Rome Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/rome/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Rome Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/rome/ 32 32 136391722 ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/#respond Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2747 Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Meertaligheid toont de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. In dit artikel wordt een kwantitatieve masterproef over identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties gebruikt om dit te onderzoeken voor de Hellenistische en Romeinse periode.

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een symbool van culturele eigenheid. In een land als België, en een regio als Vlaanderen, behoeft dit geen verdere uitleg. Ook tweetaligheid is, en was, een identitair kenmerk. Meertaligheid toont namelijk de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. Er zijn echter geen mondelinge getuigenissen uit die periode, waardoor we ons moeten richten op geschreven bronnen. Grafschriften vormen de ideale bronnen om hier meer over te weten, aangezien ze bij uitstek de identiteit van de overledenen uitdrukten. Het was immers datgene waarmee zij herinnerd zouden worden.

Leemte in het onderzoek

De voorbije decennia is het onderzoek naar antieke tweetalige grafinscripties nogal beperkt van aard gebleken. Binnen het onderzoeksveld heeft men zich voornamelijk op de Latijnse tweetaligheid gefocust. Om deze reden heb ik in het academiejaar 2023-2024 in mijn masterproef onderzoek gedaan naar de Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften.[1] Ik heb meer bepaald onderzocht op welke manier taal, tekst en onomastiek de identiteitsbeleving van de overledenen bepaalden. Ik heb onder meer gekeken naar posities van de talen op de grafschriften, alsook hun lengte en inhoud om zo meer te weten te komen over de identiteit van de overledenen. Daarnaast heb ik ook de etymologie van de eigennamen onderzocht. Zo wordt er antwoord geboden op een vraag als “Hadden de overledenen voornamelijk Griekse namen of niet?”. Dit vertelt ons meer over de identiteitsbeleving van de overledenen.

Van Palmyra tot Egypte

De antieke grafinscripties die hier in de schijnwerpers zullen staan zijn voornamelijk afkomstig uit het Griekstalige oosten. Het grootste deel hiervan zijn Grieks-Palmyreens, uit de bekende Syrische karavaanstad Palmyra. Zij worden kwantitatief op de voet gevolgd door de Grieks-Hebreeuwse grafschriften. Zij komen zowel uit het antieke Judea als uit de Joodse catacomben van Rome en Italië. Daarna volgen de Grieks-Frygische epitafen, afkomstig uit Centraal-Anatolië. De Grieks-Koptische en Grieks-Demotische grafschriften sluiten de top 5 af, allebei uit Egypte, zij het geschreven in een ander stadium van de Egyptische taal. We spreken hier over 305 grafinscripties in totaal. Er zijn nog tal van andere Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften, maar hun aantallen zijn te klein en ze zijn te slecht gedocumenteerd om er betekenisvol onderzoek naar te doen. Chronologisch zijn de 305 tweetalige grafinscripties voornamelijk te situeren in de 3de eeuw v.C. en in de 2de eeuw n.C.

Schijfdiagram van het aantal Griekse tweetalige grafinscripties, opgedeeld per taal

Grieks boven!

De keuze van welke taal eerst kwam, alsook de lengte van de teksten en de inhoud ervan bepalen welke identiteit de overledenen of hun nabestaanden wilden uitdrukken via de grafschriften. Daarom heb ik de relatieve positie van de teksten/talen, de lengte en inhoud van elke tekst onderzocht, per grafschrift.

Ik heb een eigen databank gemaakt op basis van de Trismegistos-database, waarin ik voor elk grafschrift drie dingen heb vastgelegd: de positie van de tekst, hoe lang de tekst is, en wat erin staat. De gegevens zijn per taal gegroepeerd. Om het overzicht te bewaren is alles in tabellen gegoten.[2]

[1. Positie – Grieks met:]

Grieks Boven Grieks Onder Naast Elkaar Grieks

Midden

Andere Taal Midden Onbepaald
Palmyreens 80,6% 11,1% 8,3% 0,0% 0,0% 0,0%
Hebreeuws 52,2% 23,2% 5,8% 2,9% 2,9% 13,0%
Frygisch 81,8% 7,6% 1,5% 0,0% 9,1% 0,0%
Koptisch 47,5% 22,0% 5,1% 10,2% 8,5% 3,4%
Demotisch 15,4% 43,6% 7,7% 5,1% 0,0% 28,2%
Totaal % 59,7% 20,0% 6,2% 3,3% 4,3% 7,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 20.

Bovenstaande tabel toont aan dat in een meerderheid van de gevallen het Grieks boven de andere taal staat geschreven op een grafschrift. De Grieks-Demotische grafschriften vormen de uitzondering die de regel bevestigen. Dit lijkt er dus op te wijzen dat het Grieks een belangrijkere status aannam dan de lokale taal. Er zijn wel onderlinge verschillen op te merken: zo staat het Grieks zéér vaak bovenaan een Grieks-Frygische inscriptie, maar is dat bij de Grieks-Koptische grafinscripties veel minder het geval. Soms is het echter niet duidelijk wat de positie van de talen juist is, vandaar de laatste kolom genaamd “Onbepaald”. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met de slechte staat van de inscriptie of een onduidelijke teksteditie, waarbij de positie van de teksten niet wordt aangegeven.

Alle talen zijn gelijk, maar sommige…

[2. Hoeveelheid – Grieks met:]

Evenveel lijnen Grieks > Andere taal Grieks < Andere taal Onbepaald
Palmyreens 48,6% 25,0% 12,5% 13,9%
Hebreeuws 24,6% 56,5% 14,5% 4,3%
Frygisch 33,3% 34,8% 12,1% 19,7%
Koptisch 28,8% 23,7% 42,4% 5,1%
Demotisch 18% 7,7% 51,3% 23,1%
Totaal % 32,1% 31,8% 23,9% 12,1%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 21

Ongeveer 1/3de van de grafschriften in de tabel combineert evenveel Grieks met een andere taal, bijna evenveel grafschriften bevatten meer Grieks. Minder dan een kwart van de grafinscripties bevat meer niet-Griekse tekst dan Griekse tekst. Opnieuw zijn het de Grieks-Demotische en in dit geval ook de Grieks-Koptische grafschriften die hier de uitzondering vormen op de rest. Vanwege de slechte staat van sommige grafinscripties, of omwille van andere redenen, is het in 12% van de gevallen niet duidelijk welke taal nu dominant is.

Wat wordt er precies gezegd?

[3. Inhoud – Taal:]

ID in Grieks ID in andere taal Religieuze inhoud in Grieks[3] Religieuze inhoud in and. taal[4] Spreuk in Grieks Spreuk in and. taal
Gr.-Palmyr. 95,8% 97,2% 0,0% 0,0% 5,6% 11,1%
Gr.-Hebr. 95,7% 56,5% 0,0% 0,0% 7,2% 42,0%
Gr.-Fryg. 97,0% 1,5% 4,6% 0,0% 12,1% 100,0%
Gr.-Kopt. 11,9% 66,1% 22,0% 23,7% 66,1% 10,2%
Gr.-Demot. 89,7% 64,1% 0,0% 43,6% 2,6% 10,3%
Tot. 241 174 16 31 57 113

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 22

Dankzij de tabel hierboven kunnen we ook zien dat de Griekse taal vaak de overledene identificeert. Dat is in de niet-Griekse talen toch minder het geval. Deze talen worden eerder gebruikt om bepaalde (funeraire) spreuken, formules of religieuze inhoud over te brengen. De Grieks-Koptische grafschriften vormen hierop een uitzondering. De percentages overlappen hier omdat een tekst uiteraard meerdere inhoudelijke zaken kan bevatten.

Op basis van deze drie factoren kunnen we stellen dat de Griekse taal toch een zekere overmacht had op tweetalige grafschriften ten opzichte van de lokale talen. Al zijn er hier en daar uitzonderingen, voornamelijk terug te vinden op de Egyptische grafschriften.

Beroepstrots tot in de kist

Een tweetalige Grieks-Palmyreens funerair reliëf van Marcus (een kolonist uit Berytos)

James Noel Adams toont aan in zijn Bilingualism and the Latin Language dat in Latijnse tweetalige grafschriften de beroepsidentiteit van de overledene wordt benadrukt door middel van de taal. Hetzelfde is terug te vinden bij de Griekse tegenhangers. Zo is er een hiërogliefensnijder genaamd Besas die, naast Grieks, ook hiërogliefen op zijn grafschrift heeft staan [TM 52806]. Ongetwijfeld heeft Besas deze hiërogliefen er op laten zetten omwille van zijn beroep.

Het omgekeerde zien we echter ook: zo zijn er de grafschriften van een Grieks-Hebreeuwse leraar [TM 876393] en een Grieks-Palmyreense dokter [TM 829352] die de respectievelijke beroepen expliciet in het Grieks vermelden, maar niet in de lokale taal. Misschien was de leerkracht gespecialiseerd in Grieks onderricht? Adams merkte op dat ook Grieks-Latijnse grafschriften het beroep van dokter vermelden in de Griekse taal.

Naam en faam

Om meer te weten te komen over de identiteitsbeleving van overledenen moet er natuurlijk ook naar de namen en identificatie van die mensen gekeken worden. De etymologie van de naam van de overledene is natuurlijk een belangrijke factor om meer te weten te komen over de achtergrond en identiteit van de persoon. Iemand met een Griekse naam zal misschien wel eerder een band hebben met de Griekse cultuur dan met de lokale cultuur.

Deze dataset is groter dan die van het eerste deel, aangezien eigennamen vaak duidelijker zijn terug te vinden in de tekstedities dan de exacte positie van teksten of de exacte lengte van die teksten. Daarom worden ook Grieks-Nabatese, -Aramese, en -Fenicische grafschriften gebruikt voor dit onderdeel. Die opschriften komen voornamelijk uit het huidige Libanon en Israël/Palestina.

Deze resultaten werden opnieuw per taal gesorteerd en vervolgens in overzichtelijke tabellen gegoten.

[4. Etymologie – Grieks met:]

Grieks Andere Latijn Beide Onbekend
Palmyreens 13,9% 68,4% 16,1% 0% 1,5%
Frygisch 46,4% 28,9% 17,5% 0% 7,2%
Hebreeuws 27,3% 58,5% 13% 0% 1,3%
Koptisch 36,1% 61,1% 0% 0% 2,8%
Demotisch 37,5% 50% 0% 6,3% 6,3%
Hiërogliefisch 40% 50% 0% 10% 0%
Nabatees 16,7% 66,7% 0% 8,3% 8,3%
Aramees 9,1% 81,8% 9,1% 0% 0%
Fenicisch 47,4% 52,6% 0% 0% 0%
Totaal % 29,5% 54,9% 11,3% 1,1% 3,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 47

Deze tabel toont de linguïstische etymologie van de namen op de grafschriften. In totaal beschikken we over 432 namen. Op sommige grafinscripties staan namelijk meerdere namen, hetzij omdat er meerdere personen in één graf waren begraven, hetzij omdat de persoon in kwestie met meerdere namen bekend was. De categorie ‘Andere’ slaat op een niet-Griekse, niet-Latijnse naam vaak afkomstig uit de lokale taal van het grafschrift, maar niet altijd. ‘Beide’ wilt zeggen dat de naam bestaat uit twee onderdelen, elk afkomstig uit een andere taal. Het is duidelijk dat over het algemeen één soort etymologie overheerst, namelijk die van de lokale taal. De Grieks-Frygische grafschriften uit Centraal-Anatolië vormen echter de uitzondering: bijna de helft van die namen zijn van Griekse origine. De verdeling die te zien is tussen de verschillende regio’s is heel interessant. Meer dan 2/3de van de grafschriften uit Palmyra draagt een Palmyreense naam, terwijl slechts de helft van de Egyptische grafschriften een Egyptische naam bevat. De etymologie van een naam is uiteraard niet altijd bekend.

Identiteit achter de naam

Tweetalig grafschrift Latijn-Palmyreens van een vrijgelatene met meer identificatie-elementen (zoals de naam van haar echtgenoot) enkel in het Latijn

Naast namen vermelden de grafschriften ook vaak andere identificatie-elementen. In de Oudheid bestonden er namelijk geen achternamen zoals wij die kennen. Op een grafschrift moest men zich dus op andere manieren differentiëren van mensen met dezelfde voornaam. Daarom werd vaak de naam van de vader toegevoegd achter die van de dode, als patroniem (bijvoorbeeld Thaimarsas, zoon van Zabdaathes [TM 831060], zie ook de website van Virtual Museum of Syria voor een afbeelding en meer context). In sommige gevallen was dit de naam van de moeder, een metroniem. Om iemand nog specifieker te identificeren werd vaak ook de naam van de grootvader, overgrootvader, enzovoort toegevoegd. Daarbovenop werden nog andere identificatie-elementen gebruikt: woonplaats, echtgeno(o)t(e), clan of beroep.

Ik heb niet in kaart gebracht welke identificatie-elementen er werden gebruikt, maar wel hoeveel, en of die hoeveelheid dezelfde was in beide talen. Iemand die immers heel uitgebreid geïdentificeerd wordt in de lokale taal en slechts zeer kort in het Grieks, voelde zich waarschijnlijk eerder verbonden met de lokale cultuur dan de Griekse.

[5. ID-elementen: – Grieks met:]

ID-elementen in Grieks ID-elementen in Andere taal Langer?
Palmyreens 3,08 3,41 Andere taal
Frygisch 1,23 / /
Hebreeuws 1,84 1,39 Grieks
Koptisch 2,89 1,5 Grieks
Demotisch 2,06 2,36 Andere taal
Hiërogliefisch 2,69 2,75 Andere taal
Nabatees 1,91 2,33 Andere taal
Aramees 2,67 2,6 Grieks
Fenicisch 2,6 3,1 Andere taal
Totaalgemiddelde 2,19 2,62 Andere taal

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 48

Deze tabel toont het gemiddeld aantal identificatie-elementen per overledene per taal. Voor het Grieks is hier gekeken naar de 241 Griekse teksten die iemand identificeren en voor de lokale taal naar de 174 teksten (zie tabel 3). Het betreft hier dus niet grafschriften waarbij beide teksten de overledene identificeren. Het totaal toont aan dat de overledenen in het algemeen uitgebreider in de lokale taal werden bekendgemaakt dan in het Grieks. Er zijn wel uitzonderingen, namelijk de Grieks-Hebreeuwse, -Koptische, en -Aramese teksten. Daarnaast is het ook interessant om de verschillen te zien tussen de talen. Over het algemeen identificeren de Grieks-Palmyreense grafinscripties de overledene uitvoeriger, met gemiddeld meer dan drie elementen, dan hun Grieks-Hebreeuwse tegenhangers, met gemiddeld minder dan twee elementen.

Genderongelijkheid tot de dood

Er zijn ook opvallende verschillen op te merken tussen de identificatie van mannen en van vrouwen op de grafstenen. Mannen werden over het algemeen uitgebreider genoemd dan vrouwen, met meer elementen. Vrouwen moesten zich vaak tevredenstellen met twee identificatie-elementen of minder, terwijl de mannen er vaak meer dan twee hadden. De talige afkomst van de vrouwennamen en de mannennamen verschilt echter weinig van elkaar. In de helft van de gevallen worden de namen van de vrouwen enkel genoemd in de Griekse tekst. Mannen worden dan weer in 2/3de van de gevallen in beide talen bekendgemaakt.

Conclusie

Er kan besloten worden dat het beeld niet éénduidig is inzake de identiteitsbeleving van overledenen met tweetalige grafschriften. Op basis van de positie van de teksten, de lengte en de inhoud zou je denken dat over het algemeen de Griekse identiteit de overhand heeft. Als we echter kijken naar de namen en de lengte van identificatie van de overledenen zien we een dominantie van de lokale talen. Dit is net het mooie aan deze grafinscripties, namelijk dat de twee culturen en talen, lokaal én Grieks, hand in hand gaan. Het is dus duidelijk dat deze overledenen een hybride identiteitsbeleving hadden, waarbij hun lokale wortels werden gecombineerd met de dominante Griekse cultuur.

Meer lezen

Adams, James Noel. Bilingualism and the Latin language. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Adams, James Noel en Janse, Mark en Simon Swain, reds. Bilingualism in Ancient Society: Language Contact and the Written Text: 1-23. Oxford: Oxford University Press, 2002.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. ‘ἐν םולש ἡ κοίμησις: Een studie naar identiteitsbeleving o.b.v. Griekse tweetalige grafinscripties’. Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. “ἐν שלום ἡ κοίμησις. Identiteit van overledenen in Griekse tweetalige grafinscripties.” Poster gepresenteerd op de Masterproefpresentaties 2023-2024.

[1] Enkele drietalige inscripties met aanwezigheid van Latijn (naast het Grieks en een andere taal) werden ook onderzocht, maar de Latijnse teksten werden genegeerd voor dit onderzoek.

[2] Bij alle tabellen wijkt het opgetelde totaalpercentage af van 100% vanwege afrondingen

[3] Exclusief religieuze spreuken

[4] Exclusief religieuze spreuken

Coverafbeelding: Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098], afkomstig uit de databank Hesperia (CC BY-NC 3.0)

[De auteur wil Michiel D’huyvetters en Stef Janssens bedanken voor het proeflezen.]

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/feed/ 0 2747
Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/ https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/#respond Sun, 17 Nov 2024 16:24:08 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2625 Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. In dit artikel bieden we een overzicht van het panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners.

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
In this world nothing can be said to be certain, except death and taxes”. De gevleugelde woorden van Benjamin Franklin worden bevestigd door documenten die in 1789 nog niemand kon lezen. Sumerische en Egyptische teksten uit het 3de millennium v.C. tonen hoe staten al bij het begin van de geschiedenis inkomsten verzamelden. Alle overheden, huidige en historische, staan op dat vlak voor gelijkaardige uitdagingen. De oplossingen kunnen echter sterk uiteenlopen.

Sumerische kwitantie voor stro uit de 21ste eeuw v.C.

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. Fiscale hervormingen vormen tevens het onderwerp van mijn nieuwe postdoctorale project ‘FARE‘. Naar aanleiding daarvan bied ik u graag een panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners. Hopelijk maakt dat uw volgende aangifte net iets minder pijnlijk, of voelt u zich op zijn minst een beetje verbonden met uw antieke lotgenoten.

