Thracië Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/thracie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Thracië Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/thracie/ 32 32 136391722 Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/ https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/#respond Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2817 een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. werd de Griekse wereld opgeschrikt door de invasie van de Galaten, een gebeurtenis die niet alleen militair maar ook ideologisch diepe sporen naliet. In dit eerste artikel van een tweedelige reeks staat de vraag centraal hoe deze Keltische groep in de Griekse perceptie werd voorgesteld en hoe het beeld van de "barbaarse" vijand vorm kreeg. Vooral de Aetoliërs slaagden erin om dit anti-Galatische discours naar hun hand te zetten en in te zetten als krachtig propagandamiddel die hun politieke positie en legitimiteit versterkte.a

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. heerste er chaos in Griekenland en Macedonië. De recente oorlog tussen de diadochen Seleucus en Lysimachus had zijn tol geëist, en een sterk centraal gezag was ver zoek. Hierdoor werden de Griekse stadstaten en het Macedonische thuisland kwetsbaar. Deze situatie bood een uitgelezen kans voor een bevolkingsgroep die aan de noordelijke grens opdoemde: de Galaten. Aangetrokken door de rijkdommen van de Helleense wereld, vielen deze Kelten vanuit de Balkan Griekenland en Macedonië massaal binnen en zaaiden ze dood en verderf. Deze existentiële dreiging leidde tot een zeldzaam verschijnsel in de antieke wereld: panhelleense samenwerking. Verscheidene leden van het bondgenootschap leverden een grote inspanning om deze “barbaren” te verdrijven, maar het waren vooral de Aetoliërs die te koop liepen met hun rol in de overwinning. Voor hen had deze zege immers grote propagandistische waarde.

Dit artikel vormt het eerste deel van een tweedelige reeks over de negatieve voorstelling van de Galaten in de Hellenistische wereld. In dit deel richten we ons op de specifieke inhoud van het anti-Galatische discours in de Griekse wereld en de Aetolische toepassing van deze propaganda. In het volgende deel verleggen we onze blik naar de grote Hellenistische koninkrijken.

Historische achtergrond

De Galaten waren een Keltische bevolkingsgroep die Galatisch sprak, een taal die nauw verwant was aan het Gallisch. Ze leefden zoals de overige Kelten in stamverband met telkens een stamhoofd aan het roer. De term “Galaat” is terug te voeren op het Oudgriekse woord voor “Galliër”. Vandaag wordt in de wetenschappelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen de termen “Galliër” en “Galaat”. De Galliërs waren de continentale Kelten die in West-Europa bleven, terwijl de term “Galaten” verwijst naar de Kelten die sinds de 5de eeuw v.C. naar de Balkan migreerden. Tegen de vroege 3de eeuw v.C. bevonden deze stammen zich aan de grens van de Griekse wereld.

Over hun vroege geschiedenis is weinig met zekerheid geweten; hun verleden wordt voornamelijk gereconstrueerd op basis van Griekse bronnen die echter bevooroordeeld waren. De Grieken zagen immers de Galaten als het archetype van de barbaar. Recent archeologisch en historisch onderzoek heeft gelukkig enige nuance gebracht in dit eenzijdige beeld. In tegenstelling tot het stereotype van de Keltische volkeren als een zootje ongeregeld, hadden zij juist een complexe en efficiënte sociale en militaire organisatie waarbij de stammen goed samenwerkten.

De route van de Galaten

Nadat de Galaten de Helleense wereld waren binnengevallen, splitste hun leger zich op in grofweg drie colonnes. Eén deel settelde zich in Thracië (Polybius 4.45-46), een andere colonne van zo’n 20 000 krijgers stak de Hellespont over op uitnodiging van Nicomedes I, koning van Bithynië (Livius 38.15.). Hij zette de Kelten in als huurlingen tijdens de burgeroorlog tegen zijn broer, Zipoetes II, in ruil voor woongebied in Noord-Frygië. Deze groep heeft de antieke wereld diepgaand beïnvloed en zal in het tweede deel van deze artikelreeks in de belangstelling komen te staan. Tot slot was er een derde colonne onder leiding van Brennus. Brennus behoorde volgens Strabo (4.1.13) mogelijk tot de stam van de Prausi waarover voor de rest weinig geweten is. Hun eerste doelwit was Paeonië in 280 v.C., een gebied ten noorden van Macedonië. Na deze expeditie wist Brennus zijn krijgers te overtuigen om zich in 279 v.C. te wagen aan een meer uitdagend doelwit: de Griekse stadstaten waar hen mythische rijkdommen zouden opwachten.

De Ketische invasie in Griekenland

De Thermopylae vandaag de dag

Pausanias (10.19-23) wil ons doen geloven dat Brennus’ strijdkracht wel zo’n 152 000 infanteristen en 24 000 ruiters telde. Hoewel deze aantallen waarschijnlijk overdreven zijn, moet het totale aantal Kelten enorm zijn geweest. De bedreiging was in elk geval groot genoeg om de eeuwig kibbelende Griekse stadstaten in elkaars armen te drijven. De panhelleense tactiek moet bekend in de oren klinken voor wie vertrouwd is met de Griekse geschiedenis: de Kelten een halt toeroepen bij de Thermopylae. De eerste Keltische aanval tegen de verdedigers in de befaamde bergpas liep uit op een jammerlijke mislukking en Brennus blies de chamade.

Daarop besloot de Keltische leider het over een andere boeg te gooien. Hij liet een detachement tegen Aetolië uitrukken om de talrijke Aetolische troepen weg te lokken van bij de Griekse hoofdmacht in de Thermopylae. De list werkte, maar tegen een hoge prijs: veel Galaten sneuvelden tijdens deze expeditie. Ondertussen wist Brennus de vijand bij de Thermopylae te omsingelen dankzij de ontdekking van een pad dat om de Griekse linie heen leidde. Hierna volgde echter geen heldhaftig gevecht tot de laatste man zoals Leonidas en zijn ‘driehonderd’ dat destijds hadden gedaan. De Griekse troepen konden op tijd geëvacueerd worden dankzij de Atheense vloot die voor de kust voor anker lag.

Brennus koos vervolgens Delphi uit als nieuw doelwit. Volgens de overlevering werd deze aanval afgeslagen met de hulp van de goden die de Kelten teisterden met onder andere stormen en aardbevingen. Daarnaast droegen de Aetoliërs hun steentje bij door hun guerrillaoorlogvoering waarbij ze de Kelten onophoudelijk bestookten in het ruige terrein van Aetolië. Na een verpletterende nederlaag tegen de Phociërs besloten de Galaten zich halsoverkop terug te trekken. Tijdens de terugtocht bleven de Aetoliërs hen bestoken en uiteindelijk pleegde Brennus zelfmoord uit schaamte. De Keltische dreiging was geweken.

De oorsprong van het anti-Galatische discours

De relatie tussen de Galaten en de Helleense wereld werd dus al vanaf het begin gekenmerkt door conflict. Koning Nicomedes I bood evenwel als eerste een alternatief voor deze gewelddadige omgang met de Keltische stammen: samenwerking. In ruil voor militaire hulp kregen de Galaten land en geld. Dit beleid zouden vervolgens nagenoeg al de Hellenistische heersers in Klein-Azië voeren. Ondanks deze gunstige wederkerige relatie bleven de Grieken de Galaat omschrijven als de barbaar par excellence.

De Galatische levensstijl beantwoordde inderdaad op sommige gebieden aan de Griekse verwachtingen van een barbaar. In hun ogen ging het om loutere nomaden met een woest en vreemd voorkomen, die geen schrift kenden, laat staan geschreven wetten — een van de fundamenten van een beschaafde samenleving volgens de Grieken. Na hun vestiging in Noord-Frygië begonnen de Galaten zich steeds meer te conformeren aan de Griekse verwachtingen van een beschaafde mens. Desondanks zetten de Hellenistische vorsten deze traditie van negatieve voorstellingen voort. Waarom? Het antwoord ligt deels in het propagandistische nut van dergelijke beelden. Hoe woester en gevaarlijker de vijand, des te nobeler en sterker de overwinnaar lijkt. Dit narratief kon aldus bijdragen aan de legitimatie van het Hellenistische koningschap.

De Galaten in Griekse ogen

Al tijdens de grote invasie van 280/279 v.C. werden de Galaten gezien als een levensbedreiging voor de Helleense wereld. Hiervan getuigen enkele inscripties uit de jaren 270 v.C. (o.a. een uit Priëne die de beschermer van de stad roemt [TM 862714] en een dedicatie van een vader uit Thyateira aan Apollo om zijn zoon te redden van de Galaten [TM 838622]). Men kan de Grieken zeker niet beschuldigen van overdrijving. Bij gebrek aan een sterk centraal gezag waren de stadstaten inderdaad kwetsbaar. De poleis ontsnapten zelfs op het nippertje aan een smadelijke nederlaag bij de Thermopylae (zoals beschreven hierboven). Het was mede dankzij de tussenkomst van de goden – volgens de Grieken zelf althans – en onder andere de Aetoliërs dat de ondergang vermeden kon worden (zie Justinus 24.7.6, 24.8.3-7).

De idee van goddelijke interventie raakte al vroeg in zwang. Volgens een decreet uit Kos van 278 v.C. [TM 929025] was Apollo verantwoordelijk voor de triomf, terwijl een inscriptie van Smyrna uit hetzelfde jaar [TM 814632] de overwinning toeschrijft aan meerdere goden. Ondanks de uiteindelijke zege lieten de Galaten toch een trauma achter in het Griekse collectieve geheugen, een trauma dat de bekende Griekse historicus Angelos Chaniotis (in zijn Age of Conquests) zelfs vergelijkt met de shock van 9/11 in de westerse wereld. De Keltische invasie was zo ernstig dat een vergelijking met de Perzische invasies voor de Grieken zeker gerechtvaardigd was. Volgens Pausanias stond ditmaal niet enkel de vrijheid op het spel, maar zelfs het voortbestaan van de Griekse wereld:

ἑώρων δὲ τὸν ἐν τῷ παρόντι ἀγῶνα οὐχ ὑπὲρ ἐλευθερίας γενησόμενον, καθὰ ἐπὶ τοῦ Μήδου ποτέ, οὐδὲ δοῦσιν ὕδωρ καὶ γῆν τὰ ἀπὸ τούτου σφίσιν ἄδειαν φέροντα … ὡς οὖν ἀπολωλέναι δέον ἢ δ᾽ οὖν ἐπικρατεστέρους εἶναι, κατ᾽ ἄνδρα τε ἰδίᾳ καὶ αἱ πόλεις διέκειντο ἐν κοινῷ.

Ze realiseerden zich dat de strijd die hen te wachten stond er niet een voor vrijheid zou zijn, zoals toen ze tegen de Perzen vochten, en dat water en aarde aanbieden hen geen veiligheid zou brengen…  Dus was elke man en elke stadstaat ervan overtuigd dat ze oftewel moesten overwinnen, oftewel ten onder gaan.” (Paus. 10.19.12)

De vergelijking moet haast vanzelfsprekend zijn geweest, niet in het minst omdat de Thermopylae wederom een centraal strijdperk werden. Verder vond Pausanias de schilden van beide volkeren opvallend gelijkend en zag hij parallellen tussen de Galatische cavalerie en de Onsterfelijken, de vermaarde Perzische elitekrijgsmacht. (Pausanias 10.19.4)

De Aetoliërs maakten handig gebruik van deze associatie. Zo plaatsten ze de buitgemaakte Galatische wapenuitrustingen naast die van de Perzen in de tempel van Apollo in Delphi. Dit was een berekende propagandistische truc: dit heiligdom was een van de belangrijkste religieuze centra in de Griekse wereld, waar om de vier jaar vertegenwoordigers van de meeste stadstaten samenkwamen om deel te nemen aan de Pythische Spelen. Bijgevolg konden de Aetoliërs handig hun cruciale rol in de overwinning aan de gehele Helleense wereld meedelen en in herinnering houden.

Tetradrachme van de Aetolische Bond met op de keerzijde (rechts) Aitolos, de personificatie van de Bond, gezeten op typische Galatische schilden, c. 239-229 v.C.

Ze gingen in Delphi hun rol ook op andere manieren in de verf zetten. Zo was er een standbeeld van de personificatie van Aetolië die gezeten was boven een stapel van Keltische wapenuitrustingen. Dit standbeeld kwam ook voor op de munten van de Aetolische Bond. Daarnaast was er de Portico van de Aetoliërs, een van de grootste bouwwerken te Delphi, waar een inscriptie de schenking van Keltische wapenuitrustingen herdacht. De boodschap was helder: net zoals de Atheners destijds bij Marathon en Salamis de Griekse beschaving tegen barbarij hadden beschermd, zo hadden de Aetoliërs eenzelfde dienst bewezen aan de Helleense wereld en dit verdiende respect en erkenning.

De Aetoliërs lijken zich haast uit te roepen tot de nieuwe beschermers van Griekenland en de leidersrol van Athene op te eisen. Ze hervormden zelfs rond 246 v.C. het jaarlijkse Soteria-festival in Delphi ter ere van Zeus tot een vijfjaarlijks, maar grootser gebeuren dat meer in het teken van de Aetoliërs en hun militaire heldendaden stond (zie SIG3 402 [TM 815238]). Opvallend is hoe ze zelfs de rol van de goden begonnen te minimaliseren om de aandacht meer naar zich toe te trekken. Dit alles negeerde natuurlijk volledig de bijdrage van de Griekse stadstaten, maar dat interesseerde hen niet. Er stond immers veel op het spel.

De geopolitieke voordelen van de Galatische overwinning

Na de Galatische episode traden steeds meer leden van de Aetolische Bond toe tot de Amphictionie van Delphi, een zeer oude religieuze vereniging die instond voor de veiligheid van Delphi. Diens leden hadden het recht om stadstaten te straffen die het heiligdom schonden. Deze straf nam soms de vorm aan van een “heilige oorlog” waarbij de leden militair samenwerkten tegen de agressor.

Tegen het einde van de jaren 250 v.C. had de Aetolische Bond al negen stemmen – van de 24 – in de raad van de Amphictionie. Dankbaarheid kan een rol hebben gespeeld bij de geleidelijke toelating van de Aetoliërs, maar politieke druk moet de doorslaggevende factor zijn geweest. De Aetolische Bond groeide namelijk in de 3de eeuw v.C. uit tot de grootmacht van Centraal- en West-Griekenland. Ze begonnen zich zelfs te moeien met Egeïsche en Peloponnesische aangelegenheden. Mettertijd versterkte dus ook hun greep op Delphi, dat in de naburige regio Phocis lag. De anti-Galatische propaganda kon deze controle over het heiligdom, evenals hun positie in Griekenland, handig legitimeren.

Inscriptie op de Portico van de Aetoliërs in Delphi die de buitmaking van de Galatische schilden commemoreert

De ideologische voordelen van de Galatische overwinning

De inzet van de Aetolische propaganda ging echter verder dan loutere zelfverheerlijking en legitimatie van hun geopolitieke situatie. Wanneer we de culturele context rond de Aetoliërs erbij betrekken, wordt meteen duidelijker waarom ze zo sterk de nadruk legden op deze overwinning. Het lidmaatschap van de Aetoliërs tot de Helleense beschaving werd namelijk voortdurend in twijfel getrokken. Ze waren volgens de andere stadstaten minder Grieks of zelfs simpelweg barbaren. Zo waren ze niet in polis-verband georganiseerd, maar bestonden ze uit stammen (θνη) die in dorpjes samenleefden.

Bovendien waren ze dikwijls actief als piraten die de zeeën rond Griekenland onveilig maakten. Deze slechte reputatie was volgens de Britse historicus John Grainger (in zijn The League of the Aitolians) al goed gevestigd vooraleer ze zich gingen organiseren in een confederatie in de 4de eeuw v.C. Het feit dat ze een moeilijk verstaanbaar dialect spraken, pleitte ook al niet in hun voordeel. Deze neerbuigende houding vanwege de andere Grieken namen ze allerminst in dank af en ze grepen deze kans om hun “Grieksheid” in het gezicht te duwen van de sceptici. Griekenland had immers haar voortbestaan uitgerekend aan hen te danken.

Vanuit deze optiek kon de toetreding tot de Amphictionie van Delphi hebben gediend als een formalisatie van deze claim. Deze religieuze vereniging kwam samen bij het orakel van Delphi, een van de belangrijkste heiligdommen in de Griekse wereld. Voor de Grieken was hun gedeelde religie een van de belangrijkste expressies van hun culturele eigenheid. Toetreding tot een dergelijke organisatie was daarom een onweerlegbaar bewijs van Griekse identiteit.

Hierbij moet trouwens de Macedonische vorst Philippus II (r. 359-336 v.C.) als model hebben gediend voor de Aetoliërs. Net zoals in het geval van deze West-Grieken was de “Grieksheid” van de Macedoniërs omstreden, en net zoals in het geval van de Aetoliërs was Philippus’ toetreding tot deze Amphictionie een poging om Macedonië op de kaart te zetten als Griekse mogendheid. Net zoals de latere Macedonische overwinning onder leiding van Alexander de Grote (r. 336-323 v.C.) op de Perzische koning Darius III (r. 336–330 v.C.) diende, diende de overwinning op de Galaten om deze claim te bevestigen.

