesters werkzaam waren

Er zijn maar liefst zeven priesterarchieven die verbonden kunnen worden met het ‘Huis van de Koe’. De volgende archiefeigenaars bezaten documenten over één of meerdere huizen in het district:

Telkens wanneer een huis – doorgaans van de ene aan de andere priester – werd verkocht, werd een contract opgesteld. Oudere koopcontracten werden systematisch doorgegeven aan de nieuwe eigenaar van het huis. De priesters uit de opgesomde archieven waren via familiebanden aan elkaar gelinkt en de documenten die in hun bezit waren, strekken zich uit over meerdere generaties. Dankzij de papyri kunnen we sommige huizen volgen wanneer ze van de ene familie aan de andere worden doorverkocht.

De verkoop van de huizen

De meeste van de Thebaanse koopcontracten werden geschreven in het Demotische schrift (een cursieve vorm van hiërogliefen) en werden volgens een vast schema met een lange reeks clausules opgesteld. Bovendien bestonden de contracten eigenlijk uit twee documenten, conform een typisch Egyptische traditie: (1) de verkoopakte zelf en (2) een akte van afstand

  1. In de verkoopakte bevestigde de verkoper dat de betaalopdracht uitgevoerd werd en dat hij tevreden was met het geld dat hij ontvangen heeft. Vreemd genoeg werd het precieze bedrag nooit vermeld. In het Demotisch staat er dan het volgende: “je hebt mijn hart tevreden gesteld met je geld”. Dit document eindigt steeds met een handtekening van een notaris
  2. In de akte van afstand bevestigde de oorspronkelijke eigenaar en dus verkoper dat hij afstand deed van zijn eigendom. In dit document garandeerde de verkoper dat hij zou tussenkomen in het geval dat iemand anders de eigendom zou claimen. De verkoopakte geeft bijgevolg het wettelijke recht voor het gebruik van het onroerend goed door, terwijl bij de afstandsakte het eigendomsrecht zelf wordt doorgegeven

Beide documenten bestaan uit een overeenkomst, een bevestiging dat de verkoop geregistreerd is en een kwitantie die aangeeft dat de nodige belastingen betaald zijn door de koper. Tenslotte werden de handtekeningen van de 16 getuigen eraan toegevoegd. Naast deze documenten, die werden opgesteld bij de verkoop van een huis, werden steeds de oudere koopcontracten van datzelfde huis eveneens overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Wanneer een huis werd doorgegeven van vader op zoon via een erfenis, werden de oudere koopcontracten eveneens doorgegeven samen met een akte van verdeling, een soort Egyptisch testament.

BM 10524, een van de teksten uit het archief van Teianteus. Het gaat om een contractuele verplichting waarin toestemming gegeven werd om een huis te bouwen tegen de westelijke muur van het huis van Teianteus

Een goed voorbeeld van een papyrusarchief waarin veel – in dit geval zelfs nagenoeg alle – teksten gerelateerd zijn aan een specifiek huis in het ‘Huis van de Koe’-district, is het archief van Teianteus, een vrouwelijke archiefeigenaar. Ze maakte deel uit van een priesterfamilie en leefde kort na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Het archief bevat documenten van drie verschillende families, met daarin vijf opeenvolgende eigenaren van de woonst in het ‘Huis van de Koe’. Het huis van Teianteus maakte oorspronkelijk deel uit van een groter huis dat op het einde van de 4de eeuw v.C. in het bezit was van een zekere Djoefachi, houtbewerker in de tempel van Amon. Hij verdeelde het huis onder zijn kinderen en nadien (vanaf 301 v.C.) werden de delen van het huis steeds apart doorverkocht, tot een van de delen in het bezit kwam van Teianteus (284 v.C.). Dankzij de eigendomsaktes die zij in haar archief bewaard heeft, kunnen we de verkoop van het huis opnieuw reconstrueren tot aan het moment dat het in handen was van de oorspronkelijke eigenaar, Djoefachi.

Zoals reeds vermeld, hadden de huizen in het district geen echt adres zoals we dat vandaag kennen. Wanneer een huis beschreven werd in een papyrus, werd er een zo specifiek mogelijke omschrijving gegeven volgens een vaste structuur. De eigenaars van de aanpalende huizen werden namelijk steeds opgesomd, doorgaans in dezelfde volgorde: eerst het zuiden en het noorden, vervolgens het oosten en het westen. Een dergelijke locatie-omschrijving van het huis van Panas II, zoon van Pchorchonsis in een eigendomsakte (TM Text 310) gaat als volgt (situatie in 265 v.C. uit het archief van Pechytes, zoon van Pchorchonsis):

“Het huis, gelegen in het Noordelijke district van Thebe, in het Huis van de Koe. De buren van het hele huis zijn: in het zuiden het huis van Esnachomneus, zoon van Harbesis, waartussen de koninklijke weg ligt; in het noorden het huis van Esminis, zoon van Pamonthes; in het oosten het huis van Tayris, dochter van Teos; in het westen het huis van Herisenef, zoon van Achoapis.”

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloonLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Reconstructie van het huis van Panas II, zoon van Pchorchonsis (situatie in 265 v.C.). Deze Panas was de grootvader van de laatste archiefeigenaar, Pechytes

Aan de hand van deze omschrijvingen kan men op twee niveaus reconstructies maken: enerzijds van wie naar wie het huis werd doorgegeven, en anderzijds hoe alle huizen zich tot elkaar verhouden binnen het district het Huis van de Koe. Wanneer er namelijk bepaalde buren in verscheidene teksten terugkomen, kan men een reconstructie maken van waar de huizen zich op een plattegrond bevinden. Op basis van het verder analyseren van verscheidene teksten en het zoeken naar linken tussen de priesterfamilies en hun eigendommen, zijn er telkens verder geëvolueerde plattegronden gemaakt van het ‘Huis van de Koe’ (zie ‘Lees meer’).

