Amon Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/amon/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Wed, 13 Aug 2025 22:14:06 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Amon Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/amon/ 32 32 136391722 Van Demotisch naar Grieks: Vertalingen, leenwoorden, of verklarende beschrijvingen https://www.oudegeschiedenis.be/31/07/2025/van-demotisch-naar-grieks-vertalingen-leenwoorden-of-verklarende-beschrijvingen/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/07/2025/van-demotisch-naar-grieks-vertalingen-leenwoorden-of-verklarende-beschrijvingen/#respond Thu, 31 Jul 2025 19:55:03 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2690 Tempel van Hathor in Deir el-Medina

In Ptolemaeïsch Thebe vertaalden tweetalige Egyptische scriba’s religieuze en administratieve termen van het Demotisch naar het Grieks met een combinatie van letterlijke vertalingen, fonetische transcripties, leenvertalingen en verklarende omschrijvingen. Deze strategieën weerspiegelen de complexe tweetalige context waarin Grieks en Egyptisch naast elkaar bestonden zonder duidelijke dominantie, al had het Grieks een hogere status in officiële domeinen. Sommige oorspronkelijk Egyptische termen groeiden via herhaald gebruik uit tot volwaardige Griekse leenwoorden, zo blijkt uit de verschillende bronnen (voornamelijk tweetalige papyri) uit Ptolemaeïsch Thebe.

Het bericht Van Demotisch naar Grieks: Vertalingen, leenwoorden, of verklarende beschrijvingen van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Tempel van Hathor in Deir el-Medina

Net zoals we tegenwoordig zonder nadenken googelen of binge-watchen – woorden die uit het Engels zijn overgenomen en helemaal zijn ingeburgerd – zo nam men in de Oudheid ook leenwoorden over wanneer een directe vertaling ontbrak. Tweetalige scriba’s in Ptolemaeïsch Thebe moesten vaak creatief zijn bij het vertalen van religieuze termen, zoals priestertitels en godennamen, van Demotisch naar Grieks. Soms vonden ze een passend Grieks equivalent, maar als dat er niet was, grepen ze naar slimme alternatieven: leenvertalingen, fonetische transcripties of verklarende omschrijvingen. Sommige van deze woorden raakten zo ingeburgerd dat ze uiteindelijk als volwaardige Griekse termen werden beschouwd.

Tweetaligheid in Ptolemaeïsch Thebe

Een Egyptisch schrijverspalet

De sociolinguïstische realiteit van Ptolemaeïsch Egypte kan het best worden omschreven als een situatie van “living apart together”. Er waren individuen die uitsluitend Grieks spraken en anderen die alleen Egyptisch gebruikten, terwijl een derde groep tweetalig was. Beide talen genoten een vergelijkbaar prestige, zonder dat een van de twee volledig dominant was. Toch werd Grieks steevast gebruikt voor officiële en administratieve aangelegenheden. Dit verklaart waarom Egyptenaren eerder geneigd waren Grieks te leren dan omgekeerd. De elites hechtten vermoedelijk het meeste prestige aan hun eigen taal, al hadden zij doorgaans ook kennis van de andere. In Ptolemaeïsch Thebe (het huidige Luxor), in het zuiden van Egypte, bestond de elite voornamelijk uit Egyptische priesters. Zij waren cultureel geworteld in de Egyptische traditie, maar hadden vaak ook een zekere beheersing van het Grieks. De papyri die zij hebben nagelaten, vormen dan ook een waardevolle bron voor het onderzoek naar tweetaligheid in deze periode.

Scriba’s en hun kennis

De Demotische (Egyptische) papyri uit Ptolemaeïsch Thebe zijn in veel gevallen geschreven door notarissen (monographoi), die deel uitmaakten van de Egyptische clerus en werkten voor het notariaat van de tempel. Wie een huis wilde kopen of een huwelijk wilde sluiten, moest naar het notariaat gaan om een contract te laten opstellen, waarbij ook getuigen aanwezig moesten zijn. Soms moesten deze Demotische contracten in het Grieks worden vertaald, bijvoorbeeld wanneer een zaak voor de (Griekse) rechtbank werd gebracht. Dit verklaart waarom zoveel tweetalige papyri uit Ptolemaeïsch Thebe bewaard zijn gebleven (bijvoorbeeld P. BM Andrews 28 [TM 2732]). Naast het Demotische notariaat, waar scriba’s in het Egyptisch schreven, bestond er ook een Grieks notariaat, waar scriba’s (agoranomoi) in het Grieks schreven. Interessant genoeg waren deze Grieks-schrijvende scriba’s vaak Egyptenaren die Grieks hadden geleerd. In sommige gevallen is hun Egyptische achtergrond duidelijk herkenbaar, bijvoorbeeld door de invloed op hun geschreven Grieks en de “fouten” die zij maakten. Juist deze fouten, evenals de manier waarop Egyptische woorden in het Grieks werden weergegeven, bieden waardevolle inzichten in de tweetaligheid in Ptolemaeïsch Thebe en het taalniveau van deze scriba’s.

Voorbeeld van een tweetalig (Demotisch/Grieks) contract uit Ptolemaeïsch Thebe (P. BM Andrews 28 [TM 2732])

Religieuze terminologie in Demotisch en Grieks

Een kruik waarin een Thebaans tweetalig papyrusarchief werd bewaard

Een interessante casus om de tweetaligheid in Ptolemaeïsch Thebe te onderzoeken, is de religieuze terminologie in de tweetalige papyri. Deze omvat onder andere priestertitels, toponiemen van tempels en godennamen. Voor veel traditionele Egyptische (Demotische) termen bestond er geen direct equivalent in het klassieke (koine) Grieks. Om deze begrippen toch weer te geven, moesten scriba’s alternatieve strategieën toepassen wanneer een eenvoudige vertaling niet volstond. Dit leidde tot creatieve aanpassingen en interessante varianten in de manier waarop Demotische woorden in het Grieks werden weergegeven.

Vertalingen en leenvertalingen

De eenvoudigste manier om Egyptische termen in het Grieks weer te geven, was door ze rechtstreeks te vertalen. Zo werden het ‘hoofd van een phyle’ en een ‘wever’ simpelweg vertaald. Wanneer er echter geen bestaand Grieks equivalent voorhanden was, maar een gedeeltelijke vertaling wel mogelijk was, werd vaak een leenvertaling toegepast. Hierbij werd het woord niet in zijn geheel vertaald, maar werd elk afzonderlijk deel omgezet in het Grieks. Zo werd een watergieter (wah-moe) bijvoorbeeld omschreven als ‘degene die water’ (choachytes) uitgiet, en werd een wever van koninklijk linnen een ‘byssos-wever’. Bij al deze (leen)vertalingen was het duidelijk welke functies de personen met deze titels uitoefenden, en er bestond voldoende Griekse woordenschat om geschikte vertalingen te maken. Dit komt mede doordat deze functies, hoewel ze vaak verbonden waren met een tempel- of religieuze context, niet per se cultureel specifiek waren. In wezen betroffen ze vrij algemene beroeps- of taakomschrijvingen.

Buitenlandsismen en leenwoorden

Wanneer functies complexer of minder duidelijk waren, of wanneer er geen passend Grieks equivalent voorhanden was, koos men vaak voor een transcriptie. Dit betekende dat de scriba het Egyptische woord fonetisch weergaf in het Griekse schrift. Deze transcripties konden aanvankelijk een buitenlandsisme zijn, wat betekent dat ze letterlijk on the spot werden geconcipieerd, zonder een gestandaardiseerde spelling. De tweetalige documenten uit Ptolemaeïsch Thebe bevatten enkele interessante voorbeelden van dergelijke buitenlandsismen, zowel voor priestertitels als religieuze toponiemen.

Een eerste voorbeeld komt uit een tweetalige mummielijst (P. Survey 54A, [TM 3582]), waarin de namen en titels van de overledenen staan vermeld voor wie de dodenpriesters plengoffers brachten. Een van de individuen op deze lijst was een hogepriester van Ptah, pꜣ ḥm(-nṯr) Ptḥ, wat in het Grieks doorgaans wordt vertaald als hogepriester van Hephaistos (προφήτης Ἡφαίστου, prophetes Hephaistou). De scriba van deze lijst was echter niet bekend met de gangbare vertaling en kon de titel alleen fonetisch noteren, waardoor hij een buitenlandsisme introduceerde. Hij schreef de titel neer zoals hij die hoorde: φενπταιος (phenptaios; mogelijk uitgesproken als pəhəmpətáh). De scriba was zich duidelijk bewust van zijn onzekerheid, want hij voegde er bijna verontschuldigend aan toe: “of hoe de titel dan ook anders geschreven wordt”.

Griekse gedeelte van een tweetalige mummielijst (P. Survey 54A, [TM 3582])

Andere voorbeelden van buitenlandsismen zijn terug te vinden in enkele Thebaanse toponiemen. Bekende tempels kregen meestal een Griekse vertaling: de tempel van Amon (de Karnak-tempel) werd het Ammonieion, de tempel van Anubis het Anubieion, en de tempel van Isis het Isieion, enzovoort. Wanneer een letterlijke vertaling niet mogelijk was, werd vaak de interpretatio Graeca toegepast, waarbij een Egyptische god werd gelijkgesteld met een Griekse. Zo werd de tempel van Montu het Apollonieion, aangezien Montu werd vereenzelvigd met Apollo; de tempel van Mut werd het Heraion, en de tempel van Hathor het Aphrodisieion. Voor minder bekende tempels of toponiemen kon dit principe niet altijd worden gevolgd, en schreef de scriba soms fonetisch neer wat hij hoorde. Zo werd de tempel van Opet in het Karnak-domein, Pꜣ-pr-ꞽp.t-wr.t, fonetisch weergegeven als Παποηριεῖον of Πεφοηριείο (papoerieion, pephoerieion; mogelijks uitgesproken als *pəp(ʰ)əwèrə). Op dezelfde manier werd het dorp “de fundering van Isis”, gelegen naast de tempel van Deir-Shelwit, Pa-grg(-n)-ꜣs.t, fonetisch weergegeven als Πακηρκεῆσις, Πακερκεεσις (pakerkeesis; mogelijks uitgesproken als *pəkərkəʔésə).

Opvallend bij buitenlandsismen is dat ze meestal slechts één keer voorkomen, zoals in het voorbeeld van de hogepriester van Ptah. Wanneer ze daarentegen meerdere keren worden aangetroffen, zoals bij de toponiemen, ontbreekt vaak een gestandaardiseerde spelling. Dit resulteerde in verschillende Griekse varianten van dezelfde naam. Na verloop van tijd konden dergelijke buitenlandsismen uitgroeien tot volwaardige leenwoorden die zich volledig aan het Grieks hadden aangepast. De buitenlandse oorsprong van het woord speelde dan geen rol meer; het werd volledig geïntegreerd in de taal en kreeg een gestandaardiseerde spelling.

Er zijn niet veel voorbeelden van Demotische termen die uiteindelijk Griekse leenwoorden werden. Toch zijn er enkele titels waarbij dit gebeurde en die volledig ingeburgerd geraakten. Een eerste voorbeeld is de titel mr-šn, die verwees naar een functionaris die verantwoordelijk was voor de financiële administratie van de tempel en verantwoording moest afleggen aan de Ptolemaeïsche overheid. De Griekse variant, λεσῶνις (lesonis), was een fonetische weergave van de Demotische titel, maar in tegenstelling tot buitenlandsismen werd het woord volledig aangepast aan het Grieks en consequent op dezelfde manier geschreven. Een vergelijkbaar geval is de titel gl-šr, die verwees naar een soort soldaat, mogelijk een bewaker van het tempeldomein. In het Grieks werd deze titel weergegeven als καλάσιρις (kalasiris).

