Chonsoe Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/chonsoe/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Wed, 08 Nov 2023 10:27:36 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Chonsoe Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/chonsoe/ 32 32 136391722 Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/#respond Thu, 02 Nov 2023 18:08:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2493

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we uit de bewaarde papyri over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of de gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.). Van zulke Egyptische begrafenisondernemers is het reilen en zeilen uitzonderlijk goed gedocumenteerd voor deze periode, door de honderden Egyptische (vooral demotische) en Griekse papyri.

Pekelaars, watergieters en godszegelaars

Een foto van Egyptische mummies, getrokken omstreeks 1870

Zoals de Inuit veel woorden (schijnen te) hebben voor sneeuw, zo hebben Egyptenaren veel woorden voor begrafenisondernemers. In de Ptolemaeïsche papyri is de belangrijkste Egyptische titel voor balsemers chery-heb of ‘voorleespriester’, een religieuze titel die een veel ruimer toepassingsgebied heeft maar in documenten uit deze tijd vooral nog in funeraire context verschijnt. Griekse teksten duiden deze voorleespriesters doorgaans op meer prozaïsche wijze aan als taricheutes of ‘pekelaar’, een titel die men niet alleen voor balsemers, maar ook voor collega’s in de voedselconservenindustrie gebruikt. Occasioneel wordt deze titel ingeruild voor entaphiastes, een meer algemene titel voor begrafenisondernemers, of paraschistes, ‘snijder’, waarover later meer.

Balsemers worden in principe onderscheiden van priesters verantwoordelijk voor de begrafenis en dodencultus, zoals de dodenpriesters van het Huis van de Koe en het Hermias-proces. Zij worden in het Egyptisch wah-moe en in het Grieks choachytes genoemd, allebei te vertalen als ‘watergieter’: zij brengen plengoffers voor de overledenen. Daarnaast zijn zij ook betrokken bij de organisatie van Egyptische festivals. Gaandeweg lijken de taken van de balsemer en de ‘watergieter’ te zijn overgenomen door een en dezelfde specialist, de chetemoe-netjer, Egyptisch voor ‘godszegelaar’, door de Grieken vertaald als nekrotaphos, opnieuw een meer algemene titel. Op enkele plaatsen, in het bijzonder in Hawara, komt de titel chetemoe-netjer haast altijd voor in combinatie met wyt, ‘balsemer’. Er bestaan nog veel meer titels, maar je hebt er waarschijnlijk wel stilaan genoeg van. De Egyptische titels van Ptolemaeïsche begrafenisondernemers hebben een lange voorgeschiedenis: wah-moe verschijnt voor het eerst in Thebe in de Ramessidentijd; de andere titels vind je al terug in tombes uit het Oude en Middenrijk.

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)de Garis Davies, N., en Gardiner, A.H., The Tomb of Antefoker, Vizier of Sesostris I, and of His Wife, Senet (no. 60) (Londen, 1920), pl. XXI

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)

Over lijken

De Ptolemaeïsche begrafenisindustrie werd beheerst door een complex, haast absurd systeem van concessies waarin specialisten het exclusieve recht konden verwerven om funeraire diensten te verlenen aan bepaalde groepen van mensen en daaruit inkomsten op te strijken. Deze rechten konden worden verkocht, vererfd, enzovoort. Wanneer je een dierbare verloor, kon je dus niet zelf kiezen welke balsemer je onder de arm nam: er was één begrafenisonderneming die het mummificatie-recht op de overledene bezat. Een demotisch contract uit Memphis uit 78 v.C. biedt een mooi voorbeeld van zo’n concessie (P. Dem. Memphis 7, TM 43705). In dit contract erkent een groep van vier ‘godszegelaars’ het recht van een andere groep van vijf ‘godszegelaars’ op de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais. Als de familie toch met een lijk zou komen aankloppen bij de eerste groep van balsemers, moeten deze de overledene binnen de vier dagen en op eigen kosten overdragen aan de tweede groep, tenzij het dode familielid in kwestie een vrouw zou zijn die gehuwd is met een man uit een familie waarop de eerste groep het recht heeft én een kind met hem heeft, dit alles “in overeenstemming met de wet van de voorleespriesters.” Kan je nog volgen?

Demotisch contract tussen godszegelaars uit Memphis over de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais (P. Dem. Memphis 7 A, 78 v.C.)

Begrafenisondernemers zagen nauwgezet toe op hun rechten en aarzelden niet om juridische stappen te ondernemen wanneer hun belangen met de voeten werden getreden. Dat kon aanleiding geven tot langdurige conflicten, zoals het geschil tussen Amenothes en Petenephotes, gedocumenteerd door enkele Griekse papyri uit Thebe (P. Tor. Amen. 6/7/8, TM 3596/3597/3598). Deze twee ‘snijders’, tevens bekend uit demotische papyri als ‘voorleespriesters’, hadden naar goede gewoonte een gedetailleerde overeenkomst afgesloten over hun respectievelijke rechten in de plaatselijke mummificatie-industrie. Petenephotes mocht de doden uit verschillende dorpen ten westen van de Nijl mummificeren, Amenothes de doden uit verschillende dorpen ten oosten van de Nijl, met één belangrijke uitzondering: de priesters en slaven uit de tempel van Amon (Karnak), die eveneens binnen de competentie van Petenephotes vielen.

