Jood Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/jood/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 12 Jul 2026 16:53:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Jood Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/jood/ 32 32 136391722 Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte! https://www.oudegeschiedenis.be/12/07/2026/belastingen-een-mannenzaak-niet-in-hellenistisch-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/07/2026/belastingen-een-mannenzaak-niet-in-hellenistisch-egypte/#respond Sun, 12 Jul 2026 16:53:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2841 Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte!

Van het glazen plafond over de loonkloof tot de informele ‘pink tax’: economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen blijft ook vandaag een actueel thema. Minder bekend is de rol van belastingen in dat verhaal, zowel nu als in het verleden. Aan de hand van fiscale documenten uit (vooral Hellenistisch) Egypte laat deze bijdrage zien hoe economisch actieve vrouwen in de Oudheid belast werden en welke inzichten dat biedt in hun economische positie.

Het bericht Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte! van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Van het glazen plafond over de loonkloof tot de informele “pink tax” is er duidelijk nog een hele weg te gaan voor de economische gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Minder bekend is de rol van belastingen in dit verband, pas vrij recent het onderwerp van onderzoek. Deze blogpost zal dieper ingaan op de verschillende ontwikkelingen van taksen die ook door vrouwen die economisch actief waren in de Oudheid werden betaald, met een focus op Egypte.

Fresco van een jonge vrouw uit Pompeï

Hoewel hedendaagse belastingregels zelden expliciet één geslacht bevoordelen, leiden de toepassing van de regels en hun wisselwerking met de bredere socio-economische realiteit vaak wel tot verschillen. Bijvoorbeeld, de gezamenlijke belastingaangifte van gehuwden – enkel wettelijk verplicht in België en de Democratische Republiek Congo – leidt weliswaar vaak tot een lagere totale belastingdruk, maar doorgaans ten koste van een hoger gemiddeld tarief voor de “secundaire” verdiener, in veel gevallen de echtgenote. Dit is niet alleen relevant voor de gendergelijkheid, maar ook voor de economische productiviteit, aangezien het vrouwen kan ontmoedigen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Zulke kwesties zijn ook relevant voor de Oudheid, en fiscale teksten zijn een belangrijke maar onderbenutte bron voor het bestuderen van de economische activiteiten van antieke vrouwen. Hieronder gebeurt dit aan de hand van zulke documenten uit (vooral Hellenistisch) Egypte, vaak beschouwd als één van de betere plaatsen om een vrouw te zijn in de Oudheid.

Vrouwen in Hellenistisch Egypte

Mummieportret van een vrouw uit Hawara

Die relatief goede positie hadden de Egyptische vrouwen vooral te danken aan hun sterke juridische status. Vrouwen genoten volledige eigendomsrechten over hun roerende en onroerende goederen, mannen en vrouwen erfden op gelijke voet (met uitzondering van de oudste zoon, die een groter deel ontving dan zowel zijn broers als zijn zussen), vrouwen konden petities indienen bij de autoriteiten, en ze konden zelf de scheiding aanvragen. Anderzijds werd het beheer van het gezinsvermogen na het huwelijk vaak aan de echtgenoot toevertrouwd. Bovendien hadden vrouwen geen toegang tot militaire en bestuurlijke functies, met uitzondering van de Ptolemaeïsche koninginnen die bekend stonden om hun actieve politieke en economische rol.

Er waren natuurlijk ook aanzienlijke verschillen in de situatie van individuele vrouwen, die te maken hadden met rijkdom, klasse, leeftijd en andere factoren. Dit hing onder meer samen met het dubbele rechtssysteem: Egyptische vrouwen handelden volledig onafhankelijk, maar Griekse vrouwen hadden voor juridische transacties een voogd (kyrios) nodig, meestal haar echtgenoot of een mannelijk familielid. Paradoxaal genoeg betekent dit dat Egyptische vrouwen die zich introuwden in een Griekse familie er sociaal gezien op vooruitgingen, terwijl haar situatie er naar onze moderne maatstaven op achteruitging. Helaas geven de fiscale teksten zelden inzicht in de exacte positie van de betrokken vrouwen.

