doodstraf Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/doodstraf/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Mon, 26 Dec 2022 10:20:49 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png doodstraf Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/doodstraf/ 32 32 136391722 Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/#respond Tue, 20 Apr 2021 14:30:12 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1949

Op 20 april 202 v.C. gebeurde er iets met de kittens in het huis van Onnophris, een lokale begrafenisondernemer uit het Fajoem-dorpje Tanis. Hij getuigt daarover in een petitie aan de politiechef Machatas. In deze blogpost kom je te weten waarom Onnophris zo verveeld was met wat er in zijn huis gebeurde en hoezeer heilige katten van levensbelang waren in Egypte.

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Waarom zijn heilige katten een zaak van levensbelang in Egypte? Om op die vraag te kunnen antwoorden keren we terug naar  20 april 202 v.C., een dag waarop er iets gebeurde met de kittens in het huis van Onnophris. Deze begrafenisondernemer uit het dorpje Tanis in de Fajoem-oase schreef die dag namelijk de volgende petitie aan de politiechef Machatas:

Toen er enkele katjes werden geboren in mijn huis en toen hun moeder ze niet kwam opzoeken ging ik naar de tempel van Boubastis en ik vroeg de sompheis om te komen en ze mee te nemen naar de Boubastistempel. Maar ze kwamen niet en trokken zich er niets van aan. De katjes werden door mij grootgebracht met melk in mijn huis. Toen gebeurde het dat ze werden meegesleurd door een kater, die ze uit mijn huis meenam tot op de avenue. Ik snelde erheen en riep de mensen die erbij stonden en het hoorden om hulp. We stonden er rond en konden met moeite één katje afpakken met hulp van de omstaanders, onder wie Phasis de dorpssecretaris, aan wie ik een getuigenverslag gaf over wat er was gebeurd. Ik wist niet wat gedaan omdat ik vernam dat u afwezig was en ik kon me in het dorp niet laten zien wegens mijn beroep. Op de 22ste van de huidige maand bracht ik dan het poesje tot aan de poort van de Boubastistempel en ik schonk het met de bede dat de sompheis het zouden binnenbrengen. Want ik mag de tempel niet binnengaan. Opdat ik niet later valselijk zou worden beschuldigd door mensen met kwade bedoelingen, vraag ik met aandrang dat u uw handtekening zou zetten onder alles wat hieronder geschreven staat. Als dat gebeurt, dan zal ik genieten van uw hulp. (P. Köln 15 594)

De Egyptische kattengodin Bastet

Onnophris voelt zich duidelijk verantwoordelijk voor de katjes die in zijn huis geboren zijn en wil het overlevende katje snel een thuis bezorgen in de tempel van de kattengodin Bastet, Boubastis in het Grieks. Somphis is een Egyptisch woord voor “danser” en deze dansers zijn nauw verbonden met de cultus van de godin. Onnophris mag de tempel niet binnen, dat is het voorrecht van de priesters; en begrafenisondernemers zijn zeker onrein en mogen zeker niet door de poort. Onnophris is duidelijk niet gerust in de zaak: hij doet een beroep op het getuigenis van de dorpssecretaris en wil nu ook nog een handtekening van de politiechef. Wat er ondertussen van het katje geworden is, blijft in het ongewisse.

Egyptenaren en hun katten

Dit gebeuren lijkt als twee druppels water op wat Herodotus drie eeuwen vroeger schreef over de Egyptenaren en hun katten:

Vele dieren leven en eten met de mensen samen en hun aantal zou veel groter zijn, als niet het volgende de katten overkwam. Wanneer de vrouwtjes jongen hebben gekregen, zoeken ze de katers niet langer op. De katers willen met de poezen paren, maar krijgen de kans niet. Hierop bedenken ze het volgende: ze halen op gewelddadige of geniepige wijze de jongen bij de poezen weg en doden die, maar peuzelen ze daarna niet op. Wanneer de poezen hun jongen kwijt zijn, verlangen ze naar andere en zoeken ze de katers weer op. Dit dier wil nu eenmaal graag jongen. (Hist. II.66).

