Homerus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/homerus/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Tue, 07 Jan 2025 16:04:25 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Homerus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/homerus/ 32 32 136391722 Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/#respond Sun, 05 Jan 2025 18:38:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2658 Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

De fragmenten van Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3e eeuw v.Chr., waarvan slechts delen via latere auteurs zijn overgeleverd, leren ons heel wat biografische gegevens over verschillende Griekse filosofen. Voorbeelden zoals de bigamie van Socrates, de slavernij van Phaedo en Thales’ voorspelling van een olijvenoogst illustreren hoe hij historische verhalen gebruikte om morele en filosofische lessen te benadrukken, hoewel de fragmentarische overlevering uitdagingen biedt voor reconstructie en interpretatie.

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

Slechts een klein deel van klassieke literatuur is volledig bewaard aan ons overgeleverd. De werken van Homerus, Plato en Vergilius zijn uitzonderingen. De werken van quasi alle andere auteurs zijn grotendeels verloren gegaan. Toch kunnen we ons nog steeds een beeld vormen van hun werk dankzij fragmenten die door latere auteurs werden bewaard. Een goed voorbeeld hiervan is Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3de eeuw v.C., dankzij wie er niet alleen mythes, historische en biografische fragmenten over bijvoorbeeld Herakles en Alexander de Grote zijn bewaard, maar ook biografische gegevens van bekende en minder bekende Griekse filosofen.

Literatuur in fragmenten

“Fragmenten” van klassieke literatuur kunnen verschillende vormen aannemen. Soms gaat het om papyri die delen bevatten van een anders verloren geacht werk. Dit noemt men fragmenten uit de directe traditie. Veel vaker zijn fragmenten echter citaten, allusies, samenvattingen en verwijzingen van latere auteurs, bewaard in Middeleeuwse handschriften of papyri. Dit noemen we fragmenten uit de indirecte traditie.

Het onderzoek naar fragmenten uit de indirecte traditie brengt specifieke problemen met zich mee. De auteurs die deze fragmenten aanhalen, hadden meestal niet als doel het werk van antieke auteurs te bewaren, maar gebruikten deze teksten voor hun eigen doeleinden. Ze manipuleerden of veranderden de teksten, soms zelfs door hen te vervalsen. Omdat citaten vaak uit het hoofd werden overgenomen, waren fouten en vergissingen niet ongewoon.

Bovendien beperkten de auteurs zich meestal tot geselecteerde aspecten die hen interesseerden, zonder context of uitleg over het oorspronkelijke doel van de informatie. Daarom vereist de studie van fragmentaire literatuur een grondige analyse van de bronnen, de werkwijze van de auteur en citatiepraktijken om de betrouwbaarheid en selectiecriteria te begrijpen. Dit soort problemen komt vaak voor bij het bestuderen van de Oudgriekse geschiedschrijving en filosofie. Hieronymus van Rhodos biedt een perfect voorbeeld van dit type literatuur.

Oxford Papyrology (2022). P.Oxy. LII 3656
Fragment van P. Oxy. 3656 (een rol uit Oxyrhynchus, een oude Egyptische stad beroemd om de duizenden papyri die daar zijn opgegraven) dateert uit de 2de à 3de eeuw n.C. en bevat een fragment van Hieronymus over een leerlinge van Plato

Het leven en werk van Hieronymus van Rhodos

Buste van Aristoteles, de grondlegger van de peripatetische school, waar Hieronymus toebehoort

Hieronymus van Rhodos was een filosoof die leefde in de 3de eeuw v.C. die behoorde tot de Peripatos, de leerschool opgericht door Aristoteles. Afgezien van een zeventigtal fragmenten is van Hieronymus’ werk niets overgeleverd. Deze fragmenten zijn voornamelijk overgeleverd door auteurs uit latere eeuwen, vooral uit de periode van de Romeinse keizertijd, zoals Plutarchus, Athenaeus en Diogenes Laërtius.

De verzamelde fragmenten van Hieronymus tonen een brede interesse. In deze teksten behandelt hij niet enkel filosofie, maar ook vele andere disciplines, wat kenmerkend is voor de Peripatetische School sinds Aristoteles. Er zijn fragmenten van expliciet filosofisch karakter die zich richten op het identificeren van het “hoogste goed”, terwijl andere zich bezighouden met onderwerpen zoals biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, retorica en geleerdheid. Veel fragmenten bevatten anekdotes over belangrijke figuren uit het verleden, waaronder filosofen, dichters en politici.

De fragmenten van Hieronymus zijn vaak raadselachtig. Bestaande bronnen bieden slechts summiere informatie, waardoor het niet altijd duidelijk is in welke context Hieronymus bepaalde onderwerpen behandelde. Vooral zijn uitgebreid gebruik van anekdotes roept de vraag op welke rol biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

De bigamie van Socrates

Dit manuscript (een pagina uit de codex van Venetië, Biblioteca Nazionale Marciana, Gr. Z 447) bevat de Deipnosophisten van Athenaeus, een werk rijk aan citaten uit verloren werken

Hieronymus is een van de auteurs – samen met Aristoteles en andere peripatetici – die overleveren dat Socrates twee echtgenotes had en dat hij met beiden kinderen verwekte. De historische achtergrond van dit verhaal is moeilijk te achterhalen, aangezien alle bronnen fragmentarisch en tegenstrijdig met elkaar zijn; dit betreft zelfs de identiteit van de twee vrouwen. Ook onder de moderne geleerden zijn de meningen verdeeld: sommigen ontkennen de historische waarde van het verhaal, terwijl anderen er elementen van waarheid in zien.

Het fragment van Hieronymus [nr. 53 in de laatste verzameling, uitgegeven door S.A. White] wordt, mits kleine variaties, aangehaald door Athenaeus en Diogenes Laërtius, beiden auteurs uit de 2de-3de eeuw n.C. Volgens deze bronnen verwees Hieronymus naar een Atheens decreet dat het toestond om met twee vrouwen te trouwen en kinderen met beiden te krijgen met als doel de bevolking te herstellen.

Hieronymus lijkt met dit verhaal een apologie voor Socrates te bieden: hij probeert een ethische en juridische basis te geven aan de bigamie van Socrates, wellicht om hem te verdedigen tegen mogelijke vormen van schandaal. Hoewel het onduidelijk is of dit decreet echt heeft bestaan (in Athene was het altijd toegestaan om kinderen te hebben met een andere vrouw dan de echtgenote), is het zeker dat Hieronymus een positieve houding aannam ten opzichte van Socrates.

‘Socrates, zijn twee vrouwen en Alcibiades’, een schilderij van de Nederlandse schilder Reyer Jacobsz. van Blommendael (1660-1670) waarop zowel Xanthippe als Myrto – een naam overgeleverd door Athenaeus en Diogenes Laërtius – zijn afgebeeld

Slavernij van Phaedo van Elis

Een andere benadering vinden we in een fragment over Phaedo van Elis, een leerling van Socrates [nr. 54 White, via Diogenes Laërtius]. Hier beschuldigt Hieronymus Phaedo ervan een slaaf geweest te zijn. Sommige andere tradities stellen dat Phaedo van nobele afkomst was en tot slaaf werd gemaakt na de val van zijn stad. Hieronymus gebruikte deze informatie mogelijks om Phaedo in diskrediet te brengen als filosoof.

Het fragment is afkomstig uit het werk getiteld Περὶ ἐποχῆς, waar de term epochè verwijst naar de “opschorting van het oordeel”, volgens de terminologie van de sceptische filosofische school. Hoewel het werk verloren is gegaan, is het aannemelijk dat Hieronymus zich daarin tegen het scepticisme uitsprak. Phaedo kan genoemd zijn vanwege zijn connectie met Pyrrho van Elis, de grondlegger van het antieke scepticisme. Dit fragment laat zien hoe biografische elementen geïntegreerd konden worden in filosofische werken. Misschien werd ook het fragment over de bigamie van Socrates in deze context aangehaald?

Thales en de olijven

De filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïek

Hieronymus vermeldt ook een anekdote over Thales van Milete [nr. 47 White, via Diogenes Laërtius]. Thales voorspelde een overvloedige olijvenoogst door gebruik te maken van zijn astronomische kennis. Bijgevolg huurde hij voor een lage prijs alle olijfpersen in de regio en maakte hier later een fortuin mee. De anekdote draagt een duidelijke morele boodschap over het nut van filosofie en wetenschap. Het verhaal werd mogelijk verzonnen als weerwoord tegen het idee dat filosofie nutteloos zou zijn. Thales blijkt ook de hoofdpersoon te zijn in een andere anekdote die door Plato wordt overgeleverd. In deze anekdote was Thales zo begeesterd met het observeren van de hemel dat hij tijdens het wandelen in een put viel en zichzelf dusdanig belachelijk maakte dat zelfs een Thracische slavin in de buurt haar lach niet kon bedwingen.

Het fragment van Hieronymus is afkomstig uit een werk getiteld Τά σποράδην ὑπομνήματα (Losse aantekeningen). Dit lijkt geen strikt filosofisch traktaat te zijn, maar eerder een verzameling diverse materialen, waaronder anekdotes over filosofen.

Pericles en de pedagogen

Buste van Perikles, protagonist van een anekdote geciteerd door Hieronymus

Pericles komt voor in een anekdote over onderwijs [nr. 31 White, overgeleverd in een Middeleeuwse bloemlezing]. Hieronymus benadrukt het belang van het zorgvuldig kiezen van pedagogen (de leraren voor kinderen van gegoede afkomst), een taak die vaak zonder zorg werd uitgevoerd. Hij bekritiseert vooral de gewoonte om niet-Griekse pedagogen in te huren, wat – naar zijn mening – negatieve gevolgen had voor de ethische en taalkundige vorming van kinderen. In deze context citeert hij een geestige opmerking van Perikles. Toen de Atheense strateeg een slaaf uit een olijfboom zag vallen en zijn been breken, riep hij spottend uit:

“Daar is weer een nieuwe pedagoog voor onze kinderen!”

Conclusie

Dit citaat maakt duidelijk dat Hieronymus de gewoonte had om anekdotes te gebruiken in theoretische contexten. We kunnen waarschijnlijk aannemen dat ook zijn andere anekdotes op gelijkaardige wijze tot stand kwamen. Helaas is in de meeste gevallen de oorspronkelijke context volledig verloren gegaan en kunnen we deze alleen hypothetisch reconstrueren. De auteurs die de fragmenten hebben overgeleverd waren vaak meer geïnteresseerd in anekdotes en biografische verhalen dan in de speculatieve onderdelen van de werken. Maar dankzij de vergelijking tussen Hieronymus’ verschillende fragmenten en de studie van andere bronnen over dezelfde zaken, is het nog steeds mogelijk een idee te krijgen van Hieronymus’ werk en de rol die biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

Verder lezen

Steven A. White heeft de testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos verzameld, in het Engels vertaald en van commentaar voorzien in W.W. Fortenbaugh en S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion (New Brunswick, New Jersey/Londen: Transaction, 2004). Hetzelfde volume bevat enkele essays over belangrijke aspecten van de biografie, het werk en de filosofie van Hieronymus.

Over de bigamie van Socrates biedt Jules Labarbe’s artikel “Les compagnes de Socrate” (L’Antiquité Classique, 67, 1998) interessante inzichten.

Coverafbeelding: Adaptatie van Rafaëls ‘De school van Athene’ (1509-1511), waarbij Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren vanop Wikimedia (PD)

[Deze tekst is oorspronkelijk geschreven in het Italiaans. De vertaling naar het Nederlands is uitgevoerd met de hulp van ChatGPT. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/feed/ 0 2658
Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/ https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/#respond Sun, 07 Jan 2024 15:30:50 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2580 Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Van de peripateticus Hieronymus van Rhodos zijn weinig biografische gegevens bewaard, maar de 70 van hem overgeleverde fragmenten geven een verrassende versie van de mythe van Tithonus en een alternatieve beschrijving van het uiterlijk van Herakles.

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Zoals ook het geval was met Plato en zijn Academie, lijkt geen van Aristoteles’ leerlingen – denk bijvoorbeeld aan Theophrastus, Eudemus of Strato – dezelfde talenten te hebben gehad als de meester of een vergelijkbare invloed te hebben uitgeoefend op de latere traditie. Het zou echter onterecht zijn deze figuren te onderschatten. Hun onderzoek zette dat van Aristoteles immers voort op verschillende kennisgebieden, van de filosofie tot de filosofie en van de zoölogie tot de biografie.

Wie was Hieronymus?

Hieronymus, over wie het hier zal gaan, is een van de vele obscure peripatetici die leefden in de Hellenistische periode. Hij was afkomstig uit Rhodos en leefde in de 3de eeuw v.C., voornamelijk in Athene. Er is weinig geweten over zijn leven en bovendien is zijn werk verloren gegaan met uitzondering van zo’n 70 ‘fragmenten’: letterlijke citaten en parafrases uit zijn literaire productie in de werken van latere auteurs van wie de werken wel bewaard zijn gebleven in de Middeleeuwse manuscripten of antieke papyri. Hoewel vandaag nauwelijks nog iemand hem kent, was Hieronymus toch een van de meest illustere peripatetische filosofen van zijn tijd en bleef zijn faam zelfs na zijn dood doorleven: Strabo (1ste eeuw v.C.- 1ste eeuw n.C.) rekende hem nog steeds tot de beroemde burgers van Rhodos; Cicero en Plutarchus vermeldden hem met appreciatie als filosoof; Dionysius van Halicarnassus (1ste eeuw v.C.) waardeerde hem als literair criticus.

Van Hieronymus zijn, in tegenstelling tot de grondlegger van de Peripatetische School, deze Aristoteles, geen afbeeldingen bewaard

In de fragmenten van Hieronymus vinden we de uitgebreide interesses weerspiegeld die de Peripatetische School al sinds Aristoteles kenmerkten. Zo zijn er heel wat filosofische fragmenten, waarin Hieronymus zich bezighoudt met de definitie van het hoogste goed en een theorie van de woede presenteert (lang voor de Stoïcijnse filosoof Seneca dit deed in zijn De ira). De meeste fragmenten gaan echter over andere onderwerpen: biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, filologie, eruditie, … Opvallend vaak neemt Hieronymus bepaalde standpunten in, die we elders in de traditie niet terugvinden. Van opmerkelijk belang zijn hierbij de mythologische fragmenten en de historisch-biografische fragmenten. Drie hiervan, die me bijzonder interessant lijken, wil ik hier onder de aandacht brengen.

De mythe van Tithonus

Een fragment van Hieronymus (F 46 White, in enkele commentaren op de ‘Ilias’ bewaard) gaat over de mythe van Eos (de godin van de dageraad) en Tithonus (een Trojaanse prins). De bekendste versie van de mythe, die heel waarschijnlijk ook de oorspronkelijke is en die al geattesteerd is in de Homerische ‘Hymne aan Aphrodite’, alsook bij Mimnermus en Sappho, gaat als volgt: Eos werd zo verliefd op Tithonus dat ze aan Zeus de onsterfelijkheid voor haar geliefde vroeg en verkreeg. Alles ging goed totdat Tithonus oud begon te worden. Eos was namelijk vergeten om naast onsterfelijkheid ook eeuwige jeugd aan Zeus te vragen. In het begin verjoeg Eos Tithonus uit het huwelijksbed, maar ze bleef voor hem zorgen. Toen Tithonus echter steeds ouder en zwakker werd, walgde Eos van hem en sloot hem op in een grot.

De mythe van Eos en Tithonus afgebeeld op een Attische roodfigurige ‘kylix’

Bij Hieronymus vinden we echter een ander einde van het verhaal. Toen Tithonus zo oud en zwak was geworden dat het leven voor hem ondraaglijk was geworden, vroeg hij Eos hem te doden om hem verdere pijn te besparen. De godin bedacht echter een list: ze veranderde hem in een cicade, zodat zij voor altijd zijn stem kon blijven horen. Deze versie van de mythe, met wat we een happy ending zouden kunnen beschouwen, is duidelijk het resultaat van een latere adaptatie en modificatie. In het begin gaf de mythe vooral uitdrukking aan de angst voor ouderdom en maakte het de onmogelijkheid voor een mens duidelijk om te kunnen genieten van de goddelijke privileges zoals eeuwige gezondheid en onsterfelijkheid. Een heel triest verhaal dus. In de door Hieronymus overgeleverde versie verklaart de mythe van Tithonus in plaats daarvan de oorsprong van het prachtige lied van de cicaden, waarin voor hem de stem van Tithonos en de liefde van Eos eeuwig voortleven. Het werd zo één van de vele etiologische verhalen die voornamelijk in de Hellenistische tijd heel populair waren, die vaak op traditionele mythes gebaseerd waren en deze op een aangename manier herwerkten.

Het uiterlijk van Herakles 

Het verhaal van Tithonus is niet het enige geval waarin Hieronymus een bijzondere versie van een mythe bewaard heeft. In een ander fragment (F 44A White, overgeleverd door Clemens van Alexandrië, een christelijke auteur die leefde in de 2de eeuw .C.) geeft hij een zeer buitengewone beschrijving van Herakles, die wordt beschreven als “kort, met warrig haar en sterk”. Deze versie is erg vreemd, omdat Herakles over het algemeen heel anders wordt beschreven. Een collega van Hieronymus, de peripateticus Dicaearchus, noemde Herakles bijvoorbeeld “lang en slank” en “met lang haar”.

Herakles tegen Antaios op de Euphronius-krater uit het Louvre

Ook in andere bronnen werd Herakles helemaal niet als “kort” beschreven. Pythagoras had zijn lichaamslengte zelfs als uitzonderlijk lang berekend op basis van het feit dat zijn voeten, waarmee hij het stadion van Olympia had afgemeten, veel groter waren dan die van een gewone man. De enige parallel voor het verhaal van Hieronymus is te vinden bij de dichter Pindarus, waar Herakles wordt beschreven als “klein van gestalte” maar wel “onverwoestbaar van geest”. Ook het detail van het “warrige haar” is erg vreemd. Op vazen wordt Herakles meestal afgebeeld met heel net haar, in tegenstelling tot zijn barbaarse tegenstanders, zoals bijvoorbeeld op de beroemde Euphronius-krater in het Louvre.

Tegen de algemene traditie in zou Herakles, de zoon van Zeus van Alkmene, de held van de twaalf werken, volgens Hieronymus dus … een kort, gedrongen mannetje met ongekamd haar zijn geweest! Hieronymus’ beschrijving lijkt best negatief. Hoe kunnen we dit verklaren? Misschien heeft dit te maken met het ‘euhemerisme’, een stroming in de interpretatie van mythes die in de Hellenistische tijd wijdverspreid was en vooral door Euhemerus van Messene (4de eeuw v.C.) toegepast werd: volgens hem waren de goden slechts mensen die later vergoddelijkt werden. Als er dus een verband was tussen deze stroming en ons fragment, dan was de functie van de benadrukking van Herakles’ gebreken (of, als we het voorzichtiger willen formuleren, in ieder geval zijn onvolkomenheden) wellicht om zijn menselijke en sterfelijke oorsprong te onderstrepen en te “bewijzen”.

Het seksleven van Alexander de Grote

Hieronymus toonde dezelfde belangstelling voor uitzonderlijke en nauwelijks geattesteerde tradities ook in niet-mythologische fragmenten. Opmerkelijk is hier een fragment (F 30 White, bewaard door Athenaeus, een auteur die in de 2de eeuw n.C. leefde) over Alexander de Grote, waarin zonder enig bijkomend detail wordt beweerd dat Alexander er niet toe in staat was om seksuele relaties te hebben.

Deze bijzonderheid wordt voor het eerst vermeld in Hieronymus en heeft zo goed als geen invloed gehad op de overlevering over de koning. Nergens anders vinden we immers hetzelfde detail. Andere bronnen vermoeden dat Alexander wel eens homoseksueel zou kunnen zijn geweest. De daardoor veroorzaakte onmogelijkheid om kinderen te verwekken zou bijgevolg de basis kunnen vormen van ons verhaal. Zo staat bijvoorbeeld in een andere anekdote te lezen hoe Alexanders moeder Olympias zelfs probeerde de jonge Alexander naar bed te krijgen met de mooie Thessalische hetaere Kallixena, maar ze slaagde er niet in. Hieronymus’ kritiek lijkt echter van een andere strekking te zijn geweest. Hij zinspeelde misschien op erectiestoornissen die Alexander door overmatig wijngebruik af en toe gehad zou kunnen hebben. Hieronymus schreef namelijk ook een traktaat over dronkenschap en buitensporig drankgebruik, thema’s die vaak worden aangetroffen in de historiografie over Alexander. Het lijkt daarom een plausibele verklaring te zijn dat hij een verband legde tussen deze twee problemen van de koning.

De bekendste afbeelding van Alexander de Grote, een detail uit de Slag bij Issus, op een mozaïekvloer die momenteel in het museum van Napels te bezichtigen is

Het belang van Hieronymus’ overlevering

Hieronymus’ belangstelling voor zowel mythe als geschiedenis is op zich niet verrassend, ook omdat het onderscheid tussen mythe en geschiedenis in het Griekse denken niet zo vastomlijnd was. Wat wel opvalt, is het feit dat zijn naam in verband wordt gebracht met mythische en historische verhalen die zeer zeldzaam zijn in de overlevering. Dit kan deels te wijten zijn aan de latere overlevering, die zich toegespitst kan hebben op de meest uitzonderlijke aspecten in zijn werk. Dit lijkt echter niet de enige verklaring te zijn. Dergelijke obscure varianten van verhalen moeten inderdaad een rol hebben gespeeld in het werk van Hieronymus, ook al kunnen we niet meer achterhalen in welke mate.

We kunnen slechts betreuren dat Hieronymus’ werk bijna volledig verloren is gegaan en alleen bewaard is gebleven in fragmenten, die vaak obscuur, dubbelzinnig en moeilijk te begrijpen zijn. Toch geven deze fragmenten ons een idee van zijn mythologisch-historische studies. Zijn vaak bizarre en buitengewone versies verschaffen ons inzicht in wetenschappelijke en literaire debatten die we anders misschien niet zouden verwachten en waarvan ons de achterliggende redenen en de tendensen bij een eerste lectuur meestal ontgaan. Die zullen er echter wel vaak geweest zijn. Alleen de zorgvuldige studie van de fragmenten, de context waarin ze worden geciteerd of geparafraseerd en de parallelle traditie over elk onderwerp maken het mogelijk Hieronymus’ verhalen in hun context te plaatsen en hun betekenis te begrijpen, of op zijn minst enkele plausibele interpretaties te kunnen formuleren.

Verder lezen

De testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos zijn verzameld, vertaald en becommentarieerd door S.A. White in W.W. Fortenbaugh - S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion, Londen/New York 2004. In dezelfde bundel kan men een aantal essays vinden die belangrijke aspecten van Hieronymus’ biografie, filosofie en werk bespreken.

Voor de haardracht van Herakles, vooral in de figuratieve kunsten, is nuttige lectuur E.A. Mackay, “The Hairstyle of Herakles,” in A.J. Clark - J. Gaunt (reds.), Essays in Honor of Dietrich von Bothmer, Amsterdam 2002, pp. 203-210.

Over het seksleven van Alexander de Grote en de bronnen hierover kan men de volgende studies lezen: D. Ogden, “Alexander’s Sex Life,” in W. Heckel – L. A. Tritle (eds.). Alexander the Great. A New History, Malden (Mass.)/Oxford/Chichester 2009, pp. 203–217 en S. Müller, “The Sexuality of the Argeads,” in K.R. Moore (red.), The Routledge Companion to the Reception of Ancient Greek and Roman Sexuality, Londen/New York 2023, pp. 212-228.

Coverafbeelding: de fresco ‘The School of Aristotle’, geschilderd door Gustav Adolph Spangenberg in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg, vanop Wikimedia (Public Domain)

[Deze tekst werd oorspronkelijk in het Italiaans geschreven. Een eerste Nederlandse versie werd door DeepL gemaakt die dan grondig herwerkt werd. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn hulp en Ide François voor het proeflezen.] 

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/feed/ 0 2580
Een Oudgriekse databank: Demetrios van Magnesia’s ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ https://www.oudegeschiedenis.be/19/12/2023/een-oudgriekse-databank-demetrios-van-magnesias-over-dichters-en-schrijvers-met-dezelfde-naam/ https://www.oudegeschiedenis.be/19/12/2023/een-oudgriekse-databank-demetrios-van-magnesias-over-dichters-en-schrijvers-met-dezelfde-naam/#respond Tue, 19 Dec 2023 17:28:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2558

Wat zou een Oudgriekse geleerde gedaan hebben als er in zijn tijd reeds databanken van persoons- en plaatsnamen (zoals het Lexicon of Greek Personal Names [LGPN] of Trismegistos [TM]) voorhanden waren geweest? Het antwoord is simpel: hij/zij zou ze regelmatig gebruikt hebben. Het onderscheiden van homonieme personen en plaatsen – personen en plaatsen met dezelfde naam – was immers reeds in de Oudheid een hele uitdaging, zo wist ook de schrijver van het werk 'Over dichters en schrijvers met dezelfde naam': Demetrios van Magnesia!

Het bericht Een Oudgriekse databank: Demetrios van Magnesia’s ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Wat zou een Oudgriekse geleerde gedaan hebben als er in zijn tijd reeds databanken van persoons- en plaatsnamen (zoals het Lexicon of Greek Personal Names [LGPN] of Trismegistos [TM]) voorhanden waren geweest? Het antwoord is simpel: hij/zij zou ze regelmatig gebruikt hebben. Het onderscheiden van homonieme personen en plaatsen – personen en plaatsen met dezelfde naam – was immers reeds in de Oudheid een hele uitdaging!

Demetrios van Magnesia en homonymie

Hoewel het onderscheiden van homoniemen al zeker sinds het begin van de Hellenistische periode (3de eeuw v.C.) als een belangrijke wetenschappelijke taak werd beschouwd, is het pas in de 1ste eeuw v.C. dat een Griekse geleerde een specifiek genre bedacht om een onderscheid te maken tussen homonieme personen en plaatsen.

Die geleerde is Demetrios van Magnesia (FGrHist 1038). We hebben heel weinig informatie over zijn leven en weten enkel dat hij een Griekse geleerde was, dat hij actief was in het tweede kwart van de 1ste eeuw v.C. en dat hij een kennis was van de beroemde redenaar Cicero en zijn vriend Atticus (aan wie hij een boek ‘Over de eendracht’ (Περὶ ὁμονοίας) heeft opgedragen).

Gravure van Diogenes Laertios in een 17de-eeuwse druk

Demetrios was zich ervan bewust dat homonymie identificatieproblemen kon veroorzaken. Zo waren er bijvoorbeeld zes beroemde personen met de naam ‘Thales’: wie was wie? Daarom besloot Demetrios twee naslagwerken samen te stellen die men kon raadplegen bij onduidelijke identificaties: ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ (Περὶ ὁμωνύμων ποιητῶν τε καὶ συγγραφέων) en ‘Over steden met dezelfde naam’ (Περὶ συνωνύμων πόλεων). Hoewel deze werken verloren zijn gegaan, blijkt uit de bewaard gebleven fragmenten dat zij gestructureerd waren in een reeks afzonderlijke, alfabetisch geordende rubrieken over gelijknamige personen enerzijds en plaatsen anderzijds.

Maar hoe maakte Demetrios dan precies een onderscheid tussen de homoniemen? Hoe kon hij elk van hen duidelijk identificeren? We hebben niet genoeg informatie over Demetrios’ werk ‘Over steden met dezelfde naam’ om veel te kunnen zeggen over de geografische vermeldingen in dat werk. Twee fragmenten van Demetrios’ ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’, bewaard in de werken van de biograaf Diogenes Laertios (3de eeuw n.C.) en de literatuurcriticus Dionysios van Halikarnassos (1ste eeuw v.C.), lichten wel een tipje van de sluier op over hoe Demetrios zijn lemmata structureerde.

Identificatie van persoonsnamen

De bekendste 'Thales': de filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïekadmin | OUDE GESCHIEDENIS

De bekendste ‘Thales’: de filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïek

In zijn biografie van de filosoof Thales van Milete citeert Diogenes Laertios (1,38) het lemma van Demetrios dat gewijd was aan mannen met de naam ‘Thales’ (FGrHist 1038 F 1):

γεγόνασι δὲ καὶ ἄλλοι Θαλαῖ, καθά φησι Δημήτριος ὁ Μάγνης ἐν τοῖς Ὁμωνύμοις, πέντε· ῥήτωρ Καλλατιανός, κακόζηλος· ζωγράφος Σικυώνιος, μεγαλοφυής· τρίτος ἀρχαῖος πάνυ, κατὰ Ἡσίοδον καὶ Ὅμηρον καὶ Λυκοῦργον· τέταρτος οὗ μέμνηται Δοῦρις ἐν τῷ Περὶ ζωγραφίας· πέμπτος νεώτερος, ἄδοξος, οὗ μνημονεύει Διονύσιος ἐν Κριτικοῖς.

“Er zijn [naast de filosoof Thales van Milete] vijf andere mannen met de naam Thales geweest, zoals Demetrios van Magnesia zegt in de ‘Homoniemen’: een redenaar uit Kallatis, met een geaffecteerde stijl; een schilder uit Sikyon, die zeer begaafd was; de derde, zeer oud, was een tijdgenoot van Hesiodos, Homeros en Lykurgos; de vierde wordt genoemd door Duris in zijn boek ‘Over de schilderkunst; de vijfde, meer recent en obscuur, wordt genoemd door Dionysios in zijn ‘Kritische geschriften’.”

Een ander door Dionysios van Halikarnassos bewaard fragment (Din. 1,2-2,1) is nog belangrijker, omdat het een letterlijk citaat is uit het werk van Demetrios (FGrHist 1038 F 19):

Δεινάρχοις δ’ ἐνετύχομεν τέτταρσιν· ὧν ἐστιν ὁ μὲν ἐκ τῶν ῥητόρων τῶν Ἀττικῶν, ὁ δὲ τὰς περὶ Κρήτην συναγήοχε μυθολογίας, ὁ δὲ πρεσβύτερος μὲν ἀμφοῖν τούτοιν, Δήλιος δὲ τὸ γένος, πεπραγματευμένος τοῦτο μὲν ἔπος, τοῦτο δὲ πράγμα, τέταρτος δὲ ὁ περὶ Ὁμήρου λόγον συντεθεικώς.

“We zijn vier mannen tegengekomen die Deinarchos heten: één van hen is één van de Attische redenaars; één verzamelde legenden over Kreta; één, die eerder kwam dan deze twee en die een Deliër was van geboorte, schreef zowel poëzie als geschiedenis; de vierde componeerde een werk over Homeros.”

Op deze lijst met mannen genaamd Deinarchos volgt dan een uitgebreidere passage over de redenaar Deinarchos, geïntroduceerd door de woorden: “Ik wil elk van hen achtereenvolgens behandelen, en eerst de redenaar” (ἐθέλω δὲ πρὸς μέρος περὶ ἑκάστου διελθεῖν, καὶ πρῶτον περὶ τοῦ ῥήτορος). Dat betekent dat in Demetrios’ werk de inleidende lijsten van homoniemen wellicht telkens werden gevolgd door een uitvoerige bespreking van het leven en de literaire productie van elk van de vermelde personen.

Als we de door Demetrios verstrekte informatie nu in tabellen plaatsen zoals die van de eerder vermelde moderne databanken TM en LGPN, kunnen we de fragmenten van Demetrios vergelijken met de zoekresultaten die TM en LGPN opleveren over personen met de namen ‘Thales’ en ‘Deinarchos’. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de vergelijking niet de inhoud zelf betreft, aangezien Demetrios’ ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ en de moderne databanken betrekking hebben op verschillende groepen personen: Demetrios’ werk was niet bedoeld om alle in de bronnen vermelde personen op te nemen, maar vermeldde alleen dichters, prozaschrijvers en andere mensen die om andere redenen wetenswaardig waren, zoals filosofen, kunstenaars of mensen die genoemd worden in literaire werken. Wat we wel kunnen vergelijken, is het soort informatie dat respectievelijk door Demetrios en de moderne databanken is opgenomen.