Plattegrond van het 'Huis van de Koe', zoals gereconstrueerd werd door Glanville (1950). Huis S betreft het huis van Pechytes, zoon van Pchorchonsis. Jufachi verwijst naar het oorspronkelijke huis van Djoefachi, dat later deels bij Teianteus terecht kwam. Meer geüpdatete versies van de plattegrond zijn te vinden in Depauw (2000) en Muhs (2005)Glanville (1950)

Plattegrond van het ‘Huis van de Koe’, zoals gereconstrueerd werd door Glanville (1950). Huis S betreft het huis van Pechytes, zoon van Pchorchonsis. Jufachi verwijst naar het oorspronkelijke huis van Djoefachi, dat later deels bij Teianteus terecht kwam. Meer geüpdatete versies van de plattegrond zijn te vinden in Depauw (2000) en Muhs (2005)

Onderlinge huwelijken

De papyrusarchieven laten ook toe enkele stambomen van de priesterfamilies te reconstrueren. Professor Brian Muhs heeft aangetoond dat de zonen en dochters van de Thebaanse dodenpriesters doorgaans met elkaar in het huwelijk traden, en dan nog toevallig met de zoon of dochter van een van de buren in het ‘Huis van de Koe’. Het gaat in de meeste gevallen zelfs om de kinderen van dodenpriesters die maar één of twee huizen verder woonden. Het is best mogelijk dat de zonen, die dan zelf ook priester waren, de voorkeur gaven aan meisjes die in hun buurt woonden, en dan toevallig ook de dochter waren van een priester. Maar niets is minder waar. Als men het gehele ‘Huis van de Koe’-district bekijkt, behoort maar een derde van de inwoners tot een priesterfamilie. Toch zijn deze bijna allemaal getrouwd met iemand die ook tot een priesterfamilie behoorde. Volgens professor Muhs zocht men dus in eerste instantie naar een huwelijkskandidaat die ook tot dezelfde sociale kring behoorde en dat was dan in de meeste gevallen ook iemand die maar enkele huizen verder woonde.

Waarom wilden leden van priesterfamilies binnen hun eigen kring een partner zoeken? Het heeft, zoals vaak, te maken met de erfenis. Wanneer een dodenpriester overleed, werden alle mummies waarvoor hij verantwoordelijk was, inclusief de inkomsten, verdeeld onder zijn kinderen, jongens én meisjes. Wanneer bijgevolg een van de dochters getrouwd was met iemand die niet behoorde tot de priestergemeenschap, dan zouden de mummies en hun inkomsten terecht komen in een andere (niet-priester)familie. Om de mummies en hun inkomsten in de gemeenschap te houden, werden de huwelijken binnen het priesterambt gehouden, namelijk door de dochters steeds uit te huwelijken aan mannen die ook priester waren. Wanneer een priester overleed, ging een deel van zijn mummies dan wel naar zijn dochter en de familie waarbinnen ze getrouwd was, maar de zonen van deze priester waren op hun beurt ook getrouwd met dochters van andere dodenpriesters en ontvingen zo opnieuw mummies wanneer hun schoonvader overleed. Het doel van dit hele gebeuren lag erin om de hoeveelheid mummies en voornamelijk de inkomsten ervan – want daar draaide het uiteindelijk om – binnen een familie status quo te houden. Door het huwen van de buren kon men bovendien van aanpalende woningen één grotere woning maken door de overige erfgenamen uit te kopen. Bijgevolg circuleerden niet alleen de mummies en hun inkomsten binnen één priestergemeenschap, maar ook de eigendommen in het Huis van de Koe.

Lees meer

M. Depauw, The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes (P.Brux.dem. inv. E. 8252-8256) (Monographies Reine Élisabeth 8), Turnhout – Brussel, 2000.
M. Depauw, “Sale in Demotic Documents: an overview”, in E. Jakab (red.), Sale and Community Documents from the Ancient World Individuals’ Autonomy and State Interference in the Ancient World Proceedings of a Colloquium supported by the University of Szeged Budapest 5-8.10.2012 (Legal Documents in Ancient Societies V), Trieste, 2015, 67-80.
S. Glanville, A Theban Archive of the Reign of Ptolemy I, Soter (Catalogue of Demotic Papyri in the British Museum I), London, 2de ed., 1950 [1939].
B. Muhs, “”The girls next door: marriage patterns among the mortuary priests in early Ptolemaic Thebes”, The Journal of Juristic Papyrology 35, 2005, 169-194.
P.W. Pestman, “Het huis van Teianteus”, in P.W. Pestman (red.), Familiearchieven uit het land van Pharao, een bundel artikelen samengesteld naar aanleiding van een serie lezingen van het Papyrologisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Leiden in het voorjaar van 1986, Zutphen, 1989, 15-24.

Coverafbeelding: adaptatie van foto ‘Karnak Temples’ door Ahmed Bahloul Khier Galal op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/feed/ 0 1599
Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/#respond Wed, 23 Jan 2019 15:44:19 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1211 Osiris-Apis processie

Het papyrusarchief van Ptolemaios, de katochos van het Serapeum van Memphis, bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Daaronder bevinden zich ook enkele verzoekschriften vanwege de tweelingzussen Thaues en Taous die, nadat hun vader vermoord werd door de minnaar van hun moeder, daar konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Lees in dit artikel alles over deze tweeling en hun speciale functie als priesteres in dienst van de cultus voor de Apisstier en de god Sarapis.

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Osiris-Apis processie

De tweelingzussen Thaues en Taous behoorden tot de gegoede Egyptische klasse in de tijd van de Ptolemaeïsche koningen (332-30 v.C.). In 164 v.C. werden de meisjes door hun moeder Nephorys verjaagd, nadat haar minnaar Philippos de vader van de tweeling had vermoord. De meisjes zochten hun toevlucht bij Ptolemaios, een Macedoniër die als katochos (zie verder) verbleef in het grote Serapeum van Memphis en bovendien een vriend van hun vermoorde vader was. Ptolemaios ving de meisjes op en zorgde ervoor dat ze konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Het papyrusarchief van Ptolemaios bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Vandaag is het versnipperd over verschillende musea in Europa, waaronder Parijs, Leiden en Bologna. Een 42-tal teksten uit dit archief hebben betrekking op de tweeling, wat duidt op hun zeer belangrijke rol in het leven van Ptolemaios.

