Cassius Dio Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/cassius-dio/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Thu, 29 Dec 2022 15:59:25 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Cassius Dio Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/cassius-dio/ 32 32 136391722 Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/#respond Sat, 23 Oct 2021 15:42:30 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2056

Avidius Cassius, een Romeinse generaal die met zijn leger in opstand kwam tegen keizer Marcus Aurelius 175 n.C., was mogelijk een slachtoffer van 'fake news' in de Oudheid. Speelde ook keizerin Faustina een rol in deze revolte? Lees het in onze 'fact check' over deze Avidius Cassius.

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Sinds de verkiezing van Donald Trump tot Amerikaans president in 2016 zijn de thema’s fake news en desinformatie niet meer weg te denken in de media. De coronacrisis heeft de discussie nog verder scherp gesteld. Misleidende informatie, vervalste nieuwsberichten en samenzweringstheorieën tieren welig op sociale media en lijken in staat om hele samenlevingen te ontwrichten. De schaal waarop fake news vandaag verspreid wordt, is uiteraard zonder precedent, maar toch konden valse berichten ook in premoderne samenlevingen grote gevolgen hebben. Deze blogpost gaat over een opmerkelijk voorbeeld uit het Romeinse Rijk van de 2de eeuw n.C.: de opstand van de Romeinse bevelhebber Avidius Cassius tegen keizer Marcus Aurelius.

Avidius Cassius

Buste van de Romeinse keizer Marcus Aurelius

Avidius Cassius was een van de voornaamste legeraanvoerders van keizer Marcus Aurelius, die regeerde van 161 tot 180 n.C. Cassius’ familie was afkomstig uit Syrië en zou zelfs afstammen van het Seleucidische vorstenhuis uit de Hellenistische periode. De familie is een mooi voorbeeld van de romanisering van provinciale elites en hun integratie in het rijksbestuur. Zijn vader, Avidius Heliodorus, had al hoge functies vervuld onder Hadrianus en Antoninus Pius, de voorgangers van Marcus Aurelius. Avidius Cassius scheerde nog hogere toppen. Als generaal boekte hij grote militaire successen in de oorlog tegen de Parthen en in 166 n.C. bekleedde hij het consulaat, het hoogste politieke ambt in Rome. Enkele jaren later werd hem een uitzonderlijk oppercommando over het hele oostelijke gedeelte van het rijk toegekend. Onder zijn leiding werd een potentieel gevaarlijke opstand van de lokale bevolking in Nijldelta neergeslagen. Marcus Aurelius moet een groot vertrouwen hebben gehad in deze capabele generaal.

Campagne

Buste van Tiberius Claudius Pompeianus, schoonzoon van Marcus Aurelius

In 175 n.C. voerde Marcus Aurelius campagne aan de Donau tegen de Marcomannen en de Jazygen, confederaties van “barbaarse” stammen die de Romeinse grenzen bedreigden. In het voorjaar werd hij echter zwaar ziek. Wat er vervolgens gebeurde, is niet helemaal duidelijk. De historicus Cassius Dio, die zo’n 40 jaar na de feiten schreef, beweerde dat keizerin Faustina radeloos werd door de ziekte van haar man. Uit schrik om opzij geschoven te worden door politieke rivalen – men denkt hierbij vooral aan de machtige schoonzoon van de keizer, Claudius Pompeianus – zou zij Avidius Cassius een brief geschreven hebben met de vraag om na de dood van de keizer met haar te trouwen en de troon te bestijgen. Een andere bron uit de late vierde eeuw, de zogenaamde ‘Historia Augusta’, probeert dat te weerleggen door een brief van Faustina aan Marcus Aurelius te citeren, waarin zij een zware straf voor de opstandige generaal eist. Die brief is echter geheel fictief en pleit Faustina dus niet vrij. Heeft Faustina dan toch een rol gespeeld in de opstand? We zullen het nooit zeker weten.

