Ptolemaios Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/ptolemaios/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 12 Oct 2025 14:03:51 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Ptolemaios Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/ptolemaios/ 32 32 136391722 Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/#respond Sun, 12 Oct 2025 14:02:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2718 De bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten

Ook in de Oudheid konden belastingbetalers zich beroepen op bewijsmateriaal: uit duizenden papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte blijkt dat belastingkwitanties een belangrijk middel vormden om burgers te beschermen tegen fraude en misbruik. Ze tonen aan dat onderdanen niet louter passieve slachtoffers waren van een zwaar belastingsysteem, maar ook rechten konden laten gelden. In dit artikel wordt geschetst hoe deze kwitanties functioneerden, van Ptolemaeïsch Egypte tot zelfs Bactrië en Babylonië, en wat ze onthullen over administratieve continuïteit en de ideologie van redelijkheid bij antieke heersers. Zelfs in een wereld zonder digitale archieven gold: wie zijn bonnetje bijhield, stond sterker.

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zomer brengt in België niet enkel vakantie, maar ook het moment waarop de belastingaangifte ingediend moest worden. Traditioneel gaat dat gepaard met heel wat papierwerk, wat al eens tot frustratie kan leiden. Maar die bureaucratie heeft ook een positieve kant: het papierwerk kan namelijk gebruikt worden om aan te tonen dat aan alle verplichtingen voldaan is. In de Oudheid was dat niet anders. We stellen ons de onderdanen van de antieke heersers al te makkelijk voor als hulpeloze slachtoffers van scrupuleuze belastinginners, die gebukt gingen onder zware fiscale verplichtingen. Dit was echter niet noodzakelijk het geval. Zeker, onze bronnen tonen dat ambtsmisbruik geen uitzondering was, maar er was op zijn minst een ideologie die de nadruk legde op redelijkheid, en individuen stonden niet machteloos. Het meest directe bewijs hiervoor wordt geleverd door de papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte. In het bijzonder de belastingkwitanties die aan de betalers werden uitgedeeld, wijzen op een zekere mate van bescherming.

Antieke belastingbetalers: onderdrukt en overbelast?

De Romeinse keizer Tiberius op een zilveren denarius

We moeten ons uiteraard geen illusies maken over de zwaarte van belastingen in de Oudheid, maar het blijft niettemin onduidelijk wat de belastingdruk was in antieke samenlevingen. In ieder geval erkenden de heersers over het algemeen het feit dat overdreven zware belastingen op lange termijn contraproductief werkten. Het bekendste voorbeeld zijn de woorden die Suetonius toeschrijft aan Tiberius. De keizer vermaande enkele van zijn gouverneurs als volgt: “een goede herder moet zijn schapen scheren, niet villen.” Meer dan een millennium eerder vinden we de redenering nog explicieter terug in Egypte, in de zogenaamde Loyalist Teaching:

Overweldig de boer niet met belastingen, laat hem het goed hebben en hij zal er het volgende jaar nog steeds voor je zijn.

Soortgelijke opvattingen zijn overal in de antieke wereld terug te vinden, van Babylonische wijsheidsliteratuur tot de Arthashâstra in het India van de 4de eeuw v.C. Dat dit niet alleen theoretische overwegingen waren, blijkt het duidelijkst uit de documentaire teksten uit Egypte, inclusief edicten en officiële correspondentie waarin werd vastgelegd wie wat moest bijdragen en waarin ambtenaren die misbruik maakten van hun positie met straffen werden bedreigd.

Belastingkwitanties als bescherming van betalers in Hellenistisch Egypte

Op 25 artabas na heeft Ptolemaios zoon van Harpsalis ons niets toegerekend voor de half-artaba belasting, omdat jij geen kwitantie genomen hebt, aangezien je niks serieus neemt. [P. Tebt. 3 768; TM 7848]

Misstanden tegenover belastingbetalers kwamen wel degelijk voor in Egypte, maar de situatie kon verholpen worden, althans als de betaler eraan gedacht had om een kwitantie mee naar huis te nemen. Met meer dan 2000 gepubliceerde exemplaren vormen belastingkwitanties het meest voorkomende type tekst uit de Ptolemaeïsche periode, en dat aantal neemt nog toe onder de Romeinen. De Ptolemaeïsche kwitanties komen grotendeels uit Opper-Egypte, waar ze op ostraca geschreven werden.

Andere teksten maken echter duidelijk dat het om een algemeen gebruik ging; ook elders in Egypte deelden de autoriteiten zulke bewijsstukken uit. Aangezien er soms verschillende kwitanties op hetzelfde object aangebracht werden, was het waarschijnlijk de betaler zelf die een ostracon, papyrus of houten tabletje meebracht. De meeste betalers waren onderworpen aan een hele reeks belastingen, en in het gemiddelde huishouden zouden er dus verschillende kwitanties terug te vinden geweest zijn, wat interessante vragen oproept over de geletterdheid van de Egyptische bevolking.

Ptolemaeïsche kwitantie voor de belasting op wijngaarden

Kwitantie voor de oogstbelasting uit de 6de eeuw v.C.

Hoewel ze pas vanaf de Ptolemaeïsche periode in grote aantallen bewaard gebleven zijn, kende men in Egypte al eerder belastingkwitanties, ten laatste vanaf de 7de eeuw v.C. De Ptolemaeën namen in dit geval dus een bestaande praktijk over en ze breidden het gebruik ervan uit. Dit hoeft niet te verbazen: contact met de belastingbetalers was een zaak van de lokale administratie, en op dit niveau was de continuïteit het grootst. Kwitanties uit een archief dat toebehoorde aan een zekere Teos (een Thebaanse dodenpriester of choachiet) en diens vrouw Thabis, daterend uit de overgangsperiode tussen de Perzen en de Ptolemaeën (4de eeuw v.C.), tonen bovendien vormelijke continuïteit met de vorige periodes. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een specifieke Ptolemaeïsche vorm van belastingkwitanties, waaronder ook exemplaren die in het Grieks waren opgesteld.

Documenten ten dienste van de bevolking

Het citaat in de vorige sectie toonde reeds dat de kwitanties door de belastingbetalers werden bijgehouden als bewijsstukken. Zonder konden gewetenloze beambten hen twee keer laten betalen. Er zijn meerdere gevallen bekend waarin zulke functionarissen kwitanties aan de betalers probeerden te ontfutselen, hetzij onder valse voorwendselen, hetzij door ze gewoon te stelen, om zo meer geld af te kunnen troggelen van hun slachtoffers.

Takskwitantie in het Demotisch en het Aramees

Gelukkig schetsen andere teksten een positiever beeld van het gebruik van kwitanties. Eén betaler uit de vroeg-Romeinse periode verwijst nog terug naar kwitanties uit de tijd van Cleopatra VII, decennia eerder, en de kwitanties bleven dus zelfs geldig over de regimewissel heen. De meeste Ptolemaeïsche kwitanties werden geschreven in het Demotisch of het Grieks, maar er zijn ook een handvol Aramese exemplaren bewaard. Dit toont nog maar eens aan dat ze bedoeld waren om de belastingbetalers van dienst te zijn, aangezien het Aramees geen officiële taal was van de Ptolemaeïsche staat, maar een minderheidstaal van bepaalde gemeenschappen.

De Ptolemaeën boden deze dienst gratis aan, in tegenstelling tot de Romeinen, die de bevolking lieten betalen – mensen laten betalen voor het betalen van hun belastingen kan misschien nog een creatieve manier zijn om het gat in de begroting te verkleinen – voor hun belastingkwitanties.

Bescherming van belastingbetalers elders in de Hellenistische wereld

Het feit dat Ptolemaeïsche belastingkwitanties verder bouwden op een bestaand gebruik betekent daarom niet dat het om een exclusief Egyptisch fenomeen ging. Wel is het zo dat alledaagse documenten zoals kwitanties over het algemeen op vergankelijke materialen geschreven werden, die we voornamelijk nog in Egypte terugvinden, dankzij de bijzondere klimatologische omstandigheden.  Maar bij toeval is er een kwitantie uit de 2de eeuw v.C. op dierenhuid bewaard gebleven uit Bactrië, in het huidige Afghanistan. Verschillende van de vermelde formules en ambtenaren zijn ook bekend in Egypte, een illustratie van de verwevenheid van de Hellenistische wereld.

Bactrische belastingskwitantie op dierenhuid uit de 2de eeuw v.C.