Centraal-Griekenland met Aetolië ten zuiden van Epirus en Thessalië, geklemd tussen Acarnania en Phocis (waar Delphi gelegen is)

Conclusie

De Aetoliërs claimden een centrale rol te hebben gespeeld bij de verdrijving van de Galaten. De invasie van deze Keltische stammen was een ingrijpende gebeurtenis in de 3de eeuw v.C., die een trauma in de Griekse wereld naliet. In hun ogen stond niets minder dan de beschaving op het spel. De bijdrage van de Aetoliërs aan de overwinning kwam deze West-Grieken goed van pas: de politieke invloed van de Aetolische Bond nam in deze periode toe, en het werd tijd om erkenning en respect af te dwingen bij de overige Grieken. Dit was echter geen vanzelfsprekendheid, aangezien de Aetoliërs in het verleden vaak werden bestempeld als barbaren of half-Grieken. Zij wilden eindelijk worden geaccepteerd als volwaardige leden van de Griekse wereld. De overwinning op de Galaten legitimeerde zowel hun aanspraak op deze culturele identiteit als hun stevige greep op Delphi zelf.

De voordelen die dit anti-Galatische narratief bood, gingen niet onopgemerkt voorbij aan andere spelers binnen de Hellenistische wereld. Rond dezelfde periode moesten ook de Hellenistische vorsten aan beide zijden van de Hellespont afrekenen met Galatische invallen. Zij kampten met vergelijkbare legitimiteits- en identiteitsproblemen als de Aetoliërs. Bijgevolg bood de overwinning op deze “barbaren” vergelijkbare ideologische voordelen. Toch zijn er binnen deze propaganda enkele verdere nuances te ontwaren, maar dat is stof voor het volgende deel.

Lees meer

Grainger, J. D., The League of the Aitolians. 1999, Leiden.

Larsen, J., Greek Federal States: Their Institutions and History, 1968, Oxford.

Mitchell, S., Anatolia. Land, Men, and Gods in Asia Minor I. The Celts and the Impact of Roman Rule, 1993, Oxford.

Scholten, J., The Politics of Plunder: Aitolians and their Koinon in the Early Hellenistic Era, 279 – 217 B.C., 2000, Berkeley.

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Marken019AnconaMusArcheo’, afkomstig van een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten – met de typische halsringen en schilden – afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus, vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/feed/ 0 2817
Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/#respond Sun, 05 Jan 2025 18:38:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2658 Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

De fragmenten van Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3e eeuw v.Chr., waarvan slechts delen via latere auteurs zijn overgeleverd, leren ons heel wat biografische gegevens over verschillende Griekse filosofen. Voorbeelden zoals de bigamie van Socrates, de slavernij van Phaedo en Thales’ voorspelling van een olijvenoogst illustreren hoe hij historische verhalen gebruikte om morele en filosofische lessen te benadrukken, hoewel de fragmentarische overlevering uitdagingen biedt voor reconstructie en interpretatie.

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

Slechts een klein deel van klassieke literatuur is volledig bewaard aan ons overgeleverd. De werken van Homerus, Plato en Vergilius zijn uitzonderingen. De werken van quasi alle andere auteurs zijn grotendeels verloren gegaan. Toch kunnen we ons nog steeds een beeld vormen van hun werk dankzij fragmenten die door latere auteurs werden bewaard. Een goed voorbeeld hiervan is Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3de eeuw v.C., dankzij wie er niet alleen mythes, historische en biografische fragmenten over bijvoorbeeld Herakles en Alexander de Grote zijn bewaard, maar ook biografische gegevens van bekende en minder bekende Griekse filosofen.

Literatuur in fragmenten

“Fragmenten” van klassieke literatuur kunnen verschillende vormen aannemen. Soms gaat het om papyri die delen bevatten van een anders verloren geacht werk. Dit noemt men fragmenten uit de directe traditie. Veel vaker zijn fragmenten echter citaten, allusies, samenvattingen en verwijzingen van latere auteurs, bewaard in Middeleeuwse handschriften of papyri. Dit noemen we fragmenten uit de indirecte traditie.

Het onderzoek naar fragmenten uit de indirecte traditie brengt specifieke problemen met zich mee. De auteurs die deze fragmenten aanhalen, hadden meestal niet als doel het werk van antieke auteurs te bewaren, maar gebruikten deze teksten voor hun eigen doeleinden. Ze manipuleerden of veranderden de teksten, soms zelfs door hen te vervalsen. Omdat citaten vaak uit het hoofd werden overgenomen, waren fouten en vergissingen niet ongewoon.

Bovendien beperkten de auteurs zich meestal tot geselecteerde aspecten die hen interesseerden, zonder context of uitleg over het oorspronkelijke doel van de informatie. Daarom vereist de studie van fragmentaire literatuur een grondige analyse van de bronnen, de werkwijze van de auteur en citatiepraktijken om de betrouwbaarheid en selectiecriteria te begrijpen. Dit soort problemen komt vaak voor bij het bestuderen van de Oudgriekse geschiedschrijving en filosofie. Hieronymus van Rhodos biedt een perfect voorbeeld van dit type literatuur.

Oxford Papyrology (2022). P.Oxy. LII 3656
Fragment van P. Oxy. 3656 (een rol uit Oxyrhynchus, een oude Egyptische stad beroemd om de duizenden papyri die daar zijn opgegraven) dateert uit de 2de à 3de eeuw n.C. en bevat een fragment van Hieronymus over een leerlinge van Plato

Het leven en werk van Hieronymus van Rhodos

Buste van Aristoteles, de grondlegger van de peripatetische school, waar Hieronymus toebehoort

Hieronymus van Rhodos was een filosoof die leefde in de 3de eeuw v.C. die behoorde tot de Peripatos, de leerschool opgericht door Aristoteles. Afgezien van een zeventigtal fragmenten is van Hieronymus’ werk niets overgeleverd. Deze fragmenten zijn voornamelijk overgeleverd door auteurs uit latere eeuwen, vooral uit de periode van de Romeinse keizertijd, zoals Plutarchus, Athenaeus en Diogenes Laërtius.

De verzamelde fragmenten van Hieronymus tonen een brede interesse. In deze teksten behandelt hij niet enkel filosofie, maar ook vele andere disciplines, wat kenmerkend is voor de Peripatetische School sinds Aristoteles. Er zijn fragmenten van expliciet filosofisch karakter die zich richten op het identificeren van het “hoogste goed”, terwijl andere zich bezighouden met onderwerpen zoals biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, retorica en geleerdheid. Veel fragmenten bevatten anekdotes over belangrijke figuren uit het verleden, waaronder filosofen, dichters en politici.

De fragmenten van Hieronymus zijn vaak raadselachtig. Bestaande bronnen bieden slechts summiere informatie, waardoor het niet altijd duidelijk is in welke context Hieronymus bepaalde onderwerpen behandelde. Vooral zijn uitgebreid gebruik van anekdotes roept de vraag op welke rol biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

De bigamie van Socrates

Dit manuscript (een pagina uit de codex van Venetië, Biblioteca Nazionale Marciana, Gr. Z 447) bevat de Deipnosophisten van Athenaeus, een werk rijk aan citaten uit verloren werken

Hieronymus is een van de auteurs – samen met Aristoteles en andere peripatetici – die overleveren dat Socrates twee echtgenotes had en dat hij met beiden kinderen verwekte. De historische achtergrond van dit verhaal is moeilijk te achterhalen, aangezien alle bronnen fragmentarisch en tegenstrijdig met elkaar zijn; dit betreft zelfs de identiteit van de twee vrouwen. Ook onder de moderne geleerden zijn de meningen verdeeld: sommigen ontkennen de historische waarde van het verhaal, terwijl anderen er elementen van waarheid in zien.

Het fragment van Hieronymus [nr. 53 in de laatste verzameling, uitgegeven door S.A. White] wordt, mits kleine variaties, aangehaald door Athenaeus en Diogenes Laërtius, beiden auteurs uit de 2de-3de eeuw n.C. Volgens deze bronnen verwees Hieronymus naar een Atheens decreet dat het toestond om met twee vrouwen te trouwen en kinderen met beiden te krijgen met als doel de bevolking te herstellen.

Hieronymus lijkt met dit verhaal een apologie voor Socrates te bieden: hij probeert een ethische en juridische basis te geven aan de bigamie van Socrates, wellicht om hem te verdedigen tegen mogelijke vormen van schandaal. Hoewel het onduidelijk is of dit decreet echt heeft bestaan (in Athene was het altijd toegestaan om kinderen te hebben met een andere vrouw dan de echtgenote), is het zeker dat Hieronymus een positieve houding aannam ten opzichte van Socrates.

‘Socrates, zijn twee vrouwen en Alcibiades’, een schilderij van de Nederlandse schilder Reyer Jacobsz. van Blommendael (1660-1670) waarop zowel Xanthippe als Myrto – een naam overgeleverd door Athenaeus en Diogenes Laërtius – zijn afgebeeld

Slavernij van Phaedo van Elis

Een andere benadering vinden we in een fragment over Phaedo van Elis, een leerling van Socrates [nr. 54 White, via Diogenes Laërtius]. Hier beschuldigt Hieronymus Phaedo ervan een slaaf geweest te zijn. Sommige andere tradities stellen dat Phaedo van nobele afkomst was en tot slaaf werd gemaakt na de val van zijn stad. Hieronymus gebruikte deze informatie mogelijks om Phaedo in diskrediet te brengen als filosoof.

Het fragment is afkomstig uit het werk getiteld Περὶ ἐποχῆς, waar de term epochè verwijst naar de “opschorting van het oordeel”, volgens de terminologie van de sceptische filosofische school. Hoewel het werk verloren is gegaan, is het aannemelijk dat Hieronymus zich daarin tegen het scepticisme uitsprak. Phaedo kan genoemd zijn vanwege zijn connectie met Pyrrho van Elis, de grondlegger van het antieke scepticisme. Dit fragment laat zien hoe biografische elementen geïntegreerd konden worden in filosofische werken. Misschien werd ook het fragment over de bigamie van Socrates in deze context aangehaald?

Thales en de olijven

De filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïek

Hieronymus vermeldt ook een anekdote over Thales van Milete [nr. 47 White, via Diogenes Laërtius]. Thales voorspelde een overvloedige olijvenoogst door gebruik te maken van zijn astronomische kennis. Bijgevolg huurde hij voor een lage prijs alle olijfpersen in de regio en maakte hier later een fortuin mee. De anekdote draagt een duidelijke morele boodschap over het nut van filosofie en wetenschap. Het verhaal werd mogelijk verzonnen als weerwoord tegen het idee dat filosofie nutteloos zou zijn. Thales blijkt ook de hoofdpersoon te zijn in een andere anekdote die door Plato wordt overgeleverd. In deze anekdote was Thales zo begeesterd met het observeren van de hemel dat hij tijdens het wandelen in een put viel en zichzelf dusdanig belachelijk maakte dat zelfs een Thracische slavin in de buurt haar lach niet kon bedwingen.

Het fragment van Hieronymus is afkomstig uit een werk getiteld Τά σποράδην ὑπομνήματα (Losse aantekeningen). Dit lijkt geen strikt filosofisch traktaat te zijn, maar eerder een verzameling diverse materialen, waaronder anekdotes over filosofen.

Pericles en de pedagogen

Buste van Perikles, protagonist van een anekdote geciteerd door Hieronymus

Pericles komt voor in een anekdote over onderwijs [nr. 31 White, overgeleverd in een Middeleeuwse bloemlezing]. Hieronymus benadrukt het belang van het zorgvuldig kiezen van pedagogen (de leraren voor kinderen van gegoede afkomst), een taak die vaak zonder zorg werd uitgevoerd. Hij bekritiseert vooral de gewoonte om niet-Griekse pedagogen in te huren, wat – naar zijn mening – negatieve gevolgen had voor de ethische en taalkundige vorming van kinderen. In deze context citeert hij een geestige opmerking van Perikles. Toen de Atheense strateeg een slaaf uit een olijfboom zag vallen en zijn been breken, riep hij spottend uit:

“Daar is weer een nieuwe pedagoog voor onze kinderen!”

Conclusie

Dit citaat maakt duidelijk dat Hieronymus de gewoonte had om anekdotes te gebruiken in theoretische contexten. We kunnen waarschijnlijk aannemen dat ook zijn andere anekdotes op gelijkaardige wijze tot stand kwamen. Helaas is in de meeste gevallen de oorspronkelijke context volledig verloren gegaan en kunnen we deze alleen hypothetisch reconstrueren. De auteurs die de fragmenten hebben overgeleverd waren vaak meer geïnteresseerd in anekdotes en biografische verhalen dan in de speculatieve onderdelen van de werken. Maar dankzij de vergelijking tussen Hieronymus’ verschillende fragmenten en de studie van andere bronnen over dezelfde zaken, is het nog steeds mogelijk een idee te krijgen van Hieronymus’ werk en de rol die biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

Verder lezen

Steven A. White heeft de testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos verzameld, in het Engels vertaald en van commentaar voorzien in W.W. Fortenbaugh en S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion (New Brunswick, New Jersey/Londen: Transaction, 2004). Hetzelfde volume bevat enkele essays over belangrijke aspecten van de biografie, het werk en de filosofie van Hieronymus.

Over de bigamie van Socrates biedt Jules Labarbe’s artikel “Les compagnes de Socrate” (L’Antiquité Classique, 67, 1998) interessante inzichten.

Coverafbeelding: Adaptatie van Rafaëls ‘De school van Athene’ (1509-1511), waarbij Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren vanop Wikimedia (PD)

[Deze tekst is oorspronkelijk geschreven in het Italiaans. De vertaling naar het Nederlands is uitgevoerd met de hulp van ChatGPT. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/feed/ 0 2658
Οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος: Alexander de Grote in enkele moderne liedjesteksten https://www.oudegeschiedenis.be/25/03/2020/%ce%bf%e1%bd%90%ce%b4%e1%bd%b2-%e1%bc%90%ce%bd-%ce%bc%ce%ad%ce%bb%ce%b5%ce%b9-%e1%be%94%cf%83%ce%b8%ce%b7-%e1%bc%80%ce%bb%ce%ad%ce%be%ce%b1%ce%bd%ce%b4%cf%81%ce%bf%cf%82-alexander-de-grote-in-enkele/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/03/2020/%ce%bf%e1%bd%90%ce%b4%e1%bd%b2-%e1%bc%90%ce%bd-%ce%bc%ce%ad%ce%bb%ce%b5%ce%b9-%e1%be%94%cf%83%ce%b8%ce%b7-%e1%bc%80%ce%bb%ce%ad%ce%be%ce%b1%ce%bd%ce%b4%cf%81%ce%bf%cf%82-alexander-de-grote-in-enkele/#respond Wed, 25 Mar 2020 14:57:22 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1052 Alexander de Grote in moderne liedjesteksten

De uitspraak (van Arrianus) als zou Alexander niet bezongen worden in liederen is vandaag achterhaald: in de moderne muziek zijn er vrij veel sporen terug te vinden van Alexander de Grote, gaande van een terloopse vermelding tot hele nummers die over hem gaan. Wij bieden hier een kleine greep uit het aanbod.

Het bericht Οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος: Alexander de Grote in enkele moderne liedjesteksten van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Alexander de Grote in moderne liedjesteksten

De titel van dit stukje is ontleend aan een uitspraak van de Griekse historicus Lucius Flavius Arrianus (89? – na 145/146 n.C.), die in zijn Anabasis Alexandri (I, 12, 2) de volgende uitspraak doet:

[…] οὐδὲ ἐξηνέχθη ἐς ἀνθρώπους τὰ Ἀλεξάνδρου ἔργα ἐπαξίως, οὔτ᾽ οὖν καταλογάδην, οὔτε τις ἐν μέτρῳ ἐποίησεν: ἀλλ᾽ οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος […]
[…] en de daden van Alexander werden niet op een passende manier bekendgemaakt bij de mensen, in proza noch in verzen vertelde iemand erover: Alexander werd zelfs niet in een lied bezongen […]

In deze passage zet Arrianus eigenlijk de reden uiteen waarom hij schrijft over Alexander de Grote: volgens hem zijn diens daden nog niet goed in een historisch werk besproken. Hij laat Alexander zichzelf ook vergelijken met Achilles, die gelukkig Homerus had om beroemd te worden. Het spreekt voor zich dat Arrianus graag de rol van Homerus vervult voor Alexander. De uitspraak als zou Alexander niet bezongen worden in liederen is vandaag achterhaald: in de moderne muziek zijn er vrij veel sporen terug te vinden van Alexander de Grote, gaande van een terloopse vermelding tot hele nummers die over hem gaan. Een kleine greep uit het aanbod:

Vermeldingen

1. Rock en metal

In de rockmuziek wordt Alexander vermeld in het nummer Hush Hush Hush van Paula Cole uit 1996. Het werd gecoverd door Annie Lennox op het album Possibilities van jazzmuzikant Herbie Hancock uit 2005. Het nummer gaat over een jongeman die sterft aan aids:

Cruel joke you waited so long to show
The one that you wanted wasn’t a girl
All your life you kept it hidden inside
Now when you step
You stumble
You die

In de volgende strofe wordt een vergelijking gemaakt met twee verschillende historische figuren:

Oh maybe next time
You’ll be Henry the 8th
Wake up tomorrow, Alexander the Great
Open your eyes in a new life again
Oh maybe next time
You’ll be given a chance (Lyrics.com)

Hendrik VIII, die naast zijn huwelijken met achtereenvolgens Catharina van Aragon, Anna Boleyn, Jane Seymour, Anna van Kleef, Catharina Howard en Catharina Parr ook de tijd vond om zich bezig te houden met een aantal maîtresses, wordt hier als prototype van de heteroseksuele man genomen. Alexander de Grote wordt hier als tegenpool gebruikt: hoewel de huidige problematiek rond homorechten de oude Grieken totaal vreemd was en Alexander tegelijk getrouwd was met drie oosterse prinsessen en een bastaardzoon had bij een minnares, wordt in deze tekst toch vooral gedacht aan de relatie die Alexander waarschijnlijk had met zijn vriend Hephaistion.