“The thunder of world history”

Fiscaliteit doet misschien niet spontaan veel harten sneller slaan (althans niet van degenen die braaf het verschuldigde betalen). Waarom zouden we ons moeten interesseren voor fiscale geschiedenis? Joseph Schumpeter, een van de meest invloedrijke economen uit de 20ste eeuw, verwoordde het als volgt:

“The spirit of a people, its cultural level, its social structure, the deeds its policy may prepare — all this and more is written in its fiscal history, stripped of all phrases. He who knows how to listen to its message here discerns the thunder of world history more clearly than anywhere else.” (Crisis of the Tax State, 1918)

Het “gedonder van de wereldgeschiedenis” dus! Dat klinkt behoorlijk dramatisch, maar belastingen en hun organisatie bieden inderdaad een schat aan informatie over sociale, economische en politieke geschiedenis. Omdat belastingen een constante zijn doorheen de geschiedenis is een historisch perspectief ook relevant voor de organisatie van onze fiscaliteit, en de antieken kunnen ons een en ander leren over hoe of misschien vooral hoe niet belastingen te organiseren.

Enkele misverstanden over belastingen in de Oudheid

Deze munt van keizer Caligula (37–41 n.C.) verwijst naar zijn afschaffing van een verkoopsbelasting. De voorzijde toont — misschien met enig gevoel voor ironie — de vrijheidsmuts

Antieke heersers worden al te gemakkelijk voorgesteld als hebzuchtige tirannen. Echter, zoals keizer Tiberius opmerkte, is het in het belang van een “herder” om zijn schapen te scheren en niet te villen. De documentaire bronnen uit veel gebieden tonen dat antieke staten op binnenlands vlak stabiele boven maximale inkomsten verkozen. Autocratische regimes beloven bovendien vaak een lager belastingtarief om te compenseren voor een gebrek aan vrijheid. Dat idee gaat al terug tot de Franse filosoof Montesquieu en lijkt haar bevestiging te vinden in de lagere belastingtarieven in het Perzische en Romeinse Rijk. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat deze staten minder in oorlogsvoering moesten investeren. Maar het is misschien geen toeval dat Finland met een van de hoogste belastingen ter wereld steevast op nummer 1 eindigt in het World Happiness Report.

Een ander misverstand is dat antieke economieën “primitief” waren en grotendeels gebaseerd op ruilhandel. Niets is minder waar, en antieke staten begonnen al vroeg belastingen te innen in edelmetaal. In Babylonië vinden we in de ‘Ur-III’-periode (late 3de millennium v.C.) al een belasting op vee in zilver, en in Egypte een gelijkaardige taks geïnd van vissers in het 2de millennium v.C. In de loop van het 1ste millennium v.C. wonnen belastingen in cash echt aan belang doorheen het hele Middellandse Zeegebied en Mesopotamië.

Een lappendeken aan verschillende belastingen

De basis van de meeste hedendaagse staatsfinanciën is de algemene inkomstenbelasting. Ondanks indrukwekkende bureaucratieën had geen enkele antieke staat daarvoor de infrastructuur en de informatie. Om die reden werd er ook vaak een beroep gedaan op lokale elites zoals priesters en op belastingpachters. Aangezien alle antieke beschavingen landbouwsamenlevingen waren, hadden de meeste staten een vorm van belasting op het land. Vaak ging het om 10% van de oogst, maar bijvoorbeeld in Ptolemaeïsch Egypte lag het (variabele) tarief veel hoger. Land dat toebehoorde aan invloedrijke tempels werd vaak minder belast, in Babylonië onder de Perzen bijvoorbeeld maar aan 3%. Degenen wiens hoofdberoep een ambacht of een dienst was, waren doorgaans onderworpen aan een professionele taks. Ook op dat vlak liepen de modaliteiten uiteen, maar de hoogst bekende belasting was die in de Griekse stad Byzantion, waar bepaalde groepen een derde van hun inkomsten moesten afdragen.

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honingNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honing

In de Oudheid kende men geen algemene btw, maar wel verkoopstaksen, die uiteraard werden doorgerekend aan de klant. Die belastingen konden zowel algemene markt-taksen als specifieke belastingen zijn, bijvoorbeeld op de verkoop van gladiatoren in het Romeinse Rijk. Wie een huis kocht of een ander contract wilde laten registreren, betaalde op veel plaatsen een vorm van registratierechten. Zij die producten wilden invoeren of uitvoeren, een activiteit die makkelijk te controleren viel, waren quasi overal onderhevig aan douane- en tolheffingen. Dit soort taksen was in vredestijd de belangrijkste bron van inkomsten voor zowel de Griekse stadstaten als de vroeg-Romeinse Republiek. Zo vermeldt Strabo de spreekwoordelijke domheid van de inwoners van Cumae, die pas 300 jaar na de stichting van de stad douanerechten verpachtten:

[…] κατέσχεν οὖν δόξα ὡς ὀψὲ ᾐσθημένων ὅτι ἐπὶ θαλάττῃ πόλιν οἰκοῖεν. (Strabo XIII, 3, 6)
[…] aldus kregen ze de reputatie een volk te zijn dat pas laat doorhad in een stad bij de zee te wonen.

Een type taks dat vandaag omstreden is, en bijvoorbeeld een groot twistpunt vormt in de Belgische regeringsvorming, is de vermogensbelasting. In de Oudheid was het echter een courante praktijk om hogere defensie-uitgaven te compenseren door vermogens aan te spreken. Zo hieven vele Griekse steden in oorlogstijd de zogenaamde eisphora, en de Romeinen in de Republiek het tributum, beide enkel betaald door zij die een bepaald vermogen bezaten. Ook het antieke China kende in de 2de en 1ste eeuw v.C. een vermogensbelasting. Een gerelateerde praktijk is het innen van successierechten, zoals de vicesima hereditatum (“5% van de erfenis”) ingevoerd door keizer Augustus.

Taksen: een heel karwei

Met 833 mogelijke codes lijkt het invullen van de Belgische belastingaangifte misschien veel werk. Maar het kan erger: in de Oudheid moesten veel inwoners fysiek werk verrichten voor de staat. Vooral in het oude nabije oosten en in Egypte vinden we diverse vormen van corvee (waar ons woord ‘karwei’ van afgeleid is), maar ook de Inca’s, Azteken en de oude Chinezen kenden deze praktijk. In België verdween elke vorm van verplichte arbeid met de opschorting van de militaire dienstplicht in 1992. Naast militaire dienst werd corvee vaak gebruikt voor de cultivatie van staatsland, voor publieke bouwwerken (zoals piramides), en vooral voor het onderhoud van het irrigatiesysteem, waar de hele bevolking baat bij had. Na verloop van tijd konden deze verplichtingen worden afgekocht met zilver of geld. In Mesopotamië werd dit al gangbaar in het 2de millennium v.C., wat suggereert dat deze regio al vroeg een echte arbeidsmarkt had.

Reliëf voor de bouw van een tempel in Lagash (ca. 2500 v.C.). Links houdt koning Ur-Nanshe een typische corveemand voor het dragen van aarde boven zijn hoofd

“No taxation without representation?”

Geen belasting zonder vertegenwoordiging was de slagzin van de Amerikaanse revolutie. Ook in de Oudheid speelden taksen vaak een rol in het uitbreken van opstanden, in het bijzonder wanneer de legitimiteit van de veroveraars om te belasten in twijfel getrokken werd. Voorbeelden zijn legio: de vele revoltes in het Perzische rijk, de grote Thebaanse opstand tegen de Ptolemaeën, de Makkabese opstand tegen de Seleuciden, revoltes tegen de Romeinse overheersing, enz. Sommige regimes, zoals het Perzische rijk of de Delisch-Attische Zeebond verbloemden tribuutbetalingen dan ook als “vrijwillige” giften.

Ionische Grieken brengen giften naar de Perzische koning in deze scène uit de Apadana in Persepolis (eerste helft 5de eeuw v.C.)

Taksen kunnen een teken van onderwerping en uitsluiting zijn, zoals ook het geval was bij de beruchte Joodse taks onder de Romeinen. Anderzijds kon het betalen van belastingen net bijdragen tot het vormen van een gemeenschap en lidmaatschap ervan uitdrukken. Dat wordt op pijnlijke wijze duidelijk voor slaven: zij betaalden nergens zelf belastingen, maar de opbrengst van hun arbeid werd belast. In het oude Rome werden sommige taksen, zoals successierechten, enkel van burgers geheven. Lange tijd dacht men dat de Grieken directe belastingen als een teken van tirannie zagen, maar intussen is het duidelijk dat de steden hun burgers wel degelijk belastten. Wel is het zo dat de Atheners publieke goederen in ruil verwachtten, en dat ze veel meer inspraak hadden dan de onderdanen van de grote rijken.

Belastingvrijstelling: een tweesnijdend zwaard

In andere gevallen was het belastingvrijstelling die bijdroeg tot het definiëren van de gemeenschap. In Sparta was er een onderscheid tussen de Spartaanse burgers die militaire dienst leverden en de heloten die belastingen betaalden. Volgens Herodotus waren de inwoners van het Perzische kerngebied vrijgesteld van belastingen. De Romeinse Republiek schafte in 167 v.C. het tributum af, waardoor de belastingdruk verschoof van de burgers in Italië naar de inwoners van de nieuwe provincies. Onderzoekers hebben recent gewezen op de schaduwkant van deze vrijstelling. Omdat de staat en de elites de bijdragen van de burgers niet langer nodig hadden, verloren deze ook hun onderhandelingspositie en na verloop van tijd hun politieke inspraak.

Na de overwinning op de Macedonische koning Perseus in 167 v.C. (hier afgebeeld door Jean-François Pierre Peyron) schafte Rome de voornaamste belasting voor haar burgers af

Andere vrijstellingen werden toegekend als beloning of om machtige groepen aan de staat te binden. Niet zelden ging het daarbij om priesters, en in onze contreien waren bijvoorbeeld druïden vrijgesteld van belastingen. Taksen en vrijstellingen worden vaak gebruikt om het gedrag van mensen te beïnvloeden (social engineering). In een wel heel driest voorbeeld betaalden ongehuwde vrouwen tussen de 15 en 30 jaar oud in het oude China een tijdlang het vijfvoudige voor de hoofdelijke belasting. Met hetzelfde doel had het Romeinse keizerrijk het ius trium liberorum, dat bepaalde vrijstellingen toekende aan ouders van 3 of meer kinderen. In Ptolemaeïsch Egypte waren er dan weer uitzonderingen voor leraars, winnaars in de spelen, sportcoaches en acteurs. Die groepen hadden allemaal een sterke band met de Griekse cultuur, maar Egyptische priesters genoten ook privileges. Winnaars in de spelen kregen ook elders in de Griekse wereld belastingvrijstelling.

Belastingontduiking: een antieke sport?

Papyrus met aangifte tegen de voller Leon voor het ontwijken van de beroepsbelasting (227 v.C.)

Er wordt wel eens gezegd dat belastingontwijking (legaal) of -ontduiking (illegaal) een nationale sport is in België. Hoewel Plato het betalen van belastingen als een kenmerk van de rechtvaardige man beschrijft, en Jezus aanried om de keizer te geven wat de keizer toekwam, proberen mensen al belastingen te ontwijken zo lang als ze geïnd worden, zoals de klacht van de belastingpachter Athenagoras tegen de voller Leon [TM 43303] aantoont. In het bijzonder de papyri uit Egypte staan bol van de listen om belastingen te ontwijken. De Ptolemaeïsche Hierokles, een serie-overtreder, vroeg bijvoorbeeld aan zijn connecties om “brieven te schrijven naar de douanepost, zodat ze hem genereus behandelen” [TM 2386] en de Romeinse wever Tryphon [TM Arch 249] bleef lustig weefgetouwen bijkopen jaren nadat hij omwille van zijn slechtziendheid van belastingen was vrijgesteld. Overtreders moesten wel oppassen voor informanten, die tot een derde van de boete konden opstrijken.

Het waren overigens niet alleen belastingbetalers die achterpoortjes zochten. Een brief van de Romeinse consuls aan de Griekse stad Oropos uit het jaar 73 v.C. toont hoe sommige belastingpachters wel erg creatief met de fiscale wetgeving omgingen. Enkele jaren voordien had de generaal Sulla tempelland in de omgeving van de stad vrijgesteld van belastingen. Toch probeerden de pachters taksen te innen van de tempel van Amphiaraus. Hun argument? Technisch gezien was Amphiaraus een held, en geen volwaardige god. In dit geval besliste de Romeinse staat, op advies van onder andere Cicero, in het voordeel van de priesters. Maar ook in de Oudheid was het dus belangrijk om de kleine lettertjes te kennen!

Lees meer

Girardin, M. (ed.), Fiscalités antiques. Aux origines de l’administration provinciale romaine, Rome, 2023.
Monson, M. and Scheidel, S. (eds.),  Fiscal Regimes and the Political Economy of Premodern States, Cambridge, 2015.
Valk, J. and Soto Marín, I. (eds.), Ancient Taxation: The Mechanics of Extraction in Comparative Perspective, New York, 2021.

Coverfoto: Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier, afkomstig van Wikimedia [CC0 1.0]

Dit project is gefinancierd onder de Marie Skłodowska-Curie Actions (MSCA)

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/feed/ 0 2625
Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/#respond Sun, 05 Mar 2023 16:42:18 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2452 Schilderij Vincenzo Foppa - The Young Cicero Reading

Kan een boek de loop van de geschiedenis veranderen? Zeker, althans volgens de bekende Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Hij dacht namelijk bij het begin van de burgeroorlog van 49 v.C. dat het boek van Demetrios van Magnesia 'Over de eendracht' nog de politieke protagonisten Iulius Caesar en Gnaeus Pompeius Magnus van mening kon doen veranderen, iets dat weliswaar net niet lukte en waarvan de bedoeling ook voor ons nog gedeeltelijk een raadsel is gebleven.

Het bericht Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Schilderij Vincenzo Foppa - The Young Cicero Reading

Kan een boek de loop van de geschiedenis veranderen? Zeker, althans volgens de bekende Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Hij dacht namelijk bij het begin van de burgeroorlog van 49 v.C. dat een bepaald Grieks boek nog de politieke protagonisten van mening kon doen veranderen, iets dat weliswaar net niet lukte en waarvan de bedoeling ook voor ons nog gedeeltelijk een raadsel is gebleven.

Politieke situatie 49 v.C.

In het begin van 49 v.C. zat Cicero – om het zachtjes uit te drukken – in een moeilijke persoonlijke en politieke situatie. Iulius Caesars oversteek van de Rubicon op 11 of 12 januari (volgens de Romeinse kalender) betekende het begin van de burgeroorlog tussen hem en de Romeinse Senaat, vertegenwoordigd door Gnaeus Pompeius Magnus. Eind februari was Caesar op weg met zijn leger naar de havenstad Brundisium, waar Pompeius en de Romeinse consuls hun toevlucht hadden gezocht. Van daaruit wilde Pompeius de oversteek naar Griekenland maken. Hoewel Pompeius, die op Cicero’s steun rekende, er herhaaldelijk bij de redenaar op had aangedrongen hem daar te vervoegen, bevond deze zich nog steeds in Campanië, in Formiae, terwijl hij zich afvroeg of hij zich bij Pompeius moest aansluiten en Italië moest verlaten of niet. Cicero was het niet eens met Pompeius’ weigering te proberen tot een akkoord te komen met Caesar en vond dat een burgeroorlog koste wat kost moest worden vermeden. Ondanks de moeilijke situatie dacht Cicero eraan zelf een poging tot verzoening tussen Caesar en Pompeius te ondernemen.

Kaart met de bewegingen van Caesar aan het begin van de burgeroorlog met Pompeius

Over de eendracht

We weten niet wat Cicero precies in gedachten had, maar we weten wel dat hij een bepaald boek als zijn ultieme troef beschouwde. Het boek in kwestie droeg de titel ‘Over de eendracht’ (Περὶ ὁμονοίας) en werd geschreven door de laat-hellenistische geleerde en biograaf Demetrios van Magnesia. We hebben geen informatie over de inhoud van dit werk, dat helemaal verloren is gegaan. We weten enkel dat het was opgedragen aan Cicero’s vriend Titus Pomponius Atticus.

Cicero’s brieven aan Atticus

Eerste pagina van de Brieven naar Atticus (Epistolae Ad Atticum) geschreven door Cicero in een 16de eeuwse druk van Paolo Manuzio in Venetië

We kunnen de gebeurtenissen nog volgen dankzij Cicero’s brieven aan Atticus. In een brief geschreven in Formiae op 27 februari 49 v.C. vraagt Cicero aan Atticus, die zich op dat moment in Rome bevindt, om hem Demetrios’ boek te sturen, omdat hij het voor een zeer bijzondere en dringende aangelegenheid wil gebruiken

Memini librum tibi adferri a Demetrio Magnete ad te missum Περὶ ὁμονοίας. Eum mihi velim mittas. Vides quam causam mediter. 

Ik herinner me dat Demetrios van Magnesia je het boek ‘Over de eendracht’ heeft gebracht, opgedragen aan jou. Ik zou willen dat je het me stuurt. Je ziet wat ik van plan ben. (Cic. Att. 8.11.7)

In een andere brief van de volgende dag (28 februari) herhaalt Cicero hetzelfde verzoek: de zaak is hoogst urgent en hij heeft geen tijd te verliezen

Haec igitur videbis et, quod ante ad te scripsi, Demetri Magnetis librum quem ad te misit de concordia velim mihi mittas.

Je zal hier dus voor zorgen en, zoals ik je eerder schreef, zou ik willen dat je me het boek Over de eendracht van Demetrios van Magnesia stuurt, dat hij aan jou heeft opgedragen. (Cic. Att. 8.12.6)

Maar helaas, te laat. Cicero had niet de tijd om zijn plan uit te voeren. In een andere brief van ongeveer twee weken later (17 maart) lezen we immers dat Cicero het boek van Demetrios naar Atticus heeft teruggestuurd. Het vertrek van de consuls naar Griekenland had zijn plannen verstoord, aangezien een overeenkomst niet mogelijk was zonder de aanwezigheid van de consuls

Quod consules laudas, ego quoque animum laudo, sed consilium reprehendo; discessu enim illorum actio de pace sublata est, quam quidem ego meditabar. Itaque postea Demetri librum de concordia tibi remisi et Philotimo dedi;

“wat jouw verheerlijking van de consuls betreft, ook ik prijs hun ingesteldheid, maar ik keur hun beslissing af; hun vertrek heeft immers de vredesonderhandelingen die ik van plan was onmogelijk gemaakt. Ik heb je Demetrios’ boek Over de eendracht daarna dan maar teruggestuurd en het aan Philotimus gegeven. (Cic. Att. 9.9.2)

Raadsel

Het blijft dus een raadsel wat Cicero precies van plan was met Demetrios’ Over de eendracht, maar in ieder geval vond hij het op een van de meest kritieke momenten in de Romeinse geschiedenis de moeite waard een boek aan te wenden voor politieke doeleinden. Zouden Caesar en Pompeius van gedachten zijn veranderd als Cicero de tijd had gehad om zijn plan uit te voeren?