Tempel van Chonsoe (Karnak, Nieuwe Rijk)

Die regeling leidde meer dan eens tot problemen. In 119 v.C. daagde Amenothes Petenephotes voor het gerecht omdat laatstgenoemde vrijgelatenen en afstammelingen van priesters uit de tempel had gebalsemd, terwijl hij alleen het recht op de priesters zelf en de slaven bezat. Amenothes werd in zijn gelijk gesteld. Op zijn beurt klaagde Petenephotes in 116 v.C. Amenothes aan: deze had een districtsschrijver gemummificeerd die weliswaar in een van Amenothes’ dorpen was gestorven maar woonachtig was in een van Petenephotes’ dorpen. Volgens Petenephotes had zijn collega hem al eerder in de luren gelegd door zijn diensten aan te bieden voor zieken die met hoop op herstel naar de tempel van Karnak waren gebracht (misschien meer bepaald naar de bijhorende tempel van Chonsoe, bekend voor zijn geneeskundige krachten) maar het loodje hadden gelegd. Petenephotes lijkt daarbij tactisch te verzwijgen dat hijzelf eigenlijk ook alleen maar het mummificatie-recht op de priesters en slaven van de tempel bezat, niet op zieken die er tijdelijk verbleven. De begrafenisondernemers gingen letterlijk en figuurlijk over lijken.

Eentje met natron (en zonder fouten)

Als klant kan je dan maar best eveneens goede afspraken met de balsemers maken. Het British Museum bewaart een zeldzaam voorbeeld van een mummificatie-contract, opgesteld in Thebe in 269 v.C., in het demotisch en in dubbele redactie (P. BM EA 10077, TM 46059). Het contract begint met een kwitantie van de begrafenisondernemer aan zijn cliënt:

Je hebt me volledig betaald voor de belasting op natron, het loon van de balsemer en alles wat de mummificatie van Paoeser je zoon betreft.

Demotisch mummificatie-contract uit Thebe (269 v.C., British Museum, EA 10077)

Natron is een belangrijk mummificatieproduct, dat gebruikt werd om lichamen te dehydrateren. Vorige commentatoren hebben hier “het aandeel van natron” of zelfs “de reiniging met natron” gelezen, maar het gaat duidelijk om de belasting. In plaats van “het loon van de balsemer” hebben onderzoekers vroeger “mummiewindsels” gelezen: het is altijd opletten geblazen met demotische teksten. Na deze kwijting somt de begrafenisondernemer zijn plichten op: hij zal Paoeser behandelen met pecheret of “medicamenten” (een mooie term voor mummificatieproducten, die de dode van bederf “genezen”), hij zal hem overhandigen aan de watergieter van zijn cliënt (die wellicht de eigenlijke begrafenis verzorgt) en hij zal geen “fout van een voorleespriester” begaan, wat wellicht slaat op fouten in de mummificatie, heel vervelend als je je lichaam na de dood nog nodig hebt… Voor alle zekerheid wordt er ook een deadline vastgesteld: vreemd genoeg 52 dagen (vroeger verkeerdelijk gelezen als 72), terwijl een mummificatie in principe ongeveer 70 dagen duurde.

Enkele jaren geleden dook er tijdens opgravingen in Tebtynis in de Fajoem-oase een nieuw Ptolemaeïsch mummificatie-contract op, voor de overleden echtgenote van een priester (P. Tebt. SCA 6863). Het contract begint opnieuw met een kwijting voor een belasting, deze keer geheven op de “medicamenten” (pecheret), alsook een kwijting voor de aankoopprijs van sefy, een van de belangrijkste funeraire producten in deze periode, wellicht een pekachtige substantie afkomstig van naaldbomen. De begrafenisondernemer verbindt zich ertoe de mummificatie volgens de regeltjes uit te voeren en de klant is op zijn beurt verplicht om alle verdere kosten te betalen.

Het kan op het eerste zicht verbazing wekken dat er zo veel papyri over begrafenissen maar slechts twee mummificatie-contracten gevonden zijn, maar hier zijn twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste werden deze contracten normaal gezien bijgehouden in de archieven van de klanten eerder dan de archieven van de begrafenisondernemers, maar zijn deze laatste veel beter bewaard omdat zij vaak hoog en droog in tombes in de woestijnrand werden opgeborgen. Ten tweede werden dergelijke contracten waarschijnlijk enkel opgesteld als de klant vooruitbetaalde en/of de overeenkomst een rijkelijke begrafenis betrof. Wie betaalt, bepaalt.