Een andere, meer terloopse vermelding van Alexander de Grote vinden we in het nummer Circus of Heaven uit 1978, van de Engelse rockband Yes. In het nummer, waarin een reeks visioenen beschreven wordt, komt op een bepaald moment de Oudheid in beeld:

Then there above their heads just as vivid as life
Each vision transported multitudes inventing light
Grecian galleons, the sack of Troy, to the Gardens of Babylon
A play of millions roared along
The gigantic dreams of Alexander the Great
Civil wars where brothers fought and killed their friendship with hate
All seen by Zeus performing scenes in the magical way
The day the circus came to town
(Lyrics.com)

Alexander wordt hier vooral vernoemd omwille van zijn veroveringen en zijn ambitie het Westen en het Oosten in één rijk samen te brengen. Hij is bovendien de enige historische figuur die in deze strofe bij naam wordt genoemd.

Een laatste vermelding van Alexander de Grote in de rockmuziek is te vinden in Mine van de Australische band Hoodoo Gurus uit 1996.

I want for nothing,
Yeah, I got it all.
I’m a superhuman
And I’m ten feet tall.
I’m truly perfect
In every way
And, like Alexander,
I feel great!
(Lyrics.com)

Hier wordt vooral gespeeld met de bijnaam The Great, een fenomeen dat ook nog zal opduiken in de rap- en hiphopmuziek. (cf. infra)

Voor de fans van het iets zwaardere werk is er in deze categorie Alice Cooper. In You’re a Movie uit 1981 worden pretentieuze gedachten van een legeraanvoerder verwoord. De eerste strofe gaat als volgt:

I fearlessly walk into battle
With a shine on my boots and my teeth
Never flinch, never blink, never rattle
My blood is like ice underneath
Oh, I’m the reincarnation of Patton
And I’ve got Hannibal’s heart in my chest
God told me I would have rivalled
Alexander the Great at his best
(Lyrics.com)

Alexander wordt hier genoemd in een rijtje van drie grote namen. Hoewel hij als derde genoemd wordt, is de volgorde climactisch en lijkt hij dus de nummer één boven Patton en Hannibal.

 

2. Folk

Ook in de folkmuziek heeft Alexander een kleine plaats gekregen en niet bij de minste artiest: Woody Guthrie, één van de invloedrijkste exponenten van het genre, heeft het over hem in The Many and the Few, een nummer uit de jaren 40 dat pas in 1999 werd uitgebracht. Het heeft de Joodse geschiedenis en vooral de opeenvolgende onderdrukkers (de “Few” uit de titel) van de Joden (de “Many”) als thema. Ook Alexander de Grote passeert de revue:

My name is Alexander the Great
More than half of this wide world is mine
Come stand around, my servants all
I’m wrapped on my bed here to die

Ook hier wordt Alexander gepresenteerd als de grote veroveraar, hoewel hij hier niet echt positief in beeld lijkt te komen, in een rijtje onderdrukkers van het Joodse volk. Toch brengt hij het er vanuit een Joods oogpunt beter van af dan Antiochus IV Epiphanes (ca. 215 – 164 v.C.), over wie de volgende strofe luidt:

As the King of Syria and Palestine
Antiochus the Fourth, you’ll stand
To kill the Jews if they refuse
To worship our idols and gods
(Lyrics.com)

Een ander folknummer waarin Alexander in verband gebracht wordt met een grote veldheer uit een recenter verleden dan de Oudheid, is Bony on the Isle of St. Helena van de Amerikaanse folkband Uncle Earl. Het nummer gaat over de heimwee van de naar Sint-Helena verbannen Napoleon Bonaparte (de “Bony” uit de titel) en verscheen in 2007 niet toevallig op hun album Waterloo, Tennessee, samen met een nummer over hetzelfde thema dat de titel Buonaparte meekreeg. In Bony on the Isle of St. Helena wordt Napoleon vergeleken met die andere grote veldheer uit het verleden, Alexander:

No more in St. Cloud he’ll be seen in such splendor.
Or go on with his wars like the great Alexander.
He sees his victories and how fleeting they all were.
While his eyes are on the waves that surround St. Helena.
(Metrolyrics.com)

 

3. Rap en hiphop

Alexander krijgt opvallend veel vermeldingen in een genre waarin we dat misschien minder zouden verwachten, namelijk de hiphopmuziek. Een aantal passages werken de vermelding verder uit, anderen zijn dan weer puur gericht op het laten vallen van de naam, soms zelfs bijna alleen om het rijm te doen kloppen of puur omwille van de klank.

Een eerste tekst waarin de vermelding van Alexander nog wat uitgewerkt wordt, is I Can van Nas, uit 2003. In het nummer, waarin “Don’t do drugs, stay in school” de voornaamste boodschap aan zwarte jongeren is, wordt in een kort historisch overzichtje geschetst hoe het zover is kunnen komen met de Amerikaanse zwarte jeugd:

Be, be, ‘fore we came to this country
We were kings and queens, never porch monkeys
It was empires in Africa called Kush
Timbuktu, where every race came to get books
To learn from black teachers who taught Greeks and Romans
Asian Arabs and gave them gold when
Gold was converted to money it all changed
Money then became empowerment for Europeans
The Persian military invaded
They learned about the gold, the teachings and everything sacred
Africa was almost robbed naked
Slavery was money, so they began making slave ships
Egypt was the place that Alexander the Great went
He was so shocked at the mountains with black faces
Shot up they nose to impose what basically
Still goes on today, you see?
(Lyrics.com)

Ook hier wordt Alexander neergezet als een onderdrukker. De ironie wil dat hij in Egypte eigenlijk ontvangen werd als de man die Egypte bevrijdde van het Perzische juk, dus dit beeld klopt niet, maar past wel in het plaatje van blanke onderdrukking dat Nas wil schetsen.

Een vermelding van Alexander de Grote vinden we ook bij de bij ons onbekende Ierse rapper Rejjie Snow. In het nummer Pink Flower uit 2017, dat gaat over zijn moeilijke jeugd, is de vermelding van Alexander de Grote niet toevallig, aangezien Snows echte naam Alexander Anyaegbunam is. Dat het over hemzelf gaat, lijdt geen twijfel, want hij vermeldt in één adem ook zijn geboortedatum:

I was born with a vision, Alexander the Great
And that fake love creeping like the cancer I born
June 27th, 1993, I came on
With them black fists high and them blisters in it
(Lyrics.com)

Een meer uitgewerkte en inhoudelijk relevantere vermelding van onze bekendste Macedonische koning vinden we in Chase That (Ambition) van de Amerikaanse rapper Lecrae uit 2011. In een nummer dat gaat over de ijdelheid van zijn eigen ambitie vergelijkt hij zijn eigen veroveringsdrang met die van Alexander de Grote:

All I wanted was doom.
The same kind Alexander the Great felt when the earth ran out of room.
He conquered all he could, but yet he’s feelin’ consumed.
By this neverending quest for glory he couldn’t fuel.

Op het einde van het nummer vergelijkt hij dat ijdel najagen van eigen glorie zelfs met de val van Lucifer:

But history repeats itself, evil’s what it is.
‘Cause Lucifer was cast away for doing what I did.
Created by the God who spoke the earth into existence,
Instead of chasing the Father’s glory, he was chasin’ his.
(Lyrics.com)

Nog steeds in het hiphopgenre zijn er nog een paar meer uitgewerkte verwijzingen naar Alexander de Grote te vinden, telkens met een andere focus. In Nature of the Threat uit 1996 schildert de Amerikaanse rapper Ras Kass een overzicht van de menselijke geschiedenis vanaf ongeveer 20.000 v.C. tot vandaag in een nummer dat bijna 8 minuten duurt. Hij kadert deze geschiedenis, die qua realia overigens vrij accuraat en de moeite van het beluisteren of zelfs lezen waard is, in een bredere visie waarin de onderdrukking van zwarten centraal staat. Ook Alexander de Grote passeert in die zin de revue:

The Hellenistic Era, Alexander the Great
Conquers all the way to India leavin’ four successor states
By the Fifth century B.C., R.O.M.E
Succeeds to be the conqueror of Egypt and Greece
(Genius.com)

De “four successor states” waarvan sprake zijn uiteraard de delen waarin Alexanders rijk uiteenviel toen hij stierf en die in handen vielen van verschillende van zijn generaals, namelijk Egypte, Hellas, Thracië en het Perzische Rijk. Er is hier sprake van vier staten, maar de onderstaande kaart toont dat de geopolitieke situatie in de Oudheid complexer was dan Ras Kass in het korte bestek van zijn tekst laat uitschijnen.

Kaart van de diadochenrijken (300 v.C.)

Ook een hiphopgroep waarmee Ras Kass al samenwerkingen aanging, Jedi Mind Tricks, bestaande uit rappers Vinnie Paz en Jus Allah en dj/producer DJ Kwestion, heeft een nummer waarin Alexander de Grote een vermelding krijgt. Het nummer Saviorself begint immers met deze regels:

Yeah, I built with Alexander the Great
He told the Persians they should stay gone
Then he told me about the Oracle of Amon
He gave me no clue, where it is (Genius.com)

In deze paar regels wordt melding gemaakt van het feit dat Alexander de Perzische overheersing van Egypte beëindigde. Bovendien wordt er ook verwezen naar zijn bezoek aan het orakel van Zeus-Amon vlakbij de Siwa-oase. Alexander bracht in 332 v.C. een bezoek aan dit orakel na zijn verovering van Egypte. Daar werd hij naar verluidt door de lokale priester verwelkomd in het Grieks. De priester wou hem aanspreken met ὦ παιδίον, “mijn zoon”, maar hij zou er ὦ παῖ Διός, “zoon van Zeus” van gemaakt hebben. Alexander zou dit dan opgevat hebben als een goddelijk teken dat hij van goddelijke afkomst was.

Een aantal andere vermeldingen van Alexander in de hiphopmuziek zijn zeer terloops, vaak beperkt tot de naam, zonder dat er echt een inhoudelijke functie te bespeuren valt, waarschijnlijk onder invloed van het nogal associatieve karakter van rapmuziek. We zetten ze hier op een rijtje:

Fu-Schnickens – La Schmoove (1992)

Not Alexander but considered to be Great
Great, but, like the Grape Ape
(Lyrics.com)

E-40 – The Element of Surprise (1998):

Buying yellow clusters instead of counterfeit dope
Alexander the Great, macadamia nut, chief rockin’ soap
No rebate, no refunds
(Lyrics.com)

Flipmode Squad (een rapperscollectief met onder anderen Rampage) – Run for Cover (1998):

Rampage Alexander the Great (Lyrics.com)

Chico & CoolwaddaWild ‘n tha West (2001):

I’m Alexander the Great 38 (Lyrics.com)

Raekwon – Robbery (2003):

They call me Alexander Sean the Great
‘cause ya bitch said she love the way the dick talk all in the cake
 (Lyrics.com)

Andre Nickatina & Equipto – Rap Candy Bars (2006):

Alexander the Grape, section eight (Genius.com)

Nummers over Alexander de Grote

Naast vermeldingen in nummers met een ander of breder thema, zijn er ook nummers die in hun geheel gewijd zijn aan Alexander de Grote. Een korte zoektocht leverde een tiental nummers op, waarvan we hier een overzicht geven. Alle nummers dragen als titel Alexander the Great.

1. Iron Maiden (1986)

Het bekendste nummer in deze serie, zeker bij metalheads, is Alexander the Great van de Britse metalband Iron Maiden. Overigens zijn is de metalmuziek het ruimst bedeeld met volledige nummers over Alexander de Grote: ook de Belgische powermetalband Iron Mask (met Alexander the Great), de Amerikaanse deathmetallers van Nile (met Iskander D’hul Karnon) en het Oostenrijkse Serenity, dat zich toelegt op het genre van de symfonisch powermetal (met Age of Glory) hebben een nummer aan Alexander de Grote gewijd. In dit bestek zou een volledige bespreking van al deze teksten echter te veel ruimte in beslag nemen, maar dit wordt zeker nog vervolgd. We concentreren ons daarom op het nummer van Iron Maiden. We laten hier de volledige tekst volgen, met per deel een korte bespreking.

My son ask for thyself another Kingdom, for that which I leave is too small for thee

Dit is een bijna letterlijke vertaling van de woorden die Philippus II van Macedonië tot zijn zoon gezegd zou hebben volgens ‘Het leven van Alexander’ van Plutarchus van Chaeronea (ca. 46 – ca. 120 n.C.), die het zesde kapittel van dat werk, dat gaat over hoe Alexander het paard Bucephalus temt, afsluit met deze woorden: “ὦ παῖ” φάναι, “ζήτει σεαυτῷ βασιλείαν ἴσην· Μακεδονία γάρ σ’ οὐ χωρεῖ.”  “Mijn zoon,” zei hij, “zoek voor jezelf eenzelfde koninkrijk, want Macedonië heeft niet genoeg plaats voor jou.”

Near to the east
In a part of ancient Greece
In an ancient land called Macedonia
Was born a son
To Philip of Macedon
The legend his name was Alexander

In deze strofe worden de antieke en de moderne geopolitieke toestand met elkaar vermengd: Macedonië was in de Oudheid geen deel van Griekenland, omdat Griekenland om te beginnen geen politieke eenheid was. Het huidige Macedonië ligt iets noordelijker dan het antieke Macedonië, dat grotendeels overeenkomt met de huidige Griekse provincie Macedonië. In die zin is Macedonië dus wel een deel van Griekenland. De strijd om de naam “Macedonië” sleept al lang aan en het feit dat het antieke Macedonië voor het grootste deel in de huidige Griekse provincie ligt en niet in het land Macedonië, is één van de voornaamste argumenten van de Grieken om de naam Macedonië niet te erkennen. Pas begin 2019 kwam er (nipt) een compromis om het buurland van Griekenland de naam Noord-Macedonië te laten dragen.

At the age of nineteen
He became the Macedon King
And he swore to free all of Asia Minor

Alexander werd inderdaad op zijn negentiende koning van Macedonië, na de nogal verdachte dood van zijn vader. Hij zette de voorbereiding van de militaire campagne tegen het Perzische rijk, die begonnen was door zijn vader, verder.

By the Aegean Sea
In 334 B.C.
He utterly beat the armies of Persia

Dit was in de Slag bij de Granikosrivier, die inderdaad in 334 v.C. plaatsvond. De grote nederlaag voor de Perzen die hier vermeld wordt, lijkt eerder te wijzen naar de Slag bij Issos. Beide veldslagen lijken hier te zijn samengenomen. Hierna volgt het refrein:

Alexander the Great
His name struck fear into hearts of men
Alexander the Great
Became a legend ‘mongst mortal men

Na dit refrein volgt een strofe waarin de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen:

King Darius the third
Defeated fled Persia

Volgens Arrianus vluchtte Darius inderdaad halsoverkop van het slagveld weg, met achterlating van zijn mantel, schild, vrouw en kinderen. Symbolisch laat hij dus achtereenvolgens zijn koninklijke waardigheid, militaire eer en de toekomst van zijn koningshuis achter. Het achterlaten van een schild moet overigens niet onderschat worden, want in Griekse ogen was dit een grote schande, zoals blijkt uit een fameuze uitspraak van een Spartaanse moeder tot haar zoon: ἢ τὰν ἢ ἐπὶ τᾶς, “[keer terug] ofwel met je [schild] ofwel op je [schild]” en een scandaleus epigram van de huurling-dichter Archilochos van Paros:

ἀσπίδι μὲν Σαΐων τις ἀγάλλεται, ἣν παρὰ θάμνωι,
ἔντος ἀμώμητον, κάλλιπον οὐκ ἐθέλων·
αὐτὸν δ’ ἐξεσάωσα. τί μοι μέλει ἀσπὶς ἐκείνη;
ἐρρέτω· ἐξαῦτις κτήσομαι οὐ κακίω.

Een of andere Saiër verheugt zich met mijn schild, dat ik bij een bosje
tegen mijn zin achterliet, een schitterend wapen.
Ik heb mezelf gered. Wat kan dat schild me schelen?
Naar de maan ermee: ik zal er opnieuw een kopen, niet slechter [dan het vorige].

Het epigram is naar Griekse normen scandaleus omdat de dichter er ronduit voor uitkomt dat hij zijn eigen hachje gered heeft en daarvoor zijn schild moest achterlaten. Hij gaat zelfs nog een stap verder door zich af te vragen “wat dat schild hem interesseert” en er dan ἐρρέτω (“foert” of vrijer maar dichter bij de bedoelde betekenisnuance: “fuck it“) aan toe te voegen.

The Scythians fell by the river Jaxartes

Alexander versloeg de Scythen inderdaad bij de Jaxartes, nu de Syr Darja, in 329 v.C. De slag vond waarschijnlijk plaats vlakbij Tasjkent, de huidige hoofdstad van Oezbekistan, op een plaats waar de grenzen van Oezbekistan, Tadzjikistan, Kirgizië en Kazachstan elkaar raken.