Verder lezen

P. Zaccaria, Felix Jacoby. Die Fragmente der Griechischen Historiker Continued. IV A: Biography. Fascicle 5. The First Century BC and Hellenistic Authors of Uncertain Date [Nos. 1035-1045], Leiden – Boston: Brill, 2021.

Coverfoto: schilderij van Vincenzo Foppa – The Young Cicero Reading, afkomstig van de Wallace Collection op Art UK (CC BY-NC-ND).

Het bericht Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/feed/ 0 2452
“Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/#respond Sun, 05 Feb 2023 18:24:53 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2379 Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren, onder andere als geboorteplaats van de “West-Vlaamse” keizer Carausius. Zijn de Menapii werkelijk een volk “van bij ons”? In dit artikel onderzoeken we wat we over deze volksstam en hun grondgebied in Gallia Belgica weten.

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren. Hij besteedt ook veel aandacht aan “West-Vlaams” keizer Carausius, “iemand van bij ons”. Hoewel we die titel met een korrel zout moeten nemen, bewoonden de Menapiërs wel degelijk een deel van het huidige België. Maar wie waren die Menapiërs of Menapii precies en wat weten we over hun grondgebied?

Onderzoek

De voorbije decennia nam het aantal archeologische onderzoeken in Vlaanderen serieus toe. Dankzij de luchtfotografie en betere onderzoekstechnieken, kwamen meer en meer historische vindplaatsen aan het licht. De interesse voor de Menapiërs wakkerde aan. Het beeld van afgesloten gemeenschappen werd bijgesteld: de Menapische interactie met de Noordzee én het binnenland bleek veel uitgebreider dan tot nu toe gedacht.

Reconstructie van Gallische hoeve, mogelijk onderdeel van een Menapische nederzetting uit de tijd van Caesar

Eén element wordt in het nieuwe onderzoek echter nooit in vraag gesteld: de grenzen van het gebied van de Menapii, de civitas Menapiorum. De hypotheses hierover dateren uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Ze werden later vrijwel algemeen aanvaard, maar dat blijkt problematisch, want onderzoekers als Siegfried De Laet en Pierre Leman baseerden zich grotendeels op Middeleeuwse bronnen, die we niet zomaar op de Oudheid mogen projecteren. Terug naar het begin dan maar, waarbij we alle mogelijke bronnen over de Menapii samenbrengen en het historisch onderzoek combineren met de archeologie, toponymie en een literatuurstudie. Die synthese leidt tot enkele opvallende vaststellingen en nieuwe inzichten.

Situering

Over het gebied van de Menapii komen we het meest te weten bij de antieke auteurs. Geen beschrijvingen van strakke grenzen, maar wel aanwijzingen voor een geografische situering. Caesar merkt in zijn De Bello Gallico meerdere keren op dat de Menapiërs zich terugtrokken in bossen en moerassen. Hij beschrijft ook hun samenwerking met de Morini, Nervii, Atuatuci en Eburones, de Gallische stammen die de Menapii omringden. Nog belangrijker echter: Caesar leert ons dat de Menapii oorspronkelijk de oevers van de Rijn bewoonden. Door aanhoudende druk van de Usipetes en Tencteri, trokken ze zich terug op de linkeroever en verder naar het zuiden. De Menapii zijn dus immigranten in het Noordzeegebied.

De Gallische stammen en steden, met de buren van de Menapiërs, ten tijde van Julius Caesar

Verder vermelden onder andere Orosius, Strabo en Tacitus de Menapii. Uit hun beschrijvingen weten we dat het Menapisch gebied aan de kust gelegen was. In het westen deelde het een grens met de Morini. Plinius (de Oudere) spreekt ook over de Schelde, een interessante demarcatielijn die later nog aan bod komt. Vanaf de monding van de Schelde woonden volgens hem eerst de Texuandri, dan de Menapii. De bonte variatie aan genoemde stammen en regio’s bij de verschillende auteurs is opvallend. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan en het territorium van volkeren dynamisch en veranderlijk was doorheen de oudheid. De Menapii kunnen we op dit moment grofweg situeren in het huidige Noord-Frankrijk, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen ten westen van de Schelde.

Menapische varkens

Het Menapische varken wordt vandaag ook terug gekweekt, dankzij een samenwerking tussen slagerij ‘Menapii’ en onderzoekers en archeologen van UGent

Zoals vermeld in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ worden de Galliërs, en dan specifiek de Menapii, stevig gelinkt aan varkens. In de antieke bronnen vinden we die link terug bij Martialis (1e eeuw n.C.). Hij schrijft:

Cerretana mihi fiat vel missa licebit de Menapis: lauti de petasone vorent
“Laat ze me ham serveren uit het land van de Cerretani of stuur me ham van bij de Menapii: laat fijnproevers de ham verslinden” (Mart. XIII.54)

Blijkbaar was de Menapische ham een bekend product tot in de hoogste kringen en werd hij verhandeld naar Rome. Ook in het ‘Edict van Diocletianus‘ wordt ham van bij de Menapii vermeld. Het lijkt er zelfs op dat de benaming in de loop van de tijd een kwaliteitslabel is geworden. Varkens leven van nature in een bosrijk gebied, wat overeenkomt met de informatie die Caesar ons geeft. Om het vlees tot in Rome te krijgen, moet het goed bewaard kunnen worden én is een handelsnetwerk nodig. En laat dat nu net zijn wat we in een volgende bron lezen.

Zout en handelaars

Votiefaltaar uit Tongeren, waarop een inscriptie de Mun[icipium] Tung[rorum] vermeldt

In Tongeren werd een prachtig votiefaltaar met perfect bewaarde inscriptie opgegraven [TM 209480]. Daarop valt te lezen:

Aan de zeer goede en zeer grote Jupiter en aan de genius van de municipium van de Tungri, Catius Drusus, Menapisch salinator, heeft zijn belofte ingewilligd graag en wel verdiend.

Drusus noemt zichzelf een Menapische zouthandelaar (salinator Menapius), een titel  die we ook lezen in een grafinscriptie uit Rimini [TM 517527]. Naast varkensvlees, lijkt zout dus een belangrijk handelsproduct van de Menapiërs. Dat met die handel goed te verdienen was, bewijst het bewaarde votiefaltaar. Verder blijkt vooral uit de archeologische vondsten dat er een levendige handel bestond zowel tussen de Menapische nederzettingen onderling als met het grotere Romeinse Rijk.

Romeins kader

We weten nu dat de Menapii migreerden van de oevers van de Rijn naar zuidelijker gelegen gebied. Met de komst van Caesar werd de hele regio onder Romeins gezag geplaatst. Hoe sterk de Romeinse invloed lokaal was, is moeilijk te achterhalen. We zien wel dat Menapische handelaars binnen het Rijk rondtrekken met ham en zout en zich uitdrukken in Romeinse inscripties. En er is nog een manier waarop de Menapii zich in het Romeinse kader inpassen: het leger.

De oudste epigrafische vermelding van de Menapii is ook de oudste attestatie van een Menapiër  in het Romeinse leger. Het gaat om het grafopschrift van Adiutor, daterend uit de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. en gevonden in Aquileia. Het opschrift vermeldt expliciet de Menapische afkomst van Adiutor en zijn statuut als lid van de civitas Menapiorum. Adiutor maakte deel uit van de cohors I Pannoniorum.

Een militair diploma waarop de ‘cohors I Menapiorum’ vermeld staat

Militaire diploma’s wijzen ook op het bestaan van een Menapische cohorte. Op maar liefst drie exemplaren van zulke diplomata krijgen we een schriftelijk bewijs van de cohors I Menapiorum, gestationeerd in Britannia aan het begin van de 2de eeuw n.C. Daarnaast is er ook de Notitia dignitatum, een administratief werk opgesteld tussen 395 en 430 n.C. Die vermeldt militaire eenheden met het ethnicon ‘Menapii in Thracië en in het westen van het rijk.

Tot slot vinden we ook sporen van die militaire eenheid in het westen. In de ruime omgeving van de Rijn zijn op Romeinse gebakken dakpannen (tegula) militaire stempels teruggevonden die verwijzen naar de Menapii. Het gaat om stempels die allemaal geplaatst zijn in het jaar 369 n.C. in Tabernae, het huidige Rheinzabern, in de provincia Germania Superior. Tabernae viel in de Oudheid onder het gezag van de dux Mogontiacensis, net zoals de Menapische eenheid die vermeld wordt in de Notitia dignitatum.

Nederzettingen

De nederzettingen in het Menapisch gebied kunnen we langs twee wegen bestuderen: aan de hand van antieke reiskaarten enerzijds en op basis van de archeologie anderzijds. De antieke itineraria tonen ons duidelijk de belangrijkste steden en routes. Deze zijn later van belang in het bepalen van de grenzen van het Menapisch gebied.

Antieke wegenkaarten

Voor de Romeinse tijd kunnen we terugvallen op drie geschreven bronnen: het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, de Tabula Peutingeriana en de Notitia Galliarum. Elk afzonderlijk hier bespreken zou ons te ver leiden, daarom houden we het bij een korte samenvatting. In de routebeschrijvingen komen verschillende steden uit Gallia Belgica meermaals voor; die kunnen we als knooppunten beschouwen.

Castellum (Cassel), de hoofdstad van de Menapii, komt voor in drie routes in het Itinerarium:

  1. als tussenstop in de route van Gesoriacum (Boulogne-sur-mer) naar Bagacum (Bavay)
  2. als vertrekpunt van de route naar Turnacum (Tournai of Doornik)
  3. als vertrekpunt van de route naar Colonia (Keulen)

Het Menapisch gebied zoals afgebeeld op de Peutingerkaart

Andere duidelijk aanwezige nederzettingen zijn Viroviacum (Wervik), Pontes Caldis (Escautpont) en Minariacum (Estaires of Stegers). Het valt op dat de grote wegen zich vooral in het zuiden van Gallia Belgica bevinden. Noordelijker, in het huidige Vlaanderen, zullen lokale wegen en waterwegen de overhand gehad hebben. In elk geval is het duidelijk dat de nederzettingen, ook in het Menapisch gebied, wel degelijk met elkaar in contact stonden.

De ‘Mijlpaal van Tongeren’ of ‘Itinerarium van Tongeren’ met daarop de afstanden tussen plaatsen uit Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior

Een uitzonderlijk interessante epigrafische bron is de mijlpaal van Tongeren [TM 209478]. Deze achthoekige steen werd gevonden in Tongeren rond 1820 en was vermoedelijk opgesteld op het forum van Atuatuca Tungrorum. Ze is op drie zijden beschreven met plaatsnamen in Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior en de afstanden ertussen. Op basis van de taal en het gebruik van leugae als maateenheid dateert de steen vermoedelijk uit het eerste kwart van de 3de eeuw n.C. Interessant voor dit onderzoek is de vermelding van Castellum Menapiorum mét afstand tot ‘Fines Atrabatium’, de grens of het gebied van de Atrebates. Dit is de enige bekende antieke bron die mogelijk verwijst naar een grens tussen de Menapii en deze Keltische stam.

Maar waar ligt die grens nu? Helaas, daarover is onenigheid. Het is zelfs niet helemaal duidelijk of de vermelding naar een specifieke plaats of eerder naar een ruimer gebied verwijst. De bron, de mijlpaal van Tongeren, leert ons dat de ‘Fines Atrebatium‘ op 14 leugae (ca. 30,8 km) van Cassel ligt, in de richting van Nemetacum (Arras). Omdat een reiziger tussen beide steden wel degelijk een grens moet oversteken, hechtten historici toch enorm veel belang aan de vermelding van ‘Fines Atrebatium‘ als plaats.

Voor de locatie van die plaats zijn ook verschillende opties gegeven. Zo is de nederzetting Minariacum een veel beschreven mogelijkheid, hoewel deze plek slechts ongeveer 24 kilometer van Cassel verwijderd is. Een andere mogelijkheid zou Rouge-Croix (Neuve-Chapelle) zijn, gelegen op bijna exact 30 kilometer van Cassel langs een Romeinse weg. De Franse historicus Roland Delmaire verwijst naar een grenssteen die daar in 1123 gestaan zou hebben, maar dat kan onmogelijk iets zeggen over de Oudheid. Tot slot is er het gehucht Fins bij Lille. Het toponiem, mogelijk afgeleid van het Latijnse fines, wijst vermoedelijk op een antieke(?) grens, maar de locatie zelf ligt mogelijk te perifeer om geïdentificeerd te worden met de ‘Fines Atrebatium‘. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer opheldering brengen.

Archeologie

In zowat elke gemeente in België zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Meestal gaat het echter om enkele losse sporen en zijn deze vondsten niet bepalend voor de conclusie van dit onderzoek. Daarom richten we ons op de grotere vindplaatsen die getuigen van bewoning, handel of militaire aanwezigheid. Door de antieke wegenkaarten te combineren met de Digital Atlas of the Roman Empire komen we tot 32 sites. Wat blijkt wanneer we deze sites op kaart uitzetten? Ze situeren zich grotendeels langs drie belangrijke waterlopen: de Noordzee, de Leie en de Schelde.

Overzichtskaart van de types sitesS. Demuynck (2020), p. 173.

Overzichtskaart van de types sites

Aan de kust blijken zich vooral castella te bevinden, zoals die van Oudenburg, Aardenburg en Maldegem-Vake. Deze militaire nederzettingen opgericht tegen invallende migranten waren hoofdzakelijk actief in het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw n.C. Er zijn heel wat pottenbakkerstempels gevonden die duiden op contact met het hinterland. De kustregio was een belangrijke verdedigingslinie, maar ook de plek waar zout gewonnen werd. Naast de militaire aanwezigheid was er ook civiele bewoning in onder andere Wenduine en Brugge.

Andere nederzettingen concentreerden zich langs de Leie en de Schelde. Sommige daarvan, zoals Wervik, Kortrijk en Doornik, bestaan tot vandaag. Tegelijk is er een opvallende gelijkenis in het ontstaan en de ondergang van deze nederzettingen. Rond het midden van de 1ste eeuw n.C. en zeker vanaf de Flavische dynastie duiken langs de rivieren meer en meer vaste woonplaatsen op, zoals Ploegsteert, Harelbeke en Kruishoutem. Deze nederzettingen bloeien in de vroege 2de eeuw n.C. met duidelijke sporen van uitbreiding en handel.

Vanaf het jaar 170 n.C. tekent zich een korte periode van stagnatie of verval af, onder andere in Wervik, Kerkhove en Destelbergen. Naast de invallen van de Chauci zijn andere mogelijke oorzaken voor deze terugloop de pestepidemie in 166 n.C., de oorlogen met de Marcomanni (166-180 n.C.) en de opstand van de deserteur Maternus in Gallia in 185-186 n.C. Desalniettemin bleven de meeste nederzettingen een voorspoedig bestaan leiden tot in het midden van de 3de eeuw n.C, toen een crisis het Romeinse Rijk op vele vlakken trof.

Munt gevonden in Londen, geslagen door de Romeinse tegenkeizer Marcus Aurelius Mausaeus Carausius die uit het Menapische gebied afkomstig was

In deze context betreedt Carausius het toneel. De ‘Menapiër’, zoals de Romeinse geschiedschrijver Aurelius Victor hem noemt, liet zich opmerken tijdens de Gallische veldtocht van keizer Maximianus en riep zichzelf in 286 uit tot keizer (van Britannia – waar hij met zijn vloot en legioenen verbleef – en Noord-Gallië). Dat was minder spectaculair dan je misschien zou denken, want hij was lang niet de enige usurpator in de Romeinse Keizertijd en werd enkele jaren later al vermoord. Dat houdt hedendaagse stemmen (zoals te horen in de tweede aflevering van ‘Het verhaal van Vlaanderen’) niet tegen om naar hem te verwijzen als de “West-Vlaamse” keizer, hoewel het Menapische kerngebied (en Carausius dus ook) grotendeels geromaniseerd was in deze periode.

Ondanks de aangetroffen wegen speelde het water een niet te onderschatten rol. Grotere nederzettingen zoals Kerkhove en Tournai konden dankzij hun ligging uitgroeien tot handelscentra, draaiende gehouden door de omliggende villae. De productiecentra ten zuiden van Doornik droegen hier zonder twijfel ook aan bij. Een opsomming van de gevonden opschriften biedt inzicht in de handel in en verspreiding van aardewerk. In de 1ste eeuw n.C. kwam dit hoofdzakelijk uit La Graufesenque (Zuid-Frankrijk).

De daaropvolgende eeuw wordt gekenmerkt door aardewerk uit Lezoux (Centraal-Frankrijk). Vooral in Wervik en Waasmunster zijn deze productiecentra goed vertegenwoordigd. Vanaf het midden van de 2de eeuw n.C vond er een omslag plaats naar aardewerk uit Centraal-Gallië en Germanië. Pottenbakkerstempels uit deze regio’s zijn rijkelijk aanwezig in Wenduine en Brugge. Vondsten van dezelfde stempel op verschillende plaatsen geven duidelijk het contact tussen de nederzettingen weer. Verder onderzoek naar pottenbakkerstempels buiten de civitas Menapiorum zou interessante gegevens kunnen opleveren over het contact tussen de civitates.

De grenzen

De antieke wegenkaarten en de archeologie wijzen op een duidelijke samenhang van het Menapisch gebied. Jammer genoeg weten we op basis hiervan nog altijd weinig over de exacte grenzen van de regio. Daarom is het nodig om de hypotheses van archeologen en historici erbij te betrekken.

Over de westelijke en oostelijke grens, respectievelijk de Aa, de Leie en de Schelde, heerst algemeen consensus. Deze rivieren zouden zowel in de oudheid als in de middeleeuwen een duidelijke demarcatielijn gevormd hebben, hoewel niet onomstotelijk bewezen door de antieke bronnen. Herinner wel Plinius die de Schelde ziet als het begin van een nieuw gebied. De Aa vormt dan weer een van de weinige natuurlijke grenzen op een logische locatie tussen het gebied van de Morini en de Menapii. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat waterwegen geen harde grens vormden, maar net een uitnodiging tot handel en uitwisseling.