Dood en taksen

Bovengenoemde belastingen op natron en “medicamenten” (pecheret) zijn niet de enige in hun soort. Honderden potscherven uit de Grieks-Romeinse periode bevatten kwitanties voor funeraire belastingen, vaak geheven op de eigenlijke begrafenis (een vaste som per lichaam), maar ook op funeraire producten, begraafplaatsen, enzovoorts. De overheid toonde zich zelden zo inventief. Benjamin Franklin merkte al op dat “in this world, nothing is certain except death and taxes.”

Griekse kwitantie uit Diospolis Mikra voor belasting op mummificatie of balsemers en kedria (O. NYU 4, 105 v.C., New York University, O. 18)

Een laat-Ptolemaeïsche Griekse papyrus in de Leuvense collectie (te verschijnen als P. Kynopolites 4, TM 47586 ; 92/59 v.C.) biedt een interessant beeld van overheidsinmenging in de begrafenisindustrie. In dit document geven pachters van de belasting op pharmakon en kedria (duidelijk identiek aan bovenvermelde pecheret en sefy, respectievelijk “medicamenten” en de substantie afkomstig van naaldbomen) de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) van Apollonos Polis in de Kynopolitische nome de toelating om de doden uit de regio te begraven en om voor een vooropgesteld bedrag kedria van de overheid te kopen, op voorwaarde dat zij een hele reeks funeraire belastingen betalen.

 

Overheidscontrole op het belangrijke funeraire product kedria is ook uit andere bronnen bekend: er is bijvoorbeeld een verzoekschrift bewaard over ibisbegravers die kedria bij smokkelaars kopen in plaats van bij de koninklijke winkel. Het doet allemaal hard denken aan het monopolie op olie. De expliciete vermelding van de aankoopprijs van sefy in het eerder genoemde mummificatie-contract uit Tebtynis moet waarschijnlijk ook in deze context begrepen worden. De meeste funeraire belastingen in de Kynopolitische papyrus zijn nog niet bekend uit andere bronnen. De nekrotaphoi moeten niet alleen 600 bronzen drachmen betalen voor elke begrafenis, maar ook 2700 drachmen “voor elk lijk”, dezelfde 2700 drachmen “voor degenen die in de grond neergelegd en terug opgegraven zullen worden voor 70 dagen” en 400 drachmen “na de 70 dagen”: deze belastingen hebben geen betrekking op de begrafenisceremonie maar op de mummificatie. Raar genoeg verbindt de Ptolemaeïsche overheid fiscale consequenties aan het al dan niet respecteren van de canonieke mummificatie-periode van 70 dagen.

De referentie naar lichamen die tijdelijk in de grond worden gestopt roept ook veel vragen op: is dit een alternatieve, goedkopere balsemingsmethode? Een Romeinse grafinscriptie van een Griekse jongen uit Hermopolis (I. Hermoupolis 71, 2de eeuw n.C.) biedt een mogelijke parallel: de knaap vertelt dat hij zijn neef heeft opgedragen om hem “niet te begraven en opnieuw op te graven.” Hij lijkt het niet hoog op te hebben met Egyptische funeraire gebruiken, want hij wil ook begraven worden “zonder kedria en vieze stank, zodat je (= de voorbijganger) niet van me wegvlucht zoals van de andere lijken.” De Kynopolitische papyrus eindigt overigens met een positieve noot: belastingen voor dode kinderen zijn halve prijs.

Vrouwen aan de top

De mummificatie-industrie wordt doorgaans beschouwd als een mannenbastion, maar een nieuwe vondst suggereert dat de werkelijkheid complexer was. Onderzoekers weten al langer dat vrouwen ook als bezitters van funeraire rechten verschijnen in de papyri, maar beargumenteren dan telkens dat zij het eigenlijke werk wel aan mannelijke familieleden zullen hebben uitbesteed. Van een vrouw kan je zoiets toch niet verwachten? Vrouwen worden ook soms als ‘voorleespriester’ vermeld in demotische censuslijsten, maar daar worden ze wel vaker onder het beroep van hun echtgenoot gesorteerd. Toch is er mogelijk meer aan de hand. Een van deze lijsten somt vijf ‘voorleespriesters’ uit de 2de eeuw v.C. uit Shashotep in Midden-Egypte op (P. Count. 53, TM 44406):

Peteharmotnis zoon van …, zijn echtgenote Senpres, Petophois zoon van Totoes, zijn echtgenote Tapsais, Taw… de dochter van Chapochrates. Vijf personen, waaronder twee mannen.