Niet alleen titels, maar ook Egyptische epitheta konden zich ontwikkelen tot leenwoorden. Het bekendste voorbeeld hiervan is te vinden binnen de cultus van Amon, de hoofdgod van het Thebaanse gebied. Twee van de meest voorkomende priesterfuncties binnen zijn cultus waren genoemd naar epitheta van Amon: de profeten van Amon in Karnak (Ꞽmn-n-Ꞽp.t-sw.t) en de profeten van Amon-Ra, koning der goden (Ꞽmn-Rꜥ nsw.t nṯr.w). Opmerkelijk genoeg kreeg alleen het laatste epitheton een Griekse tegenhanger: Ἀμονρασονθήρ. Dit was waarschijnlijk omdat dit het meest prominente epitheton van de twee was. Vermoedelijk werd dit Griekse leenwoord ontwikkeld door Egyptische priesters die naar de meest geschikte “vertaling” zochten om de belangrijke cultus van Amon in het Grieks weer te geven.

Verklarende beschrijvingen

Een beeld van een Egyptische scriba (5de dynastie)

Wanneer het oorspronkelijke Egyptische woord voor de scriba duidelijk was, maar er geen Grieks equivalent bestond, kon hij naast een transcriptie ook een verklarende beschrijving ontwikkelen. In zulke gevallen werd niet simpelweg een woord overgenomen, maar werd uitgelegd welke functie een persoon met die titel uitoefende. Opvallend is dat de Griekse equivalenten in veel gevallen explicieter en duidelijker zijn dan de oorspronkelijke Demotische termen.

Het feit dat het Grieks vaak duidelijker is dan het oorspronkelijke Demotisch, komt vooral naar voren in de cultus van heilige valken en ibissen. Deze vogels werden tijdens hun leven verzorgd en gevoed door een bepaalde groep priesters, vervolgens waarschijnlijk ritueel gedood als offer, en daarna gemummificeerd en begraven door een andere groep priesters. In het Demotisch werden de verzorgers aangeduid als ‘dienaar van de ibissen’ (bꜣk nꜣ ḥb.w) en ‘dienaar van de valken’ (bꜣk pꜣ bꞽk). Het Grieks biedt echter een veel specifiekere omschrijving: ἰβιοβοσκός (‘degene die de ibissen voedt’) en ἱερακοβοσκός (‘degene die de valken voedt’). Voor de priesters die de dieren mummificeerden en begroeven, die met een andere Demotische term eveneens ‘dienaar van de ibissen’ (sḏm nꜣ ḥb.w) en ‘dienaar van de valken’ (sḏm pꜣ bꞽk) werden genoemd, bood het Grieks opnieuw een verduidelijking: ἰβιοτάφος (‘degene die de ibissen begraaft’) en ἱερακοτάφος (‘degene die de valken begraaft’). Dit onderscheid zou op basis van het Demotisch alleen nooit zo helder zijn geweest, aangezien beide functies in die taal simpelweg als dienaar werden omschreven.

Een vergelijkbaar fenomeen doet zich voor bij de portiers van de tempel (ry-ꜥꜣ), die in het Grieks werden omschreven als ‘degene die het gordijn omhoog doet’ (παστοφόρος). Deze verklarende beschrijving is veel specifieker dan de algemene Demotische titel ‘portier’. Ook de Egyptische rechter, wpty in het Demotisch, wordt in het Grieks specifieker omschreven als ‘rechter van het volk’ (λαοκρίτης). Dit komt doordat de Grieken het rechtssysteem in Egypte diversifieerden. Naast de Egyptische rechters, die vaak priesters waren en rechtszittingen hielden bij de poorten van de tempels, voegden de Grieken ook hun eigen rechters, chrematistai (koninklijke rechtbanken) en dikastai (Griekse rechtbanken), toe. Deze diversificatie maakte het noodzakelijk om de Egyptische rechters, die al lange tijd bestonden, in het Grieks specifieker te beschrijven. Eveneens interessant is de titel van de Demotische voorleespriester, ẖry-ḥb, die naast het voorlezen van rituele teksten ook verantwoordelijk was voor de mummificatie van lijken. In het Grieks kreeg hij de specifieke titel ‘pekelaar’ (ταριχευτής), omdat hij degene was die de lijken met natron pekelde. Waar de oorspronkelijke Egyptische titel sterk de nadruk legde op de religieuze functie – hij is iemand die rituele teksten voorleest – richt de Griekse titel zich duidelijker op de praktische aspecten van de mummificatie. De Griekse term pekelaar werd overigens ook gebruikt voor mensen die werkzaam waren in de voedselindustrie, specifiek voor degenen die verantwoordelijk waren voor het pekelen van voedsel met zout.

Conclusie

Al deze Griekse verklarende beschrijvingen, die vaak beter uitlegden wat er precies werd bedoeld dan de oorspronkelijke Demotische termen, werden mogelijk ook ontwikkeld door Egyptenaren die Grieks hadden geleerd. Ze werden in ieder geval opgesteld door individuen die goed begrepen welke specifieke functies er uitgevoerd werden. Daarnaast is het belangrijk te benadrukken dat het beschrijven van bepaalde priesterfuncties om een titel te creëren geen nieuw concept was. De Egyptenaren deden dit al in eerdere periodes. Zo werden de verschillende handelingen die bijvoorbeeld tijdens het dagelijkse offerritueel voor de god in de tempel werden uitgevoerd, als volgt beschreven: degene die de horizon binnengaat en ziet wat er is, degene die het schrijn opent en de god ziet, enzovoort. Dit soort verklarende beschrijvingen werden al toegepast in eerdere hiëratische en hiëroglyfische titels. Dit kan een extra reden zijn om aan te nemen dat de Griekse verklarende beschrijvingen voor de Demotische titels eveneens door Egyptenaren werden gemaakt die de Griekse taal hadden geleerd.

Hoewel de tweetalige scriba’s in Ptolemaeïsch Thebe niet altijd volledig begrepen wat er precies aan de hand was en soms fonetisch moesten neerschrijven wat ze hoorden, bezaten ze in de meeste gevallen veel kennis en deden ze hun uiterste best om de religieuze Demotische terminologie zo nauwkeurig mogelijk in het Grieks weer te geven.

Meer Lezen

Coussement, S., “Because I am Greek”. Polyonymy as an Expression of Ethnicity in Ptolemaic Egypt, Stud. Hell. 55, Leuven, 2016.

Depauw, M., “Language Use, Literacy, and Bilingualism”, in C. RIGGS (ed), Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, pp. 671-689.

Fewster, P., “Bilingualism in Roman Egypt”, in J. N. ADAMS, M. JANSE and S. SWAIN (eds), Bilingualism in Ancient Society. Language Contact and the Written Word, 2002, pp. 220-245.

Kilani, M., “On the Vocalization of Semitic Words in Late Bronze Age Egyptian transcriptions: New Evidence from Papyrus Anastasi I”, in L. QUICK, S. NOLL, P. Y. YOO and E. KOZLOVA (eds), To Gaul, to Greece and Into Noah’s Ark. Essays in Honour of Kevin J. Cathcart on the Occasion of His Eightieth Birthday, Oxford, 2019, pp. 167-186.

Mairs, C. J. & Martin, R., “A Bilingual ‘Sale’ of Liturgies from the Archive of the Theban Choachytes. P. Berlin 5507, P. Berlin 3098 and P. Leiden 413”, Enchoria 31, 2008/9, pp. 22-67.

Schneider, T., “Three Histories of Translation. Translating in Egypt, Translating Egypt, Translating Egyptian”, in S. MCELDUFF, E. SCIARRINO (eds), Complicating the History of Western Translation. The Ancient Mediterranean in Perspective, London, 2011, pp. 176-188.

Vierros, M., Bilingual Notaries in Hellenistic Egypt. A Study of Greek as a Second Language, Coll. Hell 5, Leuven, 2012.

 

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Temple of Hathor, Deir el-Medina’, vanuit Wikimedia (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Van Demotisch naar Grieks: Vertalingen, leenwoorden, of verklarende beschrijvingen van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/07/2025/van-demotisch-naar-grieks-vertalingen-leenwoorden-of-verklarende-beschrijvingen/feed/ 0 2690
Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/#respond Thu, 02 Nov 2023 18:08:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2493

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we uit de bewaarde papyri over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Naar jaarlijkse traditie publiceren onze media in aanloop naar Allerzielen allerlei berichten over uitvaartondernemingen, bijvoorbeeld over de grote kosten of de gekke regels in de sector. Alles kan beter, maar alles kan ook slechter, zo leren we over balsemers in Hellenistisch of Ptolemaeïsch Egypte (305-30 v.C.). Van zulke Egyptische begrafenisondernemers is het reilen en zeilen uitzonderlijk goed gedocumenteerd voor deze periode, door de honderden Egyptische (vooral demotische) en Griekse papyri.

Pekelaars, watergieters en godszegelaars

Een foto van Egyptische mummies, getrokken omstreeks 1870

Zoals de Inuit veel woorden (schijnen te) hebben voor sneeuw, zo hebben Egyptenaren veel woorden voor begrafenisondernemers. In de Ptolemaeïsche papyri is de belangrijkste Egyptische titel voor balsemers chery-heb of ‘voorleespriester’, een religieuze titel die een veel ruimer toepassingsgebied heeft maar in documenten uit deze tijd vooral nog in funeraire context verschijnt. Griekse teksten duiden deze voorleespriesters doorgaans op meer prozaïsche wijze aan als taricheutes of ‘pekelaar’, een titel die men niet alleen voor balsemers, maar ook voor collega’s in de voedselconservenindustrie gebruikt. Occasioneel wordt deze titel ingeruild voor entaphiastes, een meer algemene titel voor begrafenisondernemers, of paraschistes, ‘snijder’, waarover later meer.

Balsemers worden in principe onderscheiden van priesters verantwoordelijk voor de begrafenis en dodencultus, zoals de dodenpriesters van het Huis van de Koe en het Hermias-proces. Zij worden in het Egyptisch wah-moe en in het Grieks choachytes genoemd, allebei te vertalen als ‘watergieter’: zij brengen plengoffers voor de overledenen. Daarnaast zijn zij ook betrokken bij de organisatie van Egyptische festivals. Gaandeweg lijken de taken van de balsemer en de ‘watergieter’ te zijn overgenomen door een en dezelfde specialist, de chetemoe-netjer, Egyptisch voor ‘godszegelaar’, door de Grieken vertaald als nekrotaphos, opnieuw een meer algemene titel. Op enkele plaatsen, in het bijzonder in Hawara, komt de titel chetemoe-netjer haast altijd voor in combinatie met wyt, ‘balsemer’. Er bestaan nog veel meer titels, maar je hebt er waarschijnlijk wel stilaan genoeg van. De Egyptische titels van Ptolemaeïsche begrafenisondernemers hebben een lange voorgeschiedenis: wah-moe verschijnt voor het eerst in Thebe in de Ramessidentijd; de andere titels vind je al terug in tombes uit het Oude en Middenrijk.

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)de Garis Davies, N., en Gardiner, A.H., The Tomb of Antefoker, Vizier of Sesostris I, and of His Wife, Senet (no. 60) (Londen, 1920), pl. XXI

De chery-heb, chetemoe-netjer en wyt (wt) tijdens de begrafenis. Detail van reliëf uit de tombe van Antefoker en Senet (Thebe, Middenrijk)

Over lijken

De Ptolemaeïsche begrafenisindustrie werd beheerst door een complex, haast absurd systeem van concessies waarin specialisten het exclusieve recht konden verwerven om funeraire diensten te verlenen aan bepaalde groepen van mensen en daaruit inkomsten op te strijken. Deze rechten konden worden verkocht, vererfd, enzovoort. Wanneer je een dierbare verloor, kon je dus niet zelf kiezen welke balsemer je onder de arm nam: er was één begrafenisonderneming die het mummificatie-recht op de overledene bezat. Een demotisch contract uit Memphis uit 78 v.C. biedt een mooi voorbeeld van zo’n concessie (P. Dem. Memphis 7, TM 43705). In dit contract erkent een groep van vier ‘godszegelaars’ het recht van een andere groep van vijf ‘godszegelaars’ op de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais. Als de familie toch met een lijk zou komen aankloppen bij de eerste groep van balsemers, moeten deze de overledene binnen de vier dagen en op eigen kosten overdragen aan de tweede groep, tenzij het dode familielid in kwestie een vrouw zou zijn die gehuwd is met een man uit een familie waarop de eerste groep het recht heeft én een kind met hem heeft, dit alles “in overeenstemming met de wet van de voorleespriesters.” Kan je nog volgen?