Opstand

Ook over het daadwerkelijke begin van de opstand heerst er onzekerheid. Volgens Dio kreeg Avidius Cassius kort na de brief van Faustina het valse bericht dat de keizer overleden was “en hij eiste onmiddellijk de troon op, zonder na te gaan of het bericht juist was”. In hedendaagse termen: Cassius zou het hebben nagelaten een degelijke fact check uit te voeren. Volgens de ‘Historia Augusta’ zou Cassius echter zélf het valse gerucht verspreid hebben, om zo de steun van de troepen te krijgen. Hoe het ook zij, Cassius kwam in opstand en bijna alle oostelijke provincies, inclusief de zeven legioenen die er gelegerd waren, schaarden zich achter hem. Snel werd het duidelijk dat de keizer nog leefde, maar er was nu geen weg meer terug. Herodes Atticus, een miljonair uit Athene die goede banden had met het keizerlijke hof en met Avidius Cassius, zou de opstandige generaal een brief hebben gestuurd die slechts uit één woord bestond: “emanes”, “je bent gestoord!”

Buste van keizerin Faustina (Minor)

In het legerkamp van Marcus Aurelius aan de Donau sloeg het nieuws van de opstand in als een bom. Volgens Dio was de intussen herstelde keizer diepbedroefd dat zijn vriend zich tegen hem had gekeerd. Hij staakte zijn campagnes tegen de Jazygen en trok op naar het oosten om de opstand neer te slaan. Het kwam echter niet tot een veldslag. Avidius Cassius werd, amper drie maanden na het begin van de opstand, door twee van zijn officieren om het leven gebracht. Marcus Aurelius trok vervolgens door de oostelijke provincies om zijn gezag te herstellen. De keizer toonde zich vergevingsgezind: zware represailles bleven uit en de correspondentie van Avidius Cassius werd verbrand om duidelijk te maken dat het hoofdstuk afgesloten was. Faustina stierf enkele maanden later en werd door haar man met alle égards begraven. Volgens Dio stierf ze aan jicht of pleegde ze zelfmoord om straf voor haar betrokkenheid in de opstand te vermijden. Net als haar brief aan Cassius is dat laatste mogelijk een verzinsel.

Mysteries?

Er blijven nog veel vraagtekens. Herodes Atticus lijkt een punt te hebben gehad toen hij Avidius Cassius gestoord noemde, want hij maakte met zijn opstand amper kans om Rome in te nemen en keizer te worden. De westelijke legioenen waren veel talrijker en ze zouden ook nooit de kant van Cassius hebben gekozen als de keizer daadwerkelijk gestorven zou zijn. Het commando zou in dat geval zijn overgenomen door Claudius Pompeianus, de rechterhand en schoonzoon van de keizer. Wat bezielde Avidius Cassius dan? Klopt het beeld van Dio dat de opstand in feite een ‘ongeluk’ was, ingegeven door misleidende informatie van Faustina en fake news over de dood van de keizer? Voorzichtigheid is geboden, want Dio was een bewonderaar van Marcus Aurelius en hij stelde zijn regeerperiode voor als stabiel en harmonieus. Het paste dus in zijn narratief om de opstand af te schilderen als een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Recent onderzoek geeft een andere verklaring voor de opstand. Cassius zou nooit hebben geprobeerd om de nieuwe keizer van het hele Romeinse Rijk te worden, maar eerder een soort separatistische koers hebben gevaren. Met zijn opstand zou hij zijn uitzonderlijke machtspositie in het oosten een permanent karakter hebben willen geven door zich uit te roepen tot een soort keizer van het Oosten. Het lijkt er bovendien op dat er voorheen al veel ontevredenheid was in de oostelijke provincies tegenover het beleid van Marcus Aurelius. Zijn oorlogen aan de Donau werden immers gefinancierd met zware belastingen, waarvan de rijke oostelijke provincies een groot deel moesten ophoesten. Dat zou mede verklaren waarom Cassius op korte tijd zowat het hele Oosten aan zijn kant kreeg. De opstand van Cassius zou op die manier een voorloper zijn geweest van de opstanden in de 3de eeuw n.C., toen onder meer de stadstaat Palmyra zich met een groot deel van de oostelijke provincies afscheurde. Het valse bericht over de dood van Marcus Aurelius zou in dat scenario slechts een aanleiding zijn geweest voor de opstand, geen oorzaak. Dat scenario pleit bovendien Faustina vrij, want zij had niets te winnen bij een separatistische revolte.