Detail van doodskist van de vrouw Artemidora (Meir, Romeinse Tijd, Metropolitan Museum of Art, 11.155.5)

Door een gelukkig toeval is er in de papyruscollectie van Trinity College Dublin een Grieks verzoekschrift over een conflict tussen enkele van deze begrafenisondernemers bewaard gebleven, ingediend door de ‘pekelaar’ Petophois zoon van Totoes, duidelijk identiek aan de ‘voorleespriester’ Petophois in de demotische lijst (P. TCD Pap. Gr. env. 301, TM 58458). In het verzoekschrift doet hij zijn beklag over Senpres dochter van Teebekis en haar echtgenoot Peteharmonthes (hier = Peteharmotnis), die eveneens voorkomen in de demotische lijst, en een andere vrouw en man, allemaal actief als ‘pekelaars’. Door de fragmentaire bewaringstoestand van het document is de precieze aard van het conflict onduidelijk, maar de problemen hebben duidelijk te maken met het werk van de balsemers: er wordt bijvoorbeeld opnieuw verwezen naar kedria. De vrouwen spelen geen tweede viool, maar zijn de hoofdbeklaagden: Senpres wordt opmerkelijk genoeg vóór haar echtgenoot vermeld, op de derde plaats nog een vrouw. Misschien toch twee keer nadenken voor we vrouwen elke rol van belang in mummificatie ontzeggen? De aanklager Petophois komt trouwens uit een notoire familie van ruziemakers. Het zogenaamde Sioet-archief uit het British Museum informeert ons over (alweer) een resem juridisch procedures met betrekking tot hun familiale mummificatie-rechten en andere bezittingen, naar aanleiding van het tweede huwelijk van Petophois’ grootvader Petetymis.

De Griekse historicus Herodotus (5de eeuw v.C.) dist in zijn beschrijving van Egypte een bijzonder wansmakelijk detail over de mummificatie van vrouwen op (Hist. II 89):

De vrouwen van aanzienlijke mannen geeft men, wanneer ze sterven, niet meteen af om te pekelen, evenmin als vrouwen van grote schoonheid en betere reputatie, maar slechts nadat drie of vier dagen verstreken zijn, geeft men ze aan de pekelaars. Dat doet men om deze reden, dat de pekelaars geen gemeenschap met de vrouwen hebben.

Op basis van deze passage hebben enkele onderzoekers gespeculeerd dat de mummificatie van vrouwen misschien wel vaker aan leden van hetzelfde geslacht werd toevertrouwd, maar dat lijkt heel onzeker. Documenten over funeraire rechten maken in principe geen onderscheid tussen lijken van mannen en vrouwen en de anekdote van Herodotus zou een broodjeaapverhaal kunnen zijn. De genoemde “drie of vier dagen” doen denken aan de traditionele Egyptische rouwperiode van vier dagen, die mogelijk ook verbonden kan worden met de eerder genoemde bepaling in P. Dem. Memphis 7 om fout afgeleverde lichamen binnen de vier dagen aan de juiste begrafenisondernemer te bezorgen. Ongetwijfeld had het verhaal wel succes bij Herodotus’ lezerspubliek.

Paria’s

Volgens de Griekse historicus Diodorus (1ste eeuw v.C.) moet men een onderscheid maken tussen ‘snijders’ (paraschistai) en ‘pekelaars’ (taricheutai): de ‘snijder’ zou een soort van paria zijn die enkel verantwoordelijk is voor de initiële snede in de linkerzij van de overledene en vervolgens ritueel weggejaagd wordt met stenen; de ‘pekelaar’ zou de rest van de mummificatie uitvoeren en wel in hoog aanzien staan bij de bevolking (Bibl. Hist. I 91). Herodotus maakt dit onderscheid niet en zoals reeds eerder uitgelegd lijken de titels ‘snijder’ en ‘pekelaar’ in de papyri op dezelfde hoogte te staan, als Griekse tegenhangers van de Egyptische titel van ‘voorleespriester’. Is het verhaal van Diodorus dan helemaal uit de lucht gegrepen? Misschien niet helemaal…

Ten eerste kan er gewezen worden op een recent ontdekte mummificatie-handleiding uit het Nieuwe Rijk (een goede duizend jaar vóór de Ptolemaeïsche periode dus), die zelfs het Belgische nieuws heeft gehaald (P. Louvre E 32847 + P. Carlsberg 917). Deze tekst vermeldt verschillende groepen van mummificatie-specialisten, waaronder opnieuw de ‘voorleespriester’ maar ook de wedjaoe, afgeleid van het werkwoord wedja, “snijden”, die bovendien weer verantwoordelijk blijkt voor de snede in de linkerzij. De Griekse titel paraschistes heeft hierdoor voor het eerst een duidelijke Egyptische basis, al is het niet helemaal duidelijk of de Egyptische titel wedjaoe nog bestond in de Ptolemaeïsche periode. Verder bevatten twee Ptolemaeïsche papyri aanwijzingen dat balsemers op sommige plaatsen en tijdstippen effectief zijn uitgesloten uit de maatschappij, net als de ‘snijders’ in Diodorus’ relaas.