Demotisch contract tussen godszegelaars uit Memphis over de doden uit de familie van de olie- en wijnhandelaar Pais (P. Dem. Memphis 7 A, 78 v.C.)

Begrafenisondernemers zagen nauwgezet toe op hun rechten en aarzelden niet om juridische stappen te ondernemen wanneer hun belangen met de voeten werden getreden. Dat kon aanleiding geven tot langdurige conflicten, zoals het geschil tussen Amenothes en Petenephotes, gedocumenteerd door enkele Griekse papyri uit Thebe (P. Tor. Amen. 6/7/8, TM 3596/3597/3598). Deze twee ‘snijders’, tevens bekend uit demotische papyri als ‘voorleespriesters’, hadden naar goede gewoonte een gedetailleerde overeenkomst afgesloten over hun respectievelijke rechten in de plaatselijke mummificatie-industrie. Petenephotes mocht de doden uit verschillende dorpen ten westen van de Nijl mummificeren, Amenothes de doden uit verschillende dorpen ten oosten van de Nijl, met één belangrijke uitzondering: de priesters en slaven uit de tempel van Amon (Karnak), die eveneens binnen de competentie van Petenephotes vielen.

Tempel van Chonsoe (Karnak, Nieuwe Rijk)

Die regeling leidde meer dan eens tot problemen. In 119 v.C. daagde Amenothes Petenephotes voor het gerecht omdat laatstgenoemde vrijgelatenen en afstammelingen van priesters uit de tempel had gebalsemd, terwijl hij alleen het recht op de priesters zelf en de slaven bezat. Amenothes werd in zijn gelijk gesteld. Op zijn beurt klaagde Petenephotes in 116 v.C. Amenothes aan: deze had een districtsschrijver gemummificeerd die weliswaar in een van Amenothes’ dorpen was gestorven maar woonachtig was in een van Petenephotes’ dorpen. Volgens Petenephotes had zijn collega hem al eerder in de luren gelegd door zijn diensten aan te bieden voor zieken die met hoop op herstel naar de tempel van Karnak waren gebracht (misschien meer bepaald naar de bijhorende tempel van Chonsoe, bekend voor zijn geneeskundige krachten) maar het loodje hadden gelegd. Petenephotes lijkt daarbij tactisch te verzwijgen dat hijzelf eigenlijk ook alleen maar het mummificatie-recht op de priesters en slaven van de tempel bezat, niet op zieken die er tijdelijk verbleven. De begrafenisondernemers gingen letterlijk en figuurlijk over lijken.

Eentje met natron (en zonder fouten)

Als klant kan je dan maar best eveneens goede afspraken met de balsemers maken. Het British Museum bewaart een zeldzaam voorbeeld van een mummificatie-contract, opgesteld in Thebe in 269 v.C., in het demotisch en in dubbele redactie (P. BM EA 10077, TM 46059). Het contract begint met een kwitantie van de begrafenisondernemer aan zijn cliënt:

Je hebt me volledig betaald voor de belasting op natron, het loon van de balsemer en alles wat de mummificatie van Paoeser je zoon betreft.

Demotisch mummificatie-contract uit Thebe (269 v.C., British Museum, EA 10077)

Natron is een belangrijk mummificatieproduct, dat gebruikt werd om lichamen te dehydrateren. Vorige commentatoren hebben hier “het aandeel van natron” of zelfs “de reiniging met natron” gelezen, maar het gaat duidelijk om de belasting. In plaats van “het loon van de balsemer” hebben onderzoekers vroeger “mummiewindsels” gelezen: het is altijd opletten geblazen met demotische teksten. Na deze kwijting somt de begrafenisondernemer zijn plichten op: hij zal Paoeser behandelen met pecheret of “medicamenten” (een mooie term voor mummificatieproducten, die de dode van bederf “genezen”), hij zal hem overhandigen aan de watergieter van zijn cliënt (die wellicht de eigenlijke begrafenis verzorgt) en hij zal geen “fout van een voorleespriester” begaan, wat wellicht slaat op fouten in de mummificatie, heel vervelend als je je lichaam na de dood nog nodig hebt… Voor alle zekerheid wordt er ook een deadline vastgesteld: vreemd genoeg 52 dagen (vroeger verkeerdelijk gelezen als 72), terwijl een mummificatie in principe ongeveer 70 dagen duurde.

Enkele jaren geleden dook er tijdens opgravingen in Tebtynis in de Fajoem-oase een nieuw Ptolemaeïsch mummificatie-contract op, voor de overleden echtgenote van een priester (P. Tebt. SCA 6863). Het contract begint opnieuw met een kwijting voor een belasting, deze keer geheven op de “medicamenten” (pecheret), alsook een kwijting voor de aankoopprijs van sefy, een van de belangrijkste funeraire producten in deze periode, wellicht een pekachtige substantie afkomstig van naaldbomen. De begrafenisondernemer verbindt zich ertoe de mummificatie volgens de regeltjes uit te voeren en de klant is op zijn beurt verplicht om alle verdere kosten te betalen.

Het kan op het eerste zicht verbazing wekken dat er zo veel papyri over begrafenissen maar slechts twee mummificatie-contracten gevonden zijn, maar hier zijn twee mogelijke verklaringen voor. Ten eerste werden deze contracten normaal gezien bijgehouden in de archieven van de klanten eerder dan de archieven van de begrafenisondernemers, maar zijn deze laatste veel beter bewaard omdat zij vaak hoog en droog in tombes in de woestijnrand werden opgeborgen. Ten tweede werden dergelijke contracten waarschijnlijk enkel opgesteld als de klant vooruitbetaalde en/of de overeenkomst een rijkelijke begrafenis betrof. Wie betaalt, bepaalt.

Dood en taksen

Bovengenoemde belastingen op natron en “medicamenten” (pecheret) zijn niet de enige in hun soort. Honderden potscherven uit de Grieks-Romeinse periode bevatten kwitanties voor funeraire belastingen, vaak geheven op de eigenlijke begrafenis (een vaste som per lichaam), maar ook op funeraire producten, begraafplaatsen, enzovoorts. De overheid toonde zich zelden zo inventief. Benjamin Franklin merkte al op dat “in this world, nothing is certain except death and taxes.”

Griekse kwitantie uit Diospolis Mikra voor belasting op mummificatie of balsemers en kedria (O. NYU 4, 105 v.C., New York University, O. 18)

Een laat-Ptolemaeïsche Griekse papyrus in de Leuvense collectie (te verschijnen als P. Kynopolites 4, TM 47586 ; 92/59 v.C.) biedt een interessant beeld van overheidsinmenging in de begrafenisindustrie. In dit document geven pachters van de belasting op pharmakon en kedria (duidelijk identiek aan bovenvermelde pecheret en sefy, respectievelijk “medicamenten” en de substantie afkomstig van naaldbomen) de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) van Apollonos Polis in de Kynopolitische nome de toelating om de doden uit de regio te begraven en om voor een vooropgesteld bedrag kedria van de overheid te kopen, op voorwaarde dat zij een hele reeks funeraire belastingen betalen.

 

Overheidscontrole op het belangrijke funeraire product kedria is ook uit andere bronnen bekend: er is bijvoorbeeld een verzoekschrift bewaard over ibisbegravers die kedria bij smokkelaars kopen in plaats van bij de koninklijke winkel. Het doet allemaal hard denken aan het monopolie op olie. De expliciete vermelding van de aankoopprijs van sefy in het eerder genoemde mummificatie-contract uit Tebtynis moet waarschijnlijk ook in deze context begrepen worden. De meeste funeraire belastingen in de Kynopolitische papyrus zijn nog niet bekend uit andere bronnen. De nekrotaphoi moeten niet alleen 600 bronzen drachmen betalen voor elke begrafenis, maar ook 2700 drachmen “voor elk lijk”, dezelfde 2700 drachmen “voor degenen die in de grond neergelegd en terug opgegraven zullen worden voor 70 dagen” en 400 drachmen “na de 70 dagen”: deze belastingen hebben geen betrekking op de begrafenisceremonie maar op de mummificatie. Raar genoeg verbindt de Ptolemaeïsche overheid fiscale consequenties aan het al dan niet respecteren van de canonieke mummificatie-periode van 70 dagen.

De referentie naar lichamen die tijdelijk in de grond worden gestopt roept ook veel vragen op: is dit een alternatieve, goedkopere balsemingsmethode? Een Romeinse grafinscriptie van een Griekse jongen uit Hermopolis (I. Hermoupolis 71, 2de eeuw n.C.) biedt een mogelijke parallel: de knaap vertelt dat hij zijn neef heeft opgedragen om hem “niet te begraven en opnieuw op te graven.” Hij lijkt het niet hoog op te hebben met Egyptische funeraire gebruiken, want hij wil ook begraven worden “zonder kedria en vieze stank, zodat je (= de voorbijganger) niet van me wegvlucht zoals van de andere lijken.” De Kynopolitische papyrus eindigt overigens met een positieve noot: belastingen voor dode kinderen zijn halve prijs.

Vrouwen aan de top

De mummificatie-industrie wordt doorgaans beschouwd als een mannenbastion, maar een nieuwe vondst suggereert dat de werkelijkheid complexer was. Onderzoekers weten al langer dat vrouwen ook als bezitters van funeraire rechten verschijnen in de papyri, maar beargumenteren dan telkens dat zij het eigenlijke werk wel aan mannelijke familieleden zullen hebben uitbesteed. Van een vrouw kan je zoiets toch niet verwachten? Vrouwen worden ook soms als ‘voorleespriester’ vermeld in demotische censuslijsten, maar daar worden ze wel vaker onder het beroep van hun echtgenoot gesorteerd. Toch is er mogelijk meer aan de hand. Een van deze lijsten somt vijf ‘voorleespriesters’ uit de 2de eeuw v.C. uit Shashotep in Midden-Egypte op (P. Count. 53, TM 44406):

Peteharmotnis zoon van …, zijn echtgenote Senpres, Petophois zoon van Totoes, zijn echtgenote Tapsais, Taw… de dochter van Chapochrates. Vijf personen, waaronder twee mannen.

Detail van doodskist van de vrouw Artemidora (Meir, Romeinse Tijd, Metropolitan Museum of Art, 11.155.5)

Door een gelukkig toeval is er in de papyruscollectie van Trinity College Dublin een Grieks verzoekschrift over een conflict tussen enkele van deze begrafenisondernemers bewaard gebleven, ingediend door de ‘pekelaar’ Petophois zoon van Totoes, duidelijk identiek aan de ‘voorleespriester’ Petophois in de demotische lijst (P. TCD Pap. Gr. env. 301, TM 58458). In het verzoekschrift doet hij zijn beklag over Senpres dochter van Teebekis en haar echtgenoot Peteharmonthes (hier = Peteharmotnis), die eveneens voorkomen in de demotische lijst, en een andere vrouw en man, allemaal actief als ‘pekelaars’. Door de fragmentaire bewaringstoestand van het document is de precieze aard van het conflict onduidelijk, maar de problemen hebben duidelijk te maken met het werk van de balsemers: er wordt bijvoorbeeld opnieuw verwezen naar kedria. De vrouwen spelen geen tweede viool, maar zijn de hoofdbeklaagden: Senpres wordt opmerkelijk genoeg vóór haar echtgenoot vermeld, op de derde plaats nog een vrouw. Misschien toch twee keer nadenken voor we vrouwen elke rol van belang in mummificatie ontzeggen? De aanklager Petophois komt trouwens uit een notoire familie van ruziemakers. Het zogenaamde Sioet-archief uit het British Museum informeert ons over (alweer) een resem juridisch procedures met betrekking tot hun familiale mummificatie-rechten en andere bezittingen, naar aanleiding van het tweede huwelijk van Petophois’ grootvader Petetymis.

De Griekse historicus Herodotus (5de eeuw v.C.) dist in zijn beschrijving van Egypte een bijzonder wansmakelijk detail over de mummificatie van vrouwen op (Hist. II 89):

De vrouwen van aanzienlijke mannen geeft men, wanneer ze sterven, niet meteen af om te pekelen, evenmin als vrouwen van grote schoonheid en betere reputatie, maar slechts nadat drie of vier dagen verstreken zijn, geeft men ze aan de pekelaars. Dat doet men om deze reden, dat de pekelaars geen gemeenschap met de vrouwen hebben.