Then Egypt fell to the Macedon King as well

Dit gebeurde in 332 v.C. Alexander zorgde er op die manier voor dat Egypte niet meer onder Perzisch gezag viel. De chronologische volgorde van de verschillende veldslagen wordt in het nummer dus niet gerespecteerd. Alexanders generaal Ptolemaios werd na de dood van Alexander in 323 v.C. satraap van Egypte en zou dat blijven tot hij zichzelf in 304 v.C. tot farao van Egypte uitriep. Daarmee stichtte hij de naar hem genoemde Ptolemeïsche dynastie die de laatste en langst regerende dynastie van farao’s zou zijn, totdat de laatste farao, Cleopatra VII – u weet wel, dé Cleopatra-  in 31 v.C. door Octavianus, de latere keizer Augustus, verslagen werd bij Actium en in de nasleep van de zeeslag zelfmoord pleegde.

And he founded the city called Alexandria

Alexander stichtte inderdaad deze stad in de Nijldelta, maar hij stichtte ook vele gelijknamige steden verspreid over het enorme rijk dat hij in zijn leven veroverde. Het Egyptische Alexandrië is echter het bekendste, mede door zijn legendarische bibliotheek.

By the Tigris river
He met King Darius again
And crushed him again in the battle of Arbela

De Slag bij Arbela, beter bekend als de Slag bij Gaugamela, was de definitieve genadeklap voor Darius III en vond plaats in 331 v.C.

Entering Babylon
And Susa, treasures he found
Took Persepolis the capital of Persia

Babylon, Susa en Persepolis waren residentiesteden van de Perzische koningen, die met hun hof tussen deze steden rondtrokken. Dit had het voordeel dat de koning, die in Perzië een absolute heerser was in de meest letterlijke betekenis van het woord, op verschillende momenten dicht bij de verschillende delen van zijn enorme rijk was en zo sneller bereikt kon worden voor dringende berichten.

Hierna volgt opnieuw het refrein en een volgende strofe:

A Phrygian King had bound a chariot yoke
And Alexander cut the ‘Gordian knot’
And legend said that who untied the knot
He would become the master of Asia

Deze beschrijving klopt: in Gordium hakte Alexander de later spreekwoordelijk geworden Gordiaanse knoop door, die door de Frygische koning Midas ter ere van zijn vader Gordias rond de disselboom van een strijdwagen was gebonden.

Hellenism he spread far and wide
The Macedonian learned mind
Their culture was a western way of life
He paved the way for Christianity

Deze thesen zijn overtrokken, maar hebben wel degelijk een zekere basis. Alexander legde met zijn veroveringen de basis voor wat men later het hellenisme zou noemen, een bloeiperiode voor Griekse literatuur en wetenschap die we vooral kennen uit Alexandrië, met zijn bibliotheek en de rijke literaire en wetenschappelijke erfenis die die naliet. “The Macedonian learned mind” was dan ook eerder een “Alexandrian learned mind” die grotendeels dateert van de regeerperiode van de Ptolemaeën, Alexanders opvolgers in Egypte. Om te stellen dat hun cultuur een “western way of life” was, is echter een stap te ver: de dominante taal van de hoge cultuur werd inderdaad het (westerse) Grieks, maar dat wil niet zeggen dat lokale culturen onderdrukt of uitgeroeid werden, integendeel zelfs. Het feit dat Grieks over een enorm territorium de lingua franca werd en zelfs dominant bleef tegenover het Latijn na de Romeinse veroveringen in het Oosten, legde in zekere zin de basis voor het christendom. Veel mensen kenden immers wat Grieks en het is dan ook geen toeval dat het Nieuwe Testament in het Grieks geschreven werd om zoveel mogelijk mensen te bereiken met de Blijde Boodschap. Volledige Latijnse vertalingen werden pas ondernomen in een periode waarin de kennis van het Grieks in het Westen van het Romeinse Rijk begon te tanen.

Marching on, marching on
The battle weary marching side by side
Alexander’s army line by line
They wouldn’t follow him to India
Tired of the combat, pain and the glory

Als het van Alexander zelf had afgehangen, zouden zijn veroveringen niet gestopt zijn aan de Indus. Zijn leger, dat hem trouw gevolgd had sinds het begin, wilde echter niet meer mee. Hij moest zich dus noodgedwongen gaan bezighouden met het organiseren van het enorme rijk dat hij veroverd had.

Alexander the Great
His name struck fear into hearts of men
Alexander the Great
He died of fever in Babylon

Alexander stierf inderdaad in Babylon na een korte ziekte met koortsverschijnselen. Dit gebeurde naar verluidt niet lang nadat hij in de rivier was gaan baden en mogelijk was er een oorzakelijk verband tussen dit bad en zijn overlijden. Het is echter moeilijk om op basis van de antieke bronnen de exacte ziekte te bepalen waaraan hij overleed, een probleem dat wel vaker opduikt bij pathologische beschrijvingen in de Oudheid. De beschrijving van de pest in Athene bij Thucydides is een notoire uitzondering op die regel.

Andere nummers, met dezelfde titel Alexander the Great, zijn van de volgende artiesten. Ondanks herhaalde pogingen kon de auteur van dit stukje echter niet aan de teksten ervoor komen. Alle hulp hierbij is dan ook welkom. We zetten de uitvoerders even op een rijtje:

  • Strawbs (1996)
  • Aegean Voices (1996)
  • Greg Osby en Joe Lovano (1999)
  • Manos Hadjikakis (1999)
  • Bond (2000)
  • Vinnie Moore (2001)
  • Saxophone Summit (2004)
  • Manowar (2004)
  • Holy Family (2015)

2. Caetano Veloso (1998)

Voor de aardigheid geven we ook nog”Alexandre” mee, van de Braziliaanse artiest Caetano Veloso. Het nummer verscheen op zijn album ‘Livro‘ uit 1998. Deze muziek behoort tot het genre van de MBP, wat staat voor Música popular brasileira, een mix van typisch Braziliaanse muziekstijlen zoals samba en baião, gecombineerd met niet-Braziliaanse jazz-, rock- en andere invloeden. We laten hier de Portugese tekst volgen. Net zoals het nummer van Iron Maiden gaat het ook hier over een soort modern “chanson de geste”. Veel elementen komen aan bod: het temmen van Bucephalus (Ele escolheu seu cavalo Por parecer indomável // E pôs-lhe o nome Bucéfalo ao domina-lo), het feit dat Aristoteles Alexanders leraar was (Ele ensinou o jovem Alexandre a sentir filosofia), de relatie met Hephaistion (compleet met de vaak gemaakte vergelijking met Patroklos), de slag bij Chaeronea, waarin Alexander de cavalerie leidde en een ongeziene slachting aanrichtte in de rangen van de Thebaanse Heilige Schare (Na grande batalha de Queronéia, Alexandre destruía // A esquadra Sagrada de Tebas, chamada e Invencível), zijn kroning op twintigjarige leeftijd en zijn vroegtijdige dood. Één beschouwing vat een genuanceerde visie op Alexander de Grote samen:

Foi generoso e malvado, magnânimo e cruel

“Hij was genereus en slecht, grootmoedig en wreed.”

3. Iskander (album van Supersister)

We sluiten dit overzicht af met een conceptalbum, dat in 1973 werd uitgebracht door de Nederlandse progressieverockband Supersister. Het album Iskander gaat volledig over Alexander de Grote. De titel is de oosterse versie van de naam Alexander. De oorspronkelijke lp bevat de volgende nummers, waarvan de titels veelzeggend zijn:

  • Introduction
  • Dareios the Emperor
  • Alexander
  • Confrontation Of The Armies
  • The Battle
  • Bagoas
  • Roxane
  • Babylon
  • Looking Back (The Moral Of Herodotus)

Aangezien de weinige tekst in de grotendeels instrumentale nummers weinig specifiek is in verwijzingen naar Alexander de Grote (bijvoorbeeld in Dareios the Emperor en Alexander), heeft een bespreking van de tekst zoals bij de andere hierboven genoemde nummers in dit bestek weinig zin. De muziek is echter wel sfeervol te noemen, hoewel het album destijds niet zo succesvol was als gehoopt omdat de fans niet konden wennen aan het nieuwe, meer bij jazz aanleunende geluid van het album. De band ging een jaar later mede daardoor uit elkaar.

Selecte bibliografie

https://en.wikipedia.org/wiki/Cultural_depictions_of_Alexander_the_Great#Music

Claudia Hattendorff, Peter von Möllendorff, Alexander Rubel, Wolfgang Will: Alexander. In: Peter von Möllendorff, Annette Simonis, Linda Simonis (Hrsg.): Historische Gestalten der Antike. Rezeption in Literatur, Kunst und Musik (= Der Neue Pauly. Supplemente. Band 8). Metzler, Stuttgart/Weimar 2013.

Coverfoto: bestand ‘Transparent Alexander The Great Png – Iron Maiden Alexander The Great’ op KindPNG door Nathalie C (non-commercial use)

Het bericht Οὐδὲ ἐν μέλει ᾔσθη Ἀλέξανδρος: Alexander de Grote in enkele moderne liedjesteksten van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/03/2020/%ce%bf%e1%bd%90%ce%b4%e1%bd%b2-%e1%bc%90%ce%bd-%ce%bc%ce%ad%ce%bb%ce%b5%ce%b9-%e1%be%94%cf%83%ce%b8%ce%b7-%e1%bc%80%ce%bb%ce%ad%ce%be%ce%b1%ce%bd%ce%b4%cf%81%ce%bf%cf%82-alexander-de-grote-in-enkele/feed/ 0 1052
Euripides’ Archelaos: een “Trümmertragödie” https://www.oudegeschiedenis.be/27/01/2020/euripides-archelaos-een-trummertragodie/ https://www.oudegeschiedenis.be/27/01/2020/euripides-archelaos-een-trummertragodie/#respond Mon, 27 Jan 2020 08:18:39 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1405 Theater van Aigai & Euripides

Hoewel er van de Griekse tragicus Euripides 19 stukken bewaard zijn, overleefden sommige van zijn andere werken de tand des tijds in een fragmentarische staat, zoals zijn Archelaos, een stuk dat we kunnen benoemen als Trümmertragödie. Fragmenten ervan zijn niet bewaard doordat ze werden overgeschreven tijdens de Middeleeuwen (zoals vaak het geval bij werken uit de Oudheid), maar doordat ze op papyrus bewaard zijn in de Egyptische woestijn. Een voorbeeld van een dergelijk fragment is P. Oxy. III 419, gevonden in een antieke vuilnisbelt in de stad Oxyrhynchus in Egypte, en overgebracht naar de Leuvense Universiteitsbibliotheek.

Het bericht Euripides’ Archelaos: een “Trümmertragödie” van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theater van Aigai & Euripides

Hoewel er van de Griekse tragicus Euripides (ca. 480 v.C. – 406 v.C.), één van de grote drie tragici van het klassieke Athene (naast Aeschylus en Sophocles), 19 stukken bewaard zijn (plus één stuk waarvan het auteurschap betwijfeld wordt), overleefden sommige van zijn andere werken de tand des tijds in een fragmentarische staat. Vandaar de keuze voor het Duitse neologisme Trümmertragödie in de titel: het is een tragedie (Tragödie) waarvan enkel brokstukken (Trümmer) bewaard zijn. De meer taalkundig georiënteerde zielen onder ons herkennen hierin ook de term Trümmersprache, die gebruikt wordt voor talen die enkel bewaard zijn via inscripties, maar niet in literaire bronnen of manuscripten. Deze fragmenten zijn niet bewaard doordat ze werden overgeschreven tijdens de Middeleeuwen (zoals vaak het geval bij werken uit de Oudheid), maar doordat ze op papyrus bewaard zijn in de Egyptische woestijn. Een voorbeeld van een dergelijk fragment is P. Oxy. III 419, gevonden in een antieke vuilnisbelt in de stad Oxyrhynchus in Egypte, en overgebracht naar de Leuvense Universiteitsbibliotheek.

Zicht op de verwoeste Lakenhal, met daarin de universiteitsbibliotheek, in Leuven in 1915

Het fragment [TM 59840]  kan met zekerheid worden beschouwd als een deel van een stuk met de titel Archelaos. Twee regels in de zwaar beschadigde papyrus komen immers overeen met een paar verzen die bewaard zijn in het Anthologion (“Bloemlezing”) van Joannes Stobaeus (5de eeuw n.C.). Hij wijst ze expliciet toe aan Euripides’ Archelaos (Stob. III, 7, 4). Hoewel het stuk niet bewaard is, kennen we de inhoud uit de Fabulae van Hyginus, een verder niet bekende auteur uit de 2de eeuw n.C. Dat werk bestaat uit 220 Latijnse samenvattingen – in het Latijn fabulae, vandaar de titel – van antieke stukken. Fabula 219 is de samenvatting van Archelaos.

Inhoud van het stuk

Het stuk begint wanneer Archelaos, nadat hij door zijn broers is verbannen, asiel vraagt bij de Thracische koning Kisseus. Deze staat hem dat toe, op voorwaarde dat Archelaos helpt de oorlog te winnen tegen invallers (die verder niet met naam genoemd worden). Als beloning zou Archelaos met Kisseus’ dochter mogen trouwen. Archelaos weet de vijand snel te verdrijven en vraagt dan ook de beloofde beloning. Kisseus’ entourage raadt hem echter af zijn belofte na te komen en de koning volgt dit advies. Hij probeert vervolgens Archelaos te vermoorden door hem in een kuil met brandende houtskool te doen vallen. Een slaaf verraadt het plan echter aan Archelaos. Deze vraagt om een gesprek onder vier ogen met Kisseus en daarbij gooit hij de koning in de put die deze laatste voor een ander gegraven had. Vervolgens vlucht Archelaos op aanraden van Apollo naar Macedonië. Hij krijgt de opdracht een geit te volgen en een stad te stichten op de plaats waar de geit halt houdt. Deze stad zal Aigai heten, naar het Griekse woord voor geit (αἶξ). Hiermee eindigt het stuk.

Context van het stuk

Op het einde van zijn leven woonde en werkte Euripides aan het Macedonische hof en niet meer in Athene. De toenmalige koning van Macedonië was Archelaos I. Deze overeenkomst met de naam is waarschijnlijk niet toevallig, aangezien Euripides een protégé was van de koning, die ook andere Griekse kunstenaars naar zijn hof had gehaald. In het stuk wordt de mythologische Archelaos een afstammeling van Herakles en deze afstamming verhoogde ook het prestige van het Macedonische koningshuis. Mogelijk werd het stuk in 407 v.C. opgevoerd in het kader van een door Archelaos georganiseerd festival in Dion ter ere van Zeus en de Muzen, maar dit is niet zeker.

Didrachme van Archelaos I, koning van Macedonië

De papyrus

Bernard Pyne Grenfell en Arthur Surridge Hunt, de archeologen die de Oxyrhynchuspapyri ontdekten en uitgaven

De papyrus waarop een aantal verzen van de Archelaos bewaard zijn, is jammer genoeg het slachtoffer van de geschiedenis geworden: hij ging verloren in de brand van de Leuvense Universiteitsbibliotheek in 1914, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Er is geen enkele foto van bewaard en daardoor moet deze papyrus zeer indirect bestudeerd worden, op basis van tekstuitgaven, vooral de eerste uitgave van Grenfell en Hunt uit 1903. Zij dateren de papyrus op basis van het gebruikte unciaalschrift in de 2de of 3de eeuw n.C. Een tentatieve vertaling van de zeer slecht bewaarde 16 regels is de volgende. Dit is bij mijn weten ook de eerste poging tot een vertaling in het Nederlands van deze papyrus.

gedachte (?)

hij die doodt

hij zou

Heer Apollo, zet neer

kind, gooi weg (?)

Enkel dit vraag ik je: dat je nooit in slavernij

Leeft uit vrije wil, wanneer je de mogelijkheid hebt te sterven als een vrij man

naar binnen

als ze slagen

voortaan

een man moet

dag

want het lot

rennend (?)

Lees meer

Austin, C. 1968. Nova fragmenta Euripidea in papyris reperta. Berlijn : De Gruyter.

Collard, C. en Cropp, M. Euripides. Fragments. Aegeus. Meleager. Cambridge/Londen : Harvard University Press.

Donovan B. E. 1969. “Euripides Papyri. I : Texts from Oxyrhynchus.” In: American Studies in Papyrology. Volume 5. New Haven/Toronto: The American Society of Papyrologists.

Harder, A. 1985. Euripides’ Kresphontes and Archelaos. Introduction, Text and Commentary. Leiden: Brill.

Jouan, F. en Van Looy, H. 1998. Euripide. Tome VIII. Fragments 1re partie. Aigeus. Autolykos. Parijs : Les Belles Lettres.

Noot: de inhoud van dit stuk werd door de auteur samengesteld in het kader van het mastervak Papyrologie en de multiculturele samenleving in Egypte, gedoceerd door prof. dr. Katelijn Vandorpe. Wij danken haar dan ook voor de begeleiding hierbij.