Uit het Hellenistische Babylonië zijn weliswaar geen kwitanties bewaard gebleven, maar er zijn wel grote hoeveelheden zegels gevonden met daarop vermeldingen van belastingen. De documenten waaraan ze ooit waren bevestigd, zijn verloren gegaan. Sommige daarvan waren mogelijk belastingkwitanties, en net als in Egypte zijn er voorbeelden van zulke teksten bekend uit de Neobabylonische en Perzische periodes, maar dit is geenszins zeker. In ieder geval dienden de zegels op zichzelf ook als bewijs van de vervulling van bepaalde verplichtingen. Dit illustreert dat er in verschillende antieke samenlevingen verschillende methoden konden worden gebruikt om belastingbetalers te beschermen. Die laatsten waren dus geenszins passieve en uitgebuite onderdanen die weerloos waren tegen misbruik door staatsambtenaren.

Lees meer

Depauw, M., The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes, Turnhout, 2000.
Muhs, B., Tax Receipts, Taxpayers and Taxes in Early Ptolemaic Thebes, Chicago, 2005.
Jakobsson, J. and Glenn, S., ‘New Research on the Bactrian Tax-receipt’, Ancient History Bulletin 32 (2018), 61–71.
van Oppen de Ruiter, B. F. and Wallenfels, R. (eds.), Hellenistic Sealings & Archives: Proceedings of the Edfu Connection, an International Conference, Turnhout, 2021.

Coverafbeelding: adaptatie van een beschilderd tafereel van een veekeuring door Nebamoen (een klerk en graanteller in het befaamde tempelcomplex van Thebe rond 1350 v.C.) uit diens grafcomplex, bewaard in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

 

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/feed/ 0 2718
Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/#respond Tue, 20 Apr 2021 14:30:12 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1949

Op 20 april 202 v.C. gebeurde er iets met de kittens in het huis van Onnophris, een lokale begrafenisondernemer uit het Fajoem-dorpje Tanis. Hij getuigt daarover in een petitie aan de politiechef Machatas. In deze blogpost kom je te weten waarom Onnophris zo verveeld was met wat er in zijn huis gebeurde en hoezeer heilige katten van levensbelang waren in Egypte.

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Waarom zijn heilige katten een zaak van levensbelang in Egypte? Om op die vraag te kunnen antwoorden keren we terug naar  20 april 202 v.C., een dag waarop er iets gebeurde met de kittens in het huis van Onnophris. Deze begrafenisondernemer uit het dorpje Tanis in de Fajoem-oase schreef die dag namelijk de volgende petitie aan de politiechef Machatas:

Toen er enkele katjes werden geboren in mijn huis en toen hun moeder ze niet kwam opzoeken ging ik naar de tempel van Boubastis en ik vroeg de sompheis om te komen en ze mee te nemen naar de Boubastistempel. Maar ze kwamen niet en trokken zich er niets van aan. De katjes werden door mij grootgebracht met melk in mijn huis. Toen gebeurde het dat ze werden meegesleurd door een kater, die ze uit mijn huis meenam tot op de avenue. Ik snelde erheen en riep de mensen die erbij stonden en het hoorden om hulp. We stonden er rond en konden met moeite één katje afpakken met hulp van de omstaanders, onder wie Phasis de dorpssecretaris, aan wie ik een getuigenverslag gaf over wat er was gebeurd. Ik wist niet wat gedaan omdat ik vernam dat u afwezig was en ik kon me in het dorp niet laten zien wegens mijn beroep. Op de 22ste van de huidige maand bracht ik dan het poesje tot aan de poort van de Boubastistempel en ik schonk het met de bede dat de sompheis het zouden binnenbrengen. Want ik mag de tempel niet binnengaan. Opdat ik niet later valselijk zou worden beschuldigd door mensen met kwade bedoelingen, vraag ik met aandrang dat u uw handtekening zou zetten onder alles wat hieronder geschreven staat. Als dat gebeurt, dan zal ik genieten van uw hulp. (P. Köln 15 594)

De Egyptische kattengodin Bastet

Onnophris voelt zich duidelijk verantwoordelijk voor de katjes die in zijn huis geboren zijn en wil het overlevende katje snel een thuis bezorgen in de tempel van de kattengodin Bastet, Boubastis in het Grieks. Somphis is een Egyptisch woord voor “danser” en deze dansers zijn nauw verbonden met de cultus van de godin. Onnophris mag de tempel niet binnen, dat is het voorrecht van de priesters; en begrafenisondernemers zijn zeker onrein en mogen zeker niet door de poort. Onnophris is duidelijk niet gerust in de zaak: hij doet een beroep op het getuigenis van de dorpssecretaris en wil nu ook nog een handtekening van de politiechef. Wat er ondertussen van het katje geworden is, blijft in het ongewisse.

Egyptenaren en hun katten

Dit gebeuren lijkt als twee druppels water op wat Herodotus drie eeuwen vroeger schreef over de Egyptenaren en hun katten:

Vele dieren leven en eten met de mensen samen en hun aantal zou veel groter zijn, als niet het volgende de katten overkwam. Wanneer de vrouwtjes jongen hebben gekregen, zoeken ze de katers niet langer op. De katers willen met de poezen paren, maar krijgen de kans niet. Hierop bedenken ze het volgende: ze halen op gewelddadige of geniepige wijze de jongen bij de poezen weg en doden die, maar peuzelen ze daarna niet op. Wanneer de poezen hun jongen kwijt zijn, verlangen ze naar andere en zoeken ze de katers weer op. Dit dier wil nu eenmaal graag jongen. (Hist. II.66).

Artemis, de Griekse godin van de jacht

In het volgende hoofdstukje vertelt Herodotus dat “de katten na hun dood naar heilige kamers in de stad Boubastis worden overgebracht, waar ze worden gebalsemd en begraven”. Boubastis, de stad in de Delta die aan de kattengodin is gewijd, is volgens Herodotus ook de stad met het grootste carnaval in Egypte, ter ere van Artemis, de Griekse godin die door hem met Bastet wordt geïdentificeerd. Hij beschrijft dit feest als volgt:

“Wanneer ze nu naar de stad Boubastis afreizen, gaat dat ongeveer als volgt. Mannen varen samen met vrouwen en er is een massa volk van beiderlei kunne in iedere boot. Sommige vrouwen hebben ratels bij zich waarmee ze kabaal maken, sommige mannen blazen gedurende de hele boottocht op fluiten. De rest van de vrouwen en mannen zingt en klapt in de handen. Als ze op hun tocht langs een andere stad aankomen, trekken ze de boot aan land en dan gebeurt het volgende: sommige vrouwen doen zoals ik heb gezegd, anderen roepen naar de vrouwen in die stad en maken grapjes met hen, nog anderen dansen en staan recht terwijl ze hun kleed opheffen. Dat doen ze bij elke stad die aan de rivier ligt. Wanneer ze Boubastis hebben bereikt, vieren ze feest en brengen ze grote offers. Tijdens dat feest wordt er meer wijn geconsumeerd dan in heel de rest van het jaar. Tot wel zevenhonderdduizend mensen, mannen en vrouwen, kinderen niet meegerekend, komen er samen, naar de inwoners zeggen. (Hist. II.60)

De verering van katten

Katten afgebeeld op en onder de stoel van grafeigenaar Ipuy en diens vrouw

Katten werden in het Nabije Oosten wellicht al getemd rond 5000 v.C., maar in Egypte blijven tamme katten zeldzaam tot in het Middenrijk (ca. 2000 v.C.). Vanaf het Nieuwe Rijk (ca. 1500 v.C.) zijn er talrijke afbeeldingen van katten als helpers bij de jacht op watervogels en als huisdier onder de stoel van de grafeigenaar. Vanaf de 18de dynastie worden de dieren ook vereerd en die verering neemt een enorme vlucht in de laat-faraonische en Grieks-Romeinse tijd. Getuigen hiervan zijn de kattenkerkhoven en de honderden bronzen beeldjes die over heel Egypte zijn gevonden.

Kattenmummies uit het British Museum

Zo werd ca. 1880-1890 in Beni Hasan in Midden-Egypte een kerkhof gevonden met meer dan 200 000 gemummificeerde katten, die de kinderen aan toeristen verkochten. Een duizendtal werd naar Liverpool gebracht, de meeste hiervan werden verwerkt tot meststof, maar enkele zijn nu te bewonderen in het zoölogisch museum. Ook op veel andere plaatsen vond men kattenmummies, onder andere in Boubastis – natuurlijk – en in Saqqara, de begraafplaats van Memphis. Het graf van de vizier Aperel (18de dynastie) werd later hergebruikt als begraafplaats voor katten (men vond er 200 kattenmummies), maar de meeste mummies dateren uit de Grieks-Romeinse tijd. In 2011 werd een kerkhof bloot gelegd met 600 gemummificeerde katten en enkele honden vlakbij Berenike, een nederzetting aan de Rode Zee van waaruit de handelsroute naar Jemen en India vertrok. Het gaat hier klaarblijkelijk om huisdieren, vaak voorzien van een bronzen halsband. Maar in veel gevallen zijn de dieren met opzet gedood, zoals blijkt uit röntgenfoto’s. Ze werden gekweekt om te worden geofferd aan de godin; ze stierven door wurging of werden doodgeslagen, vaak op erg jonge leeftijd.