Op basis van deze passage hebben enkele onderzoekers gespeculeerd dat de mummificatie van vrouwen misschien wel vaker aan leden van hetzelfde geslacht werd toevertrouwd, maar dat lijkt heel onzeker. Documenten over funeraire rechten maken in principe geen onderscheid tussen lijken van mannen en vrouwen en de anekdote van Herodotus zou een broodjeaapverhaal kunnen zijn. De genoemde “drie of vier dagen” doen denken aan de traditionele Egyptische rouwperiode van vier dagen, die mogelijk ook verbonden kan worden met de eerder genoemde bepaling in P. Dem. Memphis 7 om fout afgeleverde lichamen binnen de vier dagen aan de juiste begrafenisondernemer te bezorgen. Ongetwijfeld had het verhaal wel succes bij Herodotus’ lezerspubliek.

Paria’s

Volgens de Griekse historicus Diodorus (1ste eeuw v.C.) moet men een onderscheid maken tussen ‘snijders’ (paraschistai) en ‘pekelaars’ (taricheutai): de ‘snijder’ zou een soort van paria zijn die enkel verantwoordelijk is voor de initiële snede in de linkerzij van de overledene en vervolgens ritueel weggejaagd wordt met stenen; de ‘pekelaar’ zou de rest van de mummificatie uitvoeren en wel in hoog aanzien staan bij de bevolking (Bibl. Hist. I 91). Herodotus maakt dit onderscheid niet en zoals reeds eerder uitgelegd lijken de titels ‘snijder’ en ‘pekelaar’ in de papyri op dezelfde hoogte te staan, als Griekse tegenhangers van de Egyptische titel van ‘voorleespriester’. Is het verhaal van Diodorus dan helemaal uit de lucht gegrepen? Misschien niet helemaal…

Ten eerste kan er gewezen worden op een recent ontdekte mummificatie-handleiding uit het Nieuwe Rijk (een goede duizend jaar vóór de Ptolemaeïsche periode dus), die zelfs het Belgische nieuws heeft gehaald (P. Louvre E 32847 + P. Carlsberg 917). Deze tekst vermeldt verschillende groepen van mummificatie-specialisten, waaronder opnieuw de ‘voorleespriester’ maar ook de wedjaoe, afgeleid van het werkwoord wedja, “snijden”, die bovendien weer verantwoordelijk blijkt voor de snede in de linkerzij. De Griekse titel paraschistes heeft hierdoor voor het eerst een duidelijke Egyptische basis, al is het niet helemaal duidelijk of de Egyptische titel wedjaoe nog bestond in de Ptolemaeïsche periode. Verder bevatten twee Ptolemaeïsche papyri aanwijzingen dat balsemers op sommige plaatsen en tijdstippen effectief zijn uitgesloten uit de maatschappij, net als de ‘snijders’ in Diodorus’ relaas.

Grieks verzoekschrift uit Tanis in de Fajoem-oase van de begrafenisondernemer Onnophris (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., Papyrusverzameling Keulen, P. 21358)

De eerste aanwijzing komt uit het fameuze verzoekschrift over kittens (P. Köln XV 594, 202/178 v.C., TM 704850). De dierenvriend die deze Griekse petitie indiende en kittens in zijn huis had opgenomen, was een begrafenisondernemer, de entaphiastes Onnophris, die elders ook ‘pekelaar’ en ‘voorleespriester’ wordt genoemd. In het verzoekschrift zegt Onnophris op een gegeven ogenblik dat hij zich niet “in het dorp kon laten zien vanwege mijn beroep.” Een expliciete getuigenis voor sociale segregatie. Het document maakt deel uit van een groter papyrusarchief van Onnophris en een collega, die zich behalve met lijken en katjes vooral bezighielden met – kan je het al raden? – rechtszaken over funeraire concessies.

Voor de tweede getuigenis moeten we terugkeren naar het proces tussen Hermias en de dodenpriesters. Dit dispuut had voor een keer niets te maken met funeraire rechten, maar met een groot huis op de oostelijke oever van Thebe, betwist tussen Hermias en de begrafenisondernemers. De advocaat van Hermias stelde tijdens zijn pleidooi dat er enige tijd voorheen op instigatie van de koninklijke arts een bevel was uitgevaardigd dat alle ‘pekelaars’ in Thebe moesten verhuizen naar de westelijke oever, waar de necropool zich bevond (P. Tor. Choach. 12, TM 3563). Voor Hermias mocht het niet baten: de advocaat van zijn tegenstanders legde uit dat zijn cliënten geen ‘pekelaars’ maar ‘watergieters’ waren en er bovendien nog een bijkomende verordening was uitgevaardigd om de ‘pekelaars’ tegen misbruik te beschermen. Toch levert dit opnieuw een aanwijzing voor sociale uitsluiting.

Tot slot kan er gewezen worden op een gelijkaardig gegeven in papyri uit het laat-Romeinse archief van de begrafenisondernemers (nekrotaphoi) uit de Charga-Oase (3de-4de eeuw n.C.): zij worden regelmatig omschreven als exopylitai, ‘buitenpoorters’, of allophyloi, ‘andersstammigen’. Dit suggereert opnieuw dat zij de reguliere woongebieden niet mochten betreden.

Het is niet duidelijk in hoeverre we deze getuigenissen mogen veralgemenen: op andere plaatsen en tijdstippen lijken Egyptische balsemers wel gewoon onder de andere mensen te hebben geleefd. Waarom zouden ze apart moeten wonen? In veel culturen wordt contact met dode lichamen als onrein beschouwd en worden begrafenisondernemers uit het gewone sociale leven geweerd. In Romeins Puteoli bijvoorbeeld moesten begrafenisondernemers op een bepaalde afstand van de stad wonen en mochten zij deze alleen betreden voor officiële zaken (zoals vastgesteld in de Lex Libitinaria). Ook in de Griekse wereld werden lijken als bron van vervuiling (miasma) gezien. Misschien speelde er Grieks-Romeinse invloed mee? Toch geef ik graag nog een bijkomende verklaring voor de Egyptische balsemers: het waren lastpakken!

Lees meer

G. Baetens, ‘A Dead Man’s Contract: P. BM EA 10077 Revisited’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache und Altertumskunde 150/2 (2023), pp. 1-12.
G. Baetens, ‘An Embalmers’ Dispute in Hypsele/Shashotep’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 66 (2020), pp. 273-312.
M. Cannata, Three Hundred Years of Death: The Egyptian Funerary Industry in the Ptolemaic Period, Leiden/Boston, 2020.
T. Derda, ‘Necropolis Workers in Greco-Roman Egypt in the Light of the Greek Papyri’, Journal of Juristic Papyrology 21 (1991), pp. 13-36.
Y. Uytterhoeven, Hawara in the Graeco-Roman Period: Life and Death in a Fayum Village, Leuven, 2009.

Deze blogpost is een herwerkte versie van het originele artikel: G. Baetens, Balsemers in Ptolemeïsch Egypte. Een ingewikkelde geschiedenis, Ta-Mery 15 (2003). (Deze uitgave van Huis van Horus is het enige Nederlandstalig magazine over het oude Egypte en bevat populair-wetenschappelijke artikelen geschreven door egyptologen uit Nederland en Vlaanderen).

Coverafbeelding: een adaptatie van de afbeelding ‘Coffin fragment with Nut and Anubis’ vanop Wikimedia (Public Domain: CC0 1.0 DEED).

Het bericht Allerzielen in Egypte: Ptolemaeïsche balsemers van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/11/2023/allerzielen-in-egypte-ptolemaeische-balsemers/feed/ 0 2493
Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/#respond Fri, 06 Jan 2023 13:55:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2337 De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

De talrijke Egyptische festivals kennen we vooral uit het Midden- en Nieuwe Rijk, maar bloeiden ook voort tot in de Grieks-Romeinse periode. Sommige feesten werden enkel lokaal georganiseerd, andere vonden plaats doorheen het hele land. In dit artikel gaan we na, op basis van enkele attestaties van bekende voorbeelden zoals het Thebaanse Dalfeest en het Min-feest hoe priesters betrokken waren bij de organisatie van zulke festiviteiten, bijvoorbeeld met offers en rituelen.

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

In het oude Egypte bestonden er enorm veel festivals. Deze konden zowel lokaal als op grootschalige manier in het hele land plaatsvinden. Bij deze “nationale” feesten waren er vaak lokale varianten terug te vinden. Alhoewel een Egyptisch festival doorgaans wordt voorgesteld als een processie van de ene tempel naar de andere, kwam er nog veel meer bij kijken. Een dergelijk feestgebeuren bestond ook uit verschillende rituelen, zoals het aanbrengen van offers of het uitvoeren van allerlei cultushandelingen. Priesters speelden hierin een belangrijke rol. Alhoewel we zulke feesten vooral kennen uit het Midden- en Nieuwe Rijk, floreerden verschillende Egyptische festivals nog steeds in de Grieks-Romeinse periode, wanneer eerst de Ptolemaeën en later de Romeinen het land regeerden.

Het Dalfeest

Omdat het onmogelijk zou zijn om alle Egyptische festivals uit de doeken te doen, focust dit artikel op enkele belangrijke religieuze festiviteiten. Een voorbeeld hiervan is het Thebaanse Dalfeest of het ‘Mooie Feest van de Vallei’. Dit feest vond jaarlijks plaats in Thebe (het moderne Luxor) ter ere van de god Amon. Er vond een processie plaats van de tempel van Karnak naar de tempel van Deir el-Bahari. Daarbij werd het godenbeeld van Amon uit zijn kapel in Karnak gehaald (oorspronkelijk de Rode Kapel van koningin Hatsjepsoet) en op een draagbare bark geplaatst. Vervolgens droegen priesters dat heilige schip, de Oeserhat, op hun schouders doorheen de tempel tot aan de Nijl, waarna ze het op een grote vaarbare boot plaatsten.

Overzicht van het Thebaanse gebied met de tempels van Karnak en Luxor ende Thebaanse necropool. De tempels van Medinet Habu, Merenptah, Thoetmosis IV, het Ramesseum en Deir el-Bahari zijn voorbeelden van Huizen van Miljoenen Jaren

Na de overtocht over de Nijl hield de god Amon halt bij verschillende tempels, de zogenaamde ‘Huizen van Miljoenen Jaren’. Opeenvolgende koningen lieten deze dodentempels, die zich op één rij bevonden, bouwen om er na hun overlijden miljoenen jaren te kunnen verblijven. Een van de meest bekende is de tempel van Deir el-Bahari, het eindpunt van de tocht van Amon. Het belangrijkste ritueel vond in deze tempel plaats en stond bekend als ‘Doven van de Fakkels in Melk’. Daarbij  bracht Amon de nacht door in het centrale heiligdom, omringd door vier melkbassins en fakkels.

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-BahariS. Schott (1937), p. 15

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-Bahari

De volgende ochtend werden deze fakkels gedoofd in de melk. Deze melkbassins werden vanuit Karnak meegedragen en bij elke halte, elk ‘Huis van Miljoenen Jaren, onder de boeg van de processiebark geplaatst. Het echte ritueel vond pas plaats in Deir el-Bahari zelf. Deze cultushandeling had als doel om Amon te verjongen, zodat zijn regeneratie over de hele necropool verspreid raakte, tot bij de overledenen daar. Dat het hier gebeurde en niet in de andere ‘Huizen van Miljoenen Jaren’ zorgde ervoor dat deze tempel een essentiële functie kreeg in het geheel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’.

Het volksfeest

Naast de tempelprocessie van de ene naar de andere tempel, vond er ook een echt volksfeest plaats waarbij de bevolking feest vierde in de graven van hun overleden voorouders. Met dit onderdeel van het festival was een hele reeks van rituelen verbonden. Er werd eerst een vuuroffer gebracht voor de god Amon-Ra in de voorhof van het graf. Dit was meteen ook het belangrijkste aangeboden offer, gevolgd door de zogenaamde Stundenwachen, waarbij elk uur verschillende priesters een bepaalde taak uitvoerden. Deze taken konden bestaan uit het voorlezen van rituele teksten, maar ook opnieuw uit het aanbrengen van offers.