Coverafbeelding: adaptatie van de afbeelding ‘Aegae, Vergina theater’ van yiannis mitos op Vici.org (CC BY-SA 3.0) en de afbeelding ‘Euripides, Nordisk familjebok’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Euripides’ Archelaos: een “Trümmertragödie” van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/27/01/2020/euripides-archelaos-een-trummertragodie/feed/ 0 1405
Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros https://www.oudegeschiedenis.be/21/08/2018/geschopt-geslagen-en-gepluimd-de-onfortuinlijke-oliehandelaar-apollodoros/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/08/2018/geschopt-geslagen-en-gepluimd-de-onfortuinlijke-oliehandelaar-apollodoros/#comments Tue, 21 Aug 2018 14:51:31 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1000 olielampen

De onfortuinlijke Apollodoros, een oliehandelaar in het Egyptische dorp Kerkeosiris, is bij ons bekend dankzij enkele overgeleverde papyri. De olie in kwestie was geen petroleum, maar plantaardige olie, vooral gewonnen uit het zaad van de sesam- en de castorplant. In een tijd zonder elektriciteit waren deze oliën van levensbelang voor verlichting, en ook in de keuken waren ze onontbeerlijk. De vele overgeleverde papyri over olie bieden ons belangrijke informatie over de economie van Egypte in de Oudheid, en in sommige gevallen geven ze ons ook een inkijk in het dagelijkse dorpsleven.

Het bericht Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
olielampen

“Ze wierpen zich op ons en overmanden ons. Met de knuppels die ze bij zich hadden, rosten ze ons af. Niet alleen ik, maar ook mijn vrouw werd verwond, en mijn zaak leed hierdoor een verlies van 10 bronzen talenten.” Geen passage uit een misdaadroman, maar een citaat uit een papyrus uit het jaar 114 v.C. De auteur van deze aangifte was de onfortuinlijke Apollodoros, die van de staat een contract geleaset had om olie te verkopen in het Egyptische dorp Kerkeosiris. De olie in kwestie was geen petroleum, maar plantaardige olie, vooral gewonnen uit het zaad van de sesam- en de castorplant. In een tijd zonder elektriciteit waren deze oliën van levensbelang voor verlichting, en ook in de keuken waren ze onontbeerlijk. De vele overgeleverde papyri over olie bieden ons belangrijke informatie over de economie van Egypte in de Oudheid, en in sommige gevallen geven ze ons ook een inkijk in het dagelijkse dorpsleven. Helemaal geweldig wordt het wanneer meerdere papyri over dezelfde persoon bewaard gebleven zijn, zoals in het geval van Apollodoros, wiens lotgevallen we over een langere periode kunnen volgen.

Olieverkoper, een gevaarlijk beroep

Papyrus waarin Apollodoros het relaas van een aanval door oliesmokkelaars doet

We ontmoeten Apollodoros voor het eerst laat in 114 v.C., wanneer hij een aangifte doet bij de komogrammateus of dorpsschrijver Menches over het onrecht dat hem aangedaan werd. Niet alleen waren er illegale olieverkopers actief die zijn exclusieve concessie probeerden te omzeilen, maar deze heren bleken ook nog eens bijzonder agressief. Zijn relaas (P. Tebt. I 39) gaat als volgt:

“Ik vond gesmokkelde olie in het huis van Sisois. Onmiddellijk wendde ik me tot de bevoegde beambte en nam hem mee naar het huis in kwestie. Daarop vielen de genoemde Sisois en zijn vrouw Tausiris ons aan en ze brachten me vele slagen toe. Ze dreven ons uit het huis en sloegen de deur achter ons dicht.”

Apollodoros was echter niet geneigd om snel op te geven, en enkele dagen later probeerde hij opnieuw:

“Ik kwam Sisois tegen bij de tempel van Zeus en probeerde hem te arresteren, in het bijzijn van de bevoegde beambte en een ‘zwaarddrager’. Maar Pausiris, de broer van Sisois, en enkele anderen wierpen zich op ons en overmanden ons. Met de knuppels die ze bijhadden, rosten ze ons af. Niet alleen ik, maar ook mijn vrouw werd verwond, en mijn zaak leed hierdoor een verlies van 10 bronzen talenten.”

Ondanks zijn gewapende escorte haalden de pogingen van die arme Apollodoros dus niets uit.

Het “oliemonopolie”

Castor- of wonderbonen, waaruit olie wordt geperst

De achtergrond waartegen het verhaal van Apollodoros zich afspeelt, is het zogenaamde staatsmonopolie in de Ptolemaeïsche oliesector. De Ptolemaeïsche staat oefende een uitzonderlijk grote controle uit over het kweken van oliehoudende gewassen, over de productie van olie in door de staat bevoorrade olieslagerijen en over de verkoop van het eindproduct door geconcessioneerde olieverkopers. Hiervoor werd intensief samengewerkt met privépersonen die via een veiling het recht op de inkomsten uit de oliesector verwierven, en op die manier het geld voorschoten aan de staat en het risico op zich namen. Als de inkomsten hoger uitvielen dan zijn of haar bod, maakte deze persoon winst, anders moest hij of zij het verlies bijpassen. De staat legde ook de prijzen van de verschillende soorten olie vast en beschermde de inkomsten van de private partners via hoge invoerheffingen op buitenlandse (olijf)olie. Illegale productie en verkoop werden bijzonder zwaar bestraft, met boetes tot 30 000 drachmen, wat voor een gewone Ptolemaeïsche dagloner 300 jaar werk betekende. Zelfs de verkoop van dierlijk vet, een mogelijke vervanger voor olie, werd aan banden gelegd. Dit was tenminste de theorie. In de praktijk bleken zulke uitgebreide regelingen zeer moeilijk af te dwingen door een antieke staat, die veel beperktere mogelijkheden had dan onze moderne regeringen.

De Thraciër

Papyrus met daarop onder andere een petitie waarin Apollodoros zijn ontdekking van oliesmokkel meedeelt

Dit wordt pijnlijk duidelijk in het geval van Apollodoros. Zijn verkooprecht, dat in theorie exclusief was, bleek namelijk zo lek als een zeef. Uit het voorjaar van 113 v.C. kennen we een tweede papyrus (P. Tebtunis I 38) die over gesmokkelde olie in Kerkeosiris handelt:

“Vanwege Apollodoros, de verantwoordelijke voor de distributie van en belasting op olie in Kerkeosiris voor het vierde jaar. Mijn onderneming is een complete mislukking geworden door de smokkel en illegale verkoop van sesam- en castorolie in het dorp. Vandaar dat, wanneer het nieuws me bereikte dat een zekere Thraciër wiens naam ik niet ken, olie smokkelde naar het huis van Petesouchos de leerverkoper en deze verkocht, ik de burgemeester en de vertegenwoordiger van de politiecommissaris meenam naar het huis, waar ik weliswaar de Thraciër aantrof, maar de gesmokkelde goederen waren al verwijderd. Na een zoektocht vond ik de olie toch, verstopt in huiden en schapenvellen van de leerverkoper. De Thraciër kon echter ontkomen…”

Apollodoros de tollenaar?

Uit de voorgaande petitie leren we niet alleen dat het zoeken naar smokkelaars een voltijdse job was voor Apollodoros, maar ook dat hij naast de concessie voor olieverkoop een belasting op olie pachtte. Belastingpacht was een praktijk die heel vaak werd toegepast in de Oudheid, zowel bij de klassieke Grieken, als bij de Romeinen, als in de hellenistische koninkrijken. Het principe is hetzelfde als voor de inkomsten uit de oliesector: de pachter doet een bod en garandeert de staat een bepaalde som. Zijn inkomsten hangen dan af van hoeveel belastingen er effectief geïnd werden. Deze pachters waren soms heuse financiële ondernemers, die tegelijkertijd belastingen in uiteenlopende sectoren pachtten. Andere, meer bescheiden, pachters kwamen vaak uit de sector zelf die belast werd. Zulke personen hadden immers kostbare informatie die nuttig was voor de staat. Het lijkt erop dat Apollodoros een voorbeeld van dat laatste fenomeen was. Uit onder meer het Nieuwe Testament weten we dat zulke pachters of ‘tollenaars’ heel onpopulair waren bij de plaatselijke bevolking. Misschien verklaart dit ook wel waarom Apollodoros niet bepaald vriendelijk bejegend werd…

Zacheüs, de Joodse oppertollenaar van Jericho ten tijde van Jezus (naar een schilderij van James Tissot)

Smokkel: een terugkerend probleem

Hoe dan ook, Apollodoros’ lijdensweg was nog niet ten einde. In een derde en laatste papyrus klaagt hij tegenover de dorpsschrijver dat hij “in buitengewone armoede” terechtgekomen is door degenen die illegaal olie smokkelen en verkopen. Apollodoros was niet de enige wiens contract met de staat schade ondervond door smokkel. De papyri verhalen over tal van gevallen van oliesmokkel. Ongeveer een eeuw voor de avonturen van Apollodoros werd er in het dorp Oxyrhyncha zelfs een informant vermoord. Dit hoeft niet te verbazen, gezien er grof geld verdiend kon worden, de boetes zeer hoog waren, en de smokkelnetwerken soms de indruk van georganiseerde misdaad geven. Ook in andere sectoren was de staat nauw betrokken, en waren er vormen van privaat-publieke samenwerking die aanleiding gaven tot “illegale” activiteiten en smokkel. Zo horen we onder meer over illegaal zout, gesmokkelde ezelhuiden, jeneverbesextract en linnen.

Een nieuw hoofdstuk

Een scarabee of mestkever

De drie papyri die ons het verhaal van Apollodoros leren kennen, zijn reeds 100 jaar gepubliceerd en bekend bij onderzoekers. Historisch onderzoek staat echter niet stil, en er duiken voortdurend nieuwe teksten op die ons dwingen om het heersende beeld bij te stellen. In het geval van Apollodoros is er nog een vierde, weliswaar fragmentarische, ongepubliceerde papyrus die ons meer leert over zijn oliehandel. Deze tekst wordt momenteel bestudeerd en klaargemaakt voor publicatie door ondergetekende, dus speciaal voor onze lezers volgt hier een sneak peek van lopend Leuvens onderzoek. De tekst dateert van 2 augustus 113 v.C., en is dus jonger dan de tot nu toe bekende papyri. Uit het document blijkt dat Apollodoros’ problemen nog niet ten einde waren. Ditmaal speelt de vuilnisbelt van het dorp Kerkeosiris een prominente rol. De tekst leert ons dat er iets verstopt is op de vuilnisbelt, maar het is niet duidelijk wat. Illegale olie? Smokkelaars? Of toch nog iets helemaal anders? Wordt vervolgd…

Coverfoto: adaptatie van foto ‘AncienLamps’ door Combirom2 op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/08/2018/geschopt-geslagen-en-gepluimd-de-onfortuinlijke-oliehandelaar-apollodoros/feed/ 1 1000
À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/#respond Wed, 14 Feb 2018 16:00:59 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=635 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Turner_Ovid_Banished_from_Rome.jpg

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk De kunst der vrijage, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17n.C.), namelijk ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Meihuizen-De kunst der vrijage

Titelpagina van De kunst der vrijage

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk – of ondeugend? – om een lijst te geven van de weggelaten passages:

“Onvertaald bleven de versregels I 182-204, 283-288, 327-340, 407-408, 681-704, 741-744. II 217, 401-406, 684, 690-692, 703-733. III 11-12, 769-788, 793-808.”

Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding van zijn vertaling van de Amores:

“De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.”

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages uit de Ars Amatoria op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische en/of historische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Ars Amatoria I, 181b-204

Deze passage maakt deel uit van een uitweiding bij één van de tips die Ovidius geeft over plaatsen waar je als vrijgezel “op jacht” kan gaan. Eén mogelijke gelegenheid is een triomftocht. Bij triomftochten is een link met de politiek nooit ver weg en Ovidius grijpt de gelegenheid dan ook aan om een lofzang op af te steken. Het is in deze lofzang dat Meihuizen een stuk weglaat. Zijn vertaling gaat als volgt:

“Ziet, Keizer Augustus maakt zich gereed, het deel, dat nog aan de veroverde wereld ontbreekt, aan zijn heerschappij toe te voegen. Nu zal het uiterste Oosten ons worden! Parthen, gij zult boeten! Gij Romeinen, die met Crassus sneuveldet, verheugt U in Uwe graven en eveneens gij, veldteekens, die de barbaarsche handen, waarin ge vielt, niet kondt uitstaan! Uw wreker komt!”

Om deze passage als leek te begrijpen, hoeft men in principe niet te weten dat Ovidius hier doelt op het recupereren van de veldtekens van de Romeinse legioenen die onder leiding van Crassus in 53 v.C. bij Carrhae verslagen werden door de Parthen. Augustus kon ze in 20 v.C. na onderhandelingen terug naar Rome halen en stelde ze op in de tempel van Mars Ultor, ‘Mars de Wreker’, hetgeen meteen ook de woordspeling met wreker in de tekst verklaart. Op die manier kregen de Romeinen eerherstel, want het verlies van de legioensadelaar was een erezaak en men deed er dan ook alles aan om de veldtekens te recupereren. Een mooi voorbeeld hiervan wordt uitgewerkt in de film The Eagle uit 2011.

Eén element is wel belangrijk om in het achterhoofd te houden: in Meihuizens vertaling staat ‘Augustus’, maar de Latijnse tekst heeft ‘Caesar’. Het kan dus ook om iemand anders van de keizerlijke familie gaan. Dit wordt duidelijk in het weggelaten vervolg. Om de volgende passage te begrijpen, is echter een betere achtergrondkennis vereist.

Ars Amatoria I, 181b-204

Ultor adest primisque ducem profitetur in annis
Bellaque non puero tractat agenda puer.
Parcite natales timidi numerare deorum:
Caesaribus virtus contigit ante diem.
Ingenium caeleste suis velocius annis
Surgit, et ignavae fert male damna morae.
Parvus erat, manibusque duos Tirynthius angues
Pressit, et in cunis iam Iove dignus erat.
Nunc quoque qui puer es, quantus tum, Bacche, fuisti,
Cum timuit thyrsos India victa tuos?
Auspiciis annisque patris, puer, arma movebis,
Et vinces annis auspiciisque patris:
Tale rudimentum tanto sub nomine debes,
Nunc iuvenum princeps, deinde future senum;
Cum tibi sint fratres, fratres ulciscere laesos:
Cumque pater tibi sit, iura tuere patris.
Induit arma tibi genitor patriaeque tuusque:
Hostis ab invito regna parente rapit;
Tu pia tela feres, sceleratas ille sagittas:
Stabit pro signis iusque piumque tuis.
Vincuntur causa Parthi: vincantur et armis;
Eoas Latio dux meus addat opes.
Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti:
Nam deus e vobis alter es, alter eris.
De wreker komt en laat reeds op vroege leeftijd de leider zien

Vertaling

En als jongen voert hij oorlogen die niet door een jongen gevoerd zouden moeten worden.
Zie ervan af angstvallig de levensjaren van goden te tellen:
Leiderskwaliteiten komen bij de Caesares voor hun tijd.
Hun hemelse inborst toont zich sneller dan hun jaren
En verdraagt de vloek van passief uitstel slecht.
De Tirynthiër was nog klein toen hij met zijn handen twee slangen wurgde
En hij was in de wieg reeds Jupiter waard.
En jij, Bacchus, die ook nu nog een jongen bent, zoals ook toen,
Toen het overwonnen India jouw thyrsus vreesde?
Met goede voortekens en de geesteskracht van je vader zal je, jongen, de oorlog beëindigen,
En je zal overwinnen door de geesteskracht en de goede voortekens van je vader.
Een dergelijke jeugd ben je aan een dergelijke naam verschuldigd,
Jij die nu de keizer van de jongeren bent en later die van de oude senatoren zal zijn;
Aangezien je broeders hebt: wreek je gekrenkte broeders,
En aangezien je een vader hebt: heb aandacht voor de wetten van je vader.
Je vader voorzag je van wapens, die vader des vaderlands en ook de jouwe:
De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.
Jij draagt rechtschapen speren, de vijand misdadige pijlen.
Het recht en elk rechtschapen man staan bij jouw veldtekens.
De Parthen worden moreel overwonnen, mogen ze ook met de wapens overwonnen worden
En moge mijn leider de oosterse rijkdommen in Latium binnenbrengen.
Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat,
Want van u is de ene een god en zal de ander het worden.

Gaius Caesar, kleinzoon van keizer Augustus

De uitweiding over leeftijden in het begin van deze passage heeft meerdere betekenissen. Ten eerste kreeg Augustus zelf in 43 v.C. – op twintigjarige leeftijd – van de Senaat de toestemming om alle politieke ambten van de cursus honorum tien jaar voor de door de ‘Lex Villia Annalis’ vastgestelde leeftijd op te nemen. Deze passage kan dus gelezen worden als een verantwoording van deze maatregel, die zeer moeilijk verteerbaar was voor de anders zo behoudsgezinde Romeinen. Ten tweede – en dat is in de context van de oorlog tegen de Parthen- kan het meervoud ‘Caesaribus‘, hoewel Augustus hier waarschijnlijk inbegrepen is, slaan op Augustus’ kleinzonen Gaius en Lucius, die beiden op vijftienjarige leeftijd – respectievelijk in 5 en 2 v.C. – van de Senaat de toestemming kregen om vijf jaar nadien op hun twintigste consul te worden. Daarbij werden ze ook beiden benoemd tot princeps iuventutis, leider van de jeugd, en het is duidelijk dat Ovidius daarop alludeert met de formulering iuvenum princeps, hier vertaald met keizer van de jongeren, omdat princeps ook de titel was van de keizer. De hele passage is daardoor ook een verdediging van een opkomende dynastieke opvolging op basis van geboorte, die geleidelijk de republikeinse instellingen buitenspel zette, zonder ze echter formeel af te schaffen. Daar komt nog bij dat Gaius op zijn twintigste het bevel had over de strijdmacht die in het oosten tegen de Parthen moest strijden, in opdracht van Augustus. Het was ook hij die met de Parthische koning Phraates V de onderhandelingen voerde voor het teruggeven van de legioensadelaar van Crassus. Het spreekt voor zich dat deze achtergrondkennis voor een groot deel zo niet geheel ontbreekt bij Meihuizens beoogde doelpubliek, de “hedendaagsche mensch”, die minder in detail of zelfs helemaal niet op de hoogte is van het bovenstaande.