Grieks verzoekschrift uit Tanis in de Fajoem-oase van de begrafenisondernemer Onnophris (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., Papyrusverzameling Keulen, P. 21358)

De eerste aanwijzing komt uit het fameuze verzoekschrift over kittens (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., TM 704850). De dierenvriend die deze Griekse petitie indiende en kittens in zijn huis had opgenomen, was een begrafenisondernemer, de entaphiastes Onnophris, die elders ook ‘pekelaar’ en ‘voorleespriester’ wordt genoemd. In het verzoekschrift zegt Onnophris op een gegeven ogenblik dat hij zich niet “in het dorp kon laten zien vanwege mijn beroep.” Een expliciete getuigenis voor sociale segregatie. Het document maakt deel uit van een groter papyrusarchief van Onnophris en een collega, die zich behalve met lijken en katjes vooral bezighielden met – kan je het al raden? – rechtszaken over funeraire concessies.

Voor de tweede getuigenis moeten we terugkeren naar het proces tussen Hermias en de dodenpriesters. Dit dispuut had voor een keer niets te maken met funeraire rechten, maar met een groot huis op de oostelijke oever van Thebe, betwist tussen Hermias en de begrafenisondernemers. De advocaat van Hermias stelde tijdens zijn pleidooi dat er enige tijd voorheen op instigatie van de koninklijke arts een bevel was uitgevaardigd dat alle ‘pekelaars’ in Thebe moesten verhuizen naar de westelijke oever, waar de necropool zich bevond (P. Tor. Choach. 12, TM 3563). Voor Hermias mocht het niet baten: de advocaat van zijn tegenstanders legde uit dat zijn cliënten geen ‘pekelaars’ maar ‘watergieters’ waren en er bovendien nog een bijkomende verordening was uitgevaardigd om de ‘pekelaars’ tegen misbruik te beschermen. Toch levert dit opnieuw een aanwijzing voor sociale uitsluiting.

Tot slot kan er gewezen worden op een gelijkaardig gegeven in papyri uit het laat-Romeinse archief van de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) uit de Charga-Oase (3de-4de eeuw n.C.): zij worden regelmatig omschreven als exopylitai, ‘buitenpoorters’, of allophyloi, ‘andersstammigen’. Dit suggereert opnieuw dat zij de reguliere woongebieden niet mochten betreden.

Het is niet duidelijk in hoeverre we deze getuigenissen mogen veralgemenen: op andere plaatsen en tijdstippen lijken Egyptische balsemers wel gewoon onder de andere mensen te hebben geleefd. Waarom zouden ze apart moeten wonen? In veel culturen wordt contact met dode lichamen als onrein beschouwd en worden begrafenisondernemers uit het gewone sociale leven geweerd. In Romeins Puteoli bijvoorbeeld moesten begrafenisondernemers op een bepaalde afstand van de stad wonen en mochten zij deze alleen betreden voor officiële zaken (zoals vastgesteld in de Lex Libitinaria). Ook in de Griekse wereld werden lijken als bron van vervuiling (miasma) gezien. Misschien speelde er Grieks-Romeinse invloed mee? Toch geef ik graag nog een bijkomende verklaring voor de Egyptische balsemers: het waren lastpakken!

Lees meer

G. Baetens, ‘A Dead Man’s Contract: P. BM EA 10077 Revisited’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde 150/2 (2023), pp. 1-12.
G. Baetens, ‘An Embalmers’ Dispute in Hypsele/Shashotep’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 66 (2020), pp. 273-312.
M. Cannata, Three Hundred Years of Death: The Egyptian Funerary Industry in the Ptolemaic Period, Leiden/Boston, 2020.
T. Derda, ‘Necropolis Workers in Greco-Roman Egypt in the Light of the Greek Papyri’, Journal of Juristic Papyrology 21 (1991), pp. 13-36.
Y. Uytterhoeven, Hawara in the Graeco-Roman Period: Life and Death in a Fayum Village, Leuven, 2009.

Deze blogpost is een herwerkte versie van het originele artikel: G. Baetens, Balsemers in Ptolemeïsch Egypte. Een ingewikkelde geschiedenis, Ta-Mery 15 (2003). (Deze uitgave van Huis van Horus is het enige Nederlandstalig magazine over het oude Egypte en bevat populair-wetenschappelijke artikelen geschreven door egyptologen uit Nederland en Vlaanderen).

Coverafbeelding: een adaptatie van de afbeelding ‘Coffin fragment with Nut and Anubis’ vanop Wikimedia (Public Domain: CC0 1.0 DEED).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/feed/ 0 2493
Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/ https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/#respond Wed, 29 Dec 2021 16:42:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2145

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte, van de piramideteksten bij farao Oenas tot sarcofaagteksten in het Middenrijk en papyrusteksten zoals het Dodenboek in het Nieuwe Rijk. Ook in de Grieks-Romeinse periode waren er nog zulke funeraire teksten in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de 'Documenten van het Ademen'.