Het verzoekschrift UPZ 1.18

UPZ 1.18 (Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit I) is een verzoekschrift en staat ons toe het leven van de Egyptische zusjes Thaues en Taous voor een groot deel te volgen. Deze tweeling was met hun moeder, vader en stiefbroer Pachratesp woonachtig in Memphis. In de bron wordt verteld dat hun moeder Nephorys hun vader had bedrogen met de Griekse soldaat Philippos. Deze Philippos had de vader van de tweeling vermoord en hen uit huis verdreven. De papyrus vertelt ons dat Ptolemaios de tweeling redde ‘op bevel van de god’. De inhoud van de papyrus gaat als volgt:

“Van Thaues en Taous, de tweelingen uit het grote Serapeum in Memphis. Wij lijden onrecht door onze moeder Nephorys. Ze heeft onze vader laten vertrekken en ze woonde samen met Philippos, zoon van Sogenes, een soldaat uit de troepen van Py…ros, maar Philippos, omdat zij vol ontrouw zat en ze hem had opgedragen, onze vader – …. γυν… (Hargynouti?) –  te vermoorden, trok hij zijn zwaard en liep achter hem aan. Het huis van onze vader is dicht bij de rivier, hij stortte zich in de rivier en dook onder tot hij het eiland in de stroom bereikte, een boot pikte hem op, bracht hem naar Herakleopolis, waar hij stierf van een gebroken hart. Zijn broers gingen hem halen, ze brachten hem naar de necropool waar ze hem gedeponeerd hebben, en hij is nog steeds zonder graf. Zijn bezittingen heeft zij genomen en zij ontvangt elke maand 1400 bronzen drachmen. Ze gooide ons buiten, en wij, stervend van de honger, gingen naar het Serapeum naar Ptolemaios, een van degenen, die in zich in des gods hechtenis bevindt. Deze Ptolemaios was een vriend van onze vader, hij nam ons binnen en gaf ons eten. Wanneer het ochtend was, namen ze ons mee naar beneden om te rouwen voor de god. De kennissen van onze moeder overtuigden ons om haar zoon Pachratesp te nemen als beschermheer. We stuurden hem om te verzamelen wat ons verschuldigd was uit de koninklijke schatkist voor jaar 17. En hij stal wat we hadden in het Serapeum en wat hij op onze naam uit de schatkist verzameld had, namelijk één metreet olie (± 40 liter), hij ging terug naar zijn moeder. Ptolemaios die in gevangenschap was in de tempel, redde ons, op bevel van god.

Van Ptolemaios, zoon van Glaukias, een Macedoniër, in ‘gevangenschap’ voor het elfde jaar.”

(eigen vertaling, gebaseerd op Wilcken, UPZ I)

De tekst is geschreven door Apollonios, de jongere broer van Ptolemaios, in naam van de tweeling en was gericht aan de koning. Hierin vroeg men om een beter leven voor de tweeling en een bestraffing van de moeder en Philippos. Het is een petitie of klaagschrift van de tweeling tegen hun moeder Nephorus. In dergelijke tekst vroeg men om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de beklaagde.

Verzoekschrift UPZ 1.20, net zoals 1.18, vanwege Thaues en Taous

Het Serapeum van Memphis

Een Serapeum of Sarapieion is een tempel voor de god Sarapis (of Serapis). Deze god, die eigenschappen van zowel Griekse als Egyptische goden had gekregen, werd zowel vereerd door de Griekse als de Egyptische bevolking. Qua uiterlijk leek hij op de Griekse oppergod Zeus en zijn naam gaat wellicht terug op Osorapis oftewel Osiris-Apis, de dode Apisstier. Sarapis was een laat-Egyptische god die door Alexander de Grote of Ptolemaios I werd gecreëerd. Hij werd in Sarapieia-tempels vereerd. Zijn tempel in Memphis werd gebouwd op de resten van een oudere tempel gewijd aan de vergoddelijkte architect Imhotep. In het Serapeum in Memphis werden de Apisstieren al sinds de 14de eeuw v.C. (Nieuwe Rijk) begraven. Hun catacomben bevinden zich in een ondergronds gangencomplex. Bovengronds was er een tempelcomplex, waar ook de tempel van Sarapis lag. Er bevonden zich bovengronds ook tempels voor andere godheden, zoals Isis, Horus, Amon, Thoth en Astarte. Binnen de tempelmuren waren er winkels, huizen en herbergen voor de bezoekers van de tempel. Het Serapeum van Memphis was dus eigenlijk een kleine stad op zichzelf. Het bevindt zich net buiten het Nijldal, niet zo heel ver van de trappenpiramide van Djoser. Vandaag blijven er enkel nog de fundamenten van het Serapeum over en de ondergrondse catacomben.

Schets van de ondergrondse gang in het Serapeum (van Saqqara)

Ptolemaios en Apollonios, twee κάτοχοι in het Serapeum

Ptolemaios leefde in het Serapeum van ongeveer 172 tot 152 v.C. en was verbonden aan het heiligdom van de Fenicische godin Astarte. Hij was ἐν κατοχῇ in een pastophorion, een verblijfplaats voor priesters van lage rang, maar het is niet zeker of hij zelf ook een pastophoros was. Hij woonde er samen met zijn kamergenoot en vriend Harmais. Ptolemaios was de zoon van Glaukias, een Macedonische soldaat-kolonist, die naar Egypte was geëmigreerd. De familie woonde oorspronkelijk in Psichis, een dorpje in de Herakleopolitische gouw in Midden-Egypte. Ptolemaios had minstens drie broers: Hippalos, Sarapion en Apollonios en mogelijk ook een zus Berenike. Ptolemaios zou op de leeftijd van dertig jaar κάτοχος geworden zijn. Over wat de term κάτοχος nu precies inhoudt is enorm veel discussie. Het zou zowel over een kluizenaar, een tempelslaaf of zelfs een asielzoeker kunnen gaan. Het betekent letterlijk ‘door de god gegrepen’ en impliceerde dat Ptolemaios de tempel niet mocht verlaten. Hij voerde een deel van de tempeladministratie uit, waarvoor hij een zekere toelage ontving. Ptolemaios werd vooral verantwoordelijk geacht voor de cultusinkopen van de tempel, maar tekende ook een hele reeks dromen op van zichzelf, van zijn broer Apollonios en van een andere κάτοχος Nektembes. Deze dromen hadden bijna altijd betrekking op de tweelingzussen Thaues en Taous, die door Ptolemaios in de tempel waren opgevangen. Hij probeerde de dromen te verklaren en dacht vermoedelijk dat ze een voorspellende waarde hadden. Het zou eventueel kunnen dat één van zijn priesterlijke functies droomuitlegging was, maar waarschijnlijk is dit toch niet correct. Hij zou ze eerder verzameld hebben om ze vervolgens aan een droomuitlegger voor te leggen. Een ander personage uit het archief is Apollonios, de jongste broer van Ptolemaios, die maar liefst dertig jaar jonger zou geweest zijn. Aangezien Apollonios Grieks schreef met een Egyptisch “accent” en daarnaast ook het Demotische schrift gebruikte, zou het eventueel kunnen dat hij de halfbroer was van Ptolemaios, eerder dan de broer. Hij heeft een groot aantal documenten geschreven voor Ptolemaios, die in het archief bewaard zijn, zoals het eerder besproken verzoekschrift UPZ 1.18.