Zoekinterface van LGPN met als voorbeeld de naam ‘Thales’

De casus van ‘Thales’

Demetrios: “Er zijn vijf andere mannen met de naam Thales geweest [naast de filosoof Thales van Milete]” (γεγόνασι δὲ καὶ ἄλλοι Θαλαῖ … πέντε):

ID Name Floruit Gender Place Attestations
ῥήτωρ, κακόζηλος

(een redenaar, met een geaffecteerde stijl)

Thales / / Καλλατιανός

(uit Kallatis)

/
ζωγράφος, μεγαλοφυής

(een schilder, die zeer begaafd was)

Thales / / Σικυώνιος

(uit Sikyon)

/
Τρίτος

(de derde)

Thales ἀρχαῖος πάνυ, κατὰ Ἡσίοδον καὶ Ὅμηρον καὶ Λυκοῦργον

(zeer oud, een tijdgenoot van Hesiodos, Homeros en Lykurgos)

/ / /
Τέταρτος

(de vierde)

Thales / / / οὗ μέμνηται Δοῦρις ἐν τῷ Περὶ ζωγραφίας

(wordt genoemd door Duris in zijn boek ‘Over de schilderkunst’)

Πέμπτος

(de vijfde)

Thales Νεώτερος

(meer recent)

/ / ἄδοξος, οὗ μνημονεύει Διονύσιος ἐν Κριτικοῖς

(obscuur, wordt genoemd door Dionysios in zijn ‘Kritische geschriften’)

TM People: 4 (mannelijke) personen uit Egypte

TM PER ID Name Floruit Gender # Attestations
8787 Thales Senior 238 v.C. Man 1
349300 Thales 64 – 44 v.C. Man 1
311960 Thales 188 – 189 n.C. Man 1
467442 Thales 290 n.C. Man 1

LGPN: 40 resultaten [hieronder worden enkel de eerste vier weergegeven]

ID Name Sex Place Floruit References
V1-34262 Thales m. Rhodos c.175-150 v.C. Ag. Inv. R 257
V1-45145 Thales m. Samos 3/2de eeuw v.C. AD 9 (1924-5) p. 97 no. 1 II 6
V1-45547 Thales m. Samos 1ste eeuw v.C. AM 75 (1960) p. 155 no. 49
V1-45798 Thales m. Samos 6de eeuw v.C. IEph 115

De casus van ‘Deinarchos’

Demetrios: “We zijn vier mannen tegengekomen die Deinarchos heten” (Δεινάρχοις δ’ ἐνετύχομεν τέτταρσιν)

ID Name Floruit Gender Place Attestations
ὧν ἐστιν ὁ μὲν ἐκ τῶν ῥητόρων τῶν Ἀττικῶν

(één van hen is één van de Attische redenaars)

Deinarchos / / / /
ὁ δὲ τὰς περὶ Κρήτην συναγήοχε μυθολογίας

(één verzamelde legenden over Kreta)

Deinarchos / / / /
πεπραγματευμένος τοῦτο μὲν ἔπος, τοῦτο δὲ πράγμα

(schreef zowel poëzie als geschiedenis)

Deinarchos ὁ δὲ πρεσβύτερος μὲν ἀμφοῖν τούτοιν

(één, die eerder kwam dan deze twee)

/ Δήλιος δὲ τὸ γένος

(en die een Deliër was van geboorte)

/
τέταρτος δὲ ὁ περὶ Ὁμήρου λόγον συντεθεικώς

(de vierde componeerde een werk over Homeros)

Deinarchos / / / /

TM People: 3 personen uit Egypte

TM PER ID Name Floruit Gender # Attestations
6809 Deinarchos 280 v.C. Man 1
433857 Deinarchos 238 – 237 v.C. Man 1
349198 Deinarchos 62 v.C. Man 1

LGPN: 29 resultaten [hieronder worden enkel de eerste vier weergegeven]

ID Name Sex Place Floruit References
V1-15905 Deinarchos m. Kos 1ste eeuw v.C. – 1ste eeuw n.C. NS 694, 8
V1-17614 Deinarchos m. Kos c. 280 v.C. Holleaux, Études 3 p. 33 B, 13
V1-23516 Deinarchos m. Silyrioi Hell. periode ASAA 2 (1916) p. 163 no. 98
V1-6115 Deinarchos m. Paros  6de eeuw v.C.? Iamb., VP 267; = FVS 1 p. 447

Antieke versus moderne databanken

We zien dat Demetrios aan het begin van elk lemma het aantal homoniemen aangaf dat hij had gevonden, wat overeenkomt met  “number of attested individuals” in TM en “results” bij LGPN. Demetrios nummerde hen en gaf voor elk van hen elementaire biografische informatie; deze informatie had dezelfde functie als de identificatienummers (IDs) van TM en LGPN: het stelde Demetrios en zijn lezers in staat elk homoniem op een korte en duidelijke manier te identificeren. Bovendien gaf Demetrios beknopte chronologische en geografische informatie, die overeenkomt met de categorieën “floruit” van TM en LGPN, en “place” van LGPN (soms vergelijkbaar met “ethnicity/origin” van TM). Tot slot gaf Demetrios soms aan waar een bepaald homoniem werd genoemd, wat overeenkomt met “attestations” (TM) en “references” (LGPN). De manier waarop Demetrios zijn lemmata structureerde, doet dus sterk denken aan de structuur die moderne databanken gebruiken!

Voorbeeld van een record voor de persoon 'Deinarchos' in de databank van TM PeopleTM People

Voorbeeld van een record voor de persoon ‘Deinarchos’ in de databank van TM People

Een “antieke” kast met daarin steekkaarten van de databank ‘Prosopographia Ptolemaica’, later gedigitaliseerd in TM People

De vergelijking brengt echter ook verschillen aan de oppervlakte. De enige categorie van LGPN en TM die ontbrak in Demetrios’ overzichten van homoniemen was “gender”. We hebben geen bewijs dat Demetrios vrouwen opnam in zijn werk, maar we kunnen niet uitsluiten dat hij dat in sommige gevallen toch deed, hoewel er in de Oudheid niet veel vrouwelijke dichters en schrijvers bekend waren. Voor een lezer van Demetrios’ werk moet het in ieder geval gemakkelijker geweest zijn te zien of een bepaald lemma vrouwen al dan niet mannen betrof, aangezien de Grieken over het algemeen afzonderlijke namen hadden voor de verschillende geslachten. Demetrios hoefde dus niet systematisch het geslacht van de afzonderlijke homoniemen te specificeren.

Een belangrijker verschil tussen de twee hierboven geciteerde lemmata van Demetrios en de resultaten van TM en LGPN is, althans op het eerste gezicht, dat de door Demetrios gegeven informatie niet volledig is. Ook daar lijkt echter een verklaring voor te zijn, namelijk dat Demetrios, zoals eerder gezien, in het tweede deel van zijn lemmata bijkomende informatie gaf.

 

Conclusie

We kunnen dus concluderen dat de twee delen van Demetrios’ lemmata verschillende functies hadden: het eerste deel had als doel de verschillende homoniemen op te sommen en te identificeren, en had bijgevolg een functie die vergelijkbaar is met die van moderne databanken; het tweede deel vertoont gelijkenissen met wat we kunnen vinden in moderne biografische woordenboeken.

Steekkaart van de Prosopographia Ptolemaica (PP) waarin een persoon Ἀμεννεὐς wordt geïdentificeerd

Gezien zowel zijn praktisch nut als de uitvoerigheid van de verschafte informatie is het dus geen verrassing dat Demetrios’ ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ door verschillende latere (en bekendere) auteurs werd gebruikt en geciteerd, zoals Dionysios van Halikarnassos, Plutarchus, Harpokration, Athenaios en Diogenes Laertios (1ste eeuw v.C.-3de eeuw n.C.). Het samenstellen van een dergelijk werk moet echter een hele uitdaging zijn geweest. Geen wonder dat slechts weinigen in de Oudheid het voorbeeld van Demetrios volgden. We kennen alleen de naam van een zekere Agreophon of Agresphon, die ergens in de keizertijd een werk schreef met de titel ‘Over homoniemen’, waarvan geen enkel fragment bewaard is gebleven (Suda α 3421, s.v. Ἀπολλώνιος = Agreophon, FGrHist 1081 T 1).

Demetrios koos ervoor zijn tijdgenoten een dienst te bewijzen door een dergelijk naslagwerk samen te stellen. Wat Demetrios echter niet kon kiezen was zijn eigen naam. ‘Demetrios’ was een zeer veel voorkomende naam in de klassieke Oudheid (1534 personen uit Egypte in TM; 3325 resultaten in LGPN). Het is dan ook geen verrassing dat het voor moderne geleerden soms een lastige taak is om onze Demetrios zelf te onderscheiden van andere homoniemen. In veel gevallen ontstaat verwarring met Demetrios van Phaleron, Demetrios van Skepsis, Demetrios, de auteur van ‘De juiste woorden’ (Περὶ ἑρμηνεῖας), enz. Een ironisch lot dus voor iemand die zijn leven wijdde aan het onderscheiden van homoniemen!

Verder lezen

P. Zaccaria, Felix Jacoby. Die Fragmente der Griechischen Historiker Continued. IV A: Biography. Fascicle 5. The First Century BC and Hellenistic Authors of Uncertain Date [Nos. 1035-1045], Leiden – Boston: Brill, 2021.

Coverfoto: gecreëerd met behulpt van DALL·E 3 (prompt: “antieke Griekse auteur die indexkaarten sorteert voor een kast, thema van de oudheid, antieke Griekse kleding, achtergrond met papyrusrollen en beelden uit de Griekse mythologie”) en bewerkt met Getimg.ai

Het bericht Een Oudgriekse databank: Demetrios van Magnesia’s ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/19/12/2023/een-oudgriekse-databank-demetrios-van-magnesias-over-dichters-en-schrijvers-met-dezelfde-naam/feed/ 0 2558
Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/#respond Sun, 25 Jul 2021 17:50:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2001

Naar aanleiding van de start van de Olympische Spelen in Tokio (verplaatst van 2020 naar 2021) gaan we in een nieuwe aflevering van onze 'Quis est?'-reeks op zoek naar het levensverhaal van één van de beroemdste atleten uit de Oudheid, Diagoras van Rhodos. In Rhodos zelf zijn er nog veel sporen te vinden van deze Olympiër en zijn nazaten, maar hoe succesvol was Diagoras tijdens en na zijn sportieve carrière?

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Toeristen op weg naar het strand in Rhodos, het Griekse eiland in de Egeïsche Zee, kijken wel eens vreemd op wanneer ze in het midden van één van de drukste rotondes de – hierboven afgebeelde – standbeeldengroep van drie mannen zien. Je komt er voorbij wanneer je vanaf het noordelijkste punt van de havenstad (de zogenaamde speerpunt vanuit bovenaanzicht) de kustweg neemt in zuidoostelijke richting naar de Acropolis en het daar vlakbij gelegen stadion (waar de lokale Spelen werden gehouden). In dat uiterste noorden van het eiland ligt nog een andere publieke trekpleister: het publieke aquarium. In tegenstelling tot het miezerige moderne beeld dat zich voor dat gebouw bevindt en dat de locatie van de beroemde Kolossus van Rhodos zou moeten aanduiden – een andere verkeerde moderne interpretatie beschreef de plaatsing ervan als wijdbeens over de haveningang, waar nu twee zuilen met herten erop staan – springt de standbeeldengroep van de drie figuren meteen in het oog. Erop afgebeeld staat immers de bekende Diagoras van Rhodos, die door twee van zijn zonen wordt gedragen. Als je dichterbij gaat lees je op de sokkel een inscriptie in het (moderne) Grieks: ΤΟ ΣΥΜΠΛΕΓΜΑ ΤΟΥ ΘΡΙΑΜΒΟΥ ΤΟΥ ΔΙΑΓΟΡΑ (“De beeldengroep van de triomf van Diagoras”). Maar wie was deze bekende inwoner van het antieke Rhodos en van welke triomf is dit beeld ook nog in onze tijd het symbool?

Afkomst

Topografische kaart van Rhodos, de hoofdstad van de eilandengroep Dodekanesos (letterlijk: de twaalf eilanden), met Ialysos aan de noordwestkust van het eiland

Dankzij verschillende (geschreven) bronnen kunnen we de levensloop van Diagoras vrij nauwkeurig reconstrueren, al doen er soms verschillende interpretaties over zijn leven de ronde. Hij werd vermoedelijk geboren rond de eeuwwisseling van de 6de naar de 5de eeuw v.C. Zoals zoveel van de ons uit de (literaire) teksten bekende personen uit de Oudheid behoorde hij tot een aristocratische familie, afkomstig van Ialysos, één van de drie Dorische poleis (de andere zijn Lindos en Kamiros) aan de noordwestkust van Rhodos. Zijn vader Damagetos behoorde tot het geslacht van de Eratidai, teruggaand op een koninklijke afstamming, namelijk die van koning Eratos van Argos (en eveneens via zijn overgrootmoeder van Aristomenes van Messene). Vermoedelijk was hij een lokale heerser (of machtige magistraat) in dit gebied van het eiland, wiens gelijknamige grootvader door Pausanias in zijn ‘Beschrijving van Griekenland’ (Hellados Periegesis) als Basileus van Ialysos wordt omschreven (Paus. 4.24.2-3).

Tom Gheldof | OUDE GESCHIEDENIS

Gereconstrueerde stamboom van Diagoras van Rhodos

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een machtige en invloedrijke familie zoals die van de Eratiden of Diagoriden naast een koninklijke, ook nog een mythologische afkomst claimt. Voor de mythische stamvader worden zowel de Griekse god Hermes (in de scholia: Schol. ad Pind. Ol. 7, inscr. a + c) als Herakles – die dan ook meteen teruggaat op diens vader, de oppergod Zeus – genoemd. De Heraklidische afstamming via diens zoon Tlepolemos (in Homerusʼ Ilias de leider die de drie Rhodische gebieden had samengebracht en de fiere Rhodiërs aanvoerde in de Trojaanse Oorlog) wordt uitgebreid beschreven in één van de vele Pindarische Oden, namelijk de Zevende Olympische, geschreven voor Diagoras van Rhodos.

Zevende Olympische Ode

Buste van de Griekse dichter Pindarus

Pindarus was een Griekse dichter uit de buurt van Thebe die zich in de 5de eeuw v.C. specialiseerde in Epinikia, overwinningsliederen op bestelling ter ere van een winnaar van de Panhelleense Spelen (de grand slam van de vier grootste Griekse Spelen, ook wel de Kransspelen genoemd naar de prijs voor de winnaar). Van de 45 bewaarde Pindarische Oden zijn er 14 voor winnaars van de Olympische Spelen (naast 12 Pythische, 11 Nemeïsche en 8 Isthmische Oden). In deze lofzangen prijst de dichter niet alleen de overwinning van een atleet en diens palmares, maar linkt hij dit ook aan mythologische, religieuze en historische gebeurtenissen uit het verleden en het heden.

De Zevende Olympische Ode werd gecomponeerd na de overwinning van Diagoras in het boksen (pygmachia of de vuistkamp) op de 79ste Olympiade in 464 v.C. Naast de hierboven reeds aangehaalde (mythologische) afstamming van Diagoras en nog enkele andere uitwijdingen, somt Pindarus ook op poëtische wijze de eerder behaalde overwinningen van de periodonikes (een eretitel voor een atleet die erin slaagden in een vierjaarlijkse cyclus of periodos alle vier de Panhelleense Spelen te winnen) op (Pind. O. 7.15-17 & 80-86):

εὐθυμάχαν ὄφρα πελώριον ἄνδρα παρ’ Ἀλφεῷ στεφανωσάμενον
αἰνέσω πυγμᾶς ἄποινα
καὶ παρὰ Κασταλίᾳ

τῶν ἄνθεσι Διαγόρας
ἐστεφανώσατο δίς, κλεινᾷ τ’ ἐν Ἰσθμῷ τετράκις εὐτυχέων,
Νεμέᾳ τ’ ἄλλαν ἐπ’ ἄλλα, καὶ κρανααῖς ἐν Ἀθάναις.
ὅ τ’ ἐνἌργει χαλκὸς ἔγνω νιν, τά τ’ ἐν Ἀρκαδίᾳ
ἔργα καὶ Θήβαις, ἀγῶνές τ’ ἔννομοι
Βοιωτίων,
Πέλλανα τ’ Αἴγινά τε νικῶνθ’ ἑξάκις. ἐν Μεγάροισίν τ’ οὐχ ἕτερον λιθίνα
ψᾶφος ἔχει λόγον.

Een reus in open gevecht wil ik prijzen. Hij won
de krans bij Alpheios’ oevers,
kampprijs in het boksen, en
bij Kastalia

Hier werd Diagoras
tweemaal bekranst met lover, op de beroemde
Isthmos won hij viermaal,
eenmaal in Nemea en later nog eens, en ook in het rotsige Athene.
Het bronzen schild van Argos kent hem, hem kennen de trofeeën
van Arkadië en Thebe, de spelen die bij wet geregeld zijn,
bij de Boiotiërs
en ook Pellene. In Aigina won hij
zesmaal. De stenen zegetafels
spreken in Megara geen andere taal. (vertaling P. Lateur)

Deze ode zou volgens een ander scholion (FGrH 515 F 18), een fragment toegeschreven aan de lokale kroniekschrijver Gorgon van Rhodos, in gouden letters zijn aangebracht op de tempel van Athena in Lindos.

Sportieve carrière

We kunnen dus in grote lijnen de sportieve carrière van deze professionele bokser uit een aristocratische familie reconstrueren. Diagoras werd waarschijnlijk al van jongs af aan getraind in deze gevaarlijke gevechtssport. Het boksen gebeurde (net zoals de andere sporten op de Griekse Spelen) naakt, maar de boksers bonden wel leren banden, later gewatteerd met wol, verschillende keren rond hun vuisten om hun knokkels te beschermen bij het slaan. Aangezien er nog geen gewichtsklassen bestonden, kunnen we vermoeden dat Diagoras fors gebouwd en zeer krachtig moet zijn geweest. Pindarus noemt hem in zijn Olympische Ode ook een εὐθυμάχης, mogelijk verwijzend naar zijn open, rechtopstaande en eerlijke stijl van boksen waarbij hij geen slagen zou hebben ontweken.

Griekse boksers afgebeeld op een zwartfigurige terracotta amfoor

Zijn palmares als bokser met zegekransen in de Panhelleense Spelen en overwinningen bij lokale spelen, waarschijnlijk tussen 480 en 464 v.C., ziet eruit als volgt:

  • 1 x Olympische Spelen
  • 1 x Pythische Spelen
  • 4 x Isthmische Spelen
  • Meerdere x Nemeïsche Spelen
  • 1 x Panathenaeën in Athene
  • + overwinningen in lokale spelen van Argos, Arcadië, Thebe, Boeotië, Pellana, 6 x in Aegina en 6 x in Megara

Nageslacht

Diagoras beroemde zich niet alleen op de (politieke) faam van zijn voorvaderen, maar hij was zelf ook een progenitor of stamvader die een roemrijk nageslacht van Olympiërs stichtte. Zonen die in de (sportieve) voetsporen van hun vader treden is natuurlijk van alle tijden en ook in onze moderne tijd kennen we verschillende voorbeelden van dynastieën in de sport, denk maar aan onze eigen Eddy en zoon Axel Merckx in het wielrennen, nationale en internationale voetballers die hun vader volgen (de Italiaanse Maldini-familie zit intussen al aan drie generaties) of succesvolle broers en zussen (bijvoorbeeld de Williams-zussen in het tennis).

Standbeeld van twee pankratiasten

Geen van allen komt echter in de buurt van de Diagoriden: alledrie de zonen van Diagoras wonnen een Olympische olijfkrans. Damagetos in het pankration (een combinatie van worstelen en boksen), Akousilaos in het worstelen en de jongste, Dorieus in zowel het boksen als het pankration. Qua overwinningen overtrof deze veelzijdige vechtsporter zijn vader zelfs nog, want hij was meervoudig periodonikes. Op de Olympische Spelen won hij het pankration in 432, 428 en 424 v.C. Daarnaast won hij ook meerdere malen op de Pythische Spelen en maar liefst 7 maal op de Nemeïsche en 8 maal op de Isthmische Spelen (zijn volledige palmares werd aangetroffen op een inscriptie in Olympia: IvO 153).

Ook twee kleinzonen van Diagoras triomfeerden in Olympia. Peisirodos, de zoon van Diagoras’ dochter Pherenike en zijn neef Eukles, zoon van Kallipateira (de andere dochter van Diagoras) traden allebei in de voetsporen van hun grootvader met een overwinning in het Olympische boksen. Pausanias vertelt hierover een bekende anecdote waarin Kallipateira (of Pherenike vanwege de verwarring door de waarschijnlijk gelijktijdige overwinningen van beide neven bij de mannen- en jongenscategorie) bij deze overwinning aanwezig was naast de ring, verkleed als mannelijke trainer. Dat was namelijk verboden – net zoals er andere (religieuze) regels golden in Olympia – voor getrouwde vrouwen. Nadat ze werd betrapt toen ze hierbij haar kleren verloor, werd ze niet gestraft, uit respect voor haar familie met zovele Olympische winnaars. Nadien werd wel ingevoerd dat ook de trainers enkel nog naakt de kampen mochten bijwonen (Paus. 5.6.7-8):

κατὰ δὲ τὴν ἐς Ὀλυμπίαν ὁδόν, πρὶν ἢ διαβῆναι τὸν Ἀλφειόν, ἔστιν ὄρος ἐκ Σκιλλοῦντος ἐρχομένῳ πέτραις ὑψηλαῖς ἀπότομον: ὀνομάζεται δὲ Τυπαῖον τὸ ὄρος. κατὰ τούτου τὰς γυναῖκας Ἠλείοις ἐστὶν ὠθεῖν νόμος, ἢν φωραθῶσιν ἐς τὸν ἀγῶνα ἐλθοῦσαι τὸν Ὀλυμπικὸν ἢ καὶ ὅλως ἐν ταῖς ἀπειρημέναις σφίσιν ἡμέραις διαβᾶσαι τὸν Ἀλφειόν. οὐ μὴν οὐδὲ ἁλῶναι λέγουσιν οὐδεμίαν, ὅτι μὴ Καλλιπάτειραν μόνην: εἰσὶ δὲ οἳ τὴν αὐτὴν ταύτην Φερενίκην καὶ οὐ Καλλιπάτειραν καλοῦσιν. αὕτη προαποθανόντος αὐτῇ τοῦ ἀνδρός, ἐξεικάσασα αὑτὴν τὰ πάντα ἀνδρὶ γυμναστῇ, ἤγαγεν ἐς Ὀλυμπίαν τὸν υἱὸν μαχούμενον: νικῶντος δὲ τοῦ Πεισιρόδου, τὸ ἔρυμα ἐν ᾧ τοὺς γυμναστὰς ἔχουσιν ἀπειλημμένους, τοῦτο ὑπερπηδῶσα ἡ Καλλιπάτειρα ἐγυμνώθη. φωραθείσης δὲ ὅτι εἴη γυνή, ταύτην ἀφιᾶσιν ἀζήμιον καὶ τῷ πατρὶ καὶ ἀδελφοῖς αὐτῆς καὶ τῷ παιδὶ αἰδῶ νέμοντες -ὑπῆρχον δὴ ἅπασιν αὐτοῖς Ὀλυμπικαὶ νῖκαι-, ἐποίησαν δὲ νόμον ἐς τὸ ἔπειτα ἐπὶ τοῖς γυμνασταῖς γυμνοὺς σφᾶς ἐς τὸν ἀγῶνα ἐσέρχεσθαι.

Als je vanaf Skillous de weg naar Olympia neemt, komt, voordat je de Alpheios oversteekt, een steile berg met hoge rotsen. Die berg heet Typaion. Er is een wet bij de Eliërs dat daar vrouwen vanaf gegooid worden die betrapt zijn op een bezoek aan de Olympische spelen of zelfs op dagen dat het hen verboden is de Alpheios hebben overgestoken. Er zou echter geen enkele vrouw betrapt zijn behalve Kallipateira. Anderen noemen haar niet Kallipateira, maar Pherenike. Na de dood van haar echtgenoot had zij zich helemaal als trainer vermomd en bracht ze haar zoon naar Olympia om aan de wedstrijden mee te doen. Toen Kallipateira bij de overwinning van Peisidoros over de omheining sprong, waarbinnen de trainers afgezonderd werden gehouden, raakte ze ontbloot. Zo werd ontdekt dat ze een vrouw was, maar uit respect voor haar vader, broers en zoon, die allemaal Olympische winnaars waren, lieten ze haar ongestraft gaan. Wel werd een wet gemaakt dat gymnasten voortaan naakt het strijdperk moesten betreden. (vertaling P. Burgersdijk)

Print van James Barry (omstreeks 1800) met de overwinning van de Diagoriden

Diezelfde Pausanias bezocht op zijn tocht door Griekenland ook de site van Olympia in Elis en zag daar in de Altis, het ommuurde heilige domein gewijd aan Zeus, standbeelden voor Diagoras en zijn nageslacht naast die van andere Olympische winnaars staan. Het beeld van de pater familias zelf was gemaakt door de bekende beeldhouwer Kallikles, die ook het beeld van Zeus in Megara heeft gemaakt (Paus. 6.7.2).

© Alienor.org, Le Musée d'Angoulême

Reliëfsculptuur van de Franse beeldhouwer Raoul Verlet die de dood van Diagoras afbeeldde (1883)

En zo komen we opnieuw bij de beeldvorming waarvan het standbeeld in Rhodos de moderne interpretatie is. Ook die gaat terug op een verhaal dat door Pausanias, maar ook door andere auteurs zoals Plutarchus en zelfs Cicero (in diens Tusculanae Disputationes) wordt gedeeld. Na de overwinning van Diagoras’ zonen Akousilaos en Damagetos (waarschijnlijk tijdens de 83ste Olympiade in 448 v.C.) werd hij door zonen gedragen, toegejuicht door de Griekse toeschouwers en kreeg hij van een Spartaan te horen (Cic. Tusc. 1.46.111): “Morere, Diagora, non enim in caelum ascensurus es” (Sterf nu maar, Diagoras, want je zal immers niet verder opstijgen naar de hemel). Hiermee bedoelde hij dat Diagoras het hoogtepunt van zijn leven al had meegemaakt, al zouden later natuurlijk nog zijn kleinzonen voor nieuwe overwinningen zorgen. Of Diagoras die nog heeft meegemaakt is niet bekend. In sommige versies van dit verhaal, bijvoorbeeld bij Aulus Gellius, sterft hij namelijk meteen na het horen van deze woorden (NA, 3.15.3). Het beeld van Diagoras die in de lucht wordt getild door zijn beide zonen bood kunstenaars in latere tijden dan ook genoeg inspiratie om de familie van de Diagoriden als Olympische winnaars te vereeuwigen.

Sport en Politiek

De verwevenheid tussen sport en politiek is er altijd al geweest, van de Griekse vorsten en Homerische helden die deelnamen aan de lijkspelen voor Patroklos in de Ilias tot de deelname van tirannen en keizers (waaronder keizer Nero) aan de Olympische en andere Panhelleense Spelen. Een overwinning kon daarbij dienen als goede propaganda, zeker wanneer de winnaar ook nog eens in een besteld epinikion uitvoerig werd opgehemeld. Daarvoor hoefden sommige aristocraten (zoals de Sicilische tirannen en Alcibiades) niet eens zelf deel te nemen. In de wagenrennen konden ze als eigenaar een menner inhuren, maar kregen zij toch de krans bij een overwinning. Later werden ook de steeds professionelere atleten (die niet alleen aan de Panhelleense Spelen deelnamen, maar vaak een heel circuit van festivals afschuimden) vorstelijk beloond wanneer ze voor hun geboorteplaats een overwinning behaalden of kregen ze zelfs het ereburgerschap van een andere stad aangeboden.

In tegenstelling tot enkele andere illustere atleten weten we niet of Diagoras – in navolging van zijn (koninklijke) voorvaderen – ook een politieke functie uitoefende in Rhodos. Een voorbeeld hiervan was Milo van Croton, een succesvol worstelaar die na zijn carrière een belangrijke politieke rol speelde in zijn geboortestad en met succes zijn leger aanvoerde in de oorlog tegen Sybaris op het einde van de 6de eeuw v.C. Andere succesvolle atleten uit deze periode werden na hun dood dan weer geheroïseerd en leefden op die manier voort. In latere perioden (mogelijk door de toenemende professionalisering) werden de eerbewijzen aan zulke atleten vaker tijdens hun carrière uitgedeeld, bijvoorbeeld in de vorm van burgerrecht of het lidmaatschap van de boulè of stadsraad. Toch kennen we ook een heleboel atleten waarvan we geen gegevens hebben over een publieke carrière. De misschien wel beste Olympiër uit de Oudheid en afkomstig uit dezelfde stad als Diagoras illustreert dit. Leonidas van Rhodos won zo maar even 12 individuele Olympische titels door in vier opeenvolgende Olympiades (164-152 v.C.) telkens de drie loopnummers te winnen. Toch kennen we Leonidas uitsluitend dankzij een vermelding bij Pausanias die hem als beroemdste loper betitelt.

De zonen van Diagoras namen wel een actievere rol binnen de politiek van Rhodos op zich. Vooral Dorieus kennen we uit verschillende bronnen (Thuc. 8.39.1-43.2) als één van de leidende figuren in de politieke gebeurtenissen op het einde van de 5de eeuw v.C. Hij en zijn familie keerden zich tegen de Atheense invloed op Rhodos (in de achtergrond van de Peloponnesische Oorlog) en na zijn verbanning vluchtte Dorieus naar de Griekse kolonie Thourioi in Italië. Daar kreeg hij in 412 v.C. als nauarchos het bevel over enkele schepen en vervoegde hij daarmee de Spartaanse vloot. Het daaropvolgende jaar kon hij terugkeren naar Rhodos waar hij met behulp van de Spartanen een oligarchisch regime instelde. Toch was zijn lijdensweg nog niet ten einde toen hij door de Atheners gevangen werd genomen, maar – opnieuw – dankzij zijn roem als atleet en zijn afkomst werd hij vrijgelaten zonder losgeld (Paus. 6.7.4-6). In 395 v.C. werden de Diagoriden en hun aanhangers uiteindelijk verdreven van de controle over Rhodos door een nieuwe staatsgreep, nadat ook de Spartanen zich tegen hen hadden gekeerd (Hell.Oxy. 15.2-3). Dat ook de kleinzoon van Diagoras, Peisirodos, mogelijk een politieke rol – hij kreeg net zoals zijn oom het burgerrecht van Thourioi – speelde, blijkt mogelijk uit zijn naamgeving waarin de aspiratie om Rhodos opnieuw te verenigen (voltooid na de samenvoeging van de drie steden tot een stadstaat Rhodos bij het synoikisme van 408 v.C.) zou zitten vervat.

Schilderij ‘Diagoras porté en triomphe par ses fils’ van de Franse kunstschilder Auguste Vinchon (1814)

Receptie

Logo van voetbalclub Diagoras F.C.

Dat Diagoras nog niet is vergeten in Rhodos blijkt niet alleen uit het standbeeld dat van hem en zijn twee zonen opgetrokken is. Ook de lokale luchthaven en een plaatselijke voetbalclub, Diagoras FC (opgericht in 1905), werden naar de beroemde atleet genoemd. Het logo van de club refereert eveneens naar de iconografie van de opgetilde vader en zijn zonen als Olympische winnaars. In tegenstelling tot bij andere atleten is Diagoras’ faam vooral terug te brengen op het grootbrengen van een even roemrijk nageslacht van Olympiërs. Of hij dat bewust deed of niet – trainde hij bijvoorbeeld zijn eigen (klein)zonen – kunnen we niet direct afleiden, maar het indirecte bewijs zoals de mondelinge traditie en de standbeelden in Olympia, doen vermoeden van wel. Zijn eigen roem (en die van zijn vaderstad Rhodos) straalde af op zijn nageslacht, maar de overwinningen van hen versterkten evenzeer zijn beeld als stamvader van de succesvolle atletendynastie van de Diagoriden.

Toch is het verhaal van Diagoras nog niet helemaal ten einde. In 2018 dook in de Griekse en Turkse media ineens het verhaal op van de graftombe van Diagoras. De piramidevormige tombe was al eerder gevonden in het Turkse Turgut (vlak bij de badplaats Marmaris in de provincie Muğla) en werd door lokale inwoners beschouwd als de rustplaats van een lokale heilige.

Er is wel een connectie tussen deze plaats in het uiterste zuidwesten van Turkije en Rhodos, want in vogelvlucht is het uiterste noorden van het Griekse eiland slechts ongeveer 50 kilometer verwijderd van de Turkse vindplaats. Daarnaast werden er ook enkele inscripties gevonden die verwijzen naar inwoners van Rhodos, waaronder één [TM 868213] die in de jaren 50 door het bekende Franse epigrafistenkoppel Jeanne en Louis Robert werd uitgegeven (Bullétin épigraphique 212a in de Revue des Études Grecques 68). In het funeraire epigram wordt gesproken over een mannelijke krijger met de naam Diagoras en zijn vrouw Aristomacha. Zij dateren de inscriptie ten vroegste in de Hellenistische periode, dus het lijkt twijfelachtig of het hier effectief over het graf van de beroemde bokser gaat. Tenzij het hier natuurlijk over de zoveelste nazaat (genoemd naar de beroemde stamvader) van het roemrijke geslacht zou gaan…

Lees meer

Burgersdijk, P. (2011), Pausanias: Beschrijving van Griekenland, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Lateur, P. (1999), Pindaros: Zegezangen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Nicholson, N. (2018), ‘When Athletic Victory and Fatherhood Did Mix: The Commemoration of Diagoras of Rhodes’, Bulletin of the Institute of Classical Studies 61, p. 42–63
Pouilloux, J. (1970), ‘Callianax, gendre de Diagoras de Rhodes, à propos de la VIIe. Olympique de Pindare’, Revue de philologie 44, p. 206-214
Remijsen, S. & Clarysse, W., Ancient Olympics [http://ancientolympics.arts.kuleuven.be/]
Van Nijf, O. &  Williamson, C., Connected Contests, Ancient Athletes Online database [https://connectedcontests.webhosting.rug.nl/]

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Statue Diagoras Monument’ van Texas1980 op Wikimapia (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/feed/ 0 2001
À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/ https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/#respond Sat, 13 Feb 2021 15:08:36 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1234 Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk Het boek der liefdeszangen', een vertaling van de Amores uit 1941. In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om twee vertalingen van werken van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17 n.C.). De eerste is ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949) en de tweede ‘Het boek der liefdeszangen’, een vertaling van de Amores, eveneens uit 1941, maar daterend van na ‘De kunst der vrijage’, zo blijkt uit het voorwoord. In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de Amores gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten. In een vorige blog gingen we dit ook al na voor de Ars Amatoria.