Caravaggio’s interpretatie van de god Bacchus

De ingenomen stellingen over de keizer en zijn familie worden vervolgens gestaafd met mythologische voorbeelden, die, zoals zo vaak in antieke teksten, tamelijk cryptisch zijn. Zo is de Tirynthiër waarvan hier sprake is, niemand minder dan Hercules, die volgens de mythologie inderdaad in Tiryns geboren werd. Omdat hij een buitenechtelijk kind van Jupiter en Alcmene was, stuurde Jupiters vrouw Juno twee slangen op hem af om hem in de wieg te doden. Hercules wurgde deze echter.

Een bacchante weert een sater die ongewenste avances maakt af met haar thyrsus. Attische roodfigurige kylix, ca. 480 v.C.

De god Bacchus die vervolgens vernoemd wordt, was volgens de klassieke mythologie inderdaad afkomstig uit het oosten en in die context wordt India vaak specifiek genoemd. In de iconografie wordt hij traditioneel voorgesteld als een jongeman, met zelfs androgyne kenmerken. Beide vergelijkingen hebben ook nog een extra lading: zowel Hercules als Bacchus waren halfgoden, zonen van Jupiter en een sterfelijke moeder, die beiden vergoddelijkt werden. Een parallel met de vergoddelijking van de Romeinse keizers is uiteraard niet ver te zoeken. In de context van de cultus van Bacchus – of in het Grieks: Dionysos – duikt ook de θύρσος (thyrsos) op, waarbij de lezer geacht wordt te weten dat het hier gaat om de met klimop- en wijnranken versierde staf die een traditioneel attribuut was van elke vereerder van Bacchus.

Wanneer we verder lezen, komen we ook het volgende zinnetje tegen: “De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.” (Hostis ab invito regna parente rapit.) Meihuizens vertaling van ‘Caesar’ door ‘Augustus’ zorgt ervoor dat we bij dit zinnetje meteen denken aan de moord op Augustus’ adoptiefvader, Gaius Julius Caesar (100 v.C. – 44 v.C.). In de context van de oorlog tegen de Parthen is dit echter onmogelijk en het is dan ook waarschijnlijker dat het hier gaat om de moord op de Parthische koning Phraates IV door diens zoon Phraates V, met medewerking van Musa, één van de vrouwen van Phraates IV en de moeder van Phraates V.

Munt met rechts Phraates V en links zijn moeder Musa

Een laatste element dat voor de niet-gespecialiseerde lezer waarschijnlijk te veel uitleg behoefde – althans naar de zin van Meihuizen – is te vinden in de laatste regels: “Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat, want van u is de ene een god en zal de ander het worden.” (Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti: nam deus e vobis alter es, alter eris.) Naast het feit dat de praktijk van de vergoddelijking van keizers misschien niet algemeen bekend is bij het lezerspubliek, is er ook hier een ‘Caesar die in theorie verschillende interpretaties kan hebben. In de lijn van Meihuizens vertaling van de eerste ‘Caesarin de tekst (Augustus), zou dit dan de vergoddelijkte Julius Caesar moeten zijn, waarbij ‘pater’ zowel als godentitel gebruikt wordt als in de letterlijke betekenis vader. De passage gaat echter over Gaius, dus moet hier Gaius’ grootvader, Augustus, bedoeld worden. In dit geval kan ‘pater’ enkel als godentitel opgevat worden. Aangezien de keizers pas na hun dood officieel vergoddelijkt werden, gaat het hier dus om een voorbarige – maar wel vleiende – toekenning van de titel. Ovidius hakt voor ons de knoop door in de laatste regel: Caesar zal een god zijn, dus de Caesar die hier bedoeld wordt, moet nog vergoddelijkt worden en is dus Augustus.

Wanneer we al het voorgaande in beschouwing nemen, is deze passage dus een perfecte illustratie van Meihuizens redenering: passages die te veel voorkennis veronderstellen, worden geschrapt. In dit geval wordt de Caesar die vernoemd wordt als wreker geïdentificeerd met Augustus en niet met de voor een breed publiek onbekende Gaius. De passage die geschrapt wordt zou deze vertaling tegenspreken en deze weglating komt Meihuizen dus zeer goed uit.

Ars Amatoria I, 283-288

“Is bij ons mannen alom gebruikelijk niet zoo maar om liefde te verzoeken; de vrouw zal, als ze eenmaal door liefde bevangen is, gaarne een smeekende rol vervullen. In de weiden loeien de koeien immers om den stier en hinneken (sic) de merries om den hengst. Bij ons mannen is de hartstocht niet zoo hevig, noch leidt ze tot onzinnige dingen. Maar bij de vrouwen! De oude mythen kennen er tal van afschuwelijke voorbeelden van.”

De laatste zin is Meihuizens parafrase van de volgende weggelaten regels, die een paar korte voorbeelden geven van de voorgaande stelling, alvorens over te gaan naar het veel langer uitgesponnen verhaal van Pasiphaë dat ook als illustratie dient. De weggelaten regels zijn de volgende:

Ars Amatoria I, 283-288

Byblida quid referam, vetito quae fratris amore
Arsit et est laqueo fortiter ulta nefas?
Myrrha patrem, sed non qua filia debet, amavit,
Et nunc obducto cortice pressa latet:
Illius lacrimis, quas arbore fundit odora,
Unguimur, et dominae nomina gutta tenet.

Vertaling

Waarom zou ik Byblis vermelden, die van een verboden liefde voor haar broer
Brandde en met de strop dapper wraak nam voor deze misdaad?
Myrrha hield van haar vader, maar niet op de manier waarop het een dochter betaamt
En nu is ze verborgen, neergedrukt door een bast die over haar heen is getrokken:
Door haar tranen, die ze vanuit de geurige boom plengt,
Worden wij geparfumeerd, en de druppel draagt de naam van zijn meesteres.

Het gaat hier om een geval van wat men in de retoriek praeteritio noemt, een vermelding van iets door te zeggen dat men het niet gaat vermelden. Dat het hier in beide gevallen gaat om gevallen van incest, is waarschijnlijk niet de reden dat Meihuizen de passages laat wegvallen, want het verhaal van hoe de stier van Poseidon bij Pasiphaë de Minotaurus verwekte, wordt wel verteld. De oorzaak ligt eerder bij de niet geëxpliciteerde achtergrondkennis die nodig is om de verwijzingen te begrijpen. Omdat de mythen wat meer uitleg verdienen dan deze korte vermelding, geven we deze graag in kort bestek.

Byblis en Caunus

Byblis, dochter van de nimf Ciane en Miletus, de mythische stichter van de Klein-Aziatische stad Milete, werd verliefd op haar broer Caunus en bekende hem haar liefde in een lange brief, ondanks het feit dat ze besefte dat deze gevoelens verkeerd waren. In de brief geeft ze talrijke voorbeelden van incestueuze relaties tussen goden om zich te verantwoorden. Vol walging vlucht Caunus weg. Byblis wordt gek van verdriet en in een poging om Caunus alsnog te verleiden, achtervolgt ze hem doorheen heel Griekenland en Klein-Azië. Volgens de versie die Ovidius ons zelf geeft in zijn Metamorphoses (IX, 446-665) bezwijkt ze vervolgens aan uitputting en verandert ze in een bron, omdat ze zoveel weent. In een andere versie van de mythe probeert ze zelfmoord te plegen door van een klif te springen, waarbij ze door Hamadryaden, boomnimfen, in een boom(nimf) veranderd werd. In nog een andere versie, waarnaar in ons geval verwezen wordt, hangt ze zich simpelweg op aan haar gordel, net zoals Jocaste doet in Sophocles’ tragedie Oedipus Rex, wanneer ze verneemt dat ze met haar zoon getrouwd is. Ovidius geeft ons dus twee verschillende versies van het verhaal, uiteraard in functie van de aard van het werk: voor de Metamorphoses kiest hij uiteraard de versie waarin wel degelijk een metamorfose voorkomt.

Ook het verhaal van Myrrha wordt door Ovidius in de Metamorphoses (X, 294-559 en 708-739) uitgebreider verteld. Myrrha – in andere versies van de mythe wordt ze Smyrna genoemd – was de dochter van Cinyras van Cyprus en Cenchreis. Toen Cenchreis opschepte dat haar dochter mooiere haren had dan Aphrodite zelf – een klassiek geval van hybris – kon een straf van Aphrodite niet uitblijven: ze wekte in Myrrha een incestueus verlangen naar Cinyras, haar eigen vader. Na zich lange tijd ingehouden te hebben, weet ze haar voedster te overhalen Cinyras dronken te voeren. Wanneer Cinyras dronken gaat slapen, wacht Myrrha hem op -dit heeft veel weg van de manier waarop Lot verleid wordt door zijn dochters in Genesis 19– en weet ze hem te verleiden. Nadat dit zo een paar nachten doorgaat, wil Cinyras toch te weten komen met welke mysterieuze vrouw hij het bed deelt. Wanneer hij bij toortslicht ziet dat het zijn eigen dochter is, wil hij de schande uitwissen door haar met zijn zwaard te doden. Ze vlucht echter naar Arabië, waar de goden haar uit medelijden in een boom veranderden. Haar tranen druppelen uit de schors in de vorm van geurige hars. De boom werd naar haar ‘mirreboom’ genoemd en leverde de bekende kostbare reukstof waarnaar Ovidius in deze passage verwijst. Omdat Myrrha zwanger was van haar vader, barstte de boom na negen maanden open en werd een zoon geboren: Adonis. Toen hij het hoorde, stortte Cinyras zich op zijn eigen zwaard.

De geboorte van Adonis (schilderij van Franceschini)

Het is duidelijk dat alle mythologische toespelingen die in deze weinige regels opeengepakt zijn, de minder ervaren lezer ontgaan en door Meihuizen geheel in overeenstemming met zijn vooropgestelde principe weggelaten worden om meteen over te gaan naar het uitgewerkte verhaal van Pasiphaë, dat veel minder beroep doet op eventuele voorkennis.

Ars Amatoria I, 327-340

Vlak na het afronden van het verhaal van Pasiphaë, wordt alweer een opsomming van verschillende mythen geparafraseerd. Het eerste deel is de parafrase, wat volgt is een vertaling van de verzen 341-342:

En zulke tragedies zijn er meer: alle veroorzaakt door vrouwelijke hartstocht, die heviger en veel razender is dan de onze.

In de oorspronkelijke versie klinkt de parafrase zo:

Ars Amatoria I, 327-340

Cressa Thyesteo si se abstinuisset amore
(Et quantum est uno posse carere viro?),
Non medium rupisset iter, curruque retorto
Auroram versis Phoebus adisset equis.
Filia purpureos Niso furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes.
Qui Martem terra, Neptunum effugit in undis,
Coniugis Atrides victima dira fuit.
Cui non defleta est Ephyraeae flamma Creusae,
Et nece natorum sanguinolenta parens?
Flevit Amyntorides per inania lumina Phoenix:
Hippolytum pavidi diripuistis equi.
Quid fodis inmeritis, Phineu, sua lumina natis?
Poena reversura est in caput ista tuum.

Vertaling

Als de Kretenzische zich had onthouden van de liefde van Thyestes
(En hoe belangrijk is het één man te kunnen missen?),
Dan zou Phoebus zijn tocht niet halfweg onderbroken hebben en met gekeerde wagen
En gekeerde paarden naar de dageraad teruggekeerd zijn.
Nadat Nisus’ purperen haren gestolen waren door zijn dochter
Draagt ze razende honden aan haar middel en onderbuik.
De zoon van Atreus, die op aarde aan Mars, op zee aan Neptunus ontsnapte,
Was het ijzingwekkende slachtoffer van zijn vrouw.
Door wie werd de vlam van de Ephyreïsche Creüsa niet beweend,
En de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder?
De zoon van Amyntor, Phoenix, weende uit lege oogkassen:
Angstige paarden, jullie rukten Hippolytus weg.
Phineus, waarom steek je je onschuldige kinderen de ogen uit?
Deze straf zal op je eigen hoofd neervallen.

De Kretenzische waarvan sprake is Aerope, vrouw van Atreus en moeder van Agamemnon en Menelaos. Atreus zou volgens een orakel over de stad Mycene regeren zolang hij in het bezit was van een lam met een gouden vacht. Aerope stal het lam en gaf het aan haar minnaar Thyestes, de broer van Atreus, zodat hij de troon kon opeisen. Vervolgens lopen de versies uiteen. Volgens de meeste Griekse versies van de mythe beloofde Thyestes Atreus dat hij het koningschap opnieuw zou afstaan “wanneer de zon zou opkomen in het oosten”, hetgeen vervolgens ook gebeurde door toedoen van Zeus en ook nu nog het geval is. Volgens de versie die door de meeste Romeinse auteurs gevolgd wordt, veranderde de koers van de zon echter als rechtstreeks gevolg van de wraak die Atreus nam op Thyestes: hij zette hem zijn eigen zonen als maaltijd voor. In elk geval verwijst Ovidius naar één van beide versies met de vermelding van de zonnewagen van Phoebus (Apollo).

Het verhaal van Scylla, de dochter van Nisus die hier niet met naam genoemd wordt, wordt door Ovidius uitgebreider verteld in Metamorphoses VIII, 6-151. Nisus, de koning van de stad Megara, had volgens de mythe tussen zijn gewone hoofdhaar een magische, purperen streng haar, waardoor hij onoverwinnelijk was. Een orakel had voorspeld dat hij zou sterven en het koninkrijk ten val zou worden gebracht wanneer dat haar werd uitgetrokken. Er brak oorlog uit en de stad werd maandenlang belegerd door koning Minos van Kreta. Scylla merkte Minos op vanaf de stadswallen, werd verliefd op hem en besloot de voorspelling uit eigenbelang te doen uitkomen. Ze trok ’s nachts haar vaders purperen haarlok uit. Haar bedoeling was dat Minos op zijn beurt verliefd zou worden wanneer ze hem de haarlok zou aanbieden, maar het tegenovergestelde gebeurde: Minos verafschuwde het geschenk en veroordeelde haar verraad. Tijdens de daarop volgende strijd stierf Nisus en de Megara viel. Minos was echter niet trots op deze door verraad behaalde overwinning en keerde snel terug naar Kreta. Scylla zwom hem achterna (volgens Ovidius) of werd door Minos met een touw om haar benen door het water gesleept (volgens een andere versie van het verhaal). Toen ze dreigde te verdrinken, veranderde ze opeens in een zeevogel. De gedaanteverandering, bedoeld als bevrijding, bleek toch een straf te zijn toen ze werd aangevallen door een visarend. Op aansturen van Jupiter was Nisus immers teruggekeerd in die gedaante om haar te straffen.

De reden dat Ovidius Scylla hier associeert met honden, is dat hij Scylla, dochter van Nisus, verwart met de nimf Scylla. Toen de zeegod Glaucus haar zijn liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe – bekend uit Homerus Odyssee –  haar uit jaloezie in een zeemonster met de romp en het hoofd van een vrouw, maar uit haar middel groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Zij maakte samen met Charybdis aan de andere kant de Zeestraat van Messina, tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig. Deze zeestraat staat overigens echt bekend als een gevaarlijke zeestraat door de sterke stromingen.

Voorstelling van Scylla op een roodfigurige vaas

Vervolgens keert Ovidius terug naar Mycene: de zoon van Atreus, Agamemnon, werd immers door zijn vrouw Clytaemnestra vermoord toen hij na de Trojaanse Oorlog terug thuis aankwam. Zij nam zo wraak omdat hij hun dochter Iphigenia had geofferd om naar Troje te kunnen varen.

De Ephyreïsche Creüsa‘ was de vrouw met wie Jason wilde trouwen, ten koste van Medea met wie hij reeds getrouwd was. Op die manier kon hij aanspraak maken op de troon van Korinthe (waarvan de oude naam Ephyra was). Medea, de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder, vermoordde uit wraak Creüsa en haar eigen kinderen die ze met Jason had. Creüsa werd vermoord door een mantel die haar levend verbrandde toen ze hem aantrok, vandaar de vermelding van de vlam in de tekst. Dit verhaal wordt uitgebreid beschreven door de Griekse tragicus Euripides (ca. 480 v.C. – 406 v.C.) in zijn tragedie Medea en Ovidius schreef ook zelf een – jammer genoeg verloren gegane- tragedie met dezelfde titel.

Phoenix, het volgende voorbeeld in de reeks, verleidde op aangeven van zijn moeder de minnares van zijn vader Amyntor, de koning van Ormenium in Thracië. Amyntor nam daarvoor wraak door Phoenix blind te maken. Volgens een andere versie vervloekte hij hem zodat Phoenix geen kinderen zou kunnen verwekken. Ovidius kiest hier duidelijk voor de eerste versie.

