ostraca Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/ostraca/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Wed, 12 Jan 2022 17:58:23 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png ostraca Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/ostraca/ 32 32 136391722 Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/ https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/#respond Wed, 29 Dec 2021 16:42:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2145

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte, van de piramideteksten bij farao Oenas tot sarcofaagteksten in het Middenrijk en papyrusteksten zoals het Dodenboek in het Nieuwe Rijk. Ook in de Grieks-Romeinse periode waren er nog zulke funeraire teksten in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de 'Documenten van het Ademen'.

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte. Deze teksten, die ervoor moesten zorgen dat je na de dood kon verder leven in het hiernamaals, werden eerst geschreven op de binnenkant van de piramides uit het Oude Rijk. Vervolgens kregen ze een nieuwe drager, want vanaf het Middenrijk kwamen ze voor op sarcofagen en vanaf het Nieuwe Rijk op papyri, als het zogenaamde Dodenboek. Voor de meeste onderzoekers stopt deze lange geschiedenis van de funeraire teksten met het Dodenboek, maar ook in de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) waren de teksten nog in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de ‘Documenten van het Ademen’.

De evolutie in een paar woorden

Het startpunt ligt bij farao Oenas (ca. 2367-2347 v.C.) in de 5de dynastie. Zijn piramide in Saqqara bevat het oudste corpus van funeraire en religieuze teksten en de wanden van zijn grafkamer staan vol met hiëroglyfische teksten, de zogenaamde piramideteksten. Het zijn spreuken die Oenas moesten helpen om goed in het hiernamaals te kunnen leven. Aangezien de teksten vol typische “kopieerfouten” staan, wordt er doorgaans van uitgegaan dat het om reeds bestaande teksten gaat, die op de wanden van de piramide gekopieerd werden. De belangrijkste functie van de teksten was om de niet-materiële elementen van de mens samen te brengen. Naast het fysieke lichaam, bevatte de mens volgens de Egyptenaren een ba (de individuele levenskracht) en een ka (de persoonlijkheid of de ziel). De ka maakte het verschil tussen een levend en een dood lichaam, terwijl de ba iemand tot een individu maakte. Wanneer iemand stierf werden de ba en de ka van het lichaam gescheiden. Als deze persoon wilde verder leven in het hiernamaals moesten zijn ba en ka herenigd worden tot een akh. De piramideteksten hadden tot doel deze vereniging te vereenvoudigen. Dankzij de teksten in zijn grafkamer kon Oenas dus een akh worden. De piramideteksten komen voor in 10 koninklijke graven uit het Oude Rijk. Naast de piramide van Oenas bevatten ook de volgende piramides deze funeraire teksten: Teti, Pepi I, Ankhesenpepi II (een vrouw van Pepi I), Merenre, Pepi II, Neith (een vrouw van Pepi II), Iput II (een vrouw van Pepi II), Wedjebetni (een vrouw van Pepi II) uit de 6de dynastie (ca. 2347-2216 v.C.) en Ibi uit de 8ste dynastie (ca. 2216-2134 v.C.).

De binnenkant van de piramida van farao Oenas

Vanaf het Middenrijk (ca. 2040-1783 v.C.) werden de teksten niet meer op piramides geschreven maar kwamen ze voor op sarcofagen. Ook de naam van de funeraire literatuur veranderde naar sarcofaagteksten. Deze evolutie begon al op het einde van het Oude Rijk en in de Eerste Tussentijd (ca. 2216-2040 v.C.) maar kende zijn hoogtepunt in het Middenrijk. Aangezien de teksten nu op lijkkisten geschreven werden, bevonden ze zich al dichter bij het lichaam. Hierdoor ging de vereniging van de ba en de ka in een akh nog vlotter. De sarcofaagspreuken zijn afgeleid en gekopieerd van de piramideteksten, maar er ontstonden ook nieuwe composities. Het belangrijkste verschil met de piramideteksten is dat de sarcofaagteksten ook voor privépersonen konden gebruikt worden, terwijl de piramideteksten alleen voor koningen waren.

Voorbeeld van een sarcofaagtekst op de doodskist van Khnumnakht uit het Middenrijk

De derde fase van de evolutie voltrok zich in het Nieuwe Rijk (ca. 1550-1070 v.C.), wanneer de funeraire literatuur op papyrusrollen werd geschreven. De naam voor de literatuur in het Nieuwe Rijk is het Dodenboek. Ook hier werden de spreuken afgeleid van piramide- en sarcofaagteksten, maar daarnaast werden er nieuwe composities geschreven. De term ‘Dodenboek’ is eigenlijk heel misleidend, want de Dodenboekteksten konden ook in graven voorkomen. Zo zijn de meeste graven in de Vallei der Koningen gedecoreerd met Dodenboekteksten om de farao te helpen in het hiernamaals te geraken. Het gaat ook niet om een standaardversie die gekopieerd werd. Het is een corpus van spreuken die in verschillende combinaties konden voorkomen, waarbij soms vignetten werden toegevoegd die bij een bepaalde spreuk hoorden. Het Dodenboek bleef in omloop tot in de Grieks-Romeinse periode en betreft bijgevolg het genre van funeraire literatuur dat het langste in gebruik was.