© P. Osypińska

Skelet van een kat uit de dierenbegraafplaats in Berenike

Bastet, de Egyptische kattengodin

De leeuwengodin Sachmet

De godin Bastet was oorspronkelijk een leeuwin, maar wordt “getemd” tot kat en zo de tegenpool van de woeste leeuwin Sachmet . Deze metamorfose wordt verteld in de mythe van de verre godin. Tefnout, de dochter van de zonnegod Re, verlaat het hof van haar vader in Heliopolis (de “zonnestad”) en trekt naar Nubische woestijn. Daar geeft ze als bloeddorstige godin (onder de naam Sachmet) vrije loop aan haar woeste karakter. Maar Re wil dat ze terug naar huis komt en stuurt haar broer Shou, de god van de wind, en Thoth, de god van schrift en taal, om haar terug te halen. Met heel wat moeite slagen ze in hun opdracht door zich om te toveren in twee onschuldige aapjes en haar leuke verhalen te vertellen, onder andere de parabel van de leeuw en de muis. Ze beschrijven het verdriet van haar vader Re en van alle mensen om haar afwezigheid en beloven dat de mensen voor haar tempels zullen bouwen en feesten organiseren bij haar terugkeer. Als ze uiteindelijk ja zegt, danst Shou van vreugde – vandaar die priesters-dansers uit onze petitie! – maar Thoth, die een nieuwe woedeuitbarsting wil voorkomen, giet rode wijn in het water van de Nijl in Philae en als de godin daarvan drinkt, denkend dat het bloed is, wordt ze dronken en valt in slaap. Als ze weer wakker wordt is ze gekalmeerd en is de leeuwin veranderd in een brave poes, Sachmet wordt weer Bastet. Bij haar terugkeer is heel het land in feest en vooral natuurlijk haar stad Boubastis en iedereen mag zoveel wijn drinken als hij kan. Bastet is dus de getemde versie van de vreselijke Sachmet, maar ook van de Nijl die na de woeste stroomversnelling van Philae elk jaar Egypte overstroomt en vruchtbaar maakt.

Hoe de Grieken ertoe gekomen zijn om de sexy Egyptische kattengodin te identificeren met de maagdelijke Artemis, de godin van de jacht en van de maan, is niet helemaal duidelijk. Beide waren helpsters bij de geboorte (katten hebben veel jongen en baren gemakkelijk) en dit heeft zeker een rol gespeeld. Dit wordt treffend geïllustreerd door een recente opgraving (in 2009) van een tempel in het centrum van Alexandrië (Kom el-Dikke). Hierbij kwamen honderden beeldjes van katten (vaak met jongen) en kinderen in kalksteen (met sporen van de oorspronkelijke beschildering en verguldsel), brons en faience te voorschijn, die aan de godin Boubastis/Artemis waren gewijd. De tempel was opgericht kort na de stichting van Alexandrië (misschien al in de 4de eeuw v.C.) en de beeldjes ook uit de vroege Ptolemaeïsche tijd zijn gewijd aan de Egyptische Boubastis. Maar op de funderingsplaatjes van de tempel werd deze gewijd aan Artemis door koningin Berenike omstreeks 244 v.C. Heel wat beeldjes, meestal in Griekse stijl, waren gewijd door vrouwen met originele Griekse namen, zoals Philixo, Phormion, Theano, Galateia en de zusjes Asteria en Timarion, ongetwijfeld om een voorspoedige bevalling te verkrijgen of hiervoor te danken. De Egyptische godin was dus al vroeg populair bij de Griekse burgers van de wereldstad.

© C. Méla & F. Mori, Alexandrie la Divine. Volume I

Kattenbeeldjes, gewijd aan de godin Boubastis/Artemis

Conclusie

De heilige dieren waren beschermd, zoals we al horen bij Herodotus: “Wanneer iemand een van die dieren doodt, krijgt hij bij opzettelijk handelen de doodstraf. Is er geen opzet in het spel, wordt hem een straf door de priesters opgelegd. Wie echter een ibis of havik doodt, met of zonder opzet, moet in elk geval sterven” (Hist. II.65).  Diodorus vertelt hoe een Romeins ambassadeur per ongeluk een kat doodreed en hierom door de Alexandrijnen ter plekke werd gelyncht, hoewel koning Ptolemaios (de vader van Cleopatra) juist op dat moment er alles aan deed om de Romeinen te vriend te houden. De episode wordt zelfs vermeld door Cicero en helpt ons om te begrijpen waarom Onnophris zo verveeld zit met wat er in zijn huis is gebeurd met de kittens op 20 april 202 v.C.

Lees meer

De katten van de farao’s. “4000 jaar goddelijke gratie”, catalogus van een tentoonstelling in het Museum voor Natuurwetenschappen, 1990.

Jean-Yves Carrez, ‘Le Boubasteion (Artémision) d’Alexandrie’, in : Charles Méla & Frédéric Möri (eds.), Alexandrie la Divine. Volume I, Genève, 2014, pp. 268-273.

P.Köln 15 594 [TM 704850]

Coverfoto: afbeelding ‘Cat Coffin with Mummy’ van de collectie uit het Brooklyn Museum (CC-BY)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/feed/ 0 1949
Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/#respond Wed, 23 Jan 2019 15:44:19 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1211 Osiris-Apis processie

Het papyrusarchief van Ptolemaios, de katochos van het Serapeum van Memphis, bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Daaronder bevinden zich ook enkele verzoekschriften vanwege de tweelingzussen Thaues en Taous die, nadat hun vader vermoord werd door de minnaar van hun moeder, daar konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Lees in dit artikel alles over deze tweeling en hun speciale functie als priesteres in dienst van de cultus voor de Apisstier en de god Sarapis.

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Osiris-Apis processie

De tweelingzussen Thaues en Taous behoorden tot de gegoede Egyptische klasse in de tijd van de Ptolemaeïsche koningen (332-30 v.C.). In 164 v.C. werden de meisjes door hun moeder Nephorys verjaagd, nadat haar minnaar Philippos de vader van de tweeling had vermoord. De meisjes zochten hun toevlucht bij Ptolemaios, een Macedoniër die als katochos (zie verder) verbleef in het grote Serapeum van Memphis en bovendien een vriend van hun vermoorde vader was. Ptolemaios ving de meisjes op en zorgde ervoor dat ze konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Het papyrusarchief van Ptolemaios bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Vandaag is het versnipperd over verschillende musea in Europa, waaronder Parijs, Leiden en Bologna. Een 42-tal teksten uit dit archief hebben betrekking op de tweeling, wat duidt op hun zeer belangrijke rol in het leven van Ptolemaios.

Het verzoekschrift UPZ 1.18

UPZ 1.18 (Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit I) is een verzoekschrift en staat ons toe het leven van de Egyptische zusjes Thaues en Taous voor een groot deel te volgen. Deze tweeling was met hun moeder, vader en stiefbroer Pachratesp woonachtig in Memphis. In de bron wordt verteld dat hun moeder Nephorys hun vader had bedrogen met de Griekse soldaat Philippos. Deze Philippos had de vader van de tweeling vermoord en hen uit huis verdreven. De papyrus vertelt ons dat Ptolemaios de tweeling redde ‘op bevel van de god’. De inhoud van de papyrus gaat als volgt:

“Van Thaues en Taous, de tweelingen uit het grote Serapeum in Memphis. Wij lijden onrecht door onze moeder Nephorys. Ze heeft onze vader laten vertrekken en ze woonde samen met Philippos, zoon van Sogenes, een soldaat uit de troepen van Py…ros, maar Philippos, omdat zij vol ontrouw zat en ze hem had opgedragen, onze vader – …. γυν… (Hargynouti?) –  te vermoorden, trok hij zijn zwaard en liep achter hem aan. Het huis van onze vader is dicht bij de rivier, hij stortte zich in de rivier en dook onder tot hij het eiland in de stroom bereikte, een boot pikte hem op, bracht hem naar Herakleopolis, waar hij stierf van een gebroken hart. Zijn broers gingen hem halen, ze brachten hem naar de necropool waar ze hem gedeponeerd hebben, en hij is nog steeds zonder graf. Zijn bezittingen heeft zij genomen en zij ontvangt elke maand 1400 bronzen drachmen. Ze gooide ons buiten, en wij, stervend van de honger, gingen naar het Serapeum naar Ptolemaios, een van degenen, die in zich in des gods hechtenis bevindt. Deze Ptolemaios was een vriend van onze vader, hij nam ons binnen en gaf ons eten. Wanneer het ochtend was, namen ze ons mee naar beneden om te rouwen voor de god. De kennissen van onze moeder overtuigden ons om haar zoon Pachratesp te nemen als beschermheer. We stuurden hem om te verzamelen wat ons verschuldigd was uit de koninklijke schatkist voor jaar 17. En hij stal wat we hadden in het Serapeum en wat hij op onze naam uit de schatkist verzameld had, namelijk één metreet olie (± 40 liter), hij ging terug naar zijn moeder. Ptolemaios die in gevangenschap was in de tempel, redde ons, op bevel van god.