Het boek der liefdeszangen

Titelpagina – Het boek der liefdeszangen (vertaling Jan Meihuizen)

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk (of ondeugend?) om een lijst te geven van de weggelaten passages. Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding:

De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Geschrapte libertijnsche passages

De passages, of liever volledige gedichten, die in de Amores worden weggelaten wegens “te libertijnsch”, zijn in tegenstelling tot de weglatingen in de Ars Amatoria wel erg donker van aard. Twee van de weggelaten gedichten behandelen immers abortus en het laatste gaat over erectieproblemen van de verteller. Beide thema’s waren in 1941 blijkbaar zo met taboe bezwaard dat Meihuizen het niet waagde een vertaling van deze gedichten te publiceren, hoewel het laatste gedicht aan de moderne lezer misschien wel een ironische glimlach weet te ontlokken door de omzwachtelde formuleringen die het bevat. We laten de teksten hier verder voor zich spreken.

Amores II, 13

Amores II, 13

Dum labefactat onus gravidi temeraria ventris,
in dubio vitae lassa Corinna iacet.
illa quidem clam me tantum molita pericli
ira digna mea; sed cadit ira metu.
sed tamen aut ex me conceperat—aut ego credo;
est mihi pro facto saepe, quod esse potest.
Isi, Paraetonium genialiaque arva Canopi
quae colis et Memphin palmiferamque Pharon,
quaque celer Nilus lato delapsus in alveo
per septem portus in maris exit aquas,
per tua sistra precor, per Anubidis ora verendi—
sic tua sacra pius semper Osiris amet,
pigraque labatur circa donaria serpens,
et comes in pompa corniger Apis eat!
huc adhibe vultus, et in una parce duobus!
nam vitam dominae tu dabis, illa mihi.
saepe tibi sedit certis operata diebus,
qua cingit laurus Gallica turma tuas.
Tuque laborantes utero miserata puellas,
quarum tarda latens corpora tendit onus,
lenis ades precibusque meis fave, Ilithyia!
digna est, quam iubeas muneris esse tui.
ipse ego tura dabo fumosis candidus aris,
ipse feram ante tuos munera vota pedes.
adiciam titulum: ‘servata Naso Corinna!’
tu modo fac titulo muneribusque locum.
Si tamen in tanto fas est monuisse timore,
hac tibi sit pugna dimicuisse satis!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Abortus 1 »
Omdat ze roekeloos haar zwangerschap wou breken,
worstelt Corinna nu wanhopig met de dood.
Buiten mij om lijdt zij gevaar, en lijdt zo erg dat
ik eerder bang dan boos ben – ook al deed ze dom.
Ik was het toch door wie ze zwanger werd, althans
dat denk ik zo, en wat ik denk is meestal waar…
O Isis! Meesteres over Canopus’ velden!
Vrouwe van Memphis en van Pharos’ palmenzoom,
daar waar de snelle Nijl zijn brede bedding spreidt en
in zeven monden uitstroomt, o! ik smeek u bij
uw ratelklanken, bij de hondskop van Anubis,
zo waar als u bemind zult worden door Osiris,
zo waar een slang zich kronkelt rond uw altaar en
de Apis-stier uw stoet mag begeleiden, sméék ik:
zie op ons neer en spaar, o spaar ons beiden, want
als ú mijn meesteres wilt redden, redt zíj mij!
Hoe vaak niet knielde zij op vaste tijden bij
uw beeld, werd zij gezegend door uw priesterschaar!
Ook Eilithuia, u, godin die vrouwen bijstaat
bij ’t baren, als de last hun angstig lichaam spant:
ik smeek u: wees genadig, hoor naar mijn gebeden,
geef haar het voorrecht van uw gunst, zij is het waard!
Zelf zal ik in witlinnen kleren wierook branden,
zelf aan uw voeten mijn offerande leggen met
het opschrift: ‘Naso’s dank, Corinna iss gespaard’,
mits u mij reden geeft voor opschrift en voor dank…
En als ik iets mag zeggen in dit uur van angst:
laat dit gevecht voorgoed voorbij zijn, leer ervan!

Amores II, 14

Amores II, 14

Quid iuvat inmunes belli cessare puellas,
nec fera peltatas agmina velle sequi,
si sine Marte suis patiuntur vulnera telis,
et caecas armant in sua fata manus?
Quae prima instituit teneros convellere fetus,
militia fuerat digna perire sua.
scilicet, ut careat rugarum crimine venter,
sternetur pugnae tristis harena tuae?
si mos antiquis placuisset matribus idem,
gens hominum vitio deperitura fuit,
quique iterum iaceret generis primordia nostri
in vacuo lapides orbe, parandus erat.
quis Priami fregisset opes, si numen aquarum
iusta recusasset pondera ferre Thetis?
Ilia si tumido geminos in ventre necasset,
casurus dominae conditor Urbis erat;
si Venus Aenean gravida temerasset in alvo,
Caesaribus tellus orba futura fuit.
tu quoque, cum posses nasci formosa, perisses,
temptasset, quod tu, si tua mater opus;
ipse ego, cum fuerim melius periturus amando,
vidissem nullos matre negante dies.
Quid plenam fraudas vitem crescentibus uvis,
pomaque crudeli vellis acerba manu?
sponte fluant matura sua—sine crescere nata;
est pretium parvae non leve vita morae.
vestra quid effoditis subiectis viscera telis,
et nondum natis dira venena datis?
Colchida respersam puerorum sanguine culpant
aque sua caesum matre queruntur Ityn;
utraque saeva parens, sed tristibus utraque causis
iactura socii sanguinis ulta virum.
dicite, quis Tereus, quis vos inritet Iason
figere sollicita corpora vestra manu?
hoc neque in Armeniis tigres fecere latebris,
perdere nec fetus ausa leaena suos.
at tenerae faciunt, sed non inpune, puellae;
saepe, suos utero quae necat, ipsa perit.
ipsa perit, ferturque rogo resoluta capillos,
et clamant ‘merito!’ qui modo cumque vident.
Ista sed aetherias vanescant dicta per auras,
et sint ominibus pondera nulla meis!
di faciles, peccasse semel concedite tuto,
et satis est; poenam culpa secunda ferat!

Vertaling: John Nagelkerken

Wat helpt het dat de meisjes vrijgesteld van krijgsdienst blijven
en niet als schilddraagsters de woeste strijd in willen gaan,
als ze door eigen wapens zonder Mars hun wonden lijden
en blinde handen wapenen tot eigen ondergang?
Zij die als eerste leerde tere vruchten af te drijven
had het verdiend zelf om te komen door haar eigen strijd.
Moet dan, opdat de schoonheid van de buik niet lijdt aan rimpels,
een strijdperk zich ontplooien voor jouw treurige gevecht?
Als moeders zich vanouds hadden gehecht aan die gewoonte,
zou het geslacht der mensen door die wandaad zijn vergaan.
Dan was er weer behoefte aan degene die de stenen
als kiemen van ons volk in een verlaten wereld wierp.
Wie had Priamus’ macht gebroken, als zeegodin Thetis
geweigerd had de last te dragen die ze dragen moest?
Als Ilia de tweeling, toen haar buik nog zwol, gedood had,
dan had de stichter niet bestaan van Rome, heersersstad.
Als Venus in haar zwangerschap Aeneas had geschonden,
dan was de aarde van haar Caesarkinderen beroofd.
Ook jij, al kon je mooi ter wereld komen, was gestorven,
wanneer je moeder had gepoogd wat jij nu hebt gedaan.
Ikzelf, die toch gelukkiger kon sterven, door de liefde,
zou, had mijn moeder mij gedood, geen dag hebben gezien.
Waarom roof je de wijnstok leeg terwijld de druiven groeien,
En pluk je nog onrijpe appels met verharde hand?
Laat al wat rijp is komen, laat wat is ontsproten groeien:
een beetje uitstel wordt met een nieuw leven goed beloond.
Wat graven jullie diep met wapens in je ingewanden
en geven jullie ongeborenen onzalig gif?
De vrouw uit Colchis treft verwijt, met kinderbloed besprenkeld;
men klaagt dat Itys door zijn eigen moeder is gedood.
Zij waren wrede moeders, maar hen dwong een droeve reden
zich op hun man te wreken door verlies van beider bloed.
Zeg eens, wekte een Tereus of een Jason jullie woede
dat jullie eigen lijf doorboren met panische hand?
Dat doen de tijgerinnen niet in hun Armeense schuilplaats,
ook de leeuwin jaagt niet brutaal haar welpen in de dood.
Tedere meisjes doen dat wel, maar niet zonder vergelding:
vaak komt zij die het kindje in haar buik vermoordt zelf om.
Ze komt zelf om; met losse haren komt ze op de brandplaats
en al degenen die het vluchtig zien roepen: ‘Net goed’.
Ik hoop dat zulke kreten in de ijle wind vervliegen
en dat mijn woord als voorteken zonder gewicht mag zijn.
Goden, weest mild, schenkt U één keer genade voor een misstap;
Dat is genoeg, een tweede fout verdient de juiste straf.

Amores III, 7

Amores III, 7

At non formosa est, at non bene culta puella,
at, puto, non votis saepe petita meis!
hanc tamen in nullos tenui male languidus usus,
sed iacui pigro crimen onusque toro;
nec potui cupiens, pariter cupiente puella,
inguinis effeti parte iuvante frui.
illa quidem nostro subiecit eburnea collo
bracchia Sithonia candidiora nive,
osculaque inseruit cupida luctantia lingua
lascivum femori supposuitque femur,
et mihi blanditias dixit dominumque vocavit,
et quae praeterea publica verba iuvant.
tacta tamen veluti gelida mea membra cicuta
segnia propositum destituere meum;
truncus iners iacui, species et inutile pondus,
et non exactum, corpus an umbra forem.
Quae mihi ventura est, siquidem ventura, senectus,
cum desit numeris ipsa iuventa suis?
a, pudet annorum: quo me iuvenemque virumque?
nec iuvenem nec me sensit amica virum!
sic flammas aditura pias aeterna sacerdos
surgit et a caro fratre verenda soror.
at nuper bis flava Chlide, ter candida Pitho,
ter Libas officio continuata meo est;
exigere a nobis angusta nocte Corinnam
me memini numeros sustinuisse novem.
Num mea Thessalico languent devota veneno
corpora? num misero carmen et herba nocent,
sagave poenicea defixit nomina cera
et medium tenuis in iecur egit acus?
carmine laesa Ceres sterilem vanescit in herbam,
deficiunt laesi carmine fontis aquae,
ilicibus glandes cantataque vitibus uva
decidit, et nullo poma movente fluunt.
quid vetat et nervos magicas torpere per artes?
forsitan inpatiens fit latus inde meum.
huc pudor accessit: facti pudor ipse nocebat;
ille fuit vitii causa secunda mei.
At qualem vidi tantum tetigique puellam!
sic etiam tunica tangitur illa sua.
illius ad tactum Pylius iuvenescere possit
Tithonosque annis fortior esse suis.
haec mihi contigerat; sed vir non contigit illi.
quas nunc concipiam per nova vota preces?
credo etiam magnos, quo sum tam turpiter usus,
muneris oblati paenituisse deos.
optabam certe recipi — sum nempe receptus;
oscula ferre — tuli; proximus esse — fui.
quo mihi fortunae tantum? quo regna sine usu?
quid, nisi possedi dives avarus opes?
sic aret mediis taciti vulgator in undis
pomaque, quae nullo tempore tangat, habet.
a tenera quisquam sic surgit mane puella,
protinus ut sanctos possit adire deos?
Sed, puto, non blanda: non optima perdidit in me
oscula; non omni sollicitavit ope!
illa graves potuit quercus adamantaque durum
surdaque blanditiis saxa movere suis.
digna movere fuit certe vivosque virosque;
sed neque tum vixi nec vir, ut ante, fui.
quid iuvet, ad surdas si cantet Phemius aures?
quid miserum Thamyran picta tabella iuvat?
At quae non tacita formavi gaudia mente!
quos ego non finxi disposuique modos!
nostra tamen iacuere velut praemortua membra
turpiter hesterna languidiora rosa —
quae nunc, ecce, vigent intempestiva valentque,
nunc opus exposcunt militiamque suam.
quin istic pudibunda iaces, pars pessima nostri?
sic sum pollicitis captus et ante tuis.
tu dominum fallis; per te deprensus inermis
tristia cum magno damna pudore tuli.
Hanc etiam non est mea dedignata puella
molliter admota sollicitare manu;
sed postquam nullas consurgere posse per artes
inmemoremque sui procubuisse videt,
‘quid me ludis?’ ait, ‘quis te, male sane, iubebat
invitum nostro ponere membra toro?
aut te traiectis Aeaea venefica lanis
devovet, aut alio lassus amore venis.’
nec mora, desiluit tunica velata soluta —
et decuit nudos proripuisse pedes! —
neve suae possent intactam scire ministrae,
dedecus hoc sumpta dissimulavit aqua.

Vertaling: John Nagelkerken

Is ze niet mooi, mijn lieveling, straalt ze niet louter gratie?
Wat heb ik haar met hart en ziel begeerd, wie weet hoe vaak.
Ik hield haar in mijn armen, maar verslapt kon ik niets maken;
ik lag als last, bron van verwijten, dadenloos in bed.
Ik kon ondanks begeerte, ondanks ook haar groot begeren
niets maken met de steunpilaar van mijn slap onderlijf.
Zij schoof haar arm, blank als ivoor, onder mijn hals, nog schoner
dan witte sneeuw die in Sithonisch land gevallen is,
en strikte onze tongen, strijdend met gretige kussen,
en schoof uitdagend met haar wulpse dij onder mijn dij,
en sprak tot mij met lieve woordjes, noemde mij haar meester,
en fluisterde de woorden die men daarbij doorgaans spreekt.
Alsof mijn lijf behandeld was met kille dollekervel
bleef het zich traag verzetten tegen wat ik had gewenst.
Ik lag daar als een machteloze stronk, als pop, als ballast,
en ik wist nauwelijks of ik een mens was of een schim.
Hoe wordt voor mij de ouderdom, als die ooit nog zal komen,
wanneer mijn jeugd de krachten in de eigen tijd al mist?
Ik schaam me voor mijn jaren. Wat moet ik die jong en man ben?
Voor mijn geliefde bleek ik nu niet jong en ook geen man.
Zo staat eeuwig de priesteres op om de vrome vlammen
te koesteren, zo respecteert een lieve broer zijn zus.
Pas nog heeft blonde Chlide twee keer, blanke Pitho drie keer,
drie keer ook Libas van mijn liefdesdienst geprofiteerd.
Corinna riep mij in benauwde nachtelijke uren:
ik weet nog dat ik negen nummertjes presteren kon.
Is nu mijn lichaam door Thessalisch gif verslapt, betoverd?
Mijn ongeluk komt toch niet voort uit toverzang of -kruid?
Of heeft een toverkol een rood wasbeeld mijn naam gegeven
en midden in mijn lever met een dunne naald geprikt?
Door toverspreuk verzwakt ook Ceres tot steriele strohalm,
het water van een bron droogt, door een spreuk getroffen, op,
van eiken vallen eikels, van de wijnstok vallen druiven
door toverzang, en appels storten dan vanzelf terneer.
Waarom zouden door toverkunst mijn zenuwen niet lam zijn?
Misschien is wel mijn middel daarom van gevoel beroofd.
Daar kwam nog schaamte bij met al haar schadelijke werking;
dat was de tweede reden voor mijn machteloos gebrek.
Wat was mijn liefste heerlijk om te zien en om te strelen
(zo wordt ze aldoor door haar eigen tunica gestreeld).
De man van Pylos zou verjongen als hij haar aanraakte,
en Tithonus zou dan in kracht boven zijn jaren staan.
Dat alles bood ze mij, maar aan haar werd geen man geboden.
Waar moet ik nog om bidden in mijn volgende gebed?
Ik denk dat zelfs de grote goden spijt hebben dat zij me
een gave boden die ik zo beschamend heb gebruikt.
Ik wilde graag ontvangen worden: ik werd echt ontvangen;
gekust worden: dat werd ik; bij haar zijn: ik was bij haar.
Wat ben ik met zoveel geluk? Een machteloze koning.
Ik kreeg daar alle rijkdom, maar gedroeg me als een vrek.
Zo staat hij die verraad pleede droog midden in de golven
en hij ziet vruchten die hij echter nooit bereiken kan.
Zo rijst toch niemand ’s morgens van de zij van een lief meisje
dat hij direct een godentempel rein kan binnengaan?
Maar was ze dan misschien niet lief, heeft ze haar beste kussen
dan niet aan mij vergooid, mij niet met al haar kracht gestijfd?
Ze was in staat om zware eiken, hard staal te bewegen
en dove rotsen te ontroeren met haar lieve stem.
Ze had dus zeker macht een man, een levende, te raken:
maar ik was toen niet levend, en geen man, zoals voorheen.
Wat was de zin als Phemius voor dove oren speelde,
wat heeft arme Thamyras aan een prachtig schilderij?
Wat heb ik niet met stille hoop voor vreugdes op zien doemen,
ach wat een standjes droomde ik, wat maakte ik een reeks.
Maar nee, mijn ledematen lagen neer als afgestorven,
nog lelijker verslapt dan rozen, gisteren geplukt.
En kijk, nu zijn ze sterk en weer gezond, nu het niet meetelt;
nu wensen ze de slag en willen staan in het gelid.
Blijf jij beschaamd daar liggen, miserabel stukje lichaam;
Ik ben door jouw beloften zo al eerder zwaar bedot.
Je houdt je meester voor de gek. Je maakt mij ongewapend,
en tot mijn grote schande leed ik zo een triest verlies.
Mijn lief is bovendien zo ver gegaan hem te beroeren,
zachtjes te trachten hem te doen herrijzen met haar hand.
Maar toen ze zag dat hij op geen manier was op te wekken
en daar gewoon bleef liggen zonder zorgen om haar wens,
zei zij: ‘Waarom bespot je mij? Wie zei jou, slappe eikel,
om zonder zin je leden neer te leggen in mijn bed?
Heeft Circe jou door naalden in een wollen pop te steken
behekst, of ben je door een ander lief al uitgeput?’
Direct sprong ze uit bed, in losse tunica gewikkeld
(hoe sierlijk sprongen daar haar blote voetjes op de grond).
Opdat haar dienares niet wist dat zij nog onberoerd was,
verhulde ze de schande en nam voor de schijn een bad.

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris.

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Amores I, 15

Amores I, 15

Quid mihi Livor edax, ignavos obicis annos,
ingeniique vocas carmen inertis opus;
non me more patrum, dum strenua sustinet aetas,
praemia militiae pulverulenta sequi,
nec me verbosas leges ediscere nec me
ingrato vocem prostituisse foro?
Mortale est, quod quaeris, opus. mihi fama perennis
quaeritur, in toto semper ut orbe canar.
vivet Maeonides, Tenedos dum stabit et Ide,
dum rapidas Simois in mare volvet aquas;
vivet et Ascraeus, dum mustis uva tumebit,
dum cadet incurva falce resecta Ceres.
Battiades semper toto cantabitur orbe;
quamvis ingenio non valet, arte valet.
nulla Sophocleo veniet iactura cothurno;
cum sole et luna semper Aratus erit;
dum fallax servus, durus pater, inproba lena
vivent et meretrix blanda, Menandros erit;
Ennius arte carens animosique Accius oris
casurum nullo tempore nomen habent.
Varronem primamque ratem quae nesciet aetas,
aureaque Aesonio terga petita duci?
carmina sublimis tunc sunt peritura Lucreti,
exitio terras cum dabit una dies;
Tityrus et segetes Aeneiaque arma legentur,
Roma triumphati dum caput orbis erit;
donec erunt ignes arcusque Cupidinis arma,
discentur numeri, culte Tibulle, tui;
Gallus et Hesperiis et Gallus notus Eois,
et sua cum Gallo nota Lycoris erit.
Ergo, cum silices, cum dens patientis aratri
depereant aevo, carmina morte carent.
cedant carminibus reges regumque triumphi,
cedat et auriferi ripa benigna Tagi!
vilia miretur vulgus; mihi flavus Apollo
pocula Castalia plena ministret aqua,
sustineamque coma metuentem frigora myrtum,
atque a sollicito multus amante legar!
pascitur in vivis Livor; post fata quiescit,
cum suus ex merito quemque tuetur honos.
ergo etiam cum me supremus adederit ignis,
vivam, parsque mei multa superstes erit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Dichtersroem »
Bijtgrage Afgunst! U beschuldigt mij dat ik mijn leven
verluier? Noemt mijn dichtwerk een verspild talent?
U vindt dat ik naar ’s lands gebruik, nu ik nog krachtig ben
naar ’t stoffig ereloon van een soldaat moet streven?
Of woordenrijke wetten leren? Of als redenaar
mijn stem prostitueren op het kille Forum?
U stelt een mensendoel. Ik streef naar dichtersroem en naar
onsterflijkheid, naar overal gezongen worden.
Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.
Zolang een druif door sappen zwelt en Ceres’ halmen zwichten
voor ’n kromme zeis, wordt ook Hesiodus gehoord.
Callimachus zal altijd allerwegen te verstaan zijn,
meer om zijn verstechniek dan om zijn dichttalent,
en Sophokles’ kothurnen raken nimmer onbekend, en
Aratus zal bestaan zolang er zon en maan zijn.
Zolang een slaaf kan liegen, vaders streng zijn, hoerenbazen
gemeen, maar hoeren aardig, klinkt Menanders naam;
en Ennius mag technisch falen, maar zijn dichtersfaam
faalt nooit, zomin als Accius met zijn verhalen.
En welke eeuw zal niet van Varro spreken en de vaart
van Jasons eerste schip naar ’t Gulden Vlies verkonden?
Het prachtig dichtwerk van Lucretius gaat niet ten onder
tenzij de dag komt dat de wereld zelf vergaat.
Men zal van Tityrus, van landbouw, van Aeneas weten
zolang de trotse wereldhoofdstad Rome heet
en pas als Cupido geen pijl en boog en fakkel heeft
zal men Tibullus’ knappe dactyli vergeten.
In ’t westen zal men Gallus prijzen, Gallus ook in ’t oosten,
en Lýcoris, zijn lief, klinkt luid met Gallus mee.
Terwijl een keisteen en een ploegschaar van gehard metaal
wegslijten door de tijd, kent poëzie geen sterven.
Ook koningen en wapenfeiten leven voort in verzen
niet minder dan de gouden stromen van de Taag.
Het volk mag jagen naar goedkope praal, maar ík wil graag
Castalisch water uit Apollo’s beker drinken,
en om mijn hoofd een krans van winterschuwe mirte winden
en veelgelezen zijn bij wie om liefde vraagt.
Afgunst bestaat bij ’t leven. Na de dood rust zij in vrede.
Dan wordt een elk beloond naar wat hij heeft gedaan.
Ik zal dus niet vergaan wanneer de laatste vlam mijn lichaam
verslonden heeft, maar voor een groot deel voortbestaan.

Dit gedicht wordt integraal weggelaten omwille van de waslijst antieke auteurs die hier genoemd worden en die voor de niet-gespecialiseerde lezer soms nobele onbekenden zijn. De bekende dichters worden soms met moeilijke omschrijvingen aangeduid. Het eerste voorbeeld daarvan is te vinden in de volgende regels:

Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.

In de Latijnse tekst wordt Homerus niet bij naam genoemd, maar aangeduid met de naam Maeonides (inwoner van Maeonië). Maeonië is een andere naam voor Lydië, in het huidige Turkije, vanwaar Homerus inderdaad afkomstig was volgens de traditie. Op een gelijkaardige manier wordt de volgende auteur, Hesiodus, Ascraeus, (inwoner van Ascra) genoemd. De Hellenistische dichter Callimachus (ca. 305-240 v.C.) wordt dan weer omschreven als Battiades,(letterlijk: zoon van Battus), maar dit slaat dan weer op de dynastie van de Battiaden, een koningsdynastie in zijn thuisstad Cyrene.

Aratus van Soli (315-245 v.C.) was de auteur van een leerdicht met de titel Phainomena, waarin hemellichamen en hemelverschijnselen behandeld werden, vandaar Ovidius’ verwijzing naar zon en maan.

Verder worden ook de Griekse comicus Menander (342-291 v.C.), bekend om zijn typetjes, de fragmentarisch bewaarde Romeinse epische dichter Quintus Ennius (239-169 v.C.) en de Romeinse tragicus Lucius Accius (170-85 v.C.) in sneltempo met naam genoemd. De Varro die genoemd wordt, is, gezien de context, waarschijnlijk niet de encyclopedist en prozaschrijver Marcus Terentius Varro Reatinus (116-27 v.C.), maar de dichter Publius Terentius Varro Atacinus (82-35 v.C.), die de ‘Argonautica‘, een epos van de Griekse dichter Apollonius van Rhodos (ca. 295-215 v.C.), naar het Latijn vertaalde. De link met de reis van de Argonauten op zoek naar het Gulden Vlies wordt in het volgende vers gelegd door de vermelding van het Gulden Vlies en de vermelding van “Aesonius, de zoon van Aeson“, namelijk Jason, de leider van de Argonauten. Ook de Romeinse dichter en epicuristische filosoof Titus Lucretius Carus (99-55 v.C.), bekend om zijn leerdicht De Rerum Natura, wordt vermeld.

Hierna gaat Ovidius over naar de eigen tijd: Tityrus et segetes Aeneiaque arma, “Tityrus, de oogst en de wapens van Aeneas” zijn een verwijzing naar de openingswoorden van respectievelijk de Bucolica (waarin Tityrus een belangrijk personage is), de Georgica (over de landbouw) en de Aeneis van Publius Vergilius Maro (70-19 v.C.). Vervolgens worden ook de Romeinse elegische dichters Albius Tibullus (ca. 55-19 v.C.) en Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.) genoemd, wiens geliefde in zijn poëzie Lycoris heet.

Tot slot is er ook nog een verwijzing naar de Castaliabron bij Delphi, die gewijd was aan Apollo en de Muzen en dus symbool staat voor dichterlijke inspiratie.

Hoewel het merendeel van de verwijzingen in dit gedicht literair-historisch en niet mythologisch zijn, is het hele gedicht door Meihuizen weggelaten, omdat het te veel kennis van de Grieks-Romeinse literatuurgeschiedenis veronderstelt. Bij een inkorting met een parafrase, zoals de vertaling van de Ars Amatoria er vele kent, zou het hele punt van dit gedicht tenietgedaan worden. Daarom opteert Meihuizen hier voor een volledige weglating. Hetzelfde gebeurt ook bij andere gedichten van de Amores.

Amores III, 9

Een tweede gedicht dat weggelaten wordt omwille van een te grote veronderstelde kennis bij de antieke lezer, is Amores III, 9, dat gaat over de dood van Ovidius’ collega-dichter Tibullus.

Amores III, 9

Memnona si mater, mater ploravit Achillem,
et tangunt magnas tristia fata deas,
flebilis indignos, Elegia, solve capillos!
a, nimis ex vero nunc tibi nomen erit! —
ille tui vates operis, tua fama, Tibullus
ardet in extructo, corpus inane, rogo.
ecce, puer Veneris fert eversamque pharetram
et fractos arcus et sine luce facem;
adspice, demissis ut eat miserabilis alis
pectoraque infesta tundat aperta manu!
excipiunt lacrimas sparsi per colla capilli,
oraque singultu concutiente sonant.
fratris in Aeneae sic illum funere dicunt
egressum tectis, pulcher Iule, tuis;
nec minus est confusa Venus moriente Tibullo,
quam iuveni rupit cum ferus inguen aper.
at sacri vates et divum cura vocamur;
sunt etiam qui nos numen habere putent.
Scilicet omne sacrum mors inportuna profanat,
omnibus obscuras inicit illa manus!
quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?
carmine quid victas obstipuisse feras?
et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
dicitur invita concinuisse lyra.
adice Maeoniden, a quo ceu fonte perenni
vatum Pieriis ora rigantur aquis —
hunc quoque summa dies nigro submersit Averno.
defugiunt avidos carmina sola rogos;
durant, vatis opus, Troiani fama laboris
tardaque nocturno tela retexta dolo.
sic Nemesis longum, sic Delia nomen habebunt,
altera cura recens, altera primus amor.
Quid vos sacra iuvant? quid nunc Aegyptia prosunt
sistra? quid in vacuo secubuisse toro?
cum rapiunt mala fata bonos — ignoscite fasso! —
sollicitor nullos esse putare deos.
vive pius — moriere; pius cole sacra — colentem
mors gravis a templis in cava busta trahet;
carminibus confide bonis — iacet, ecce, Tibullus:
vix manet e toto, parva quod urna capit!
tene, sacer vates, flammae rapuere rogales
pectoribus pasci nec timuere tuis?
aurea sanctorum potuissent templa deorum
urere, quae tantum sustinuere nefas!
avertit vultus, Erycis quae possidet arces;
sunt quoque, qui lacrimas continuisse negant.
Sed tamen hoc melius, quam si Phaeacia tellus
ignotum vili supposuisset humo.
hinc certe madidos fugientis pressit ocellos
mater et in cineres ultima dona tulit;
hinc soror in partem misera cum matre doloris
venit inornatas dilaniata comas,
cumque tuis sua iunxerunt Nemesisque priorque
oscula nec solos destituere rogos.
Delia discedens ‘felicius’ inquit ‘amata
sum tibi; vixisti, dum tuus ignis eram.’
cui Nemesis ‘quid’ ait ’tibi sunt mea damna dolori?
me tenuit moriens deficiente manu.’
Si tamen e nobis aliquid nisi nomen et umbra
restat, in Elysia valle Tibullus erit.
obvius huic venias hedera iuvenalia cinctus
tempora cum Calvo, docte Catulle, tuo;
tu quoque, si falsum est temerati crimen amici,
sanguinis atque animae prodige Galle tuae.
his comes umbra tua est; siqua est modo corporis umbra,
auxisti numeros, culte Tibulle, pios.
ossa quieta, precor, tuta requiescite in urna,
et sit humus cineri non onerosa tuo!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Bij de dood van Tibullus »
Als Memnons moeder en Achilles’ moeder treuren over
hun zoons, als droeve dood godinnenmoeders raakt,
treur dan, Elegia! Klaag luid met losgebonden haren,
want nu, helaas, draagt u pas echt uw ware naam:
uw dichter, die zijn verzen wijdde aan u faam, Tibullus,
brandde in ’t vuur, zijn nietig lichaam is vergaan.
Zie Cupido: hij heeft zijn pijlenkoker naar beneden
gericht, zijn boog is slap, zijn fakkel zonder licht.
Kijk hoe verdrietig hij daar loopt, zijn vleugels neergeklapt,
zijn borst ontbloot; hij stompt zich met gebalde vuisten;
zijn haar, dat rond zijn schouders hangt, vangt hete tranen;
er klinkt gesnik dat schokkend aan zijn mond ontsnapt.
Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.
Ook Venus treurt. Het leed om haar Tibullus is niet minder
dan toen Adonis omkwam door een zijnenbeet.
Men noemt ons, dichters, heilig; lievelingen van de goden.
Sommigen kennen ons zelfs godeninspraak toe.
Maar al die heiligheid verbleekt bij ’t onheil van de dood,
die krijgt ons allemaal in zijn obscure greep.
Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders,
bij goddelijk gezang, waarmee hij ieder dier
kon temmen? Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?
Of neem Homerus, die vanuit een altijd rijke bron
andere dichters van zijn verzenstroom liet drinken:
ook hij ging na zijn laatste uur de zwarte Avernus in,
alleen zijn poëzie ontkwam het gulzig vuur.
Zijn dichtwerk leeft, de roem van Trojes strijd, de list
van ’t trage weefsel dat ’s nachts weer werd uitgewist.
Zo zul jij, Nemesis, jij, Delia, lang na Tibullus
voortklinken – zijn geliefden van nu en weleer.
Geen offer baat nu meer. Baatte het soms in Isis’ tempel
ver van zijn bed met ratelklanken hulp te smeken?
Nee, als de dood een edel mens verraadt, vermoed ik eerder
– vergeef me – dat er helemaal geen god bestaat.
Leef braaf, dan sterf je braaf. Bid vroom, toch word je vroom en wel
eens door de dood verrast; die brengt je naar de hel.
Of denk je dat gedichten toveren? Zie naar Tibullus,
die kleine urn daarginds is alles wat hij was.
Heilige dichter! Heeft het doodsvuur jou zo snel verteerd?
Was er geen enkele schroom jouw lichaam zo te schenden?
Waarom heeft het geen gouden godshuis aangetast;
daar heeft men toch de macht om rampen af te wenden?
Venus, godin van Eryx’ burcht, heeft haar gelaat – zo zegt men –
snel afgewend, zij hield haar tranen niet meer in.
Toch is dit beter dan wanneer hij als een onbekende
op Korfu was begraven in een nietig graf.
Hier heeft zijn moeder nog bij ’t afscheid zijn betraande ogen
gesloten en zijn as de laatste eer gebracht.
Zijn droeve zuster stond haar moeder in dit groot verdriet
ter zij, zich hevig rukkend aan haar losse haren,
en na hen kwamen Delia en Nemesis. Zij kusten
het lichaam nog. Toen ’t brandde, bleven zij erbij,
en Delia riep nog als afscheid: ‘Mooier dan jouw liefde
bestond er geen, ik was voor jou je levensvlam.’
Maar toen zij Nemesis: ‘Nee! Míjn verlies is heel wat erger
dan jouw verdriet! Bij ’t sterven zocht hij nog mijn hand…’
Als er van ons meer rest dan naam en schaduw, woont Tibullus
straks in de Elyseese Velden, waar Catullus,
geleerd poëet, hem welkom heet, het jeugdige hoofd omvlecht
met klimoprank. Getrouw gaat Calvus aan zijn zij,
en Gallus ook, tenminste als die aanklacht van verraad
vals is gebleken en zijn zelfmoord onterecht.
Jouw schim, Tibullus, als jouw schim daar is zoals jij was,
behoort bij hen; jij vult hun edel aantal aan.
Mogen je resten, bid ik, vredigrusten in de grafurn
en laat de aarde niet zwaar drukken op je as.