Documenten van het Ademen

In de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) ontstond er een nieuw genre funeraire literatuur, de ‘Documenten van het Ademen’. Ze verschenen in verschillende vormen in de multiculturele samenleving van Grieks-Romeins Thebe en vervingen geleidelijk aan het Dodenboek. Ze kunnen gezien worden als de opvolgers van de piramideteksten, de sarcofaagteksten en het Dodenboek. De teksten werden aan de overledene meegegeven als grafgift. Ze werden mee ingezwachteld met de mummie en ook hier hebben de teksten als functie een soort aanbevelingsbrief te zijn voor de overledene in het hiernamaals. Ze moesten de overledenen een tweede leven “vrij van zorgen” geven en ervoor zorgen dat de overledene voor eeuwig en altijd kon ademen. De funeraire teksten uit de Grieks-Romeinse tijd kenden een grote diversiteit en verschillende soorten teksten konden op één papyrus gecombineerd worden. De composities zijn geschreven in het hiëratisch, een cursieve vorm van hiërogliefen. De taal van de documenten is gebaseerd op het klassieke Middelegyptisch met invloed van het Laat-Egyptisch en het Demotisch.

Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft (P. Louvre N. 3284)

Ze zullen Osiris naar het binnenste van het grote meer van Chonsoe brengen. Nadat hij zijn hart heeft gegrepen, zullen ze het document van het ademen, dat aan de binnen- en buitenkant is beschreven, omzwachtelen met koninklijk linnen, geplaatst zijnde onder zijn linkerarm in de buurt van zijn hart. Het overige van de omzwachteling zal erbuiten worden gedaan. Indien deze papyrusrol voor hem wordt gebruikt, dan zal hij samen met de ba’s en de goden voor eeuwig en altijd ademen.

Tweede Document van het Ademen (BM EA10110)

Deze tekst bevat de laatste paragraaf van het zogenaamde ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ en toont aan dat het in de buurt van het hart moest ingezwachteld worden. Dit in tegenstelling tot het ‘Eerste’ en ‘Tweede Document van het Ademen’ die respectievelijk onder het hoofd en onder de voeten van de mummie geplaatst moesten worden. Er bestaan bijgevolg drie verschillende ‘Documenten van het Ademen’ en allen hebben ze een andere inhoud. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ lijkt iets ouder te zijn (Ptolemaeïsch tot Vroeg-Romeins) dan de andere twee composities die eerder in de Late Ptolemaeïentijd verschenen en nog voorkwamen tot in de Romeinse periode. Vanaf de eerste eeuw na Christus ontstonden er ook Demotische ‘Documenten van het Ademen’, de zogenaamde “paspoorten voor het hiernamaals”. Deze teksten waren doorgaans korter dan hun hiëratische tegenhangers. Deze papyri werden ook op de mummie geplaatst, maar daarnaast werden ze ook teruggevonden op tempelmuren, sarcofagen, lijkkisten, ostraca, linnen, enzovoort.

Het slotvignet met de Hathor-koe op het graf

Naast de drie soorten ‘Documenten van het Ademen’ waren er ook verkorte versies in omloop. Verder konden de verscheidene paragrafen in de teksten weggelaten of omgewisseld worden en konden er extra paragrafen aan toegevoegd worden. Sommige documenten bevatten ook iconografie, alhoewel dit geen vereiste was. De iconografie van het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ is in de meeste gevallen redelijk gestandaardiseerd. De meeste teksten bevatten meerdere vignetten of afbeeldingen. Het openingsvignet geeft doorgaans de introductie van de overledene aan de god Osiris weer. Een ander veel voorkomend type vignet is het ‘wegen van het hart’. Deze iconografie stamt af van hoofdstuk 125 van het Dodenboek, de zogenaamde ‘negatieve confessie’ en toont hoe het hart van de overledene op een weegschaal wordt gelegd en wordt afgewogen tegen de Maät-veer (de rechtvaardigheid). Als de weegschaal in balans is, heeft de overledene een goed leven geleid en mag hij of zij de onderwereld betreden. Als dit niet het geval is, wordt de overledene verscheurd door de verslindster, een monster dat doorgaans aanwezig is op het vignet. Het eindvignet toont de Hathor-koe op het graf van de overledene. Meestal wordt er wierook geofferd aan de godin Hathor. Er was geen directe relatie tussen de iconografie en de inhoud van de tekst. De afbeeldingen op de papyri voegen iets toe aan de compositie, eerder dan de inhoud van de tekst te illustreren.

Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd geschreven door de god Thoth in naam van Isis. De inhoud van de tekst legt de nadruk op de toegang van de overledene tot de onderwereld en de mogelijkheid om voor eeuwig en altijd vrij te kunnen ademen.

Introductie van de overledene aan de god Osiris (BM EA9995,1)