De bepaling van de grens met de Atrebates in het zuiden ligt moeilijker. In de ruime regio tussen de Leie en de Schelde zijn heel wat kleinere waterlopen te vinden die als demarcatielijn kunnen dienen. Historicus Siegfried De Laet spreekt over de kleine rivier Courant des Coutiches als grens, maar kanalisering en aanleg van grachten zorgt ervoor dat we deze en andere waterlopen niet zonder meer op de Oudheid mogen projecteren. Ook geografische elementen zoals bossen en heuvels – vandaag verdwenen – kunnen een rol gespeeld hebben.

Daarnaast is er de problematiek rond ‘Fines Atrebatium’ op de mijlsteen van Tongeren, die eerder aan bod kwam. De Laet stelt op basis van zijn onderzoek Fins-Lille voor als locatie voor deze plaats, terwijl een andere onderzoeker, Pierre Leman, zich op Neuve-Chapelle richt. Een mogelijke route van de Romeinse weg Estaires-Tournai in dit gebied biedt verdere mogelijkheden om eventuele grenzen te tekenen. Maar we moeten eerlijk zijn: het blijft giswerk.

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en DerolezS. Demuynck (2020) op basis van Leman (1967), p. 736

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en Derolez

Het recentere toponymisch onderzoek heeft tot enkele nieuwe argumenten geleid. Interessant zijn de plaatsnamen met het Latijnse element fines, zoals Fines Atrebatium en het gehucht Fins in Lille, eerder aangehaald. In de meest zuidelijke regio van het Menapisch gebied vinden we ook toponiemen zoals Templemars en Famars, en Flines-lez-Râches met een vermeend heiligdom. Deze plaatsnamen wijzen mogelijk op een religieuze zone die gelinkt kan worden aan een grensgebied.

Tot slot draagt het Keltische equoranda, met de betekenis ‘grens van water’ bij aan de bepaling van de grenzen. De plaatsnaam Guéronde-sous-Antoing zou teruggaan op equoranda. Guéronde bevindt zich ten zuidoosten van Doornik op ongeveer een kilometer van de rechteroever van de Schelde. Hier zag onder andere de Belgische archeologe Germaine Faider-Feytmans in het midden van vorige eeuw een bewijs voor de Schelde als grens. Net als bij de waterlopen is het jammer genoeg niet altijd bevestigd dat deze toponiemen tot de Oudheid teruggaan. Alle argumenten en hypotheses in acht genomen, toont onderstaande kaart de momenteel meest waarschijnlijke begrenzing van de civitas Menapiorum.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakeningS. Demuynck (2020), p. 196.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakening

Conclusie

De Menapiërs enkel omschrijven als de geboortestam van keizer Carausius doet hen onrecht aan. Dit onderzoek heeft getoond dat ze immigranten in het Noordzeegebied waren die zich vestigden tussen de rivier de Aa in het oosten en de Schelde in het westen. Tijdens de Romeinse overheersing bloeiden hun nederzettingen, productiecentra en handel. De Menapiërs werden al snel bekend als zouthandelaars en geroemd om hun voortreffelijke ham. Een kleine elite schreef zich snel in in het Romeinse kader, terwijl het grootste deel van de bevolking eerder geleidelijk elementen uit de Romeinse cultuur overnam. De archeologische resten leren ons veel over het leven “bij ons” in de Romeinse tijd. Maar de exacte grenzen van het Menapisch gebied? Die laten zich niet zomaar vastleggen. Het is wachten op de vondst van nieuw literair, documentair of archeologisch materiaal om de bestaande hypotheses te bevestigen of weerleggen.

Lees meer

Demuynck, S., De Menapii in Gallia Belgica. Onderzoek naar de grenzen van het Menapisch gebied in de keizertijd, onuitgegeven masterproef, KU Leuven, faculteit Letteren, 2020. (de masterproef is volledig te lezen op de Scriptiebank en een samenvatting en poster zijn te vinden op de website van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis)
Deru, X., La Gaule Belgique, Parijs, 2016.
De Clercq, W., Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum: transformaties in de rurale bewoningsstructuur en de materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (Provincie Gallia-Belgica, ca. 100 v.Chr. – 400 n.Chr.), Onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Universiteit Gent, departement Archeologie, 2009.
Dhaeze, W., ‘In het land van de Menapiërs’, Zeeuws Tijdschrift, 58 (2008), 35-44.
Delmaire, R. en Delmaire, B., ‘Les limites de la cité des Atrébates (nouvelle approche d’un vieux problème)’, Revue du Nord, 72 (1990), 697-735.
Delmaire, R., Etude archéologique de la partie orientale de la cité des Morins (civitas Morinorum) (Memoires de la Commission départementale des monuments historiques de Pas-de-Calais, 16), Arras, 1976.
Leman, P., ‘Aux confins méridionaux de la cité des Ménapiens’, Revue du Nord, 49 (1967), 721-739.
De Laet, S., ‘Les limites des Cités des Ménapiens et des Morins’, Helinium, 1 (1961), 20-34.
Derolez, A., ‘La Cité des Atrébates à l’époque romaine: documents et problèmes’, Revue du Nord, 40 (1958), 505-533.
Faider-Feytmans, G. ‘Les limites de la cité des Nerviens’, L’antiquité classique, 21 (1952), 338-358.

Luister verder

‘Over de vloer’: een (voorlopig) tweedelige podcastreeks door Sien Demuynck over de Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode “bij ons”. Op een luchtige en speelse, maar daardoor niet minder wetenschappelijke manier toont Sien dat geschiedenis helemaal niet saai hoeft te zijn. Voor jonge en iets oudere luisteraars, te vinden op SoundCloud.

Coverfoto: scène uit de één-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ waarin de Menapiër Carausius wordt uitgeroepen tot keizer (© VRT)

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/feed/ 0 2379
Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/ https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/#respond Sat, 26 Mar 2022 16:51:18 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2265

Op het moment dat de Perzische dynastie van de Achaemeniden in de 4de eeuw v.C. de plak zwaaide over Mesopotamië of het Tweestromenland, had de beschaving tussen de Tigris en de Eufraat al een heuse weg afgelegd in de wereldgeschiedenis. De daaropvolgende twee eeuwen, na de intreden van Alexander de Grote, viel het gebied onder de Grieks-Macedonische heerschappij met het 'Huis van Seleucus'. In dit artikel lees je meer over deze minder gekende episode uit de wereldgeschiedenis.

Het bericht Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Op het moment dat de Perzische dynastie van de Achaemeniden in de 4de eeuw v.C. de plak zwaaide over Mesopotamië of het Tweestromenland, had de beschaving tussen de Tigris en de Eufraat al een heuse weg afgelegd in de wereldgeschiedenis. Sinds millennia golden de inwoners van deze regio – waarvan het grootste gedeelte in het huidige Irak ligt – als dé koplopers binnen de evolutie van de mensheid richting een gevestigde en ontwikkelde samenleving. Zij waren de eerste landbouwers, de eerste stedenbouwers, de eerste schrijvers…

Het Babylon van de Westerse fantasiewereld met de mythische Hangende Tuinen op de voorgrond en de al even legendarische Toren van Babel op de achtergrond, op een illustratie uit de 19de eeuw

De relatief jonge Griekse stadstaten konden op dat moment niet anders dan zich verwonderen over het verreikende verleden en de eeuwenoude tradities van dit trotse volk. Verhalen over quasi-legendarische monarchen zoals de koningin Semiramis en geruchten over kolossale, bovenmenselijke bouwcomplexen zoals de ‘Hangende Tuinen’ van Babylon deden hun intrede in de Griekse fantasiewereld. Tevens begonnen de Mesopotamiërs dankzij de handel steeds meer te weten te komen over de poleis in het Westen. Er lag echter nog meer in het verschiet voor de relatie tussen deze twee culturen: ze geraakten nauw met elkaar vervlochten voor meer dan 200 jaar. Na de komst van Alexander de Grote in 331 v.C. zag het Tweestromenland immers zijn Perzische meester vertrekken en kwam er een Helleense in de plaats. Wat volgde was namelijk een periode van Grieks-Macedonische overheersing gedurende twee eeuwen.

De aankomst van de Hellenen en de strijd om Mesopotamië

Na de klinkende overwinning van Alexander op de Perzen nabij Gaugamela op 1 oktober 331 v.C., lag de weg naar Babylonië voor de Grieks-Macedonische troepen open. De intrede van de wereldveroveraar in de belangrijkste stad van de regio, het legendarische Babylon, was volgens de Griekse bronnen een grandioze gelegenheid. Onder het gejuich van de inwoners marcheerden de falanxen zonder weerstand plechtig een stad binnen die nog geen paar jaar daarvoor slechts het voorwerp was van hun wildste dromen:

ἤδη τε οὐ πόρρω Βαβυλῶνος ἦν καὶ δύναμιν ξυντεταγμένην ὡς ἐς μάχην ἦγε, καὶ οἱ Βαβυλώνιοι πανδημεὶ ἀπήντων αὐτῷ ξὺν ἱερεῦσί τε σφῶν καὶ ἄρχουσι, δῶρά τε ὡς ἕκαστοι φέροντες καὶ τὴν πόλιν ἐνδιδόντες καὶ τὴν ἄκραν καὶ τὰ χρήματα. Ἀλέξανδρος δὲ παρελθὼν εἰς τὴν Βαβυλῶνα τὰ ἱερὰ, ἃ Ξέρξης καθεῖλεν, ἀνοικοδομεῖν προσέταξε Βαβυλωνίοις, τά τε ἄλλα καὶ τοῦ Βήλου τὸ ἱερόν, ὃν μάλιστα θεῶν τιμῶσι Βαβυλώνιοι.

“Hij (Alexander) bevond zich reeds in de buurt van Babylon en voerde een legermacht aan, klaargemaakt voor de strijd, toen de Babyloniërs massaal samen met hun priesters en leiders hem tegemoet traden, geschenken met zich meedroegen en de stad, de burcht en de schatkist overhandigden. Nadat Alexander was aangekomen in Babylon beval hij voor de Babyloniërs het herstel van de heiligdommen die Xerxes had verwoest, met name de tempel van Bel, die de Babyloniërs het meest van al de goden eren.” (Arrianus, Anabasis Alexandri, 3.16.3-4)

De intrede van Alexander in Babylon op het gelijknamige schilderij van de Franse schilder Charles Le Brun uit de collectie van het Louvre

Alexander had grootse plannen met Babylon: de stad diende het centrum te worden van zijn wereldrijk. De Macedoniër stierf echter op 32-jarige leeftijd in 323 v.C. alvorens zijn beoogde hoofdstad te kunnen uitbouwen. De ongelukkige gevolgen van zijn voortijdige dood zijn inmiddels goed gekend: de generaals en vrienden van de koning vlogen terstond elkaar naar de keel om de heerschappij over het reusachtige imperium. Een van de zwaarst getroffen gebieden was Mesopotamië. Het Tweestromenland gold immers als een van de rijkste regio’s uit West-Azië en was bijgevolg onmisbaar voor de ambitieuze generaals met hun geldverslindende oorlogen. Bovendien was Mesopotamië door diens centrale ligging in West-Azië van groot strategisch belang. De diadochen die ervan droomden Azië te bedwingen, konden dit onmogelijk verwezenlijken zonder zichzelf eerst stevig in het zadel te plaatsen van het Tweestromenland.

Buste van Seleucus I Nicator

Deze streek werd in de eerste plaats de inzet van een bloedig conflict tussen Antigonos I Monophthalmos en Seleucus I Nicator dat jaren aansleepte. Seleucus was onder Alexander de Grote de commandant van het elitekorps van de zogenaamde “Zilverschilden” (Hypaspistai) en na het Verdrag van Triparadeisos (321 v.C.) verkreeg hij het gouverneurschap over Babylonië. In 316 v.C. verdreef de machtige Antigonos de jonge generaal uit zijn provincie. Deze zou later in 312 v.C. met een kleine schare volgelingen en de steun van Ptolemaeus I terugkeren en wist het land tussen de Tigris en de Eufraat weer te bemachtigen. Dat de inwoners van dit gebied het zwaar te verduren hadden gedurende dit conflict wordt duidelijk uit enkele inheemse bronnen zoals de ‘Diadochenkroniek’, een beschadigd kleitablet dat spreekt over “gejammer en rouw in het land”. Seleucus kwam uiteindelijk als overwinnaar uit de bus en verdreef Antigonos naar het westen.

Seleucus consolideert zijn macht: de stichting van Seleucië-aan-de-Tigris

Hoewel de oorlogen tussen de opvolgers bleven aanhouden, keerde na Antigonos’ verdrijving de rust terug naar het land tussen de Tigris en de Eufraat. Seleucus kon zich nu meer richten op de uitbouw van zijn heerschappij in dit gebied. Hij kroonde zichzelf tot koning in het jaar 305 v.C. en ging over tot een uitgebreid kolonisatiebeleid waarbij talrijke Grieks-Macedonische nederzettingen doorheen Azië het levenslicht zagen. Om de macht van het nieuwe regime duidelijk te maken, gingen de nieuwe steden veelal de naam van de vorst dragen of van één van diens familieleden. Deze stichtingen dienden in de eerste plaats om de Seleucidische macht te consolideren in de zopas veroverde gebieden.

Archeologische kaart van Seleucië-aan-de-Tigris

De belangrijkste stad die de nieuwe koning liet bouwen in het Tweetromenland was Seleucië (Seleukeia) aan de oever van de Tigris (ook wel Seleucië-aan-de-Tigris genoemd). Seleucië zou gedurende de Hellenistische periode uitgroeien tot een van de meest vooraanstaande steden. De muur van de stad zou een gebied van zo’n 550 hectaren omarmen. Moderne schattingen leggen het inwonersaantal vast op zo’n 100 000 met daarbij nog een afhankelijke bevolking van 400 000 inwoners in het omliggende gebied, een enorm aantal in de antieke wereld. Seleucië had voornamelijk haar rijkdom te danken aan haar gunstige ligging, namelijk op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes. De stad controleerde namelijk in de eerste plaats de lucratieve handel die via de oostelijke landweg vanuit Bactrië (het huidige Afghanistan) en Noord-Iran kwam. Daarnaast waakte de stad over de binnenstroom van goederen vanuit Indië en Arabië via de Perzische Golf.

Een populaire opvatting van vroeger was dat met het ontstaan van Seleucië de doodsteek aan Babylon werd toegebracht. De gehele bevolking – op een paar priesters na – zou een nieuw onderkomen hebben gezocht in de Griekse hoofdstad. De antieke auteurs beschreven al hoe het eens zo magnifieke centrum van de Babylonische beschaving door de stichting van Seleucië ontaardde in een dodenstad:

καὶ γὰρ ἐκεῖνος καὶ οἱ μετ᾽ αὐτὸν ἅπαντες περὶ ταύτην ἐσπούδασαν τὴν πόλιν καὶ τὸ βασίλειον ἐνταῦθα μετήνεγκαν: καὶ δὴ καὶ νῦν ἡ μὲν γέγονε Βαβυλῶνος μείζων ἡ δ᾽ ἔρημος ἡ πολλή, ὥστ᾽ ἐπ᾽ αὐτῆς μὴ ἂν ὀκνῆσαί τινα εἰπεῖν ὅπερ ἔφη τις τῶν κωμικῶν ἐπὶ τῶν Μαγαλοπολιτῶν τῶν ἐν Ἀρκαδίᾳ ‘ἐρημία μεγάλη ‘στὶν ἡ Μεγάλη πόλις.

“Hij (Seleucus) en al zijn opvolgers legden zich toe op (de uitbouw van) Seleucië en verhuisden naar daar hun paleis. Inderdaad is deze (Seleucië) op het moment groter dan Babylon, thans zo verlaten dat men hierdoor niet zou aarzelen te stellen dat wat een blijspeldichter ooit zei over Megalopolis uit Arcadië: ‘de grote stad is een grote woestijn’.”  (Strabo, 16.1.5)

Uit onderzoek van de kleitabletten blijkt echter dat dit niet helemaal klopt. Deze bronnen tonen aan hoe Babylon onder het Seleucidische bewind nog steeds een drukke stad was. Ze had weliswaar op het internationale toneel haar politiek belang verloren, maar dit betekende geenszins haar ruïnering. Meer nog, Babylon bleef doorheen de Hellenistische periode het belangrijkste religieuze centrum van het Tweestromenland dat zelfs het respect afdwong van de Seleucidische koning.

Mesopotamië in de 3de eeuw v.C.

De ‘Ptolemaeus III Kroniek’, een spijkerschrifttablet uit het British Museum (BCHP 11 = BM 34428)

Nadat de verwoestende Diadochenoorlogen zich hadden verplaatst naar het Westen in het begin van de 3de eeuw v.C. brak er in Mesopotamië een relatief vredevolle periode aan. Deze rust hield aan voor de rest van de eeuw buiten twee korte, gewelddadige intermezzo’s. Eerst was er de Derde Syrische Oorlog (246 v.C. – 241 v.C.). Hoewel – zoals de naam doet vermoeden – dit conflict in de eerste plaats werd uitgevochten in Syrië, informeert de zogenaamde “Ptolemaeus III Kroniek” (een Mesopotamisch spijkerschrifttablet) ons dat de Ptolemaeïsche legers zelfs tot in Babylon waren doorgedrongen. Het vredesverdrag dat de oorlog beëindigde, liet echter het Tweestromenland in Seleucidische handen.

Later werd de rust nogmaals verstoord na de troonsbestijging van Antiochus III. Toen kwam in 222 v.C. de satraap van Medië (huidige Noord-Iran), Molon, in opstand tegen het centrale gezag. Deze rebel stak het Zagrosgebergte over om het Tweestromenland in te lijven. Hij zou uiteindelijk verslagen worden door de rechtmatige vorst, maar de opschudding moet groot zijn geweest. Zo blijkt uit Polybius dat Seleucië-aan-de-Tigris met Molon had meegewerkt (V.54). Antiochus III stelde zich echter mild op tegenover de inwoners van de kolonie en nam genoegen met de betaling van een relatief kleine geldboete voor het verraad.