Het is duidelijk dat de vele mythologische verwijzingen in deze lange klaagzang naar Meihuizens smaak te veel vergen van “den hedendaagschen mensch. Over Memnon, de mythologische koning van Ethiopië, weten we dat hij met een leger naar Troje trok, om de Trojanen te steunen tegen de Grieken. Hij doodde Antilochus, de zoon van Nestor. Nestor smeekte toen Achilles wraak te nemen, waarna Achilles Memnon doodde. Zijn moeder Aurora (de Dageraad) was hierdoor overmand door verdriet, en smeekte Jupiter hem de onsterfelijkheid te schenken en haar wens werd vervuld. De tranen die zij huilde, werden gezien als de dauw. Ook Achilles zou de Trojaanse Oorlog niet overleven.

Zowel Memnon als Achilles stierven jong en dat is ook voor Tibullus het geval: hij werd slechts 36 jaar oud, als we aannemen dat hij geboren werd in 55 v.C. (een datum tussen 54 en 49 v.C. is echter even goed mogelijk). Vandaar dat Ovidius’ Elegia, de goddelijke personificatie van het genre van de elegie, aanspoort te rouwen om haar spreekwoordelijke zoon. Het feit dat ze “nu pas haar ware naam draagtis een woordspel: het Griekse woord ἔλεγος, waarvan de benaming van het genre werd afgeleid, betekent immers klaagzang of rouwklacht.

De volgende verwijzing betreft Cupido, die in de Latijnse tekst niet bij naam genoemd wordt, maar met “puer Veneris“, “jongen van Venus“, wordt aangeduid. In de volgende regels wordt hij in verband gebracht met Aeneas:

Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.

In de Latijnse tekst staat iets minder precies frater, “broer” te lezen, maar Aeneas, net als Cupido een zoon van Venus, is inderdaad een halfbroer van Cupido. Julus, die hier ook genoemd wordt, is de zoon van Aeneas.

De in het Latijnse origineel niet geïdentificeerde iuvenis, “jongeman”, is Adonis, die tijdens de jacht op een wild zwijn door het dier verwond werd aan de dij. Hij probeerde nog weg te komen, maar zijn been weigerde mee te werken en op die manier kreeg het zwijn de kans hem dood te trappen. Volgens de mythe barstte Venus toen zodanig in tranen uit, dat bos- en waternimfen, goden en mensen en zelfs de natuur zich bij haar aansloten en samen met haar om Adonis rouwden. Het verdriet om Tibullus is volgens Ovidius nog erger. Deze sterke formulering komt enkel tot haar recht wanneer men voldoende kennis heeft van deze mythe.

In de volgende verzen laat Marietje d’Hane-Scheltema iets weg in haar vertaling. Ze vertaalt het volgende vers immers als volgt:

Quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?

Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders […] ?

In de Latijnse versie wordt Orpheus ‘de Ismarische Orpheus’ genoemd, naar de vallei waar hij volgens de mythologie de wilde dieren in bekoring bracht door zijn gezang.

Ook de volgende verzen worden door D’Hane-Scheltema expliciterend vertaald:

Et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
Dicitur invita concinuisse lyra.

[…] Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?

Linus was, net als Orpheus, een mythologische musicus en zanger-dichter. Hij was de zoon van Apollo, die hier door Ovidius niet bij naam wordt genoemd. De woordspeling die Ovidius hier maakt, gaat verloren in de vertaling. Als we de leestekens wegdenken, die in de oudheid niet in de tekst stonden, is het eerste vers van bovenstaand verspaar dubbelzinnig: ofwel zong Apollo “Ai, Linus!”, ofwel zong hij een αἴλινος, een rouwlied, ofwel riep hij αἴλινον, wee.

De volgende regels gaan over Homerus, ook hier weer Maeonides genoemd (cf. supra), die vergeleken wordt met de bron van Piëria, verblijfplaats van de Muzen, in de zin dat hij net als die bron een inspiratie was voor dichters van latere tijden. De Avernus die hier genoemd wordt, is het Lago d’Averno bij Cumae, dat gold als de toegangspoort tot de onderwereld en er dus ook symbool voor kon staan. De volgende regels roepen zowel zijn Ilias” (“de roem van Trojes strijd”) als de Odyssee op: nog steeds hopend op Odysseus’ terugkeer, weigerde zijn vrouw Penelope te hertrouwen en om aan de opdringerige aanbidders te ontkomen, beweerde zij dat zij bezig was een lijkkleed te weven voor haar schoonvader Laërtes en dat ze niet kon hertrouwen, vóórdat dit was voltooid. ’s Nachts trok zij echter het weefsel dat zij overdag had afgewerkt weer uit elkaar en stelde zo een beslissing uit.

De volgende verzen spreken over de geliefden die Tibullus in zijn gedichten behandelt: Delia is het onderwerp van zijn eerste boek elegieën en Nemesis is de centrale figuur in het tweede boek. De godin van Eryx’ burcht wordt in de vertaling geïdentificeerd als Venus, maar van de oorspronkelijke lezer werd verwacht dat hij wist dat Eryx, zoon van Venus, de mythologische koning van Sicilië was die door Hercules werd verslagen in een vuistgevecht en daardoor stierf. De berg waar hij begraven werd, werd naar hem Eryx genoemd.

In de scène die volgt, wordt Tibullus in de onderwereld verwelkomt door een paar illustere voorgangers: Gaius Valerius Catullus (ca. 84-54 en 47 v.C.), Gaius Licinius Macer Calvus (82-47 v.C.) en de reeds genoemde Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.), die inderdaad zelfmoord pleegde nadat hij bij keizer Augustus in ongenade viel.

Aangezien dit gedicht bol staat van de mythologische en literair-historische verwijzingen die zelfs voor een gespecialiseerde lezer in onze tijd niet altijd evident zijn, opteert Meihuizen in zijn populariserende vertaling bewust voor een volledige weglating.

Amores I, 8, 47-48

Dat de weglatingen die Meihuizen doet soms een beetje van willekeur getuigen, bewijst het volgende voorbeeld. Net na een verwijzing naar de Sabijnse maagdenroof die hij wel behoudt, laat hij het volgende stukje weg:

Penelope iuvenum vires temptabat in arcu;
qui latus argueret, corneus arcus erat.

[…] Zelfs Penelope probeerde
vrijers te testen met een boog. Het was
een hoornen boog die hun prestaties woog…
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Men kan nochtans verwachten dat een lezer die de Sabijnse maagdenroof kent, ook genoeg op de hoogte is van de Griekse mythologie om deze episode uit de ‘Odysseete kennen. Een reden voor de weglating is hier dus moeilijk te vinden, aangezien de passage evenmin getuigt van een te “libertijnsch” karakter, zeker in de context van het gedicht, waarin de oude koppelaarster Dipsas – vrij vertaald “Zattefles” een jong meisje verleidingstips geeft.

Amores I, 9, 33-40

Ook in de volgende weggelaten passage gaat het niet bepaald over onbekende episodes uit de mythologie en zijn de verwijzingen ook niet zo cryptisch dat ze een goed tekstbegrip in de weg zouden staan:

Amores I, 9, 33-40

ardet in abducta Briseide magnus Achilles—
dum licet, Argeas frangite, Troes, opes!
Hector ab Andromaches conplexibus ibat ad arma,
et, galeam capiti quae daret, uxor erat.
summa ducum, Atrides, visa Priameide fertur
Maenadis effusis obstipuisse comis.
Mars quoque deprensus fabrilia vincula sensit;
notior in caelo fabula nulla fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Achilles brandde van verdriet na ‘t weggaan van Briseïs
– een kans voor Troje om de Grieken te verslaan -,
Hektor trok pas ten strijde na Andromaches omhelzing,
het was zijn vrouw die hem de helm heeft aangereikt,
en Agamemnon, leider aller leiders, is zowaar
bezweken voor Cassandra’s wild Maenadenhaar.
Zelfs Mars werd kunstig ingesnoerd en voelde liefdesboeien –
niet één verhaal in ’t godenrijk is zo vermaard.

De enige verwijzing die misschien wat uitleg behoeft, zijn de liefdesboeien van Mars: dit is een verwijzing naar het verhaal waarin Vulcanus zijn vrouw Venus in bed betrapt met Mars en hen vangt in een door hem gemaakt gouden net. Vervolgens zet hij hen te kijk bij de andere goden.

Amores I, 10, 49-52

Het boek der liefdeszangen (p39)

Ook deze mythologische uitweiding wordt geschrapt, terwijl een aantal andere mythologische voorbeelden die aan het begin van hetzelfde gedicht voorkomen, niet door Meihuizen worden geschrapt.

Amores I, 10, 49-52

Non fuit armillas tanti pepigisse Sabinas,
ut premerent sacrae virginis arma caput;
e quibus exierat, traiecit viscera ferro
filius, et poenae causa monile fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Kijk naar Tarpeia, die Sabijnse pronkjuwelen
bedongen had en met de dood werd afgestraft
of naar Eríphyle: zij boette voor een halssnoer
en werd vermoord door hem aan wie zij ’t leven gaf…

Tarpeia noch Eriphyle wordt hier in het Latijn bij naam genoemd. Tarpeia kan wel geïdentificeerd worden door de verwijzing naar de “Sabijnse pronkjuwelendie ze van de Sabijnen als beloning vroeg voor haar verraad. De verwijzing naar Eriphyle was voor de antieke lezer duidelijk door de vermelding van het halssnoer dat ze als steekpenning kreeg om haar man Amphiaraüs te verraden aan Polynices (cf. supra). Amphiaraüs’ zoon Alcmaeon nam hiervoor wraak door zijn moeder te vermoorden. De moderne lezer heeft uiteraard meer moeite met deze cryptische verwijzingen.

Amores II, 5, 38-40

Het boek der liefdeszangen (p69)

In deze passage wordt de blos van Ovidius’ betrapte ontrouwe liefje met veel mythologische vergelijkingen beschreven:

Zoo bloost de hemel voor den Dageraad of een meisje, als de bruidegom, waarmede zij pas gehuwd is, haar aankijkt; zoo kleuren de rozen rood op tusschen de leliën.

Het volgende stukje laat hij dan weer weg:

Amores II, 5, 38-40

aut ubi cantatis Luna laborat equis,
aut quod, ne longis flavescere possit ab annis,
Maeonis Assyrium femina tinxit ebur.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

[…] als de maan wanneer zij
betoverd is; of als ivoor dat vrouwen
soms roze verven, als het door de tijd
geel dreigt te worden […]

Dit stukje wordt misschien weggelaten omwille van de geografische verwijzingen, die hier niet echt een verwijzing naar een mythe lijken: het gaat in de Latijnse tekst om een “Maeonische (= Lydische) vrouw die Assyrisch ivoor verft. De reden voor weglating is ook hier tamelijk vaag.

Amores II, 6, 36

In een gedicht naar aanleiding van de dood van de papegaai van Corinna wordt enkel het volgende vers weggelaten. Het komt uit een deel van het gedicht waarin de papegaai vergeleken wordt met andere vogels, onder andere de raaf, waarover het volgende wordt gezegd:

illa quidem saeclis vix moritura novem.

[…] al leeft dat dier
wel negenmaal zo lang.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

De reden dat het hier weggelaten is, is waarschijnlijk dat de raaf in de oudheid een bekendstond om zijn spreekwoordelijk lange levensduur, een cliché dat de moderne lezer waarschijnlijk niet kent. Toch is het ook hier een merkwaardige weglating, want in hetzelfde gedicht worden korte verwijzingen naar Philomela, Orestes en Pylades, Protesilaüs, Thersites en Hector niet weggelaten, terwijl die potentieel meer problemen zouden opleveren.

Amores II, 17, 18

Het boek der liefdeszangen (p101)

In een gedicht waarover hij zich erover beklaagt dat Corinna zich te mooi voelt voor hem en dat ook laat blijken, somt Ovidius ter illustratie mythologische mannen op die een vrouw hadden die ook out of their league was:

Men zegt immers, dat de nimf Calypso, verliefd op een gewonen sterveling, dien man tegen zijn zin vasthield. Men zegt verder, dat een Nereïde, een zeegodin, het hield met den koning van Phthiotis en dat Venus koosde met Vulcanus, ofschoon deze zoo van zijn aambeeld kwam en met zijn mank been leelijk hinkte. […] En daarom moet ook gij, mijn zon, me tot je nemen […]

Het gaat hier uiteraard achtereenvolgens om Odysseus en Calypso, Peleus en Thetis, en Vulcanus en Venus. Het voorbeeld dat Ovidius tussen Peleus en Thetis enerzijds en Venus en Vulcanus anderzijds noemt, is door Meihuizen weggelaten:

Egeriam iusto concubuisse Numae
[…] de wijze koning Numa
beminde Egeria […]
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Naast de bekendere mythologische koppels vallen de tweede Romeinse koning Numa Pompilius en zijn vrouw, de nimf Egeria, hier uit de boot, hetgeen naar onze inschatting wel in lijn ligt met de mythologische kennis van het doelpubliek: Egeria is inderdaad minder bekend dan Calypso.

Amores II, 18, 23-26

In dit gedicht vergelijkt Ovidius zijn eigen lichte dichtwerk met het “serieuze” werk van (Pompeius) Macer. De Macer die in dit gedicht wordt aangesproken, is dus niet de reeds vermelde Gaius Licinius Macer Calvus (82 v.C. – 47 v.C.), maar een aangetrouwd familielid van Ovidius, waarover we weinig meer weten dan dat hij een epos over Achilles schreef. Ovidius vergelijkt zijn eigen werk met dat van Macer en heeft het op een bepaald moment ook over de ‘Heroides’, een reeks fictieve brieven van vrouwen en geliefden van bekende helden aan hun man. Een voorbeeld van zo’n brief is de brief van Penelope aan Odysseus en Meihuizen laat dat voorbeeld ook staan in zijn vertaling. De volgende voorbeelden van brieven uit de ‘Heroides’ laat hij echter weg:

Quod Paris et Macareus et quod male gratus Iason
Hippolytique parens Hippolytusque legant,
quodque tenens strictum Dido miserabilis ensem
dicat et Aoniae Lesbis amata lyrae.

[…] ja, al die brieven
aan Paris, Jason, Theseus en veel meer;
wat Dido had te zeggen vóór haar trieste zelfmoord;
wat Sappho aan haar minnaar Phaon schreef.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Ook de vertaling van Marietje d’Hane-Scheltema is hier tamelijk vrij. De brief aan Paris is van de nimf Oenone, die hij voor Helena in de steek liet. De brief aan Jason komt niet van Medea, zoals we zouden verwachten, maar van Hypsipyle, de koningin van Lemnos. De brief aan Theseus, hier omschreven als “Hippolyti parens“, komt wel van de verwachte kant: het is Ariadne die hem schrijft. Theseus liet Ariadne op achter op Naxos om er met haar zuster Phaedra vandoor te gaan. Phaedra is dan weer de schrijfster van een fictieve brief aan Theseus’ zoon Hippolytus. In de Nederlandse vertaling wordt dit wat weggemoffeld door de vertaling “veel meer”, maar in het Latijn levert dit een mooi polyptoton op met “Hippolytique en Hippolytusquekort na elkaar in hetzelfde vers.

Tot slot komen nog twee vrouwen aan bod die zelfmoord pleegden uit liefdesverdriet: eerst is er Dido, die Aeneas er niet toe kon bewegen bij haar in Carthago te blijven, zoals dit mooi beschreven staat in het vierde boek van Vergilius’ ‘Aeneis. Zijn lot was immers om de basis te leggen van wat later Rome zou worden en daardoor kon hij niet in Carthago blijven. Dido pleegde zelfmoord, maar niet voordat ze de stad die hij zou stichten te vervloeken en de oorlog te verklaren. Vergilius liet Dido op die manier de Punische Oorlogen na de feiten voorspellen (in technische termen heet dit een vaticinium ex eventu). De tweede vrouw die hier wordt vermeld is de Griekse dichteres Sappho van Lesbos (7de – 6de eeuw v.C.). Hoewel ze vooral bekend is van de “lesbische” liefdes die ze in haar poëzie beschrijft (en waarvan we niet zeker weten of dat wel autobiografisch bedoeld is!), was het toch een man, Phaon, die haar zo wanhopig maakte van liefdesverdriet dat ze zelfmoord pleegde. De anekdote is overigens waarschijnlijk niet historisch, maar dit is moeilijk onomstotelijk te bewijzen.

Amores II, 18, 30-31

Even verder in het gedicht komen Phaedra en Dido opnieuw aan bod, in deze verzen die weggelaten worden, blijkbaar uit consequentie omdat ze ervoor ook al gecensureerd werden.

Legit ab Hippolyto scripta noverca suo.
Iam pius Aeneas miserae rescripsit Elissae.

De stiefmoeder las in de brief van haar Hippolytus.
Vrome Aeneas gaf al antwoord aan arme Elissa.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Wat vreemd is, is dat de verwijzingen naar de zeer bekende figuren Phaedra (“de stiefmoeder”) en Dido (“Elissa) geschrapt worden, maar dat de – naar ons oordeel althans – veel minder bekende Phyllis niet uit deze cataloog geschrapt wordt. Phyllis pleegde zelfmoord nadat haar geliefde Demophon niet terugkeerde van een reis. Ze werd volgens de mythe in een amandelboom veranderd. Dido kwam ook al voor in het niet geschrapte vers 25, een paar verzen voor deze passage. Ook hier is dus een tamelijk grote mate van willekeur te bespeuren in Meihuizens selectie van passages.

Amores II, 18, 33-34

Twee verzen verder wordt er alweer geknipt in de opsomming die het gedicht zo rijk maakt door de volgende verzen weg te laten.

tristis ad Hypsipylen ab Iasone littera venit;
det votam Phoebo Lesbis amata lyram.

Een droef bericht werd aan Hypsipyle gebracht van Jason,
En Sappho wijdt aan Phoebus bitter de beloofde lier.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Amores III, 3, 17-18

De volgende weggelaten passage is een korte illustratie bij een these die Ovidius poneert: “Zegt me, o goden, indien dat meisje U ongestraft heeft mogen bedriegen, waarom moet ik dan boeten voor wat een ander verdient?” Hij illustreert dit met het volgende voorbeeld uit de mythologie:

An non invidiae vobis Cepheia virgo est,
pro male formosa iussa parente mori?

Was Cepheus’ dochter dan geen reden om jullie te haten
Toen ze de dood moest vinden voor haar moeders schoonheidswaan?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Omdat het hier slechts om een korte zijsprong gaat, valt de onmiddellijke overgang naar het volgende punt minder op: “Is het niet voldoende, dat ik aan U als getuigen niets had en dat ze nu zoowel de gefopte goden als mijzelf straffeloos kan uitlachen?”

De dochter van Cepheus die hier genoemd wordt, is Andromeda. Wanneer Andromeda’s moeder Cassiopeia opschept dat zijzelf (of volgens sommige bronnen Andromeda zelf) mooier is dan de Nereïden, neemt Poseidon hiervoor wraak door een zeemonster, Cetus, te sturen dat de kust van hun thuisland Ethiopië onveilig maakt. Andromeda wordt als zoenoffer voor het monster aan een rots geketend, maar wordt gered door Perseus, die met haar trouwt en haar meeneemt naar Griekenland.

Amores III, 3, 37-40

In een passage, waarin Ovidius zich erover beklaagt dat goden al te makkelijk een oogje dichtknijpen voor vrouwen, citeert hij één uitzondering, die in Meihuizens vertaling wordt weggelaten:

Tot meruere peti — Semele miserabilis arsit!
Officio est illi poena reperta suo;
At si venturo se subduxisset amanti,
Non pater in Baccho matris haberet opus.

Velen verdienden straf, maar arme Semele moest branden;
zij heeft haar straf gevonden nadat ze hem had gediend.
Maar had ze bij zijn komst zich aan het liefdesvuur onttrokken,
dan had de vader nooit voor Bacchus moeders taak vervuld.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Semele, de moeder van Dionysos, verbrandde toen ze Zeus in zijn goddelijke gedaante zag, iets dat voor stervelingen onmogelijk is zonder te sterven. Ze deed dit op aangeven van Hera, die zich als oude vrouw vermomd had om Semele te doen twijfelen aan de identiteit van haar minnaar. Zeus kon de ongeboren Dionysos nog redden en naaide hem in zijn dij, totdat het kind volgroeid was en geboren kon worden.

Amores III, 5, 28

In een voorspellende droom, waarin de dichter en zijn liefje worden gesymboliseerd door een stier en een koe, wordt in de beschrijving van de omgeving het volgende vers weggelaten.

Carpebant tauri pabula laeta procul

(er graasden stieren in de verte vrolijk in het gras),
(Vertaling: John Nagelkerken)

De reden van deze weglating is hier volstrekt onbekend: het gaat hier niet om een verwijzing naar een mythe die voor het doelpubliek te obscuur is. Dit werd waarschijnlijk eerder weggelaten omdat het een parenthese vormt die de zin “nodeloos compliceert” en niet essentieel is voor een goed begrip van het geheel.

Amores III, 6, 13-16

Wanneer de dichter op zijn weg naar zijn liefje gestuit wordt door een kolkende rivier, wenst hij dat hij vleugels had.

Nunc ego, quas habuit pinnas Danaeius heros,
Terribili densum cum tulit angue caput,
Nunc opto currum, de quo Cerealia primum
Semina venerunt in rude missa solum.

Had ik nu maar de vleugels die de held, Danaë’s zoon, had
toen hij het hoofd, met gruwelslangen dichtbegroeid, meenam;
had ik nu maar de wagen waarmee voor het eerst de zaden
van Ceres werden uitgezaaid in maagdelijke grond.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Voor de goede verstaander is dit een verwijzing naar de gevleugelde sandalen die Perseus kreeg van Mercurius toen hij ten strijde trok tegen de gorgo Medusa, wier hoofd “met gruwelslangen dichtbegroeid” was en die hij onthoofdde om een einde te maken aan haar terreur. Het tweede deel verwijst naar de godin Ceres als uitvindster en godin van de landbouw, vandaar de verwijzing naar het zaad dat zij voor het eerst in de aarde zou gezaaid hebben.

Amores III, 6, 25-45

“Rivieren moeten juist jongelui bij de liefde behulpzaam zijn; er zijn trouwens die zelf ondervonden, wat liefde zeggen wil.” Aldus vat Meihuizen de volgende regels samen, die allemaal voorbeelden zijn van riviergoden die verliefd werden. Het is niet moeilijk om in te zien waarom deze passage ten prooi valt aan de regel dat te moeilijke passages, die te veel mythologische kennis veronderstellen, worden weggelaten.

Amores III, 6, 25-45

Inachus in Melie Bithynide pallidus isse
Dicitur et gelidis incaluisse vadis.
Nondum Troia fuit lustris obsessa duobus,
Cum rapuit vultus, Xanthe, Neaera tuos.
Quid? non Alpheon diversis currere terris
Virginis Arcadiae certus adegit amor?
Te quoque promissam Xutho, Penee, Creusam
Pthiotum terris occuluisse ferunt.
Quid referam Asopon, quem cepit Martia Thebe,
Natarum Thebe quinque futura parens?
Cornua si tua nunc ubi sint, Acheloe, requiram,
Herculis irata fracta querere manu;
Nec tanti Calydon nec tota Aetolia tanti,
Una tamen tanti Deianira fuit.
Ille fluens dives septena per ostia Nilus,
Qui patriam tantae tam bene celat aquae,
Fertur in Euanthe collectam Asopide flammam
Vincere gurgitibus non potuisse suis.
Siccus ut amplecti Salmonida posset Enipeus,
Cedere iussit aquam; iussa recessit aqua.
Men zegt dat Inachus verbleekt is voor ‘t Bithynisch meisje,
voor Melië, en in zijn kille voorden is verhit.
In tweemaal vijf jaar was nog steeds niet Troje ingenomen
toen aan Neaera, Xanthus, jij je hart en ziel verloor.

Vertaling: John Nagelkerken

Zo dreef toch ook verbeten liefde voor ’t Arcadisch meisje
Alpheüs zover dat hij snelde door een land ver weg.
Men zegt dat jij, Peneüs, eens Creüsa hebt verborgen
in het Phthiotisch land, die eerst aan Xuthus was beloofd.
En Asopus die werd geboeid door Thebe, van Mars stammend,
de Thebe die voor hem een vijftal dochters baren zou.
En als ik nu Acheloüs, zou vragen naar jouw horens,
dan klaagde je: ‘Gebroken door de hand van Hercules.’
Noch Caldydon noch heel Aetolië had zoveel waarde,
zoveel was voor u beiden slechts Deïanira waard.
De rijke Nijl die uitstroomt via zeven riviermonden
en die de bron van zoveel water knap verborgen houdt
heeft, naar men zegt, het vuur dat was ontstoken door Evanthe,
Asopus’ dochter, ook niet kunnen blussen met zijn vloed.
Opdat Enipeus Tyro in een droog bed kon omhelzen,
beval hij dat het water week; het week op zijn bevel.

Amores III, 6, 101-104

Aangezien de vorige passage werd weggelaten, is het logisch dat deze, die ernaar verwijst, voor de consistentie van het geheel ook weggelaten diende te worden.

Huic ego, vae! demens narrabam fluminum amores!
Iactasse indigne nomina tanta pudet.
Nescio quem hunc spectans Acheloon et Inachon amnem
Et potui nomen, Nile, referre tuum!

Ik dwaas vertelde hem liefdesverhalen van rivieren;
ik schaam me dat ik zinloos grote namen heb genoemd:
terwijl ik naar dit onbenullig stroompje keek, besprak ik
Acheloüs en Inachos en uw naam, vader Nijl.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Spijtig is wel dat hiermee een deel van de pointe van het hele gedicht verloren gaat in de vertaling, het is letterlijk en figuurlijk lost in translation.

Amores III, 10, 45-46

In dit gedicht beklaagt Ovidius zich over de negendaagse periode van verplichte seksuele onthouding in de aanloop naar een jaarlijks feest ter ere van Ceres. Het gedicht is tegelijk een lofzang op Ceres als milde godin van de landbouw (en dus ook van beschaving). Zo wordt verhaald hoe Ceres op Jasius verliefd werd. Aangezien deze mythe volledig verteld wordt, is dat geen probleem op het vlak van voorkennis, maar de volgende korte verwijzing is dat wel.

Cur ego sim tristis, cum sit tibi nata reperta
Regnaque quam Iuno sorte minore regat?

Moet ik nu droevig zijn nu U Uw dochter hebt hervonden,
die slechts voor Juno onderdoet in koninklijke macht?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Dit is een verwijzing naar de eigenlijke reden van het feest: bij het begin van de lente keer Proserpina, Ceres’ dochter, immers terug uit de onderwereld van bij haar ontvoerder en later echtgenoot Pluto. Omdat Proserpina na haar schaking immers zes granaatappelpitten had gegeten in de onderwereld, kon ze niet meer terugkeren naar de wereld van de levenden. Omdat Ceres’ hierdoor ontroostbaar was en de wereld geteisterd werd door een eeuwige winter, mocht Proserpina gedurende zes maanden per jaar naar haar moeder terugkeren, waardoor het wisselen van de seizoenen mythologisch werd verklaard. Meihuizen vond dit echter duidelijk te veel achtergrondkennis om in slechts twee verzen op te roepen en schrapte ze daarom in zijn vertaling. Jammer is wel dat het net deze twee regels zijn die de hoofdgedachte van het gedicht als geheel kernachtig vertolken.

Amores III, 12, 21-40

Het boek der liefdeszangen (p141)

In dit gedicht klaagt Ovidius opnieuw, deze keer over het feit dat zijn Corinna te veel aanbidders aantrekt omdat hij haar de hemel heeft ingeprezen in zijn gedichten. Hij komt tot de vaststelling dat het feit dat dichters over het algemeen kleurrijke en fantastische onwaarheden verkopen blijkbaar geen afbreuk doet aan het belang dat gehecht wordt aan hun woorden. In deze tijden, waarin vals nieuws soms een grote impact kan hebben, lijkt deze gedachte achteraf bekeken zelfs een beetje profetisch. Als voorbeelden van dergelijke dichterlijke fantasieën geeft Ovidius de volgende opsomming.

Amores III, 12, 21-40

Per nos Scylla patri caros furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes;
Nos pedibus pinnas dedimus, nos crinibus angues;
Victor Abantiades alite fertur equo.
Idem per spatium Tityon porreximus ingens,
Et tria vipereo fecimus ora cani;
Fecimus Enceladon iaculantem mille lacertis,
Ambiguae captos virginis ore viros.
Aeolios Ithacis inclusimus utribus Euros;
Proditor in medio Tantalus amne sitit.
De Niobe silicem, de virgine fecimus ursam.
Concinit Odrysium Cecropis ales Ityn;
Iuppiter aut in aves aut se transformat in aurum
Aut secat inposita virgine taurus aquas.
Protea quid referam Thebanaque semina, dentes;
Qui vomerent flammas ore, fuisse boves;
Flere genis electra tuas, Auriga, sorores;
Quaeque rates fuerint, nunc maris esse deas;
Aversumque diem mensis furialibus Atrei,
Duraque percussam saxa secuta lyram?

Vertaling: John Nagelkerken

Door ons draagt Scylla, die haar vaders kostbaar haar wegroofde,
razende honden rond haar liezen en haar onderlijf.
Wij gaven vleugels aan de voeten, slangen aan de haren;
als winnaar mende Abas’ kleinzoon het gevleugeld paard.
Wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte,
de adderhond hebben wij met drie koppen uitgerust.
Wij maakten dat Encelados met duizend armen gooide,
dat mannen voor de stem van vogelvrouwen zijn gezwicht.
Aeolus’ stormen stopten wij in zakken voor Odysseus,
verrader Tantalus staat in het water en lijdt dorst.
Een meisje werd berin door ons, en Niobe een steenklomp;
en Cecrops’ vogel klaagt om Itys uit Odrysia.
En Juppiter (sic) verandert zich in goud of in een vogel
of snijdt als stier door water met een meisje op zijn rug.
Moet ik van Proteus spreken, van Thebaanse zaden, tanden,
van runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt?
En hoe jouw zusters, wagenmenner, barnsteentranen huilen,
hoe zij die schepen zijn geweest nu zeegodinnen zijn,
en hoe de dag zich afwendde van Atreus’ dodenmaaltijd,
en hoe het hard gesteente citerklanken heeft gevolgd?

Scylla, die samen met Charybdis de Straat van Messina, de zee-engte tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig zou maken, was volgens de mythologie een knappe nimf, maar toen Glaucus haar de liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe haar uit jaloezie in een monster met het bovenlichaam van een vrouw, maar uit haar zij groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Ze kreeg ook twaalf poten en haar lichaam eindigde in een vissenstaart.

Om Medusa, met “slangen aan de haren” te verslaan, kreeg Perseus de sandalen van Mercurius (“vleugels aan de voeten”). Uit het bloed van de gestorven Medusa werd Pegasus, het “gevleugeld paard” geboren. Bellerophon zou, gezeten op Pegasus, later het monster Chimaera verslaan. De kleinzoon van Abas die hier vermeld wordt is niet Bellerophon, maar Perseus, die echter de achterkleinzoon van Abas is. De omschrijving met “Abantiades” laat echter enige ruimte voor interpretatie in deze specifieke passage en de verwarring tussen de stamboom van Perseus en Bellerophon is typisch voor het niet-canonieke karakter dat de mythologie in de oudheid had.