Kaart van de Opstand van Avidius Cassius in 175 n.C.

Conclusie

Het verhaal van de opstand van Cassius illustreert een belangrijk verschil tussen heden en verleden. Vandaag vormt de snelheid waarmee vals nieuws verspreid wordt een probleem, en fact checking wordt bemoeilijkt door de enorme hoeveelheid informatie. In de Oudheid lag het probleem net bij de trage communicatie. Het duurde weken om een bericht van de ene naar de andere kant van het rijk te brengen. Een snelle fact check was daardoor onmogelijk. Eenmaal geruchten over de dood van de keizer de ronde deden, moest Avidius Cassius snel handelen om zijn politieke rivalen aan het hof voor te zijn en zijn positie in het Oosten te handhaven. Cassius gokte verkeerd en kwam noodlottig aan zijn einde. We kunnen ons alleen maar afvragen wat er gebeurd zou zijn als Marcus Aurelius daadwerkelijk gestorven was…

Meer lezen?

Cassius Dio, Romeinse geschiedenis, 72. 22-29. (samengevat in de 11de eeuw door de Byzantijnse geleerde Johannes Xiphilinus)

Historia Augusta, Avidius Cassius

Philostratus, Levens van de sofisten, 563 (over de brief van Herodes Atticus aan Avidius Cassius)

Kemezis, A. (2021), ‘Avoiding the Eastern Question: Avidius Cassius and the Antonine Succession in Cassius Dio’, in: J.M. Madsen en C.H. Lange, Cassius Dio the Historian: Methods and Approaches, Leiden, p. 195-222.

Levick, B. Faustina I and II: Imperial Women of the Golden Age, New York, 2014.

Coverafbeelding: adaptatie van de 3D-sketch “Equestrian Statue of Marcus Aurelius” van leifchri92 op Sketchfab (CC BY 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/feed/ 0 2056
In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/#respond Fri, 21 Feb 2020 16:37:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1434

Het toerisme in Egypte beleefde vooral hoogdagen na de verovering door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel "binnenlandse" als "buitenlandse" reizen. In dit artikel gaan we in het spoor van Herodotus op zoek naar de typische plaatsen die werden aangedaan door keizers, soldaten, ambassadeurs of andere beambten.

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Met de geplande opening van het Grand Egyptian Museum in het vooruitzicht prijkt Egypte bovenaan menig lijstje met “top # plaatsen om te bezoeken in 2020”. De toeristische sector is erg belangrijk voor het land, en na enkele moeilijke jaren neemt het aantal bezoekers weer gestaag toe. Het rijke Egyptische verleden spreekt al veel langer tot de verbeelding van reizigers. Deze fascinatie gaat al terug tot in de Oudheid. Het toerisme beleefde vooral hoogdagen na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel “binnenlandse” als “buitenlandse” reizen. Verplaatsingen van de eerste soort behelsden vaak een bezoek aan een tempel in het kader van een pelgrimage. Uitheemse bezoekers waren doorgaans soldaten, ambassadeurs, of beambten die in staatsdienst in het land waren. Ook Romeinse keizers bezochten de provincie Aegyptus. De grootste keizerlijke toerist was zonder twijfel Hadrianus, die meer dan de helft van zijn regeerperiode onderweg was. Anderen reisden uit interesse: volgens Tacitus bezocht Germanicus Egypte “om de antiquiteiten te zien” (“cognoscendae antiquitatis“).

Naar aanleiding van zijn bezoek liet Hadrianus deze munt met verpersoonlijking van Egypte slaan. De figuur houdt een Egyptisch sistrum vast, en links ontwaren we een ibis, het heilige dier van Thoth.