Vrouwen van tel: de hoofdelijke belasting

De basis voor het heffen van belastingen in Egypte was de census, waarin het (meestal mannelijke) gezinshoofd een centrale rol speelde. Door de bevolking te tellen, verzamelden de Ptolemaeën de nodige gegevens voor het heffen van de zoutbelasting, een algemene hoofdelijke taks die door het grootste deel van de bevolking betaald moest worden (en die dus niets met de zoutsector te maken had). Ook vrouwen waren deze belasting verschuldigd, aan de helft van het bedrag dat mannen moesten betalen. Het betalen van zo’n belasting kon gezien worden als een graadmeter voor het behoren tot de gemeenschap.

In de late Hellenistische en in de Romeinse periode werd de voornaamste hoofdelijke belasting enkel door mannen betaald, wat gepaard ging met een verslechtering van de juridische positie van vrouwen. Bewijsmateriaal voor de voorafgaande Perzische periode is beperkter, maar er is een hoofdbelastingachtige bijdrage aan de tempel van Jahweh in Elephantine bekend, waarvoor vrouwen hetzelfde bedrag betaalden als mannen [TM 48746]. In dit geval zou de ogenschijnlijke gelijkheid echter door de specifieke Joodse context verklaard kunnen worden: het boek Exodus vermeldt een kopgeld dat door elk individu betaald diende te worden als afkoop voor hun leven.

Register met betalingen voor de zouttaks [TM 44391]

Verkoopstaksen

Als we de antieke auteurs moeten geloven, was de plaats van de vrouw aan de haard, maar in werkelijkheid werkten vele vrouwen buitenshuis. In dit verband merkt Herodotus op dat in Egypte “vrouwen naar de markt gaan en handeldrijven, terwijl mannen thuisblijven en weven”. Deze opmerkelijke bewering wordt in zekere mate bevestigd door het fiscale bewijsmateriaal: de weversbelasting werd doorgaans door mannen betaald, terwijl vrouwelijke betalers van de beroepsbelasting vaak verkoopsters waren. De belangrijkste bron voor die beroepsbelasting vermeldt betalingen door een kaasverkoopster en een broodverkoopster, naast een koeienhoedster [TM 5804]. De gerelateerde belasting voor de bewaking van werkplaatsen werd bovendien betaald door een groenteverkoopster, die dus haar eigen winkel had [TM 7771].

We vinden vooral veel vrouwen onder de bierverkopers die de bierbelasting betaalden. Er is wel eens gesuggereerd dat dit verband hield met bordelen, maar onze voornaamste bron voor deze belasting beschrijft slechts één van de dertien vrouwen als prostituee, en dergelijke beweringen zijn een voorbeeld van de problematische seksualisering van vrouwelijke arbeid [TM 1894]. De betrokkenheid van vrouwen bij de handel strekte zich bovendien uit tot de lucratieve olie-industrie. Olie was onder de Ptolemaeën een “staatsmonopolie” en de verkoop ervan was onderworpen aan competitieve overheidscontracten. Vooral in stedelijke contexten komen we veel vrouwen tegen: in de hoofdstad van de Arsinoïtische gouw waren 32 van de 48 bekende olieverkopers vrouwen [TM 7514].

Marktscène uit het graf van Ipy

Ook vandaag vinden we in het globale Zuiden bovenmatig veel vrouwen onder de marktkramers. Uit onderzoek blijkt dat dergelijke activiteiten vaak zwaarder worden belast dan andere ondernemingen, omdat lokale overheden bij gebrek aan betrouwbare gegevens gebruikmaken van een vereenvoudigd belastingstelsel dat uitgaat van een “verondersteld inkomen”.