Tityos was volgens de mythologie een reus uit Euboea. Nadat hij zich vergrepen had aan Leto werd hij door haar kinderen Artemis en Apollo gedood. In de onderwereld werd hij als volgt gestraft. Hij werd vastgebonden aan de grond. Volgens de ‘Odyssee’ besloeg hij een lengte van “negen voren” (Od. XI, 576-581), vandaar dus de stelling “wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte”. Twee gieren pikten aan zijn steeds weer aangroeiende lever, een straf die sterk doet denken aan die van Prometheus.

De “adderhond” met drie koppen is Cerberus, de waakhond van de onderwereld, die volgens de mythologie een slang als staart had en ook verschillende slangen op andere plaatsten op zijn lijf.

Encelados was één van de Giganten die de heerschappij van de Olympische goden probeerden omver te werpen, wat mislukte. Hij werd volgens de mythologie onder de Etna begraven, en zou de uitbarstingen van diezelfde vulkaan veroorzaken. Hij gooide volgens de mythologie hele bomen als speren met de kracht van duizend bovenarmen.

De vogelvrouwen die Ovidius vermeldt zijn de harpijen, maar hun nichten, de Sirenen, die zeelui op de klippen lokten met hun mooie stem, waren degenen die “mannen deden zwichten”. Opnieuw contamineert Ovidius hier (bewust?) twee verschillende mythen.

De stormen die Aeolus voor Odysseus in zakken stopte, zijn een bekend gegeven uit Homerus’ Oddyssee en ook de spreekwoordelijk geworden straf van Tantalus in de onderwereld, de tantaluskwelling, wordt hier vermeld. Tantalus werd gestraft voor verschillende misdaden. Nadat hij door Zeus was uitgenodigd om bij de Olympische goden te komen eten, verraadde hij geheimen die Zeus hem verteld had. Daarnaast stal hij nectar en ambrozijn, voedsel dat voorbehouden was aan de goden. Als klap op de vuurpijl schotelde hij de goden zijn in stukken gesneden zoon Pelops voor om te testen of zij wel degelijk alwetend waren. Dat bleken ze inderdaad te zijn en ze straften hem er zwaar voor, door hem eeuwig honger en dorst te laten lijden terwijl hij in het water stond met vruchten bijna binnen handbereik.

Het meisje dat berin werd is Callisto, die door de jaloerse Juno in een berin werd veranderd en na haar dood het sterrenbeeld van de Grote Beer werd. Niobe werd veranderd in een rots, omdat ze de inwoners van Thebe beval haar te aanbidden in plaats van de godin Leto, die maar twee kinderen (Artemis en Apollo) had, terwijl zij zeven zonen en zeven dochters had. Haar kinderen werden door Artemis en Apollo gedood en zijzelf veranderde van verdriet in een rots. Uit haar tranen ontstond de rivier Acheloüs.

Jupiter veranderde zichzelf in een gouden regen om tot bij de opgesloten Danaë te geraken en in een zwaan om bij Leda te raken. Om Ganymedes te ontvoeren nam hij de gedaante van een adelaar aan, om Europa te ontvoeren veranderde hij zich in een stier.

De zeegod Proteus kon van vorm veranderen om zo te ontsnappen aan mensen die hem vroegen de toekomst te voorspellen, een andere gave van hem. Enkel wie hem kon vangen, mocht hem vragen om de toekomst te voorspellen.

De “Thebaanse zaden” waarvan sprake zijn de zogenaamde spartoi van Thebe. Toen Cadmus bij de stichting van de stad Thebe een draak verslagen had, droeg Athena hem op de tanden van de draak te zaaien. Uit de tanden groeiden geduchte soldaten.

Volgens sommige bronnen konden de runderen van Geryones, die Herakles moest stelen als één van zijn twaalf werken, vuur spuwen, vandaar de vermelding van “runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt”. De verwijzing is echter weinig specifiek.

De wagenmenner die Ovidius nogal onduidelijk aanduidt, is Phaëthon. De zonnegod Helios liet zijn zoon Phaeton op een dag de zonnewagen besturen. Phaeton kon de paarden niet in toom houden, waardoor de zon hemel en aarde verschroeide. Zo kregen de mensen in Ethiopië hun donkere kleur volgens deze mythe. Om de aarde te redden komt Zeus tussenbeide door zijn bliksemschicht naar Phaeton te slinger waardoor hij sterft. De zusters van Phaeton wenen om hem en hun neerdruppelende tranen stollen tot barnsteen.

“Atreus’ dodenmaaltijd” kan wijzen op het mythologische gegeven dat Atreus, een koning van Mycene en vader van Agamemnon en Menelaos, de zonen van zijn broer Thyestes kookte en aan hun vader als eten aanbood. Dit deed hij als wraak omdat Thyestes overspel had gepleegd met zijn vrouw en hem tijdelijk zijn troon ontnomen had.

Amphion bouwde de muren van Thebe door het “hard gesteente citerklanken te laten volgen”. Hij kon zo mooi op zijn instrument spelen dat hij de natuur kon laten gehoorzamen.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnsch” zijn, zijn in de Amores weggelaten, omdat daar thema’s zoals abortus een wel erg donkere kant van de losse moraal uit Ovidius’ tijd laten zien en omdat erectiestoornissen ook als te expliciet werden bevonden om (een vertaling van) een volledig gedicht aan te wijden. Dit gegeven verdient eigenlijk op zichzelf een uitgebreide behandeling. Dat censuur geenszins een oplossing vormt, moge duidelijk zijn.

Lees meer

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Nagelkerken, J. 1995. Amores. Baarn: Ambo.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

Coverfoto: adaptatie van het schilderij ‘The Awakening of Adonis’ van John William Waterhouse (1899) vanop Wikimedia (Public Domain)

Het bericht À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/feed/ 0 1234
Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/#respond Tue, 09 Jun 2020 15:15:10 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1599 Tempelcompex van Karnak

Het 'Huis van de Koe' was een district in de stad Thebe, in het zuiden van Egypte, waar vele dodenpriesters een huis bezaten. Het district is gelegen op de Thebaanse oostoever, ten noorden van de bekende tempel van Karnak. De aankoop en verkoop van de huizen, die zich in dit district bevonden, zijn voor ons bewaard in de vele papyrusarchieven die de Thebaanse dodenpriesters hebben achtergelaten. Dankzij deze koopcontracten is het mogelijk om een reconstructie te maken van hoe het district er precies heeft uitgezien.

Het bericht Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Tempelcompex van Karnak

Het ‘Huis van de Koe’ was een district in de stad Thebe, in het zuiden van Egypte, waar vele dodenpriesters een huis bezaten. Het district is gelegen op de Thebaanse oostoever, ten noorden van de bekende tempel van Karnak. De aankoop en verkoop van de huizen, die zich in dit district bevonden, zijn voor ons bewaard in de vele papyrusarchieven die de Thebaanse dodenpriesters hebben achtergelaten. Dankzij deze koopcontracten is het mogelijk om een reconstructie te maken van hoe het district er precies heeft uitgezien.

“Honderdpoortig” Thebe

Het Egyptische Thebe “met de honderd poorten”, zoals Homerus de stad omschreef, is lange tijd de religieuze hoofdstad van het Nijlland geweest. In het Thebaanse gebied werden er talloze feesten en processies voor verscheidene goden georganiseerd. Het religieuze landschap van Thebe werd door de Nijl in twee delen gesplitst, met op de oostoever de tempels van Luxor en Karnak, en op de westoever de vele dodentempels (o.a. van Deir el-Bahari en Medinet Haboe), het arbeidersdorp Deir el-Medina, en de Vallei der Koningen en Koninginnen. Verder zijn er op de westoever bijzonder veel graven van privépersonen terug te vinden, die verdeeld zijn over een aantal necropolen, waaronder de bekende Asasif-necropool en de necropolen Dra Aboe el-Naga en Sjeik Abd el-Koerna.

In het Thebaanse gebied ontstonden verschillende religieuze connecties, die zich vertaalden in prominente festivals. Zo was er het ‘Mooie Feest van de Vallei’, waarbij de god Amon jaarlijks van zijn Karnaktempel naar Deir el-Bahari gebracht werd, het Opet-feest, waarbij een processie jaarlijks van Karnak naar Luxor trok, en het Dekadenfeest waarbij de god Amenophis van Luxor elke tien dagen een bezoek bracht aan de tempel van Medinet Haboe aan de overzijde van de Nijl. Tijdens deze festiviteiten oefenden de Thebaanse dodenpriesters belangrijke taken uit, zoals het brengen van plengoffers voor bepaalde goden. Naast hun dagelijkse functie om te zorgen voor de overledenen in de necropool, trokken de priesters de religieuze festiviteiten van Thebe steeds mee op gang.

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloonLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloon

Grondplan van het Karnak-complex, met de tempels van Amon-Ra en Montoe. Het ‘Huis van de Koe’ bevond zich naast deze twee tempels. De exacte locatie is tot op heden echter onbekend

Het Karnak-complex op de oostelijke oever bestond uit verschillende tempels, waaronder de ‘Amon-Ra’-tempel, die de belangrijkste was. Verder werden er eveneens tempels gebouwd voor de goden Montoe en Moet, respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de ‘Amon-Ra’-tempel. Rond het tempelcomplex werden vrij dicht woningen gebouwd, die samen met de tempel de stad Diospolis Megale vormden. Deze stad bestond uit verschillende districten, en één van deze districten was het ‘Huis van de Koe’. Dit district was gelegen ten noorden van de tempel van Amon-Ra en ten westen van de tempel van Montoe. De naam verwijst naar de tempel van Montoe, die ook wel de tempel van de koe genoemd werd (Egyptisch: tA-Hw.t-n-pA-iH). De koopcontracten van deze huizen zijn bewaard gebleven in enkele papyrusarchieven van de dodenpriesters uit de regio, waaruit blijkt dat vele van hen een huis in dit district bezaten. De locaties van de huizen worden in de contracten niet beschreven zoals we vandaag een adres zouden opgeven, maar aan de hand van de buren in de verscheidene windrichtingen (een voorbeeld volgt verder). Er is dus heel wat puzzelwerk vereist om een plattegrond van het ‘Huis van de Koe’ te reconstrueren.

 

De Thebaanse priesterarchieven

Uit het Thebaanse gebied zijn heel wat papyrusarchieven bewaard uit de Ptolemaeïsche tijd (332-30 v.C.). Zowel het Egyptisch als het Grieks werden gebruikt als voertaal in private en officiële context. De private papyrusarchieven uit Ptolemaeïsch Egypte staan toe een preciezer beeld te krijgen van het leven van de mensen uit deze periode dan vele andere bronnen uit de oudheid. Papyrusarchieven bevatten vaak de private administratie van de eigenaar en regelmatig kunnen we daardoor, helemaal of gedeeltelijk, het leven van de mensen reconstrueren.

In Thebe zijn heel wat tweetalige archieven van dodenpriesters teruggevonden en dankzij deze documenten zijn we goed ingelicht over hun werk in de necropool. Er dienden namelijk verschillende stappen ondernomen te worden vooraleer de overledene een begraafplaats kreeg in de Thebaanse necropool. Voor deze verschillende fases waren verschillende soorten priesters verantwoordelijk. Het verwijderen van de organen en het balsemen werd bijvoorbeeld uitgevoerd door respectievelijk de paraschistai (“degene die het lichaam opent”) en de taricheutai (“degene die pekelt”). Verder zorgden de nekrotaphoi (“degene die het lijk draagt”) ervoor dat de mummie bij zijn graf in de necropool terecht kwam. Na de begrafenis, namen de choachytai (letterlijke vertaling van het Egyptische wAH.w-mw, “degene die water uitgiet”) de zorg van de overledene op zich en zorgden ze dagelijks voor de libaties en de nodige voedseloffers. Het is voornamelijk van deze laatste groep priesters, de choachieten, dat er veel archieven bewaard zijn. Deze teksten verduidelijken naast hun beroepsleven ook heel wat over hun privéleven, met name over waar ze precies gehuisvest waren. Dit brengt ons bij het ‘Huis van de Koe’, het district op de Thebaanse oostoever, waar veel van deze priesterfamilies een huis bezaten.

De Thebaanse necropool in Sjeik Abd el-Koerna, waar vele priesters werkzaam warenLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Thebaanse necropool in Sjeik Abd el-Koerna, waar vele priesters werkzaam waren

Er zijn maar liefst zeven priesterarchieven die verbonden kunnen worden met het ‘Huis van de Koe’. De volgende archiefeigenaars bezaten documenten over één of meerdere huizen in het district:

Telkens wanneer een huis – doorgaans van de ene aan de andere priester – werd verkocht, werd een contract opgesteld. Oudere koopcontracten werden systematisch doorgegeven aan de nieuwe eigenaar van het huis. De priesters uit de opgesomde archieven waren via familiebanden aan elkaar gelinkt en de documenten die in hun bezit waren, strekken zich uit over meerdere generaties. Dankzij de papyri kunnen we sommige huizen volgen wanneer ze van de ene familie aan de andere worden doorverkocht.

De verkoop van de huizen

De meeste van de Thebaanse koopcontracten werden geschreven in het Demotische schrift (een cursieve vorm van hiërogliefen) en werden volgens een vast schema met een lange reeks clausules opgesteld. Bovendien bestonden de contracten eigenlijk uit twee documenten, conform een typisch Egyptische traditie: (1) de verkoopakte zelf en (2) een akte van afstand

  1. In de verkoopakte bevestigde de verkoper dat de betaalopdracht uitgevoerd werd en dat hij tevreden was met het geld dat hij ontvangen heeft. Vreemd genoeg werd het precieze bedrag nooit vermeld. In het Demotisch staat er dan het volgende: “je hebt mijn hart tevreden gesteld met je geld”. Dit document eindigt steeds met een handtekening van een notaris
  2. In de akte van afstand bevestigde de oorspronkelijke eigenaar en dus verkoper dat hij afstand deed van zijn eigendom. In dit document garandeerde de verkoper dat hij zou tussenkomen in het geval dat iemand anders de eigendom zou claimen. De verkoopakte geeft bijgevolg het wettelijke recht voor het gebruik van het onroerend goed door, terwijl bij de afstandsakte het eigendomsrecht zelf wordt doorgegeven

Beide documenten bestaan uit een overeenkomst, een bevestiging dat de verkoop geregistreerd is en een kwitantie die aangeeft dat de nodige belastingen betaald zijn door de koper. Tenslotte werden de handtekeningen van de 16 getuigen eraan toegevoegd. Naast deze documenten, die werden opgesteld bij de verkoop van een huis, werden steeds de oudere koopcontracten van datzelfde huis eveneens overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Wanneer een huis werd doorgegeven van vader op zoon via een erfenis, werden de oudere koopcontracten eveneens doorgegeven samen met een akte van verdeling, een soort Egyptisch testament.

BM 10524, een van de teksten uit het archief van Teianteus. Het gaat om een contractuele verplichting waarin toestemming gegeven werd om een huis te bouwen tegen de westelijke muur van het huis van Teianteus

Een goed voorbeeld van een papyrusarchief waarin veel – in dit geval zelfs nagenoeg alle – teksten gerelateerd zijn aan een specifiek huis in het ‘Huis van de Koe’-district, is het archief van Teianteus, een vrouwelijke archiefeigenaar. Ze maakte deel uit van een priesterfamilie en leefde kort na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Het archief bevat documenten van drie verschillende families, met daarin vijf opeenvolgende eigenaren van de woonst in het ‘Huis van de Koe’. Het huis van Teianteus maakte oorspronkelijk deel uit van een groter huis dat op het einde van de 4de eeuw v.C. in het bezit was van een zekere Djoefachi, houtbewerker in de tempel van Amon. Hij verdeelde het huis onder zijn kinderen en nadien (vanaf 301 v.C.) werden de delen van het huis steeds apart doorverkocht, tot een van de delen in het bezit kwam van Teianteus (284 v.C.). Dankzij de eigendomsaktes die zij in haar archief bewaard heeft, kunnen we de verkoop van het huis opnieuw reconstrueren tot aan het moment dat het in handen was van de oorspronkelijke eigenaar, Djoefachi.

Zoals reeds vermeld, hadden de huizen in het district geen echt adres zoals we dat vandaag kennen. Wanneer een huis beschreven werd in een papyrus, werd er een zo specifiek mogelijke omschrijving gegeven volgens een vaste structuur. De eigenaars van de aanpalende huizen werden namelijk steeds opgesomd, doorgaans in dezelfde volgorde: eerst het zuiden en het noorden, vervolgens het oosten en het westen. Een dergelijke locatie-omschrijving van het huis van Panas II, zoon van Pchorchonsis in een eigendomsakte (TM Text 310) gaat als volgt (situatie in 265 v.C. uit het archief van Pechytes, zoon van Pchorchonsis):

“Het huis, gelegen in het Noordelijke district van Thebe, in het Huis van de Koe. De buren van het hele huis zijn: in het zuiden het huis van Esnachomneus, zoon van Harbesis, waartussen de koninklijke weg ligt; in het noorden het huis van Esminis, zoon van Pamonthes; in het oosten het huis van Tayris, dochter van Teos; in het westen het huis van Herisenef, zoon van Achoapis.”

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloonLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Reconstructie van het huis van Panas II, zoon van Pchorchonsis (situatie in 265 v.C.). Deze Panas was de grootvader van de laatste archiefeigenaar, Pechytes

Aan de hand van deze omschrijvingen kan men op twee niveaus reconstructies maken: enerzijds van wie naar wie het huis werd doorgegeven, en anderzijds hoe alle huizen zich tot elkaar verhouden binnen het district het Huis van de Koe. Wanneer er namelijk bepaalde buren in verscheidene teksten terugkomen, kan men een reconstructie maken van waar de huizen zich op een plattegrond bevinden. Op basis van het verder analyseren van verscheidene teksten en het zoeken naar linken tussen de priesterfamilies en hun eigendommen, zijn er telkens verder geëvolueerde plattegronden gemaakt van het ‘Huis van de Koe’ (zie ‘Lees meer’).

Plattegrond van het 'Huis van de Koe', zoals gereconstrueerd werd door Glanville (1950). Huis S betreft het huis van Pechytes, zoon van Pchorchonsis. Jufachi verwijst naar het oorspronkelijke huis van Djoefachi, dat later deels bij Teianteus terecht kwam. Meer geüpdatete versies van de plattegrond zijn te vinden in Depauw (2000) en Muhs (2005)Glanville (1950)

Plattegrond van het ‘Huis van de Koe’, zoals gereconstrueerd werd door Glanville (1950). Huis S betreft het huis van Pechytes, zoon van Pchorchonsis. Jufachi verwijst naar het oorspronkelijke huis van Djoefachi, dat later deels bij Teianteus terecht kwam. Meer geüpdatete versies van de plattegrond zijn te vinden in Depauw (2000) en Muhs (2005)

Onderlinge huwelijken

De papyrusarchieven laten ook toe enkele stambomen van de priesterfamilies te reconstrueren. Professor Brian Muhs heeft aangetoond dat de zonen en dochters van de Thebaanse dodenpriesters doorgaans met elkaar in het huwelijk traden, en dan nog toevallig met de zoon of dochter van een van de buren in het ‘Huis van de Koe’. Het gaat in de meeste gevallen zelfs om de kinderen van dodenpriesters die maar één of twee huizen verder woonden. Het is best mogelijk dat de zonen, die dan zelf ook priester waren, de voorkeur gaven aan meisjes die in hun buurt woonden, en dan toevallig ook de dochter waren van een priester. Maar niets is minder waar. Als men het gehele ‘Huis van de Koe’-district bekijkt, behoort maar een derde van de inwoners tot een priesterfamilie. Toch zijn deze bijna allemaal getrouwd met iemand die ook tot een priesterfamilie behoorde. Volgens professor Muhs zocht men dus in eerste instantie naar een huwelijkskandidaat die ook tot dezelfde sociale kring behoorde en dat was dan in de meeste gevallen ook iemand die maar enkele huizen verder woonde.

Waarom wilden leden van priesterfamilies binnen hun eigen kring een partner zoeken? Het heeft, zoals vaak, te maken met de erfenis. Wanneer een dodenpriester overleed, werden alle mummies waarvoor hij verantwoordelijk was, inclusief de inkomsten, verdeeld onder zijn kinderen, jongens én meisjes. Wanneer bijgevolg een van de dochters getrouwd was met iemand die niet behoorde tot de priestergemeenschap, dan zouden de mummies en hun inkomsten terecht komen in een andere (niet-priester)familie. Om de mummies en hun inkomsten in de gemeenschap te houden, werden de huwelijken binnen het priesterambt gehouden, namelijk door de dochters steeds uit te huwelijken aan mannen die ook priester waren. Wanneer een priester overleed, ging een deel van zijn mummies dan wel naar zijn dochter en de familie waarbinnen ze getrouwd was, maar de zonen van deze priester waren op hun beurt ook getrouwd met dochters van andere dodenpriesters en ontvingen zo opnieuw mummies wanneer hun schoonvader overleed. Het doel van dit hele gebeuren lag erin om de hoeveelheid mummies en voornamelijk de inkomsten ervan – want daar draaide het uiteindelijk om – binnen een familie status quo te houden. Door het huwen van de buren kon men bovendien van aanpalende woningen één grotere woning maken door de overige erfgenamen uit te kopen. Bijgevolg circuleerden niet alleen de mummies en hun inkomsten binnen één priestergemeenschap, maar ook de eigendommen in het Huis van de Koe.

Lees meer

M. Depauw, The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes (P.Brux.dem. inv. E. 8252-8256) (Monographies Reine Élisabeth 8), Turnhout – Brussel, 2000.
M. Depauw, “Sale in Demotic Documents: an overview”, in E. Jakab (red.), Sale and Community Documents from the Ancient World Individuals’ Autonomy and State Interference in the Ancient World Proceedings of a Colloquium supported by the University of Szeged Budapest 5-8.10.2012 (Legal Documents in Ancient Societies V), Trieste, 2015, 67-80.
S. Glanville, A Theban Archive of the Reign of Ptolemy I, Soter (Catalogue of Demotic Papyri in the British Museum I), London, 2de ed., 1950 [1939].
B. Muhs, “”The girls next door: marriage patterns among the mortuary priests in early Ptolemaic Thebes”, The Journal of Juristic Papyrology 35, 2005, 169-194.
P.W. Pestman, “Het huis van Teianteus”, in P.W. Pestman (red.), Familiearchieven uit het land van Pharao, een bundel artikelen samengesteld naar aanleiding van een serie lezingen van het Papyrologisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Leiden in het voorjaar van 1986, Zutphen, 1989, 15-24.

Coverafbeelding: adaptatie van foto ‘Karnak Temples’ door Ahmed Bahloul Khier Galal op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/feed/ 0 1599
Οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος: Alexander de Grote in enkele moderne liedjesteksten https://www.oudegeschiedenis.be/25/03/2020/%ce%bf%e1%bd%90%ce%b4%e1%bd%b2-%e1%bc%90%ce%bd-%ce%bc%ce%ad%ce%bb%ce%b5%ce%b9-%e1%be%94%cf%83%ce%b8%ce%b7-%e1%bc%80%ce%bb%ce%ad%ce%be%ce%b1%ce%bd%ce%b4%cf%81%ce%bf%cf%82-alexander-de-grote-in-enkele/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/03/2020/%ce%bf%e1%bd%90%ce%b4%e1%bd%b2-%e1%bc%90%ce%bd-%ce%bc%ce%ad%ce%bb%ce%b5%ce%b9-%e1%be%94%cf%83%ce%b8%ce%b7-%e1%bc%80%ce%bb%ce%ad%ce%be%ce%b1%ce%bd%ce%b4%cf%81%ce%bf%cf%82-alexander-de-grote-in-enkele/#respond Wed, 25 Mar 2020 14:57:22 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1052 Alexander de Grote in moderne liedjesteksten

De uitspraak (van Arrianus) als zou Alexander niet bezongen worden in liederen is vandaag achterhaald: in de moderne muziek zijn er vrij veel sporen terug te vinden van Alexander de Grote, gaande van een terloopse vermelding tot hele nummers die over hem gaan. Wij bieden hier een kleine greep uit het aanbod.

Het bericht Οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος: Alexander de Grote in enkele moderne liedjesteksten van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Alexander de Grote in moderne liedjesteksten

De titel van dit stukje is ontleend aan een uitspraak van de Griekse historicus Lucius Flavius Arrianus (89? – na 145/146 n.C.), die in zijn Anabasis Alexandri (I, 12, 2) de volgende uitspraak doet:

[…] οὐδὲ ἐξηνέχθη ἐς ἀνθρώπους τὰ Ἀλεξάνδρου ἔργα ἐπαξίως, οὔτ᾽ οὖν καταλογάδην, οὔτε τις ἐν μέτρῳ ἐποίησεν: ἀλλ᾽ οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος […]
[…] en de daden van Alexander werden niet op een passende manier bekendgemaakt bij de mensen, in proza noch in verzen vertelde iemand erover: Alexander werd zelfs niet in een lied bezongen […]

In deze passage zet Arrianus eigenlijk de reden uiteen waarom hij schrijft over Alexander de Grote: volgens hem zijn diens daden nog niet goed in een historisch werk besproken. Hij laat Alexander zichzelf ook vergelijken met Achilles, die gelukkig Homerus had om beroemd te worden. Het spreekt voor zich dat Arrianus graag de rol van Homerus vervult voor Alexander. De uitspraak als zou Alexander niet bezongen worden in liederen is vandaag achterhaald: in de moderne muziek zijn er vrij veel sporen terug te vinden van Alexander de Grote, gaande van een terloopse vermelding tot hele nummers die over hem gaan. Een kleine greep uit het aanbod:

Vermeldingen

1. Rock en metal

In de rockmuziek wordt Alexander vermeld in het nummer Hush Hush Hush van Paula Cole uit 1996. Het werd gecoverd door Annie Lennox op het album Possibilities van jazzmuzikant Herbie Hancock uit 2005. Het nummer gaat over een jongeman die sterft aan aids:

Cruel joke you waited so long to show
The one that you wanted wasn’t a girl
All your life you kept it hidden inside
Now when you step
You stumble
You die

In de volgende strofe wordt een vergelijking gemaakt met twee verschillende historische figuren:

Oh maybe next time
You’ll be Henry the 8th
Wake up tomorrow, Alexander the Great
Open your eyes in a new life again
Oh maybe next time
You’ll be given a chance (Lyrics.com)

Hendrik VIII, die naast zijn huwelijken met achtereenvolgens Catharina van Aragon, Anna Boleyn, Jane Seymour, Anna van Kleef, Catharina Howard en Catharina Parr ook de tijd vond om zich bezig te houden met een aantal maîtresses, wordt hier als prototype van de heteroseksuele man genomen. Alexander de Grote wordt hier als tegenpool gebruikt: hoewel de huidige problematiek rond homorechten de oude Grieken totaal vreemd was en Alexander tegelijk getrouwd was met drie oosterse prinsessen en een bastaardzoon had bij een minnares, wordt in deze tekst toch vooral gedacht aan de relatie die Alexander waarschijnlijk had met zijn vriend Hephaistion.

Een andere, meer terloopse vermelding van Alexander de Grote vinden we in het nummer Circus of Heaven uit 1978, van de Engelse rockband Yes. In het nummer, waarin een reeks visioenen beschreven wordt, komt op een bepaald moment de Oudheid in beeld:

Then there above their heads just as vivid as life
Each vision transported multitudes inventing light
Grecian galleons, the sack of Troy, to the Gardens of Babylon
A play of millions roared along
The gigantic dreams of Alexander the Great
Civil wars where brothers fought and killed their friendship with hate
All seen by Zeus performing scenes in the magical way
The day the circus came to town
(Lyrics.com)

Alexander wordt hier vooral vernoemd omwille van zijn veroveringen en zijn ambitie het Westen en het Oosten in één rijk samen te brengen. Hij is bovendien de enige historische figuur die in deze strofe bij naam wordt genoemd.

Een laatste vermelding van Alexander de Grote in de rockmuziek is te vinden in Mine van de Australische band Hoodoo Gurus uit 1996.

I want for nothing,
Yeah, I got it all.
I’m a superhuman
And I’m ten feet tall.
I’m truly perfect
In every way
And, like Alexander,
I feel great!
(Lyrics.com)

Hier wordt vooral gespeeld met de bijnaam The Great, een fenomeen dat ook nog zal opduiken in de rap- en hiphopmuziek. (cf. infra)

Voor de fans van het iets zwaardere werk is er in deze categorie Alice Cooper. In You’re a Movie uit 1981 worden pretentieuze gedachten van een legeraanvoerder verwoord. De eerste strofe gaat als volgt:

I fearlessly walk into battle
With a shine on my boots and my teeth
Never flinch, never blink, never rattle
My blood is like ice underneath
Oh, I’m the reincarnation of Patton
And I’ve got Hannibal’s heart in my chest
God told me I would have rivalled
Alexander the Great at his best
(Lyrics.com)

Alexander wordt hier genoemd in een rijtje van drie grote namen. Hoewel hij als derde genoemd wordt, is de volgorde climactisch en lijkt hij dus de nummer één boven Patton en Hannibal.

 

2. Folk

Ook in de folkmuziek heeft Alexander een kleine plaats gekregen en niet bij de minste artiest: Woody Guthrie, één van de invloedrijkste exponenten van het genre, heeft het over hem in The Many and the Few, een nummer uit de jaren 40 dat pas in 1999 werd uitgebracht. Het heeft de Joodse geschiedenis en vooral de opeenvolgende onderdrukkers (de “Few” uit de titel) van de Joden (de “Many”) als thema. Ook Alexander de Grote passeert de revue:

My name is Alexander the Great
More than half of this wide world is mine
Come stand around, my servants all
I’m wrapped on my bed here to die

Ook hier wordt Alexander gepresenteerd als de grote veroveraar, hoewel hij hier niet echt positief in beeld lijkt te komen, in een rijtje onderdrukkers van het Joodse volk. Toch brengt hij het er vanuit een Joods oogpunt beter van af dan Antiochus IV Epiphanes (ca. 215 – 164 v.C.), over wie de volgende strofe luidt:

As the King of Syria and Palestine
Antiochus the Fourth, you’ll stand
To kill the Jews if they refuse
To worship our idols and gods
(Lyrics.com)

Een ander folknummer waarin Alexander in verband gebracht wordt met een grote veldheer uit een recenter verleden dan de Oudheid, is Bony on the Isle of St. Helena van de Amerikaanse folkband Uncle Earl. Het nummer gaat over de heimwee van de naar Sint-Helena verbannen Napoleon Bonaparte (de “Bony” uit de titel) en verscheen in 2007 niet toevallig op hun album Waterloo, Tennessee, samen met een nummer over hetzelfde thema dat de titel Buonaparte meekreeg. In Bony on the Isle of St. Helena wordt Napoleon vergeleken met die andere grote veldheer uit het verleden, Alexander:

No more in St. Cloud he’ll be seen in such splendor.
Or go on with his wars like the great Alexander.
He sees his victories and how fleeting they all were.
While his eyes are on the waves that surround St. Helena.
(Metrolyrics.com)

 

3. Rap en hiphop

Alexander krijgt opvallend veel vermeldingen in een genre waarin we dat misschien minder zouden verwachten, namelijk de hiphopmuziek. Een aantal passages werken de vermelding verder uit, anderen zijn dan weer puur gericht op het laten vallen van de naam, soms zelfs bijna alleen om het rijm te doen kloppen of puur omwille van de klank.

Een eerste tekst waarin de vermelding van Alexander nog wat uitgewerkt wordt, is I Can van Nas, uit 2003. In het nummer, waarin “Don’t do drugs, stay in school” de voornaamste boodschap aan zwarte jongeren is, wordt in een kort historisch overzichtje geschetst hoe het zover is kunnen komen met de Amerikaanse zwarte jeugd:

Be, be, ‘fore we came to this country
We were kings and queens, never porch monkeys
It was empires in Africa called Kush
Timbuktu, where every race came to get books
To learn from black teachers who taught Greeks and Romans
Asian Arabs and gave them gold when
Gold was converted to money it all changed
Money then became empowerment for Europeans
The Persian military invaded
They learned about the gold, the teachings and everything sacred
Africa was almost robbed naked
Slavery was money, so they began making slave ships
Egypt was the place that Alexander the Great went
He was so shocked at the mountains with black faces
Shot up they nose to impose what basically
Still goes on today, you see?
(Lyrics.com)

Ook hier wordt Alexander neergezet als een onderdrukker. De ironie wil dat hij in Egypte eigenlijk ontvangen werd als de man die Egypte bevrijdde van het Perzische juk, dus dit beeld klopt niet, maar past wel in het plaatje van blanke onderdrukking dat Nas wil schetsen.