Thaues en Taous, twee priesteressen in het Serapeum

Zoals hierboven vermeld, was de vader van de tweeling, Hargynuti of Argnoûtes, vermoord door Philippos. De tweelingzusjes hadden uiteraard recht op een deel van de erfenis van hun vader, maar hun moeder wilde evenmin de begrafeniskosten betalen. Ook om deze redenen klaagde de tweeling over hun moeder in UPZ 1.18. De meisjes werden bijgestaan door Apollonios en Demetrios. Deze laatste was hun rechtsvertegenwoordiger zolang ze in het Serapeum verbleven. Waarschijnlijk konden de meisjes geen Egyptisch schrijven en spraken ze helemaal geen Grieks, aangezien de petities door anderen geschreven werden in hun naam.

Een sarcofaag van een Apisstier uit het Serapeum van Saqqara

Op 6 april 164 v.C. stierf de Apisstier Ta-Renenutet II. Na de dood van deze heilige stier werden er 70 dagen van rouw afgekondigd. De stier werd bij zijn dood gelijkgesteld aan Osiris, de god van de onderwereld. Bij de dood van Osiris rouwden de goddelijke tweelingzussen Isis en Nephtys om zijn dood. In navolging van deze rouwperiode was er bij de dood van een Apisstier ook een tweeling nodig die rouwde om hem. Thaues en Taous namen deze rol op zich. Maagdelijkheid was een voorwaarde voor het priesterschap van de tweeling. Na deze 70 dagen bleven ze hun functie van priesteressen behouden in het Serapeum. Na de dood van de stier gingen de meisjes naar Memphis.

De mannen die de mummificatie van de stier uitvoerden, moesten zich wassen en scheren en andere kleren aantrekken. De voorwerpen die gebruikt werden voor de mummificatie mochten niet op de grond liggen, maar lagen op een mat. De Apisstier zelf lag op een berg zand. Bij de mummificatie verwijderde men eerst de ogen, vervolgens de hersenen en tenslotte de ingewanden.

Een beeld van een Apisstier uit de Ptolemaeïsche periode

Na de mummificatie werd het lichaam gewikkeld in linnen en in een kist gelegd. Op de 69ste dag werd de stier naar buiten gebracht en in een schrijn geplaatst, waarna hij naar het meer Mareotis werd gedragen. Daarnaast werd er een draagstoel met Isis en Nephtys gedragen, die in dit geval vertegenwoordigd werden door Thaues en Taous. Vervolgens vond er een boottocht plaats op het meer. De Apisstier werd daarna naar een reinigingstent gebracht. Hier werd het mondopeningsritueel, dat er voor zorgde dat de mummie kon functioneren als symbool van Osiris, uitgevoerd. Deze handeling was een rite de passage waarbij de dode naar de onderwereld ging en waarbij men een beitel gebruikte om de rijen tanden te openen. Tenslotte vond op de 70ste dag de begrafenis plaats. De stier werd in een processie naar het Serapeum gedragen en daar begraven in de ondergrondse gangen.

Thaues en Taous werden beloond voor hun diensten in de Apiscultus. Ze waren dé tweeling die de godinnen Isis en Nephthys ‘speelden’ tijdens de rouwperiode voor de stier. De tweeling kreeg acht artabas graan per maand, wat gelijkstond met vier sneetjes brood per dag. Ze kregen ook dagelijks olyra (een graansoort) en jaarlijks een portie sesamolie en een portie castorolie, een hoge toelage. Hun beloofde uitkeringen werden echter keer op keer niet uitbetaald. Ptolemaios zond in naam van de tweeling verschillende petities naar de koning en hoge functionarissen. Het niet uitbetalen van hun beloning had in de eerste plaats betrekking op olie en brood. Hun allereerste uitkering werd ook gestolen door hun stiefbroer Pachratesp.

Enkele jaren later leken de zussen er weer bovenop want ze waren in staat Ptolemaios 5000 drachmen te lenen. Mogelijk was hun moeder Nephorys gedwongen hun het rechtmatige deel van de erfenis af te staan. Nadat de tweeling hun functie had uitgeoefend in de Apiscultus, mochten ze als priesteressen blijven dienen in het Serapeum. Van 159 tot 158 v.C. woonden ze de rituelen bij voor de begrafenis van de overleden Mnevisstier, die in Heliopolis begraven werd. Ze voerden eveneens in het Serapeum het dagelijkse libatie-offer uit voor de god Asklepios die met de architect-god Imhotep werd gelijkgesteld. Ze ontvingen ook de offerandes voor de god. Imhotep was de vizier van farao Djoser uit de derde dynastie. Hij werd later vergoddelijkt en aanbeden en ging deel uitmaken van de grote triade van Memphis: Ptah, zijn vrouw Sechhmet en hun zoon Imhotep.

De Apiscultus

De god Sarapis

De Apisstier werd al vereerd vanaf de vroege periode van de Egyptische geschiedenis in Memphis. De stier symboliseerde de cyclus van het leven, van geboorte tot de dood, van Apis tot Osiris-Apis of Osorapis. De Hellenistische of gesyncretiseerde god Sarapis is afgeleid van de god Apis. Of het bij deze afleiding enkel gaat om de naam of om het totale beeld van de god is niet zeker. De god Sarapis werd afgebeeld als een man met gekruld haar en een baard. Hij droeg alsook een modius (een afgevlakte cilindrische kroon) op zijn hoofd. De Apisstieren waren niet zomaar gewone stieren, ze werden uitgekozen omwille van enkele bijzondere kenmerken. Ze moeste drie specifieke witte vlekken hebben op hun lichaam: (1) een witte driehoek op hun voorhoofd, (2) een witte vlek in de vorm van een gier op hun rug en (3) een witte vlek in de vorm van een maan op hun rechterzijde. Verder moesten ze ook een scarabeeteken onder hun tong hebben en een gespleten staart.