Ondanks deze twee korte opschuddingen en mogelijk nog een economische crisis in de late jaren 270 en vroege jaren 260 v.C. floreerden de aloude steden van de Mesopotamische beschaving. Vooral de zuidelijke centra verrijkten zich dankzij de intensifiërende internationale handel onder de Seleuciden. Deze bloei in het zuiden liet zich vooral merken in Uruk waar twee nieuwe grote tempelcomplexen verrezen. Tevens in het Noorden profiteerden enkele steden zoals Mari, Nineveh en Arslan-Tash van de hervonden stabiliteit onder het ‘Huis van Seleucus’. In de Hellenistische periode werd het economische zwaartepunt van het land vooral de Diyala-regio ten oosten van de Tigris (deels op instigatie van de stichting van Seleucië-aan-de-Tigris). Het archeologische onderzoek laat zien hoe er aldaar in het Hellenistische tijdperk vijftien keer meer bebouwing was dan in de Perzische periode. Enkel Ur vertoont tekens van achteruitgang, maar dit is in de eerste plaats te wijten aan de verandering van de koers van de Eufraat: de stad werd afgezonderd van de levensader die haar rijkdom waarborgde.

Kaart van het oude Mesopotamië met de belangrijkste steden

Het doek valt: het einde van de Seleuciden in Mesopotamië

In de 2de eeuw v.C. werd de handhaving van het centrale gezag in Mesopotamië steeds moeilijker. Niet alleen begonnen steeds meer generaals en gouverneurs in opstand te komen en dynastieke conflicten het rijk te teisteren, maar eveneens doemde er een agressieve, nieuwe vijand op vanuit het Oosten: de Parthen. Dit volk had reeds in c. 250 v.C. in Noord-Iran een onafhankelijk koninkrijk gesticht in voormalig Seleucidisch territorium, maar het duurde tot de 2de eeuw vooraleer ze een grote bedreiging gingen vormen voor de dynastie. Rond 140 v.C. begonnen de Parthen zich resoluut toe te leggen op de verovering van het Tweestromenland.

Tetradrachme van Antiochus VII Euergetes Sidetes

Tijdens deze strijd heerste er een tijdlang anarchie tussen de Tigris en de Eufraat. Zowel de Parthen als de Seleuciden slaagden er niet meteen in de streek onder controle te krijgen. Uit dit vacuüm ontstonden enkele kortstondige koninkrijkjes, geregeerd door voormalige Seleucidische functionarissen of lokale heersers. Mettertijd werd de greep van de Parthen echter steeds sterker. Koning Antiochus VII Sidetes (138 – 129 v.C.) ondernam nog een laatste poging om alsnog in het Tweestromenland het Seleucidische gezag te herstellen. Aanvankelijk was zijn veldtocht tegen de Parthen een succes, maar de vorst bleek niet opgewassen tegen de gecoördineerde tegenaanval van zijn vijand. Hij stierf in 129 v.C. tijdens deze campagne. Hiermee was het doek gevallen, de Seleucidische dynastie was definitief verdreven uit Mesopotamië. Op die manier kwam de 200-jarige Grieks-Macedonische overheersing dus aan haar einde.

Conclusie

Na de dood van Alexander en een jarenlang bloedig conflict met Antigonos Monophthalmos kwam Seleucus aan de macht in het Tweestromenland op het einde van de 4de eeuw v.C. Zijn dynastie consolideerde haar gezag via de stichting van enkele belangrijke kolonies zoals Seleucië-aan-de-Tigris. Dit beleid zorgde niet voor de teloorgang van de inheemse steden. Meer nog, de archeologie toont aan hoe de meeste Mesopotamische nederzettingen gedurende de 3de eeuw v.C. weer gingen bloeien. In de 2de eeuw v.C. ging het echter bergafwaarts voor de Seleuciden in Mesopotamië door aanhoudende interne crisissen. Van deze kwetsbare situatie ging een nieuwe vijand uit het Oosten ten volle profiteren: de Parthen. Het ‘Huis van Seleucus’ bleek in het Tweestromenland niet bestand tegen dit Noord-Iraanse koninkrijk: de Parthen zouden de streek inpalmen en er meer dan drie eeuwen de scepter zwaaien. Ondertussen verviel het eens zo machtige Seleucidische imperium tot een lokaal Syrisch koninkrijkje dat de speelbal werd van buitenlandse mogendheden en uiteindelijk in 63 v.C. werd veroverd door de Romeinse generaal Gnaeus Pompeius Magnus.

Lees meer

Aperghis, G., The Seleukid Royal Economy: The Finances and Financial Administration of the Seleukid Empire, 2004.
Boiy, T., Babylon: De echte Stad en de Mythe, 2010.
Capdetrey, L., Le pouvoir séleucide: territoire, administration, finances d’un royaume hellénistique (312-129 avant J.-C.), 2007.
Grayson, A., Assyrian and Babylonian Chronicles, 1975.
Kosmin, P., Time and its Adversaries in the Seleucid Empire, 2018.
Roux, G., Ancient Iraq, 1993 (1964).
Sherwin-White, S., “Aspects of Seleucid Royal Ideology: The Cylinder of Antiochus I from Borsippa”, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 111, 1991, pp. 71-86.
Sherwin-White, S. & Kuhrt, A., From Samarkhand to Sardis: A New Approach to the Seleucid Empire, 1993.
Sherwin-White, S., “Seleucid Babylonia: a case-study for the installation and development of Greek rule”, Hellenism in the East: The interaction of Greek and non-Greek civilizations from Syria to Central Asia after Alexander, eds. A. Kuhrt & S. Sherwin-White, 1987.
van der Spek, R., “The Babylonian City”, Hellenism in the East: The interaction of Greek and non-Greek civilizations from Syria to Central Asia after Alexander, eds. A. Kuhrt & S. Sherwin-White, 1987.
Wheatley, P., “Antigonus Monophthalmus in Babylonia, 310-308 B. C.”, Journal of Near Eastern Studies, Vol. 61, 2002, pp. 39-47.
Wiesehöfer, J., La Persia antica, vert. naar Italiaans A. Cristofori, 2003 (1999).

Coverafbeelding: adaptatie van de afbeeldingen ‘Mesopotamia 9 October 2020’ van NASA World View op Wikimedia (PD) & ‘Seleuco I Nicatore’ uit het ‘National Archaeological Museum of Naples (inv. nr. 5590)’ op Wikimedia (CC BY-SA 2.0 IT)

Het bericht Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/feed/ 0 2265
Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/#respond Sat, 23 Oct 2021 15:42:30 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2056

Avidius Cassius, een Romeinse generaal die met zijn leger in opstand kwam tegen keizer Marcus Aurelius 175 n.C., was mogelijk een slachtoffer van 'fake news' in de Oudheid. Speelde ook keizerin Faustina een rol in deze revolte? Lees het in onze 'fact check' over deze Avidius Cassius.

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Sinds de verkiezing van Donald Trump tot Amerikaans president in 2016 zijn de thema’s fake news en desinformatie niet meer weg te denken in de media. De coronacrisis heeft de discussie nog verder scherp gesteld. Misleidende informatie, vervalste nieuwsberichten en samenzweringstheorieën tieren welig op sociale media en lijken in staat om hele samenlevingen te ontwrichten. De schaal waarop fake news vandaag verspreid wordt, is uiteraard zonder precedent, maar toch konden valse berichten ook in premoderne samenlevingen grote gevolgen hebben. Deze blogpost gaat over een opmerkelijk voorbeeld uit het Romeinse Rijk van de 2de eeuw n.C.: de opstand van de Romeinse bevelhebber Avidius Cassius tegen keizer Marcus Aurelius.

Avidius Cassius

Buste van de Romeinse keizer Marcus Aurelius

Avidius Cassius was een van de voornaamste legeraanvoerders van keizer Marcus Aurelius, die regeerde van 161 tot 180 n.C. Cassius’ familie was afkomstig uit Syrië en zou zelfs afstammen van het Seleucidische vorstenhuis uit de Hellenistische periode. De familie is een mooi voorbeeld van de romanisering van provinciale elites en hun integratie in het rijksbestuur. Zijn vader, Avidius Heliodorus, had al hoge functies vervuld onder Hadrianus en Antoninus Pius, de voorgangers van Marcus Aurelius. Avidius Cassius scheerde nog hogere toppen. Als generaal boekte hij grote militaire successen in de oorlog tegen de Parthen en in 166 n.C. bekleedde hij het consulaat, het hoogste politieke ambt in Rome. Enkele jaren later werd hem een uitzonderlijk oppercommando over het hele oostelijke gedeelte van het rijk toegekend. Onder zijn leiding werd een potentieel gevaarlijke opstand van de lokale bevolking in Nijldelta neergeslagen. Marcus Aurelius moet een groot vertrouwen hebben gehad in deze capabele generaal.

Campagne

Buste van Tiberius Claudius Pompeianus, schoonzoon van Marcus Aurelius

In 175 n.C. voerde Marcus Aurelius campagne aan de Donau tegen de Marcomannen en de Jazygen, confederaties van “barbaarse” stammen die de Romeinse grenzen bedreigden. In het voorjaar werd hij echter zwaar ziek. Wat er vervolgens gebeurde, is niet helemaal duidelijk. De historicus Cassius Dio, die zo’n 40 jaar na de feiten schreef, beweerde dat keizerin Faustina radeloos werd door de ziekte van haar man. Uit schrik om opzij geschoven te worden door politieke rivalen – men denkt hierbij vooral aan de machtige schoonzoon van de keizer, Claudius Pompeianus – zou zij Avidius Cassius een brief geschreven hebben met de vraag om na de dood van de keizer met haar te trouwen en de troon te bestijgen. Een andere bron uit de late vierde eeuw, de zogenaamde ‘Historia Augusta’, probeert dat te weerleggen door een brief van Faustina aan Marcus Aurelius te citeren, waarin zij een zware straf voor de opstandige generaal eist. Die brief is echter geheel fictief en pleit Faustina dus niet vrij. Heeft Faustina dan toch een rol gespeeld in de opstand? We zullen het nooit zeker weten.

Opstand

Ook over het daadwerkelijke begin van de opstand heerst er onzekerheid. Volgens Dio kreeg Avidius Cassius kort na de brief van Faustina het valse bericht dat de keizer overleden was “en hij eiste onmiddellijk de troon op, zonder na te gaan of het bericht juist was”. In hedendaagse termen: Cassius zou het hebben nagelaten een degelijke fact check uit te voeren. Volgens de ‘Historia Augusta’ zou Cassius echter zélf het valse gerucht verspreid hebben, om zo de steun van de troepen te krijgen. Hoe het ook zij, Cassius kwam in opstand en bijna alle oostelijke provincies, inclusief de zeven legioenen die er gelegerd waren, schaarden zich achter hem. Snel werd het duidelijk dat de keizer nog leefde, maar er was nu geen weg meer terug. Herodes Atticus, een miljonair uit Athene die goede banden had met het keizerlijke hof en met Avidius Cassius, zou de opstandige generaal een brief hebben gestuurd die slechts uit één woord bestond: “emanes”, “je bent gestoord!”

Buste van keizerin Faustina (Minor)

In het legerkamp van Marcus Aurelius aan de Donau sloeg het nieuws van de opstand in als een bom. Volgens Dio was de intussen herstelde keizer diepbedroefd dat zijn vriend zich tegen hem had gekeerd. Hij staakte zijn campagnes tegen de Jazygen en trok op naar het oosten om de opstand neer te slaan. Het kwam echter niet tot een veldslag. Avidius Cassius werd, amper drie maanden na het begin van de opstand, door twee van zijn officieren om het leven gebracht. Marcus Aurelius trok vervolgens door de oostelijke provincies om zijn gezag te herstellen. De keizer toonde zich vergevingsgezind: zware represailles bleven uit en de correspondentie van Avidius Cassius werd verbrand om duidelijk te maken dat het hoofdstuk afgesloten was. Faustina stierf enkele maanden later en werd door haar man met alle égards begraven. Volgens Dio stierf ze aan jicht of pleegde ze zelfmoord om straf voor haar betrokkenheid in de opstand te vermijden. Net als haar brief aan Cassius is dat laatste mogelijk een verzinsel.

Mysteries?

Er blijven nog veel vraagtekens. Herodes Atticus lijkt een punt te hebben gehad toen hij Avidius Cassius gestoord noemde, want hij maakte met zijn opstand amper kans om Rome in te nemen en keizer te worden. De westelijke legioenen waren veel talrijker en ze zouden ook nooit de kant van Cassius hebben gekozen als de keizer daadwerkelijk gestorven zou zijn. Het commando zou in dat geval zijn overgenomen door Claudius Pompeianus, de rechterhand en schoonzoon van de keizer. Wat bezielde Avidius Cassius dan? Klopt het beeld van Dio dat de opstand in feite een ‘ongeluk’ was, ingegeven door misleidende informatie van Faustina en fake news over de dood van de keizer? Voorzichtigheid is geboden, want Dio was een bewonderaar van Marcus Aurelius en hij stelde zijn regeerperiode voor als stabiel en harmonieus. Het paste dus in zijn narratief om de opstand af te schilderen als een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Recent onderzoek geeft een andere verklaring voor de opstand. Cassius zou nooit hebben geprobeerd om de nieuwe keizer van het hele Romeinse Rijk te worden, maar eerder een soort separatistische koers hebben gevaren. Met zijn opstand zou hij zijn uitzonderlijke machtspositie in het oosten een permanent karakter hebben willen geven door zich uit te roepen tot een soort keizer van het Oosten. Het lijkt er bovendien op dat er voorheen al veel ontevredenheid was in de oostelijke provincies tegenover het beleid van Marcus Aurelius. Zijn oorlogen aan de Donau werden immers gefinancierd met zware belastingen, waarvan de rijke oostelijke provincies een groot deel moesten ophoesten. Dat zou mede verklaren waarom Cassius op korte tijd zowat het hele Oosten aan zijn kant kreeg. De opstand van Cassius zou op die manier een voorloper zijn geweest van de opstanden in de 3de eeuw n.C., toen onder meer de stadstaat Palmyra zich met een groot deel van de oostelijke provincies afscheurde. Het valse bericht over de dood van Marcus Aurelius zou in dat scenario slechts een aanleiding zijn geweest voor de opstand, geen oorzaak. Dat scenario pleit bovendien Faustina vrij, want zij had niets te winnen bij een separatistische revolte.

Kaart van de Opstand van Avidius Cassius in 175 n.C.

Conclusie

Het verhaal van de opstand van Cassius illustreert een belangrijk verschil tussen heden en verleden. Vandaag vormt de snelheid waarmee vals nieuws verspreid wordt een probleem, en fact checking wordt bemoeilijkt door de enorme hoeveelheid informatie. In de Oudheid lag het probleem net bij de trage communicatie. Het duurde weken om een bericht van de ene naar de andere kant van het rijk te brengen. Een snelle fact check was daardoor onmogelijk. Eenmaal geruchten over de dood van de keizer de ronde deden, moest Avidius Cassius snel handelen om zijn politieke rivalen aan het hof voor te zijn en zijn positie in het Oosten te handhaven. Cassius gokte verkeerd en kwam noodlottig aan zijn einde. We kunnen ons alleen maar afvragen wat er gebeurd zou zijn als Marcus Aurelius daadwerkelijk gestorven was…

Meer lezen?

Cassius Dio, Romeinse geschiedenis, 72. 22-29. (samengevat in de 11de eeuw door de Byzantijnse geleerde Johannes Xiphilinus)

Historia Augusta, Avidius Cassius

Philostratus, Levens van de sofisten, 563 (over de brief van Herodes Atticus aan Avidius Cassius)

Kemezis, A. (2021), ‘Avoiding the Eastern Question: Avidius Cassius and the Antonine Succession in Cassius Dio’, in: J.M. Madsen en C.H. Lange, Cassius Dio the Historian: Methods and Approaches, Leiden, p. 195-222.

Levick, B. Faustina I and II: Imperial Women of the Golden Age, New York, 2014.

Coverafbeelding: adaptatie van de 3D-sketch “Equestrian Statue of Marcus Aurelius” van leifchri92 op Sketchfab (CC BY 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/feed/ 0 2056
Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/#respond Sat, 23 Jan 2021 15:47:28 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1793

Rijke Grieken konden goed hun geld en roem verdienen met muziek, terwijl andere types muzikanten in Ptolemaeïsch en Romeins Egypte minder kans hadden om hun talenten in de verf te zetten, zoals de provinciale muzikanten. Dankzij bewaarde papyri is het toch mogelijk om een analyse te maken van het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte.

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Heel wat onderzoekers bogen zich de laatste decennia over muziek en muzikanten in de Oudheid, waarbij ze voornamelijk focusten op muzikanten in het antieke Griekenland en Rome. De faraonische periode in Egypte wordt in mindere mate bestudeerd, en Ptolemaeïsch en Romeins Egypte (Grieks-Romeins Egypte) zit al helemaal in het verdomhoekje. Nochtans bevatten een aantal Griekse papyri uit die periode informatie over de Oudheid die elders niet voorhanden is. Een studie naar muzikanten in Grieks-Romeins Egypte kan daarom onze kennis over de Griekse wereld aanvullen, maar is an sich ook een boeiend onderwerp.

Muzikanten vormden een specifieke beroepscategorie in Grieks-Romeins Egypte. De grote diversiteit in muzikanten en instrumenten in die periode wijst erop dat muziek alomtegenwoordig was in verschillende domeinen en lagen van de antieke samenleving. Zo werden offers voor de goden gebracht onder muzikale begeleiding, marcheerden infanteriesoldaten op het ritme van fluitmuziek, verlichtten andere muzikanten het werk van plukkers tijdens de druivenoogst, enzovoort. Muziek, vaak in combinatie met dans, kwam je uiteraard ook tegen op de talrijke dorpsfestivals in de Egyptische chora.

Scène uit een Romeinse mozaïek met twee druivenpletters en een fluitspeler (rechts) uit de 3de eeuw n.C.

Muziek in Ptolemaeïsch Egypte

Bepaalde mannelijke leden van de rijke Griekse elite lieten zich in Ptolemaeïsch Egypte in met muziek. Dat gebeurde al van kindsbeen af (ca. 12 jaar of jonger) en op een intensieve manier. Dergelijke jongens deden de “muziekmicrobe” waarschijnlijk op tijdens hun algemene vorming in de gymnasia, want dit vormde een belangrijk onderdeel van hun basisopleiding. Nadien zochten ze een muziekmeester (hoogstwaarschijnlijk zelf een ex-muzikant) die hen tijdens de vele trainingsuren kon begeleiden. Die vroege voorbereiding had als doel om op latere leeftijd uit te blinken op (inter)nationale muziekwedstrijden tijdens sacrale festivals in de toenmalige Griekse wereld. Muzikanten die schitterden tijdens die wedstrijden konden in sommige gevallen genieten van een grote naambekendheid in (een deel van) de antieke Griekse wereld, belastingprivileges verkrijgen en een fortuin verwerven.