Toerisme in Egypte: een lange geschiedenis

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in SaqqaraNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in Saqqara

Ook voor Egypte deel werd van de Grieks-Romeinse wereld werd er natuurlijk druk gereisd. Vanaf het Oude Rijk vinden we inscripties van passanten in de regio van het eerste cataract (het huidige Sehel-eiland). De eerste graffiti achtergelaten door ‘toeristen’ dateren uit de 18de en de 19de Dynastie: de kapellen rond de trappenpiramide van Djoser in Saqqara zijn bezaaid met inscripties van schrijvers die hun bewondering voor de site uitdrukken.

Vanaf de Late Tijd (664-332 v.C.) vonden meer en meer Grieken hun weg naar Egypte. Al in 591 v.C. kerfden Griekse huurlingen een boodschap in het linkerbeen van een beeld van Ramses II in Abu Simbel. Andere toeristen kwamen met vredelievendere bedoelingen: enkele illustere voorbeelden zijn de Atheense staatsman Solon, de wiskundigen Thales en Pythagoras en de filosoof Plato. De bekendste toerist was de historicus Herodotus, die zeer onder de indruk was: “Nergens zijn er zoveel wonderlijke zaken, noch zijn er ergens ter wereld zoveel werken van onbeschrijfelijke grootheid te zien.” Latere Grieks-Romeinse toeristen bekeken Egypte door de lens van deze voorgangers: ze hadden respect voor de oude Egyptische cultuur, maar tegelijk bleef het land ook exotisch en ‘barbaars’. Sommige graffiti van bezoekers gebruiken zo het woord “historeo“, “ik onderzoek”, een rechtstreekse verwijzing naar het werk van Herodotus.

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.

De tempel van Abu SimbelNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Abu Simbel

Bruisend Alexandrië

Halve drachme van de Romeinse keizer Antoninus Pius met de pharos en tetradrachme van de keizer Commodus met de pharos en een zeilschip

In de Grieks-Romeinse periode bereikten de meeste reizigers Egypte per boot, via de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij het naderen van de kust werden ze begroet door een van de spectaculairste bouwwerken uit de oudheid: de pharos, een vuurtoren die meer dan 100 meter boven de zee oprees. De stad was niet alleen een belangrijk commercieel centrum, maar ook de intellectuele hoofdstad van het Middellandse Zeegebied. Bezoekers konden zich er vergapen aan spectaculaire sites die vandaag verdwenen zijn onder de moderne bebouwing. In het rijkversierde Mouseion en de bibliotheek kon men de grote geleerden van die tijd aan het werk zien. Het grote Serapeum, een van de beroemdste heidense tempels uit de Oudheid, was een andere populaire bezienswaardigheid. Gedistingeerde gasten werden ontvangen op het spectaculaire koninklijke paleis.

Alexandrië kende ook Egyptische elementen, zoals de “Cleopatra’s Needles” nu in Londen en New York

Het mausoleum van Alexander de Grote in de stad ontwikkelde zich tot een waar bedevaartsoord. In 48 v.C. kwam Julius Caesar het lichaam eer bewijzen, en hij werd daarin nagevolgd door talrijke latere keizers. Ook zijn adoptiefzoon Augustus bezocht het graf, en zou volgens kwatongen (Cassius Dio) een stukje van de neus van Alexander afgebroken hebben. Gevraagd of hij daarnaast de tombes van de Ptolemaeën wilde bezoeken, zou hij geantwoord hebben dat hij “een koning wilde zien, niet gewoon wat lijken”. De Hellenistische koningen zelf toonden zich ook niet altijd even respectvol tegenover de doden: aanvankelijk lag Alexander in een gouden sarcofaag, maar die werd door Ptolemaios X omgesmolten en vervangen door een glazen exemplaar.