De mummificatieceremonies duurden van 7 april tot 15 juni 164 v.C. Tijdens de 70 dagen rouw droegen de aanbidders van de Apisstier specifieke gewaden, lieten hun haar groeien en wasten zich niet. Ze aten geen voedsel dat afkomstig was van dieren, maar hielden zich aan een dieet van brood en groenten, en dronken alleen water. Na zijn dood werd de stier naar het ‘huis van de reiniging’ gebracht. Hier werd de stier gewassen en ingewreven met natron. Vervolgens werd hij naar het ‘huis van de balseming’ of de wˁb.t (wabet) gebracht. Op deze plek vond de verrijzenis van de stier plaats, waarbij Apis gelijkgesteld werd aan Osiris.

In dit filmpje wordt het leven van de tweeling voorgesteld a.d.h.v. UPZ 1.18.

Meer lezen

Hoogendijk, F.A.J. ‘Ptolemaios: een Griek die leeft en droomt in een Egyptische tempel’, in P.W. Pestman (Ed.), Familiearchieven in het land van de Pharao, Zutphen, 1989, 46-69 en 165-167.

Scheerlinck, E. Klachten en verzoeken uit Ptolemeïsch Memphis, Vrouwelijke onderdanen schrijven aan de overheid, Onuitgegeven masterthesis, Universiteit Gent, departement Geschiedenis, 2008.

Stevens, M. Het katochoi-archief en de acculturatie tussen Egyptenaren en Grieken in Ptolemaeïsch Memphis, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent, departement Geschiedenis, 2006-2007.

Vos, R.L. The Apis embalming ritual: P. Vindob. 3873 (Orientalia Lovaniensia Analecta, 50), Leuven, 1993.

Wilcken, U., Urkunden der Ptolemäerzeit I (UPZ I), 199-201.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘The sacred procession of Apis Osiris by F.A. Bridgman’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/feed/ 0 1211
Assassin’s Creed: Origins: Dood en verderf in Ptolemaeïsch Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/11/2017/assassins-creed-origins-dood-en-verderf-in-ptolemaeisch-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/11/2017/assassins-creed-origins-dood-en-verderf-in-ptolemaeisch-egypte/#comments Tue, 21 Nov 2017 14:41:22 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=387 cover Assassin's Creed: Origins

Assassin’s Creed, de populaire saga over de strijd tussen autocratische tempeliers en op vrijheid gestelde sluipmoordenaars, behoeft nauwelijks een inleiding. Na eerder al de kruistochten, de Italiaanse renaissance, de Amerikaanse en Franse revoluties en Victoriaans Londen te hebben aangedaan, voert de serie ons nu mee naar Ptolemaeïsch Egypte, waar het allemaal begon voor de 'assassins' uit de titel. Lees hier onze review.

Het bericht Assassin’s Creed: Origins: Dood en verderf in Ptolemaeïsch Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
cover Assassin's Creed: Origins

Assassin’s Creed, de populaire saga over de strijd tussen autocratische tempeliers en op vrijheid gestelde sluipmoordenaars, behoeft nauwelijks een inleiding. Na eerder al de kruistochten, de Italiaanse renaissance, de Amerikaanse en Franse revoluties en Victoriaans Londen te hebben aangedaan, voert de serie ons nu mee naar ons geliefde Ptolemaeïsch Egypte, waar het allemaal begon voor de ‘assassins‘ uit de titel. In dit spel bestuurt de speler Bayek, een Egyptenaar uit Siwa die op zijn zoektocht naar wraak verwikkeld geraakt in de samenzwering van de ‘Orde van de antieken’ (in ‘Assassin’s Creed’-termen: de proto-tempeliers). Deze groepering bespeelt achter de schermen de Ptolemaeïsche dynastie en tracht Egypte in haar macht te krijgen. En passant mengt Bayek zich zo in de burgeroorlog tussen Cleopatra VII (dé Cleopatra) en haar broer Ptolemaios XIII. Voer dus voor een spectaculair verhaal rond historische personages, inclusief Romeinse publiekslievelingen Pompeius en Caesar, tegen de achtergrond van de nadagen van Ptolemaeïsch Egypte.

Visuele pracht

Het moet gezegd worden dat ontwikkelaar Ubisoft dat Egypte op een prachtige manier in beeld gebracht heeft. De game is een ware lust voor het oog en bij het verkennen van de enorme speelwereld is het moeilijk om soms niet even stil te blijven staan om al dat moois in je op te nemen. Bij het exploreren van de talrijke tombes werpt Bayeks toorts indrukwekkende schaduwen, de Nijl produceert prachtige reflecties en het stof waait mooi op bij het doorkruisen van de woestijn. De makers hebben de wereld met een groot oog voor detail gereconstrueerd, gaande van de vele gebouwen en papyri die voorzien zijn van geloofwaardig uitziende (maar niet altijd betekenisvolle) Griekse of Egyptische tekst, tot het typische gebruik van littekens in persoonsbeschrijvingen.

De wereld leeft ook. Er is voortdurend bedrijvigheid: mensen wandelen over straat, bakken brood, maken standbeelden, oogsten graan, weven kleding, enzovoort. In de tempels worden rituelen uitgevoerd en in de necropolen zijn mummificeerders aan het werk. Spelers zijn getuige van mooie scènes uit het alledaagse Egypte, van religieuze processies tot symposia, vaak geheel onverwacht. Het spel kent ook een dag-en-nacht-cyclus, die belangrijke implicaties heeft. Zo is het verstandiger om moeilijke missies uit te stellen tot na zonsondergang, omdat wachters en rovers dan slapen.

Visuele pracht: het meer van Mareotis bij nacht

Ptolemaeïsch Egypte

Het Oude Egypte is altijd een populaire periode geweest voor schrijvers, filmmakers en andere entertainers, wat soms tot een stereotiep en statisch beeld van Egypte leidt, doorspekt met fantasierijke elementen. Gelukkig zijn de makers van Assassin’s Creed niet in deze val getrapt: het Egypte dat we te zien krijgen is duidelijk Ptolemaeïsch. De Griekse invloed is sterk aanwezig, van de staatsbeambten en architectuur tot de kleding en de geteelde gewassen. Mythologische passages komen weliswaar voor (zoals de heroïsche strijd met Apophis vanop de zonnebark van Ra), maar worden goed gekaderd als droom of hallucinatie. Het spel toont ook een besef van de ouderdom en de gelaagdheid van de Egyptische geschiedenis. Het hoofdpersonage geeft bijvoorbeeld aan bepaalde hiëroglyfische teksten niet te kunnen lezen omdat ze te oud zijn.