Hippolytus, die er door zijn stiefmoeder Phaedra valselijk van beschuldigd werd haar te willen verleiden terwijl het omgekeerde het geval was, stierf in een ongeluk met zijn strijdwagen. Dat werd veroorzaakt door Poseidon op vraag van Hippolytus’ vader Theseus, die zijn zoon wou straffen voor zijn vermeende misdaad.

Phineus, tot slot van dit stukje, was de koning van Salmydessus in Thracië. Op instigatie van zijn tweede vrouw Idaea liet hij zijn twee zonen uit zijn eerste huwelijk blind maken. Zij beschuldigde hen ervan haar geslagen te hebben. Phineus werd vervolgens zelf met blindheid geslagen door de goden, maar verkreeg tegelijk ook profetische gaven.

Het spreekt voor zich dat deze zeer lange opsomming van soms weinig bekende mythen slecht past in het populariserende kraam van Meihuizen. Ook hier is de verklaring voor de weglating van de passage niet ver te zoeken.

Ars Amatoria I, 406-408

Het zijn niet altijd lange passages die door Meihuizen weggelaten worden in zijn vertaling. Korte stukjes zoals dit komen ook in aanmerking voor censuur. In dit deel gaat het over het gunstige moment om een vrouw te verleiden. De vertaling van Meihuizen luidt als volgt:

“Als haar verjaardag nadert, of Maart en April in ’t land zijn, stel Uw poging dan uit.”

Het advies om de verjaardag te vermijden, dat op het eerste zicht wat merkwaardig overkomt, wordt even verder verklaard:

“Ontwijk met bijgeloovige vrees den verjaardag van Uw meisje en beschouw dien dag, waarop ge met een cadeau moet komen, als een ongeluksdag. Hoe ge ook zult trachten eraf te komen, zij zal toch wat van U weten los te krijgen, want de vrouw heeft de kunst uitgevonden aan verliefde vrienden dure dingen te ontrukken.”

We kennen ze allemaal wel: de vlotte schone die iedereen om haar vinger windt…

De vermelding van maart en april behoeft wat meer uitleg. Hiervoor hebben we de volgende weggelaten verzen nodig.

Ars Amatoria I, 406-408

[Sive dies suberit natalis sive Kalendae]
Quas Venerem Marti continuasse iuvat,
Sive erit ornatus non, ut fuit ante, sigillis,
Sed regum positas Circus habebit opes
[Differ opus.]

Vertaling

[Wanneer haar verjaardag nadert, of de Kalenden]
Waarvan het Venus verheugt dat ze aan de maand van Mars grenzen,
Of wanneer de Circus niet, zoals het vroeger was, versierd zal zijn met kleine standbeelden,
Maar nu neergelegde rijkdommen van koningen zal hebben,
[Stel de onderneming dan uit.]

De kalendae waren in de Romeinse kalender de eerste dag van de maand. In dit geval gaat het om de Kalenden die aan de maand van Mars, de maand maart dus, grenzen. Het gaat hier bijgevolg om de eerste dag van de maand april. De maand april was bij de Romeinen de maand van Venus en op de eerste dag van die maand werd Venus gevierd. Ovidius raadt de vrijgezel die op zoek is naar een meisje dus af om een poging te wagen op de dag die het Romeinse equivalent van Valentijnsdag is.

Met de regels die dan volgen, doelt Ovidius op een soort markt rond de Circus Maximus ter gelegenheid van de Sigillaria, een feest dat na de Saturnalia – kort door de bocht: het Romeinse Carnaval – plaatsvond. Tijdens de Sigillaria werden – oorspronkelijk kleine en eenvoudige – standbeelden, sigilla, verkocht om als geschenkje te geven. Deze standbeelden waren ten tijde van Ovidius een pak luxueuzer uitgevoerd en dus veel duurder geworden, zo duur dat ze konden worden bestempeld als “rijkdommen van koningen”. Ook deze dag is dus een zwarte dag voor een minnaar die zijn geldbuidel wat wil sparen.

Ars Amatoria I, 681-704

Deze weggelaten passage is een illustratie bij een verleidingstechniek die we tegenwoordig zouden omschrijven als grensoverschrijdend gedrag:

“Welk verstandig man zal zijn minnetaal niet willen doorspekken met kussen? Mogelijk, dat zij ze niet wil geven, doch dan moet ge maar stelen wat ze niet geeft. Misschien zal ze zich eerst verzetten en “deugniet” tegen U zeggen, maar dan zal ze toch gaarne door Uw gestoei overwonnen worden.”

Er is echter wel zin voor nuance aanwezig:

“Maar, pas op, dat ge met bruut geroofde zoenen haar teedere lippen niet kwetst en dat ze niet kan klagen, dat ge te ruw waart!”

Een uitgebreide illustratie bij het principe van “stelen wat ze niet geeftis de volgende weggelaten passage:

Ars Amatoria I, 681-704

Fabula nota quidem, sed non indigna referri,
Scyrias Haemonio iuncta puella viro.
Iam dea laudatae dederat mala praemia formae
Colle sub Idaeo vincere digna duas:
Iam nurus ad Priamum diverso venerat orbe,
Graiaque in Iliacis moenibus uxor erat:
Iurabant omnes in laesi verba mariti:
Nam dolor unius publica causa fuit.
Turpe, nisi hoc matris precibus tribuisset, Achilles
Veste virum longa dissimulatus erat.
Quid facis, Aeacide? non sunt tua munera lanae;
Tu titulos alia Palladis arte petas.
Quid tibi cum calathis? clipeo manus apta ferendo est:
Pensa quid in dextra, qua cadet Hector, habes?
Reice succinctos operoso stamine fusos!
Quassanda est ista Pelias hasta manu.
Forte erat in thalamo virgo regalis eodem;
Haec illum stupro comperit esse virum.
Viribus illa quidem victa est, ita credere oportet:
Sed voluit vinci viribus illa tamen.
Saepe ‘mane!’ dixit, cum iam properaret Achilles;
Fortia nam posita sumpserat arma colo.
Vis ubi nunc illa est? Quid blanda voce moraris
Auctorem stupri, Deidamia, tui?

Vertaling

Het verhaal is zeker gekend, maar vermelding niet onwaardig,
Een meisje van Scyrus werd verbonden aan de Haemonische man.
Reeds had de godin met de veelgeprezen schoonheid een vergiftigde beloning gegeven,
Zij die het waard was haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida.
Reeds was een schoondochter van een ver continent bij Priamus aangekomen,
En was er een Griekse echtgenote binnen de muren van Ilium:
Allen zwoeren bij de bevelen van de gekrenkte echtgenoot:
Want het leed van één was een openbare zaak.
Op schandelijke wijze, als dit niet aan de smeekbeden van de moeder te wijten was,
Verborg Achilles zijn mannelijkheid onder lange kledij.
Wat doe je, kleinzoon van Aeacus? De wol [spinnen] is jouw werk niet;
Jij moet de eerbewijzen van een andere kunst van Pallas nastreven.
Wat moet je aanvangen met manden? Jouw hand is geschikt om een schild te dragen:
Waarom heb je wol in de rechterhand, waaronder Hector vallen zal?
Gooi dat met veel tijdrovend werk omwikkelde spinrokken weg!
Jouw hand moet de speer van de Pelion drillen.
Door toeval lag een koninklijke maagd in hetzelfde bed;
Zij bemerkte door haar ontering dat hij een man was.
Door geweld werd zij overwonnen, dit moeten we althans geloven:
Maar toch wilde ze door geweld overwonnen worden.
Dikwijls zei ze ‘blijf!’ terwijl Achilles zich al weghaastte;
Want nadat hij de ketel had weggezet nam hij reeds zijn sterke wapens op.
Waar is dat geweld nu? Waarom houd je met een vleiende stem
De dader van jouw ontering tegen, Deidamia?

Deze episode speelt zich af wanneer Achilles op bevel van zijn moeder Thetis als vrouw vermomd onderduikt op Scyrus, om te ontsnappen aan een mobilisatie voor de Trojaanse Oorlog. Hij zou immers een grote aanwinst zijn voor het Griekse leger, maar volgens een orakel zou de oorlog hem het leven kosten, hetgeen Thetis wilde vermijden. Uiteindelijk wordt Achilles ontmaskerd door een list van Odysseus: wanneer hij aankomt op Scyrus spreidt hij een hoop geschenken, waaronder een wapenrusting, tentoon waaruit hij de vrouwen laat kiezen. Op dat moment laat hij echter een alarmsein geven. Achilles, die denkt dat er echt een aanval op komst is, grijpt in een reflex naar de wapens en wordt op die manier ontmaskerd. Het “meisje van Scyrus“, is hier de prinses Deidamia. De “Haemonische manis Achilles, die afkomstig is uit Phthia, dat als oude naam Haemonia draagt. De godin “die het waard was te haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida“, is Venus die het Parisoordeel won op de Idaberg bij Troje. Ook bij deze passage is er veel veronderstelde kennis, hoewel het hier gaat om een overbekende held als Achilles. Meihuizen opteert dus ook hier geheel volgens zijn principe voor het weglaten van de anekdote.

Ars Amatoria I, 741-744

De volgende weggelaten regels zijn een tegenwerping bij een goede raad die Ovidius geeft. Hij raadt immers aan niet te veel op te scheppen over de dame die je op het oog hebt, anders zou een “vriend” wel eens onder je duiven kunnen schieten. Hij geeft vervolgens mythologische tegenvoorbeelden die hij vervolgens weerlegt (een zogenaamde occupatio). Het zijn deze tegenvoorbeelden die door Meihuizen weggelaten worden, alweer omwille van de veelheid aan mythologische informatie die erin samengebald is.

Ars Amatoria I, 741-744

At non Actorides lectum temeravit Achillis:
Quantum ad Pirithoum, Phaedra pudica fuit.
Hermionam Pylades quo Pallada Phoebus, amabat,
Quodque tibi geminus, Tyndari, Castor, erat.

Vertaling

Maar de kleinzoon van Actor heeft het bed van Achilles toch niet onteerd:
Wat Pirithoüs betreft, was Phaedra kuis.
Pylades hield van Hermione zoals Phoebus van Pallas,
en zoals je tweelingbroer Castor voor jou was, dochter van Tyndareus.

De kleinzoon van Actor is Patroclus, de trouwe vriend – en volgens sommige theorieën ook minnaar – van Achilles. Pirithoüs was de vriend van Theseus, die met Phaedra getrouwd was. Dat Phaedra wel plannen tot overspel had, wordt hier subtiel duidelijk:  “Wat Pirithoüs betreft, was ze kuis“, maar niet wanneer het Hippolytus betreft… Pylades, vriend van Orestes, maakte volgens de mythologie geen avances bij diens vrouw Hermione, net zoals Phoebus (Apollo) dat niet deed bij Pallas (Athena), die overigens haar maagdelijkheid wilde bewaren. De dochter van Tyndareus is Helena, de zus van Castor en Pollux. In deze vier verzen worden dus in razende vaart zeer veel mythologische personages geciteerd, soms zelfs enkel met hun vadersnaam, wat het tekstbegrip voor niet-specialisten uiteraard erg bemoeilijkt. Meihuizen lost dit in zijn vertaling alweer op met een parafrase:

“Maar” – zult ge zeggen – “verschillende helden in onze mythen hebben zich toch niet op die wijze misdragen!”

Deze veralgemening is uiteraard makkelijker te verteren dan de uitgebreide mythologische verhalen, maar haalt ook de rijkdom van de tekst weg. De redenering blijft echter duidelijk: vertrouw je vrienden maar niet te veel wanneer het gaat over je amoureuze plannen.

Ars Amatoria II, 216-219

Ook een andere korte weglating wordt opgelost met een parafrase:

“Men meent te weten, dat Hercules te midden van Ionische slavinnen de werkmand ophield en grove wol heeft gekamd.”

Voorafgaand aan dit stukje heeft Ovidius de lezer de raad gegeven er niet voor terug te deinzen kleine werkjes te doen voor je geliefde, ook al zijn het taken die normaal door slaven gedaan worden. Deze passage, die alweer als illustratie dient bij een raadgeving, ziet er in de oorspronkelijke versie zo uit:

Ars Amatoria II, 216-219

Ille, fatigata praebendo monstra noverca
Qui meruit caelum, quod prior ipse tulit,
Inter Ioniacas calathum tenuisse puellas
Creditur, et lanas excoluisse rudes.

Vertaling

Hij die, nadat hij zijn stiefmoeder vermoeid had met monsters op hem af te sturen,
De hemel verdiende, die hij eerder zelf gedragen had,
Droeg tussen de Ionische meisjes een mand,
Zo gelooft men, en kamde grove wol.

Het gaat hier inderdaad over Hercules, maar dat weten we in de oorspronkelijke versie alleen door de mythologische verwijzingen: Juno, die hier ironisch zijn stiefmoeder genoemd wordt, zorgde er indirect voor dat Hercules verplicht werd zijn twaalf werken uit te voeren, nadat een eerste moordpoging met twee slangen mislukt was. Hercules verdiende inderdaad de hemel: hij werd vergoddelijkt na zijn dood. Die hemel had hij tijdens zijn leven zelf gedragen, toen hij Atlas afloste bij deze taak, zodat Atlas de gouden appels van de Hesperiden in zijn plaats kon plukken. De slavendienst van Hercules is een verwijzing naar zijn dienst bij Omphale, de koningin van Lydië. Hercules moest een jaar lang haar slaaf zijn en vrouwenwerk doen, als straf voor een moord. Daarbij droeg hijzelf vrouwenkleren, terwijl Omphale zijn leeuwenhuid en knots droeg. Na afloop van zijn dienstjaar was Omphale blijkbaar zo tevreden over het rollenspel, dat ze met hem trouwde.

Ars Amatoria II, 401-406

In deze weggelaten passage worden Clytaemnestra’s beweegredenen voor de moord op haar man Agamemnon uiteengezet. Meihuizen laat deze in zijn vertaling weg, maar vermeldt het voorbeeld van haar overspelige relatie met Aegisthus, de zoon van Thyestes, wel:

Verontwaardigd door wat ze ondervond, liet zij den zoon van Thyestes toe in haar hart en haar armen en strafte zoodoende ter dege haar zondigen man.

“Wat ze ondervond”, was het volgende:

Ars Amatoria II, 401-406

Audierat laurumque manu vittasque ferentem
Pro nata Chrysen non valuisse sua:
Audierat, Lyrnesi, tuos, abducta, dolores,
Bellaque per turpis longius isse moras.
Haec tamen audierat: Priameida viderat ipsa:
Victor erat praedae praeda pudenda suae.

Vertaling

Ze had gehooord dat Chryses, die de laurier in zijn hand en de hoofdband droeg,
Niets kon doen voor zijn dochter.
Ze had gehoord, Lyrnessische, over jouw pijnen nadat je ontvoerd was,
En dat de oorlog langer doorging door schandelijk oponthoud.
Deze dingen had ze gehoord. Maar de dochter van Priamus zag ze zelf:
De overwinnaar was een schandelijke prooi van zijn prooi.

Hier wordt verwezen naar het conflict dat de aanleiding is van alle gebeurtenissen in Homerus’ Ilias: een ruzie tussen Agamemnon en Achilles, met Chryseïs, de dochter van Chryses en afkomstig van Lyrnessa, als inzet, liep uit de hand. Chryses was een priester van Apollo, vandaar dat hij de laurier, symbool van Apollo, en de hoofdband droeg. Hij vroeg de vrijlating van zijn dochter, die ontvoerd was door Agamemnon. Agamemnon weigerde dit eerst, maar moest uiteindelijk toch toegeven wanneer Achilles zijn steun aan Chryses verleende. Uit wraak eiste hij wel Achilles’ buit, de slavin Briseïs, op. Achilles werd op zijn beurt verplicht toe te geven en was zo woedend, dat hij de Grieken nog weigerde te steunen in hun strijd tegen de Trojanen. Dit zorgde voor een “schandelijk oponthouden deed de oorlog nog langer aanslepen.

Na de oorlog keerde Agamemnon terug, met de dochter van Priamus, Cassandra, als gevangene. Hij pleegde overspel met haar en dit was nog een reden tot moorden voor Clytaemnestra. Ook Cassandra zou het moeten ontgelden.

Ars Amatoria III 11-24

Aan het begin van dit derde boek boek, waarin Ovidius nu de vrouwen verleidingstips geeft, verantwoordt hij zijn aanpak:

“Het was niet billijk de meisjes ongewapend tegen de welvoorziene mannen te doen optrekken en zoo te overwinnen, was ook voor U mannen, alles behalve eervol.”

Hierop volgt een occupatio:

“Mogelijk zal iemand van mijn vele lezers zeggen: “Waartoe verschaft ge een slang nog meer venijn en levert ge een schaapskooi aan de wreede wolvin over?” Ge moet de ondeugdelijkheid van sommige vrouwen niet allen aanwrijven. Ieder meisje worde naar haar eigen verdiensten beoordeeld.”

Deze occupatio is te vergelijken met die van I, 741-744, maar dit keer valt het antwoord duidelijk positief uit. Hierop volgt een weggelaten tekstdeel dat door Meihuizen als volgt samengevat wordt:

“Al noemen de mythen eenige vrouwen, die zich misdroegen, vertellen zij ons niet van andere heldinnen, die voor hun mannen alles overhadden?”