Beeld van de brouwster InpusheshiNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Beeld van de brouwster Inpusheshi

Het is best mogelijk dat het Egyptische systeem op een gelijkaardige manier functioneerde, maar gegevens hierover ontbreken. Hoewel we in veel beroepen occasioneel vrouwen aantreffen (bijvoorbeeld als schoenmakers, bakkers, badhuisbeheerders, wevers, artiesten, balsemers, enz.), werden ze wel degelijk geconfronteerd met structurele hindernissen. Dit komt het duidelijkst tot uiting in het lidmaatschap van beroepsverenigingen, die grotendeels uit mannen bestonden. Anderzijds aarzelde de staat niet om vrouwen in te schakelen als tussenpersonen voor de inning van belastingen in sectoren waar zij een bijzonder belangrijke rol speelden. Zo bestaat het archief van de brouwster Taembes uit bankbetalingen namens haar door verscheidene mannen, wat erop wijst dat zij de pachter was van de dorpsbierbelasting [TM archive 371]. Dit zou haar autoriteit hebben verleend over haar mannelijke collega’s.

De wolbelasting: de dunne grens tussen huishouden en commercie

De voor ons meest interessante taks is de zogenaamde “wolbelasting”, die tegen een laag vast tarief werd betaald, enkel door vrouwen, maar niet door alle vrouwen. Ongeveer één op de drie was eraan onderhevig, hoogstwaarschijnlijk omdat ze sponnen. Het spinnen van garen om aan de vraag voor de antieke textielindustrie te voldoen vereiste een enorme hoeveelheid arbeid. Het grootste deel hiervan werd verricht door vrouwen die deeltijds thuis sponnen, aangezien spinnen gemakkelijk te combineren viel met huishoudelijke taken. Zulke taken zijn belangrijk als economische activiteit op zich en als vereiste voor andere vormen van productie, maar komen zelden terug in fiscale en andere officiële statistieken. Het feit dat de Ptolemaeën ervoor kozen om het spinnen binnen het huishouden in geld te belasten, impliceert dat de vrouwen een zeker inkomen uit dit werk haalden. Met andere woorden, hoewel dit werk thuis werd verricht, werd het garen niet (alleen) gebruikt voor de productie van kleding voor het huishouden. We moeten dus voorzichtig zijn om geen al te scherp onderscheid te maken tussen “huishoudelijke” en “commerciële” activiteiten.

3D-weergave van een Griekse vaas met spinnende vrouwen (Metropolitan Museum of Art)

Belastingen op het vermogen van vrouwen

Een laatste categorie belastingen verraadt de misschien wel belangrijkste economische rol van vrouwen: het bezit van onroerend goed. We vinden vrouwen terug onder de betalers van overdrachtsbelasting, successierechten en eigendomsbelasting. De eigendommen waarvoor zij betaalden, bestonden voornamelijk uit huizen en grond, maar omvatten ook uiteenlopende zaken als duivenhokken.

Maquette van een portiek en tuin

Kwantitatieve gegevens zijn schaars, maar in één huis-aan-huisregister was 16% van de woningen in het bezit van een vrouw. In beter gedocumenteerde Romeins-Egyptische dorpen lag het percentage vrouwelijk eigendom tussen de 20 en 30%. Opvallend genoeg worden vrouwen zelden genoemd als betalers van de oogstbelasting op de velden die zij bezaten. Dit kan erop wijzen dat hun echtgenoten het beheer van de eigendommen op zich namen, maar het zou ook te maken kunnen hebben met het feit dat de meeste van de kwitanties afkomstig zijn uit Opper-Egypte, waar de pachters en niet de eigenaars van de grond verantwoordelijk waren voor de betaling van deze bijdrage. Dit suggereert wel dat vrouwen zelden de belangrijkste verrichters van landbouwwerk waren. Vrouwen haalden vaak inkomsten uit hun eigendom door het aanbieden van leningen. Dit weten we niet uit fiscale documenten, maar uit leenovereenkomsten, aangezien de rente die zij ontvingen niet werd belast, behalve in het geval van registratiekosten voor contracten wanneer de bedragen bijzonder hoog waren.