Artemis, de Griekse godin van de jacht

In het volgende hoofdstukje vertelt Herodotus dat “de katten na hun dood naar heilige kamers in de stad Boubastis worden overgebracht, waar ze worden gebalsemd en begraven”. Boubastis, de stad in de Delta die aan de kattengodin is gewijd, is volgens Herodotus ook de stad met het grootste carnaval in Egypte, ter ere van Artemis, de Griekse godin die door hem met Bastet wordt geïdentificeerd. Hij beschrijft dit feest als volgt:

“Wanneer ze nu naar de stad Boubastis afreizen, gaat dat ongeveer als volgt. Mannen varen samen met vrouwen en er is een massa volk van beiderlei kunne in iedere boot. Sommige vrouwen hebben ratels bij zich waarmee ze kabaal maken, sommige mannen blazen gedurende de hele boottocht op fluiten. De rest van de vrouwen en mannen zingt en klapt in de handen. Als ze op hun tocht langs een andere stad aankomen, trekken ze de boot aan land en dan gebeurt het volgende: sommige vrouwen doen zoals ik heb gezegd, anderen roepen naar de vrouwen in die stad en maken grapjes met hen, nog anderen dansen en staan recht terwijl ze hun kleed opheffen. Dat doen ze bij elke stad die aan de rivier ligt. Wanneer ze Boubastis hebben bereikt, vieren ze feest en brengen ze grote offers. Tijdens dat feest wordt er meer wijn geconsumeerd dan in heel de rest van het jaar. Tot wel zevenhonderdduizend mensen, mannen en vrouwen, kinderen niet meegerekend, komen er samen, naar de inwoners zeggen. (Hist. II.60)

De verering van katten

Katten afgebeeld op en onder de stoel van grafeigenaar Ipuy en diens vrouw

Katten werden in het Nabije Oosten wellicht al getemd rond 5000 v.C., maar in Egypte blijven tamme katten zeldzaam tot in het Middenrijk (ca. 2000 v.C.). Vanaf het Nieuwe Rijk (ca. 1500 v.C.) zijn er talrijke afbeeldingen van katten als helpers bij de jacht op watervogels en als huisdier onder de stoel van de grafeigenaar. Vanaf de 18de dynastie worden de dieren ook vereerd en die verering neemt een enorme vlucht in de laat-faraonische en Grieks-Romeinse tijd. Getuigen hiervan zijn de kattenkerkhoven en de honderden bronzen beeldjes die over heel Egypte zijn gevonden.

Kattenmummies uit het British Museum

Zo werd ca. 1880-1890 in Beni Hasan in Midden-Egypte een kerkhof gevonden met meer dan 200 000 gemummificeerde katten, die de kinderen aan toeristen verkochten. Een duizendtal werd naar Liverpool gebracht, de meeste hiervan werden verwerkt tot meststof, maar enkele zijn nu te bewonderen in het zoölogisch museum. Ook op veel andere plaatsen vond men kattenmummies, onder andere in Boubastis – natuurlijk – en in Saqqara, de begraafplaats van Memphis. Het graf van de vizier Aperel (18de dynastie) werd later hergebruikt als begraafplaats voor katten (men vond er 200 kattenmummies), maar de meeste mummies dateren uit de Grieks-Romeinse tijd. In 2011 werd een kerkhof bloot gelegd met 600 gemummificeerde katten en enkele honden vlakbij Berenike, een nederzetting aan de Rode Zee van waaruit de handelsroute naar Jemen en India vertrok. Het gaat hier klaarblijkelijk om huisdieren, vaak voorzien van een bronzen halsband. Maar in veel gevallen zijn de dieren met opzet gedood, zoals blijkt uit röntgenfoto’s. Ze werden gekweekt om te worden geofferd aan de godin; ze stierven door wurging of werden doodgeslagen, vaak op erg jonge leeftijd.