Dit is een verantwoording bij het antwoord op de occupatio. In de oorspronkelijke versie stond het volgende te lezen:

Ars Amatoria III 11-24

Si minor Atrides Helenen, Helenesque sororem
Quo premat Atrides crimine maior habet,
Si scelere Oeclides Talaioniae Eriphylae
Vivus et in vivis ad Styga venit equis,
Est pia Penelope lustris errante duobus
Et totidem lustris bella gerente viro.
Respice Phylaciden et quae comes isse marito
Fertur et ante annos occubuisse suos.
Fata Pheretiadae coniunx Pagasaea redemit:
Proque viro est uxor funere lata viri.
‘Accipe me, Capaneu! cineres miscebimus’ inquit
Iphias, in medios desiluitque rogos.

Vertaling

Indien de jongere zoon van Atreus Helena heeft om te beschuldigen van een misdrijf
En de oudere zoon van Atreus de zuster van Helena,
Indien de zoon van Oecles door de misdaad van Eriphyle, dochter van Talaüs
Levend en op levende paarden bij de Styx aankomt,
Is Penelope toch trouw, hoewel haar man gedurende twee lustra rondzwierf
En evenveel lustra oorlog voerde.
Kijk naar de kleinzoon van Phylacus en naar haar die haar echtgenoot vergezelde
– zo zegt men – en voor haar tijd het leven liet.
De Pagasische echtgenote kocht het doodslot van de zoon van Pheres af:
En in de plaats van haar man werd de vrouw in de begrafenisstoet van haar man gedragen.
‘Neem me aan, Capaneus! Als asse zullen we ons mengen!’ zei
De dochter van Iphis en ze sprong in het midden van de brandstapel.

De jongere zoon van Atreus is Menelaos, die door zijn vrouw Helena met Paris bedrogen werd, zijn broer Agamemnon werd, zoals reeds vermeld, vermoord door Clytaemnestra, Helena’s zuster.

De zoon van Oecles is Amphiaraüs. Toen die door Polynices werd aangesproken om mee oorlog te voeren tegen Polynices’ broer Eteocles, met de Thebaanse troon als inzet, weigerde Amphiaraüs, omdat hij door zijn zienersgave wist dat iedereen de zich bij Polynices aansloot hierbij zou omkomen. Hij verborg zich, maar zijn vrouw Eriphyle verraadt hem aan Polynices in ruil voor de halsketting die had toebehoord aan Harmonia, de vrouw van Cadmus, de stichter van Thebe. Na de nederlaag tegen Eteocles sloeg Amphiaraüs op de vlucht in zijn strijdwagen, maar Jupiter opende de aarde met zijn bliksem, om te voorkomen dat Amphiaraüs in zijn rug gestoken zou worden door zijn achtervolgers. Zo kwam hij “levend en op levende paarden bij de Styxaan. Hierna werd hij vergoddelijkt.

Na deze negatieve voorbeelden, volgen vier positieve voorbeelden. Het eerste is Penelope, de vrouw van Odysseus die gedurende twintig jaar trouw bleef aan haar doodgewaande man en niet trouwde met één van de talrijke en opdringerige kandidaten die zich aanboden.

Het tweede voorbeeld is Laodamia, de vrouw van Protesilaüs, de kleinzoon van Phylacus, die zoveel verdriet had om het overlijden van haar man in de Trojaanse Oorlog, dat ze zelfmoord pleegde.

Het derde positieve voorbeeld van vrouwelijke toewijding aan de echtgenoot is Alkestis, die in de plaats van haar echtgenoot Admetus, zoon van Pheres, stierf. Admetus had immers van Apollo de gave gekregen om zijn leven te verlengen, indien iemand bereid was in zijn plaats te sterven. In de bloei van zijn leven werd Admetus ziek en zijn dood naderde. Hoe hij ook zocht, niemand, zelfs een slaaf niet, wilde in zijn plaats sterven. Uiteindelijk bood Alkestis zich aan, want ze zou toch zonder hem niet kunnen verder leven, zo zei ze zelf. Admetus moest wel beloven goed voor hun kinderen te zorgen en na haar dood niet met een andere vrouw te trouwen. Admetus beloofde het en genas, terwijl Alkestis stierf. Achteraf kreeg hij echter spijt en hij wilde samen met Alkestis sterven, maar hij was gebonden aan de eed die hij gezworen had om voor de kinderen te zorgen en bleef dus in leven. Vervolgens werd Alkestis echter uit de onderwereld teruggehaald door Hercules of teruggestuurd door Persephone, de vrouw van Pluto, die ontroerd was door het offer dat Alkestis gebracht had. Alkestis was afkomstig van Pagasae, een havenstad in Thessalië, vandaar dat Ovidius haar “de Pagasischenoemt.

Het vierde en laatste voorbeeld in deze reeks is Euadne, de dochter van Iphis, wier man Capaneus net als Amphiaraüs stierf in de oorlog die Polynices uitvocht tegen Eteocles. Zij gooide zich van verdriet op de brandstapel die voor hem bedoeld was.

Geschrapte libertijnsche passages

De passages die we hier laten volgen, zijn om verschillende redenen te onzedig om in 1941 integraal vertaald te worden voor een breed publiek. Het gaat hier om delen uit het tweede en derde boek van de Ars Amatoria. Dit is een logisch gevolg van de structuur van het werk, die de chronologische volgorde van het verleidingsproces volgt. Het spreekt dus voor zich dat de “consummatie” van dit proces op het einde van de tips voor mannen (boeken één en twee) en op het einde van de reeks tips voor vrouwen (boek drie) gesitueerd is.

Ars Amatoria II, 684

In een passage waarin Ovidius zegt dat hij het niet heeft voor bedactiviteiten waar slechts één betrokken partij plezier aan beleeft, zegt hij het volgende:

Hoc est, cur pueri tangar amore minus.

Dit is de reden, waarom ik minder wordt getroffen door de liefde van of voor een jongen.

In een tijd dat homoseksualiteit nog verre van aanvaard en in de meeste westerse landen zelfs nog voor juridische vervolging vatbaar was, kon deze regel niet bewaard blijven in de vertaling. Ter illustratie: homoseksualiteit werd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) pas in 1990 uit de lijst van psychische ziekten geschrapt. Daarbij moeten we echter bedenken dat de klassering als ziekte, die haar wortels vindt in de 19de eeuw, oorspronkelijk een vooruitgang was: de definitie als ziekte in plaats van als zonde nam immers de schuld weg bij het individu. Deze problematiek kende men in de oudheid echter totaal niet, omdat seksualiteit überhaupt niet als zondig werd gezien, vandaar dat Ovidius er ook zo openlijk en zelfs ‘en passant’ over kan spreken.

Ars Amatoria II, 690-692

Een paar regels verder zijn er alweer verzen die voor censuur vatbaar zijn: na de stelling dat “het hem verheugt uit haar stem te hooren hoe gelukkig ze is en den kwijnenden blik van zijn lief op te vangen”, gaat Ovidius volgens Meihuizen een stap te ver:

Quaeque morer me, me sustineamque rogent.
Aspiciam dominae victos amentis ocellos:
Langueat, et tangi se vetet illa diu.

[Haar stem] die me vraagt trager te gaan en me in te houden.
Ik zal kijken naar de overwonnen ogen van mijn uitzinnige meesteres:
moge zij murw zijn en zich er lange tijd van weerhouden aangeraakt te worden.

Elke vorm van commentaar is hier volstrekt overbodig.

Ars Amatoria II, 703-733

Na een korte lofzang op de rijpere vrouw, die Ovidius’ voorkeur wegdraagt, laat Meihuizen opnieuw een passage weg. In dit geval gaat het zelfs om het “hoogtepunt” van de eerste twee boeken van de Ars Amatoria: ook hier spreken de tekst en de vertaling voor zich.

Ars Amatoria II, 703-733

Conscius, ecce, duos accepit lectus amantes:
Ad thalami clausas, Musa, resiste fores.
Sponte sua sine te celeberrima verba loquentur,
Nec manus in lecto laeva iacebit iners.
Invenient digiti, quod agant in partibus illis,
In quibus occulte spicula tingit Amor.
Fecit in Andromache prius hoc fortissimus Hector,
Nec solum bellis utilis ille fuit.
Fecit et in capta Lyrneside magnus Achilles,
Cum premeret mollem lassus ab hoste torum.
Illis te manibus tangi, Brisei, sinebas,
Imbutae Phrygia quae nece semper erant.
An fuit hoc ipsum, quod te, lasciva, iuvaret,
Ad tua victrices membra venire manus?
Crede mihi, non est veneris properanda voluptas,
Sed sensim tarda prolicienda mora.
Cum loca reppereris, quae tangi femina gaudet,
Non obstet, tangas quo minus illa, pudor.
Aspicies oculos tremulo fulgore micantes,
Ut sol a liquida saepe refulget aqua.
Accedent questus, accedet amabile murmur,
Et dulces gemitus aptaque verba ioco.
Sed neque tu dominam velis maioribus usus
Desere, nec cursus anteat illa tuos;
Ad metam properate simul: tum plena voluptas,
Cum pariter victi femina virque iacent.
Hic tibi versandus tenor est, cum libera dantur
Otia, furtivum nec timor urget opus.
Cum mora non tuta est, totis incumbere remis
Utile, et admisso subdere calcar equo.

Parthische ruiter van Abraham de Bruyn

Vertaling

Kijk, het medeplichtige bed ontvangt twee minnaars :
Muze, blijf achter bij de gesloten deuren van de slaapkamer.
Beroemde woorden zullen ook zonder jou uit zichzelf spreken
En de linkerhand zal evenmin werkeloos in het bed liggen.
De vingers zullen vinden wat ze moeten doen in die lichaamsdelen,
Waarin Cupido heimelijk zijn pijlpunten drenkt.
De dappere Hector deed dit in het verleden voor Andromache:
Hij was niet enkel nuttig voor de oorlog…
De grote Achilles deed dit ook bij de gevangen Lyrnessische,
Toen hij, vermoeid door de vijand, het zachte bed indrukte.
Jij, Briseïs, stond toe aangeraakt te worden met die handen,
Die in Phrygië steeds van moord doordrenkt waren.
Of was het misschien net dát dat jou, wellustelinge, opwond,
Dat die overwinnaarshanden naar jouw lichaam kwamen?
Geloof me, de voldoening van Venus moet niet overhaast worden,
Maar moet geleidelijk en met lang uitstel worden opgehitst.
Wanneer je de plaatsen gevonden hebt, waar een vrouw graag aangeraakt wordt,
Laat de schaamte dan niet verhinderen dat je haar daar aanraakt.
Je zal zien dat haar ogen heen en weer schieten met een sidderende flits,
Zoals de zon glinstert op stromend water.
Daarbij komen nog gesteun en beminnelijk gekreun
En zoete zuchten en woorden die geschikt zijn voor grapjes.
Maar vaar je meesteres niet voorbij door grotere zeilen te gebruiken
Noch moet zij je voorgaan op deze weg;
Haast jullie samen naar de eindmeet: dan pas is de voldoening volmaakt,
Wanneer man én vrouw tegelijk uitgeput neerzijgen.
Deze koers moet je aanhouden, wanneer het je niet ontbreekt
Aan tijd en de angst de vluchtige daad niet verhaast.
Maar wanneer uitstel niet veilig is, dan alle zeilen bij te zetten
En het paard, dat de vrije teugel heeft, de sporen te geven, dat is nuttig.

Ars Amatoria III, 769-788

Ook voor de vrouwen heeft Ovidius bepaalde tips, zodat ze zich van hun mooiste kan kunnen laten zien. Deze volgen vlak na de goede raad “een beetje te drinken, maar ook niet te veel.”

Ars Amatoria III, 769-788

Ulteriora pudet docuisse: sed alma Dione
‘Praecipue nostrum est, quod pudet’ inquit ‘opus.’
Nota sibi sit quaeque: modos a corpore certos
Sumite: non omnes una figura decet.
Quae facie praesignis erit, resupina iaceto:
Spectentur tergo, quis sua terga placent.
Milanion umeris Atalantes crura ferebat:
Si bona sunt, hoc sunt accipienda modo.
Parva vehatur equo: quod erat longissima, numquam
Thebais Hectoreo nupta resedit equo.
Strata premat genibus, paulum cervice reflexa,
Femina per longum conspicienda latus.
Cui femur est iuvenale, carent quoque pectora menda,
Stet vir, in obliquo fusa sit ipsa toro.
Nec tibi turpe puta crinem, ut Phylleia mater,
Solvere, et effusis colla reflecte comis.
Tu quoque, cui rugis uterum Lucina notavit,
Ut celer aversis utere Parthus equis.
Mille modi veneris; simplex minimique laboris,
Cum iacet in dextrum semisupina latus.

Vertaling

Ik schaam me ervoor verder onderricht te geven: maar de voedster Dione
Zegt: ‘Uitgerekend datgene waarvoor we ons schamen, is mijn werk.’
Elke vrouw moet zichzelf kennen: de maat die voor jouw lichaam past,
Die moet je aannemen: dezelfde houding past niet bij iedereen.
Wie een mooi gezicht heeft, moet achterover liggen:
Wie een mooie rug heeft, moet die laten zien.
Milanion droeg de benen van Atalanta op zijn schouders:
Als ze mooi zijn, moeten ze op die manier aangewend worden.
Een kleine vrouw moet rijden als op een paard: omdat ze zeer groot was,
Zat de Thebaanse eega nooit op het paard Hector.
Een vrouw die haar hele flank wil laten bewonderen,
Moet zich op haar knieën plaatsen, met de nek een beetje gebogen.
Als de vrouw jeugdige dijen heeft en ook mooie borsten heeft,
Moet de man rechtstaan, maar zijzelf moet schuin op het bed liggen.
En reken het jezelf niet als een schande aan om, zoals Laodamia,
Je haar los te laten, en leg je nek achterover met je losse haren.
Ook jij, bij wie een geboortegodin Lucina de buik met striemen heeft getekend,
Maak er gebruik van, zoals de snelle Parthen averechts te paard zitten.
Er zijn duizend manieren om de liefde te bedrijven: een eenvoudige en weinig vermoeiende is,
Wanneer zij half achterovergebogen op de rechterzij ligt.

De Dione waarvan sprake aan het begin van dit stukje, is de moeder van Venus, maar de naam wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor Venus. In dit geval geniet de laatste interpretatie om evidente redenen de voorkeur. Een gelijkaardig geval doet zich voor bij de naam Milanion: dit is een andere naam voor Hippomenes. De Thebaanse echtgenote van Hector was Andromache, die volgens Homerus inderdaad van Thebe afkomstig was.

Ars Amatoria III, 793-808

Na vier regels die Meihuizen wel vertaalt en waarin Ovidius verklaart dat zijn tips “omwille van zijn ervaring” meer waarheid bevatten “dan de orakels van Apollo en Ammon samen“, volgt opnieuw een lange passage die weggelaten wordt: het hoogtepunt volgt immers nu pas:

Ars Amatoria III, 793-808

Sentiat ex imis venerem resoluta medullis
Femina, et ex aequo res iuvet illa duos.
Nec blandae voces iucundaque murmura cessent,
Nec taceant mediis improba verba iocis.
Tu quoque, cui veneris sensum natura negavit,
Dulcia mendaci gaudia finge sono.
Infelix, cui torpet hebes locus ille, puella,
Quo pariter debent femina virque frui.
Tantum, cum finges, ne sis manifesta, caveto:
Effice per motum luminaque ipsa fidem.
Quam iuvet, et voces et anhelitus arguat oris;
A! pudet, arcanas pars habet ista notas.
Gaudia post Veneris quae poscet munus amantem,
Illa suas nolet pondus habere preces.
Nec lucem in thalamos totis admitte fenestris;
Aptius in vestro corpore multa latent.

Vertaling

Moge een ontketende vrouw een genot voelen
Dat door merg en been gaat, en mogen beide geliefden daar op gelijke wijze van genieten.
En de liefkozende woorden moeten niet ophouden, noch het aangename gekreun,
Noch de stoute woordjes vergezeld van grapjes.
Ook jij, aan wie de natuur het gevoel van genot heeft ontzegd,
Moet de zoete genoegens met leugenachtig geluid nabootsen.
Ongelukkig het meisje, bij wie die plaats van de jeugd gevoelloos is,
Waar man en vrouw op dezelfde manier moeten genieten.
Maar, wanneer je doet alsof, wees dan niet te duidelijk, let op:
Maak het geloofwaardig door bewegingen en met je ogen.
Wie dat wil, kan het ook duidelijk maken met de stem en met gehijg.
Ah! Ik ben beschaamd: dit deel bevat geheime kennis.
Wie na de geneugten van Venus een geschenk vraagt aan haar minnaar,
Die wil niet dat haar smeekbeden enige waarde hebben.
Laat het licht niet uit wijd geopende vensters toe in de slaapkamer:
Zo verberg je makkelijker vele dingen op je lichaam.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnschzijn, zijn inderdaad zeer expliciet, zonder echter, naar onze mening althans, vunzig of plat te zijn. Het bovenstaande kan dan ook enkel een illustratie zijn van een reeds lang gekende waarheid: traduttore traditore, een vertaler – al dan niet gecensureerd – is altijd een beetje een verrader.

Korte bibliografie

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Coverfoto: schilderij ‘Ancient Italy – Ovid Banished from Rome’ van Joseph Mallord William Turner op Wikimedia via The Athenaeum (CC BY-SA 3.0)

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/feed/ 0 635