Een mannenwereld … met mogelijkheden voor vrouwen

Uit de papyri blijkt duidelijk dat Hellenistisch Egypte een patriarchale samenleving was, maar vrouwen waren geenszins veroordeeld tot een leven binnenshuis. Vooral voor vrouwen aan de lagere kant van het sociale spectrum zou dit sowieso nauwelijks haalbaar zijn geweest. We zien dat ze werkzaam waren als handelaars en in mindere mate als ambachtsvrouwen, en ze betaalden belastingen net als hun mannelijke collega’s. In sectoren waar ze bijzonder goed vertegenwoordigd waren, met name de bierindustrie, konden ze bovendien optreden als belastingpachters. Tot een derde van de vrouwen haalde een aanvullend inkomen uit het spinnen van garen en betaalde de wolbelasting, die alleen aan vrouwen werd opgelegd. Vrouwen uit de midden- en hogere klasse bezaten een niet te verwaarlozen deel van het Egyptische onroerend goed en haalden inkomsten uit het uitlenen van geld en graan. Het is dus duidelijk dat Hellenistisch Egypte kansen bood aan vrouwen die bereid en in staat waren deze te grijpen.

Lees meer

Clarysse, W. and Thompson, D.J., Counting the People in Hellenistic Egypt, Cambridge, 2006.

Dogaer, N., ‘Spun and Fleeced? Spinning, the Wool Tax, and Gendered Labour in the Ptolemaic Textile Industry’, Archiv für Papyrusforschung und verwandte Gebiete 69.2 (2023), 353–370.

Joshi, A., Kangave, J. and van den Boogaard, V., ‘Furthering a Feminist Fiscal Agenda: Engendering Tax and Development’, Development Policy Review 43.3 (2025) (https://doi.org/10.1111/dpr.70005).

OECD, Tax Policy and Gender Equality: A Stocktake of Country Approaches, Paris, 2022.

Schentuleit, M., ‘Gender Issues: Women to the Fore’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Hoboken NJ, 2019, 347–360.

Coverfoto: adaptatie van de 2D-weergave van een afbeelding op een vaas, een ‘Terracotta lekythos (oil flask)’, uit de collectie van The Metropolitan Museum of Art (Public Domain).

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

Het bericht Belastingen, een mannenzaak? Niet in Hellenistisch Egypte! van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/07/2026/belastingen-een-mannenzaak-niet-in-hellenistisch-egypte/feed/ 0 2841
Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/ https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/#respond Sun, 28 Dec 2025 18:36:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2770 De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Het Katharinaklooster in Sinaï kent een rijke manuscriptentraditie met teksten zoals de Codex Sinaiticus. Centraal in deze blogpost staan de Schotse tweelingzussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson, die eind 19de eeuw baanbrekend werk verrichtten in de ontdekking, documentatie en publicatie van vroege Syrische en Aramese bijbelhandschriften.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Kort na 550 n.C. liet keizer Justinianus een klooster bouwen in de buurt van de berg Horeb in Sinaï, waar Mozes meer dan 2000 jaar eerder van Jahweh in het brandend braambos de Wet der Tien Tafelen (de 10 geboden) had ontvangen. De plaats was toen al een paar eeuwen heilig en werd bewoond door tientallen eremijten, die vaak door de Bedoeïenen werden lastig gevallen en daarom de keizer hadden verzocht om een versterkte woonplaats voor hen te bouwen. Dit klooster, heden UNESCO Werelderfgoed, is zo goed als ongeschonden bewaard en wordt vandaag nog steeds bewoond door Griekse monniken. In de 10de eeuw werden de relikwieën van de heilige Katharina, die in Alexandrië was terechtgesteld tijdens de grote vervolging van keizer Diocletianus in 307 n.C., naar dit klooster overgebracht, en hiervan getuigt de naam Katharinaklooster (ook wel gekend als het Sinaï-klooster of Sint-Catharinaklooster).