Een heel interessant gegeven aan deze documenten is dat ze steeds geschreven zijn voor een overledene en dat de naam en titels van deze eigenaar op het document werden geschreven. Hierdoor kunnen we reconstrueren wie zo een document meekreeg en welke functie deze persoon had. De eigenaren behoorden tot tempelpersoneel werkzaam in verschillende Thebaanse culten. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd voornamelijk meegegeven aan overledenen die tot de hoge clerus van Amon-Ra behoorden en dus tijdens hun leven werkzaam waren in de tempel van Karnak. Een bekend voorbeeld betreft de priester Horos, eigenaar van de ‘Joseph Smith papyri’. De twee meest voorkomende titels zijn ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ en ‘sistrum-speelster van Amon-Ra’. De eigenaren van deze teksten konden niet alleen verbonden worden aan de cultus van Amon-Ra, maar bijvoorbeeld ook aan de cultussen van Montoe van Hermonthis (Armant) en de god Chonsoe, die een tempel had binnen het Karnak-complex. De meeste priesters waren niet verbonden aan één cultus, maar konden verschillende goden tegelijkertijd dienen. De weergave van de verscheidene priestertitels in de documenten toont aan dat in dezelfde funeraire papyrus verschillende combinaties van titels kunnen voorkomen. Zo kan iemand in de eerste lijn van de papyrus ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ zijn en enkele lijnen verderop alleen ‘godsvader’. Daarnaast konden er later in de tekst titels voorkomen die niet in de introductie van de overledene aanwezig waren. Naast de titels, werd de filiatie van de overledene doorgaans meegegeven. Vaak werden zowel de moeder als de vader weergegeven, en in enkele uitzonderlijke gevallen zien we een hele stamboom. In andere gevallen hebben we alleen de naam van de moeder of de vader, en soms helemaal geen filiatie. De vader van de overledene kan geïntroduceerd worden door de titel ‘mi nn‘, oftewel van dezelfde rang. Hiermee wordt bedoeld dat de vader tot dezelfde priesterklasse behoorde en dus naar alle waarschijnlijkheid ook een heleboel titels bezat, maar dat in het funeraire document ervoor gekozen werd om enkel de rang van de priester aan te duiden.

Funeraire composities in de Grieks-Romeinse periode

Zoals vaak het geval is met papyri kennen we van de meeste funeraire teksten die vandaag in verscheidene musea verspreid zijn, geen oorspronkelijke archeologische context. Eén graf in de Thebaanse necropool vormt de grote uitzondering, de zogenaamde Soter-tombe. Dit graf, beter bekend als Thebaanse Tombe 33, ligt in de al-Khukha necropool, net naast het Assasif in de buurt van de dodentempel van koningin Hatsjepsoet (Deir el-Bahari). Het graf werd net zoals zovele graven in de Thebaanse necropool hergebruikt in de Grieks-Romeinse periode. Eén van de mensen die hier in een later stadium in begraven werd was Soter, vandaar de naam van de tombe. Hij en zijn familieleden kregen enkele ‘Documenten van het Ademen’ mee. Waarschijnlijk zijn er een twintigtal documenten afkomstig uit dit graf. Naast het ‘Eerste Document van het Ademen’ en het ‘Tweede Document van het Ademen’ verkregen de overledenen, die hier begraven werden, ook late versies van het Dodenboek en een versie van het ‘Boek van het Doorlopen van de Eeuwigheid’, een andere funeraire compositie uit de Grieks-Romeinse tijd. De funeraire literatuur uit deze periode is wel degelijk nog heel bruisend. Vaak wordt het afgedaan als minderwaardig omdat de composities vergeleken worden met de Dodenboeken uit het Nieuw Rijk, die doorgaans als veel kwalitatiever en gedetailleerder beschouwd worden. Hoewel de ‘Documenten van het Ademen’ dan stilistisch minder mooi mogen zijn, vormen ze wel het bewijs dat een typische faraonische traditie nog steeds gevolgd werd en dat er zelfs nieuwe composities werden geschreven in verschillende vormen en combinaties. De creativiteit van de Thebaanse clerus die deze documenten ontwikkelde, vierde dus hoogtij tot ver in de Romeinse periode.

Meer lezen

Coenen, M. & J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek 5, Leuven, 1995.
Coenen, M., ‘Owners of Documents of Breathing Made by Isis’, Chronique d’Egypte 79: 157-158, 2004, 59-72.
Herbin, F.R., Books of Breathing and Related Texts, London, 2008.
Herbin, F.R., Le livre de parcourir l’éternité, OLA 58, Leuven, 1994.
Mosher, M., ‘Theban and Memphite Book of the Dead Traditions in the Late Period’, Journal of the American Research Center in Egypt 29, 1992, p. 143-172.
Smith, M., Traversing Eternity: Texts for the afterlife from Ptolemaic and Roman Egypt, Oxford, 2009.

Coverafbeelding: Adaptatie van een funeraire papyrus met daarop het ‘Boek van het Ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris’ uit het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/feed/ 0 2145
Valentijn in Egypte: overspel in de papyri https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2019/valentijn-in-egypte-overspel-in-de-papyri/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2019/valentijn-in-egypte-overspel-in-de-papyri/#respond Thu, 14 Feb 2019 15:39:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1238 overspel in de papyri

Naar aanleiding van Valentijn schrijven we een special over papyri die ons een geprivilegieerde inkijk bieden in de dagdagelijkse realiteit van de Egyptische oudheid. De meeste papyrusteksten die tot ons zijn gekomen zijn nooit bestemd geweest voor een ruim publiek, maar alleen voor beperkt gebruik. Maar bieden deze papyri ook een inkijk in de slaapkamer van onze voorouders? Wat vertellen de papyri over overspel?

Het bericht Valentijn in Egypte: overspel in de papyri van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
overspel in de papyri

In 2017 pakte het weekblad Flair uit met een onthutsend artikel: uit een wereldwijde bevraging (door datingsite Victoria Milan) bleek dat 38% van de vrouwen en 36% van de mannen Valentijn liever zouden doorbrengen met hun minnaar dan met hun vaste partner. Maar liefst 21% van de bevraagden gaven aan Valentijn bij voorkeur te willen vieren met hun minnaar én partner. Verontrustende resultaten, maar Flair heeft altijd gelijk. Wij grijpen deze feestdag van de liefde graag aan voor een korte uiteenzetting over overspel in de papyri.