Van Ptolemaios, zoon van Glaukias, een Macedoniër, in ‘gevangenschap’ voor het elfde jaar.”

(eigen vertaling, gebaseerd op Wilcken, UPZ I)

De tekst is geschreven door Apollonios, de jongere broer van Ptolemaios, in naam van de tweeling en was gericht aan de koning. Hierin vroeg men om een beter leven voor de tweeling en een bestraffing van de moeder en Philippos. Het is een petitie of klaagschrift van de tweeling tegen hun moeder Nephorus. In dergelijke tekst vroeg men om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de beklaagde.

Verzoekschrift UPZ 1.20, net zoals 1.18, vanwege Thaues en Taous

Het Serapeum van Memphis

Een Serapeum of Sarapieion is een tempel voor de god Sarapis (of Serapis). Deze god, die eigenschappen van zowel Griekse als Egyptische goden had gekregen, werd zowel vereerd door de Griekse als de Egyptische bevolking. Qua uiterlijk leek hij op de Griekse oppergod Zeus en zijn naam gaat wellicht terug op Osorapis oftewel Osiris-Apis, de dode Apisstier. Sarapis was een laat-Egyptische god die door Alexander de Grote of Ptolemaios I werd gecreëerd. Hij werd in Sarapieia-tempels vereerd. Zijn tempel in Memphis werd gebouwd op de resten van een oudere tempel gewijd aan de vergoddelijkte architect Imhotep. In het Serapeum in Memphis werden de Apisstieren al sinds de 14de eeuw v.C. (Nieuwe Rijk) begraven. Hun catacomben bevinden zich in een ondergronds gangencomplex. Bovengronds was er een tempelcomplex, waar ook de tempel van Sarapis lag. Er bevonden zich bovengronds ook tempels voor andere godheden, zoals Isis, Horus, Amon, Thoth en Astarte. Binnen de tempelmuren waren er winkels, huizen en herbergen voor de bezoekers van de tempel. Het Serapeum van Memphis was dus eigenlijk een kleine stad op zichzelf. Het bevindt zich net buiten het Nijldal, niet zo heel ver van de trappenpiramide van Djoser. Vandaag blijven er enkel nog de fundamenten van het Serapeum over en de ondergrondse catacomben.

Schets van de ondergrondse gang in het Serapeum (van Saqqara)

Ptolemaios en Apollonios, twee κάτοχοι in het Serapeum

Ptolemaios leefde in het Serapeum van ongeveer 172 tot 152 v.C. en was verbonden aan het heiligdom van de Fenicische godin Astarte. Hij was ἐν κατοχῇ in een pastophorion, een verblijfplaats voor priesters van lage rang, maar het is niet zeker of hij zelf ook een pastophoros was. Hij woonde er samen met zijn kamergenoot en vriend Harmais. Ptolemaios was de zoon van Glaukias, een Macedonische soldaat-kolonist, die naar Egypte was geëmigreerd. De familie woonde oorspronkelijk in Psichis, een dorpje in de Herakleopolitische gouw in Midden-Egypte. Ptolemaios had minstens drie broers: Hippalos, Sarapion en Apollonios en mogelijk ook een zus Berenike. Ptolemaios zou op de leeftijd van dertig jaar κάτοχος geworden zijn. Over wat de term κάτοχος nu precies inhoudt is enorm veel discussie. Het zou zowel over een kluizenaar, een tempelslaaf of zelfs een asielzoeker kunnen gaan. Het betekent letterlijk ‘door de god gegrepen’ en impliceerde dat Ptolemaios de tempel niet mocht verlaten. Hij voerde een deel van de tempeladministratie uit, waarvoor hij een zekere toelage ontving. Ptolemaios werd vooral verantwoordelijk geacht voor de cultusinkopen van de tempel, maar tekende ook een hele reeks dromen op van zichzelf, van zijn broer Apollonios en van een andere κάτοχος Nektembes. Deze dromen hadden bijna altijd betrekking op de tweelingzussen Thaues en Taous, die door Ptolemaios in de tempel waren opgevangen. Hij probeerde de dromen te verklaren en dacht vermoedelijk dat ze een voorspellende waarde hadden. Het zou eventueel kunnen dat één van zijn priesterlijke functies droomuitlegging was, maar waarschijnlijk is dit toch niet correct. Hij zou ze eerder verzameld hebben om ze vervolgens aan een droomuitlegger voor te leggen. Een ander personage uit het archief is Apollonios, de jongste broer van Ptolemaios, die maar liefst dertig jaar jonger zou geweest zijn. Aangezien Apollonios Grieks schreef met een Egyptisch “accent” en daarnaast ook het Demotische schrift gebruikte, zou het eventueel kunnen dat hij de halfbroer was van Ptolemaios, eerder dan de broer. Hij heeft een groot aantal documenten geschreven voor Ptolemaios, die in het archief bewaard zijn, zoals het eerder besproken verzoekschrift UPZ 1.18.

Thaues en Taous, twee priesteressen in het Serapeum

Zoals hierboven vermeld, was de vader van de tweeling, Hargynuti of Argnoûtes, vermoord door Philippos. De tweelingzusjes hadden uiteraard recht op een deel van de erfenis van hun vader, maar hun moeder wilde evenmin de begrafeniskosten betalen. Ook om deze redenen klaagde de tweeling over hun moeder in UPZ 1.18. De meisjes werden bijgestaan door Apollonios en Demetrios. Deze laatste was hun rechtsvertegenwoordiger zolang ze in het Serapeum verbleven. Waarschijnlijk konden de meisjes geen Egyptisch schrijven en spraken ze helemaal geen Grieks, aangezien de petities door anderen geschreven werden in hun naam.

Een sarcofaag van een Apisstier uit het Serapeum van Saqqara

Op 6 april 164 v.C. stierf de Apisstier Ta-Renenutet II. Na de dood van deze heilige stier werden er 70 dagen van rouw afgekondigd. De stier werd bij zijn dood gelijkgesteld aan Osiris, de god van de onderwereld. Bij de dood van Osiris rouwden de goddelijke tweelingzussen Isis en Nephtys om zijn dood. In navolging van deze rouwperiode was er bij de dood van een Apisstier ook een tweeling nodig die rouwde om hem. Thaues en Taous namen deze rol op zich. Maagdelijkheid was een voorwaarde voor het priesterschap van de tweeling. Na deze 70 dagen bleven ze hun functie van priesteressen behouden in het Serapeum. Na de dood van de stier gingen de meisjes naar Memphis.

De mannen die de mummificatie van de stier uitvoerden, moesten zich wassen en scheren en andere kleren aantrekken. De voorwerpen die gebruikt werden voor de mummificatie mochten niet op de grond liggen, maar lagen op een mat. De Apisstier zelf lag op een berg zand. Bij de mummificatie verwijderde men eerst de ogen, vervolgens de hersenen en tenslotte de ingewanden.

Een beeld van een Apisstier uit de Ptolemaeïsche periode

Na de mummificatie werd het lichaam gewikkeld in linnen en in een kist gelegd. Op de 69ste dag werd de stier naar buiten gebracht en in een schrijn geplaatst, waarna hij naar het meer Mareotis werd gedragen. Daarnaast werd er een draagstoel met Isis en Nephtys gedragen, die in dit geval vertegenwoordigd werden door Thaues en Taous. Vervolgens vond er een boottocht plaats op het meer. De Apisstier werd daarna naar een reinigingstent gebracht. Hier werd het mondopeningsritueel, dat er voor zorgde dat de mummie kon functioneren als symbool van Osiris, uitgevoerd. Deze handeling was een rite de passage waarbij de dode naar de onderwereld ging en waarbij men een beitel gebruikte om de rijen tanden te openen. Tenslotte vond op de 70ste dag de begrafenis plaats. De stier werd in een processie naar het Serapeum gedragen en daar begraven in de ondergrondse gangen.

Thaues en Taous werden beloond voor hun diensten in de Apiscultus. Ze waren dé tweeling die de godinnen Isis en Nephthys ‘speelden’ tijdens de rouwperiode voor de stier. De tweeling kreeg acht artabas graan per maand, wat gelijkstond met vier sneetjes brood per dag. Ze kregen ook dagelijks olyra (een graansoort) en jaarlijks een portie sesamolie en een portie castorolie, een hoge toelage. Hun beloofde uitkeringen werden echter keer op keer niet uitbetaald. Ptolemaios zond in naam van de tweeling verschillende petities naar de koning en hoge functionarissen. Het niet uitbetalen van hun beloning had in de eerste plaats betrekking op olie en brood. Hun allereerste uitkering werd ook gestolen door hun stiefbroer Pachratesp.