© P. Osypińska

Skelet van een kat uit de dierenbegraafplaats in Berenike

Bastet, de Egyptische kattengodin

De leeuwengodin Sachmet

De godin Bastet was oorspronkelijk een leeuwin, maar wordt “getemd” tot kat en zo de tegenpool van de woeste leeuwin Sachmet . Deze metamorfose wordt verteld in de mythe van de verre godin. Tefnout, de dochter van de zonnegod Re, verlaat het hof van haar vader in Heliopolis (de “zonnestad”) en trekt naar Nubische woestijn. Daar geeft ze als bloeddorstige godin (onder de naam Sachmet) vrije loop aan haar woeste karakter. Maar Re wil dat ze terug naar huis komt en stuurt haar broer Shou, de god van de wind, en Thoth, de god van schrift en taal, om haar terug te halen. Met heel wat moeite slagen ze in hun opdracht door zich om te toveren in twee onschuldige aapjes en haar leuke verhalen te vertellen, onder andere de parabel van de leeuw en de muis. Ze beschrijven het verdriet van haar vader Re en van alle mensen om haar afwezigheid en beloven dat de mensen voor haar tempels zullen bouwen en feesten organiseren bij haar terugkeer. Als ze uiteindelijk ja zegt, danst Shou van vreugde – vandaar die priesters-dansers uit onze petitie! – maar Thoth, die een nieuwe woedeuitbarsting wil voorkomen, giet rode wijn in het water van de Nijl in Philae en als de godin daarvan drinkt, denkend dat het bloed is, wordt ze dronken en valt in slaap. Als ze weer wakker wordt is ze gekalmeerd en is de leeuwin veranderd in een brave poes, Sachmet wordt weer Bastet. Bij haar terugkeer is heel het land in feest en vooral natuurlijk haar stad Boubastis en iedereen mag zoveel wijn drinken als hij kan. Bastet is dus de getemde versie van de vreselijke Sachmet, maar ook van de Nijl die na de woeste stroomversnelling van Philae elk jaar Egypte overstroomt en vruchtbaar maakt.

Hoe de Grieken ertoe gekomen zijn om de sexy Egyptische kattengodin te identificeren met de maagdelijke Artemis, de godin van de jacht en van de maan, is niet helemaal duidelijk. Beide waren helpsters bij de geboorte (katten hebben veel jongen en baren gemakkelijk) en dit heeft zeker een rol gespeeld. Dit wordt treffend geïllustreerd door een recente opgraving (in 2009) van een tempel in het centrum van Alexandrië (Kom el-Dikke). Hierbij kwamen honderden beeldjes van katten (vaak met jongen) en kinderen in kalksteen (met sporen van de oorspronkelijke beschildering en verguldsel), brons en faience te voorschijn, die aan de godin Boubastis/Artemis waren gewijd. De tempel was opgericht kort na de stichting van Alexandrië (misschien al in de 4de eeuw v.C.) en de beeldjes ook uit de vroege Ptolemaeïsche tijd zijn gewijd aan de Egyptische Boubastis. Maar op de funderingsplaatjes van de tempel werd deze gewijd aan Artemis door koningin Berenike omstreeks 244 v.C. Heel wat beeldjes, meestal in Griekse stijl, waren gewijd door vrouwen met originele Griekse namen, zoals Philixo, Phormion, Theano, Galateia en de zusjes Asteria en Timarion, ongetwijfeld om een voorspoedige bevalling te verkrijgen of hiervoor te danken. De Egyptische godin was dus al vroeg populair bij de Griekse burgers van de wereldstad.