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte. Deze teksten, die ervoor moesten zorgen dat je na de dood kon verder leven in het hiernamaals, werden eerst geschreven op de binnenkant van de piramides uit het Oude Rijk. Vervolgens kregen ze een nieuwe drager, want vanaf het Middenrijk kwamen ze voor op sarcofagen en vanaf het Nieuwe Rijk op papyri, als het zogenaamde Dodenboek. Voor de meeste onderzoekers stopt deze lange geschiedenis van de funeraire teksten met het Dodenboek, maar ook in de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) waren de teksten nog in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de ‘Documenten van het Ademen’.

De evolutie in een paar woorden

Het startpunt ligt bij farao Oenas (ca. 2367-2347 v.C.) in de 5de dynastie. Zijn piramide in Saqqara bevat het oudste corpus van funeraire en religieuze teksten en de wanden van zijn grafkamer staan vol met hiëroglyfische teksten, de zogenaamde piramideteksten. Het zijn spreuken die Oenas moesten helpen om goed in het hiernamaals te kunnen leven. Aangezien de teksten vol typische “kopieerfouten” staan, wordt er doorgaans van uitgegaan dat het om reeds bestaande teksten gaat, die op de wanden van de piramide gekopieerd werden. De belangrijkste functie van de teksten was om de niet-materiële elementen van de mens samen te brengen. Naast het fysieke lichaam, bevatte de mens volgens de Egyptenaren een ba (de individuele levenskracht) en een ka (de persoonlijkheid of de ziel). De ka maakte het verschil tussen een levend en een dood lichaam, terwijl de ba iemand tot een individu maakte. Wanneer iemand stierf werden de ba en de ka van het lichaam gescheiden. Als deze persoon wilde verder leven in het hiernamaals moesten zijn ba en ka herenigd worden tot een akh. De piramideteksten hadden tot doel deze vereniging te vereenvoudigen. Dankzij de teksten in zijn grafkamer kon Oenas dus een akh worden. De piramideteksten komen voor in 10 koninklijke graven uit het Oude Rijk. Naast de piramide van Oenas bevatten ook de volgende piramides deze funeraire teksten: Teti, Pepi I, Ankhesenpepi II (een vrouw van Pepi I), Merenre, Pepi II, Neith (een vrouw van Pepi II), Iput II (een vrouw van Pepi II), Wedjebetni (een vrouw van Pepi II) uit de 6de dynastie (ca. 2347-2216 v.C.) en Ibi uit de 8ste dynastie (ca. 2216-2134 v.C.).

De binnenkant van de piramida van farao Oenas

Vanaf het Middenrijk (ca. 2040-1783 v.C.) werden de teksten niet meer op piramides geschreven maar kwamen ze voor op sarcofagen. Ook de naam van de funeraire literatuur veranderde naar sarcofaagteksten. Deze evolutie begon al op het einde van het Oude Rijk en in de Eerste Tussentijd (ca. 2216-2040 v.C.) maar kende zijn hoogtepunt in het Middenrijk. Aangezien de teksten nu op lijkkisten geschreven werden, bevonden ze zich al dichter bij het lichaam. Hierdoor ging de vereniging van de ba en de ka in een akh nog vlotter. De sarcofaagspreuken zijn afgeleid en gekopieerd van de piramideteksten, maar er ontstonden ook nieuwe composities. Het belangrijkste verschil met de piramideteksten is dat de sarcofaagteksten ook voor privépersonen konden gebruikt worden, terwijl de piramideteksten alleen voor koningen waren.

Voorbeeld van een sarcofaagtekst op de doodskist van Khnumnakht uit het Middenrijk

De derde fase van de evolutie voltrok zich in het Nieuwe Rijk (ca. 1550-1070 v.C.), wanneer de funeraire literatuur op papyrusrollen werd geschreven. De naam voor de literatuur in het Nieuwe Rijk is het Dodenboek. Ook hier werden de spreuken afgeleid van piramide- en sarcofaagteksten, maar daarnaast werden er nieuwe composities geschreven. De term ‘Dodenboek’ is eigenlijk heel misleidend, want de Dodenboekteksten konden ook in graven voorkomen. Zo zijn de meeste graven in de Vallei der Koningen gedecoreerd met Dodenboekteksten om de farao te helpen in het hiernamaals te geraken. Het gaat ook niet om een standaardversie die gekopieerd werd. Het is een corpus van spreuken die in verschillende combinaties konden voorkomen, waarbij soms vignetten werden toegevoegd die bij een bepaalde spreuk hoorden. Het Dodenboek bleef in omloop tot in de Grieks-Romeinse periode en betreft bijgevolg het genre van funeraire literatuur dat het langste in gebruik was.