Het Katharinaklooster

Het Katharinaklooster in Sinaï

Al vanaf de 4de eeuw n.C. was de heilige berg van Mozes een aantrekkingspunt voor pelgrims die van Jeruzalem naar Egypte gingen en de 3000 treden van de boeteweg tot boven de berg wilden beklimmen. Bij hun tocht konden ze ook de rots bezoeken waaruit Mozes water had doen ontspringen en de kapel op het plateau waar Jahweh was verschenen aan Elias. In latere tijden kwamen ook Syrische, Arabische en Georgische monniken zich hier vestigen. Het ging wel steeds om orthodoxen, voor wie Christus twee naturen bezit, een goddelijke en een menselijke, die op mysterieuze wijze met mekaar vermengd zijn, niet om miafysieten, voor wie Christus maar één god-menselijke natuur heeft, die op mysterieuze wijze is samengesteld. Het Katharinaklooster was een orthodoxe Griekse enclave in het miafysitische, Koptische en later Islamitische en Arabische Egypte. Wel is er in de 11de eeuw ook een kleine moskee gebouwd binnen de kloostermuren. Van de 17de tot de 19de eeuw werd het klooster vaak door de Russische tsaar begiftigd met geschenken.

Icoon ‘De geestelijke ladder’ uit het Katharinaklooster, gemaakt in de 12de eeuw

Het klooster bevat heel wat prachtige mozaïeken, fresco’s en iconen, verspreid over vele eeuwen, maar is toch vooral beroemd om zijn bibliotheek met honderden handschriften in het Grieks (meer dan 2000), Syrisch (300), christelijk Arabisch (700), Georgisch (100) en Slavisch (40), sommige rijkelijk verlucht. Het beroemdste manuscript van de bibliotheek is ongetwijfeld de ‘Codex Sinaiticus’ [TM 62315], met een volledige tekst van het Oude en het Nieuwe Testament, uit de 4de eeuw n.C., één van de drie basisteksten voor onze kennis van de Griekse bijbel.

De meer dan 400 perkamentbladen van 34 op 38 centimeter zijn telkens beschreven in vier kolommen in zeer regelmatige hoofdletters, alle woorden zonder spatie aan mekaar (scriptio continua). Het grootste deel van de codex werd door de Duitse geleerde Konstantin von Tischendorf in de periode 1844-1859 “geleend” en meegenomen naar Duitsland. Een veertigtal folio’s bleven in Leipzig, maar het grootste deel bood hij aan als geschenk aan de Russische tsaar Alexander II, één van de sponsors van het klooster. De lening werd een schenking en de codex bleef achter in Sint-Petersburg.

In 1933 verkocht de Sovjet-regering van Stalin de codex aan het British Museum voor 100 000 pond. Later, in 1975, ontdekte men in het klooster een geheime bergplaats, met daarin onder andere een twintigtal folio’s van de codex, zodat de monniken toch nog een stukje van het manuscript hebben. Een reconstructie van de hele codex , waarbij de verschillende instituten voorbeeldig hebben samengewerkt, kan je nu gelukkig online consulteren.

Een ingebonden versie van de Codex Sinaiticus uit de British Library

De Schotse tweelingzussen Smith

In 1866 sterft onverwacht de Schotse miljonair John Smith. Hij laat een tweeling achter, Agnes (later Smith Lewis) en Margaret (later Dunlop Gibson), twee dochters van 23 jaar. De meisjes hadden onderricht gekregen van hun vader (want hun moeder stierf kort na de geboorte). Ze zijn gelovige presbyterianen (calvinisten) en trots op hun Schotse afkomst en accent. Ze spreken wel vloeiend Frans, Duits en Italiaans en hebben met hun vader een flink deel van Europa gezien. In het spoor van hun overleden vader plannen ze een grote reis, naar Egypte en het Heilige Land, zonder mannelijke begeleider, wat nogal wat wenkbrauwen doet rijzen. Ze varen de Nijl op, over de cataract van Aswan – er was toen nog geen dam – helemaal tot Aboe Simbel, enkele maanden voor de opening van het Suezkanaal. Daarna bezoeken ze ook nog Jeruzalem, een tegenvaller wegens al die orthodoxe en katholieke rituelen. Ze vertrekken in december 1868 en blijven een heel jaar in het Nabije Oosten.