© C. Méla & F. Mori, Alexandrie la Divine. Volume I

Kattenbeeldjes, gewijd aan de godin Boubastis/Artemis

Conclusie

De heilige dieren waren beschermd, zoals we al horen bij Herodotus: “Wanneer iemand een van die dieren doodt, krijgt hij bij opzettelijk handelen de doodstraf. Is er geen opzet in het spel, wordt hem een straf door de priesters opgelegd. Wie echter een ibis of havik doodt, met of zonder opzet, moet in elk geval sterven” (Hist. II.65).  Diodorus vertelt hoe een Romeins ambassadeur per ongeluk een kat doodreed en hierom door de Alexandrijnen ter plekke werd gelyncht, hoewel koning Ptolemaios (de vader van Cleopatra) juist op dat moment er alles aan deed om de Romeinen te vriend te houden. De episode wordt zelfs vermeld door Cicero en helpt ons om te begrijpen waarom Onnophris zo verveeld zit met wat er in zijn huis is gebeurd met de kittens op 20 april 202 v.C.

Lees meer

De katten van de farao’s. “4000 jaar goddelijke gratie”, catalogus van een tentoonstelling in het Museum voor Natuurwetenschappen, 1990.

Jean-Yves Carrez, ‘Le Boubasteion (Artémision) d’Alexandrie’, in : Charles Méla & Frédéric Möri (eds.), Alexandrie la Divine. Volume I, Genève, 2014, pp. 268-273.

P.Köln 15 594 [TM 704850]

Coverfoto: afbeelding ‘Cat Coffin with Mummy’ van de collectie uit het Brooklyn Museum (CC-BY)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/feed/ 0 1949
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739
In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/#respond Fri, 21 Feb 2020 16:37:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1434

Het toerisme in Egypte beleefde vooral hoogdagen na de verovering door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel "binnenlandse" als "buitenlandse" reizen. In dit artikel gaan we in het spoor van Herodotus op zoek naar de typische plaatsen die werden aangedaan door keizers, soldaten, ambassadeurs of andere beambten.

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Met de geplande opening van het Grand Egyptian Museum in het vooruitzicht prijkt Egypte bovenaan menig lijstje met “top # plaatsen om te bezoeken in 2020”. De toeristische sector is erg belangrijk voor het land, en na enkele moeilijke jaren neemt het aantal bezoekers weer gestaag toe. Het rijke Egyptische verleden spreekt al veel langer tot de verbeelding van reizigers. Deze fascinatie gaat al terug tot in de Oudheid. Het toerisme beleefde vooral hoogdagen na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel “binnenlandse” als “buitenlandse” reizen. Verplaatsingen van de eerste soort behelsden vaak een bezoek aan een tempel in het kader van een pelgrimage. Uitheemse bezoekers waren doorgaans soldaten, ambassadeurs, of beambten die in staatsdienst in het land waren. Ook Romeinse keizers bezochten de provincie Aegyptus. De grootste keizerlijke toerist was zonder twijfel Hadrianus, die meer dan de helft van zijn regeerperiode onderweg was. Anderen reisden uit interesse: volgens Tacitus bezocht Germanicus Egypte “om de antiquiteiten te zien” (“cognoscendae antiquitatis“).

Naar aanleiding van zijn bezoek liet Hadrianus deze munt met verpersoonlijking van Egypte slaan. De figuur houdt een Egyptisch sistrum vast, en links ontwaren we een ibis, het heilige dier van Thoth.

Toerisme in Egypte: een lange geschiedenis

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in SaqqaraNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in Saqqara

Ook voor Egypte deel werd van de Grieks-Romeinse wereld werd er natuurlijk druk gereisd. Vanaf het Oude Rijk vinden we inscripties van passanten in de regio van het eerste cataract (het huidige Sehel-eiland). De eerste graffiti achtergelaten door ‘toeristen’ dateren uit de 18de en de 19de Dynastie: de kapellen rond de trappenpiramide van Djoser in Saqqara zijn bezaaid met inscripties van schrijvers die hun bewondering voor de site uitdrukken.