Een vermelding van Alexander de Grote vinden we ook bij de bij ons onbekende Ierse rapper Rejjie Snow. In het nummer Pink Flower uit 2017, dat gaat over zijn moeilijke jeugd, is de vermelding van Alexander de Grote niet toevallig, aangezien Snows echte naam Alexander Anyaegbunam is. Dat het over hemzelf gaat, lijdt geen twijfel, want hij vermeldt in één adem ook zijn geboortedatum:

I was born with a vision, Alexander the Great
And that fake love creeping like the cancer I born
June 27th, 1993, I came on
With them black fists high and them blisters in it
(Lyrics.com)

Een meer uitgewerkte en inhoudelijk relevantere vermelding van onze bekendste Macedonische koning vinden we in Chase That (Ambition) van de Amerikaanse rapper Lecrae uit 2011. In een nummer dat gaat over de ijdelheid van zijn eigen ambitie vergelijkt hij zijn eigen veroveringsdrang met die van Alexander de Grote:

All I wanted was doom.
The same kind Alexander the Great felt when the earth ran out of room.
He conquered all he could, but yet he’s feelin’ consumed.
By this neverending quest for glory he couldn’t fuel.

Op het einde van het nummer vergelijkt hij dat ijdel najagen van eigen glorie zelfs met de val van Lucifer:

But history repeats itself, evil’s what it is.
‘Cause Lucifer was cast away for doing what I did.
Created by the God who spoke the earth into existence,
Instead of chasing the Father’s glory, he was chasin’ his.
(Lyrics.com)

Nog steeds in het hiphopgenre zijn er nog een paar meer uitgewerkte verwijzingen naar Alexander de Grote te vinden, telkens met een andere focus. In Nature of the Threat uit 1996 schildert de Amerikaanse rapper Ras Kass een overzicht van de menselijke geschiedenis vanaf ongeveer 20.000 v.C. tot vandaag in een nummer dat bijna 8 minuten duurt. Hij kadert deze geschiedenis, die qua realia overigens vrij accuraat en de moeite van het beluisteren of zelfs lezen waard is, in een bredere visie waarin de onderdrukking van zwarten centraal staat. Ook Alexander de Grote passeert in die zin de revue:

The Hellenistic Era, Alexander the Great
Conquers all the way to India leavin’ four successor states
By the Fifth century B.C., R.O.M.E
Succeeds to be the conqueror of Egypt and Greece
(Genius.com)

De “four successor states” waarvan sprake zijn uiteraard de delen waarin Alexanders rijk uiteenviel toen hij stierf en die in handen vielen van verschillende van zijn generaals, namelijk Egypte, Hellas, Thracië en het Perzische Rijk. Er is hier sprake van vier staten, maar de onderstaande kaart toont dat de geopolitieke situatie in de Oudheid complexer was dan Ras Kass in het korte bestek van zijn tekst laat uitschijnen.

Kaart van de diadochenrijken (300 v.C.)

Ook een hiphopgroep waarmee Ras Kass al samenwerkingen aanging, Jedi Mind Tricks, bestaande uit rappers Vinnie Paz en Jus Allah en dj/producer DJ Kwestion, heeft een nummer waarin Alexander de Grote een vermelding krijgt. Het nummer Saviorself begint immers met deze regels:

Yeah, I built with Alexander the Great
He told the Persians they should stay gone
Then he told me about the Oracle of Amon
He gave me no clue, where it is (Genius.com)

In deze paar regels wordt melding gemaakt van het feit dat Alexander de Perzische overheersing van Egypte beëindigde. Bovendien wordt er ook verwezen naar zijn bezoek aan het orakel van Zeus-Amon vlakbij de Siwa-oase. Alexander bracht in 332 v.C. een bezoek aan dit orakel na zijn verovering van Egypte. Daar werd hij naar verluidt door de lokale priester verwelkomd in het Grieks. De priester wou hem aanspreken met ὦ παιδίον, “mijn zoon”, maar hij zou er ὦ παῖ Διός, “zoon van Zeus” van gemaakt hebben. Alexander zou dit dan opgevat hebben als een goddelijk teken dat hij van goddelijke afkomst was.

Een aantal andere vermeldingen van Alexander in de hiphopmuziek zijn zeer terloops, vaak beperkt tot de naam, zonder dat er echt een inhoudelijke functie te bespeuren valt, waarschijnlijk onder invloed van het nogal associatieve karakter van rapmuziek. We zetten ze hier op een rijtje:

Fu-Schnickens – La Schmoove (1992)

Not Alexander but considered to be Great
Great, but, like the Grape Ape
(Lyrics.com)

E-40 – The Element of Surprise (1998):

Buying yellow clusters instead of counterfeit dope
Alexander the Great, macadamia nut, chief rockin’ soap
No rebate, no refunds
(Lyrics.com)

Flipmode Squad (een rapperscollectief met onder anderen Rampage) – Run for Cover (1998):

Rampage Alexander the Great (Lyrics.com)

Chico & CoolwaddaWild ‘n tha West (2001):

I’m Alexander the Great 38 (Lyrics.com)

Raekwon – Robbery (2003):

They call me Alexander Sean the Great
‘cause ya bitch said she love the way the dick talk all in the cake
 (Lyrics.com)

Andre Nickatina & Equipto – Rap Candy Bars (2006):

Alexander the Grape, section eight (Genius.com)

Nummers over Alexander de Grote

Naast vermeldingen in nummers met een ander of breder thema, zijn er ook nummers die in hun geheel gewijd zijn aan Alexander de Grote. Een korte zoektocht leverde een tiental nummers op, waarvan we hier een overzicht geven. Alle nummers dragen als titel Alexander the Great.

1. Iron Maiden (1986)

Het bekendste nummer in deze serie, zeker bij metalheads, is Alexander the Great van de Britse metalband Iron Maiden. Overigens zijn is de metalmuziek het ruimst bedeeld met volledige nummers over Alexander de Grote: ook de Belgische powermetalband Iron Mask (met Alexander the Great), de Amerikaanse deathmetallers van Nile (met Iskander D’hul Karnon) en het Oostenrijkse Serenity, dat zich toelegt op het genre van de symfonisch powermetal (met Age of Glory) hebben een nummer aan Alexander de Grote gewijd. In dit bestek zou een volledige bespreking van al deze teksten echter te veel ruimte in beslag nemen, maar dit wordt zeker nog vervolgd. We concentreren ons daarom op het nummer van Iron Maiden. We laten hier de volledige tekst volgen, met per deel een korte bespreking.

My son ask for thyself another Kingdom, for that which I leave is too small for thee

Dit is een bijna letterlijke vertaling van de woorden die Philippus II van Macedonië tot zijn zoon gezegd zou hebben volgens ‘Het leven van Alexander’ van Plutarchus van Chaeronea (ca. 46 – ca. 120 n.C.), die het zesde kapittel van dat werk, dat gaat over hoe Alexander het paard Bucephalus temt, afsluit met deze woorden: “ὦ παῖ” φάναι, “ζήτει σεαυτῷ βασιλείαν ἴσην· Μακεδονία γάρ σ’ οὐ χωρεῖ.”  “Mijn zoon,” zei hij, “zoek voor jezelf eenzelfde koninkrijk, want Macedonië heeft niet genoeg plaats voor jou.”

Near to the east
In a part of ancient Greece
In an ancient land called Macedonia
Was born a son
To Philip of Macedon
The legend his name was Alexander

In deze strofe worden de antieke en de moderne geopolitieke toestand met elkaar vermengd: Macedonië was in de Oudheid geen deel van Griekenland, omdat Griekenland om te beginnen geen politieke eenheid was. Het huidige Macedonië ligt iets noordelijker dan het antieke Macedonië, dat grotendeels overeenkomt met de huidige Griekse provincie Macedonië. In die zin is Macedonië dus wel een deel van Griekenland. De strijd om de naam “Macedonië” sleept al lang aan en het feit dat het antieke Macedonië voor het grootste deel in de huidige Griekse provincie ligt en niet in het land Macedonië, is één van de voornaamste argumenten van de Grieken om de naam Macedonië niet te erkennen. Pas begin 2019 kwam er (nipt) een compromis om het buurland van Griekenland de naam Noord-Macedonië te laten dragen.

At the age of nineteen
He became the Macedon King
And he swore to free all of Asia Minor

Alexander werd inderdaad op zijn negentiende koning van Macedonië, na de nogal verdachte dood van zijn vader. Hij zette de voorbereiding van de militaire campagne tegen het Perzische rijk, die begonnen was door zijn vader, verder.

By the Aegean Sea
In 334 B.C.
He utterly beat the armies of Persia

Dit was in de Slag bij de Granikosrivier, die inderdaad in 334 v.C. plaatsvond. De grote nederlaag voor de Perzen die hier vermeld wordt, lijkt eerder te wijzen naar de Slag bij Issos. Beide veldslagen lijken hier te zijn samengenomen. Hierna volgt het refrein:

Alexander the Great
His name struck fear into hearts of men
Alexander the Great
Became a legend ‘mongst mortal men

Na dit refrein volgt een strofe waarin de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen:

King Darius the third
Defeated fled Persia

Volgens Arrianus vluchtte Darius inderdaad halsoverkop van het slagveld weg, met achterlating van zijn mantel, schild, vrouw en kinderen. Symbolisch laat hij dus achtereenvolgens zijn koninklijke waardigheid, militaire eer en de toekomst van zijn koningshuis achter. Het achterlaten van een schild moet overigens niet onderschat worden, want in Griekse ogen was dit een grote schande, zoals blijkt uit een fameuze uitspraak van een Spartaanse moeder tot haar zoon: ἢ τὰν ἢ ἐπὶ τᾶς, “[keer terug] ofwel met je [schild] ofwel op je [schild]” en een scandaleus epigram van de huurling-dichter Archilochos van Paros:

ἀσπίδι μὲν Σαΐων τις ἀγάλλεται, ἣν παρὰ θάμνωι,
ἔντος ἀμώμητον, κάλλιπον οὐκ ἐθέλων·
αὐτὸν δ’ ἐξεσάωσα. τί μοι μέλει ἀσπὶς ἐκείνη;
ἐρρέτω· ἐξαῦτις κτήσομαι οὐ κακίω.

Een of andere Saiër verheugt zich met mijn schild, dat ik bij een bosje
tegen mijn zin achterliet, een schitterend wapen.
Ik heb mezelf gered. Wat kan dat schild me schelen?
Naar de maan ermee: ik zal er opnieuw een kopen, niet slechter [dan het vorige].

Het epigram is naar Griekse normen scandaleus omdat de dichter er ronduit voor uitkomt dat hij zijn eigen hachje gered heeft en daarvoor zijn schild moest achterlaten. Hij gaat zelfs nog een stap verder door zich af te vragen “wat dat schild hem interesseert” en er dan ἐρρέτω (“foert” of vrijer maar dichter bij de bedoelde betekenisnuance: “fuck it“) aan toe te voegen.

The Scythians fell by the river Jaxartes

Alexander versloeg de Scythen inderdaad bij de Jaxartes, nu de Syr Darja, in 329 v.C. De slag vond waarschijnlijk plaats vlakbij Tasjkent, de huidige hoofdstad van Oezbekistan, op een plaats waar de grenzen van Oezbekistan, Tadzjikistan, Kirgizië en Kazachstan elkaar raken.

Then Egypt fell to the Macedon King as well

Dit gebeurde in 332 v.C. Alexander zorgde er op die manier voor dat Egypte niet meer onder Perzisch gezag viel. De chronologische volgorde van de verschillende veldslagen wordt in het nummer dus niet gerespecteerd. Alexanders generaal Ptolemaios werd na de dood van Alexander in 323 v.C. satraap van Egypte en zou dat blijven tot hij zichzelf in 304 v.C. tot farao van Egypte uitriep. Daarmee stichtte hij de naar hem genoemde Ptolemeïsche dynastie die de laatste en langst regerende dynastie van farao’s zou zijn, totdat de laatste farao, Cleopatra VII – u weet wel, dé Cleopatra-  in 31 v.C. door Octavianus, de latere keizer Augustus, verslagen werd bij Actium en in de nasleep van de zeeslag zelfmoord pleegde.

And he founded the city called Alexandria

Alexander stichtte inderdaad deze stad in de Nijldelta, maar hij stichtte ook vele gelijknamige steden verspreid over het enorme rijk dat hij in zijn leven veroverde. Het Egyptische Alexandrië is echter het bekendste, mede door zijn legendarische bibliotheek.

By the Tigris river
He met King Darius again
And crushed him again in the battle of Arbela

De Slag bij Arbela, beter bekend als de Slag bij Gaugamela, was de definitieve genadeklap voor Darius III en vond plaats in 331 v.C.

Entering Babylon
And Susa, treasures he found
Took Persepolis the capital of Persia

Babylon, Susa en Persepolis waren residentiesteden van de Perzische koningen, die met hun hof tussen deze steden rondtrokken. Dit had het voordeel dat de koning, die in Perzië een absolute heerser was in de meest letterlijke betekenis van het woord, op verschillende momenten dicht bij de verschillende delen van zijn enorme rijk was en zo sneller bereikt kon worden voor dringende berichten.

Hierna volgt opnieuw het refrein en een volgende strofe:

A Phrygian King had bound a chariot yoke
And Alexander cut the ‘Gordian knot’
And legend said that who untied the knot
He would become the master of Asia

Deze beschrijving klopt: in Gordium hakte Alexander de later spreekwoordelijk geworden Gordiaanse knoop door, die door de Frygische koning Midas ter ere van zijn vader Gordias rond de disselboom van een strijdwagen was gebonden.

Hellenism he spread far and wide
The Macedonian learned mind
Their culture was a western way of life
He paved the way for Christianity

Deze thesen zijn overtrokken, maar hebben wel degelijk een zekere basis. Alexander legde met zijn veroveringen de basis voor wat men later het hellenisme zou noemen, een bloeiperiode voor Griekse literatuur en wetenschap die we vooral kennen uit Alexandrië, met zijn bibliotheek en de rijke literaire en wetenschappelijke erfenis die die naliet. “The Macedonian learned mind” was dan ook eerder een “Alexandrian learned mind” die grotendeels dateert van de regeerperiode van de Ptolemaeën, Alexanders opvolgers in Egypte. Om te stellen dat hun cultuur een “western way of life” was, is echter een stap te ver: de dominante taal van de hoge cultuur werd inderdaad het (westerse) Grieks, maar dat wil niet zeggen dat lokale culturen onderdrukt of uitgeroeid werden, integendeel zelfs. Het feit dat Grieks over een enorm territorium de lingua franca werd en zelfs dominant bleef tegenover het Latijn na de Romeinse veroveringen in het Oosten, legde in zekere zin de basis voor het christendom. Veel mensen kenden immers wat Grieks en het is dan ook geen toeval dat het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven werd om zoveel mogelijk mensen te bereiken met de Blijde Boodschap. Volledige Latijnse vertalingen werden pas ondernomen in een periode waarin de kennis van het Grieks in het Westen van het Romeinse Rijk begon te tanen.

Marching on, marching on
The battle weary marching side by side
Alexander’s army line by line
They wouldn’t follow him to India
Tired of the combat, pain and the glory

Als het van Alexander zelf had afgehangen, zouden zijn veroveringen niet gestopt zijn aan de Indus. Zijn leger, dat hem trouw gevolgd had sinds het begin, wilde echter niet meer mee. Hij moest zich dus noodgedwongen gaan bezighouden met het organiseren van het enorme rijk dat hij veroverd had.

Alexander the Great
His name struck fear into hearts of men
Alexander the Great
He died of fever in Babylon

Alexander stierf inderdaad in Babylon na een korte ziekte met koortsverschijnselen. Dit gebeurde naar verluidt niet lang nadat hij in de rivier was gaan baden en mogelijk was er een oorzakelijk verband tussen dit bad en zijn overlijden. Het is echter moeilijk om op basis van de antieke bronnen de exacte ziekte te bepalen waaraan hij overleed, een probleem dat wel vaker opduikt bij pathologische beschrijvingen in de Oudheid. De beschrijving van de pest in Athene bij Thucydides is een notoire uitzondering op die regel.

Andere nummers, met dezelfde titel Alexander the Great, zijn van de volgende artiesten. Ondanks herhaalde pogingen kon de auteur van dit stukje echter niet aan de teksten ervoor komen. Alle hulp hierbij is dan ook welkom. We zetten de uitvoerders even op een rijtje:

  • Strawbs (1996)
  • Aegean Voices (1996)
  • Greg Osby en Joe Lovano (1999)
  • Manos Hadjikakis (1999)
  • Bond (2000)
  • Vinnie Moore (2001)
  • Saxophone Summit (2004)
  • Manowar (2004)
  • Holy Family (2015)

2. Caetano Veloso (1998)

Voor de aardigheid geven we ook nog”Alexandre” mee, van de Braziliaanse artiest Caetano Veloso. Het nummer verscheen op zijn album ‘Livro‘ uit 1998. Deze muziek behoort tot het genre van de MBP, wat staat voor Música popular brasileira, een mix van typisch Braziliaanse muziekstijlen zoals samba en baião, gecombineerd met niet-Braziliaanse jazz-, rock- en andere invloeden. We laten hier de Portugese tekst volgen. Net zoals het nummer van Iron Maiden gaat het ook hier over een soort modern “chanson de geste”. Veel elementen komen aan bod: het temmen van Bucephalus (Ele escolheu seu cavalo Por parecer indomável // E pôs-lhe o nome Bucéfalo ao domina-lo), het feit dat Aristoteles Alexanders leraar was (Ele ensinou o jovem Alexandre a sentir filosofia), de relatie met Hephaistion (compleet met de vaak gemaakte vergelijking met Patroklos), de slag bij Chaeronea, waarin Alexander de cavalerie leidde en een ongeziene slachting aanrichtte in de rangen van de Thebaanse Heilige Schare (Na grande batalha de Queronéia, Alexandre destruía // A esquadra Sagrada de Tebas, chamada e Invencível), zijn kroning op twintigjarige leeftijd en zijn vroegtijdige dood. Één beschouwing vat een genuanceerde visie op Alexander de Grote samen:

Foi generoso e malvado, magnânimo e cruel

“Hij was genereus en slecht, grootmoedig en wreed.”

3. Iskander (album van Supersister)

We sluiten dit overzicht af met een conceptalbum, dat in 1973 werd uitgebracht door de Nederlandse progressieverockband Supersister. Het album Iskander gaat volledig over Alexander de Grote. De titel is de oosterse versie van de naam Alexander. De oorspronkelijke lp bevat de volgende nummers, waarvan de titels veelzeggend zijn:

  • Introduction
  • Dareios the Emperor
  • Alexander
  • Confrontation Of The Armies
  • The Battle
  • Bagoas
  • Roxane
  • Babylon
  • Looking Back (The Moral Of Herodotus)

Aangezien de weinige tekst in de grotendeels instrumentale nummers weinig specifiek is in verwijzingen naar Alexander de Grote (bijvoorbeeld in Dareios the Emperor en Alexander), heeft een bespreking van de tekst zoals bij de andere hierboven genoemde nummers in dit bestek weinig zin. De muziek is echter wel sfeervol te noemen, hoewel het album destijds niet zo succesvol was als gehoopt omdat de fans niet konden wennen aan het nieuwe, meer bij jazz aanleunende geluid van het album. De band ging een jaar later mede daardoor uit elkaar.

Selecte bibliografie

https://en.wikipedia.org/wiki/Cultural_depictions_of_Alexander_the_Great#Music

Claudia Hattendorff, Peter von Möllendorff, Alexander Rubel, Wolfgang Will: Alexander. In: Peter von Möllendorff, Annette Simonis, Linda Simonis (Hrsg.): Historische Gestalten der Antike. Rezeption in Literatur, Kunst und Musik (= Der Neue Pauly. Supplemente. Band 8). Metzler, Stuttgart/Weimar 2013.

Coverfoto: bestand ‘Transparent Alexander The Great Png – Iron Maiden Alexander The Great’ op KindPNG door Nathalie C (non-commercial use)

Het bericht Οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος: Alexander de Grote in enkele moderne liedjesteksten van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/03/2020/%ce%bf%e1%bd%90%ce%b4%e1%bd%b2-%e1%bc%90%ce%bd-%ce%bc%ce%ad%ce%bb%ce%b5%ce%b9-%e1%be%94%cf%83%ce%b8%ce%b7-%e1%bc%80%ce%bb%ce%ad%ce%be%ce%b1%ce%bd%ce%b4%cf%81%ce%bf%cf%82-alexander-de-grote-in-enkele/feed/ 0 1052
SIGHT: De schimmen van Delos https://www.oudegeschiedenis.be/20/12/2019/sight-de-schimmen-van-delos/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/12/2019/sight-de-schimmen-van-delos/#respond Fri, 20 Dec 2019 15:49:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1384 SIGHT - De schimmen van Delos

Onderzoekster Valérie Wyns ging verpozen in Delos en bezocht er de kunstinstallatie SIGHT van Antony Gormley. De non-profitorganisatie Neon en de kunstenaar willen hiermee het eiland herbevolken met moderne kunstwerken die zowel fascinerend zijn als bevreemdend aandoen. Onze reporter brengt verslag uit van haar ervaringen en de link met de Oudheid, die er bij dit Griekse eiland natuurlijk steeds te vinden is.

Het bericht SIGHT: De schimmen van Delos van Valérie Wyns verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
SIGHT - De schimmen van Delos

Ik moet iets bekennen, beste lezer, dat me bij sommigen van jullie in achting zal doen dalen, dan wel doen stijgen: ik hou in het algemeen niet zo van moderne kunst. Door dit te zeggen, veralgemeen ik natuurlijk al veel te veel, want “moderne kunst” is een term die onnoemelijk veel ladingen dekt. Daarom zal ik mezelf een beetje nuanceren: ik hou in het algemeen niet zo van abstracte of nauwelijks figuratieve kunst. Geef mij een goeie Rubens of Caravaggio, en mijn dag is gemaakt. Tot Turner en de impressionisten wil ik nog gaan, maar verder wordt het moeilijk. Dat is natuurlijk mijn absoluut subjectieve smaak, die bovendien niet eens veel interne consistentie vertoont. Want mijn zogenaamde “smaak” werd volledig op zijn kop gezet toen ik op Delos de installatie SIGHT van Antony Gormley bezocht. Zoals gewoonlijk is het nodig dat ik een paar stappen terugzet voor ik het in al mijn enthousiasme zal hebben over SIGHT. Quid Delos? Et quis Antony Gormley?

Het drijvende eiland waar Apollo mocht geboren worden

De meeste antieke bronnen zijn het erover eens dat de god Apollo geboren werd op het “drijvende” eiland Delos. Zijn moeder Leto, die zwanger was geraakt na een ontmoeting met opperbevruchter Zeus, had doorheen Griekenland moeten zwerven om een plaats te vinden waar ze kon bevallen. De godin Hera, echtgenote van Zeus, had immers het vasteland en alle eilanden verboden de hoogzwangere vrouw te laten bevallen op hun bodem. Het eiland Delos, amper 5 kilometer lang en 1,5 kilometer breed, ontving Leto dan weer wel, omdat het “dreef” en daarom niet verbonden was aan de aarde, waardoor het verbod van Hera blijkbaar kon omzeild worden. De geboorte van haar eerste kind, Artemis, verliep vlot en pijnloos (Callimachus, Hymne 3), terwijl de komst van haar tweede kind, Apollo, negen martelende dagen en nachten op zich liet wachten (Homerische hymne voor de Delische Apollo). Het goddelijke kind verankerde het eiland aan de zeebodem, en zou voor eeuwig een voorkeur hebben voor het land dat zijn moeder genade had getoond.

Het “drijvende” eiland Delos

Recent onderzoek toonde aan dat het eiland al werd bewoond in 2000 v.C., en ten laatste duizend jaar later had Delos zich al ontwikkeld tot een centrum van godenverering. Homerus kende het verhaal van de Delische geboorte, dus de associatie Apollo-Delos dateert ten laatste uit de archaïsche periode. Vanaf de 6de eeuw v.C. bevindt het eiland zich in de invloedssfeer van Athene, net als de meest Cycladische eilanden. Hoewel Delos ook een bloeiend kruispunt voor zeehandel was, werd de religieuze rol van het eiland van steeds groter belang. De Delisch-Attische Zeebond hield op Delos haar ontmoetingen, en bewaarde er ook de kas tot 454 v.C., toen Pericles de gezamenlijke fondsen vorderde als renovatiepremie. In de Romeinse periode verwierf Delos bekendheid als slavenmarkt, en handel bloeide in de 2de en 1ste eeuw v.C. Aan het einde van deze periode ging het bergaf met het eiland: zijn rol als handelskruispunt leek uitgespeeld, en schaarste aan natuurlijke voorzieningen dwong de laatste bewoners om Delos uiteindelijk te verlaten.

De man die schaduwen naar Delos bracht

Het kunstwerk ‘Angel of the North‘ nabij Gateshead, Tyne & Wear

Antony Gormley was voor mij een nobele onbekende tot mijn boottocht naar Delos vorig jaar in september. Ik had hem nochtans kunnen kennen, hij is immers de kunstenaar die ‘The Angel of the North’ maakte, de enorme sculptuur die net buiten Newcastle staat. Voor de echte fijnproevers, dit standbeeld verschijnt ook in de begingeneriek van de realityreeks ‘Geordie Shore‘ op MTV.

De focus in het werk van Gormley ligt vaak op het menselijk lichaam en hij gebruikt zijn eigen lichaam vaak als basis voor de afgietsels waaruit zijn sculpturen groeien. Neon, een Griekse non-profitorganisatie die ijvert om de beleving van hedendaagse kunst toegankelijk te maken in Griekenland, zag in Gormley de ideale partner om Delos door nieuwe kunst ook nieuw leven in te blazen. Het eiland wordt vandaag immers alleen bewoond door archeologen die er onderzoek doen en de katten die in Griekenland alomtegenwoordig zijn. Met het project SIGHT wilden Neon en Gormley het eiland herbevolken met kunstwerken die zowel fascinerend zijn als bevreemdend aandoen.

Uw reporter op speurtocht in Delos

Begin september was ik op vakantie in Athene en Mykonos, na enkele maanden in bloed, zweet, en tranen te hebben gezwoegd aan de voltooiing van mijn doctoraat. Griekenland heeft me altijd nauw aan het hart gelegen, een enkele druppel Grieks bloed stroomt zelfs door mijn aders, maar op dat moment had ik het wel even gehad met de oudheid. Zozeer zelfs, dat ik moest overtuigd worden om op de boot te stappen om Delos voor de zevende of achtste keer in mijn carrière te bezoeken. Wat me over de streep trok, was een artikel dat ik een hele tijd eerder had gelezen, over de kunstenaar die Delos had overgenomen met zijn standbeelden. Terwijl sommigen niet genoeg lofwoorden vonden om Gormley’s werk op het eiland te beschrijven, schreeuwden anderen moord en brand, omdat ze vonden dat de kunstenaar de integriteit van het eiland vernielde met zijn moderne bric-à-brac. Geïntrigeerd door de sterk uiteenlopende opinies stapte ik dan toch maar op de ferry.

6 Times Left - Antony GormleyValérie Wyns | OUDE GESCHIEDENIS

6 Times Left‘, het kunstwerk van Antony Gormley dat een man in het water plaatst

Bij het binnenvaren in de baai waar de toeristenboten aanmeren, viel me direct op dat er een man in het water stond waar de oude haven het water inglijdt. Een seconde later viel mijn spreekwoordelijke frank (of euro): dit was het eerste kunstwerk dat Gormley op het eiland had geplaatst (zie bovenstaande foto). De man was het 29ste werk in de catalogus, en draagt de titel ‘6 Times Left’. In totaal bevinden zich 29 beelden van Gormley op het eiland, waarvan 5 specifiek gemaakt zijn voor SIGHT. Van veraf leek de ogenschijnlijk pootje-badende man wel een schim, een soort afdruk achtergelaten door een vroegere bewoner van Delos. Bij het verder wandelen botste ik al snel op nieuwe werken, al dan niet figuratief, die dusdanig geplaatst waren dat ze in een soort harmonie vielen met hun omgeving. Een voorbeeld hiervan was ‘Vice II’, een kubus die dicht bij de stoa van Philippos V geplaatst was, die in al zijn hoekigheid de bouwblokken in zijn omgeving complementeerde.

Vice II - Antony GormleyValérie Wyns | OUDE GESCHIEDENIS

Vice II‘, een kubus vlakbij de stoa van Philippos V

'Another Time XV', een menselijke figuur starend naar de zeeValérie Wyns | OUDE GESCHIEDENIS

Another Time XV‘, een menselijke figuur starend naar de zee

Verder wandelend langs Plakes Peak richting het gymnasion en stadion doemden opnieuw schimmen in de verte op. De standbeelden keken in de verte, meestal in de richting van de zee. Toeristen die voor de eerste keer op het eiland kwamen, konden de werken rustig negeren. Noch door kleur, noch door vorm vielen ze eigenlijk op, en om sommigen te kunnen zien moesten we echt halsbrekende toeren uithalen. Aan het gymnasion kwam ik voor de eerste keer echt dichtbij een van de menselijke figuren (‘Another Time XV‘), die net als zijn makkers op de rest van het eiland rustig naar de zee stond te staren.

Hier begon me echt het gevoel te bekruipen dat een wandeling tussen de beelden een wandeling tussen geesten uit het verleden was. De werken richtten zich niet tot de bezoeker, maar leken in overpeinzingen verzonken. Dat sommige stukken zich op afgelegen delen van het eiland bevonden, op plaatsen waar toeristen die de klassieke route volgen normaal niet komen, droeg bij tot dit gevoel. Ik begon me af te vragen hoe desolaat het eiland niet moest lijken als de toeristen weer op hun bootjes gestapt waren, met die eenzame dwalende figuren verspreid over het eiland. Ik maakte me ook de bedenking dat Gormley heel mooi in zijn opzet aan het slagen was, of toch in mijn hoofd: door de standbeelden en abstracte figuren voelde het eiland niet alleen des te verlatener aan, maar ook des te ouder en krachtiger aan. Een van mijn favoriete stukken was ‘Water‘, een van de vijf stukken speciaal gecreëerd voor deze installatie.

'Water', een gepixelde figuur kijkend naar schacht waarin zich een waterbron bevindtValérie Wyns | OUDE GESCHIEDENIS

Water‘, een gepixelde figuur kijkend naar schacht waarin zich een waterbron bevindt

Water’ stond aan de laan die naar het kleine museum leidt, vlakbij de zogenaamde ‘Agora des Italiens‘. Een bijna gepixelde figuur stond met het hoofd licht gebogen naar beneden te kijken, in een schacht waarin zich een waterbron bevindt. Als je er van ver naartoe wandelde kreeg je het gevoel dat je naar een personage in een oud computerspelletje toeging, zo eentje dat met pixels van een vierkante centimeter op je scherm voorbijkwam in de jaren 90. Je verwachtte bijna dat je hem zou doen schrikken, en dat gevoel bleef aanhouden toen ik ernaast ging staan. Mijn blik werd automatisch naar de bodem van de put getrokken, en ik bleef een tijdje naast ‘Water’ meekijken wat er daarbeneden toch zo interessant was.

Beelden van Antony Gormley die opduiken in en naast lokale huizenValérie Wyns | OUDE GESCHIEDENIS

Beelden van Antony Gormley die opduiken in en naast lokale huizen

Terwijl ik als laatste stop naar het best bewaarde woonkwartier van het eiland wandelde, werden de beelden ook drukker: ze doken op in huizen links en rechts, in de meest onmogelijke houdingen. Hierdoor werd een gevoel van gezellige drukte gecreëerd, en een vrolijk spelletje ontstond door het speuren naar nieuwe vondsten achter elke muur, hierbij daarenboven nog eens geholpen door de massa katten die lui in de schaduwen van de huizen lagen te slapen.

Hoewel ik geen al te hoge verwachtingen had van de installatie van Gormley, voer ik weg van Delos met het gevoel dat ik het eiland opnieuw voor de eerste keer gezien had. Ik had beter rondgekeken, het landschap geobserveerd, en stilgestaan bij de plaatsen die de kunstenaar om een of andere reden had willen benadrukken. Gormley wilde blijkbaar ook daadwerkelijk mijn eerdere gevoel van geesten of schimmen uit het verleden oproepen, las ik later in de brochure die ik vanop Delos had meegenomen. SIGHT vormde zo’n mooie aanvulling op de bergen archeologisch materiaal die het eiland rijk is, en ik vind het oprecht jammer dat de installatie ondertussen opnieuw weggehaald is (de stukken waren een heel seizoen aan de elementen blootgesteld geweest, en hadden daardoor alleen al behoorlijk wat schade ondervonden).

Katjes op DelosValérie Wyns | OUDE GESCHIEDENIS

Katjes op Delos

Voor de dierenvrienden onder jullie voeg ik een foto toe van de katjes op Delos, die wel bestand zijn tegen de Griekse elementen, en vrolijk elk jaar nieuwe bezoekers verwelkomen op een van de mooiste archeologische sites van de Middellandse Zee.