Documenten van het Ademen

In de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) ontstond er een nieuw genre funeraire literatuur, de ‘Documenten van het Ademen’. Ze verschenen in verschillende vormen in de multiculturele samenleving van Grieks-Romeins Thebe en vervingen geleidelijk aan het Dodenboek. Ze kunnen gezien worden als de opvolgers van de piramideteksten, de sarcofaagteksten en het Dodenboek. De teksten werden aan de overledene meegegeven als grafgift. Ze werden mee ingezwachteld met de mummie en ook hier hebben de teksten als functie een soort aanbevelingsbrief te zijn voor de overledene in het hiernamaals. Ze moesten de overledenen een tweede leven “vrij van zorgen” geven en ervoor zorgen dat de overledene voor eeuwig en altijd kon ademen. De funeraire teksten uit de Grieks-Romeinse tijd kenden een grote diversiteit en verschillende soorten teksten konden op één papyrus gecombineerd worden. De composities zijn geschreven in het hiëratisch, een cursieve vorm van hiërogliefen. De taal van de documenten is gebaseerd op het klassieke Middelegyptisch met invloed van het Laat-Egyptisch en het Demotisch.

Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft (P. Louvre N. 3284)

Ze zullen Osiris naar het binnenste van het grote meer van Chonsoe brengen. Nadat hij zijn hart heeft gegrepen, zullen ze het document van het ademen, dat aan de binnen- en buitenkant is beschreven, omzwachtelen met koninklijk linnen, geplaatst zijnde onder zijn linkerarm in de buurt van zijn hart. Het overige van de omzwachteling zal erbuiten worden gedaan. Indien deze papyrusrol voor hem wordt gebruikt, dan zal hij samen met de ba’s en de goden voor eeuwig en altijd ademen.

Tweede Document van het Ademen (BM EA10110)

Deze tekst bevat de laatste paragraaf van het zogenaamde ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ en toont aan dat het in de buurt van het hart moest ingezwachteld worden. Dit in tegenstelling tot het ‘Eerste’ en ‘Tweede Document van het Ademen’ die respectievelijk onder het hoofd en onder de voeten van de mummie geplaatst moesten worden. Er bestaan bijgevolg drie verschillende ‘Documenten van het Ademen’ en allen hebben ze een andere inhoud. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ lijkt iets ouder te zijn (Ptolemaeïsch tot Vroeg-Romeins) dan de andere twee composities die eerder in de Late Ptolemaeïentijd verschenen en nog voorkwamen tot in de Romeinse periode. Vanaf de eerste eeuw na Christus ontstonden er ook Demotische ‘Documenten van het Ademen’, de zogenaamde “paspoorten voor het hiernamaals”. Deze teksten waren doorgaans korter dan hun hiëratische tegenhangers. Deze papyri werden ook op de mummie geplaatst, maar daarnaast werden ze ook teruggevonden op tempelmuren, sarcofagen, lijkkisten, ostraca, linnen, enzovoort.

Het slotvignet met de Hathor-koe op het graf

Naast de drie soorten ‘Documenten van het Ademen’ waren er ook verkorte versies in omloop. Verder konden de verscheidene paragrafen in de teksten weggelaten of omgewisseld worden en konden er extra paragrafen aan toegevoegd worden. Sommige documenten bevatten ook iconografie, alhoewel dit geen vereiste was. De iconografie van het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ is in de meeste gevallen redelijk gestandaardiseerd. De meeste teksten bevatten meerdere vignetten of afbeeldingen. Het openingsvignet geeft doorgaans de introductie van de overledene aan de god Osiris weer. Een ander veel voorkomend type vignet is het ‘wegen van het hart’. Deze iconografie stamt af van hoofdstuk 125 van het Dodenboek, de zogenaamde ‘negatieve confessie’ en toont hoe het hart van de overledene op een weegschaal wordt gelegd en wordt afgewogen tegen de Maät-veer (de rechtvaardigheid). Als de weegschaal in balans is, heeft de overledene een goed leven geleid en mag hij of zij de onderwereld betreden. Als dit niet het geval is, wordt de overledene verscheurd door de verslindster, een monster dat doorgaans aanwezig is op het vignet. Het eindvignet toont de Hathor-koe op het graf van de overledene. Meestal wordt er wierook geofferd aan de godin Hathor. Er was geen directe relatie tussen de iconografie en de inhoud van de tekst. De afbeeldingen op de papyri voegen iets toe aan de compositie, eerder dan de inhoud van de tekst te illustreren.

Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd geschreven door de god Thoth in naam van Isis. De inhoud van de tekst legt de nadruk op de toegang van de overledene tot de onderwereld en de mogelijkheid om voor eeuwig en altijd vrij te kunnen ademen.