De vele duizenden papyri die de tand des tijds hebben doorstaan in het droge klimaat van Egypte bieden een geprivilegieerde inkijk in de dagdagelijkse realiteit van de Egyptische oudheid. De meeste papyrusteksten die tot ons zijn gekomen zijn nooit bestemd geweest voor een ruim publiek, maar alleen voor beperkt gebruik: brieven, contracten, gerechtsstukken, kwitanties, rekeningen en dergelijke meer, niet zo verschillend van wat je vandaag aantreft in de prullenmand. De schrijvers van deze papyrusteksten hadden echter nooit kunnen bevroeden dat beschaving de mens op een dag zo ver zou drijven deze papyri uit hun prullenmand op te diepen en letter voor letter te ontcijferen om de arme stakkers hun diepste geheimen te ontfutselen. Dit voyeurisme heeft zich vandaag ontwikkeld tot een wetenschappelijke discipline, druk beoefend door Leuvense oudheidkundigen. Maar bieden deze papyri ook een inkijk in de slaapkamer van onze voorouders? Wat vertellen de papyri over overspel?

#MeToo

We beginnen onze reis in het Nieuwe Rijk, iets langer dan 3000 jaar geleden. Overspel met gehuwde vrouwen bekleedt een prominente plaats in een aantal klachten uit de Ramessidentijd, hoofdzakelijk afkomstig uit de arbeidersnederzetting Deir el-Medina, nabij de Vallei der Koningen. Een goed voorbeeld van zulke klacht is Papyrus Salt 124 (= P. BM 10055), waarin een zekere Amennacht zijn dorpsgenoot Paneb van allerhande kwaad beschuldigt ten overstaan van de vizier (de eerste minister zeg maar). Paneb werd niet alleen beschuldigd van diefstal, omkoping en geweld, maar ook van onkuise handelingen met een hele resem vrouwen:

Paneb had seks met de dorpsbewoonster Tuy, die de vrouw is van de werkman Qenna; hij had seks met Hul, die samen is met Pendwau; hij had seks met de dorpsbewoonster Hul, die samen is met Hesysunebef (…) en wanneer hij seks had gehad met Hul, had hij seks met Webchet, haar dochter; en Aapehty, zijn zoon, had eveneens seks met Webchet.

Paneb maakte het dus wel erg bont. Mogelijk was hierbij machtsmisbruik in het spel: Paneb was opzichter van de werken aan het koningsgraf in de Vallei der Koningen en had als dusdanig heel wat invloed in het arbeidersdorp Deir el-Medina. #MeToo in het oude Egypte?

Deir el-Medina

Het voorbeeld van womanizer Paneb mag natuurlijk niet veralgemeend worden. Een heel andere kijk op huwelijkstrouw vinden we in P. Leiden I 371, eveneens uit de Ramessidische periode. In deze brief van een man aan zijn overleden echtgenote – zulke brieven schreven Egyptenaren wel vaker – benadrukt de eerste herhaaldelijk dat hij zijn vrouw altijd trouw is gebleven, zowel voor als na haar dood. Misschien brengt deze geste de romantische zielen onder ons in vervoering, maar recent onderzoek door Lana Troy stelt vraagtekens bij de traditionele romantische interpretatie van deze papyrus. Volgens Troy beschuldigt de schrijver van P. Leiden I 371 de geest van zijn dierbare van onheil: ofschoon hij altijd zo goed voor zijn vrouw heeft gezorgd, valt zij hem lastig vanuit het dodenrijk.

De wijze raad van Anchsjesjonqy

 Vooraleer we kijken naar documentaire papyri uit latere periodes, kan het interessant zijn om even stil te staan bij referenties naar overspel in literaire papyri. Een eerste verwijzing naar overspel vinden we in het Dodenboek, een verzameling van funeraire teksten die sinds het Nieuwe Rijk gebruikt wordt om doden te begeleiden tijdens hun tocht door de onderwereld en occasioneel ook om de mummie van Imhotep tot leven te wekken. In de zogenaamde ‘Negatieve confessie’, uitgesproken door de overledenen wanneer zij voor de dodengod Osiris verschijnen en hun hart door Anubis wordt gewogen, geven de doden een opsomming van allerhande stoute zaken waaraan zij zich nooit hebben bezondigd: zij hebben niet gemoord, niet gestolen, niet gelogen, niemand pijn gedaan, niemand doen wenen … én zij zijn niet vreemdgegaan. Als hun hart rechtvaardig blijkt, mogen zij in de onderwereld blijven wonen; zo niet, worden zij opgegeten door de nijlpaardleeuwkrokodil Amemet (kan je het horen?), een onplezierige tweede dood.

Het wegen van het hart in het Dodenboek van Any (P. BM 10470, ca. 1250 v.C.)

Al even gruwelijk is het ‘Verhaal van de twee broers’, bewaard op Papyrus D’Orbiney (P. BM 10183). Deze vertelling gaat – ja hoor! – over twee broers, Anubis en Bata, die eerst eensgezind samen land bewerkten, maar spoedig in een ruzie verwikkeld raakten om een vrouw. Toen de echtgenote van Anubis hem op een dag kwam vertellen dat zijn jongere broer Bata haar had proberen verleiden, besloot Anubis zijn broer te vermoorden. Bata kon ternauwernood ontsnappen door een schietgebedje tot de zonnegod te richten, die een meer vol krokodillen tussen de twee broers tevoorschijn toverde. Dit bood Bata de gelegenheid om zich te verdedigen: allereerst verzekerde hij zijn broer van zijn eerlijkheid door zijn eigen edele delen af te snijden en in het water te werpen en vervolgens legde hij uit dat hij zijn schoonzus helemaal niet had proberen versieren, maar zijn schoonzus hem! Toen zij was afgewezen, had de listige vrouw het verhaal omgedraaid in de hoop dat haar echtgenoot zich op Bata zou wreken. Toen Anubis dat vernomen had, keerde hij onmiddellijk naar huis terug, doodde hij zijn echtgenote en wierp hij haar voor de honden. Het verhaal gaat nog even verder, maar uiteindelijk werden Bata en Anubis koning en kroonprins en leefden zij nog lang en gelukkig.