De gezamenlijke woonst van de twee zussen Smith, Castlebrae in Cambridge

Bij hun terugkeer vestigen ze zich in Londen. Agnes publiceert in 1870 een reisverslag, dat goed wordt ontvangen, en ook twee romans. Ze studeren ook Grieks, oud en modern, en in 1883 ondernemen ze een reis naar Griekenland, opnieuw met hun tweetjes. Margaret huwt nog datzelfde jaar, en Agnes gaat voor het eerst alleen op stap, naar Cyprus en Caïro, waar ondertussen de Engelsen de controle hebben verworven. Drie jaar later sterft Margarets man en de zussen worden herenigd. Het huwelijk van Agnes met de rijke en energieke Samuel Lewis in 1887 maakt hieraan geen einde, want na de wittebroodsweken trekt Margaret in bij het echtpaar in Cambridge, waar ze een imposant huis laten bouwen en belangrijke gasten ontvangen, want professor Lewis was een socialite (een man uit de Britse bovenklasse of society).

Door de onverwachte dood van Lewis in 1891 zijn de zusters echter weer op elkaar aangewezen, voor de rest van hun leven. Dankzij Lewis is Agnes nu ook geïnteresseerd in antieke kunstobjecten en manuscripten en heeft ze ook Syrisch gestudeerd – “niet zo moeilijk als je Hebreeuws en Arabisch kent” – want in die taal zijn bijbelvertalingen bewaard uit een heel vroege tijd. Hier speelt de kennismaking met Rendell Harris, een Quaker, een rol. Deze geleerde, eerst hoogleraar in wiskunde, later in Hebreeuws en Syrisch, had namelijk in het Katharinaklooster een Syrisch manuscript ontdekt met de apologie van Aristides, een Atheense auteur – en later heilige – die zich in de 2de eeuw n.C. tot het christendom had bekeerd [TM 115189]. Het werk wordt vermeld in de kerkgeschiedenis van Eusebius (eerste helft 4de eeuw), maar de echtheid ervan werd betwijfeld tot Rendell Harris deze Syrische vertaling publiceerde.

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)© Westminster College, Cambridge

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)

Syrische manuscripten

In 1892 trekken de zussen dus naar Sinaï met als doel de vele Syrische manuscripten die Rendell Harris niet had kunnen inkijken te bestuderen en te fotograferen. Ze sleuren een enorm fototoestel mee op hun tocht, waarvan het laatste deel op kamelen, en kunnen aanbevelingsbrieven voorleggen van de universiteit van Cambridge (voor de bisschop die permissie moet geven voor hun bezoek) en van Rendell Harris, die in het klooster vrienden had gemaakt onder de monniken. Weinig mensen geloofden dat twee vrouwen tot het klooster zouden worden toegelaten waar von Tisschendorf de boel verpest had door zijn optreden 25 jaar voordien. Maar ze slagen erin het vertrouwen te winnen van vader Galakteon, de bibliothecaris, en inzage te krijgen in de oude Syrische manuscripten.

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex© Westminster College, Cambridge

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex

Eén manuscript bevatte de levens van vrouwelijke heiligen [TM 117947], maar was geschreven op perkamentbladen die waren afgewassen. Onder de heiligenlevens, waarvan sommige – bijvoorbeeld over hoe een vrouwelijke heilige erin slaagt haar maagdelijkheid te bewaren tussen de hoeren – nogal pikant, herkende Agnes een evangelietekst in twee kolommen [TM 117850]. Deze palimpsest was duidelijk heel oud, want de heiligenlevens zijn gedateerd in 698 n.C. en de onderliggende evangelies waren duidelijk eeuwen ouder. Ze fotografeerde meer dan 300 pagina’s van dit manuscript en op de foto’s was, bij hun terugkeer in Cambridge, de onderliggende tekst behoorlijk goed te lezen. Het ging om een heel vroege Syrische vertaling, waarvan tot dan toe slechts één kopie was bewaard.