Enkele jaren later leken de zussen er weer bovenop want ze waren in staat Ptolemaios 5000 drachmen te lenen. Mogelijk was hun moeder Nephorys gedwongen hun het rechtmatige deel van de erfenis af te staan. Nadat de tweeling hun functie had uitgeoefend in de Apiscultus, mochten ze als priesteressen blijven dienen in het Serapeum. Van 159 tot 158 v.C. woonden ze de rituelen bij voor de begrafenis van de overleden Mnevisstier, die in Heliopolis begraven werd. Ze voerden eveneens in het Serapeum het dagelijkse libatie-offer uit voor de god Asklepios die met de architect-god Imhotep werd gelijkgesteld. Ze ontvingen ook de offerandes voor de god. Imhotep was de vizier van farao Djoser uit de derde dynastie. Hij werd later vergoddelijkt en aanbeden en ging deel uitmaken van de grote triade van Memphis: Ptah, zijn vrouw Sechhmet en hun zoon Imhotep.

De Apiscultus

De god Sarapis

De Apisstier werd al vereerd vanaf de vroege periode van de Egyptische geschiedenis in Memphis. De stier symboliseerde de cyclus van het leven, van geboorte tot de dood, van Apis tot Osiris-Apis of Osorapis. De Hellenistische of gesyncretiseerde god Sarapis is afgeleid van de god Apis. Of het bij deze afleiding enkel gaat om de naam of om het totale beeld van de god is niet zeker. De god Sarapis werd afgebeeld als een man met gekruld haar en een baard. Hij droeg alsook een modius (een afgevlakte cilindrische kroon) op zijn hoofd. De Apisstieren waren niet zomaar gewone stieren, ze werden uitgekozen omwille van enkele bijzondere kenmerken. Ze moeste drie specifieke witte vlekken hebben op hun lichaam: (1) een witte driehoek op hun voorhoofd, (2) een witte vlek in de vorm van een gier op hun rug en (3) een witte vlek in de vorm van een maan op hun rechterzijde. Verder moesten ze ook een scarabeeteken onder hun tong hebben en een gespleten staart.

De mummificatieceremonies duurden van 7 april tot 15 juni 164 v.C. Tijdens de 70 dagen rouw droegen de aanbidders van de Apisstier specifieke gewaden, lieten hun haar groeien en wasten zich niet. Ze aten geen voedsel dat afkomstig was van dieren, maar hielden zich aan een dieet van brood en groenten, en dronken alleen water. Na zijn dood werd de stier naar het ‘huis van de reiniging’ gebracht. Hier werd de stier gewassen en ingewreven met natron. Vervolgens werd hij naar het ‘huis van de balseming’ of de wˁb.t (wabet) gebracht. Op deze plek vond de verrijzenis van de stier plaats, waarbij Apis gelijkgesteld werd aan Osiris.

In dit filmpje wordt het leven van de tweeling voorgesteld a.d.h.v. UPZ 1.18.

Meer lezen

Hoogendijk, F.A.J. ‘Ptolemaios: een Griek die leeft en droomt in een Egyptische tempel’, in P.W. Pestman (Ed.), Familiearchieven in het land van de Pharao, Zutphen, 1989, 46-69 en 165-167.

Scheerlinck, E. Klachten en verzoeken uit Ptolemeïsch Memphis, Vrouwelijke onderdanen schrijven aan de overheid, Onuitgegeven masterthesis, Universiteit Gent, departement Geschiedenis, 2008.

Stevens, M. Het katochoi-archief en de acculturatie tussen Egyptenaren en Grieken in Ptolemaeïsch Memphis, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent, departement Geschiedenis, 2006-2007.

Vos, R.L. The Apis embalming ritual: P. Vindob. 3873 (Orientalia Lovaniensia Analecta, 50), Leuven, 1993.

Wilcken, U., Urkunden der Ptolemäerzeit I (UPZ I), 199-201.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘The sacred procession of Apis Osiris by F.A. Bridgman’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/feed/ 0 1211
Het Hermias-proces: de bekendste rechtszaak uit Ptolemaeïsch Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/30/10/2018/het-hermias-proces-de-bekendste-rechtszaak-uit-ptolemaeisch-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/10/2018/het-hermias-proces-de-bekendste-rechtszaak-uit-ptolemaeisch-egypte/#respond Tue, 30 Oct 2018 14:34:54 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1090 architectuur Karnaktempel

Uit de Ptolemaïsche periode zijn relatief veel private papyrusarchieven bewaard - we kennen er momenteel 319 - die een belangrijke bron vormen voor onze kennis over het dagelijkse leven uit deze periode. Zo kennen we uit het archief van Osoroeris, zoon van Horos, enkele papyri die de basis vormen van het Hermias-proces. Lees hier alles over de aanleiding en het verloop van de bekendste rechtszaak uit Ptolemaeïsch Egypte.

Het bericht Het Hermias-proces: de bekendste rechtszaak uit Ptolemaeïsch Egypte van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
architectuur Karnaktempel

Ptolemaeïsch Egypte (332 v.C.-30 v.C.) kwam tot stand nadat Alexander de Grote in 332 v.C. het land had bevrijd van de Perzen, en generaal Ptolemaios de troon besteeg na het uitsterven van de Argeadische dynastie. Nadien immigreerden heel wat Grieken naar Egypte, waardoor er een multiculturele maatschappij ontstond. Daarin leefden Grieken en Egyptenaren met elkaar samen en werd zowel de Griekse als Egyptische taal in officiële en private context gebruikt. Er zijn uit deze periode relatief veel private papyrusarchieven, door een archiefeigenaar samengebracht, bewaard – we kennen er momenteel 319 – die een belangrijke bron vormen voor onze kennis over het dagelijkse leven uit deze periode. Zo kennen we uit het archief van Osoroeris enkele papyri die de basis vormen van het Hermias-proces, de bekendste rechtszaak uit Ptolemaeïsch Egypte.

Archief van Osoroeris

Het tweetalige archief (Egyptisch-Grieks) van Osoroeris, zoon van Horos, is daar één van. Horos en zijn zoon Osoroeris behoorden tot een familie van Thebaanse choachieten, dodenpriesters die verantwoordelijk waren voor de voorbereiding van de begrafenis, de opslag van de mummie, het inrichten van het graf en het uitvoeren van de rituelen van de dodencultus. De choachieten waren werkzaam op de westelijke Thebaanse oever met onder meer de Vallei der Koningen, maar waar ook gewone mensen werden begraven. De choachieten hadden eveneens een huis op de oostelijke oever, dichtbij de Karnaktempel, waar ze mummies tijdelijk in onderbrachten. P. Survey 48 is een procesverslag bewaard op papyrus en dateert van 11 december 117 v.C. Deze papyrus maakte samen met vijf andere papyri uit het archief (P. Survey 7, 8, 11, 42 en 44) deel uit van het zogenaamde Hermias-proces, een rechtszaak die zich afspeelde in de periode 125-117 v.C. in Thebe.

Kaart van Thebe met daarop het huis van de choachietenP.W. Pestman, Het archief van de Thebaanse Choachieten, p. 9

Kaart van Thebe met daarop het huis van de choachieten

De rechtszaak gaat om het Thebaanse huis van de choachieten (A op het kaartje), dat gelegen is op de oostoever van de Nijl en waar de dodenpriesters hun mummies opsloegen. Het huis behoorde oorspronkelijk toe aan een zekere Ptolemaios, die tijdens een grote revolte in de regio in 205 v.C. uit zijn huis wegvluchtte. Deze revolte was een inheemse rebellie, die vanuit Nubië gestuurd werd. Vele Grieken, onder wie dus Ptolemaios, moesten noodgedwongen Thebe verlaten. Ptolemaios’ huis werd vervolgens ingenomen door de rebellen en verkocht aan de hoogste bieder. Tussen 153 en 146 v.C. werd het huis geleidelijk aan opgekocht door een groep choachieten. Het oorspronkelijke huis was al lang vervallen tot een ruïne en de choachieten waren net begonnen met de heropbouw, toen Hermias naar Thebe kwam. Hij was de zoon van de oorspronkelijke eigenaar Ptolemaios en een Griekse officier die gelegerd was in Ombos, 165 km ten zuiden van Thebe. Hermias claimde het huis en ondernam heel wat pogingen om het terug in zijn bezit te krijgen. Deze waren allemaal tevergeefs, want na zeven pogingen kwam de rechter tot het besluit dat Hermias geen enkel bewijsstuk kon voorleggen dat hij de rechtmatige eigenaar was en dus verloor de officier het proces. Deze laatste beslissing is samen met informatie over de voorgaande rechtszaken bijgehouden op de papyrus P. Survey 48, die door papyrologen als één van de belangrijkste juridische papyri wordt beschouwd.