S. Schott (1952), p. 43

Het bespelen van een sistrum (TT 69) en het aanreiken van een Menat-halsketting (TT 82)

Verder kwamen zangeressen afkomstig uit de tempel van Karnak langs de graven in de necropool. Deze zangeressen schudden met menats (halskettingen met een contragewicht) en sistra (rituele muziekinstrumenten). Beide zijn rituele attributen van de godin Hathor. Doordat de priesteressen met deze rituele objecten langs de graven in de necropool voorbijkwamen, konden de grafeigenaren in contact komen met de magisch geladen voorwerpen van de godin. Ook de haremdames van de godin Hathor kwamen langs de graven terwijl ze een gouden palmblad uitstrekten naar het graf. Vervolgens werden er boeketten van de god Amon, die afkomstig waren uit de verschillende tempels waar halt was gehouden, gepresenteerd aan de overleden grafeigenaren.

Ter afsluiting vond er in het graf het eigenlijke feestmaal plaats voor de familieleden van de overledene, met veel muziek, dans en drank. Al deze rituelen, zoals het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, maar tevens ook de offers, zoals het vuuroffer voor Amon-Ra, vormen samen een geheel. Ze zorgden ervoor dat het doel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’ tot een goed einde kon gebracht worden: de regeneratie van de god Amon en alle overledenen in de necropool.

Het Dalfeest in de Grieks-Romeinse periode

Onze kennis over het Dalfeest dateert voornamelijk uit het Nieuwe Rijk, alhoewel het feest zeker en vast nog werd gevierd in de Grieks-Romeinse periode. Enkele Griekse papyri (zie verder) vermelden namelijk het festival, maar dat komt verder ook nog voor op cultusbeelden van privépersonen, enzovoort. Onze exacte kennis over de verschillende rituele handelingen is echter beperkter. Priesters voerden zeker en vast nog verscheidene rituelen of offers uit, maar de specifieke omstandigheden zijn moeilijker te achterhalen. De functie van de danseressen en zangeressen van Amon is echter wel nog geattesteerd tot in de Romeinse periode. Alhoewel een verdere uitleg ontbreekt, kunnen we er alleen maar van uitgaan dat ze nog een rol speelden tijdens de Thebaanse festiviteiten, waaronder het Dalfeest.

Ook voor de belangrijkste rituele handeling, het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, hebben we geen concrete aanwijzingen dat het nog plaatsvond in de Grieks-Romeinse periode. Het heiligdom waarin de handeling zich afspeelde, werd echter nog vernieuwd onder de regering van PtolemaiosVIII (in de 2de eeuw v.C.). Verder is de functie van melkdragers nog geattesteerd, maar of we deze zomaar in verband mogen brengen met het ritueel dat ons voornamelijk uit het Nieuwe Rijk bekend is, is twijfelachtig. Het dragen van melk was nodig tijdens de Dalfeest-processie van het ene ‘Huis van Miljoenen Jaren’ naar het andere, maar melk werd eveneens gebruikt voor veel andere rituelen en offers. Het staat bijgevolg vast dat het ‘Mooie Feest van de Vallei’ nog een enorm belangrijke rol speelde in de Grieks-Romeinse periode, maar hoe dit zich dan vertaalde in de praktische uitvoering van rituelen en offers is minder duidelijk.

Het Min-feest

We hebben wel een duidelijker beeld over de exacte uitvoering van een ander feest, dat ter ere van de god Min, in de Grieks-Romeinse periode. De reeks van rituelen die bij dit feest hoorde, is namelijk afgebeeld op de Ptolemaeïsche en vroeg-Romeinse tempels van Edfu en Dendera. De meeste bronnen voor dit feest dateren zelfs uit de Grieks-Romeinse periode, alhoewel het feest en de bijhorende rituelen hun oorsprong kenden in de faraonische periode. Het belangrijkste ritueel tijdens het Min-feest was ‘Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel’ en was een soort “klim-ceremonie”. Het Min-feest was niet verbonden aan een specifieke tempel en het ritueel kende een lange geschiedenis, waarvan we de eerste attestatie uit Saqqara kennen (uit de dodentempel van farao Pepi II).

Voor het Nieuwe Rijk komen de meeste attestaties uit de tempels van Karnak en Luxor. Tijdens het ritueel werd een tent opgezet voor de Min-stier. Zoals vermeld, gaat het om een “klim-ceremonie”, waarbij de klimmers afkomstig zouden geweest zijn uit Nubië, ten zuiden van Egypte. Er waren verscheidene facetten verbonden aan het ritueel en ook hier kunnen we een “vaste” volgorde reconstrueren.

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijnÉmile Chassinat - Le temple d'Edfou 9 (1929), pl. XXXIb

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijn

Ten eerste bracht de koning (of in ieder geval een hogepriester in naam van de koning) er een offer voor het stiersymbool ka, dat al sinds het Nieuwe Rijk gelijkgesteld stond aan de cultuskapel (sehenet). Vervolgens werd het stiersymbool opgericht en werden er 4 steunen of pilaren toegevoegd. 8 mannen, met veren getooid, beklommen deze steunen die waarschijnlijk georiënteerd waren naar de 4 windrichtingen. Terwijl zij klommen, hielden de koning en andere aanwezigen, vermoedelijk priesters, 16 touwen vast. Vervolgens sloeg de koning viermaal met een hedj-scepter in de 4 windrichtingen voor de inzegening, een ritueel dat is afgebeeld op enkele tempels. In de tempel van Edfu zijn er zelfs 5 van dergelijke scènes te vinden, waaronder een variant: daarop staan 10 klimmers in plaats van 8.

Waarom hielden de Egyptenaren een dergelijke ceremonie voor Min? Deze god was niet alleen een vruchtbaarheidsgod (makkelijk te herkennen aan de stijve fallus in het merendeel van de afbeeldingen), maar de Egyptische bevolking zag Min ook als de god van de woestijn en bejubelde hem als ‘bedwinger van de vreemde landen’. De deelnemers, de klimmers, droegen veren op hun hoofd, vermoedelijk als voorstelling van een volk uit het zuiden. De 4 steunen, geplaatst in de verschillende windrichtingen, stelden op hun beurt de vreemde volkeren rondom Egypte voor. Door het uitvoeren van dit ritueel werd de god Min opnieuw ingezegend in alle richtingen en als god van de woestijn moest hij ervoor zorgen dat niemand de grenzen van Egypte zou oversteken.

Egyptische festivals: offer of ritueel?

De hierboven aangehaalde voorbeelden tonen de complexiteit van Egyptische festivals. Tijdens één festival voerden priesters er vaak verscheidene rituelen uit in verschillende volgordes. Ook waren sommige rituelen aan meerdere festivals verbonden. Zo maakten offers deel uit van elk festival, maar daarentegen waren het Doven van de Fakkels in Melk en Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel alleen aan respectievelijk het Dalfeest en het Min-feest verbonden.

De rol van priesters in de festivals

Terwijl de praktische uitvoering van rituelen in de Grieks-Romeinse periode duidelijker was vastgelegd voor het Min-feest dan voor het Dalfeest, is het bij de organisatie en de rol van priesters het omgekeerde. Voor het Min-feest hebben we geen papyri met verwijzingen naar de priesters die erbij betrokken waren. De enige informatie waarover we beschikken, valt af te leiden van de afbeeldingen op tempelmuren.

Bij het Thebaanse Dalfeest is dit anders. Onder meer de Thebaanse hoge clerus, en meer bepaald de priesters van Amonrasonther, waren betrokken bij de financiering van het feest. Op een Griekse papyrus uit de koninklijke bank van Thebe (UPZ 2 199; [TM 3601]) lezen we immers het volgende:

“het heilige schip voor (de feesten van) Phaophi en Pauni”

Deze en andere teksten uit hetzelfde archief maken duidelijk dat het heilige schip een reparatie moest ondergaan. De twee maanden Phaophi en Pauni komen overeen met de periodes waarin respectievelijk het Opet-feest (een jaarlijkse processie van Karnak naar Luxor) en het Dalfeest werden gevierd. De Ptolemaeïsche regering stortte het geld op een rekening van de Koninklijke Bank van Thebe, zodat de priesters van Amonrasonther het konden gebruiken om herstellingen aan het heilige schip, de reeds vermelde Oeserhat, uit te voeren in functie van de jaarlijkse oversteken van de Nijl.

De rol van de choachieten

Een andere Griekse papyrustekst (P. Survey 48; [TM 3563]), die dateert uit ongeveer dezelfde periode en afkomstig is uit een archief van dodenpriesters, toont aan dat deze groep priesters ook betrokken waren bij hetzelfde festival. Deze dodenpriesters, choachieten genaamd, waren verantwoordelijk voor de libatie-offers voor de overledenen in de necropool. Ze leidden ook de begrafenissen van de overledenen. P. Survey 48 vertelt ons dat ze ook meededen aan het Dalfeest. Ze mochten namelijk vooraan lopen tijdens de jaarlijkse overtochten van de grote god Amon naar de Memnoneia (de Thebaanse westoever) en de dromoi van Amon en Moet klaarmaken door ze te bestrooien met zand.

Deze dromoi zijn de processiewegen die vanuit de tempel van Karnak vertrokken: de dromos van Amon tijdens het Dalfeest, de dromos van Moet tijdens het Opet-festival. Dit maakt duidelijk dat verschillende priestergroepen betrokken waren bij een festival: de hogepriesters van Amon-Ra moesten ervoor zorgen dat het geld (gestort door de overheid) ging naar de herstelling van het heilige schip, de Oeserhat, terwijl de dodenpriesters vooraan mochten lopen tijdens de processie van het Dalfeest en de dromoi moesten klaarmaken voor zowel het Dal als het Opet-feest.

Het Dekadenfeest

Bij een ander Thebaans festival waren dezelfde priesters betrokken. De choachieten functioneerden niet alleen als dodenpriesters, maar namen ook deel aan het wekelijkse Dekadenfeest, dat om de 10 dagen (= de lengte van een Egyptische week; deka is 10 in het Oudgrieks) werd gevierd. Hierbij brachten ze plengoffers in de necropool. Bij dit feest ging de god Amenophis van de tempel in Luxor op bezoek bij de tempel van Medinet Habu aan de overzijde van de Nijl.

Ook een ander type priesters was betrokken bij hetzelfde festival. De eigenaar van de funeraire papyrus P. Denon [TM 57737], een ‘Document van het Ademen’ (= een papyrus die in de tombe van de overledene werd meegegeven als grafgift) was namelijk een ‘Dienaar van Horus, Dienaar van de Witte Kroon’. Priesters die deze titel droegen, speelden een belangrijke rol in het Dekadenfeest. Terwijl de choachieten plengoffers brachten in de necropool, speelde deze priester met de naam Nespaoetitawi de liturgische rol van ‘uitstekende erfgenaam’. Hierbij voerde hij rituelen uit voor de overleden voorouders in de tempel van Medinet Habu in naam van de god Amenophis. De eigenaar van deze papyrus was tijdens zijn leven niet alleen werkzaam in dit festival, maar hij was ook een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’. Bijgevolg hoorde hij tot dezelfde klasse priesters die de financiering voor de herstelling van de heilige boot van Amon verkregen.

De funeraire papyrus P. Denon waarvan de eigenaar vermoedelijk een functie had in het Dekadenfeest

Bronnen voor de Egyptische festivals?

Het bronnenmateriaal met beschrijvingen van priesterfuncties in Egyptische feesten is jammer genoeg eerder beperkt. Het is daardoor niet altijd duidelijk welke priesters bij welke festiviteiten betrokken waren en wat hun functie precies was. De tekstuele verwijzingen naar titels en festivals zitten dan ook verscholen in verschillende teksttypes, zoals funeraire of documentaire papyri. Die gebeurden verschillende talen of schriften, zoals in de verschillende schriftvarianten van de Egyptische taal (hiëratisch, hiëroglyfisch, Demotisch) of Griekse inscripties. Alhoewel ze moeilijk te vinden zijn, verwijzen enkele teksten letterlijk naar feesten. Een Demotische graffito achtergelaten in de tempel van Medinet Habu (Graff. Med. Habu 47 [TM 48569]) is geschreven door een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra, de manager van de bark van Amon’. Meer informatie geeft het graffito ons niet, maar het toont aan dat dergelijke functies wel degelijk bestonden.