Alle andere Syrische evangelies bevatten de zogenaamde Pesjitta-vertaling, die pas later tot stand kwam. Zo ontbreekt in het Sinaï-manuscript het einde van het Marcusevangelie met de verschijning van de verrezen Jezus aan Maria Magdalena, zoals ook in twee heel oude Griekse vertalingen. Marcus eindigt met de vrouwen die verbijsterd bij het graf staan. Wellicht zijn die laatste woorden in Marcus een latere toevoeging aan het oudste evangelie, maar voor de diepgelovige zussen was de afwezigheid geen probleem (de andere evangelies vulden dit wel aan), maar vooral een bewijs voor de vroege datum van hun vondst.

In 1893 zijn ze terug in Sinaï, in het gezelschap van Rendell Harris en twee professoren die gespecialiseerd zijn in het Syrisch (vrouwen kunnen in Cambridge nog geen academische posities krijgen en zelfs geen universitair diploma behalen) om het origineel helemaal te ontcijferen en te fotograferen. Deze expeditie eindigt in geruzie, maar toch slagen ze erin om gezamenlijk de tekst te publiceren eind 1894. Het wordt een succes, ook al omdat er voor de journalisten een mooi verhaal aan vasthangt over de vrouwelijke ontdekkers van het manuscript.

Meer manuscripten en palimpsesten

Tijdens hun vele reizen kochten de zussen ook her en der manuscripten. In 1896 kwamen ze terug met een aantal Hebreeuwse teksten, die ze aanvankelijk niet als bijzonder belangwekkend beschouwden. Ze toonden ze aan Solomon Schechter, een orthodoxe Jood maar toch ook een vriend des huizes, en die identificeerde één fragment als het Hebreeuwse origineel van de Wijsheid van Jezus Sirach (ook bekend als Ecclesiasticus). Dit boek was tot dan toe alleen in het Grieks bewaard en daarom als niet authentiek afgewezen door de Joodse en protestantse theologen. Dit zette Schechter ertoe aan om in Caïro te zoeken naar de herkomst van die Hebreeuwse fragmenten. Hierbij stootte hij op de genizah in de synagoge van Oud-Caïro, een bewaarplaats van oude manuscripten die niet mochten worden vernietigd omdat de naam van Jahweh erin voorkwam (of kon voorkomen). Schechter verkreeg de hele collectie, meer dan 400 000 handschriften en gedrukte boeken, en nam die mee naar Cambridge, waar ze nu nog druk bezocht en bestudeerd wordt door Joodse geleerden. De helft van de teksten is nu trouwens online beschikbaar en biedt een ongelooflijk inzicht in het Middeleeuwse Caïro, en niet alleen de Joodse gemeenschap in de stad.

De Codex Climaci Rescriptus

Tijdens zo’n reis kochten de zussen in Caïro nog een ander manuscript, dat achteraf ook uit het Katharinaklooster afkomstig bleek, de ‘Codex Climaci Rescriptus’ [TM 140662]. In dit werk beschrijft Johannes, een abt van het klooster, hoe de menselijke ziel door ascese opgaat naar God, langs een ladder (klimax in het Grieks, scala in het Latijn, vandaar de titel van het werk ‘Scala Paradisi’) van de aarde naar de hemel. Heel wat gelovigen slagen niet en worden door de duivels naar de hel gesleept, zoals afgebeeld op het beroemde icoon uit het Katharinaklooster [zie afbeelding hierboven]. De codex bevat een Syrische vertaling van de Griekse tekst, die men kan dateren in de 9de of 10de eeuw, en werd in 1909 door Agnes Smith-Lewis uitgegeven.