Introductie van de overledene aan de god Osiris (BM EA9995,1)

Een heel interessant gegeven aan deze documenten is dat ze steeds geschreven zijn voor een overledene en dat de naam en titels van deze eigenaar op het document werden geschreven. Hierdoor kunnen we reconstrueren wie zo een document meekreeg en welke functie deze persoon had. De eigenaren behoorden tot tempelpersoneel werkzaam in verschillende Thebaanse culten. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd voornamelijk meegegeven aan overledenen die tot de hoge clerus van Amon-Ra behoorden en dus tijdens hun leven werkzaam waren in de tempel van Karnak. Een bekend voorbeeld betreft de priester Horos, eigenaar van de ‘Joseph Smith papyri’. De twee meest voorkomende titels zijn ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ en ‘sistrum-speelster van Amon-Ra’. De eigenaren van deze teksten konden niet alleen verbonden worden aan de cultus van Amon-Ra, maar bijvoorbeeld ook aan de cultussen van Montoe van Hermonthis (Armant) en de god Chonsoe, die een tempel had binnen het Karnak-complex. De meeste priesters waren niet verbonden aan één cultus, maar konden verschillende goden tegelijkertijd dienen. De weergave van de verscheidene priestertitels in de documenten toont aan dat in dezelfde funeraire papyrus verschillende combinaties van titels kunnen voorkomen. Zo kan iemand in de eerste lijn van de papyrus ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ zijn en enkele lijnen verderop alleen ‘godsvader’. Daarnaast konden er later in de tekst titels voorkomen die niet in de introductie van de overledene aanwezig waren. Naast de titels, werd de filiatie van de overledene doorgaans meegegeven. Vaak werden zowel de moeder als de vader weergegeven, en in enkele uitzonderlijke gevallen zien we een hele stamboom. In andere gevallen hebben we alleen de naam van de moeder of de vader, en soms helemaal geen filiatie. De vader van de overledene kan geïntroduceerd worden door de titel ‘mi nn‘, oftewel van dezelfde rang. Hiermee wordt bedoeld dat de vader tot dezelfde priesterklasse behoorde en dus naar alle waarschijnlijkheid ook een heleboel titels bezat, maar dat in het funeraire document ervoor gekozen werd om enkel de rang van de priester aan te duiden.

Funeraire composities in de Grieks-Romeinse periode

Zoals vaak het geval is met papyri kennen we van de meeste funeraire teksten die vandaag in verscheidene musea verspreid zijn, geen oorspronkelijke archeologische context. Eén graf in de Thebaanse necropool vormt de grote uitzondering, de zogenaamde Soter-tombe. Dit graf, beter bekend als Thebaanse Tombe 33, ligt in de al-Khukha necropool, net naast het Assasif in de buurt van de dodentempel van koningin Hatsjepsoet (Deir el-Bahari). Het graf werd net zoals zovele graven in de Thebaanse necropool hergebruikt in de Grieks-Romeinse periode. Eén van de mensen die hier in een later stadium in begraven werd was Soter, vandaar de naam van de tombe. Hij en zijn familieleden kregen enkele ‘Documenten van het Ademen’ mee. Waarschijnlijk zijn er een twintigtal documenten afkomstig uit dit graf. Naast het ‘Eerste Document van het Ademen’ en het ‘Tweede Document van het Ademen’ verkregen de overledenen, die hier begraven werden, ook late versies van het Dodenboek en een versie van het ‘Boek van het Doorlopen van de Eeuwigheid’, een andere funeraire compositie uit de Grieks-Romeinse tijd. De funeraire literatuur uit deze periode is wel degelijk nog heel bruisend. Vaak wordt het afgedaan als minderwaardig omdat de composities vergeleken worden met de Dodenboeken uit het Nieuw Rijk, die doorgaans als veel kwalitatiever en gedetailleerder beschouwd worden. Hoewel de ‘Documenten van het Ademen’ dan stilistisch minder mooi mogen zijn, vormen ze wel het bewijs dat een typische faraonische traditie nog steeds gevolgd werd en dat er zelfs nieuwe composities werden geschreven in verschillende vormen en combinaties. De creativiteit van de Thebaanse clerus die deze documenten ontwikkelde, vierde dus hoogtij tot ver in de Romeinse periode.

Meer lezen

Coenen, M. & J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek 5, Leuven, 1995.
Coenen, M., ‘Owners of Documents of Breathing Made by Isis’, Chronique d’Egypte 79: 157-158, 2004, 59-72.
Herbin, F.R., Books of Breathing and Related Texts, London, 2008.
Herbin, F.R., Le livre de parcourir l’éternité, OLA 58, Leuven, 1994.
Mosher, M., ‘Theban and Memphite Book of the Dead Traditions in the Late Period’, Journal of the American Research Center in Egypt 29, 1992, p. 143-172.
Smith, M., Traversing Eternity: Texts for the afterlife from Ptolemaic and Roman Egypt, Oxford, 2009.

Coverafbeelding: Adaptatie van een funeraire papyrus met daarop het ‘Boek van het Ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris’ uit het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/feed/ 0 2145