Ook de zogeheten Egyptische wijsheidsteksten bieden een interessante blik op morele concepties rond overspel in het oude Egypte. De ‘Leer van Anchsjesjonqy’ (P. BM 10508 e.a.) kan dienen als voorbeeld. Deze lange reeks van raadgevingen van de gevangen priester Anchsjesjonqy aan zijn zoon, aldus het kaderverhaal, bevat niet alleen belangrijk huwelijksadvies van algemene aard (bv. “degene die zich schaamt voor seks met zijn vrouw zal geen kinderen krijgen”), maar verwijst ook meerdere malen naar overspel. Bij momenten zijn de raadgevingen best geestig: “huw niet met een vrouw wier echtgenoot nog leeft, opdat je jezelf geen vijand zou maken”, “indien je je vrouw met haar minnaar aantreft, troost jezelf dan eveneens met een (nieuwe) bruid”, of “als een vrouw geen zorg draagt voor het bezit van haar echtgenoot, heeft zij een andere man in gedachten”. Waarschuwingen zoals “degene die een gehuwde vrouw liefheeft zal gedood worden op haar deurdrempel” of “degene die een gehuwde vrouw neemt op haar bed, zijn vrouw zal genomen worden op de grond” zijn veel minder grappig: zij getuigen van moord en verkrachting als vorm van eerwraak. In het algemeen is de wijze raad van Anchsjesjonqy weinig vrouwvriendelijk.

God, geld en seks

De talrijke papyri uit Ptolemaeïsch Egypte bevatten ook interessante gegevens. Een eerste belangrijke groep van teksten in dit kader zijn de tempeleden: deze eden, overigens een uitvinding van vroegere datum, werden gezworen in heiligdommen in de naam van de goden en houden doorgaans verband met rechtszaken en disputen. Zij werden neergeschreven op potscherven (ostraca), die eveneens deel uitmaken van het papyrologische werkveld. Meer dan twintig van deze eden betreffen huwelijksproblemen en verschillende van deze teksten refereren naar overspel. Zo zwoer bijvoorbeeld een zekere Taminis omstreeks het einde van de 2de eeuw v.C. in Djeme (op de oostelijke oever van Thebe): “Sinds mijn huwelijk met jou tot op vandaag heb ik jou niet bestolen, heb ik jou niet beroofd, heb ik niets in het geheim gedaan, voor meer dan 20 zilverlingen; ik heb niet met een (andere) man geslapen tijdens ons huwelijk” (O. BM 31940 = O. Tempeleide 7). Wanneer je dit corpus van teksten van naderbij bekijkt, valt het op dat het overgrote deel van deze eden met betrekking tot overspel gezworen worden door vrouwen. Opnieuw een teken van vrouwonvriendelijkheid? Ja en neen: onderzoekers hebben gewezen op een nauwe band tussen deze eden en bepalingen in het Egyptische huwelijksrecht. Een echtscheiding zonder grondige reden kon een man een bomvol geld kosten; kon hij echter aantonen dat zijn vrouw hem ontrouw was geweest of oneerlijk was geweest over de financiële huishouding, was hij veel minder geld aan zijn echtgenote verschuldigd. Het eisen van een tempeleed was een goede manier om dit te bewijzen. Mannen konden hun vrouw wel beter niet in het wilde weg van ontrouw beschuldigden: als zij uiteindelijk de eed durfden zweren en aldus hun onschuld bewezen, moest hun echtgenoot een boete betalen. “Waarom lieg je dan niet gewoon?”, vraag je je vandaag af. Het antwoord is eenvoudig: de goden in wier naam je meineed had gezworen en in wie de Egyptenaren hartstochtelijk geloofden, konden je op allerlei vreselijke manieren straffen.

De reglementen van religieuze verenigingen vormen een tweede belangrijke bron van informatie. Het reglement van de ‘associatie van de tempel van Horus Behdety’ (P. Lille Dem. I 29, 223 v.C.) bestraft overspel met de echtgenote van een ander lid van de vereniging met uitsluiting uit de associatie en een boete van 2 kite zilver: op zich niet onoverkomelijk als je weet dat dit bedrag overeenstemt met zo’n 12 daglonen en dat je vier keer zwaarder werd beboet als je een ander lid van de vereniging vertelde dat hij lepra had, terwijl dat niet waar was. In de ‘associatie van de krokodil’ in Tebtynis was het wel opletten geblazen: daar betaalde je in geval van overspel 300 deben of 3000 kite (P. Prague, 137 v.C.). Het is moeilijk om de precieze waarde van deze geldsom in te schatten, vanwege de instabiliteit van het Ptolemeïsche monetaire systeem in deze periode, maar in ieder geval lijkt het om een aanzienlijk bedrag te gaan: voor 300 deben kon je in deze vereniging even goed driemaal je overste slaan of drie collega’s van lepra beschuldigen. Misschien was de krokodillenclub recentelijk opgeschrikt door een schandaaltje?