Nog iets meer informatie hebben we dankzij een ostracon uit Thebe (O. Theb. Dem. D31 [TM 50654]). Hierin verhuurt de ene priester aan een andere een maand tempeldienst. De priester die de tempelmaand huurde, moest “de bijhorende diensten en het reinigingsoffer uitvoeren, alsook de processiefeesten”. Een verdere specificatie over welk feest het hier ging, vinden we in de tekst echter niet terug.

Conclusie?

We kunnen bijgevolg in zekere mate reconstrueren welke offers en rituelen plaatsvonden tijdens Egyptische festivals in de Grieks-Romeinse periode, maar een exacte reconstructie is echter niet voor elke festival tot in detail te achterhalen. Verder zijn ook de tekstuele bronnen over Egyptische priesters niet altijd even gedetailleerd. Doorgaans betreft het eerder vage omschrijvingen en is het niet eenvoudig te achterhalen welke priesters welke functies uitoefenden. Het lijkt echter wel duidelijk dat ook de taken in Egyptische festivals verdeeld werden onder verschillende types priesters, die zowel in de tempels als de necropool werkzaam waren.

Lees meer

Birk, R.M., Türöffner des Himmels: prosopographische Studien zur thebanischen Hohepriesterschaft der Ptolemäerzeit, Wiesbaden, 2020.
Bogaert, R. ‘Un cas de faux en écriture à la Banque Royale thébaine en 131 avant J.-C.’, Chronique d’Égypte (CdÉ) 63, 1988, 145-154.
Dogaer, L., ‘The Beautiful Festival of the Valley in the Graeco-Roman Period: a Revised Perspective’, Journal of Egyptian Archaeology (JEA) 106, 2020, 205-214.
Rochholz, M. & R. Gundlach, Feste im Tempel, Wiesbaden, 1998.
Schott, S., ‘Das Löschen von Fackeln in Milch’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache (ZÄS) 73, 1937, 1-25.
Schott, S., Altägyptische Festdaten, Wiesbaden, 1950.
Schott, S., Das Schöne Fest von Wüstentale: Festbräuche einer Totenstadt (Akademie der Wissenschaften und der Literatur Mainz. Abhandlungen der Geistes- und Sozialwissenschaftlichen Klasse, 11), Wiesbaden, 1952.

Coverafbeelding: adaptatie van schilderij ‘The Barque of Amun Arriving at the West Bank of Thebes’ van Charles K. Wilkinson uit The Met (Public Domain)

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/feed/ 0 2337
Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/#respond Tue, 09 Jun 2020 15:15:10 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1599 Tempelcompex van Karnak

Het 'Huis van de Koe' was een district in de stad Thebe, in het zuiden van Egypte, waar vele dodenpriesters een huis bezaten. Het district is gelegen op de Thebaanse oostoever, ten noorden van de bekende tempel van Karnak. De aankoop en verkoop van de huizen, die zich in dit district bevonden, zijn voor ons bewaard in de vele papyrusarchieven die de Thebaanse dodenpriesters hebben achtergelaten. Dankzij deze koopcontracten is het mogelijk om een reconstructie te maken van hoe het district er precies heeft uitgezien.

Het bericht Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Tempelcompex van Karnak

Het ‘Huis van de Koe’ was een district in de stad Thebe, in het zuiden van Egypte, waar vele dodenpriesters een huis bezaten. Het district is gelegen op de Thebaanse oostoever, ten noorden van de bekende tempel van Karnak. De aankoop en verkoop van de huizen, die zich in dit district bevonden, zijn voor ons bewaard in de vele papyrusarchieven die de Thebaanse dodenpriesters hebben achtergelaten. Dankzij deze koopcontracten is het mogelijk om een reconstructie te maken van hoe het district er precies heeft uitgezien.

“Honderdpoortig” Thebe

Het Egyptische Thebe “met de honderd poorten”, zoals Homerus de stad omschreef, is lange tijd de religieuze hoofdstad van het Nijlland geweest. In het Thebaanse gebied werden er talloze feesten en processies voor verscheidene goden georganiseerd. Het religieuze landschap van Thebe werd door de Nijl in twee delen gesplitst, met op de oostoever de tempels van Luxor en Karnak, en op de westoever de vele dodentempels (o.a. van Deir el-Bahari en Medinet Haboe), het arbeidersdorp Deir el-Medina, en de Vallei der Koningen en Koninginnen. Verder zijn er op de westoever bijzonder veel graven van privépersonen terug te vinden, die verdeeld zijn over een aantal necropolen, waaronder de bekende Asasif-necropool en de necropolen Dra Aboe el-Naga en Sjeik Abd el-Koerna.

In het Thebaanse gebied ontstonden verschillende religieuze connecties, die zich vertaalden in prominente festivals. Zo was er het ‘Mooie Feest van de Vallei’, waarbij de god Amon jaarlijks van zijn Karnaktempel naar Deir el-Bahari gebracht werd, het Opet-feest, waarbij een processie jaarlijks van Karnak naar Luxor trok, en het Dekadenfeest waarbij de god Amenophis van Luxor elke tien dagen een bezoek bracht aan de tempel van Medinet Haboe aan de overzijde van de Nijl. Tijdens deze festiviteiten oefenden de Thebaanse dodenpriesters belangrijke taken uit, zoals het brengen van plengoffers voor bepaalde goden. Naast hun dagelijkse functie om te zorgen voor de overledenen in de necropool, trokken de priesters de religieuze festiviteiten van Thebe steeds mee op gang.

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloonLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloon

Grondplan van het Karnak-complex, met de tempels van Amon-Ra en Montoe. Het ‘Huis van de Koe’ bevond zich naast deze twee tempels. De exacte locatie is tot op heden echter onbekend

Het Karnak-complex op de oostelijke oever bestond uit verschillende tempels, waaronder de ‘Amon-Ra’-tempel, die de belangrijkste was. Verder werden er eveneens tempels gebouwd voor de goden Montoe en Moet, respectievelijk ten noorden en ten zuiden van de ‘Amon-Ra’-tempel. Rond het tempelcomplex werden vrij dicht woningen gebouwd, die samen met de tempel de stad Diospolis Megale vormden. Deze stad bestond uit verschillende districten, en één van deze districten was het ‘Huis van de Koe’. Dit district was gelegen ten noorden van de tempel van Amon-Ra en ten westen van de tempel van Montoe. De naam verwijst naar de tempel van Montoe, die ook wel de tempel van de koe genoemd werd (Egyptisch: tA-Hw.t-n-pA-iH). De koopcontracten van deze huizen zijn bewaard gebleven in enkele papyrusarchieven van de dodenpriesters uit de regio, waaruit blijkt dat vele van hen een huis in dit district bezaten. De locaties van de huizen worden in de contracten niet beschreven zoals we vandaag een adres zouden opgeven, maar aan de hand van de buren in de verscheidene windrichtingen (een voorbeeld volgt verder). Er is dus heel wat puzzelwerk vereist om een plattegrond van het ‘Huis van de Koe’ te reconstrueren.

 

De Thebaanse priesterarchieven

Uit het Thebaanse gebied zijn heel wat papyrusarchieven bewaard uit de Ptolemaeïsche tijd (332-30 v.C.). Zowel het Egyptisch als het Grieks werden gebruikt als voertaal in private en officiële context. De private papyrusarchieven uit Ptolemaeïsch Egypte staan toe een preciezer beeld te krijgen van het leven van de mensen uit deze periode dan vele andere bronnen uit de oudheid. Papyrusarchieven bevatten vaak de private administratie van de eigenaar en regelmatig kunnen we daardoor, helemaal of gedeeltelijk, het leven van de mensen reconstrueren.

In Thebe zijn heel wat tweetalige archieven van dodenpriesters teruggevonden en dankzij deze documenten zijn we goed ingelicht over hun werk in de necropool. Er dienden namelijk verschillende stappen ondernomen te worden vooraleer de overledene een begraafplaats kreeg in de Thebaanse necropool. Voor deze verschillende fases waren verschillende soorten priesters verantwoordelijk. Het verwijderen van de organen en het balsemen werd bijvoorbeeld uitgevoerd door respectievelijk de paraschistai (“degene die het lichaam opent”) en de taricheutai (“degene die pekelt”). Verder zorgden de nekrotaphoi (“degene die het lijk draagt”) ervoor dat de mummie bij zijn graf in de necropool terecht kwam. Na de begrafenis, namen de choachytai (letterlijke vertaling van het Egyptische wAH.w-mw, “degene die water uitgiet”) de zorg van de overledene op zich en zorgden ze dagelijks voor de libaties en de nodige voedseloffers. Het is voornamelijk van deze laatste groep priesters, de choachieten, dat er veel archieven bewaard zijn. Deze teksten verduidelijken naast hun beroepsleven ook heel wat over hun privéleven, met name over waar ze precies gehuisvest waren. Dit brengt ons bij het ‘Huis van de Koe’, het district op de Thebaanse oostoever, waar veel van deze priesterfamilies een huis bezaten.

De Thebaanse necropool in Sjeik Abd el-Koerna, waar vele priesters werkzaam warenLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Thebaanse necropool in Sjeik Abd el-Koerna, waar vele priesters werkzaam waren

Er zijn maar liefst zeven priesterarchieven die verbonden kunnen worden met het ‘Huis van de Koe’. De volgende archiefeigenaars bezaten documenten over één of meerdere huizen in het district:

Telkens wanneer een huis – doorgaans van de ene aan de andere priester – werd verkocht, werd een contract opgesteld. Oudere koopcontracten werden systematisch doorgegeven aan de nieuwe eigenaar van het huis. De priesters uit de opgesomde archieven waren via familiebanden aan elkaar gelinkt en de documenten die in hun bezit waren, strekken zich uit over meerdere generaties. Dankzij de papyri kunnen we sommige huizen volgen wanneer ze van de ene familie aan de andere worden doorverkocht.

De verkoop van de huizen

De meeste van de Thebaanse koopcontracten werden geschreven in het Demotische schrift (een cursieve vorm van hiërogliefen) en werden volgens een vast schema met een lange reeks clausules opgesteld. Bovendien bestonden de contracten eigenlijk uit twee documenten, conform een typisch Egyptische traditie: (1) de verkoopakte zelf en (2) een akte van afstand

  1. In de verkoopakte bevestigde de verkoper dat de betaalopdracht uitgevoerd werd en dat hij tevreden was met het geld dat hij ontvangen heeft. Vreemd genoeg werd het precieze bedrag nooit vermeld. In het Demotisch staat er dan het volgende: “je hebt mijn hart tevreden gesteld met je geld”. Dit document eindigt steeds met een handtekening van een notaris
  2. In de akte van afstand bevestigde de oorspronkelijke eigenaar en dus verkoper dat hij afstand deed van zijn eigendom. In dit document garandeerde de verkoper dat hij zou tussenkomen in het geval dat iemand anders de eigendom zou claimen. De verkoopakte geeft bijgevolg het wettelijke recht voor het gebruik van het onroerend goed door, terwijl bij de afstandsakte het eigendomsrecht zelf wordt doorgegeven

Beide documenten bestaan uit een overeenkomst, een bevestiging dat de verkoop geregistreerd is en een kwitantie die aangeeft dat de nodige belastingen betaald zijn door de koper. Tenslotte werden de handtekeningen van de 16 getuigen eraan toegevoegd. Naast deze documenten, die werden opgesteld bij de verkoop van een huis, werden steeds de oudere koopcontracten van datzelfde huis eveneens overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Wanneer een huis werd doorgegeven van vader op zoon via een erfenis, werden de oudere koopcontracten eveneens doorgegeven samen met een akte van verdeling, een soort Egyptisch testament.