Vanaf de Late Tijd (664-332 v.C.) vonden meer en meer Grieken hun weg naar Egypte. Al in 591 v.C. kerfden Griekse huurlingen een boodschap in het linkerbeen van een beeld van Ramses II in Abu Simbel. Andere toeristen kwamen met vredelievendere bedoelingen: enkele illustere voorbeelden zijn de Atheense staatsman Solon, de wiskundigen Thales en Pythagoras en de filosoof Plato. De bekendste toerist was de historicus Herodotus, die zeer onder de indruk was: “Nergens zijn er zoveel wonderlijke zaken, noch zijn er ergens ter wereld zoveel werken van onbeschrijfelijke grootheid te zien.” Latere Grieks-Romeinse toeristen bekeken Egypte door de lens van deze voorgangers: ze hadden respect voor de oude Egyptische cultuur, maar tegelijk bleef het land ook exotisch en ‘barbaars’. Sommige graffiti van bezoekers gebruiken zo het woord “historeo“, “ik onderzoek”, een rechtstreekse verwijzing naar het werk van Herodotus.

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.

De tempel van Abu SimbelNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Abu Simbel

Bruisend Alexandrië

Halve drachme van de Romeinse keizer Antoninus Pius met de pharos en tetradrachme van de keizer Commodus met de pharos en een zeilschip

In de Grieks-Romeinse periode bereikten de meeste reizigers Egypte per boot, via de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij het naderen van de kust werden ze begroet door een van de spectaculairste bouwwerken uit de oudheid: de pharos, een vuurtoren die meer dan 100 meter boven de zee oprees. De stad was niet alleen een belangrijk commercieel centrum, maar ook de intellectuele hoofdstad van het Middellandse Zeegebied. Bezoekers konden zich er vergapen aan spectaculaire sites die vandaag verdwenen zijn onder de moderne bebouwing. In het rijkversierde Mouseion en de bibliotheek kon men de grote geleerden van die tijd aan het werk zien. Het grote Serapeum, een van de beroemdste heidense tempels uit de Oudheid, was een andere populaire bezienswaardigheid. Gedistingeerde gasten werden ontvangen op het spectaculaire koninklijke paleis.

Alexandrië kende ook Egyptische elementen, zoals de “Cleopatra’s Needles” nu in Londen en New York

Het mausoleum van Alexander de Grote in de stad ontwikkelde zich tot een waar bedevaartsoord. In 48 v.C. kwam Julius Caesar het lichaam eer bewijzen, en hij werd daarin nagevolgd door talrijke latere keizers. Ook zijn adoptiefzoon Augustus bezocht het graf, en zou volgens kwatongen (Cassius Dio) een stukje van de neus van Alexander afgebroken hebben. Gevraagd of hij daarnaast de tombes van de Ptolemaeën wilde bezoeken, zou hij geantwoord hebben dat hij “een koning wilde zien, niet gewoon wat lijken”. De Hellenistische koningen zelf toonden zich ook niet altijd even respectvol tegenover de doden: aanvankelijk lag Alexander in een gouden sarcofaag, maar die werd door Ptolemaios X omgesmolten en vervangen door een glazen exemplaar.

De Grand Tour van het faraonische verleden

Veel reizigers trokken van Alexandrië naar het zuiden om met eigen ogen de monumenten uit de faraonische tijd te bekijken. De eerste attractie die men tegenkwam was Heliopolis. De lokale priesters genoten de reputatie bijzonder geleerd te zijn, en de stad trok dan ook veel filosofen aan. Vandaag blijft er van Heliopolis niet veel over: de monumenten zijn gebruikt als steengroeve voor de aanleg van Caïro. Hetzelfde lot viel de oorspronkelijke hoofdstad Memphis te beurt, een andere populaire stopplaats. Van de beroemde Ptah-tempel en het paleis van Apries zijn slechts schamele ruïnes overgebleven.