Demotisch reglement van de ‘associatie van de tempel van Horus Behdety’ (P. Lille dem. I 29, 223 v.C.)F. De Cenival. Les associations religieuses en Égypte d'après les documents démotiques

Demotisch reglement van de ‘associatie van de tempel van Horus Behdety’ (P. Lille dem. I 29, 223 v.C.)

Crimes passionnels

De laatste papyrus die hier de revue zal passeren, dateert uit de late 4de eeuw n.C. BGU IV 1024 is een fragment uit een juridisch handboek, dat drie samenvattingen van moordprocessen bevat. De eerste zaak betreft een man die zijn echtgenote op heterdaad betrapte met een minnaar; laatstgenoemde kon vluchten, maar de vrouw werd door haar man neergestoken. De tweede zaak, “tegen iemand die zijn vriendin te graag ziet”, lijkt sterk op de eerste, maar in dit geval zijn de man en de overspelige vrouw niet gehuwd. De derde zaak, tot slot, gaat over de moord op een prostituee door een jaloerse Alexandrijnse senator. Deze ‘crimes passionnels’ herinneren aan de Ptolemaeïsche petities van de tweelingzussen in het Memphitische Serapeum, die al eens besproken werden op deze blog: de moeder van deze meisjes had haar minnaar gevraagd om haar echtgenoot uit de weg te ruimen. Het lot van de eerste man uit het juridische handboek is onbekend. In de tweede zaak gold de liefde als verzachtende omstandigheid en werd de moordenaar ‘slechts’ veroordeeld tot levenslange dwangarbeid in de mijnen. De Alexandrijnse senator op zijn beurt kon op minder clementie rekenen: de rechter koos partij voor de prostituee, een meelijwekkend wezen dat gedwongen werd haar lichaam te verkopen, en veroordeelde de senator, die zijn stand ten schande had gemaakt, tot de dood. Ook vandaag nog wordt liefdeswaanzin in sommige rechtssystemen ingeroepen als verzachtende omstandigheid in moordzaken. In België is dit gegeven in 1997 uit de wet geschrapt. Toch nog niet helemaal gerust? Dan moet je maar Valentijn vieren met je eigen partner!

Lees meer

Christopher Eyre, ‘Crime and Adultery in Ancient Egypt’, The Journal of Egyptian Archaeology 70 (1984), p. 92-105.

Françoise De Cenival. Les associations religieuses en Égypte d’après les documents démotiques (Bibliothèque d’étude de l’Institut français d’archéologie orientale 46). Caïro, 1972.

James Keenan, ‘Roman Criminal Law in a Berlin Papyrus Codex (BGU IV 1024-1027), Archiv für Papyrusforschung 35 (1989), p. 15-23.

Sandra Lippert, S., Einführung in die altägyptische Rechtsgeschichte (2de editie), Berlin, 2012.

Lana Troy, ‘How to treat a lady: Reflections on the ‘notorious’ P. Leiden I 371’, in Rune Nyord & Kim Ryholt (edd.), Lotus and Laurel: Studies on Egyptian Language and Religion in Honour of Paul John Frandsen, Kopenhagen, 2015, p. 403-418.

Coverfoto: adaptatie van schilderij ‘Cleopatra’ door Alexandre Cabanel op Wikimedia (CC0) en de afbeelding ‘Turin Erotic Papyrus Scene’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Valentijn in Egypte: overspel in de papyri van Gert Baetens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2019/valentijn-in-egypte-overspel-in-de-papyri/feed/ 0 1238
Rondjes draaien in de woestijn https://www.oudegeschiedenis.be/04/09/2018/rondjes-draaien-in-de-woestijn/ https://www.oudegeschiedenis.be/04/09/2018/rondjes-draaien-in-de-woestijn/#respond Tue, 04 Sep 2018 14:05:04 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1018 Mons Claudianus

We stellen u voor: Philokles, een des grootsche persoonen der vaderlandsche geschiedenis Egyptens. Doet geen belletje rinkelen, zegt u? Dat kan, want de zaakjes waar Philokles zich mee bezig hield, waren namelijk niet allemaal even koosjer, en daarover wijden leerkrachten geschiedenis nu eenmaal niet graag uit.

Het bericht Rondjes draaien in de woestijn van Yanne Broux verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Mons Claudianus

Geachte liefhebbers van de hoogst verheven antieke cultuur, graag stel ik u vandaag voor aan niemand minder dan Philokles, een der grootsche persoonen der vaderlandsche geschiedenis Egyptens. Doet geen belletje rinkelen, zegt u? Kan ik mij voorstellen. De zaakjes waar Philokles zich mee bezig hield, waren namelijk niet allemaal even koosjer, en daarover weiden leerkrachten geschiedenis nu eenmaal niet graag uit.

Philokles, de filantroop

Philokles leefde ergens rond het einde van de 1ste en begin van de 2de eeuw n.C. aan de rand van de Egyptische maatschappij, letterlijk én figuurlijk. Op een pre-motorische jetski langs de oevers van de Nijl scheuren om indruk te maken op de plaatselijke tandeloze schones – al dat zand was écht niet goed voor het gebit! – was niet aan hem besteed. Hij bracht zijn leven namelijk door in de dorre Oostelijke Woestijn tussen de Nijlvallei en de Rode Zee. Dit gebied werd doorkruist door allerlei handelsroutes, en langs die routes bevonden zich op regelmatige afstand kleine Romeinse legerkampen.