BM 10524, een van de teksten uit het archief van Teianteus. Het gaat om een contractuele verplichting waarin toestemming gegeven werd om een huis te bouwen tegen de westelijke muur van het huis van Teianteus

Een goed voorbeeld van een papyrusarchief waarin veel – in dit geval zelfs nagenoeg alle – teksten gerelateerd zijn aan een specifiek huis in het ‘Huis van de Koe’-district, is het archief van Teianteus, een vrouwelijke archiefeigenaar. Ze maakte deel uit van een priesterfamilie en leefde kort na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Het archief bevat documenten van drie verschillende families, met daarin vijf opeenvolgende eigenaren van de woonst in het ‘Huis van de Koe’. Het huis van Teianteus maakte oorspronkelijk deel uit van een groter huis dat op het einde van de 4de eeuw v.C. in het bezit was van een zekere Djoefachi, houtbewerker in de tempel van Amon. Hij verdeelde het huis onder zijn kinderen en nadien (vanaf 301 v.C.) werden de delen van het huis steeds apart doorverkocht, tot een van de delen in het bezit kwam van Teianteus (284 v.C.). Dankzij de eigendomsaktes die zij in haar archief bewaard heeft, kunnen we de verkoop van het huis opnieuw reconstrueren tot aan het moment dat het in handen was van de oorspronkelijke eigenaar, Djoefachi.

Zoals reeds vermeld, hadden de huizen in het district geen echt adres zoals we dat vandaag kennen. Wanneer een huis beschreven werd in een papyrus, werd er een zo specifiek mogelijke omschrijving gegeven volgens een vaste structuur. De eigenaars van de aanpalende huizen werden namelijk steeds opgesomd, doorgaans in dezelfde volgorde: eerst het zuiden en het noorden, vervolgens het oosten en het westen. Een dergelijke locatie-omschrijving van het huis van Panas II, zoon van Pchorchonsis in een eigendomsakte (TM Text 310) gaat als volgt (situatie in 265 v.C. uit het archief van Pechytes, zoon van Pchorchonsis):

“Het huis, gelegen in het Noordelijke district van Thebe, in het Huis van de Koe. De buren van het hele huis zijn: in het zuiden het huis van Esnachomneus, zoon van Harbesis, waartussen de koninklijke weg ligt; in het noorden het huis van Esminis, zoon van Pamonthes; in het oosten het huis van Tayris, dochter van Teos; in het westen het huis van Herisenef, zoon van Achoapis.”

De tempel van Amon-Ra in het Karnak-complex in zijaanzicht met aan de linkerkant de toegangspyloonLauren Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Reconstructie van het huis van Panas II, zoon van Pchorchonsis (situatie in 265 v.C.). Deze Panas was de grootvader van de laatste archiefeigenaar, Pechytes

Aan de hand van deze omschrijvingen kan men op twee niveaus reconstructies maken: enerzijds van wie naar wie het huis werd doorgegeven, en anderzijds hoe alle huizen zich tot elkaar verhouden binnen het district het Huis van de Koe. Wanneer er namelijk bepaalde buren in verscheidene teksten terugkomen, kan men een reconstructie maken van waar de huizen zich op een plattegrond bevinden. Op basis van het verder analyseren van verscheidene teksten en het zoeken naar linken tussen de priesterfamilies en hun eigendommen, zijn er telkens verder geëvolueerde plattegronden gemaakt van het ‘Huis van de Koe’ (zie ‘Lees meer’).

Plattegrond van het 'Huis van de Koe', zoals gereconstrueerd werd door Glanville (1950). Huis S betreft het huis van Pechytes, zoon van Pchorchonsis. Jufachi verwijst naar het oorspronkelijke huis van Djoefachi, dat later deels bij Teianteus terecht kwam. Meer geüpdatete versies van de plattegrond zijn te vinden in Depauw (2000) en Muhs (2005)Glanville (1950)

Plattegrond van het ‘Huis van de Koe’, zoals gereconstrueerd werd door Glanville (1950). Huis S betreft het huis van Pechytes, zoon van Pchorchonsis. Jufachi verwijst naar het oorspronkelijke huis van Djoefachi, dat later deels bij Teianteus terecht kwam. Meer geüpdatete versies van de plattegrond zijn te vinden in Depauw (2000) en Muhs (2005)

Onderlinge huwelijken

De papyrusarchieven laten ook toe enkele stambomen van de priesterfamilies te reconstrueren. Professor Brian Muhs heeft aangetoond dat de zonen en dochters van de Thebaanse dodenpriesters doorgaans met elkaar in het huwelijk traden, en dan nog toevallig met de zoon of dochter van een van de buren in het ‘Huis van de Koe’. Het gaat in de meeste gevallen zelfs om de kinderen van dodenpriesters die maar één of twee huizen verder woonden. Het is best mogelijk dat de zonen, die dan zelf ook priester waren, de voorkeur gaven aan meisjes die in hun buurt woonden, en dan toevallig ook de dochter waren van een priester. Maar niets is minder waar. Als men het gehele ‘Huis van de Koe’-district bekijkt, behoort maar een derde van de inwoners tot een priesterfamilie. Toch zijn deze bijna allemaal getrouwd met iemand die ook tot een priesterfamilie behoorde. Volgens professor Muhs zocht men dus in eerste instantie naar een huwelijkskandidaat die ook tot dezelfde sociale kring behoorde en dat was dan in de meeste gevallen ook iemand die maar enkele huizen verder woonde.

Waarom wilden leden van priesterfamilies binnen hun eigen kring een partner zoeken? Het heeft, zoals vaak, te maken met de erfenis. Wanneer een dodenpriester overleed, werden alle mummies waarvoor hij verantwoordelijk was, inclusief de inkomsten, verdeeld onder zijn kinderen, jongens én meisjes. Wanneer bijgevolg een van de dochters getrouwd was met iemand die niet behoorde tot de priestergemeenschap, dan zouden de mummies en hun inkomsten terecht komen in een andere (niet-priester)familie. Om de mummies en hun inkomsten in de gemeenschap te houden, werden de huwelijken binnen het priesterambt gehouden, namelijk door de dochters steeds uit te huwelijken aan mannen die ook priester waren. Wanneer een priester overleed, ging een deel van zijn mummies dan wel naar zijn dochter en de familie waarbinnen ze getrouwd was, maar de zonen van deze priester waren op hun beurt ook getrouwd met dochters van andere dodenpriesters en ontvingen zo opnieuw mummies wanneer hun schoonvader overleed. Het doel van dit hele gebeuren lag erin om de hoeveelheid mummies en voornamelijk de inkomsten ervan – want daar draaide het uiteindelijk om – binnen een familie status quo te houden. Door het huwen van de buren kon men bovendien van aanpalende woningen één grotere woning maken door de overige erfgenamen uit te kopen. Bijgevolg circuleerden niet alleen de mummies en hun inkomsten binnen één priestergemeenschap, maar ook de eigendommen in het Huis van de Koe.

Lees meer

M. Depauw, The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes (P.Brux.dem. inv. E. 8252-8256) (Monographies Reine Élisabeth 8), Turnhout – Brussel, 2000.
M. Depauw, “Sale in Demotic Documents: an overview”, in E. Jakab (red.), Sale and Community Documents from the Ancient World Individuals’ Autonomy and State Interference in the Ancient World Proceedings of a Colloquium supported by the University of Szeged Budapest 5-8.10.2012 (Legal Documents in Ancient Societies V), Trieste, 2015, 67-80.
S. Glanville, A Theban Archive of the Reign of Ptolemy I, Soter (Catalogue of Demotic Papyri in the British Museum I), London, 2de ed., 1950 [1939].
B. Muhs, “”The girls next door: marriage patterns among the mortuary priests in early Ptolemaic Thebes”, The Journal of Juristic Papyrology 35, 2005, 169-194.
P.W. Pestman, “Het huis van Teianteus”, in P.W. Pestman (red.), Familiearchieven uit het land van Pharao, een bundel artikelen samengesteld naar aanleiding van een serie lezingen van het Papyrologisch Instituut van de Rijksuniversiteit van Leiden in het voorjaar van 1986, Zutphen, 1989, 15-24.

Coverafbeelding: adaptatie van foto ‘Karnak Temples’ door Ahmed Bahloul Khier Galal op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Het Huis van de Koe: thuisbasis van Thebaanse dodenpriesters van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/06/2020/het-huis-van-de-koe-thuisbasis-van-thebaanse-dodenpriesters/feed/ 0 1599
Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/#respond Wed, 23 Jan 2019 15:44:19 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1211 Osiris-Apis processie

Het papyrusarchief van Ptolemaios, de katochos van het Serapeum van Memphis, bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Daaronder bevinden zich ook enkele verzoekschriften vanwege de tweelingzussen Thaues en Taous die, nadat hun vader vermoord werd door de minnaar van hun moeder, daar konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Lees in dit artikel alles over deze tweeling en hun speciale functie als priesteres in dienst van de cultus voor de Apisstier en de god Sarapis.

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Osiris-Apis processie

De tweelingzussen Thaues en Taous behoorden tot de gegoede Egyptische klasse in de tijd van de Ptolemaeïsche koningen (332-30 v.C.). In 164 v.C. werden de meisjes door hun moeder Nephorys verjaagd, nadat haar minnaar Philippos de vader van de tweeling had vermoord. De meisjes zochten hun toevlucht bij Ptolemaios, een Macedoniër die als katochos (zie verder) verbleef in het grote Serapeum van Memphis en bovendien een vriend van hun vermoorde vader was. Ptolemaios ving de meisjes op en zorgde ervoor dat ze konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Het papyrusarchief van Ptolemaios bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Vandaag is het versnipperd over verschillende musea in Europa, waaronder Parijs, Leiden en Bologna. Een 42-tal teksten uit dit archief hebben betrekking op de tweeling, wat duidt op hun zeer belangrijke rol in het leven van Ptolemaios.

Het verzoekschrift UPZ 1.18

UPZ 1.18 (Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit I) is een verzoekschrift en staat ons toe het leven van de Egyptische zusjes Thaues en Taous voor een groot deel te volgen. Deze tweeling was met hun moeder, vader en stiefbroer Pachratesp woonachtig in Memphis. In de bron wordt verteld dat hun moeder Nephorys hun vader had bedrogen met de Griekse soldaat Philippos. Deze Philippos had de vader van de tweeling vermoord en hen uit huis verdreven. De papyrus vertelt ons dat Ptolemaios de tweeling redde ‘op bevel van de god’. De inhoud van de papyrus gaat als volgt:

“Van Thaues en Taous, de tweelingen uit het grote Serapeum in Memphis. Wij lijden onrecht door onze moeder Nephorys. Ze heeft onze vader laten vertrekken en ze woonde samen met Philippos, zoon van Sogenes, een soldaat uit de troepen van Py…ros, maar Philippos, omdat zij vol ontrouw zat en ze hem had opgedragen, onze vader – …. γυν… (Hargynouti?) –  te vermoorden, trok hij zijn zwaard en liep achter hem aan. Het huis van onze vader is dicht bij de rivier, hij stortte zich in de rivier en dook onder tot hij het eiland in de stroom bereikte, een boot pikte hem op, bracht hem naar Herakleopolis, waar hij stierf van een gebroken hart. Zijn broers gingen hem halen, ze brachten hem naar de necropool waar ze hem gedeponeerd hebben, en hij is nog steeds zonder graf. Zijn bezittingen heeft zij genomen en zij ontvangt elke maand 1400 bronzen drachmen. Ze gooide ons buiten, en wij, stervend van de honger, gingen naar het Serapeum naar Ptolemaios, een van degenen, die in zich in des gods hechtenis bevindt. Deze Ptolemaios was een vriend van onze vader, hij nam ons binnen en gaf ons eten. Wanneer het ochtend was, namen ze ons mee naar beneden om te rouwen voor de god. De kennissen van onze moeder overtuigden ons om haar zoon Pachratesp te nemen als beschermheer. We stuurden hem om te verzamelen wat ons verschuldigd was uit de koninklijke schatkist voor jaar 17. En hij stal wat we hadden in het Serapeum en wat hij op onze naam uit de schatkist verzameld had, namelijk één metreet olie (± 40 liter), hij ging terug naar zijn moeder. Ptolemaios die in gevangenschap was in de tempel, redde ons, op bevel van god.

Van Ptolemaios, zoon van Glaukias, een Macedoniër, in ‘gevangenschap’ voor het elfde jaar.”