De bekendste wedstrijden speelden zich af in Griekenland, met de Pythische Spelen in Delphi als absolute topper voor muzikanten. Koning Ptolemaios II riep in Egypte soortgelijke festivals in het leven (onder meer de Ptolemaia en Basileia) die gemodelleerd waren naar de oude Griekse festivals met sport- en muziekwedstrijden. Hij noemde ze ‘isolympische spelen’ en stuurde boodschappers naar verschillende Griekse steden om zijn spelen te promoten. De steden werden gevraagd om hun potentiële winnaars op dezelfde wijze te belonen en te behandelen als winnaars van de Olympische Spelen (in CID 4.40 [TM 813992]). Toch evenaarden de Ptolemaia nooit de grote Griekse spelen en zijn ze in Egypte voor de laatste keer in 211-210 v.C. geattesteerd.

Om de diversiteit tussen verschillende types muzikanten aan te tonen volgen hieronder twee casestudy’s. Ten eerste staan we even stil bij het leven van Herakleotes, een jonge Griekse kitharôde. Hij staat model voor het leven van een wedstrijdmuzikant die uit een rijker, Grieks milieu kwam. Dergelijke artiesten hadden soms een jarenlange voorbereiding achter de kiezen om zich klaar te stomen voor een belangrijke wedstrijd. Het niveau van professionalisering lag hoogstwaarschijnlijk bijzonder hoog. Het bestaan van ‘provinciale muzikanten’ toont aan dat het beroep muzikant niet enkel was weggelegd voor welgestelden in Romeins Egypte. Dit type muzikanten verenigde zich in groepen en bood entertainment aan op lokale dorpsfestivals in plaats van op te treden op grote muziekwedstrijden.

Herakleotes: tonnen ambitie, maar geen middelen

Roodfigurige vaas met afbeelding van een jongeman die de kithara bespeelt (ca. 490 v.C.)

In het bekende papyrusarchief van Zenon, komen drie teksten voor die een Griekse jongeman uit de 3de eeuw v.C. schreef (P. Cairo Zen. 3 59440 [TM 1080], PSI 9 1011 [TM 2448] en P. Lond. 7 2017 [TM 1579]). Zijn naam was Herakleotes en hij was een van de Griekse inwoners van het dorpje Philadelpheia in de Fajoem. Uit de drie verzoekschriften (hypomnèmata of memoranda) die hij richtte aan Zenon, zijn we deels ingelicht over de moeilijke situatie waarin hij verkeerde. Herakleotes zat namelijk midden in zijn opleiding tot professionele kitharôde (κιθαρῳδός) – een type muzikant dat liederen zong en zichzelf daarbij begeleidde op de kithara (κιθάρα), een hoogwaardig snaarinstrument – toen het noodlot voor hem toesloeg. Zijn muziekleerkracht Demeas, tevens hoofd van het lokale gymnasion, overleed terwijl hij Herakleotes nog twee jaar had moeten opleiden. Dat de band tussen leerling en leerkracht sterk was (misschien was Herakleotes zelfs geadopteerd door zijn muziekleerkracht), bewees Demeas’ testament waarin de jongeman opgenomen was. Het maakte van Herakleotes de erfgenaam van Demeas’ muziekinstrument, hoogstwaarschijnlijk een kithara van uitmuntende kwaliteit. In zijn memoranda kaartte de jonge muzikant aan dat hij als rechtmatige erfgenaam nog steeds niets gezien had van zijn beloofde erfenis. Sterker nog, de kithara was zelfs niet opgenomen in een inventaris van Demeas’ spullen die na zijn dood was opgesteld en leek dus spoorloos verdwenen. Herakleotes achterhaalde voor het schrijven van een volgend memorandum dat Demeas’ kithara zich bij een zekere Hiëron bevond. Het instrument diende als onderpand met een waarde van 105 drachmen. Daaruit kan afgeleid worden dat de kostprijs van een nieuwe kithara veel hoger lag en dus uitsluitend aangekocht kon worden door rijke Grieken uit de elite. Bijgevolg waren alleen de rijkste (Griekse) inwoners van Ptolemaeïsch Egypte, die de financiële middelen hadden, in staat om zich te professionaliseren op een hoogstaand niveau.

Hieronder volgt de vertaling van een van de drie memoranda (P. Lond. 7 2017 [TM 1579]) die Herakleotes aan zijn voogden Zenon en Nestos schreef en waarin hij op een beleefde, maar wel wanhopige toon, beterschap voor zijn toestand hoopte te verkrijgen.

Memorandum van Herakleotes aan Zenon en Nestos, mijn aangewezen voogden.
Ik heb u al drie memoranda bezorgd met de volgende vraag: mijn leraar Demeas heeft bij testament voor mij bepaald dat voor mijn onderhoud moet worden gezorgd en dat ik alles moet krijgen wat een gentleman (vrij man) nodig heeft om zich te oefenen in het citherspel, totdat ik kan optreden in de wedstrijd. U geeft me elke maand drie drachmen en vier en een halve obool voor vlees, drie drachmen en drie chalkoi voor olie, twee drachmen en een halve obool voor vis, zeven en een halve chous wijn. Ik heb u gezegd dat dit niet voldoende is voor mij om te oefenen en u gevraagd mij omwille van Demeas en uit eerlijkheid, een maandelijkse uitkering te geven van zeven drachmen en drie obolen voor vlees, zes drachmen en zes chalkoi voor olie, zeven drachmen en drie obolen voor vis en vijftien choës wijn. Maar u hebt helemaal niet gereageerd op mijn memoranda.
Daarom vraag ik u nog een keer om mijn instrument terug te geven, dat me bij testament werd nagelaten en dat nu in het bezit is van Hiëron, of om een ander evenwaardig instrument te kopen en het mij te geven. Zo zal ik kunnen oefenen en deelnemen aan de wedstrijd, anders zal ik achterstand oplopen omdat ik geen instrument heb. En ik vraag u ook mij al het nodige te geven, zoals ik het schrijf in mijn memorandum en zoals het testament bepaalt, tot ik kan optreden in de wedstrijd. Als u dat niet wilt doen, vraag ik u mij voor twee jaar de overeenkomstige maandelijkse som te geven, zodat ik voor mezelf kan zorgen, een manager kan vinden en kan deelnemen aan de wedstrijden die de koning uitschrijft. Zo zal ik hier niet verkommeren, maar in staat zijn mezelf te helpen.
Vaarwel. Jaar 6 van de maand […]

(CLARYSSE, W. en VANDORPE, K., Zenon: Grieks manager in de schaduw van de piramiden, Leuven, 1990, p. 60-61).

Dit verzoekschrift behandelt opnieuw de vraag naar Demeas’ instrument, maar toont daarnaast aan dat Herakleotes maandelijkse voedseltoelagen ontving, maar er niet tevreden mee was. Het geld zou volgens de papyrus besteed worden aan olie, wijn, vlees en vis. Achter de keuze voor die specifieke voedingswaren kunnen we waarschijnlijk meer afleiden dan enkel het lievelingseten van de jonge Griek. Zo is geweten uit literaire bronnen dat bepaalde muzikanten in de Griekse wereld er een specifiek dieet op nahielden, omdat ze geloofden dat sommige voedingswaren een positief effect hadden op hun muziekspel. Zo komen vis (paling) en vlees bijvoorbeeld terug in de werken van Athenaeus van Naukratis (Deipnosophistae, 14.623C) en Plutarchus (De gloria Atheniensium, 6) als middeltjes die de adem konden versterken en de stem krachtiger konden maken. Uiteraard kwam dat goed van pas als kitharôde in opleiding. Dit memorandum is dus mogelijk de enige documentaire bron die dat gebruik uit literaire bronnen kan bevestigen.

De Romeinse geschiedschrijver Suetonius geeft in zijn keizersbiografieën een ander voorbeeld van een strikt dieet voor artiesten. In zijn beschrijving van keizer Nero vermeldde hij hoe Nero zelf de ambitie koesterde om een bekend artiest te worden en wat hij er voor over had om die droom te laten uitkomen. Hij zou zichzelf allerlei voedingsvoorschriften opgelegd hebben, dronk cocktails die het braken stimuleerden en liep een hele tijd rond met loden borstplaten die zijn longinhoud en zangstem moesten versterken (De vita Caesarum, Nero 20).

Hoewel Herakleotes met zijn acht drachmen en vijf obolen per maand over een groter budget beschikte om te spenderen aan voedsel dan toenmalige landarbeiders, hoopte hij via zijn verzoekschriften het maandelijkse bedrag ruim te verdubbelen.

Voeding

Gekregen toelage

Gewenste toelage

Vlees

3 drachmen, 4 obolen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Olie

[3] drachmen & 3 chalkoi

6 drachmen & 6 chalkoi

Ὄψον (vis)

2 drachmen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Wijn

7,5 choës

15 choës

TOTAAL

8 drachmen, 5 obolen, 3 chalkoi & 7,5 choës

21 drachmen, 6 chalkoi & 15 choës

Tabel met overzicht van de maandelijkse toelagen van Herakleotes en zijn gewenste toelage voor vlees, olie, vis en wijn.

De reden waarom Herakleotes telkens opnieuw hamerde op het terugkrijgen van het instrument (of een nieuw instrument van dezelfde goede kwaliteit) en zichzelf hoogstwaarschijnlijk voedde met stemversterkende middeltjes lezen we in de voorlaatste regel van het verzoekschrift: “Zodat hij zou kunnen deelnemen aan de wedstrijd die de koning had uitgeschreven”. De jonge kitharôde was dus van plan om binnen twee jaar deel te nemen aan een grote muziekwedstrijd op een sacraal festival in Egypte. Het is helaas onduidelijk of het om de Basileia of Ptolemaia ging. Een van zijn grootste angsten lezen we ook in de papyrus, namelijk dat hij een achterstand zou oplopen op de andere deelnemers omdat hij niet beschikte over een instrument waarop hij dagelijks kon oefenen. Zijn dossier toont aan dat de voorbereidingen voor een dergelijke muziekwedstrijd al zeer vroeg aanvatten en verduidelijkt opnieuw het professionalisme dat door de artiesten aan de dag werd gelegd.

De afloop van het verhaal van de jonge muzikant is helaas niet overgeleverd. Of hij ooit uitgroeide tot een succesvol kitharôde en fortuin verwierf, weten we evenmin. Zijn verhaal is waarschijnlijk wel exemplarisch voor de inspanningen die jonge Grieken in Egypte moesten leveren om het te schoppen tot professionele muzikant. Ze hadden een flinke portie motivatie (om dagelijks te trainen), discipline (zich houden aan de juiste voedingsvoorwaarden), begeleiding (een goede leermeester die hen de kneepjes van het vak moest bijbrengen en een mentorfunctie vervulde) en vooral een groot budget nodig (om het dure concertinstrument, de levensmiddelen en het loon van hun trainer te financieren).

Provinciale muzikanten in Romeins Egypte

Niet alle muzikanten in Grieks-Romeins Egypte hadden de mogelijkheid om zich evenzeer te professionaliseren als de rijke Griekse elite en deel te nemen aan muziekwedstrijden. Dat wil daarom niet zeggen dat enkel rijke personen het beroep van muzikant konden uitoefenen. Het werd uitgeoefend door mensen uit verschillende sociale lagen van de antieke samenleving. Zo bestond er bijvoorbeeld een middenklasse onder de muzikanten waarover meerdere details bekend zijn. Die informatie hebben we te danken aan een twintigtal (deels) bewaarde juridische documentaire bronnen (contracten) die de muzikanten afsloten met particulieren (bijvoorbeeld P. Oxy. 10 1275 [TM 31729], P. Oxy. 74 5014 [TM 128320], P. L. Bat. 6 54 [TM 10761], P. Flor. 1 74 [TM 23578]).

Daarnaast bestaan er nog enkele gelijkaardige contracten die afgesloten werden door dansers of danseressen of andere types van artiesten (bijvoorbeeld P. Corn. 9 [TM 10609] en BGU 7 1648 [TM 27600]). De documenten laten zien dat bepaalde muzikanten zich verenigden in ensembles en rondtrokken in hun eigen gouw of provincie om lokale dorpsfestivals tegen betaling op te vrolijken met hun muziek. Dat gebeurde voornamelijk in de Romeinse periode, hoewel er mogelijk precedenten waren in de Ptolemaeïsche periode (P. Hib. 1 54 [TM 8204], P. Oxy. 4 731 [TM 20431] en CPR 18 1 [TM 7760]). Hun beperkte actieradius (voornamelijk binnen hun eigen gouw/provincie) leverde hen de bijnaam ‘provinciale muzikanten’ in het huidige onderzoek op.

De contracten bieden informatie over de werkgevers, de muzikanten zelf (auleten waren muzikanten die de aulos bespeelden, een typisch Grieks blaasinstrument, en dat type muzikanten komt in papyri het vaakst voor) en de interne hiërarchie, de duur van de voorziene arbeid, de uitbetaling van de artiesten (een krotalistria was bijvoorbeeld een vrouwelijke danseres die een soort castagnetten hanteerde terwijl ze danste), de regeling van hun transport naar het dorp, hun bezittingen, enzovoort. Onderstaande vertaling van een 3de-eeuwse papyrus uit Oxyrhynchus (P. Oxy. 34 2721 [TM 16593]) kan dienen als pars pro toto wegens de grote uniformiteit van de contracten:

Zijn onderling overeengekomen, Aurelios Ptollion, zoon van Barbaros, en Heras, zoon van Heras, beiden burgemeester van de mannen die feest vieren in het dorp Nesmeimis, en anderzijds Antinoos, zoon van Hermias, eerste auleet en aan het hoofd geplaatst van drie auleten en een krotalistria:
Ptollion en de anderen huurden Antinoos in met zijn volledige compagnie om op te treden voor de mannen die feesten op een festival van vier dagen vanaf de elfde van de volgende maand van Hathyr van dit jaar, voor een dagelijks salaris van 50 drachmen, 12 paren brood, twee kotylai radijsolie, behalve degene die voor verlichting dient, en een rantsoen, en de gebruikelijke diensten, en, voor alle dagen een keramion wijn, alle waren zijn puur.
In verband met hun salaris. Antinoos krijgt hier als voorschot 20 drachmen, en ze (Aurelios en Heras) zullen hem en de anderen transporteren met drie ezels, behalve bij overmacht, van de Oxyrhynchitische gouw. Ze zullen hen brengen naar het dorp en hen een veilige en stille accommodatie aanbieden, en na de vier dagen, nadat ze tevreden zijn met hun salarissen en de fooien, in totaal en verplicht, zullen ze hen transporteren op de vijftiende naar dezelfde Oxyrhynchites met eenzelfde aantal ezels, drie, gezond en wel.
Antinoos van zijn kant stemt in met alle vastgestelde bepalingen hierboven. De wederzijdse overeenkomst, opgemaakt in twee exemplaren is geldig.
Het veertiende jaar van de keizer Marcus Aurelius Severus Alexander, Pius, Felix, Augustus, de dertiende Phaophi.

Deze juridische documenten laten zien dat het contract vaak onderhandeld werd tussen twee partijen. De eerste partij was die van de werkgever, die de muzikanten inhuurde. In sommige gevallen was dat een van de prostatai (προστάται: dorpsautoriteiten) van de kleine kômai (κῶμαι: dorpjes) op het Egyptische platteland. Toch konden het ook gewoon (rijke) particulieren of leden van een lokale dorpsvereniging zijn die een beroep deden op de kunsten van de muzikanten. De andere partij in de contracten, die de muzikanten of artiesten vertegenwoordigde, was vaak de prôtaulès (πρωταύλης: eerste auleet of fluitspeler, hoofdauleet) en/of proestôs (προεστώς: leidinggevende of letterlijk “aan het hoofd geplaatste”). In sommige papyri ontving de hoofdauleet ook een voorschot, dat hij waarschijnlijk volledig in eigen zak kon steken.

Roodfigurige vaas met afbeelding van een vrouwelijke auleet (ca. 480 v.C.)

De betaling voor het hele orkest was steeds tweeledig. Naast een goed salaris, uitbetaald in drachmen, ontvingen ze levensmiddelen (olie, wijn en brood) voor de tijd die ze spendeerden in het dorp. Vaak kregen ze daar ook een verblijfplaats aangeboden. Helaas zwijgen de papyri over hoe het geld nadien verdeeld werd. Kregen alle leden van de compagnie hetzelfde salaris, of hadden bepaalde muzikanten recht op meer vergoeding dan anderen? Een aparte clausule in het contract toont dat de werkgevers ezels (en waarschijnlijk een soort escorte) ter beschikking stelden om de muzikanten te helpen met hun transport (van en) naar het dorp. Dat was geen overbodige luxe, want de dure instrumenten en de goede uitbetaling van hun loon maakten hen hoogstwaarschijnlijk tot een geliefd doelwit voor dieven.

Helaas roepen de contracten meer vragen op dan dat ze ons antwoorden verschaffen. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk hoe de rekrutering van dergelijke artiesten gebeurde en of ze een formele opleiding hadden genoten. Daarnaast is er het hierboven besproken probleem van de betaling. Wie kreeg welk deel van de uitbetaling en verdeelde de prôtaulès het geld? De ambulante ensembles leken dus op korte termijn heel wat geld te kunnen verdienen, maar het is onduidelijk of dit een fulltime bezigheid was.

Lees meer

Bélis, A., ‘Les termes grecs et latins désignant des spécialités musicales’, Revue de Philologie de Litterature et d’Histoire anciennes 62 (1988), p. 227-250.
Bélis, A., Les musiciens dans l’antiquité, Parijs, 1999.
Bélis, A., ‘Contrats et engagements de musiciens et d’artistes transmis par des papyrus grecs’, p. 149-157 in Emerit (ed.), Le statut du musician dans la méditerranée ancienne: Égypte, Mésopotamie, Grèce, Rome, Parijs, 2013.
Manniche, L., Music and musicians in ancient Egypt, Londen, 1991.
Power, T., The culture of kitharôidia, Cambridge, Massachusetts en Londen, 2010.
Vandoni, M., Feste pubbliche e private nei documenti greci, Milaan, 1964, n° 14-27.