De verschillende fases van het Hermias-proces

Zes papyri hebben betrekking op het proces: drie Demotische (Oud-Egypische) kopieën van verkoopcontracten en drie Griekse procesakten. In het proces kunnen we zeven fases of pogingen van Hermias onderscheiden om zijn huis terug te krijgen. De vraag is wie er nu precies wordt aangeklaagd bij al deze pogingen. In de meeste gevallen zijn dit de toenmalige eigenaars, de choachieten dus, meestal omschreven als “Horos (de vader van Osoroeris) en de zijnen”, maar soms heeft Hermias ook andere mensen aangeklaagd, zoals een van de vorige eigenaars, die een deel van het huis aan de choachieten verkocht had.

Hermias zond een aantal verschillende petities om het huis terug te krijgen. Er bestonden namelijk verschillende soorten aanklachten, die, om niet altijd duidelijke redenen, door elkaar gebruikt werden. Een enteuxis (ἔντευξις) is een petitie die gericht was aan de koning, waarin ook de functionarissen (bv. strategos of epistates) vermeld werden die zich in werkelijkheid bezighielden met de zaak, aangezien de koning dit in de meeste gevallen niet zelf kon doen. Een petitie kon daarnaast ook rechtstreeks gericht zijn aan deze beambten, namelijk via een prosangelma (προσάγγελμα) of hypomnema (ὑπόμνημα). Een prosangelma was een korte beschrijving van een onwettige daad, meestal gericht aan de politiechef. De hypomnemata werden vaak persoonlijk overhandigd en toegelicht, en hadden een meer plechtige en strakke structuur. We vernemen in één geval in detail hoe Hermias zijn aanklacht indiende. In de Thebais werd er door Griekse rechters (de chrematistai) een “vaas” (angeion) speciaal bestemd voor petities, die in 148/147 v.C. en opnieuw in 127 v.C. ter beschikking werd gesteld in de stad Ptolemais (ten noorden van Thebe) en in 126/125 v.C. in Diospolis Magna (oostelijk Thebe). Hermias maakte dan ook dankbaar gebruik van deze mogelijkheid en dropte één van zijn aanklachten in deze vaas.

Naast de aanklachten beschikken we voor de Hermias-zaak ook over drie Griekse procesakten (P. Survey 42, 44, 48), die betrekking hebben op drie van de zeven pogingen of fases.

Fase Aanklacht Griekse Procesakte?
Fase 1 Enteuxis-petitie tegen één van de verkopers /
Fase 2 Hypomnema-petitie tegen de choachieten /
Fase 3 Hypomnema-petitie tegen de choachieten /
Fase 4 Enteuxis-petitie tegen de choachieten P. Survey 42
Fase 5 Enteuxis-petitie tegen de choachieten P. Survey 44
Fase 6 Hypomnema-petitie tegen de choachieten /
Fase 7 Verzoek aan de strategos P. Survey 48

Verloop van het proces

In de eerste fase klaagde Hermias Lobais aan met een enteuxis-petitie bij de rechtbank van de chrematistai, een rechtbank met Griekse rechters, door de koning ingericht. Lobais was één van de personages die het huis aan de choachieten had verkocht. Hermias dacht waarschijnlijk dat hij snel de zaak zou winnen door zich rechtstreeks tot één van de verkopers te richten. Er was namelijk geen beroep mogelijk tegen de beslissing van de chrematistai. Wanneer Hermias’ aanklacht tegen Lobais door de chrematistai teniet werd gedaan, kon hij dus alleen nog maar andere mensen aanklagen. Hermias heeft zich dan maar tegen de toenmalige eigenaars, de choachieten, gericht. Bij de tweede en derde poging zond Hermias een hypomnema-petitie aan de strategos van de Thebais tegen de choachieten. De strategos was verantwoordelijk voor het civiele, militaire en administratieve aspect van één of meerdere gouwen (provincies). Maar ook de strategos kon Hermias niet verder helpen, waardoor hij zich opnieuw tot andere functionarissen richtte.

Kaart Egypte met ligging Thebe

In de vierde fase zond Hermias dan maar een enteuxis-petitie aan de epistates Herakleides, die aan het hoofd stond van de Perithebaanse gouw (provincie). Deze aanklacht leidde tot een proces waarvan P. Survey 42 de procesakte is. Helaas voor Hermias werd zijn aanklacht afgewezen. In de volgende fase zond hij opnieuw een enteuxis aan de epistates Ptolemaios van de Perithebaanse gouw, die leidde tot een rechtszaak waarin zijn aanklacht opnieuw werd afgewezen (zie procesakte P. Survey 44). Bij zijn voorlaatste poging diende Hermias opnieuw een hypomnema in, ditmaal bij de epistrategos, die op zijn beurt de zaak doorschoof naar de strategos. De epistrategos stond aan het hoofd van een groot deel van Egypte, inclusief de zuidelijke regio van de Thebais en was dus één van de belangrijkste ambtenaren van het land. Maar ook deze poging leidde voor Hermias niet tot het verhoopte resultaat. Tot slot, in de laatste fase, zond Hermias opnieuw een verzoek naar de strategos Hermias, die de zaak op zijn beurt doorverwees naar de epistates van de Perithebaans gouw Herakleides. Dit leidde tot een rechtszaak met op 11 november 117 v.C. het verdict dat de aanklacht van Hermias werd afgewezen. Deze laatste fase is genotuleerd op de papyrus P. Survey 48. De belangrijkste reden waarom de zaak zo lang aansleepte, is voornamelijk omdat de choachieten bij elke poging van Hermias naar de overkant van de Nijl gingen en gewoon wachtten totdat Hermias weer naar zijn garnizoen ging. Tot 119 v.C. kwamen de choachieten zelfs bij geen enkele aanklacht opdagen.

Besluit van het proces

Vooral de laatste fase van het proces is belangrijk voor onze kennis van de werking van het juridische apparaat in Ptolemaeïsch Egypte. De choachieten hadden eigenlijk al van in het begin een advocaat, maar Hermias had er geen tot aan de laatste rechtszaak. In de laatste fase hebben beide advocaten hun pleidooi mogen houden, die zorgvuldig genoteerd werden. Aangezien Hermias geen bewijsstuk kon voorleggen dat hij de rechtmatige eigenaar was, terwijl de choachieten drie koopcontracten als bewijsstukken konden aanvoeren, moest de advocaat van Hermias heel creatief zijn om zijn zaak sterk te maken. Hij verwijst om te beginnen naar de eerste poging van Hermias, waarin hij een rechtszaak aanspande tegen Lobais, een van de mensen die het huis aan de choachieten had verkocht. Lobais had verklaard dat zij het huis niet rechtmatig bezat toen ze het verkocht aan de choachieten. De advocaat van Hermias meldde ook dat de contracten die de choachieten voorlegden (P. Survey 7, 8, 11), niet geregistreerd waren en dus niet rechtsgeldig konden zijn. Hiertegen bracht de advocaat van de choachieten in dat Hermias zelf tijdens die eerste fase had toegegeven dat de verkoop had plaatsgevonden en dat Hermias zich bovendien niet over de huidige eigenaars heen tot één van de verkopers had mogen richten.

Grafstèle van een choachietS. S harpe, Egyptian Inscriptions from the British Museum and Other Sources, pl. 57

Grafstèle van een choachiet

Een ander belangrijk argument van de advocaat van Hermias, was dat de choachieten het huis gebruikten om mummies op te slaan vooraleer die begraven werden in de necropool. Volgens Hermias’ advocaat was dit een daad van vervuiling en een schanddaad tegen de goden, want het huis bevond zich dicht bij de dromoi (toegangswegen) van Hera en Demeter. Dit is inderdaad zo volgens het Griekse recht, maar niet volgens het Egyptisch recht, en de choachieten vallen helaas voor Hermias onder het Egyptisch recht. Dit kwam door het koninklijke prostagma (verordening), dat een jaar eerder (in 118 v.C.) werd uitgevaardigd, waardoor de taal van het bewijsmateriaal bepalend werd voor de bevoegdheid van de rechtbank. De advocaat van Hermias had in zijn pleidooi over de opslag van de mummies eveneens een fout gemaakt door de choachieten “taricheutai” te noemen, dat zijn de balsemers, die van lagere rang waren dan de choachieten. Al deze argumenten van Hermias’ advocaat hielden dus weinig steek.