Tot de weinige overblijfselen die vandaag nog in Memphis zelf te bezichtigen vallen, behoort dit kolossale beeld van farao Ramses II

Andere trekpleisters in de buurt hebben de tand des tijds beter doorstaan. Een van de hoogtepunten van elke reis naar Egypte, toen zowel als nu, zijn de piramides van Gizeh. De antieke auteurs maakten daarbij dezelfde bedenkingen als menig moderne toerist; terwijl Diodorus zich verwondert over hun grootte en vakmanschap, veroordeelt Herodotus het morele karakter van mannen die zoveel middelen aanwendden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Over Cheops beweert hij dat hij zelfs zijn eigen dochter prostitueerde om fondsen te werven. In de Romeinse periode werd ook de sfinx, die tot de regering van keizer Nero onder het zand begraven lag, drukbezocht. Ingekerfde gedichten vergelijken de vredige Egyptische sfinx met diens wrede Griekse tegenhanger uit het verhaal van Oedipus.

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bijNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bij

Alvorens te arriveren in de religieuze hoofdstad Thebe, deden sommige bezoekers Hermopolis aan. Ter hoogte van deze stad verdronk de onfortuinlijke Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus, tijdens een boottocht op de Nijl. Anderen stopten bij de dodentempel van Seti I in Abydos, bij de Grieken bekend als het Memnoneion.  In de Romeinse periode trok de plaats veel pelgrims aan; de tempel huisvestte toen een gerenommeerd orakel van de god Bes.

De tempel van Seti I in Abydos

De grootste concentratie aan faraonische monumenten vond men toen ook al terug in Thebe, het moderne Luxor. Al in de Romeinse periode leefde het – enigszins overdreven – beeld van het honderd-poortige Thebe als één groot openluchtmuseum. Net als vandaag stroomden er vele bezoekers samen aan de tempels van Karnak en Luxor, maar de populairste trekpleisters bevonden zich op de westoever van de Nijl. De absolute topattractie waren twee standbeelden van farao Amenhotep III, de zogenaamde ‘Kolossen van Memnon’. Griekse en Romeinse bezoekers dachten dat de sculpturen de Ethiopische held Memnon uit de Trojaanse Oorlog afbeeldden. Als gevolg van een aardbeving produceerde een van de beelden geluid bij het opkomen van de zon. Dit werd geïnterpreteerd als het zingen van Memnon naar zijn moeder Eos, de godin van de dageraad. De beelden zijn bezaaid met graffiti, waaronder een gedicht van de dichteres Julia Balbilla, die keizer Hadrianus vergezelde. Sinds de 3de eeuw n.C. is het beeld opgehouden met zingen, maar de sculpturen staan er nog steeds. Sterker nog, bij recente opgravingen werden fragmenten van meer beelden teruggevonden!

De Kolossen van Memnon vandaagNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Kolossen van Memnon vandaag

De moderne trekpleister Vallei der Koningen kreeg in de Oudheid eveneens veel bezoekers over de vloer. Grieken en Romeinen lieten meer dan 2000 graffiti achter in de tombes van de farao’s. Sommige bezoekers kennen we uit andere bronnen: papyrologen zijn bijvoorbeeld bijzonder enthousiast over de graffiti van Dryton, wiens levensloop goed gekend is via zijn papyrusarchief. Het is onduidelijk of de Grieks-Romeinse bezoekers begrepen wat ze zagen. De graffiti drukken in de eerste plaats bewondering uit. De populairste attractie was het graf van Ramses VI, waar we graffiti aantreffen van bezoekers uit het hele Middellandse Zeegebied. Uit sommige van deze inscripties blijkt dat de reizigers in kwestie dachten dat het de tombe van Memnon was, aan wie ook de Kolossen werden gelinkt. Deze obsessie voor de Homerische held Memnon (zie ook het ‘Memnoneion’ van Abydos) roept de vraag op in hoeverre de Grieks-Romeinse bezoekers echt in het faraonische verleden geïnteresseerd waren, dan wel vooral op zoek gingen naar echo’s van hun eigen tradities.