Coverafbeelding: adaptatie van de flyer van de tentoonstelling ‘Sounds of Roman Egypt’ in het UCL Petrie Museum (22 januari-22 april 2019) (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1793
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739
Cultuur tijdens Corona: beleef de Oudheid vanuit je zetel https://www.oudegeschiedenis.be/22/04/2020/cultuur-tijdens-corona-beleef-de-oudheid-vanuit-je-zetel/ https://www.oudegeschiedenis.be/22/04/2020/cultuur-tijdens-corona-beleef-de-oudheid-vanuit-je-zetel/#respond Wed, 22 Apr 2020 14:55:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1505 Beleef de Oudheid vanuit je zetel

In deze bijzondere tijd waarin een groot deel van de wereldbevolking in quarantaine is geplaatst of toch het merendeel van de tijd probeert thuis te blijven, is ook de cultuursector zwaar getroffen door Corona. Iedereen met oudheidkundige interesse weet dat dit betekent dat het dus onmogelijk is om rond te wandelen op het Forum Romanum, de Acropolis te beklimmen of de piramides in Gizeh te bewonderen. Wij bieden daarom alvast een (niet-exhaustief) overzicht van de digitale alternatieven om de Oudheid virtueel te beleven. En het beste nieuws is dat je hiervoor niet eens je zetel moet uitkomen!

Het bericht Cultuur tijdens Corona: beleef de Oudheid vanuit je zetel van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Beleef de Oudheid vanuit je zetel

In deze bijzondere tijd waarin een groot deel van de wereldbevolking in quarantaine is geplaatst of toch het merendeel van de tijd probeert thuis te blijven, is ook de cultuursector zwaar getroffen. Corona, oftewel COVID-19, de pandemie die veroorzaakt is door een coronavirus, heeft ervoor gezorgd dat de afgelopen weken bijna alle musea en toeristische sites wereldwijd hun deuren hebben moeten sluiten en dat toerisme op dit moment bijna volledig tot stilstand is gekomen. Iedereen met oudheidkundige interesse weet dat dit betekent dat het dus onmogelijk is om rond te wandelen op het Forum Romanum, de Acropolis te beklimmen of de piramides in Gizeh te bewonderen. Gelukkig zijn er nog alternatieven om de Oudheid op een andere manier te beleven, namelijk virtueel. En het beste nieuws is dat je hiervoor niet eens je zetel moet uitkomen.

Hieronder bieden we een (niet-exhaustief) overzicht van de musea, archeologische sites en games die via allerlei toepassingen (bijvoorbeeld online tentoonstellingen, 3D-wandelingen of virtual reality [VR] of augmented reality [AR]) erin slagen om de Oudheid virtueel tot leven te laten komen. Historische films, boeken, strips of gezelschapspellen hebben we hierdoor niet opgenomen in deze verzameling, maar zijn natuurlijk ook absolute aanraders voor iemand met interesse in de Oudheid. Voor de coronacrisis bestonden er al een aantal virtuele verzamelingen waarvoor je je huis niet moest uitkomen, maar in de huidige periode worden bijna dagelijks nog nieuwe initiatieven genomen door zowel kleine als grote culturele organisaties uit de GLAM-sector (Galleries, Libraries, Archives & Museums) of de entertainmentwereld.

Lage Landen

Beginnen doen we in eigen land, waar verschillende musea hun best hebben gedaan om een alternatieve beleving van hun collecties en/of (tijdelijke) tentoonstellingen mogelijk te maken. Het Gallo-Romeins Museum in Tongeren is het grootste oudheidkundig museum van ons land en had al voor de verplichte sluiting van niet-essentiële sectoren in ons land werk gemaakt van hun online aanwezigheid. Op hun website kon je bijvoorbeeld al terecht voor een video-overzicht van afgelopen tentoonstellingen, maar vind je ook een link naar het Exploratorium, een website waar je hun uitgebreide collectie kan doorzoeken en ook themamappen kan raadplegen. Een deel van de collectie – zo’n 10 000 van de in totaal ongeveer 170 000 objecten – kan je ook raadplegen via de erfgoeddatabank voor Limburg en Vlaams-Brabant: Erfgoedplus. Wegens de voorlopige sluiting van de tijdelijke tentoonstelling ‘Dacia Felix’ over het roemrijke verleden van Roemenië stelt het museum ook hun gratis audiotours online ter beschikking. Daarop kan je verschillende topstukken uit de tijdelijke expositie ontdekken in woord en beeld, naast uitleg over 50 unieke objecten uit de eigen collectie. Voor de nieuwe tentoonstelling ‘Oog in oog met de Romeinen’ werkt het museum samen met acteur Jelle De Beule en kan je de expo ook virtueel beleven dankzij enkele educatieve video’s.

Het Exploratorium, een website waar je de collectie van het Gallo-Romeins museum van Tongeren kan doorzoeken en themamappen kan raadplegen

Ook het recent geopende Teseum van Tongeren in dezelfde buurt blijft momenteel ontoegankelijk voor het publiek. Naast de schatkamer herbergt dit museum ook een archeologische site waar de 2000 jaar oude sporen van de Romeinse bouwwerken nog werden aangetroffen. Onderstaande video biedt alvast een virtuele inkijk in deze site met de originele muren en funderingen van de Limburgse stad.

Het Romeins Archeologisch Museum (RAM) van Oudenburg is jammer genoeg ook tijdelijk gesloten, waardoor de tentoonstelling ‘Roma Intima’ over het intieme leven in het Oude Rome (gebaseerd op het gelijknamige boek van classicus Bert Gevaert en uroloog Johan Mattelaer) momenteel ook niet te bezoeken valt. Van de permanente collectie is ook wel een deel digitaal te bezichtigen via de website van Erfgoedinzicht, dat het erfgoed in Vlaanderen verzamelt.

Het Provinciaal Archeocentrum in Velzeke is het Gallo-Romeins museum van Oost-Vlaanderen. In de deelgemeente van Zottegem kan je normaal gezien onder meer de Romeinse invloed in de provincie Oost-Vlaanderen bestuderen. Hun tijdelijke tentoonstelling ‘Landschap Door.grond’ schetst een beeld over de relatie tussen de mens en het landschap in Zuid-Oost-Vlaanderen aan de hand van grootschalig archeologisch onderzoek van de afgelopen 10 jaar. In afwachting van de heropening krijg je via onderstaande video (en de maquette uit het museum) wel al een beeld van de weg in Leeuwergem waarlangs verschillende Romeinse huizen werden opgegraven.

Het Brusselse Museum Kunst & Geschiedenis (het vroegere KMKG) in het Jubelpark is vooral bekend voor de uitgebreide collectie van Egyptische objecten (waarvan een deel mummies). Deze collectie werd recent al toegankelijk gemaakt via een mobiele applicatie waarbij een vijftigtal stukken in woord en beeld worden voorgesteld. Daarnaast is de permanente collectie, waaronder de meer dan 5000 oudheidkundige objecten, ook te doorzoeken via de online museumcatalogus Carmentis.

In Wallonië, in de gemeente Malagne, kan je in normale tijden het Archéoparc van Rochefort bezoeken. Dat is een Gallo-Romeins landelijk domein waar naast opgravingen en reconstructies ook aan experimentele archeologie wordt gedaan. Een voorbeeld hiervan kan je zien in de video waarin het mogelijke gebruik van een vallus wordt gedemonstreerd, een Gallo-Romeinse oogstmachine.

Het Musée royal de Mariemont, een museum in de Henegouwse gemeente Morlanwelz, heeft een uitgebreide collectie van oudheidkundige objecten, waarvan een groot deel Egyptische kunst, maar eveneens talrijke Griekse en Romeinse beelden. Ook delen van deze collectie zijn via audiogidsen te bekijken en beluisteren, onder meer eentje gewijd aan de recente expositie ‘De lin et de laine’, over textiel uit het Egypte van het 1ste millennium (v.C.).

De Archéosite van Aubechies-Beloeil ligt ook in Henegouwen. Daar krijg je in het archeologische park (en bijhorend museum) een rondleiding die begint in het oude Neolithicum begint (rond 5000 v.C.) en eindigt met de Romeinse periode (3de eeuw n.C.). Hier worden ook vaak evenementen georganiseerd in het teken van re-enactment, zoals tijdens het weekend van de experimentele archeologie. Gladiatorengevechten en soldatenmarsen kleuren dan deze dagen, maar in deze periode is het nog onduidelijk of dit wel zal kunnen doorgaan in 2020. Gelukkig is er nog videomateriaal van de voorbije edities om dit te kunnen (her)beleven.

Musée Archéologique in Aarlen, de hoofdstad van de provincie Luxemburg, is eveneens een Belgisch museum met een uitgebreide Gallo-Romeinse collectie. Deze bevat onder meer een heleboel grafmonumenten, maar ook een collectie keramiek en glazen. Elke maand wordt op de website van het museum een object daarvan in de kijker gezet.

De mobiele applicatie van Via Belgica laat toe om augmented reality te gebruiken bij sommige sites

Nederland telt ook een heel aantal musea met een focus op de Oudheid. Het Allard Piersonmuseum in Amsterdam beheert de erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam, waaronder een groot deel oudheidkundige voorwerpen. Deze zijn al digitaal samengebracht in een beeldbank, later dit jaar komt er ook nog een digitale toepassing bij om zelf aan de slag te gaan met de collectie. In het openluchtmuseum Archeon in Alphen aan den Rijn kan je delen van het park virtueel bezoeken vanuit de lucht, waaronder ook het gedeelte dat is gewijd aan de Romeinse tijd.

In Heerlen kan je normaal gezien het schitterend bewaard en gerestaureerd badhuis bezoeken, maar in deze tijd zal je het moeten stellen met een audiotour over de Romeinse vondsten uit de Zuid-Limburgse stad. Nog in Zuid-Limburg kan je het initiatief van de ‘Via Belgica’ volgen, de enigszins ahistorische benaming van de Romeinse heirbaan die van Frankrijk tot Duitsland liep en de Belgische en Nederlandse provincie Limburg doorkruist. Als je van wandelen en fietsen houdt – wat je gelukkig nog mag doen – kan je de mobiele applicatie downloaden en zelf een route samenstellen, zelfs gekruid met een vleugje augmented reality.

Museum Het Valkhof in Nijmegen werkte een mooi online aanbod voor thuis uit met interessante podcasts over de museumcollectie en houdt de komende weken verschillende live rondleidingen op Facebook. In de eerste aflevering word je alvast door de Romeinse collectie gegidst.

Tot slot heeft het bekende Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, het nationale archeologiemuseum van Nederland, een partnerschap met Google afgesloten waardoor je als bezoeker ook virtueel (via Street View) kan ronddwalen door het volledige museum. Op die manier krijg je een eersteklas zicht op de verschillende afdelingen van het Oude Egypte (met ook een online tentoonstelling van de hoogtepunten), het Oude Nabije Oosten of Griekenland en Rome en kan je de collectie van bijvoorbeeld de Etruskische objecten uitgebreid bewonderen. Daarnaast kan je ook van thuis uit een (betalende) online rondleiding met museumgids volgen.

West-Romeinse Rijk

Ook in de rest van wat ten tijde van de Romeinen onder het West-Romeinse Rijk viel, kan je heden ten dage heel wat musea of archeologische sites in een virtuele vorm bezoeken. Het bekendste museum van Frankrijk bijvoorbeeld, het Louvre in Parijs, biedt enkele online bezoeken aan, waaronder eentje aan de zeer ruime Egyptische collectie. Daarnaast is het ook mogelijk om het museum in een volledige 360° in virtual reality te doorzoeken. Een andere ervaring (naast een databank met daarin al hun gedigitaliseerde objecten) biedt het Altes Museum, één van de vele museumpartners uit de wereld die samenwerken met een ander platform van Google, Arts & Culture. Daarop kan je voor het Berlijnse museum maar liefst zeven online exposities bezoeken, waaronder eentje met de tongue-in-cheek titel: ‘When Cleo met Julius … by rolling herself up in a carpet‘. Ook het Pergamonmuseum in de Duitse hoofdstad opent virtueel zijn deuren, hetgeen je bijvoorbeeld toelaat om in te zoomen op de details van de friezen van het Pergamonaltaar. De mobiele applicatie van Google laat ook toe om enkele van deze exposities in virtual reality te beleven. Datzelfde gebeurt ook bij het Londense British Museum, die naast een eigen online collectie, ook op hetzelfde platform een online expositie over religie in het Egypte na de farao’s aanbieden. Het Museo Arqueológico Nacional (MAN) in Madrid gaat zelfs nog een stap verder en ontwikkelde een eigen applicatie (die ook op het web beschikbaar is), waarbij je zaal per zaal kan binnenwandelen en verder onbeperkt inzoomen op de vele archeologische objecten uit de Oudheid die in de vitrines liggen en onder meer de geschiedenis van de provincie Hispania vertellen.

Ook in Italië (en vooral haar hoofdstad) bestonden al verschillende initiatieven om de Oudheid op een virtuele manier tastbaar te maken, denk maar aan een 3D-bezoek aan het hedendaagse Rome of Rome Reborn, een ervaring in virtual reality die de stad rond 320 n.C. nabouwt. Dat laatste project – al begonnen in de jaren 90 van de vorige eeuw – maakt het ook mogelijk om met een VR-bril (zoals de Oculus Rift) over de Romeinse hoofdstad te vliegen, een waarlijk unieke ervaring.

Met de recente ontdekkingen van nieuwe huizen en de vele andere restauraties in Pompeï en Herculaneum in het achterhoofd, is een virtueel bezoek aan beide steden zeker de moeite waard. Je hebt zelfs de keuze tussen bijvoorbeeld een geleide wandeling van Pompeï op YouTube – van meer dan 5 uur, maar wel in 4K! – of ook een zelfgekozen pad via Google Street View. Voor Herculaneum kan je dan weer een volledige 360°-ervaring beleven.

En als je toch liever in de gesloten ruimte van een museum de schatten van beide steden bekijkt, kan je altijd terecht op de online tentoonstelling van het nationaal archeologisch museum van Napels over de stillevens van oud-Romeinse aristocraten uit Pompeï en Herculaneum.

8 musea uit de hoofdstad verenigden zich recent ook om een virtuele tour (in het Italiaans of het Engels) te kunnen aanbieden en het gaat niet om de minste:

  • Musei Capitolini
  • Museo dell’Ara Pacis
  • Museo Napoleonico
  • Mercati di Traiano – Museo dei Fori Imperiali
  • Casino Nobile di Villa Torlonia
  • Centrale Montemartini
  • Museo delle Mura
  • Museo di Roma

Je kan tentoongestelde objecten bekijken of krijgt meer informatie erover, maar evengoed navigeer je door de musea zoals op Google Streetview. Ook wanneer er video of audio beschikbaar is, kan je dit aanklikken. Mogelijk sluiten in de toekomst nog meer musea uit Rome zich aan bij dit project en kan je als bezoeker nog meer collecties van thuis uit ontdekken.

Oost-Romeinse Rijk

Ook in het oosten van het Romeinse Rijk valt veel te beleven online. In Griekenland alleen al bieden verschillende musea hun verzamelingen aan in virtuele vorm. In de hoofdstad Athene kan je op bezoek bij onder meer het Benaki Museum of Greek Culture voor een 360°-tour, het Museum of Cycladic Art (via Google), het nationaal Archeologisch Museum (met een uitgebreide online collectie) en niet te vergeten natuurlijk, het vernieuwde Acropolis Museum. Het bekendste museum van Griekenland heeft naast een eigen pagina op Google Arts & Culture, ook een volledige website met digitale toepassingen voor educatieve doeleinden. Daarop kan je bijvoorbeeld een virtuele – en volledige – representatie van de Parthenonfriezen bewonderen. Recent investeerde de regering van het land ook in een website met zoekplatform, Search Culture, waarop in totaal meer dan 400 000 items zijn verzameld uit 67 collecties (waaronder musea, archieven, culturele stichtingen en dus ook oudheidkundige objecten uit allerlei plaatsen). Tot slot is er ook een nieuwe applicatie waarbij je een volledige virtuele tour kan maken op de Acropolis en kan inzoomen op de verschillende antieke monumenten.

De Acropolis Virtual Tour waarmee je kan inzoomen op de verschillende antieke monumenten

In Macedonië – of Noord-Macedonië zoals het land sinds kort wordt genoemd – was er al het project Macedonia From Above, waarbij verschillende musea en historische sites in 360°-perspectief te bezichtigen zijn. De virtuele tour brengt je bijvoorbeeld ook langs Stobi, een oorspronkelijke Paeonische nederzetting die in de 3e eeuw v.C. door Antigonus Gonatas en Philippus V bij Macedonië werd ingelijfd, en die in 168 v.C. onder Romeins gezag kwam. Een Romeins theater en het paleis van keizer Theodosius I zijn hiervan de zichtbare getuigen.

Het huidige Syrië was als Romeinse provincie onder dezelfde naam bekend, maar heeft natuurlijk ook uitgebreid historisch erfgoed van eerdere en latere periodes. Jammer genoeg zijn de voorbije jaren verschillende van deze sites ten prooi gevallen aan verschillende groeperingen die er vernietigingen hebben aangebracht. Het ‘Syrian Heritage Archive’-project (in samenwerking met het Berlijnse Staatliche Museen) probeert dat ook om dit erfgoed ten minste digitaal te bewaren. Op de website kan je dan navigeren op de kaart van de verschillende erfgoedsites en vind je ook meer informatie (in woord en beeld) over de overblijfselen van de Oudheid in het land. Buurland Libanon is dan op zijn beurt de nieuwste toevoeging aan het ‘Reborn’-project: Baalbek Reborn presenteert de antieke site van Heliopolis met de monumenten uit de Romeinse periode in VR en via zogenaamde flyovers, prachtige video’s waarbij je in vogelvlucht de stad te zien krijgt.