Coverfoto: onze reporter bij het werk ‘Another Time XV’ van Antony Gormley in Delos (Copyright: Valérie Wyns)

Het bericht SIGHT: De schimmen van Delos van Valérie Wyns verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/12/2019/sight-de-schimmen-van-delos/feed/ 0 1384
À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/#respond Wed, 14 Feb 2018 16:00:59 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=635 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Turner_Ovid_Banished_from_Rome.jpg

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk De kunst der vrijage, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17n.C.), namelijk ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Meihuizen-De kunst der vrijage

Titelpagina van De kunst der vrijage

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk – of ondeugend? – om een lijst te geven van de weggelaten passages:

“Onvertaald bleven de versregels I 182-204, 283-288, 327-340, 407-408, 681-704, 741-744. II 217, 401-406, 684, 690-692, 703-733. III 11-12, 769-788, 793-808.”

Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding van zijn vertaling van de Amores:

“De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.”

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages uit de Ars Amatoria op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische en/of historische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Ars Amatoria I, 181b-204

Deze passage maakt deel uit van een uitweiding bij één van de tips die Ovidius geeft over plaatsen waar je als vrijgezel “op jacht” kan gaan. Eén mogelijke gelegenheid is een triomftocht. Bij triomftochten is een link met de politiek nooit ver weg en Ovidius grijpt de gelegenheid dan ook aan om een lofzang op af te steken. Het is in deze lofzang dat Meihuizen een stuk weglaat. Zijn vertaling gaat als volgt:

“Ziet, Keizer Augustus maakt zich gereed, het deel, dat nog aan de veroverde wereld ontbreekt, aan zijn heerschappij toe te voegen. Nu zal het uiterste Oosten ons worden! Parthen, gij zult boeten! Gij Romeinen, die met Crassus sneuveldet, verheugt U in Uwe graven en eveneens gij, veldteekens, die de barbaarsche handen, waarin ge vielt, niet kondt uitstaan! Uw wreker komt!”

Om deze passage als leek te begrijpen, hoeft men in principe niet te weten dat Ovidius hier doelt op het recupereren van de veldtekens van de Romeinse legioenen die onder leiding van Crassus in 53 v.C. bij Carrhae verslagen werden door de Parthen. Augustus kon ze in 20 v.C. na onderhandelingen terug naar Rome halen en stelde ze op in de tempel van Mars Ultor, ‘Mars de Wreker’, hetgeen meteen ook de woordspeling met wreker in de tekst verklaart. Op die manier kregen de Romeinen eerherstel, want het verlies van de legioensadelaar was een erezaak en men deed er dan ook alles aan om de veldtekens te recupereren. Een mooi voorbeeld hiervan wordt uitgewerkt in de film The Eagle uit 2011.

Eén element is wel belangrijk om in het achterhoofd te houden: in Meihuizens vertaling staat ‘Augustus’, maar de Latijnse tekst heeft ‘Caesar’. Het kan dus ook om iemand anders van de keizerlijke familie gaan. Dit wordt duidelijk in het weggelaten vervolg. Om de volgende passage te begrijpen, is echter een betere achtergrondkennis vereist.

Ars Amatoria I, 181b-204

Ultor adest primisque ducem profitetur in annis
Bellaque non puero tractat agenda puer.
Parcite natales timidi numerare deorum:
Caesaribus virtus contigit ante diem.
Ingenium caeleste suis velocius annis
Surgit, et ignavae fert male damna morae.
Parvus erat, manibusque duos Tirynthius angues
Pressit, et in cunis iam Iove dignus erat.
Nunc quoque qui puer es, quantus tum, Bacche, fuisti,
Cum timuit thyrsos India victa tuos?
Auspiciis annisque patris, puer, arma movebis,
Et vinces annis auspiciisque patris:
Tale rudimentum tanto sub nomine debes,
Nunc iuvenum princeps, deinde future senum;
Cum tibi sint fratres, fratres ulciscere laesos:
Cumque pater tibi sit, iura tuere patris.
Induit arma tibi genitor patriaeque tuusque:
Hostis ab invito regna parente rapit;
Tu pia tela feres, sceleratas ille sagittas:
Stabit pro signis iusque piumque tuis.
Vincuntur causa Parthi: vincantur et armis;
Eoas Latio dux meus addat opes.
Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti:
Nam deus e vobis alter es, alter eris.
De wreker komt en laat reeds op vroege leeftijd de leider zien

Vertaling

En als jongen voert hij oorlogen die niet door een jongen gevoerd zouden moeten worden.
Zie ervan af angstvallig de levensjaren van goden te tellen:
Leiderskwaliteiten komen bij de Caesares voor hun tijd.
Hun hemelse inborst toont zich sneller dan hun jaren
En verdraagt de vloek van passief uitstel slecht.
De Tirynthiër was nog klein toen hij met zijn handen twee slangen wurgde
En hij was in de wieg reeds Jupiter waard.
En jij, Bacchus, die ook nu nog een jongen bent, zoals ook toen,
Toen het overwonnen India jouw thyrsus vreesde?
Met goede voortekens en de geesteskracht van je vader zal je, jongen, de oorlog beëindigen,
En je zal overwinnen door de geesteskracht en de goede voortekens van je vader.
Een dergelijke jeugd ben je aan een dergelijke naam verschuldigd,
Jij die nu de keizer van de jongeren bent en later die van de oude senatoren zal zijn;
Aangezien je broeders hebt: wreek je gekrenkte broeders,
En aangezien je een vader hebt: heb aandacht voor de wetten van je vader.
Je vader voorzag je van wapens, die vader des vaderlands en ook de jouwe:
De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.
Jij draagt rechtschapen speren, de vijand misdadige pijlen.
Het recht en elk rechtschapen man staan bij jouw veldtekens.
De Parthen worden moreel overwonnen, mogen ze ook met de wapens overwonnen worden
En moge mijn leider de oosterse rijkdommen in Latium binnenbrengen.
Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat,
Want van u is de ene een god en zal de ander het worden.

Gaius Caesar, kleinzoon van keizer Augustus

De uitweiding over leeftijden in het begin van deze passage heeft meerdere betekenissen. Ten eerste kreeg Augustus zelf in 43 v.C. – op twintigjarige leeftijd – van de Senaat de toestemming om alle politieke ambten van de cursus honorum tien jaar voor de door de ‘Lex Villia Annalis’ vastgestelde leeftijd op te nemen. Deze passage kan dus gelezen worden als een verantwoording van deze maatregel, die zeer moeilijk verteerbaar was voor de anders zo behoudsgezinde Romeinen. Ten tweede – en dat is in de context van de oorlog tegen de Parthen- kan het meervoud ‘Caesaribus‘, hoewel Augustus hier waarschijnlijk inbegrepen is, slaan op Augustus’ kleinzonen Gaius en Lucius, die beiden op vijftienjarige leeftijd – respectievelijk in 5 en 2 v.C. – van de Senaat de toestemming kregen om vijf jaar nadien op hun twintigste consul te worden. Daarbij werden ze ook beiden benoemd tot princeps iuventutis, leider van de jeugd, en het is duidelijk dat Ovidius daarop alludeert met de formulering iuvenum princeps, hier vertaald met keizer van de jongeren, omdat princeps ook de titel was van de keizer. De hele passage is daardoor ook een verdediging van een opkomende dynastieke opvolging op basis van geboorte, die geleidelijk de republikeinse instellingen buitenspel zette, zonder ze echter formeel af te schaffen. Daar komt nog bij dat Gaius op zijn twintigste het bevel had over de strijdmacht die in het oosten tegen de Parthen moest strijden, in opdracht van Augustus. Het was ook hij die met de Parthische koning Phraates V de onderhandelingen voerde voor het teruggeven van de legioensadelaar van Crassus. Het spreekt voor zich dat deze achtergrondkennis voor een groot deel zo niet geheel ontbreekt bij Meihuizens beoogde doelpubliek, de “hedendaagsche mensch”, die minder in detail of zelfs helemaal niet op de hoogte is van het bovenstaande.

Caravaggio’s interpretatie van de god Bacchus

De ingenomen stellingen over de keizer en zijn familie worden vervolgens gestaafd met mythologische voorbeelden, die, zoals zo vaak in antieke teksten, tamelijk cryptisch zijn. Zo is de Tirynthiër waarvan hier sprake is, niemand minder dan Hercules, die volgens de mythologie inderdaad in Tiryns geboren werd. Omdat hij een buitenechtelijk kind van Jupiter en Alcmene was, stuurde Jupiters vrouw Juno twee slangen op hem af om hem in de wieg te doden. Hercules wurgde deze echter.

Een bacchante weert een sater die ongewenste avances maakt af met haar thyrsus. Attische roodfigurige kylix, ca. 480 v.C.

De god Bacchus die vervolgens vernoemd wordt, was volgens de klassieke mythologie inderdaad afkomstig uit het oosten en in die context wordt India vaak specifiek genoemd. In de iconografie wordt hij traditioneel voorgesteld als een jongeman, met zelfs androgyne kenmerken. Beide vergelijkingen hebben ook nog een extra lading: zowel Hercules als Bacchus waren halfgoden, zonen van Jupiter en een sterfelijke moeder, die beiden vergoddelijkt werden. Een parallel met de vergoddelijking van de Romeinse keizers is uiteraard niet ver te zoeken. In de context van de cultus van Bacchus – of in het Grieks: Dionysos – duikt ook de θύρσος (thyrsos) op, waarbij de lezer geacht wordt te weten dat het hier gaat om de met klimop- en wijnranken versierde staf die een traditioneel attribuut was van elke vereerder van Bacchus.

Wanneer we verder lezen, komen we ook het volgende zinnetje tegen: “De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.” (Hostis ab invito regna parente rapit.) Meihuizens vertaling van ‘Caesar’ door ‘Augustus’ zorgt ervoor dat we bij dit zinnetje meteen denken aan de moord op Augustus’ adoptiefvader, Gaius Julius Caesar (100 v.C. – 44 v.C.). In de context van de oorlog tegen de Parthen is dit echter onmogelijk en het is dan ook waarschijnlijker dat het hier gaat om de moord op de Parthische koning Phraates IV door diens zoon Phraates V, met medewerking van Musa, één van de vrouwen van Phraates IV en de moeder van Phraates V.

Munt met rechts Phraates V en links zijn moeder Musa

Een laatste element dat voor de niet-gespecialiseerde lezer waarschijnlijk te veel uitleg behoefde – althans naar de zin van Meihuizen – is te vinden in de laatste regels: “Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat, want van u is de ene een god en zal de ander het worden.” (Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti: nam deus e vobis alter es, alter eris.) Naast het feit dat de praktijk van de vergoddelijking van keizers misschien niet algemeen bekend is bij het lezerspubliek, is er ook hier een ‘Caesar die in theorie verschillende interpretaties kan hebben. In de lijn van Meihuizens vertaling van de eerste ‘Caesarin de tekst (Augustus), zou dit dan de vergoddelijkte Julius Caesar moeten zijn, waarbij ‘pater’ zowel als godentitel gebruikt wordt als in de letterlijke betekenis vader. De passage gaat echter over Gaius, dus moet hier Gaius’ grootvader, Augustus, bedoeld worden. In dit geval kan ‘pater’ enkel als godentitel opgevat worden. Aangezien de keizers pas na hun dood officieel vergoddelijkt werden, gaat het hier dus om een voorbarige – maar wel vleiende – toekenning van de titel. Ovidius hakt voor ons de knoop door in de laatste regel: Caesar zal een god zijn, dus de Caesar die hier bedoeld wordt, moet nog vergoddelijkt worden en is dus Augustus.

Wanneer we al het voorgaande in beschouwing nemen, is deze passage dus een perfecte illustratie van Meihuizens redenering: passages die te veel voorkennis veronderstellen, worden geschrapt. In dit geval wordt de Caesar die vernoemd wordt als wreker geïdentificeerd met Augustus en niet met de voor een breed publiek onbekende Gaius. De passage die geschrapt wordt zou deze vertaling tegenspreken en deze weglating komt Meihuizen dus zeer goed uit.

Ars Amatoria I, 283-288

“Is bij ons mannen alom gebruikelijk niet zoo maar om liefde te verzoeken; de vrouw zal, als ze eenmaal door liefde bevangen is, gaarne een smeekende rol vervullen. In de weiden loeien de koeien immers om den stier en hinneken (sic) de merries om den hengst. Bij ons mannen is de hartstocht niet zoo hevig, noch leidt ze tot onzinnige dingen. Maar bij de vrouwen! De oude mythen kennen er tal van afschuwelijke voorbeelden van.”

De laatste zin is Meihuizens parafrase van de volgende weggelaten regels, die een paar korte voorbeelden geven van de voorgaande stelling, alvorens over te gaan naar het veel langer uitgesponnen verhaal van Pasiphaë dat ook als illustratie dient. De weggelaten regels zijn de volgende:

Ars Amatoria I, 283-288

Byblida quid referam, vetito quae fratris amore
Arsit et est laqueo fortiter ulta nefas?
Myrrha patrem, sed non qua filia debet, amavit,
Et nunc obducto cortice pressa latet:
Illius lacrimis, quas arbore fundit odora,
Unguimur, et dominae nomina gutta tenet.

Vertaling

Waarom zou ik Byblis vermelden, die van een verboden liefde voor haar broer
Brandde en met de strop dapper wraak nam voor deze misdaad?
Myrrha hield van haar vader, maar niet op de manier waarop het een dochter betaamt
En nu is ze verborgen, neergedrukt door een bast die over haar heen is getrokken:
Door haar tranen, die ze vanuit de geurige boom plengt,
Worden wij geparfumeerd, en de druppel draagt de naam van zijn meesteres.

Het gaat hier om een geval van wat men in de retoriek praeteritio noemt, een vermelding van iets door te zeggen dat men het niet gaat vermelden. Dat het hier in beide gevallen gaat om gevallen van incest, is waarschijnlijk niet de reden dat Meihuizen de passages laat wegvallen, want het verhaal van hoe de stier van Poseidon bij Pasiphaë de Minotaurus verwekte, wordt wel verteld. De oorzaak ligt eerder bij de niet geëxpliciteerde achtergrondkennis die nodig is om de verwijzingen te begrijpen. Omdat de mythen wat meer uitleg verdienen dan deze korte vermelding, geven we deze graag in kort bestek.

Byblis en Caunus

Byblis, dochter van de nimf Ciane en Miletus, de mythische stichter van de Klein-Aziatische stad Milete, werd verliefd op haar broer Caunus en bekende hem haar liefde in een lange brief, ondanks het feit dat ze besefte dat deze gevoelens verkeerd waren. In de brief geeft ze talrijke voorbeelden van incestueuze relaties tussen goden om zich te verantwoorden. Vol walging vlucht Caunus weg. Byblis wordt gek van verdriet en in een poging om Caunus alsnog te verleiden, achtervolgt ze hem doorheen heel Griekenland en Klein-Azië. Volgens de versie die Ovidius ons zelf geeft in zijn Metamorphoses (IX, 446-665) bezwijkt ze vervolgens aan uitputting en verandert ze in een bron, omdat ze zoveel weent. In een andere versie van de mythe probeert ze zelfmoord te plegen door van een klif te springen, waarbij ze door Hamadryaden, boomnimfen, in een boom(nimf) veranderd werd. In nog een andere versie, waarnaar in ons geval verwezen wordt, hangt ze zich simpelweg op aan haar gordel, net zoals Jocaste doet in Sophocles’ tragedie Oedipus Rex, wanneer ze verneemt dat ze met haar zoon getrouwd is. Ovidius geeft ons dus twee verschillende versies van het verhaal, uiteraard in functie van de aard van het werk: voor de Metamorphoses kiest hij uiteraard de versie waarin wel degelijk een metamorfose voorkomt.

Ook het verhaal van Myrrha wordt door Ovidius in de Metamorphoses (X, 294-559 en 708-739) uitgebreider verteld. Myrrha – in andere versies van de mythe wordt ze Smyrna genoemd – was de dochter van Cinyras van Cyprus en Cenchreis. Toen Cenchreis opschepte dat haar dochter mooiere haren had dan Aphrodite zelf – een klassiek geval van hybris – kon een straf van Aphrodite niet uitblijven: ze wekte in Myrrha een incestueus verlangen naar Cinyras, haar eigen vader. Na zich lange tijd ingehouden te hebben, weet ze haar voedster te overhalen Cinyras dronken te voeren. Wanneer Cinyras dronken gaat slapen, wacht Myrrha hem op -dit heeft veel weg van de manier waarop Lot verleid wordt door zijn dochters in Genesis 19– en weet ze hem te verleiden. Nadat dit zo een paar nachten doorgaat, wil Cinyras toch te weten komen met welke mysterieuze vrouw hij het bed deelt. Wanneer hij bij toortslicht ziet dat het zijn eigen dochter is, wil hij de schande uitwissen door haar met zijn zwaard te doden. Ze vlucht echter naar Arabië, waar de goden haar uit medelijden in een boom veranderden. Haar tranen druppelen uit de schors in de vorm van geurige hars. De boom werd naar haar ‘mirreboom’ genoemd en leverde de bekende kostbare reukstof waarnaar Ovidius in deze passage verwijst. Omdat Myrrha zwanger was van haar vader, barstte de boom na negen maanden open en werd een zoon geboren: Adonis. Toen hij het hoorde, stortte Cinyras zich op zijn eigen zwaard.

De geboorte van Adonis (schilderij van Franceschini)

Het is duidelijk dat alle mythologische toespelingen die in deze weinige regels opeengepakt zijn, de minder ervaren lezer ontgaan en door Meihuizen geheel in overeenstemming met zijn vooropgestelde principe weggelaten worden om meteen over te gaan naar het uitgewerkte verhaal van Pasiphaë, dat veel minder beroep doet op eventuele voorkennis.

Ars Amatoria I, 327-340

Vlak na het afronden van het verhaal van Pasiphaë, wordt alweer een opsomming van verschillende mythen geparafraseerd. Het eerste deel is de parafrase, wat volgt is een vertaling van de verzen 341-342:

En zulke tragedies zijn er meer: alle veroorzaakt door vrouwelijke hartstocht, die heviger en veel razender is dan de onze.

In de oorspronkelijke versie klinkt de parafrase zo:

Ars Amatoria I, 327-340

Cressa Thyesteo si se abstinuisset amore
(Et quantum est uno posse carere viro?),
Non medium rupisset iter, curruque retorto
Auroram versis Phoebus adisset equis.
Filia purpureos Niso furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes.
Qui Martem terra, Neptunum effugit in undis,
Coniugis Atrides victima dira fuit.
Cui non defleta est Ephyraeae flamma Creusae,
Et nece natorum sanguinolenta parens?
Flevit Amyntorides per inania lumina Phoenix:
Hippolytum pavidi diripuistis equi.
Quid fodis inmeritis, Phineu, sua lumina natis?
Poena reversura est in caput ista tuum.

Vertaling

Als de Kretenzische zich had onthouden van de liefde van Thyestes
(En hoe belangrijk is het één man te kunnen missen?),
Dan zou Phoebus zijn tocht niet halfweg onderbroken hebben en met gekeerde wagen
En gekeerde paarden naar de dageraad teruggekeerd zijn.
Nadat Nisus’ purperen haren gestolen waren door zijn dochter
Draagt ze razende honden aan haar middel en onderbuik.
De zoon van Atreus, die op aarde aan Mars, op zee aan Neptunus ontsnapte,
Was het ijzingwekkende slachtoffer van zijn vrouw.
Door wie werd de vlam van de Ephyreïsche Creüsa niet beweend,
En de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder?
De zoon van Amyntor, Phoenix, weende uit lege oogkassen:
Angstige paarden, jullie rukten Hippolytus weg.
Phineus, waarom steek je je onschuldige kinderen de ogen uit?
Deze straf zal op je eigen hoofd neervallen.

De Kretenzische waarvan sprake is Aerope, vrouw van Atreus en moeder van Agamemnon en Menelaos. Atreus zou volgens een orakel over de stad Mycene regeren zolang hij in het bezit was van een lam met een gouden vacht. Aerope stal het lam en gaf het aan haar minnaar Thyestes, de broer van Atreus, zodat hij de troon kon opeisen. Vervolgens lopen de versies uiteen. Volgens de meeste Griekse versies van de mythe beloofde Thyestes Atreus dat hij het koningschap opnieuw zou afstaan “wanneer de zon zou opkomen in het oosten”, hetgeen vervolgens ook gebeurde door toedoen van Zeus en ook nu nog het geval is. Volgens de versie die door de meeste Romeinse auteurs gevolgd wordt, veranderde de koers van de zon echter als rechtstreeks gevolg van de wraak die Atreus nam op Thyestes: hij zette hem zijn eigen zonen als maaltijd voor. In elk geval verwijst Ovidius naar één van beide versies met de vermelding van de zonnewagen van Phoebus (Apollo).

Het verhaal van Scylla, de dochter van Nisus die hier niet met naam genoemd wordt, wordt door Ovidius uitgebreider verteld in Metamorphoses VIII, 6-151. Nisus, de koning van de stad Megara, had volgens de mythe tussen zijn gewone hoofdhaar een magische, purperen streng haar, waardoor hij onoverwinnelijk was. Een orakel had voorspeld dat hij zou sterven en het koninkrijk ten val zou worden gebracht wanneer dat haar werd uitgetrokken. Er brak oorlog uit en de stad werd maandenlang belegerd door koning Minos van Kreta. Scylla merkte Minos op vanaf de stadswallen, werd verliefd op hem en besloot de voorspelling uit eigenbelang te doen uitkomen. Ze trok ’s nachts haar vaders purperen haarlok uit. Haar bedoeling was dat Minos op zijn beurt verliefd zou worden wanneer ze hem de haarlok zou aanbieden, maar het tegenovergestelde gebeurde: Minos verafschuwde het geschenk en veroordeelde haar verraad. Tijdens de daarop volgende strijd stierf Nisus en de Megara viel. Minos was echter niet trots op deze door verraad behaalde overwinning en keerde snel terug naar Kreta. Scylla zwom hem achterna (volgens Ovidius) of werd door Minos met een touw om haar benen door het water gesleept (volgens een andere versie van het verhaal). Toen ze dreigde te verdrinken, veranderde ze opeens in een zeevogel. De gedaanteverandering, bedoeld als bevrijding, bleek toch een straf te zijn toen ze werd aangevallen door een visarend. Op aansturen van Jupiter was Nisus immers teruggekeerd in die gedaante om haar te straffen.

De reden dat Ovidius Scylla hier associeert met honden, is dat hij Scylla, dochter van Nisus, verwart met de nimf Scylla. Toen de zeegod Glaucus haar zijn liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe – bekend uit Homerus Odyssee –  haar uit jaloezie in een zeemonster met de romp en het hoofd van een vrouw, maar uit haar middel groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Zij maakte samen met Charybdis aan de andere kant de Zeestraat van Messina, tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig. Deze zeestraat staat overigens echt bekend als een gevaarlijke zeestraat door de sterke stromingen.

Voorstelling van Scylla op een roodfigurige vaas

Vervolgens keert Ovidius terug naar Mycene: de zoon van Atreus, Agamemnon, werd immers door zijn vrouw Clytaemnestra vermoord toen hij na de Trojaanse Oorlog terug thuis aankwam. Zij nam zo wraak omdat hij hun dochter Iphigenia had geofferd om naar Troje te kunnen varen.

De Ephyreïsche Creüsa‘ was de vrouw met wie Jason wilde trouwen, ten koste van Medea met wie hij reeds getrouwd was. Op die manier kon hij aanspraak maken op de troon van Korinthe (waarvan de oude naam Ephyra was). Medea, de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder, vermoordde uit wraak Creüsa en haar eigen kinderen die ze met Jason had. Creüsa werd vermoord door een mantel die haar levend verbrandde toen ze hem aantrok, vandaar de vermelding van de vlam in de tekst. Dit verhaal wordt uitgebreid beschreven door de Griekse tragicus Euripides (ca. 480 v.C. – 406 v.C.) in zijn tragedie Medea en Ovidius schreef ook zelf een – jammer genoeg verloren gegane- tragedie met dezelfde titel.

Phoenix, het volgende voorbeeld in de reeks, verleidde op aangeven van zijn moeder de minnares van zijn vader Amyntor, de koning van Ormenium in Thracië. Amyntor nam daarvoor wraak door Phoenix blind te maken. Volgens een andere versie vervloekte hij hem zodat Phoenix geen kinderen zou kunnen verwekken. Ovidius kiest hier duidelijk voor de eerste versie.

Hippolytus, die er door zijn stiefmoeder Phaedra valselijk van beschuldigd werd haar te willen verleiden terwijl het omgekeerde het geval was, stierf in een ongeluk met zijn strijdwagen. Dat werd veroorzaakt door Poseidon op vraag van Hippolytus’ vader Theseus, die zijn zoon wou straffen voor zijn vermeende misdaad.

Phineus, tot slot van dit stukje, was de koning van Salmydessus in Thracië. Op instigatie van zijn tweede vrouw Idaea liet hij zijn twee zonen uit zijn eerste huwelijk blind maken. Zij beschuldigde hen ervan haar geslagen te hebben. Phineus werd vervolgens zelf met blindheid geslagen door de goden, maar verkreeg tegelijk ook profetische gaven.

Het spreekt voor zich dat deze zeer lange opsomming van soms weinig bekende mythen slecht past in het populariserende kraam van Meihuizen. Ook hier is de verklaring voor de weglating van de passage niet ver te zoeken.

Ars Amatoria I, 406-408

Het zijn niet altijd lange passages die door Meihuizen weggelaten worden in zijn vertaling. Korte stukjes zoals dit komen ook in aanmerking voor censuur. In dit deel gaat het over het gunstige moment om een vrouw te verleiden. De vertaling van Meihuizen luidt als volgt:

“Als haar verjaardag nadert, of Maart en April in ’t land zijn, stel Uw poging dan uit.”

Het advies om de verjaardag te vermijden, dat op het eerste zicht wat merkwaardig overkomt, wordt even verder verklaard:

“Ontwijk met bijgeloovige vrees den verjaardag van Uw meisje en beschouw dien dag, waarop ge met een cadeau moet komen, als een ongeluksdag. Hoe ge ook zult trachten eraf te komen, zij zal toch wat van U weten los te krijgen, want de vrouw heeft de kunst uitgevonden aan verliefde vrienden dure dingen te ontrukken.”

We kennen ze allemaal wel: de vlotte schone die iedereen om haar vinger windt…

De vermelding van maart en april behoeft wat meer uitleg. Hiervoor hebben we de volgende weggelaten verzen nodig.

Ars Amatoria I, 406-408

[Sive dies suberit natalis sive Kalendae]
Quas Venerem Marti continuasse iuvat,
Sive erit ornatus non, ut fuit ante, sigillis,
Sed regum positas Circus habebit opes
[Differ opus.]

Vertaling

[Wanneer haar verjaardag nadert, of de Kalenden]
Waarvan het Venus verheugt dat ze aan de maand van Mars grenzen,
Of wanneer de Circus niet, zoals het vroeger was, versierd zal zijn met kleine standbeelden,
Maar nu neergelegde rijkdommen van koningen zal hebben,
[Stel de onderneming dan uit.]

De kalendae waren in de Romeinse kalender de eerste dag van de maand. In dit geval gaat het om de Kalenden die aan de maand van Mars, de maand maart dus, grenzen. Het gaat hier bijgevolg om de eerste dag van de maand april. De maand april was bij de Romeinen de maand van Venus en op de eerste dag van die maand werd Venus gevierd. Ovidius raadt de vrijgezel die op zoek is naar een meisje dus af om een poging te wagen op de dag die het Romeinse equivalent van Valentijnsdag is.

Met de regels die dan volgen, doelt Ovidius op een soort markt rond de Circus Maximus ter gelegenheid van de Sigillaria, een feest dat na de Saturnalia – kort door de bocht: het Romeinse Carnaval – plaatsvond. Tijdens de Sigillaria werden – oorspronkelijk kleine en eenvoudige – standbeelden, sigilla, verkocht om als geschenkje te geven. Deze standbeelden waren ten tijde van Ovidius een pak luxueuzer uitgevoerd en dus veel duurder geworden, zo duur dat ze konden worden bestempeld als “rijkdommen van koningen”. Ook deze dag is dus een zwarte dag voor een minnaar die zijn geldbuidel wat wil sparen.

Ars Amatoria I, 681-704

Deze weggelaten passage is een illustratie bij een verleidingstechniek die we tegenwoordig zouden omschrijven als grensoverschrijdend gedrag:

“Welk verstandig man zal zijn minnetaal niet willen doorspekken met kussen? Mogelijk, dat zij ze niet wil geven, doch dan moet ge maar stelen wat ze niet geeft. Misschien zal ze zich eerst verzetten en “deugniet” tegen U zeggen, maar dan zal ze toch gaarne door Uw gestoei overwonnen worden.”

Er is echter wel zin voor nuance aanwezig:

“Maar, pas op, dat ge met bruut geroofde zoenen haar teedere lippen niet kwetst en dat ze niet kan klagen, dat ge te ruw waart!”

Een uitgebreide illustratie bij het principe van “stelen wat ze niet geeftis de volgende weggelaten passage:

Ars Amatoria I, 681-704

Fabula nota quidem, sed non indigna referri,
Scyrias Haemonio iuncta puella viro.
Iam dea laudatae dederat mala praemia formae
Colle sub Idaeo vincere digna duas:
Iam nurus ad Priamum diverso venerat orbe,
Graiaque in Iliacis moenibus uxor erat:
Iurabant omnes in laesi verba mariti:
Nam dolor unius publica causa fuit.
Turpe, nisi hoc matris precibus tribuisset, Achilles
Veste virum longa dissimulatus erat.
Quid facis, Aeacide? non sunt tua munera lanae;
Tu titulos alia Palladis arte petas.
Quid tibi cum calathis? clipeo manus apta ferendo est:
Pensa quid in dextra, qua cadet Hector, habes?
Reice succinctos operoso stamine fusos!
Quassanda est ista Pelias hasta manu.
Forte erat in thalamo virgo regalis eodem;
Haec illum stupro comperit esse virum.
Viribus illa quidem victa est, ita credere oportet:
Sed voluit vinci viribus illa tamen.
Saepe ‘mane!’ dixit, cum iam properaret Achilles;
Fortia nam posita sumpserat arma colo.
Vis ubi nunc illa est? Quid blanda voce moraris
Auctorem stupri, Deidamia, tui?

Vertaling

Het verhaal is zeker gekend, maar vermelding niet onwaardig,
Een meisje van Scyrus werd verbonden aan de Haemonische man.
Reeds had de godin met de veelgeprezen schoonheid een vergiftigde beloning gegeven,
Zij die het waard was haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida.
Reeds was een schoondochter van een ver continent bij Priamus aangekomen,
En was er een Griekse echtgenote binnen de muren van Ilium:
Allen zwoeren bij de bevelen van de gekrenkte echtgenoot:
Want het leed van één was een openbare zaak.
Op schandelijke wijze, als dit niet aan de smeekbeden van de moeder te wijten was,
Verborg Achilles zijn mannelijkheid onder lange kledij.
Wat doe je, kleinzoon van Aeacus? De wol [spinnen] is jouw werk niet;
Jij moet de eerbewijzen van een andere kunst van Pallas nastreven.
Wat moet je aanvangen met manden? Jouw hand is geschikt om een schild te dragen:
Waarom heb je wol in de rechterhand, waaronder Hector vallen zal?
Gooi dat met veel tijdrovend werk omwikkelde spinrokken weg!
Jouw hand moet de speer van de Pelion drillen.
Door toeval lag een koninklijke maagd in hetzelfde bed;
Zij bemerkte door haar ontering dat hij een man was.
Door geweld werd zij overwonnen, dit moeten we althans geloven:
Maar toch wilde ze door geweld overwonnen worden.
Dikwijls zei ze ‘blijf!’ terwijl Achilles zich al weghaastte;
Want nadat hij de ketel had weggezet nam hij reeds zijn sterke wapens op.
Waar is dat geweld nu? Waarom houd je met een vleiende stem
De dader van jouw ontering tegen, Deidamia?

Deze episode speelt zich af wanneer Achilles op bevel van zijn moeder Thetis als vrouw vermomd onderduikt op Scyrus, om te ontsnappen aan een mobilisatie voor de Trojaanse Oorlog. Hij zou immers een grote aanwinst zijn voor het Griekse leger, maar volgens een orakel zou de oorlog hem het leven kosten, hetgeen Thetis wilde vermijden. Uiteindelijk wordt Achilles ontmaskerd door een list van Odysseus: wanneer hij aankomt op Scyrus spreidt hij een hoop geschenken, waaronder een wapenrusting, tentoon waaruit hij de vrouwen laat kiezen. Op dat moment laat hij echter een alarmsein geven. Achilles, die denkt dat er echt een aanval op komst is, grijpt in een reflex naar de wapens en wordt op die manier ontmaskerd. Het “meisje van Scyrus“, is hier de prinses Deidamia. De “Haemonische manis Achilles, die afkomstig is uit Phthia, dat als oude naam Haemonia draagt. De godin “die het waard was te haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida“, is Venus die het Parisoordeel won op de Idaberg bij Troje. Ook bij deze passage is er veel veronderstelde kennis, hoewel het hier gaat om een overbekende held als Achilles. Meihuizen opteert dus ook hier geheel volgens zijn principe voor het weglaten van de anekdote.