Het einde van de Egyptische beschaving: Letopolis verdwijnt onder het zand

De 1ste eeuw v.C. wordt duidelijk neergezet als de laatste fase en de ondergang van deze grote beschaving. Dit is merkbaar in de verhalen die verteld worden. In één van de eerste side quests, die te maken heeft met de verkoop van valse kattenmummies aan toeristen, wordt er bijvoorbeeld gealludeerd op de spanning tussen het behouden van religieuze tradities en de nood aan financiële middelen. Anderzijds wordt deze sfeer ook visueel opgewekt: Egypte is bezaaid met ruïnes, steden zijn al deels opgeslokt door het woestijnzand of liggen onder water, en ook de piramides, symbolen van de luister van weleer, beginnen reeds tekenen van verval te vertonen.

Memphis, gedomineerd door de centrale tempel van Ptah

Het spel speelt zich grotendeels af in Neder-Egypte, het noordelijke deel van het land dat gedomineerd wordt door de Nijldelta. Enerzijds zou het technisch moeilijk zijn om ook het grotere Opper-Egypte op te nemen, aangezien de hele spelwereld te doorkruisen valt zonder ooit één laadscherm tegen te komen, anderzijds houdt dit ook inhoudelijk steek. Het zuiden, en in het bijzonder Thebe, had namelijk erg geleden onder de onlusten in het begin van de 1ste eeuw v.C., en de belangrijkste politiek-militaire gebeurtenissen speelden zich in deze periode in het noorden af. De kaart is natuurlijk erg gecomprimeerd -je kan van in Alexandrië de piramides zien liggen-, maar de voornaamste Neder-Egyptische plaatsen zijn vertegenwoordigd.

Alexandrië: een Griekse stad

Sommige van deze plaatsen, in het bijzonder Alexandrië, zijn slecht gedocumenteerd en niet of nauwelijks opgegraven. Dit geeft de makers van het spel de nodige vrijheid, en hoewel ze zich wel in grote lijnen baseren op de wetenschappelijke kennis, hebben ze die vrijheid ook aangewend om de plaatsen een duidelijk eigen karakter te geven. Het contrast tussen de nieuwe hoofdstad Alexandrië en het oude centrum Memphis is bijvoorbeeld groot. Waar Alexandrië duidelijk een Griekse stad is, aangelegd op basis van een rasterpatroon en bijna volledig gehuld in marmer, maakt Memphis, dat gedomineerd wordt door de tempel van Ptah en het oude paleis van Apries, een veel sterkere Egyptische indruk. In het geval van de Fayoum-oase is het het bekende meer dat uitvergroot wordt en het landschap van de regio bepaalt. Ook de beroemde Ptolemaeïsche gebouwen zijn vertegenwoordigd. Zo kan je in Alexandrië de bibliotheek bezoeken of de pharos beklimmen, en in Memphis een blik werpen op de Apis-stier.

Bayek, de laatste Medjay

Het hoofdpersonage Bayek is een zogenaamde ‘Medjay’. Historisch gezien waren dit een soort paramilitaire elitetroepen die oorspronkelijk uit Nubië kwamen en ten tijde van het Nieuwe Rijk (ca. 1550 – 1070 v.C.) eerst als huurlingen dienstdeden, en later evolueerden naar een soort politiemacht. In deze hoedanigheid voerden ze verkenningsmissies uit, patrouilleerden ze langs de woestijnroutes, en stonden ze in voor de bewaking van plaatsen die strategisch belangrijk waren voor de farao. Na het Nieuwe Rijk verdwijnen deze troepen in de plooien van de geschiedenis. Ubisoft heeft ze echter opnieuw opgevist en er een totaal nieuwe invulling aan gegeven: Bayek is een soort sheriff, die verantwoordelijk is voor de openbare orde in Egypte en het welzijn van haar inwoners.

Historisch gezien slaat dit nergens op, maar het werkt wel als protagonist, want plots heeft heel Egypte een reden om Bayek ter hulp te roepen. Dit biedt een kader voor veel van de traditionele side quests die Assassin’s Creed rijk is. Veel van deze problemen zouden zo uit de talrijk bewaarde Ptolemaeïsche petities kunnen komen: dieren die problemen veroorzaken op de akkers, inhalige belastinginners, corrupte priesters, soldaten die zich misdragen, enzovoort. Andere missies zijn unieker en verhalen minder bekende maar daarom niet minder interessante episodes uit die tijd. Een mooi voorbeeld is het dispuut tussen Eudoros en Aristo over een werk over de Nijl, mogelijk ’s werelds eerste plagiaatzaak. Of Bayek deze moeilijkheden aanpakt als een Ptolemaeïsche Rambo of voor een iets subtielere oplossing kiest, wordt geheel aan de speler overgelaten.

Bayek van Siwa: sluipmoordenaar en kattenliefhebber

De Ptolemaeën: genadeloze despoten

Het Egypte van ‘Assassin’s Creed: Origins’ is geen leuke plaats om in te leven. Het beleid van Ptolemaios XIII, de 13-jarige kind-koning, wordt als zeer repressief voorgesteld. Militair machtsvertoon en -misbruik zijn schering en inslag en Ptolemaios’ belastingen zuigen iedereen tot de laatste drachme uit. Een reeks missies rond Sais draait bijvoorbeeld rond overijverige belastinginners die de regio terroriseren. De oplossing voor dit probleem is uiteraard -wat had u dan verwacht?- om de heren ambtenaren een kopje kleiner te maken. Het gros van deze belastingen moet in het spel door Egyptenaren betaald worden, maar in realiteit was er geen sprake van zulke structurele discriminatie door de overheid.

Het treurige lot van Mefkat

‘Assassin’s Creed: Origins’ is een donkerdere game dan zijn voorgangers. Moord en geweld hebben altijd centraal gestaan in de reeks en de tempeliers waren in het verleden ook bepaald geen lieverdjes, maar in dit spel maken ze het wel erg bont. Vrouwen en kinderen worden niet gespaard. Door het veelvuldige gebruik van humor wordt het echter geen al te zware ervaring. Ptolemaeïsch Egypte had het ook effectief moeilijk te verduren in de 1ste eeuw v.C., het was een tijd van interne strijd en de druk van het opdrukkende Rome werd alsmaar voelbaarder. Maar het spel gaat soms wel erg ver, zoals in het geval van het dorp Mefkat, dat helemaal platgebrand werd en waarvan de inwoners gekruisigd werden. In videospellen is er natuurlijk minder ruimte voor nuance en het Ptolemaeïsche regime levert overtuigende bad guys.