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VINico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VI

Echte fanatiekelingen zoals Strabo reisden na Thebe nog verder door naar het zuiden, naar het eiland Elephantine. Naast de grote Khnum-tempel oefende vooral de eerste cataract een grote aantrekkingskracht uit. Volgens Herodotus was dit de bron van de Nijl. Seneca en Strabo beschrijven het spektakel dat werd opgevoerd door de onverschrokken veermannen, die zich met boot en al in de stroomversnelling storten. De redenaar Aelius Aristides beweert er zelfs aan deelgenomen te hebben. Vandaag is het “oorverdovende gebrul” van de cataract evenwel het zwijgen opgelegd door de bouw van de nabijgelegen dam. Ook de Isis-tempel op het eiland Philae verwelkomde talrijke pelgrims en toeristen, die vele graffiti achterlieten.

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaarNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaar

Off the beaten track: krokodillen voederen in de Fayoem

Het Qarun-meer waarnaar de regio Fayoem genoemd is, via het Koptische phiom of “het meer”

Sommige reizigers bezochten naast de faraonische overblijfselen ook een meer recent ontwikkeld gebied: de Fayoem. Het droogleggen en in cultivatie brengen van grote delen van deze regio was een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Ptolemaeïsche dynastie, die deze krachttoer ook graag etaleerde aan buitenlandse ambassadeurs. De papyri uit de Fayoem tonen dat zulke bezoeken nauwkeurig georkestreerd werden. Vooral Zenon, de manager van een groot landgoed, krijgt duidelijke instructies: hij moet de nederzettingen en de tempels voor de koning tonen, net als de wegen en de dijken, en bovenal benadrukken hoe nieuw alles is. In een andere brief wordt hem opgedragen om zo snel mogelijk strijdwagens en pakdieren in orde te maken voor ambassadeurs van Paerisades II, koning van Cimmerisch Bosporus, en uit Argos. Zenon wordt aangemaand om zich te haasten: op het moment dat de brief geschreven werd, was het schip net uitgevaren! Op het programma stond meestal ook een bezoek aan enkele faraonische overblijfselen, vooral het zogenaamde ‘Labyrint van Hawara’, het complex rond de dodentempel van Amenemhat III. Volgens Herodotus overtrof deze constructie zelfs de piramides.

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom OmboNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom Ombo

Ook toeristen die op zoek waren naar een bijzondere ervaring kwamen in de Fayoem aan hun trekken. In Krokodilopolis werd de god Sobek vereerd in de vorm van een heilige krokodil. De lokale priesters voederden het dier met brood, vlees en wijn meegebracht door bezoekers. Strabo’s beschrijving doet haast denken aan een malafide dolfinarium: nauwelijks heeft de krokodil het voedsel naar binnen gewerkt, of er staat al een nieuwe bezoeker klaar; de priesters snellen ernaartoe, vangen het dier, en stoppen hem opnieuw offers toe. Een brief bewaard op papyrus bevestigt dat deze praktijk een vast deel uitmaakte van de tour voor buitenlandse bezoekers: een beambte wordt opgedragen alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van een Romeinse senator, inclusief “de gebruikelijke hapjes voor de krokodillen”. Een andere Romeinse ambassadeur kwam op een minder aangename manier in aanraking met de Egyptische dierenculten. Diodorus verhaalt hoe hij met eigen ogen aanschouwde hoe een menigte de doodstraf eiste voor een Romein die per ongeluk een kat had gedood. Ook toen loonde het dus om reisadvies in te winnen over de lokale gewoonten!

Lees meer

Casson, L., Travel in the Ancient World, Baltimore, 1994.

Meeus, A., ‘Life Portraits: Royals and People in a Globalizing World’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Medford, 2019, 89-99.

Rosenmeyer, P. A., The Language of Ruins: Greek and Latin Inscriptions on the Memnon Colossus (2018).

Rutherford, I. C., ‘Travel and Pilgrimage’, in C. Riggs (ed.), The Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, 701-716.

Van ‘t Dack, E., Reizen, expedities en emigratie uit Italië naar Ptolemaeïsch Egypte, Brussel, 1980.

Coverfoto: adaptatie van afbeelding ‘Le Sphynx apres les déblaiements et les deux grandes pyramides / Bonfils’ op Wikimedia (Public Domain) & ‘buste beroemde Griekse Herodotus’ op Pixabay

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1434