Ars Amatoria I, 741-744

De volgende weggelaten regels zijn een tegenwerping bij een goede raad die Ovidius geeft. Hij raadt immers aan niet te veel op te scheppen over de dame die je op het oog hebt, anders zou een “vriend” wel eens onder je duiven kunnen schieten. Hij geeft vervolgens mythologische tegenvoorbeelden die hij vervolgens weerlegt (een zogenaamde occupatio). Het zijn deze tegenvoorbeelden die door Meihuizen weggelaten worden, alweer omwille van de veelheid aan mythologische informatie die erin samengebald is.

Ars Amatoria I, 741-744

At non Actorides lectum temeravit Achillis:
Quantum ad Pirithoum, Phaedra pudica fuit.
Hermionam Pylades quo Pallada Phoebus, amabat,
Quodque tibi geminus, Tyndari, Castor, erat.

Vertaling

Maar de kleinzoon van Actor heeft het bed van Achilles toch niet onteerd:
Wat Pirithoüs betreft, was Phaedra kuis.
Pylades hield van Hermione zoals Phoebus van Pallas,
en zoals je tweelingbroer Castor voor jou was, dochter van Tyndareus.

De kleinzoon van Actor is Patroclus, de trouwe vriend – en volgens sommige theorieën ook minnaar – van Achilles. Pirithoüs was de vriend van Theseus, die met Phaedra getrouwd was. Dat Phaedra wel plannen tot overspel had, wordt hier subtiel duidelijk:  “Wat Pirithoüs betreft, was ze kuis“, maar niet wanneer het Hippolytus betreft… Pylades, vriend van Orestes, maakte volgens de mythologie geen avances bij diens vrouw Hermione, net zoals Phoebus (Apollo) dat niet deed bij Pallas (Athena), die overigens haar maagdelijkheid wilde bewaren. De dochter van Tyndareus is Helena, de zus van Castor en Pollux. In deze vier verzen worden dus in razende vaart zeer veel mythologische personages geciteerd, soms zelfs enkel met hun vadersnaam, wat het tekstbegrip voor niet-specialisten uiteraard erg bemoeilijkt. Meihuizen lost dit in zijn vertaling alweer op met een parafrase:

“Maar” – zult ge zeggen – “verschillende helden in onze mythen hebben zich toch niet op die wijze misdragen!”

Deze veralgemening is uiteraard makkelijker te verteren dan de uitgebreide mythologische verhalen, maar haalt ook de rijkdom van de tekst weg. De redenering blijft echter duidelijk: vertrouw je vrienden maar niet te veel wanneer het gaat over je amoureuze plannen.

Ars Amatoria II, 216-219

Ook een andere korte weglating wordt opgelost met een parafrase:

“Men meent te weten, dat Hercules te midden van Ionische slavinnen de werkmand ophield en grove wol heeft gekamd.”

Voorafgaand aan dit stukje heeft Ovidius de lezer de raad gegeven er niet voor terug te deinzen kleine werkjes te doen voor je geliefde, ook al zijn het taken die normaal door slaven gedaan worden. Deze passage, die alweer als illustratie dient bij een raadgeving, ziet er in de oorspronkelijke versie zo uit:

Ars Amatoria II, 216-219

Ille, fatigata praebendo monstra noverca
Qui meruit caelum, quod prior ipse tulit,
Inter Ioniacas calathum tenuisse puellas
Creditur, et lanas excoluisse rudes.

Vertaling

Hij die, nadat hij zijn stiefmoeder vermoeid had met monsters op hem af te sturen,
De hemel verdiende, die hij eerder zelf gedragen had,
Droeg tussen de Ionische meisjes een mand,
Zo gelooft men, en kamde grove wol.

Het gaat hier inderdaad over Hercules, maar dat weten we in de oorspronkelijke versie alleen door de mythologische verwijzingen: Juno, die hier ironisch zijn stiefmoeder genoemd wordt, zorgde er indirect voor dat Hercules verplicht werd zijn twaalf werken uit te voeren, nadat een eerste moordpoging met twee slangen mislukt was. Hercules verdiende inderdaad de hemel: hij werd vergoddelijkt na zijn dood. Die hemel had hij tijdens zijn leven zelf gedragen, toen hij Atlas afloste bij deze taak, zodat Atlas de gouden appels van de Hesperiden in zijn plaats kon plukken. De slavendienst van Hercules is een verwijzing naar zijn dienst bij Omphale, de koningin van Lydië. Hercules moest een jaar lang haar slaaf zijn en vrouwenwerk doen, als straf voor een moord. Daarbij droeg hijzelf vrouwenkleren, terwijl Omphale zijn leeuwenhuid en knots droeg. Na afloop van zijn dienstjaar was Omphale blijkbaar zo tevreden over het rollenspel, dat ze met hem trouwde.

Ars Amatoria II, 401-406

In deze weggelaten passage worden Clytaemnestra’s beweegredenen voor de moord op haar man Agamemnon uiteengezet. Meihuizen laat deze in zijn vertaling weg, maar vermeldt het voorbeeld van haar overspelige relatie met Aegisthus, de zoon van Thyestes, wel:

Verontwaardigd door wat ze ondervond, liet zij den zoon van Thyestes toe in haar hart en haar armen en strafte zoodoende ter dege haar zondigen man.

“Wat ze ondervond”, was het volgende:

Ars Amatoria II, 401-406

Audierat laurumque manu vittasque ferentem
Pro nata Chrysen non valuisse sua:
Audierat, Lyrnesi, tuos, abducta, dolores,
Bellaque per turpis longius isse moras.
Haec tamen audierat: Priameida viderat ipsa:
Victor erat praedae praeda pudenda suae.

Vertaling

Ze had gehooord dat Chryses, die de laurier in zijn hand en de hoofdband droeg,
Niets kon doen voor zijn dochter.
Ze had gehoord, Lyrnessische, over jouw pijnen nadat je ontvoerd was,
En dat de oorlog langer doorging door schandelijk oponthoud.
Deze dingen had ze gehoord. Maar de dochter van Priamus zag ze zelf:
De overwinnaar was een schandelijke prooi van zijn prooi.

Hier wordt verwezen naar het conflict dat de aanleiding is van alle gebeurtenissen in Homerus’ Ilias: een ruzie tussen Agamemnon en Achilles, met Chryseïs, de dochter van Chryses en afkomstig van Lyrnessa, als inzet, liep uit de hand. Chryses was een priester van Apollo, vandaar dat hij de laurier, symbool van Apollo, en de hoofdband droeg. Hij vroeg de vrijlating van zijn dochter, die ontvoerd was door Agamemnon. Agamemnon weigerde dit eerst, maar moest uiteindelijk toch toegeven wanneer Achilles zijn steun aan Chryses verleende. Uit wraak eiste hij wel Achilles’ buit, de slavin Briseïs, op. Achilles werd op zijn beurt verplicht toe te geven en was zo woedend, dat hij de Grieken nog weigerde te steunen in hun strijd tegen de Trojanen. Dit zorgde voor een “schandelijk oponthouden deed de oorlog nog langer aanslepen.

Na de oorlog keerde Agamemnon terug, met de dochter van Priamus, Cassandra, als gevangene. Hij pleegde overspel met haar en dit was nog een reden tot moorden voor Clytaemnestra. Ook Cassandra zou het moeten ontgelden.

Ars Amatoria III 11-24

Aan het begin van dit derde boek boek, waarin Ovidius nu de vrouwen verleidingstips geeft, verantwoordt hij zijn aanpak:

“Het was niet billijk de meisjes ongewapend tegen de welvoorziene mannen te doen optrekken en zoo te overwinnen, was ook voor U mannen, alles behalve eervol.”

Hierop volgt een occupatio:

“Mogelijk zal iemand van mijn vele lezers zeggen: “Waartoe verschaft ge een slang nog meer venijn en levert ge een schaapskooi aan de wreede wolvin over?” Ge moet de ondeugdelijkheid van sommige vrouwen niet allen aanwrijven. Ieder meisje worde naar haar eigen verdiensten beoordeeld.”

Deze occupatio is te vergelijken met die van I, 741-744, maar dit keer valt het antwoord duidelijk positief uit. Hierop volgt een weggelaten tekstdeel dat door Meihuizen als volgt samengevat wordt:

“Al noemen de mythen eenige vrouwen, die zich misdroegen, vertellen zij ons niet van andere heldinnen, die voor hun mannen alles overhadden?”

Dit is een verantwoording bij het antwoord op de occupatio. In de oorspronkelijke versie stond het volgende te lezen:

Ars Amatoria III 11-24

Si minor Atrides Helenen, Helenesque sororem
Quo premat Atrides crimine maior habet,
Si scelere Oeclides Talaioniae Eriphylae
Vivus et in vivis ad Styga venit equis,
Est pia Penelope lustris errante duobus
Et totidem lustris bella gerente viro.
Respice Phylaciden et quae comes isse marito
Fertur et ante annos occubuisse suos.
Fata Pheretiadae coniunx Pagasaea redemit:
Proque viro est uxor funere lata viri.
‘Accipe me, Capaneu! cineres miscebimus’ inquit
Iphias, in medios desiluitque rogos.

Vertaling

Indien de jongere zoon van Atreus Helena heeft om te beschuldigen van een misdrijf
En de oudere zoon van Atreus de zuster van Helena,
Indien de zoon van Oecles door de misdaad van Eriphyle, dochter van Talaüs
Levend en op levende paarden bij de Styx aankomt,
Is Penelope toch trouw, hoewel haar man gedurende twee lustra rondzwierf
En evenveel lustra oorlog voerde.
Kijk naar de kleinzoon van Phylacus en naar haar die haar echtgenoot vergezelde
– zo zegt men – en voor haar tijd het leven liet.
De Pagasische echtgenote kocht het doodslot van de zoon van Pheres af:
En in de plaats van haar man werd de vrouw in de begrafenisstoet van haar man gedragen.
‘Neem me aan, Capaneus! Als asse zullen we ons mengen!’ zei
De dochter van Iphis en ze sprong in het midden van de brandstapel.

De jongere zoon van Atreus is Menelaos, die door zijn vrouw Helena met Paris bedrogen werd, zijn broer Agamemnon werd, zoals reeds vermeld, vermoord door Clytaemnestra, Helena’s zuster.

De zoon van Oecles is Amphiaraüs. Toen die door Polynices werd aangesproken om mee oorlog te voeren tegen Polynices’ broer Eteocles, met de Thebaanse troon als inzet, weigerde Amphiaraüs, omdat hij door zijn zienersgave wist dat iedereen de zich bij Polynices aansloot hierbij zou omkomen. Hij verborg zich, maar zijn vrouw Eriphyle verraadt hem aan Polynices in ruil voor de halsketting die had toebehoord aan Harmonia, de vrouw van Cadmus, de stichter van Thebe. Na de nederlaag tegen Eteocles sloeg Amphiaraüs op de vlucht in zijn strijdwagen, maar Jupiter opende de aarde met zijn bliksem, om te voorkomen dat Amphiaraüs in zijn rug gestoken zou worden door zijn achtervolgers. Zo kwam hij “levend en op levende paarden bij de Styxaan. Hierna werd hij vergoddelijkt.

Na deze negatieve voorbeelden, volgen vier positieve voorbeelden. Het eerste is Penelope, de vrouw van Odysseus die gedurende twintig jaar trouw bleef aan haar doodgewaande man en niet trouwde met één van de talrijke en opdringerige kandidaten die zich aanboden.

Het tweede voorbeeld is Laodamia, de vrouw van Protesilaüs, de kleinzoon van Phylacus, die zoveel verdriet had om het overlijden van haar man in de Trojaanse Oorlog, dat ze zelfmoord pleegde.

Het derde positieve voorbeeld van vrouwelijke toewijding aan de echtgenoot is Alkestis, die in de plaats van haar echtgenoot Admetus, zoon van Pheres, stierf. Admetus had immers van Apollo de gave gekregen om zijn leven te verlengen, indien iemand bereid was in zijn plaats te sterven. In de bloei van zijn leven werd Admetus ziek en zijn dood naderde. Hoe hij ook zocht, niemand, zelfs een slaaf niet, wilde in zijn plaats sterven. Uiteindelijk bood Alkestis zich aan, want ze zou toch zonder hem niet kunnen verder leven, zo zei ze zelf. Admetus moest wel beloven goed voor hun kinderen te zorgen en na haar dood niet met een andere vrouw te trouwen. Admetus beloofde het en genas, terwijl Alkestis stierf. Achteraf kreeg hij echter spijt en hij wilde samen met Alkestis sterven, maar hij was gebonden aan de eed die hij gezworen had om voor de kinderen te zorgen en bleef dus in leven. Vervolgens werd Alkestis echter uit de onderwereld teruggehaald door Hercules of teruggestuurd door Persephone, de vrouw van Pluto, die ontroerd was door het offer dat Alkestis gebracht had. Alkestis was afkomstig van Pagasae, een havenstad in Thessalië, vandaar dat Ovidius haar “de Pagasischenoemt.

Het vierde en laatste voorbeeld in deze reeks is Euadne, de dochter van Iphis, wier man Capaneus net als Amphiaraüs stierf in de oorlog die Polynices uitvocht tegen Eteocles. Zij gooide zich van verdriet op de brandstapel die voor hem bedoeld was.

Geschrapte libertijnsche passages

De passages die we hier laten volgen, zijn om verschillende redenen te onzedig om in 1941 integraal vertaald te worden voor een breed publiek. Het gaat hier om delen uit het tweede en derde boek van de Ars Amatoria. Dit is een logisch gevolg van de structuur van het werk, die de chronologische volgorde van het verleidingsproces volgt. Het spreekt dus voor zich dat de “consummatie” van dit proces op het einde van de tips voor mannen (boeken één en twee) en op het einde van de reeks tips voor vrouwen (boek drie) gesitueerd is.

Ars Amatoria II, 684

In een passage waarin Ovidius zegt dat hij het niet heeft voor bedactiviteiten waar slechts één betrokken partij plezier aan beleeft, zegt hij het volgende:

Hoc est, cur pueri tangar amore minus.

Dit is de reden, waarom ik minder wordt getroffen door de liefde van of voor een jongen.

In een tijd dat homoseksualiteit nog verre van aanvaard en in de meeste westerse landen zelfs nog voor juridische vervolging vatbaar was, kon deze regel niet bewaard blijven in de vertaling. Ter illustratie: homoseksualiteit werd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) pas in 1990 uit de lijst van psychische ziekten geschrapt. Daarbij moeten we echter bedenken dat de klassering als ziekte, die haar wortels vindt in de 19de eeuw, oorspronkelijk een vooruitgang was: de definitie als ziekte in plaats van als zonde nam immers de schuld weg bij het individu. Deze problematiek kende men in de oudheid echter totaal niet, omdat seksualiteit überhaupt niet als zondig werd gezien, vandaar dat Ovidius er ook zo openlijk en zelfs ‘en passant’ over kan spreken.

Ars Amatoria II, 690-692

Een paar regels verder zijn er alweer verzen die voor censuur vatbaar zijn: na de stelling dat “het hem verheugt uit haar stem te hooren hoe gelukkig ze is en den kwijnenden blik van zijn lief op te vangen”, gaat Ovidius volgens Meihuizen een stap te ver:

Quaeque morer me, me sustineamque rogent.
Aspiciam dominae victos amentis ocellos:
Langueat, et tangi se vetet illa diu.

[Haar stem] die me vraagt trager te gaan en me in te houden.
Ik zal kijken naar de overwonnen ogen van mijn uitzinnige meesteres:
moge zij murw zijn en zich er lange tijd van weerhouden aangeraakt te worden.

Elke vorm van commentaar is hier volstrekt overbodig.

Ars Amatoria II, 703-733

Na een korte lofzang op de rijpere vrouw, die Ovidius’ voorkeur wegdraagt, laat Meihuizen opnieuw een passage weg. In dit geval gaat het zelfs om het “hoogtepunt” van de eerste twee boeken van de Ars Amatoria: ook hier spreken de tekst en de vertaling voor zich.

Ars Amatoria II, 703-733

Conscius, ecce, duos accepit lectus amantes:
Ad thalami clausas, Musa, resiste fores.
Sponte sua sine te celeberrima verba loquentur,
Nec manus in lecto laeva iacebit iners.
Invenient digiti, quod agant in partibus illis,
In quibus occulte spicula tingit Amor.
Fecit in Andromache prius hoc fortissimus Hector,
Nec solum bellis utilis ille fuit.
Fecit et in capta Lyrneside magnus Achilles,
Cum premeret mollem lassus ab hoste torum.
Illis te manibus tangi, Brisei, sinebas,
Imbutae Phrygia quae nece semper erant.
An fuit hoc ipsum, quod te, lasciva, iuvaret,
Ad tua victrices membra venire manus?
Crede mihi, non est veneris properanda voluptas,
Sed sensim tarda prolicienda mora.
Cum loca reppereris, quae tangi femina gaudet,
Non obstet, tangas quo minus illa, pudor.
Aspicies oculos tremulo fulgore micantes,
Ut sol a liquida saepe refulget aqua.
Accedent questus, accedet amabile murmur,
Et dulces gemitus aptaque verba ioco.
Sed neque tu dominam velis maioribus usus
Desere, nec cursus anteat illa tuos;
Ad metam properate simul: tum plena voluptas,
Cum pariter victi femina virque iacent.
Hic tibi versandus tenor est, cum libera dantur
Otia, furtivum nec timor urget opus.
Cum mora non tuta est, totis incumbere remis
Utile, et admisso subdere calcar equo.

Parthische ruiter van Abraham de Bruyn

Vertaling

Kijk, het medeplichtige bed ontvangt twee minnaars :
Muze, blijf achter bij de gesloten deuren van de slaapkamer.
Beroemde woorden zullen ook zonder jou uit zichzelf spreken
En de linkerhand zal evenmin werkeloos in het bed liggen.
De vingers zullen vinden wat ze moeten doen in die lichaamsdelen,
Waarin Cupido heimelijk zijn pijlpunten drenkt.
De dappere Hector deed dit in het verleden voor Andromache:
Hij was niet enkel nuttig voor de oorlog…
De grote Achilles deed dit ook bij de gevangen Lyrnessische,
Toen hij, vermoeid door de vijand, het zachte bed indrukte.
Jij, Briseïs, stond toe aangeraakt te worden met die handen,
Die in Phrygië steeds van moord doordrenkt waren.
Of was het misschien net dát dat jou, wellustelinge, opwond,
Dat die overwinnaarshanden naar jouw lichaam kwamen?
Geloof me, de voldoening van Venus moet niet overhaast worden,
Maar moet geleidelijk en met lang uitstel worden opgehitst.
Wanneer je de plaatsen gevonden hebt, waar een vrouw graag aangeraakt wordt,
Laat de schaamte dan niet verhinderen dat je haar daar aanraakt.
Je zal zien dat haar ogen heen en weer schieten met een sidderende flits,
Zoals de zon glinstert op stromend water.
Daarbij komen nog gesteun en beminnelijk gekreun
En zoete zuchten en woorden die geschikt zijn voor grapjes.
Maar vaar je meesteres niet voorbij door grotere zeilen te gebruiken
Noch moet zij je voorgaan op deze weg;
Haast jullie samen naar de eindmeet: dan pas is de voldoening volmaakt,
Wanneer man én vrouw tegelijk uitgeput neerzijgen.
Deze koers moet je aanhouden, wanneer het je niet ontbreekt
Aan tijd en de angst de vluchtige daad niet verhaast.
Maar wanneer uitstel niet veilig is, dan alle zeilen bij te zetten
En het paard, dat de vrije teugel heeft, de sporen te geven, dat is nuttig.

Ars Amatoria III, 769-788

Ook voor de vrouwen heeft Ovidius bepaalde tips, zodat ze zich van hun mooiste kan kunnen laten zien. Deze volgen vlak na de goede raad “een beetje te drinken, maar ook niet te veel.”

Ars Amatoria III, 769-788

Ulteriora pudet docuisse: sed alma Dione
‘Praecipue nostrum est, quod pudet’ inquit ‘opus.’
Nota sibi sit quaeque: modos a corpore certos
Sumite: non omnes una figura decet.
Quae facie praesignis erit, resupina iaceto:
Spectentur tergo, quis sua terga placent.
Milanion umeris Atalantes crura ferebat:
Si bona sunt, hoc sunt accipienda modo.
Parva vehatur equo: quod erat longissima, numquam
Thebais Hectoreo nupta resedit equo.
Strata premat genibus, paulum cervice reflexa,
Femina per longum conspicienda latus.
Cui femur est iuvenale, carent quoque pectora menda,
Stet vir, in obliquo fusa sit ipsa toro.
Nec tibi turpe puta crinem, ut Phylleia mater,
Solvere, et effusis colla reflecte comis.
Tu quoque, cui rugis uterum Lucina notavit,
Ut celer aversis utere Parthus equis.
Mille modi veneris; simplex minimique laboris,
Cum iacet in dextrum semisupina latus.

Vertaling

Ik schaam me ervoor verder onderricht te geven: maar de voedster Dione
Zegt: ‘Uitgerekend datgene waarvoor we ons schamen, is mijn werk.’
Elke vrouw moet zichzelf kennen: de maat die voor jouw lichaam past,
Die moet je aannemen: dezelfde houding past niet bij iedereen.
Wie een mooi gezicht heeft, moet achterover liggen:
Wie een mooie rug heeft, moet die laten zien.
Milanion droeg de benen van Atalanta op zijn schouders:
Als ze mooi zijn, moeten ze op die manier aangewend worden.
Een kleine vrouw moet rijden als op een paard: omdat ze zeer groot was,
Zat de Thebaanse eega nooit op het paard Hector.
Een vrouw die haar hele flank wil laten bewonderen,
Moet zich op haar knieën plaatsen, met de nek een beetje gebogen.
Als de vrouw jeugdige dijen heeft en ook mooie borsten heeft,
Moet de man rechtstaan, maar zijzelf moet schuin op het bed liggen.
En reken het jezelf niet als een schande aan om, zoals Laodamia,
Je haar los te laten, en leg je nek achterover met je losse haren.
Ook jij, bij wie een geboortegodin Lucina de buik met striemen heeft getekend,
Maak er gebruik van, zoals de snelle Parthen averechts te paard zitten.
Er zijn duizend manieren om de liefde te bedrijven: een eenvoudige en weinig vermoeiende is,
Wanneer zij half achterovergebogen op de rechterzij ligt.

De Dione waarvan sprake aan het begin van dit stukje, is de moeder van Venus, maar de naam wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor Venus. In dit geval geniet de laatste interpretatie om evidente redenen de voorkeur. Een gelijkaardig geval doet zich voor bij de naam Milanion: dit is een andere naam voor Hippomenes. De Thebaanse echtgenote van Hector was Andromache, die volgens Homerus inderdaad van Thebe afkomstig was.

Ars Amatoria III, 793-808

Na vier regels die Meihuizen wel vertaalt en waarin Ovidius verklaart dat zijn tips “omwille van zijn ervaring” meer waarheid bevatten “dan de orakels van Apollo en Ammon samen“, volgt opnieuw een lange passage die weggelaten wordt: het hoogtepunt volgt immers nu pas:

Ars Amatoria III, 793-808

Sentiat ex imis venerem resoluta medullis
Femina, et ex aequo res iuvet illa duos.
Nec blandae voces iucundaque murmura cessent,
Nec taceant mediis improba verba iocis.
Tu quoque, cui veneris sensum natura negavit,
Dulcia mendaci gaudia finge sono.
Infelix, cui torpet hebes locus ille, puella,
Quo pariter debent femina virque frui.
Tantum, cum finges, ne sis manifesta, caveto:
Effice per motum luminaque ipsa fidem.
Quam iuvet, et voces et anhelitus arguat oris;
A! pudet, arcanas pars habet ista notas.
Gaudia post Veneris quae poscet munus amantem,
Illa suas nolet pondus habere preces.
Nec lucem in thalamos totis admitte fenestris;
Aptius in vestro corpore multa latent.

Vertaling

Moge een ontketende vrouw een genot voelen
Dat door merg en been gaat, en mogen beide geliefden daar op gelijke wijze van genieten.
En de liefkozende woorden moeten niet ophouden, noch het aangename gekreun,
Noch de stoute woordjes vergezeld van grapjes.
Ook jij, aan wie de natuur het gevoel van genot heeft ontzegd,
Moet de zoete genoegens met leugenachtig geluid nabootsen.
Ongelukkig het meisje, bij wie die plaats van de jeugd gevoelloos is,
Waar man en vrouw op dezelfde manier moeten genieten.
Maar, wanneer je doet alsof, wees dan niet te duidelijk, let op:
Maak het geloofwaardig door bewegingen en met je ogen.
Wie dat wil, kan het ook duidelijk maken met de stem en met gehijg.
Ah! Ik ben beschaamd: dit deel bevat geheime kennis.
Wie na de geneugten van Venus een geschenk vraagt aan haar minnaar,
Die wil niet dat haar smeekbeden enige waarde hebben.
Laat het licht niet uit wijd geopende vensters toe in de slaapkamer:
Zo verberg je makkelijker vele dingen op je lichaam.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnschzijn, zijn inderdaad zeer expliciet, zonder echter, naar onze mening althans, vunzig of plat te zijn. Het bovenstaande kan dan ook enkel een illustratie zijn van een reeds lang gekende waarheid: traduttore traditore, een vertaler – al dan niet gecensureerd – is altijd een beetje een verrader.

Korte bibliografie

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Coverfoto: schilderij ‘Ancient Italy – Ovid Banished from Rome’ van Joseph Mallord William Turner op Wikimedia via The Athenaeum (CC BY-SA 3.0)

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/feed/ 0 635
Woord van de maand: ἱστοπέδη https://www.oudegeschiedenis.be/06/02/2018/woord-maand-%e1%bc%b1%cf%83%cf%84%ce%bf%cf%80%ce%ad%ce%b4%ce%b7/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/02/2018/woord-maand-%e1%bc%b1%cf%83%cf%84%ce%bf%cf%80%ce%ad%ce%b4%ce%b7/#respond Tue, 06 Feb 2018 18:36:25 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=174 schilderij 'Odysseus and the Sirens' van John William Waterhouse (1891) uit de National Gallery of Victoria

In ons nieuwste artikel van de categorie 'Woord van de Maand' gaan we op zoek naar de betekenis en oorsprong van ἱστοπέδη ('histopedè), mastvoet. Lezers van Homerus' 'Odyssee' zullen deze scheepsterm zeker herkennen.

Het bericht Woord van de maand: ἱστοπέδη van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'Odysseus and the Sirens' van John William Waterhouse (1891) uit de National Gallery of Victoria

Wie de scheepsterm ‘histopedè’ (ἱστοπέδη), die in het Nederlands vertaald wordt als onder andere mastvoet, al kent, heeft waarschijnlijk het twaalfde boek van Homerus‘ ‘Odyssee gelezen. Daarin laat Odysseus zich namelijk vastbinden aan dit onderste deel van de mast om niet toe te geven aan de lokroep van de sirenen, die zeemannen betoverden met hun mooie stem. Hij was immers nieuwsgierig genoeg om zijn oren niet dicht te stoppen met was, zoals de rest van zijn bemanning. Door zich te laten vastbinden kon hij de lokroep van de sirenen horen, zonder eraan te kunnen toegeven.

mastvoet (histopedè) van een trireem

Homerus’ Odyssee

Opvallend is dat het woord ἱστοπέδη drie keer voorkomt in dit boek van de ‘Odyssee en verder bijna nergens anders. Dit kan eenvoudig verklaard worden door het feit dat het een zeer gespecialiseerde term is: wanneer was immers de laatste keer dat u het nog had over de mastvoet van uw jacht? Nog opvallender is echter dat de verzen waarin het woord voorkomt nagenoeg identiek zijn. Het gaat om de volgende verzen:

Δησάντων σ’ ἐν νηὶ θοῇ χεῖράς τε πόδας τε
ὀρθὸν ἐν ἱστοπέδῃ, ἐκ δ’ αὐτοῦ πείρατ’ ἀνήφθω. (Od. 12, 50-51)

Ze moeten je op het snelle schip met handen en voeten vastbinden
rechtop aan de mastvoet, daaraan moet het touw vastgemaakt worden.

[…] ἀλλά με δεσμῷ
δήσατ’ ἐν ἀργαλέῳ, ὄφρ’ ἔμπεδον αὐτόθι μίμνω,
ὀρθὸν ἐν ἱστοπέδῃ, ἐκ δ’ αὐτοῦ πείρατ’ ἀνήφθω. (Od. 12, 160b-162)

[…] maar bind me vast
met een pijnlijke keten, opdat ik op deze plaats gekluisterd zou blijven,
rechtop aan de mastvoet, daaraan moet het touw vastgemaakt worden.

Οἱ δ’ ἐν νηί μ’ ἔδησαν ὁμοῦ χεῖράς τε πόδας τε
ὀρθὸν ἐν ἱστοπέδῃ, ἐκ δ’ αὐτοῦ πείρατ’ ἀνῆπτον. (Od. 12, 178-179)

En ze bonden me op het schip de handen en voeten samen,
rechtop aan de mastvoet, daaraan maakten ze het touw vast.

Ook dit verschijnsel is tamelijk eenvoudig te verklaren: in de eerste passage geeft Circe, de tovenares die leefde op het eiland Aeaea, Odysseus het advies om zich te laten vastbinden als hij uit nieuwsgierigheid toch zou willen luisteren naar het gezang. In de tweede passage geeft Odysseus aan zijn mannen het bevel hem vast te binden en in de laatste passage vertelt Odysseus dat dit bevel ook effectief uitgevoerd werd. Dergelijke (bijna) woordelijke herhalingen zijn in het epos niet ongewoon bij het overbrengen van orders via een boodschapper. Daar komt nog bij dat de verteltechniek van Homerus formulair is, dat wil zeggen dat hij vaak dezelfde bewoordingen gebruikt wanneer een gebeurtenis zich herhaalt. Dit werd al aangetoond door Milman Parry in de jaren 30 van de vorige eeuw en het is een kenmerk van alle mondelinge volkspoëzie, waarvan de ‘Ilias’ en de ‘Odyssee’ de schriftelijke neerslag zijn.

Alcaeus van Lesbos

Een andere bekende passage waarin ἱστοπέδη voorkomt, is te vinden bij de dichter Alcaeus van Lesbos (6de eeuw v.C.), wanneer hij het heeft over een schip dat in een storm is terechtgekomen:

Ἀσυνέτημι τῶν ἀνέμων στάσιν
Τὸ μὲν γὰρ ἔνθεν κῦμα κυλίνδεται
Τὸ δ’ ἔνθεν. Ἄμμες δ’ ὂν τὸ μέσσον
Νᾶϊ φορήμεθα σὺν μελαίνᾳ

Χείμωνι μόχθεντες μεγάλῳ μάλα
Πὲρ μὲν γὰρ ἄντλος ἰστοπέδαν ἔχει
Λαῖφος δὲ πὰν ζάδηλον ἤδη
Καὶ λάκιδες μέγαλαι κατ’ αὖτο

Χόλαισι δ’ ἄγκυραι.

 
Waar de wind staat kan ik niet zeggen:
de éne vloedgolf komt van her aangerold,
de andere van der; en wij middenin
zwalpen rond met ons donkere schip

zwoegend tegen ’t felle stormgeweld;
water omspoelt reeds de mastschoor,
het zeil zit overal vol gaten
en hangt er bij in grote flarden,

de binten wrikken los … (vertaling Wikisource)

Sappho & Alcaeus, schilderij van Lawrence Alma Tadema uit het Walters Art Museum, Baltimore, V.S.

Dat ἱστοπέδη hier gespeld wordt als ἰστοπέδα hoeft niet te verbazen, aangezien Alcaeus schreef in een Aeolisch dialect van het Grieks, waarin de spiritus asper niet werd uitgesproken (een fenomeen dat ‘psilosis’ heet) en waarin de vrouwelijke woorden eindigden op –α en niet op –η zoals meestal het geval is in het Attische dialect van Athene.

Met het bespreken van de bovenstaande passages hebben we eigenlijk alle plaatsen waar dit woord voorkomt al uitgeput: het is duidelijk dat het hier om een zeer zeldzaam woord gaat, hoewel we zouden verwachten dat het meer zou voorkomen, aangezien de Grieken toch een zeevarend volk waren en nog steeds zijn. Dit toont ook aan dat elke snipper papyrus met een fragment Grieks ons nieuwe informatie kan bieden over de Griekse taal: buiten Homerus is het woord immers enkel bewaard in het hierboven geciteerde fragment van Alcaeus.

Coverfoto: adaptatie van schilderij schilderij ‘Odysseus and the Sirens’ van John William Waterhouse (1891) uit de National Gallery of Victoria (Google Arts & Culture)

Het bericht Woord van de maand: ἱστοπέδη van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/02/2018/woord-maand-%e1%bc%b1%cf%83%cf%84%ce%bf%cf%80%ce%ad%ce%b4%ce%b7/feed/ 0 174