Bekender dan Ptolemaios is zijn koninklijke zus/echtgenote/rivale Cleopatra VII. Als een van de meest tot de verbeelding sprekende figuren uit de oudheid is zij al talloze malen afgebeeld. Helaas behoort ‘Assassin’s Creeds’-versie van haar niet tot de betere. Wanneer Bayek voor het eerst aan Cleopatra wordt voorgesteld, maakt ze een zeer oriëntaals-despotische indruk: hij wordt geïnstrueerd te buigen en haar vooral niet in de ogen te kijken. Deze Cleopatra is immer schaars gekleed, houdt van feesten, en verklaart dat ze met eenieder wil slapen, als die maar akkoord gaat om de volgende ochtend geëxecuteerd te worden. Als kers op de taart vraagt ze vervolgens naar de opiumpijp (die pas veel later werd uitgevonden). Dit beeld is gebaseerd op latere karakteriseringen die voortgingen op lasterlijke Romeinse bronnen. Er is geen reden om aan te nemen dat ze zo’n losbandig leven leidde, al zorgt dat natuurlijk wel voor een extravagant personage. Er wordt ook wel gealludeerd op haar politiek talent en haar talenkennis. Hoewel het spel haar Griekse achtergrond erkent, wordt er toch gekozen voor een sterk Egyptische iconografie: ze draagt de typisch Egyptische regalia in plaats van de Griekse diadeem.

Cleopatra, een oriëntaalse verschijning

Waarheidsgetrouwe speelwereld

Over het algemeen hebben de ontwikkelaars van het spel echter hun best gedaan om Egypte authentiek te laten overkomen, en globaal gezien zijn ze daar ook in geslaagd. De dialogen zijn in het Engels, maar af en toe worden er Egyptische woorden gebruikt: ‘seni’ (broer, ook metaforisch), ‘neb’ (meester) en ‘nek’ (door Bayek gebruikt in plaats van ‘fuck’). In Alexandrië en Karanis kan je zelfs hele gesprekken in het Grieks opvangen, en in sommige dorpen kan je Egyptisch horen. Ook de kleding van de mensen is overtuigend weergegeven, gaande van eenvoudige linnen kledingstukken op het platteland tot geverfde wollen outfits in Alexandrië. De kleren die het hoofdpersonage tot zijn beschikking heeft, zijn uiteraard bewust anachronistisch of exotisch; hetzelfde geldt voor zijn wapens.

Niet alleen de mensen, maar ook de Egyptische fauna en flora zijn accuraat gereconstrueerd. Wie een duik wil nemen in de Nijl tussen de lotussen en het papyrusriet kan maar beter uitkijken voor de krokodillen en de nijlpaarden. Een betere optie vormen de typisch Egyptische rieten boten die overal te vinden zijn. Op het land kan je jagen op intussen uitgestorven soorten als de gazelle en de oryx, tussen de dadelpalmen, tamarisken en acacia’s, bomen die echt in Egypte terug te vinden waren. De gewassen die op de akkers groeien, vooral graan, vlas en sla, zou je in de Ptolemaeïsche tijd ook kunnen tegenkomen, net als de wijn- en de olijfgaarden. Wie goed zoekt, vindt papaver, dat in Egypte op beperkte schaal verbouwd werd voor de productie van olie en opium.

Deze gewassen zijn ook terug te vinden op de vele markten die de steden en dorpen in ‘Assassin’s Creed: Origins’ rijk zijn. Het dieet van de gemiddelde Griek en Egyptenaar bestond inderdaad vooral uit groenten, brood en vis, zoals de game het afbeeldt. De meeste van de producten die je op de markt vindt, zou je ook in Ptolemaeïsch Egypte kunnen aantreffen: sla, komkommers, dadels, druiven, perziken, allerlei soorten peulvruchten, honing, brood, vis, olie, papyrus, keramiek, textiel, en zelfs vlees. Appels, peren en citrusvruchten zijn dan weer meer iets van de Romeinse tijd, en in het bijzonder mango’s en oranje wortels zijn toch wel erg anachronistisch.

Ook de gebouwen zouden niet misstaan in de echte Ptolemaeëntijd: de huizen zijn veelal van ongebakken kleisteen, en die van de hogere klassen zijn geschilderd in hellenistische stijl. Deze versieringen zijn geïnspireerd op bewaarde voorbeelden uit de oudheid. Wie bijvoorbeeld de ‘Vault of Splendors’ vindt, herkent onmiddellijk de erotische fresco’s uit Pompeï. Hetzelfde geldt voor de talrijk aanwezige standbeelden en de mummieportretten. Tempels zijn doorgaans gebaseerd op nog bestaande structuren of andere historische informatie, en ze zijn volledig in kleur weergegeven. Het landschap is bezaaid met typisch Egyptische infrastructuur als de sjadoefs (een soort hefboom die gebruikt werd voor irrigatie) en de kegelvormige duiventillen. Duiven werden in Egypte niet alleen gehouden voor hun vlees, maar vooral voor de mest die ze produceren.

Karakteristieke bouwwerken: Egyptische duiventillen

Onvermijdelijk kruipen er in een spel van deze schaal ook wat schoonheidsfoutjes. De uitrusting van de Ptolemaeïsche soldaten is bijvoorbeeld een mengelmoes van Griekse en Romeinse elementen, de nomarches wordt voorgesteld als een belangrijke beambte terwijl diens rol in de Ptolemaeïsche periode eigenlijk overgenomen was door de strategos, en ook met namen gebeuren er soms vreemde dingen. Zo worden Griekse namen soms verlatijnst (Apollodorus in plaats van Apollodoros) en Latijnse namen als Grieks voorgesteld (een Griek die Klaudios heet, wat eigenlijk het Latijnse Claudius is). Een andere taalkundige slordigheid is het gebruik van ‘phylakitai’, het meervoud van ‘phylakites’ (politiebeambte) voor zowel het enkelvoud als het meervoud. Op zich niet zo erg, ware het niet dat een belangrijk personage de hele tijd ‘the phylakitai’ genoemd wordt. Een klassieker is het toeschrijven van strijdwagens aan de Ptolemaeën. Ook de alomtegenwoordigheid van paarden is een beetje overdreven, maar het is niet aan te raden om de enorme spelwereld te voet af te leggen. Een laatste ergernis is het voorkomen van arena’s in Ptolemaeïsch Egypte. Hoewel ze organisch in het verhaal passen, had Ubisoft deze vorm van Romeins entertainment misschien toch beter gespaard voor een game in de Romeinse tijd (wij bij Oude Geschiedenis hopen althans vurig dat ze deze periode ook zullen aandoen).