Voor het antieke Turkije bestaat zelfs een volledige website waarbij een dertigtal sites (waaronder steden als Efeze, Milete en Laodikeia) volledig in 3D werden ingescand. KU Leuven, onze eigenste universiteit, heeft al sinds 1990 een archeologisch project lopen op de antieke site van Sagalassos (in Pisidië, in het zuidwesten van Turkije). De onderzoeksgroep archeologie (eerst onder leiding van professor emeritus Marc Waelkens, intussen opgevolgd door professor Jeroen Poblome) begeeft zich – normaal gezien toch – jaarlijks in de zomer naar daar voor een nieuwe opgravingscampagne. Unieke vondsten zoals een kolossaal beeld van keizer Hadrianus, maar ook verschillende delen van de antieke stad uit meerdere periodes, bijvoorbeeld een laathellenistische Dorische tempel, de bovenste en lagere agora of het Nymphaeum van Antoninus Pius, zijn nu te bezichtigen (of zelfs na te bouwen) via de 3D-modellen op Sketchfab. Daarnaast is ook de tentoonstelling ‘Meanwhile in the Mountains: Sagalassos’ die momenteel in het Yapi Kredi Cultural Centre in Istanboel staat volledig virtueel, met de mogelijkheid tot VR, te bezoeken: een aanrader!

Egypte & de rest van de wereld

Ook in Egypte en de rest van de wereld zijn er allerhande initiatieven om in deze periode – en hopelijk nadien – digitaal de Oudheid (en andere historische periodes) in beeld te brengen. Het Egyptische minsterie van toerisme besloot om de dagelijkse lichtshow op plateau van Gizeh aan te passen aan COVID-19 en liet boodschappen zoals “Experience Egypt from Home. Stay Home. Stay Safe.” in het Engels en Arabisch op de piramides projecteren. Bovendien lieten ze het slechte nieuws dat de opening van het Grand Egyptian Museum in Caïro nog tot 2021 op zich zou laten wachten, volgen op het goede nieuws dat verschillende toeristische trekpleisters in digitale vorm te bezoeken zouden zijn. Blikvangers hierbij zijn het graf van Meresanch III (de nicht en vrouw van farao Chefren), het graf van Menna (een hooggeplaatste Egyptische functionaris uit de 18de dynastie) en het rode klooster van Sohag (gesticht in het begin van de 4de eeuw n.C. door de heilige woestijnvader Pischoi). Ook het graf van Ramses VI uit de Vallei der Koningen is op deze manier te bezoeken (en daarbij kan je proberen om de verschillende graffiti met zijn naam die Dryton, een Griekse officier uit de 2de eeuw v.C. uit de regio van Thebe, hier als toerist heeft achtergelaten). Elke virtuele ervaring bevat gedetailleerde 3D-beelden waarmee gebruikers kunnen “wandelen” door op hotspots langs de verdiepingen van de structuren te klikken.

Ook in de Verenigde Staten bieden meerdere musea hun collectie digitaal aan. Het bekende Metropolitan Museum (‘The Met’) uit New York bezit ook een hele schare antiquiteiten uit de Oudheid. De historische tijdlijn op de website van Google Arts & Culture maakt het mogelijk om chronologisch door hun collectie van Egyptische, maar ook Grieks-Romeinse objecten te scrollen. Hetzelfde kan je doen voor het J. Paul Getty Museum in Los Angeles, dat eveneens over een uitgebreide collectie Griekse, Romeinse en Etruskische beelden en vazen beschikt, bovendien tentoongesteld in een replica van de ‘Villa dei Papiri’ in Herculaneum.

Ook in andere continenten vinden we musea die (gedeeltelijk) gewijd zijn aan de Oudheid en hun collectie digitaal openstellen. Het befaamde Hermitage Museum van Sint-Petersburg doet dat door alle zalen van het grote Russische museumcomplex (waaronder enkele tientallen in het teken van Griekse of Romeinse kunst) virtueel te laten bezoeken. Ook het Braziliaanse Museu Nacional in Rio de Janeiro, dat in 2018 een zware brand te verwerken kreeg, werd opgenomen in het Arts & Culture-project. Daardoor zijn een heleboel hoogtepunten uit hun oudheidkundige collectie (Egyptische mummies, maar ook Griekse kunst of fresco’s uit Pompeï) nog in digitale vorm bewaard gebleven en kan dit mogelijk waardevol blijken bij een eventuele restauratie van de gevonden resten van deze collectie.

Games over de Oudheid

Ook games bieden enorme mogelijkheden om de Oudheid digitaal te recreëren, denk maar aan de reeks Assassins Creed, waarvan een game (‘Origins’) zich afspeelde in Ptolemaeïsch Egypte, en een andere (Odyssey) het Griekenland ten tijde van de Peloponnesische Oorlog opnieuw tot leven bracht. De ontwikkelaars van deze reeks (Ubisoft) staken enorm veel tijd in het zo realistisch mogelijk nabootsen van de historische setting (bijvoorbeeld de gebouwen, maar ook klederdracht). Hierdoor brachten ze voor beide games ook een ‘Discovery Mode’ uit, die door leerkrachten geschiedenis, maar ook door classici kan worden gebruikt om op een educatieve manier deze periodes uit de Oudheid te onderwijzen.

Ook VR en AR hebben het potentieel om ooit (in games of in educatieve applicaties) een meerwaarde te creëren, maar dit hangt natuurlijk sterk samen met de technologische ontwikkelingen. De laatste jaren hebben bepaalde toepassingen (zoals een VR-bril of mobiele AR-applicaties) dankzij hun goedkopere ontwikkeling en prijs meer en meer aan populariteit gewonnen, maar de definitieve doorbraak hiervan laat momenteel toch nog even op zich wachten.

Alleen nog digitale cultuur?

We leven momenteel in onzekere tijden, maar het lijkt toch niet uitgesloten dat we weldra opnieuw in staat zullen zijn om te reizen. Dat zou dan ook betekenen dat we opnieuw (oudheidkundige) musea en sites ter plaatse kunnen gaan bewonderen, iets dat voorlopig – in onze ogen althans – niet kan vervangen worden door de digitale of virtuele alternatieven. Het is natuurlijk wel toe te juichen dat meer en meer culturele organisaties – ook in België, echter wel met wat achterstand op vele (rijkere) buitenlandse organisaties – hun collecties, zowel objecten als onderzoek, digitaal ter beschikking stellen. Dit laat namelijk een meer democratische toegang tot bijvoorbeeld de Oudheid toe (hoewel dit natuurlijk ook sterk afhankelijk is van al dan niet toegang tot technologie) en initiatieven zoals Google Arts & Culture zorgen voor een lagere instapdrempel bij online tentoonstellingen opgebouwd rond specifieke thema’s of collecties. Toch kijken we al uit naar het moment waarop we opnieuw in Rome kunnen rondstruinen langs de vele bezienswaardigheden, in Griekenland kunnen rondtrekken van Sparta tot Athene of in Egypte nogmaals alle Grieks-Romeinse tempels kunnen bezichtigen. Tot dan behelpen we onszelf maar met elke week minstens eenmaal een van de hierboven opgesomde alternatieven virtueel te bezoeken…

10/04/2021: deze blogpost werd geüpdatet met enkele recente toevoegingen van virtuele activiteiten uit onder meer het GRM, de Nederlandse musea, de virtuele tours van de Acropolis en de Romeinse musea en het ‘Baalbek Reborn’-project.

Het bericht Cultuur tijdens Corona: beleef de Oudheid vanuit je zetel van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/22/04/2020/cultuur-tijdens-corona-beleef-de-oudheid-vanuit-je-zetel/feed/ 0 1505
Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/#respond Tue, 08 Oct 2019 13:52:34 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1358

In onze reeks 'Quis est?' gaan we op zoek naar het levensverhaal van een markant figuur uit de Oudheid. In deze aflevering komen we uit bij Silbannacus, een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De lijst van bekende Romeinse keizers bevat vele namen, vanuit het principaat dat Augustus in 27 v.C. startte (en voortzette met de Julisch-Claudische dynastie) tot het dominaat waarbij het Keizerrijk door meerdere keizers (augusti en caesares) werd geregeerd. In heel deze lijst komen af en toe ook namen voor van keizers die deze titel opeisten en (meestal slechts voor een korte tijd) als usurpator over een gedeelte van het Romeinse Rijk regeerden, bijvoorbeeld Galba, Otho en Vitellius tijdens het beruchte vierkeizerjaar 69 n.C. Een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen, is die van Silbannacus. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Usurpatoren

Een 19de eeuwse illustratie van de overdracht van de keizerskroon door Romulus Augustus aan de Germaanse heerser Odoaker

De laatste keizer – althans van het West-Romeinse rijk – Romulus Augustulus, werd na een heel korte regeertermijn in 476 n.C. afgezet door de Germaanse aanvoerder Odoaker, die zich nadien ook tot koning kroonde en het keizerschap voor de schijn doorgaf aan de toenmalige Oost-Romeinse keizer Zeno. Hiermee eindigt traditioneel een periode die vier eeuwen overspant waarin talloze dynastieën de macht in Rome claimden, afgewisseld met perioden van chaos en anarchie waarin soms voor een heel korte periode een lokale of militaire leider de macht opeiste. Zo’n usurpator was vaak geen lang leven beschoren, aangezien het succes van de revoltes vaak afhing van de (militaire) back-up van de heerser in kwestie en de heersende of daaropvolgende keizer meestal geen medelijden toonde met zo’n overwonnen rebel.

Naast het reeds genoemde drietal van het vierkeizerjaar verging het bijvoorbeeld de beruchte Elagabalus net zo.  Hij heerste gedurende vier jaar, maar werd uiteindelijk ook door de Praetoriaanse Garde vermoord. Nog minder succesvol verging het Nymphidius Sabinus, de prefect van diezelfde garde, die na Nero’s dood de keizerstroon dacht te kunnen claimen als de niet-erkende zoon van Caligula. Hij werd namelijk jammerlijk door zijn eigen garde van het leven beroofd toen Galba Rome zou intreden.

Gravure in een medaillon van Julius Nepos, de laatste gelegitimeerde keizer van het West-Romeinse Rijk

Andere minder bekende figuren die in de plooien van de Romeinse keizergeschiedenis belandden waren bijvoorbeeld Avidius Cassius, de gouverneur van Syria, die in 175 n.C. zelfs nadat het gerucht dat hij had gehoord over de dood van keizer Marcus Aurelius niet waar bleek te zijn, toch zijn onsuccesvolle revolte voortzette. Sommige anderen werden nooit aanvaard door de Senaat als wettige keizer of slaagden er slechts in om een gedeelte van het rijk onder controle te krijgen, vaak dan nog voor een korte tijd. Tot slot probeerde Julius Nepos om als heerser in ballingschap in Dalmatia de keizertitel opnieuw op te eisen, nadat de eerder genoemde Odoaker de macht had gegrepen in Rome, maar ook die poging liep slecht af toen hij in 480 werd gedood door zijn eigen soldaten.

Bekende succesvolle en gelegitimeerde usurpatoren waren onder meer Septimius Severus en Constantijn de Grote die beiden door hun eigen leger tot keizer werden uitgeroepen. Een constante factor in hun greep naar de macht (naast de militaire ondersteuning) was het legitimeren van hun keizerschap. Dat gebeurde op verschillende manieren, bijvoorbeeld door bouwactiviteiten op te zetten of hun eigen munten te laten slaan, waarbij hun keizerschap via allerlei symbolen refereerde aan de Romeinse goden, hun voorgangers als keizers of hun vergoddelijkte status (na hun dood). Beiden regeerden respectievelijk 18 en 31 jaar over het rijk en werden opgevolgd door hun eigen dynastie.

De mysterieuze munten

De zilvermunt van Silbannacus uit het British Museum

Al deze voornoemde keizers zijn ons niet alleen bekend uit de literaire bronnen, maar ook uit opschriften, munten en andere archeologische overblijfselen. Toen in 1937 echter het British Museum in bezit kwam van een zilvermunt (een antoninianus), gekocht van een Zwitserse handelaar die beweerde dat de munt gevonden was in de Franse regio Lorraine, wisten onderzoekers niet wat ze zagen. Op de voorzijde van de munt was namelijk te lezen:

IMP MAR SILBANNACVS AVG

Deze keizer Mar() Silbannacus stelde de specialisten voor een raadsel. Geen keizer met deze naam is ons bekend uit de bronnen en gedacht werd dat het hier misschien om een verkeerde spelling van de naam Silvannacus of Silvaniacus zou kunnen gaan, maar zelfs in dat geval was er geen keizer met die naam gekend. De keerzijde, met daarop de goden Mercurius en Victoria (met een caduceus of olijfkroon en de begeleidende tekst “VICTORIA AUG”) afgebeeld, gaf geen verdere hints over de oorsprong van deze munt. Geopperd werd dat het om de muntslag van een usurpator, tussen de duistere jaren 238 en 260 n.C., zou kunnen gaan, maar zekerheid over de historiciteit van Silbannacus was er niet.

Dit duurde tot in 1996 een tweede munt met dezelfde keizersnaam opdook bij een Franse specialist. Ook deze zilvermunt zou uit Frankrijk afkomstig zijn en werd enkele jaren eerder gevonden in de buurt van Parijs. De voorzijde van deze munt was identiek aan de eerste, maar de keerzijde bevatte ditmaal de god Mars (en de tekst “MARTI PROPVGT”). Dit leidde de onderzoekers naar keizer Aemilianus die in 253 n.C. een drietal maanden regeerde en dezelfde achterzijde met de oorlogsgod (“de Verdediger”) voor een munt had gebruikt. Was het eindelijk duidelijk dat de Silbannacus vermeld op deze mysterieuze munten een usurpator was tijdens dat chaotische jaar waarin verschillende opstanden plaatsvonden en keizers regeerden?

Zilveren Antoninianus van Aemilianus, met op de achterzijde Marti Propugt (Propugnatori), Mars de Verdediger

Silbannacus, de onbekende keizer?

De naam Mar() Silbannacus zorgt nog voor wat meer mysterie. Zelfs als het hier om een verkeerde spelling zou gaan, lijkt er een mogelijke connectie te zijn met de god Silvanus, een Romeinse godheid van de bossen die mogelijk van een Etruskische godheid afstamt. Ook het suffix -acus, dat op een Keltische etymologie duidt, versterkt het vermoeden dat we de achtergrond van Silbannacus in Noord-Italië (waar Kelten en Etruskische invloeden overlapten) moeten zoeken. De andere afkorting MAR() kan een afkorting zijn van de naam ‘Marinus’, ‘Marius’ or ‘Marcius’, aangezien het minder gangbaar was om een praenomen – ‘Marcus‘ in dat geval – te gebruiken op de muntslag. Ook hier blijven we achter hangen bij vermoedens, aangezien geen van deze families uit de 3de eeuw ons bekend zijn uit andere bronnen.

De antoniniani of verzilverde munten (gedevalueerd tot brons tijdens de ‘Crisis van de derde eeuw’) waren gangbaar in deze periode en ook de afbeeldingen op voor- en keerzijde geven weinig hints over de datering ervan. In het midden van deze eeuw vinden we op zo goed als alle munten een afbeelding van de keizer met een gelijkaardige kroon, maar dit leidde niet tot een exactere datering.

Buste van keizer Philippus I Arabs

Buste van keizer Decius

Uiteindelijk blijft de theorie van een usurpator de meest gangbare, althans tot we mogelijk ooit meer bronmateriaal vinden. Twee mogelijkheden werden daarbij het vaakst geopperd. Ten eerste, dat Silbannacus opereerde als een militaire leider in Germania Superior nabij het Rijngebied. Eutropius (IX.4) beschrijft een burgeroorlog in Gallia, mogelijk tijdens de regering van keizer Philippus I Arabs (244-249 n.C.) of meer waarschijnlijk tijdens die van keizer Decius (249-251 n.C.), waarbij Silbannacus dan mogelijk kortstondig het keizerschap zou hebben geclaimd.

De ontdekking van de tweede munt en ook de alternatieve lezing van Eutropius’ burgeroorlog in Galatia maken de tweede theorie plausibeler: de munt van Silbannacus zou dan in Rome geslagen zijn na een korte periode van opstand tussen de strijd om de troon in 253 n.C. Die was al begonnen toen in 251 n.C. keizer Trebonianus Gallus Aemilianus als bevelhebber van de legertroepen naar de Donau stuurde om daar de Gothen te bevechten (Zosimus, I.28.3). Aemilianus won daar een belangrijke veldslag in de zomer van 253 n.C. en zijn soldaten riepen hem vervolgens uit tot keizer. Daaropvolgend stuurde Trebonianus een andere legerleider Valerianus – later bekend als keizer Valerianus I – erop uit om Aemilianus vanuit zijn provincie tegen te houden, maar dit gebeurde te laat, waardoor Aemilianus intussen al in Rome de macht had overgenomen. Valerianus had zich intussen ook aan de Rijn door tot keizer laten uitroepen, waardoor Aemilianus zich genoodzaakt zag met zijn soldaten tegen Valerianus op te trekken. Zoals eerdere voorbeelden werd Aemilianus door zijn eigen soldaten vermoord en kon Valerianus als nieuwe keizer naar Rome trekken. Tijdens deze gebeurtenissen zou onze Silbannacus de macht hebben overgenomen in de hoofdstad van het rijk, om uiteindelijk toch door de troepen van Valerianus te worden afgezet en waarschijnlijk vermoord. Hypothetisch zou Silbannacus zelfs een bevelhebber onder het commando van Aemilianus kunnen zijn geweest die dan zelf de macht in Rome opeiste tijdens diens afwezigheid of na diens dood.

Conclusie

Welke hypothese de juiste is, is moeilijk te bevestigen zonder bijkomend bronnenmateriaal. Het lijdt weinig twijfel dat indien Silbannacus zich tot keizer liet uitroepen – en daar duiden de twee munten toch op – dit waarschijnlijk slechts als usurpator voor een korte periode zal zijn geweest tijdens de turbulente crisisperiode in het midden van 3de eeuw. Dat hij dan meer dan waarschijnlijk op een niet al te vredevolle manier aan zijn einde zal zijn gekomen, hetzij door de troepen van Philips I Arabs, Decius, Valerianus I of misschien zelfs zijn eigen soldaten, lijkt eveneens een aannemelijk scenario. De rest blijft, net zoals zijn munten, voorlopig een mysterie…

Lees meer

Christol, M., L’Empire romain du IIIe siècle. Histoire politique, 192-325 après J.-C., Paris, 1997.

Estiot, S., ‘L’empereur Silbannacus. Un second antoninien,’ Revue numismatique 151, 1996, pp. 105-117.

Mattingly, H., Sutherland, C., Carson, R. (ed.), The Roman imperial coinage, vol. 4: Pertinax – Uranius Antonius, Londen, 1986.

BBC History Extra: https://www.historyextra.com/period/roman/silbannacus-the-roman-emperor-that-time-forgot/

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van het object ‘radiate coin of Silbannacus’ in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0) 

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/feed/ 0 1358