Het laatste argument dat de advocaat van de choachieten aanhaalde, was een prostagma (een koninklijke verordening) over bezit. Zoals vermeld, verklaarde Lobais in de eerste fase dat ze het huis niet rechtmatig in haar bezit had, toen ze het verkocht aan de choachieten. Wel, nu gaf de advocaat van de choachieten aan dat dit “bezit” toch gelegitimeerd werd dankzij dat prostagma over bezit, dat er gekomen was na tijden van burgeroorlog waarin veel onroerend goed zonder eigenaar kwam te staan: in die gevallen kwam het onroerend goed dan in handen van degene die het later in bezit had genomen. De advocaat van de choachieten wees er dan ook op dat zijn cliënten dus niet eens de verkoopcontracten zouden moeten voorleggen, want dat het huis sowieso in hun bezit was, dankzij het prostagma. Bijgevolg werd in het vonnis de aanklacht van Hermias afgewezen en kwam er een einde aan een lange reeks van klachten en processen.

Belang voor de papyrologie

Wat is nu het belang van het proces? Het Hermias-proces heeft hoogstwaarschijnlijk veel publieksaandacht getrokken. Aan de Egyptische kant stond een groep priesters met wie veel mensen die zich wilden laten begraven in de Thebaanse necropool ooit in contact zouden komen, en aan de Griekse kant stond een belangrijke militair. Het is ook interessant om vast te stellen dat Hermias telkens naar een verschillende instantie kon gaan met zijn grieven en verschillende soorten aanklachten door elkaar kon gebruiken. Dankzij het proces hebben we een beter inzicht in de werking van de verscheidene juridische instellingen die tegelijkertijd actief waren in Egypte. Hermias zal hoogstwaarschijnlijk gehoopt hebben op een makkelijke overwinning, aangezien hij als Griekse militair toch veel aanzien had, maar helaas voor hem hadden de autoriteiten alleen oog voor de juridische aspecten van de zaak. Tot slot was het proces zeker ook relevant voor gelijkaardige rechtszaken. Hermias zal ongetwijfeld niet de enige geweest zijn wiens huis was ingepalmd na de grote revolte. We moeten tot slot toch wel toegeven dat Hermias een enorm doorzettingsvermogen had en de choachieten maar een beetje flauwtjes zaten te wachten tot het allemaal voorbij was.

Lees meer

P.W. Pestman, Het archief van de Thebaanse Choachieten 2de eeuw v.Chr., Handboekje en catalogus bij de tentoonstelling ingericht ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van het Papyrologisch instituut 21-25 januari 1985, Leiden, 1985.

P.W. Pestman, The archive of the Theban choachytes (second century B.C.): a survey of the Demotic and Greek papyri contained in the archive, Leuven, 1993.

S. S​​harpe, ‘A Tablet in the Museum at York’, Egyptian Inscriptions from the British Museum and Other Sources, 2de ed., Londen, 1855, pl. 57.

S.P. Vleeming, ‘The office of a choachytes in the Theban area’, Hundred-gated Thebes: acts of a colloquium on Thebes and the Theban area in the Graeco-Roman period (P. L. Bat. 27), Leiden, 1995.

 

Coverafbeelding: adaptatie van de foto ‘Architecture Karnak Temple Luxor Travel Egypt’ op de website Max Pixel (CC0 1.0)

Het bericht Het Hermias-proces: de bekendste rechtszaak uit Ptolemaeïsch Egypte van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/10/2018/het-hermias-proces-de-bekendste-rechtszaak-uit-ptolemaeisch-egypte/feed/ 0 1090
‘Fire and Fury’, of toch gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Michael Wolff en antieke historici over hun methode https://www.oudegeschiedenis.be/15/01/2018/fire-and-fury-toch-gewoon-oude-wijn-nieuwe-zakken-michael-wolff-en-antieke-historici-methode/ https://www.oudegeschiedenis.be/15/01/2018/fire-and-fury-toch-gewoon-oude-wijn-nieuwe-zakken-michael-wolff-en-antieke-historici-methode/#respond Mon, 15 Jan 2018 16:38:51 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=555 Michael Wolff, 'Fire and Fury: Inside the Trump White House'

De inleiding van het veelbesproken boek van Michael Wolff, 'Fire and Fury: Inside the Trump White House' opent met een paragraaf over de methode waarin de auteur van dit schandaalboek uitlegt welke methode hij heeft gebruikt om verhalen over de president neer te schrijven. Iemand die zijn klassiekers (of althans de historiografen) een beetje kent, heeft de indruk dit al eens gelezen te hebben.

Het bericht ‘Fire and Fury’, of toch gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Michael Wolff en antieke historici over hun methode van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Michael Wolff, 'Fire and Fury: Inside the Trump White House'

“Heel wat verhalen over wat gebeurt in het Witte Huis onder Trump zijn in tegenspraak met andere verhalen. Andere verhalen zijn, geheel in de stijl van Trump zelf, onwaarheden. Die tegenstellingen, en dat losse omgaan met de waarheid en de realiteit, vormen een rode draad in dit boek. Soms heb ik de spelers hun versie van de feiten laten weergeven en is het aan de lezer ze te beoordelen. In andere gevallen heb ik, door de consistentie van verschillende bronnen die ik kan vertrouwen, versies neergezet van gebeurtenissen waarvan ik geloof dat ze echt zijn.”

Aldus citeert Het Laatste Nieuws de inleiding van het veelbesproken boek van Michael Wolff, ‘Fire and Fury: Inside the Trump White House. Iemand die zijn klassiekers (of althans de historiografen) een beetje kent, heeft de indruk dit al eens gelezen te hebben.

Herodotus

En inderdaad, bij de Griekse historicus Herodotus (ca. 485-425/420 v.C.) vinden we de volgende passage:

ἐγὼ δὲ ὀφείλω λέγειν τὰ λεγόμενα, πείθεσθαί γε μὲν οὐ παντάπασι ὀφείλω, καί μοι τοῦτο τὸ ἔπος ἐχέτω ἐς πάντα λόγον. (Hist. VII, 152)

Ik moet zeggen wat gezegd is, ik moet zelf geenszins overtuigd zijn, en moge dit principe voor mij gelden in mijn hele werk.

Dit is het oordeel van betrouwbaarheid aan de lezer overlaten, door de verschillende versies allemaal aan te reiken, zonder zelf -expliciet- een voorkeur te laten blijken. Maar “in andere gevallen heb ik, door de consistentie van verschillende bronnen die ik kan vertrouwen, versies neergezet van gebeurtenissen waarvan ik geloof dat ze echt zijn, beweert Wolff. Bovendien gebruikt Herodotus hoofdzakelijk mondelinge bronnen, net zoals Wolff ook beweert te doen.

Thucydides

Thucydides, Grieks historicus

In zijn bekende methodekapittel vermeldt de Griekse historicus Thucydides (ca. 460-400 v.C.) expliciet zijn gevolgde methode bij het neerschrijven van zijn geschiedwerk. Dat klinkt bij hem zo:

Καὶ ὅσα μὲν λόγῳ εἶπον ἕκαστοι ἢ μέλλοντες πολεμήσειν ἢ ἐν αὐτῷ ἤδη ὄντες, χαλεπὸν τὴν ἀκρίβειαν αὐτὴν τῶν λεχθέντων διαμνημονεῦσαι ἦν ἐμοί τε ὧν αὐτὸς ἤκουσα καὶ τοῖς ἄλλοθέν ποθεν ἐμοὶ ἀπαγγέλλουσιν: ὡς δ᾽ ἂν ἐδόκουν ἐμοὶ ἕκαστοι περὶ τῶν αἰεὶ παρόντων τὰ δέοντα μάλιστ᾽ εἰπεῖν, ἐχομένῳ ὅτι ἐγγύτατα τῆς ξυμπάσης γνώμης τῶν ἀληθῶς λεχθέντων, οὕτως εἴρηται.
Τὰ δ᾽ ἔργα τῶν πραχθέντων ἐν τῷ πολέμῳ οὐκ ἐκ τοῦ παρατυχόντος πυνθανόμενος ἠξίωσα γράφειν, οὐδ᾽ ὡς ἐμοὶ ἐδόκει, ἀλλ᾽ οἷς τε αὐτὸς παρῆν καὶ παρὰ τῶν ἄλλων ὅσον δυνατὸν ἀκριβείᾳ περὶ ἑκάστου ἐπεξελθών. Ἐπιπόνως δὲ ηὑρίσκετο, διότι οἱ παρόντες τοῖς ἔργοις ἑκάστοις οὐ ταὐτὰ περὶ τῶν αὐτῶν ἔλεγον, ἀλλ᾽ ὡς ἑκατέρων τις εὐνοίας ἢ μνήμης ἔχοι. (Hist. I, 22)

Wat de verschillende sprekers in de toespraken die ik zelf gehoord heb, precies gezegd hebben, kon ik me niet goed meer herinneren en de mensen die mij verslag hebben uitgebracht over andere toespraken hadden dezelfde ervaring. Bij de weergave van de toespraken ben ik daarom uitgegaan van wat de sprekers naar mijn mening gezegd moeten hebben, gegeven de op dat moment bestaande situatie. Daarbij ben ik over het geheel genomen zo dicht mogelijk gebleven bij de strekking van wat er werkelijk is gezegd.
Wat de feitelijke oorlogshandelingen betreft, leek het me echter niet juist op te schrijven wat de eerste de beste informant me daarover te melden had of wat me waarschijnlijk voorkwam. Naar alle gebeurtenissen heb ik zo nauwkeurig mogelijk onderzoek verricht, of ik er nu zelf bij geweest was of mijn kennis van anderen gekregen had. Het heeft me heel wat moeite gekost de waarheid te achterhalen, want ooggetuigen vertelden verschillende verhalen over dezelfde gebeurtenissen. Dat hing ervan af welke partij hun voorkeur had of wat ze zich nog konden herinneren.