(eigen vertaling, gebaseerd op Wilcken, UPZ I)

De tekst is geschreven door Apollonios, de jongere broer van Ptolemaios, in naam van de tweeling en was gericht aan de koning. Hierin vroeg men om een beter leven voor de tweeling en een bestraffing van de moeder en Philippos. Het is een petitie of klaagschrift van de tweeling tegen hun moeder Nephorus. In dergelijke tekst vroeg men om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de beklaagde.

Verzoekschrift UPZ 1.20, net zoals 1.18, vanwege Thaues en Taous

Het Serapeum van Memphis

Een Serapeum of Sarapieion is een tempel voor de god Sarapis (of Serapis). Deze god, die eigenschappen van zowel Griekse als Egyptische goden had gekregen, werd zowel vereerd door de Griekse als de Egyptische bevolking. Qua uiterlijk leek hij op de Griekse oppergod Zeus en zijn naam gaat wellicht terug op Osorapis oftewel Osiris-Apis, de dode Apisstier. Sarapis was een laat-Egyptische god die door Alexander de Grote of Ptolemaios I werd gecreëerd. Hij werd in Sarapieia-tempels vereerd. Zijn tempel in Memphis werd gebouwd op de resten van een oudere tempel gewijd aan de vergoddelijkte architect Imhotep. In het Serapeum in Memphis werden de Apisstieren al sinds de 14de eeuw v.C. (Nieuwe Rijk) begraven. Hun catacomben bevinden zich in een ondergronds gangencomplex. Bovengronds was er een tempelcomplex, waar ook de tempel van Sarapis lag. Er bevonden zich bovengronds ook tempels voor andere godheden, zoals Isis, Horus, Amon, Thoth en Astarte. Binnen de tempelmuren waren er winkels, huizen en herbergen voor de bezoekers van de tempel. Het Serapeum van Memphis was dus eigenlijk een kleine stad op zichzelf. Het bevindt zich net buiten het Nijldal, niet zo heel ver van de trappenpiramide van Djoser. Vandaag blijven er enkel nog de fundamenten van het Serapeum over en de ondergrondse catacomben.

Schets van de ondergrondse gang in het Serapeum (van Saqqara)

Ptolemaios en Apollonios, twee κάτοχοι in het Serapeum

Ptolemaios leefde in het Serapeum van ongeveer 172 tot 152 v.C. en was verbonden aan het heiligdom van de Fenicische godin Astarte. Hij was ἐν κατοχῇ in een pastophorion, een verblijfplaats voor priesters van lage rang, maar het is niet zeker of hij zelf ook een pastophoros was. Hij woonde er samen met zijn kamergenoot en vriend Harmais. Ptolemaios was de zoon van Glaukias, een Macedonische soldaat-kolonist, die naar Egypte was geëmigreerd. De familie woonde oorspronkelijk in Psichis, een dorpje in de Herakleopolitische gouw in Midden-Egypte. Ptolemaios had minstens drie broers: Hippalos, Sarapion en Apollonios en mogelijk ook een zus Berenike. Ptolemaios zou op de leeftijd van dertig jaar κάτοχος geworden zijn. Over wat de term κάτοχος nu precies inhoudt is enorm veel discussie. Het zou zowel over een kluizenaar, een tempelslaaf of zelfs een asielzoeker kunnen gaan. Het betekent letterlijk ‘door de god gegrepen’ en impliceerde dat Ptolemaios de tempel niet mocht verlaten. Hij voerde een deel van de tempeladministratie uit, waarvoor hij een zekere toelage ontving. Ptolemaios werd vooral verantwoordelijk geacht voor de cultusinkopen van de tempel, maar tekende ook een hele reeks dromen op van zichzelf, van zijn broer Apollonios en van een andere κάτοχος Nektembes. Deze dromen hadden bijna altijd betrekking op de tweelingzussen Thaues en Taous, die door Ptolemaios in de tempel waren opgevangen. Hij probeerde de dromen te verklaren en dacht vermoedelijk dat ze een voorspellende waarde hadden. Het zou eventueel kunnen dat één van zijn priesterlijke functies droomuitlegging was, maar waarschijnlijk is dit toch niet correct. Hij zou ze eerder verzameld hebben om ze vervolgens aan een droomuitlegger voor te leggen. Een ander personage uit het archief is Apollonios, de jongste broer van Ptolemaios, die maar liefst dertig jaar jonger zou geweest zijn. Aangezien Apollonios Grieks schreef met een Egyptisch “accent” en daarnaast ook het Demotische schrift gebruikte, zou het eventueel kunnen dat hij de halfbroer was van Ptolemaios, eerder dan de broer. Hij heeft een groot aantal documenten geschreven voor Ptolemaios, die in het archief bewaard zijn, zoals het eerder besproken verzoekschrift UPZ 1.18.

Thaues en Taous, twee priesteressen in het Serapeum

Zoals hierboven vermeld, was de vader van de tweeling, Hargynuti of Argnoûtes, vermoord door Philippos. De tweelingzusjes hadden uiteraard recht op een deel van de erfenis van hun vader, maar hun moeder wilde evenmin de begrafeniskosten betalen. Ook om deze redenen klaagde de tweeling over hun moeder in UPZ 1.18. De meisjes werden bijgestaan door Apollonios en Demetrios. Deze laatste was hun rechtsvertegenwoordiger zolang ze in het Serapeum verbleven. Waarschijnlijk konden de meisjes geen Egyptisch schrijven en spraken ze helemaal geen Grieks, aangezien de petities door anderen geschreven werden in hun naam.

Een sarcofaag van een Apisstier uit het Serapeum van Saqqara

Op 6 april 164 v.C. stierf de Apisstier Ta-Renenutet II. Na de dood van deze heilige stier werden er 70 dagen van rouw afgekondigd. De stier werd bij zijn dood gelijkgesteld aan Osiris, de god van de onderwereld. Bij de dood van Osiris rouwden de goddelijke tweelingzussen Isis en Nephtys om zijn dood. In navolging van deze rouwperiode was er bij de dood van een Apisstier ook een tweeling nodig die rouwde om hem. Thaues en Taous namen deze rol op zich. Maagdelijkheid was een voorwaarde voor het priesterschap van de tweeling. Na deze 70 dagen bleven ze hun functie van priesteressen behouden in het Serapeum. Na de dood van de stier gingen de meisjes naar Memphis.

De mannen die de mummificatie van de stier uitvoerden, moesten zich wassen en scheren en andere kleren aantrekken. De voorwerpen die gebruikt werden voor de mummificatie mochten niet op de grond liggen, maar lagen op een mat. De Apisstier zelf lag op een berg zand. Bij de mummificatie verwijderde men eerst de ogen, vervolgens de hersenen en tenslotte de ingewanden.

Een beeld van een Apisstier uit de Ptolemaeïsche periode

Na de mummificatie werd het lichaam gewikkeld in linnen en in een kist gelegd. Op de 69ste dag werd de stier naar buiten gebracht en in een schrijn geplaatst, waarna hij naar het meer Mareotis werd gedragen. Daarnaast werd er een draagstoel met Isis en Nephtys gedragen, die in dit geval vertegenwoordigd werden door Thaues en Taous. Vervolgens vond er een boottocht plaats op het meer. De Apisstier werd daarna naar een reinigingstent gebracht. Hier werd het mondopeningsritueel, dat er voor zorgde dat de mummie kon functioneren als symbool van Osiris, uitgevoerd. Deze handeling was een rite de passage waarbij de dode naar de onderwereld ging en waarbij men een beitel gebruikte om de rijen tanden te openen. Tenslotte vond op de 70ste dag de begrafenis plaats. De stier werd in een processie naar het Serapeum gedragen en daar begraven in de ondergrondse gangen.

Thaues en Taous werden beloond voor hun diensten in de Apiscultus. Ze waren dé tweeling die de godinnen Isis en Nephthys ‘speelden’ tijdens de rouwperiode voor de stier. De tweeling kreeg acht artabas graan per maand, wat gelijkstond met vier sneetjes brood per dag. Ze kregen ook dagelijks olyra (een graansoort) en jaarlijks een portie sesamolie en een portie castorolie, een hoge toelage. Hun beloofde uitkeringen werden echter keer op keer niet uitbetaald. Ptolemaios zond in naam van de tweeling verschillende petities naar de koning en hoge functionarissen. Het niet uitbetalen van hun beloning had in de eerste plaats betrekking op olie en brood. Hun allereerste uitkering werd ook gestolen door hun stiefbroer Pachratesp.

Enkele jaren later leken de zussen er weer bovenop want ze waren in staat Ptolemaios 5000 drachmen te lenen. Mogelijk was hun moeder Nephorys gedwongen hun het rechtmatige deel van de erfenis af te staan. Nadat de tweeling hun functie had uitgeoefend in de Apiscultus, mochten ze als priesteressen blijven dienen in het Serapeum. Van 159 tot 158 v.C. woonden ze de rituelen bij voor de begrafenis van de overleden Mnevisstier, die in Heliopolis begraven werd. Ze voerden eveneens in het Serapeum het dagelijkse libatie-offer uit voor de god Asklepios die met de architect-god Imhotep werd gelijkgesteld. Ze ontvingen ook de offerandes voor de god. Imhotep was de vizier van farao Djoser uit de derde dynastie. Hij werd later vergoddelijkt en aanbeden en ging deel uitmaken van de grote triade van Memphis: Ptah, zijn vrouw Sechhmet en hun zoon Imhotep.

De Apiscultus

De god Sarapis

De Apisstier werd al vereerd vanaf de vroege periode van de Egyptische geschiedenis in Memphis. De stier symboliseerde de cyclus van het leven, van geboorte tot de dood, van Apis tot Osiris-Apis of Osorapis. De Hellenistische of gesyncretiseerde god Sarapis is afgeleid van de god Apis. Of het bij deze afleiding enkel gaat om de naam of om het totale beeld van de god is niet zeker. De god Sarapis werd afgebeeld als een man met gekruld haar en een baard. Hij droeg alsook een modius (een afgevlakte cilindrische kroon) op zijn hoofd. De Apisstieren waren niet zomaar gewone stieren, ze werden uitgekozen omwille van enkele bijzondere kenmerken. Ze moeste drie specifieke witte vlekken hebben op hun lichaam: (1) een witte driehoek op hun voorhoofd, (2) een witte vlek in de vorm van een gier op hun rug en (3) een witte vlek in de vorm van een maan op hun rechterzijde. Verder moesten ze ook een scarabeeteken onder hun tong hebben en een gespleten staart.

De mummificatieceremonies duurden van 7 april tot 15 juni 164 v.C. Tijdens de 70 dagen rouw droegen de aanbidders van de Apisstier specifieke gewaden, lieten hun haar groeien en wasten zich niet. Ze aten geen voedsel dat afkomstig was van dieren, maar hielden zich aan een dieet van brood en groenten, en dronken alleen water. Na zijn dood werd de stier naar het ‘huis van de reiniging’ gebracht. Hier werd de stier gewassen en ingewreven met natron. Vervolgens werd hij naar het ‘huis van de balseming’ of de wˁb.t (wabet) gebracht. Op deze plek vond de verrijzenis van de stier plaats, waarbij Apis gelijkgesteld werd aan Osiris.

In dit filmpje wordt het leven van de tweeling voorgesteld a.d.h.v. UPZ 1.18.

Meer lezen

Hoogendijk, F.A.J. ‘Ptolemaios: een Griek die leeft en droomt in een Egyptische tempel’, in P.W. Pestman (Ed.), Familiearchieven in het land van de Pharao, Zutphen, 1989, 46-69 en 165-167.

Scheerlinck, E. Klachten en verzoeken uit Ptolemeïsch Memphis, Vrouwelijke onderdanen schrijven aan de overheid, Onuitgegeven masterthesis, Universiteit Gent, departement Geschiedenis, 2008.

Stevens, M. Het katochoi-archief en de acculturatie tussen Egyptenaren en Grieken in Ptolemaeïsch Memphis, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent, departement Geschiedenis, 2006-2007.

Vos, R.L. The Apis embalming ritual: P. Vindob. 3873 (Orientalia Lovaniensia Analecta, 50), Leuven, 1993.

Wilcken, U., Urkunden der Ptolemäerzeit I (UPZ I), 199-201.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘The sacred procession of Apis Osiris by F.A. Bridgman’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/feed/ 0 1211