Handelsroutes en Romeinse legerkampen in het Egyptische Oostelijke Woestijngebied©J.-P. Brun

Handelsroutes en Romeinse legerkampen in het Egyptische Oostelijke Woestijngebied

Deze kampen stonden mee in voor de bewaking van de handelskaravanen die regelmatig tochtjes maakten tussen Berenike en Myos Hormos aan de kust, en hoofdzakelijk Koptos aan de Nijl. Er lagen ook verschillende belangrijke steengroeves in dit gebied, die vooral door de keizers gebruikt werden om hun megalomane paleizen in Rome te versieren. Elk kamp werd bewoond door een handjevol soldaten die zich vaak maanden aan een stuk steendood – pun intended – verveelden. Veel meer dan een onverwachte bedoeïenenaanval nu en dan, viel er daar niet te beleven. Tot Philokles op het toneel verscheen.

Philokles was zelf geen soldaat, dus wat ging die kerel daar in godsnaam zoeken? Het leven is al zo kort, en was 2000 jaar geleden doorgaans nog korter dan nu. Maar onze dierbare Philokles was een gewiekst zakenman, en had al snel door dat er bij die vol heimwee wegkwijnende soldaatjes wel iets te rapen viel. Onder het motto “het leven is geen ponykamp, want zo’n beesten zijn te duur in Egypte”, sjorde hij heel zijn hebben en houden op de rug van zijn kameel, en vertrok naar het beloofde land.

De route door de Oostelijke Woestijn stond bekend om de handel met het Verre Oosten, van waar er allerlei exotische producten werd geïmporteerd. Maar Philokles ging het zo ver niet zoeken. Nee, hij stortte zich op een meer bescheiden marktsegment. Het leger voorzag de soldaten namelijk wel van basisproducten, zoals graan en wijn (brood werden ze geacht zelf te bakken, je kon dus maar beter wat patissier-skills in je vingertoppen hebben als je je aanmeldde voor legerdienst). Maar luxeproducten, zoals vlees en groentjes – jawel, dat lees je goed – moesten de soldaten zelf voorzien. En dat is nu eenmaal niet zo vanzelfsprekend wanneer je midden in de woestijn zit. Toen Philokles zich van dit gat in de Oostelijke Woestijnkampenmarkt bewust werd, begonnen de drachmen-tekens ongetwijfeld in zijn ogen te flikkeren.

Van a tot vlo

ostraca Philokles©A. Bülow-Jacobsen

De ostraca met brieven van Philokles

We zijn vrij goed op de hoogte van Philokles’ handeltje dankzij een hele hoop ostraca die in twee kampen, Krokodilo en Didymoi, zijn teruggevonden. Het zijn bijna allemaal brieven die door hemzelf zijn geschreven of aan hem zijn geadresseerd. Na zich door het ‘maan roos vis’-boekje te hebben geworsteld om dan laatst te eindigen in de schoonschriftwedstrijd op het einde van het schooljaar, besloot hij dat hij genoeg had geleerd om zijn plan te trekken. Klinkers vond hij overschat, zeker de dubbele, dus schreef hij er net genoeg om zich op potscherf verstaanbaar te maken:

Φιλοκλῆς καὶ Σ̣π ̣ ̣(l. Σκνὶψ) Καππάρι (l. Καππάρει) τ̣ῶ ἀδελφῶ πλῖ̣σ̣τα (l. πλεῖστα) χαίριν (l. χαίρειν)· τὸ προσκύνημά συ (l. σου) ποῶ (l. ποιῶ) παρὰ τὸν̣ Π̣ᾶ̣ν̣α̣ν

“Philokles en Sknips groeten Kapparis hun broer hartelijk. Ik heb gebeden voor jou tot Pan …”  (O. Did. 379, l. 1-4)

Aangezien zijn brieven in meerdere kampen teruggevonden zijn, had hij zich waarschijnlijk ook op de vastgoedmarkt gestort en in verschillende kampen in een optrekje geïnvesteerd. Omdat stenen muren op zich toch ook maar wat kil zijn, zelfs in zo’n heet klimaat als in Egypte, had hij voor het binnenhuisarchitectonisch aspect en de onmisbare female finishing touch niet één, maar zelfs twee vrouwen in huis gehaald: een wat oudere dame met de wat ongelukkige naam Sknips (die letterlijk ‘vlo’ betekent), en een – laat ons hopen voor Philokles – parasietenvrije juffer genaamd Hegemonis.

Zoals professor Willy Clarysse het in heel voorzichtige bewoordingen omschrijft: “Het is niet onmogelijk dat Philokles er een ménage à trois op nahield met beide vrouwen, maar aangezien verwantschapstermen zoals ‘broer’ en ‘zus’ nogal vrij gebruikt werden, kunnen we niet helemaal zeker zijn.” (Je ‘broer’ kon dus effectief je broer zijn, of je echtgenoot, of je vriend, je neef, je tandarts waar je na het laten trekken van tien zanderige tanden toch wel een vrij vertrouwelijke band mee hebt opgebouwd, etc.). Ik ben voor de meer gewaagde hypothese dat Philokles een SM-verslaving had en Hegemonis in huis heeft gehaald voor wat dirty talk en spanking (haar naam betekent tenslotte ‘Führer’). Of misschien was hij gewoon allergisch aan vlooienbeten, en, ja, every poppa needs some sugar once in while.