De arena van Krokodilopolis, nota bene in een Egyptische tempel

De Ptolemaeïsche samenleving: een koloniale fictie

Problematischer is echter de manier waarop omgegaan wordt met de Ptolemaeïsche samenleving. Ook hier zijn er een aantal zaken die de makers goed aanvoelen, zoals de sociale spanningen en het belang van de traditionele priesterelite. Waar ze echter de bal misslaan, is in de afbeelding van de verhouding tussen Grieken en Egyptenaren. Culture en etnische diversiteit in de Oudheid is vandaag een gevoelig thema, getuige de controverse rond enkele tweets van oud-historica Mary Beard.

Eerst het goede nieuws. Ptolemaeïsch Egypte wordt doorheen het spel terecht als divers voorgesteld. Er worden allerlei talen gesproken, en de meeste mensen maken een Zuid-Europese/Noord-Afrikaanse indruk, zoals te verwachten valt in Neder-Egypte. Ook donkerdere en lichtere huidskleuren zijn vertegenwoordigd, zonder te vervallen in een fantasie van een ‘blank’ of een ‘zwart’ Egypte. Er is aandacht voor ‘gemengde’ huwelijken (als daar nog van gesproken kan worden na drie eeuwen van intense contacten) en het spel maakt op sommige momenten mooi duidelijk dat identiteit een flou gegeven was. Zo ontmoeten we de wagenmenner Claridas, die voorheen de Egyptische naam Sennefer droeg, maar deze in een Griekse veranderde om zijn perspectieven in Alexandrië te verbeteren. Het aannemen van een Griekse identiteit werd inderdaad geassocieerd met sociale vooruitgang. Alleen hoefde dat niet zulke verregaande gevolgen te hebben als het spel suggereert. Claridas zou zijn oude goden helemaal niet hebben hoeven afzweren. De antieke religies waren niet exclusief, en Egyptische goden waren populair onder Grieken.

Die polarisatie kenmerkt de omgang tussen Grieken en Egyptenaren doorheen het spel. Ze staan elkaar voortdurend naar het leven. Grieken kleineren de Egyptenaren die dan weer onafgebroken klagen over discriminatie. Het komt zelfs tot etnisch geïnspireerde moordpartijen. In realiteit zijn onze aanwijzingen voor zulke spanningen zeer beperkt. Het is overigens ook onduidelijk hoe ‘Assassin’s Creed’ deze identiteiten invult: soms gebeurt dat op nationalistische gronden (“our country”), soms op culturele (“our gods”) en sporadisch zelfs op raciale (“look at the colour of your skin”). Huidskleur in het bijzonder zou een gebrekkige manier geweest zijn om Grieken van Egyptenaren te onderscheiden.

Het meest uitgesproken zijn de spanningen in de Fayoem, waar een ronduit koloniale situatie wordt voorgesteld. Grieken declameren er over de vooruitgang die zij willen brengen en hoe de achterlijke Egyptenaren zich daartegen verzetten. Egyptenaren worden gedwongen om te verhuizen en ze moeten hun inkopen in aparte winkels doen, zodat er een ware segregatie ontstaat. Op een gegeven moment wordt Egypte zelfs tegengesteld aan Griekenland, terwijl de Ptolemaeën van de 1ste eeuw v.C. helemaal niets meer met het Griekse “thuisland” te maken hadden. Grieken hadden daarnaast ook veel respect voor de oude Egyptische cultuur.

Vanuit het standpunt van een videospel is deze keuze natuurlijk begrijpelijk. Een stereotiepe koloniale situatie is herkenbaar voor de spelers, en het zorgt voor overtuigende slechteriken. Desalniettemin is het toch een beetje een gemiste kans om een vreedzame (maar fragiele) episode van multiculturalisme weer te geven. Zeker tegen de 1ste eeuw v.C. was het onderscheid tussen Grieken en Egyptenaren meer een kwestie van sociale klasse dan van etniciteit. Veel inwoners werden geboren in Egypte, zagen er qua uiterlijk ongeveer hetzelfde uit en kwamen uit een gemengd Grieks-Egyptisch milieu. De influx van Grieken na de verovering door Alexander bleef immers beperkt tot een eerder bescheiden aantal mannen. In realiteit waren de Griekse en Egyptische identiteit niet exclusief. Tal van mensen hadden zowel een Griekse als een Egyptische naam. Mocht onze wagenmenner in het echte Ptolemaeïsche Egypte geleefd hebben, dan zou hij bekend gestaan hebben als Claridas alias Sennefer.

Verdict

‘Assassin’s Creed: Origins’ biedt een mooi beeld van hoe Ptolemaeïsch Egypte eruit gezien kan hebben. De makers hebben Egypte met veel oog voor detail gereconstrueerd en er is duidelijk veel onderzoek aan voorafgegaan. Historisch gezien vormt de verhouding tussen Grieken en Egyptenaren wel een struikelblok, maar vanuit een narratief standpunt zijn de genomen keuzes begrijpelijk. Het blijft natuurlijk een videospel en geen geschiedenisboek. Ook als game is Origins zeker geslaagd. In het bijzonder de gevechten zijn uitdagender dan die in vorige spellen uit de reeks en alles is erg knap visueel vormgegeven. Spelers herleven de grote gebeurtenissen uit de 1ste eeuw v.C., maar kunnen ook genieten van kleinere, amusante verhalen. Voor wie al dit moois wil ontdekken zonder virtuele tegenstanders aan zijn speer te rijgen, komt er binnenkort een Discovery Mode, die spelers toelaat Ptolemaeïsch Egypte te verkennen zonder bloedvergieten. Kortom, voor liefhebbers van historisch geïnspireerde actie is ‘Assassin’s Creed: Origins’ zeker een aanrader.

Disclaimer: deze post is gebaseerd op een spelervaring tot en met de verhaalmissie ‘The Crocodile’s Jaws’.

Het bericht Assassin’s Creed: Origins: Dood en verderf in Ptolemaeïsch Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/11/2017/assassins-creed-origins-dood-en-verderf-in-ptolemaeisch-egypte/feed/ 1 387