Ook Thucydides worstelde dus met het probleem van ooggetuigenverslagen die elkaar tegenspraken en is dus verplicht de gebeurtenissen te reconstrueren. Hij maakt daarbij echter wel een onderscheid tussen wat gezegd is (“ὅσα μὲν λόγῳ εἶπον”) en wat gedaan is (“τὰ δ᾽ ἔργα τῶν πραχθέντων”). Wolff maakt dit onderscheid duidelijk niet.

Tacitus

De Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (ca. 56-117 n.C.) geeft ook aanwijzingen over zijn methode wanneer er verschillende versies van een verhaal de ronde doen. Zo merkt hij in het dertiende boek van zijn ‘Annales‘ het volgende op:

Nos consensum auctorum secuturi, quae diversa prodiderint sub nominibus ipsorum trademus. (Ann. XIII, 20)

Wij zullen de overeenstemmende mening van de auteurs volgen, maar waar ze verschillende versies overgeleverd hebben zullen wij ze onder hun eigen naam overleveren.

Suetonius

Michael Wolff, auteur van het schandaalboek over de Amerikaanse president Donald Trump

De eerste antieke auteur aan wie classici denken wanneer ze de auteur van een schandaalboek met een auteur uit de Oudheid moeten vergelijken, is wellicht de Romeinse biograaf Gaius Suetonius Tranquillus (69/70-140 n.C.). David Remnick, hoofdredacteur van The New Yorker, vergelijkt Donald Trump in zijn editoriaal met de Romeinse Keizer Nero en citeert daarbij Suetonius zonder Wolff expliciet met Suetonius te vergelijken:

What made the Emperor Nero tick, Suetonius writes in “Lives of the Caesars,” was “a longing for immortality and undying fame, though it was ill-regulated.” Many Romans were convinced that Nero was mentally unbalanced and that he had burned much of the imperial capital to the ground just to make room for the construction of the Domus Aurea, a gold-leaf-and-marble palace that stretched from the Palatine to the Esquiline Hill.

Het feit dat Remnick Suetonius citeert, is hier misschien gepaster dan men op het eerste gezicht zou denken: hoewel Suetonius niet expliciet zijn manier van werken vermeldt, blijkt uit zijn werk toch dat hij zich sterk focust op de figuur van de keizer, schrijft over alle aspecten van het leven van de keizers en de feiten voor zichzelf laat spreken, zij het meestal zonder een expliciet oordeel te vellen. Daarbij maakte hij zeker ook gebruik van mondelinge tradities en zelfs van praatjes en roddels. Michael Wolff werd in het verleden ook al beticht van een dergelijke losse omgang met de waarheid en de realiteit. Geheel passend in het thema laten we een paar bronnen voor zich spreken:

“De 64-jarige Wolff is allerminst een conventioneel journalist. Zijn procedé is telkens hetzelfde: hij legt zijn oor te luisteren op feestjes of tijdens lunch­partijen waar de drank stevig vloeit, en hij is niet vies van geruchten. Hij slaagt er vaak in om met enkele welgemikte woorden in zijn teksten een suggestieve sfeer te creëren. Het is zijn bedoeling om de lezer een blik te gunnen achter de schermen van de politiek.” (VRT News)

“In reviewing Wolff’s 2008 book “The Man Who Owns the News: Inside the Secret World of Rupert Murdoch,” the late New York Times media columnist David Carr wrote: “Historically, one of the problems with Wolff’s omniscience is that while he may know all, he gets some of it wrong.”” (CNBC)

Arrianus

Lucius Flavius Arrianus, schrijver van de Anabasis Alexandri

Een minder bekende antieke auteur dan de voorgaande, maar wel de eerste aan wie de schrijver van dit stukje moest denken, is Lucius Flavius Arrianus (89 n.C – na 145/146 n.C.), een Griekstalig schrijver die in de inleiding van zijn ‘Anabasis Alexandri‘ (‘Veldtocht van Alexander’) het volgende opmerkt:

Πτολεμαῖος ὁ Λάγου καὶ Ἀριστόβουλος ὁ Ἀριστοβούλου ὅσα μὲν ταὐτὰ ἄμφω περὶ Ἀλεξάνδρου τοῦ Φιλίππου συνέγραψαν, ταῦτα ἐγὼ ὡς πάντῃ ἀληθῆ ἀναγράφω, ὅσα δὲ οὐ ταὐτά, τούτων τὰ πιστότερα ἐμοὶ φαινόμενα καὶ ἅμα ἀξιαφηγητότερα ἐπιλεξάμενος. Ἄλλοι μὲν δὴ ἄλλα ὑπὲρ Ἀλεξάνδρου ἀνέγραψαν, οὐδ᾽ ἔστιν ὑπὲρ ὅτου πλείονες ἢ ἀξυμφωνότεροι ἐς ἀλλήλους: ἀλλ᾽ ἐμοὶ Πτολεμαῖός τε καὶ Ἀριστόβουλος πιστότεροι ἔδοξαν ἐς τὴν ἀφήγησιν. […] Ἔστι δὲ ἃ καὶ πρὸς ἄλλων ξυγγεγραμμένα, ὅτι καὶ αὐτὰ ἀξιαφήγητά τε μοι ἔδοξε καὶ οὐ πάντῃ ἄπιστα, ὡς λεγόμενα μόνον ὑπὲρ Ἀλεξάνδρου ἀνέγραψα. (Arr. An. I, pr.)

Wat Ptolemaios, de zoon van Lagos, en Aristoboulos, de zoon van Aristoboulos, beiden hetzelfde over Alexander, de zoon van Philippos, opschreven, dat schrijf ik op als volkomen waar, wat zij het niet hetzelfde [opschreven], daarvan heb ik geselecteerd wat mij betrouwbaarder voorkomt en tegelijk vermeldenswaardiger. Sommigen schreven het ene over over Alexander, anderen iets anders; en er is niemand over wie meer of meer met elkaar in tegenspraak zijnde auteurs geschreven hebben. Maar mij schijnen Ptolemaios en Aristoboulos het meest betrouwbaar voor mijn relaas […] Wat er bestaat aan geschriften die door anderen geschreven zijn, schreef ik, omdat ook die mij het vermelden waard en niet geheel onbetrouwbaar leken, op als dingen die slechts over Alexander gezegd zijn.

Conclusie

Concluderend kunnen we dus stellen dat Michael Wolff een aanpak hanteert die zo oud is als de straat. Omdat geweten is dat het relaas van antieke historici met de nodige korrel zout genomen moet worden, is het ook het beste diezelfde strategie toe te passen op Michael Wolff. Daarbij moeten we steeds de wijze woorden van Thucydides in het achterhoofd houden:

[…] οὔτε ὡς ποιηταὶ ὑμνήκασι περὶ αὐτῶν ἐπὶ τὸ μεῖζον κοσμοῦντες μᾶλλον πιστεύων, οὔτε ὡς λογογράφοι ξυνέθεσαν ἐπὶ τὸ προσαγωγότερον τῇ ἀκροάσει ἢ ἀληθέστερον […] (Thuc. I, 21)

Men moet niet te zeer afgaan op de poëzie van de dichters, want die hebben de zaken groter en mooier voorgesteld dan ze waren. Ook moet men niet te veel waarde hechten aan de geschriften van de kroniekschrijvers, want die vonden het belangrijker om met een verhaal te komen dat prettig in het gehoor lag, dan om precies de waarheid te vertellen.

Beknopte bibliografie

Lewin, L. 2002. Thucydides. Een blijvend bezit. De oorlog tussen de Peloponnesiërs en de Atheners. Κτῆμα ἐς αἰεί. Delft: Eburon.

Coverfoto: remix van de afbeelding ‘American Flag’ van de website PublicDomainPictures.net (CC0 1.0) en de cover van het boek Fire and Fury van Michael Wolf op Wikipedia

Het bericht ‘Fire and Fury’, of toch gewoon oude wijn in nieuwe zakken? Michael Wolff en antieke historici over hun methode van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/15/01/2018/fire-and-fury-toch-gewoon-oude-wijn-nieuwe-zakken-michael-wolff-en-antieke-historici-methode/feed/ 0 555