Tournée générale

Veel van de teksten in het archief van Philokles gaan over eten, maar het is niet altijd duidelijk of de kolen, uien, appels, worsten, wijn, gezouten vis, kippen, varkensvlees of konijnenstront bedoeld zijn voor eigen gebruik, of voor zijn handeltje. Zijn meest lucratieve onderneming draaide echter rond… hoertjes. Op vraag van de soldaten stuurde Philokles namelijk meisjes naar de kampen. Deze meisjes, die vaak nog erg jong waren, werden via Koptos in de Nijlvallei naar de kampen gebracht. Voor ieder meisje moest er 108 drachmen aan invoerrechten betaald worden. De gemiddelde prijs voor een gezelschapsdame was 60 drachmen voor één maand, en daar moest dan nog 12 drachmen belastingen op betaald worden. Aangezien er ongeveer 15 soldaten in één kamp zaten, betaalde ieder dus zo’n 4 drachmen voor één maand “gezelschap”. Dat komt overeen met ongeveer vier dagen loon. Sommige dames waren iets duurder dan andere, en in enkele gevallen konden sommige individuen, waarschijnlijk hogergeplaatste officieren, een meisje voor “privégebruik” bestellen.

Het “werk” dat deze meisjes in de kampen verrichten wordt in de bronnen omschreven als κυκλεύειν, wat letterlijk ‘ronddraaien’ betekent. Normaal wordt deze term gebruikt in de context van irrigatie, als in ‘aan het waterwiel draaien’, en zo werd het aanvankelijk ook vertaald door de uitgevers van de brieven van Philokles. Ze maakten daarbij wel de kanttekening dat het nogal vreemd was dat Philokles vrouwen naar de woestijn bracht, gewoon om water uit de waterputten te halen.

Maar in feite is κυκλεύειν dus een eufemisme voor het ‘ronddraaien’ van de ene man naar de andere. Hoeveel rondjes een meisje zoal moest draaien op één dag weten we niet, maar laat ons hopen dat er toch wat clausules waren voorzien in haar contract… Ik vraag mij trouwens af hoe ze ooit op die term gekomen zijn: dansten de meisjes in pirouette-achtige bewegingen van het ene soldatenoptrekje naar het andere? Of sliepen die mannen allemaal in één grote barak en konden ze dan lekker lui van de ene af rollen en op naar de volgende?

Philokles lijkt dan misschien wel min of meer een vaste relatie gehad te hebben met Sknips en Hegemonis, dat weerhield hem er toch niet van om ook hen af en toe aan soldaten uit te lenen, zoals beschreven in deze brief (O. Did. 406) aan een zekere Rusticus:

“Ik laat weten dat ik mijn vrouw aan jou heb toevertrouwd om haar af te leveren aan het kamp van Aphrodites Orous. Als iemand haar lastig valt, breng haar dan terug naar mij. Als iemand haar misbruikt, dan krijg je met mij te maken. Zij mag met niemand het bed delen tenzij met jouw toestemming. Als ze daar een probleem heeft dat niet informeel opgelost kan worden, probeer het dan in de hand te houden tot de centurio arriveert. Want anders, als dat gebeurt, dan zal ik met je afrekenen! Want ik heb al wat ik heb aan jou toevertrouwd en je zal mij de vrouw onder je voogdij teruggeven.”

Business is business blijkbaar…

Tekening van de Romeinse nederzetting aan de Mons Claudianus

Alle mooie verhalen…

Zoals in alle mooie verhaaltjes, bloeide er af en toe ook effectief iets moois op tussen een meisje en een soldaat, en dat zorgde dan voor problemen met haar eigenaar. Wanneer Antonius verliefd wordt op Iulia, vraagt haar pooier Cornelius aan het kamp waar ze op dat moment tewerkgesteld is, om haar enkele dagen verlof te geven zodat ze haar paramour kan bezoeken. Wanneer zij echter niet terugkomt na enkele dagen, dreigt Cornelius dat hij de inkomsten van de dagen die hij kwijt is aan Antonius zal aanrekenen (O. Did. 333). Een zekere Sosianus heeft minstens zes ostraca volgeschreven met erotische verzen aan zijn geliefde Aspidous, waaruit blijkt dat niet alleen zijn hart, maar ook andere lichaamsdelen in brand stonden (Route de Myos Hormos, p. 466-467). Laat ons hopen dat dit enkel figuurlijk bedoeld was, want anders is dit mogelijk de allereerste getuigenis van gonorroe. Had hij in dat geval maar de gynaecologische papyrus van Kahun gelezen, waarin een ecologisch alternatief voor het condoom wordt aangeboden: een goed laagje krokodillenstront erop, en beuken maar!

Lees meer

Voor meer literatuur over Philokles en zijn hoertjes kan je terecht bij:

Bülow-Jacobsen, A., ‘Private Letters’, in: H. Cuvigny (ed.), Didymoi. Une garnison romaine dans le désert Oriental d’Egypte II: les textes (IFAO 51), Cairo, 2012.

Cuvigny, H., La route de Myos Hormos. L’armée dans le désert Oriental d’Égypte. Praesidia du désert de Bérénice I. Volume II (Fouilles de l’Ifao 48/2), Cairo, 2003, 376.

Cuvigny, H., ‘Femmes tournantes: remarques sur la prostitution dans les garnisons romaines du désert de Bérénice’, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik, 172 (2010), p. 159-166.

Het bericht Rondjes draaien in de woestijn van Yanne Broux verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/04/09/2018/rondjes-draaien-in-de-woestijn/feed/ 0 1018