De 146 folio’s van de codex zijn nagenoeg allemaal geschreven over een tiental uitgewiste oudere teksten, deels in het Grieks, maar vooral in het christelijk Palestijns Aramees. Deze vorm van Aramees-Syrisch was een later stadium van de taal (of het dialect) die door Christus zelf gesproken werd. De oudere teksten dateren uit de 5de of 6de eeuw en werden dus drie of vier eeuwen later herbruikt voor het ascetisch traktaat van Johannes. Agnes had vlug ook dat schrift en die taal geleerd en zorgde voor een eerste uitgave van deze voor haar bijzonder belangwekkende evangelies in de taal van de heiland zelf (hoewel ze wel realiseerde dat het ging om vertalingen van de Griekse basistekst).

Een palimpsest lezen is niet eenvoudig omdat het onderliggende schrift grotendeels is uitgewist en dan, na eeuwen, toch weer gedeeltelijk zichtbaar wordt. De paleografen uit de 19de en vroege 20ste eeuw gebruikten chemische stoffen om het schrift beter zichtbaar te maken en die beschadigden vaak het perkament, in dit geval echter zonder veel erg.

De manuscripten vandaag

Het door de zussen Smith gestichte Westminster College in Cambridge

Na de dood van de zussen in 1920 (Margaret) en 1926 (Agnes) werden ze begraven bij hun kortstondige echtgenoten. Hun manuscripten hadden ze nagelaten aan het door hen gestichte Westminster College, een college speciaal bedoeld voor de opleiding van presbyteriaanse geestelijken. Hoewel de zussen in Cambridge nooit een diploma – vrouwen waren uitgesloten tot 1948 – konden behalen, kregen ze wel eredoctoraten aan de universiteiten van Halle, Heidelberg, Dublin en St Andrews.

Tot verbijstering van mijn collega’s uit Cambridge heeft het college in 2009 het manuscript van de Codex Climaci Rescriptus laten veilen bij Sotheby’s. Voor ongeveer een half miljoen pond kwam het zo in handen van de familie Green, die het schonk aan het door hen opgerichte Museum of the Bible in Washington. Daar kan het nu bewonderd worden, en is het ook online gedeeltelijk beschikbaar. In een voorbeeldige internationale samenwerking tussen Cambridge, Washington en Sinaï worden nu de christelijke Palestijnse teksten stilaan opnieuw uitgegeven. Met de fotografische middelen waarover men heden beschikt, komt men, een eeuw na de pioniersarbeid van Agnes Smith Lewis – die dit zeker zou hebben geapprecieerd – toch weer een stukje verder. Het Latijnse motto boven de deur van het huis van de tweelingzussen Smith, Castlebrae in Cambridge, luidde niet voor niets: lampada tradam (“ik zal de fakkel doorgeven”).

Meer lezen

Dunlop Gibson, Margaret, How the Codex was Found: A Narrative of Two Visits to Sinai, from Mrs. Lewis’s Journals 1892-1893, Cambridge, 1893.

Soskice, Janet. The Sisters of Sinai: How Two Lady Adventurers Discovered the Hidden Gospels, New York, 2009.

Smith Lewis, Agnes. Apocrypha Syriaca. The Protevangelium Jacobi and transitus Mariae, with texts from the Septuagint, the Corân, the Peshiṭta, and from a Syriac hymn in a Syro-Arabic palimpsest of the fifth and other centuries, Londen, 1902.

Whigham Price, Alan. The Ladies of Castlebrae, Gloucester, 1985.

De bijzondere reisfoto’s van de zussen Smith zijn te bekijken op de website van de Cambridge Digital Library.

Coverafbeelding: Adaptatie van een dia waarop de zussen Smith met hun gezelschap uit Cambridge (en een lokale gids?) aan het rusten zijn tijdens hun reis in de Sinaï-woestijn, gedigitaliseerd door de Cambridge University Library Special Collections.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/feed/ 0 2770