De Grand Tour van het faraonische verleden

Veel reizigers trokken van Alexandrië naar het zuiden om met eigen ogen de monumenten uit de faraonische tijd te bekijken. De eerste attractie die men tegenkwam was Heliopolis. De lokale priesters genoten de reputatie bijzonder geleerd te zijn, en de stad trok dan ook veel filosofen aan. Vandaag blijft er van Heliopolis niet veel over: de monumenten zijn gebruikt als steengroeve voor de aanleg van Caïro. Hetzelfde lot viel de oorspronkelijke hoofdstad Memphis te beurt, een andere populaire stopplaats. Van de beroemde Ptah-tempel en het paleis van Apries zijn slechts schamele ruïnes overgebleven.

Tot de weinige overblijfselen die vandaag nog in Memphis zelf te bezichtigen vallen, behoort dit kolossale beeld van farao Ramses II

Andere trekpleisters in de buurt hebben de tand des tijds beter doorstaan. Een van de hoogtepunten van elke reis naar Egypte, toen zowel als nu, zijn de piramides van Gizeh. De antieke auteurs maakten daarbij dezelfde bedenkingen als menig moderne toerist; terwijl Diodorus zich verwondert over hun grootte en vakmanschap, veroordeelt Herodotus het morele karakter van mannen die zoveel middelen aanwendden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Over Cheops beweert hij dat hij zelfs zijn eigen dochter prostitueerde om fondsen te werven. In de Romeinse periode werd ook de sfinx, die tot de regering van keizer Nero onder het zand begraven lag, drukbezocht. Ingekerfde gedichten vergelijken de vredige Egyptische sfinx met diens wrede Griekse tegenhanger uit het verhaal van Oedipus.

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bijNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bij

Alvorens te arriveren in de religieuze hoofdstad Thebe, deden sommige bezoekers Hermopolis aan. Ter hoogte van deze stad verdronk de onfortuinlijke Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus, tijdens een boottocht op de Nijl. Anderen stopten bij de dodentempel van Seti I in Abydos, bij de Grieken bekend als het Memnoneion.  In de Romeinse periode trok de plaats veel pelgrims aan; de tempel huisvestte toen een gerenommeerd orakel van de god Bes.

De tempel van Seti I in Abydos

De grootste concentratie aan faraonische monumenten vond men toen ook al terug in Thebe, het moderne Luxor. Al in de Romeinse periode leefde het – enigszins overdreven – beeld van het honderd-poortige Thebe als één groot openluchtmuseum. Net als vandaag stroomden er vele bezoekers samen aan de tempels van Karnak en Luxor, maar de populairste trekpleisters bevonden zich op de westoever van de Nijl. De absolute topattractie waren twee standbeelden van farao Amenhotep III, de zogenaamde ‘Kolossen van Memnon’. Griekse en Romeinse bezoekers dachten dat de sculpturen de Ethiopische held Memnon uit de Trojaanse Oorlog afbeeldden. Als gevolg van een aardbeving produceerde een van de beelden geluid bij het opkomen van de zon. Dit werd geïnterpreteerd als het zingen van Memnon naar zijn moeder Eos, de godin van de dageraad. De beelden zijn bezaaid met graffiti, waaronder een gedicht van de dichteres Julia Balbilla, die keizer Hadrianus vergezelde. Sinds de 3de eeuw n.C. is het beeld opgehouden met zingen, maar de sculpturen staan er nog steeds. Sterker nog, bij recente opgravingen werden fragmenten van meer beelden teruggevonden!

De Kolossen van Memnon vandaagNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Kolossen van Memnon vandaag

De moderne trekpleister Vallei der Koningen kreeg in de Oudheid eveneens veel bezoekers over de vloer. Grieken en Romeinen lieten meer dan 2000 graffiti achter in de tombes van de farao’s. Sommige bezoekers kennen we uit andere bronnen: papyrologen zijn bijvoorbeeld bijzonder enthousiast over de graffiti van Dryton, wiens levensloop goed gekend is via zijn papyrusarchief. Het is onduidelijk of de Grieks-Romeinse bezoekers begrepen wat ze zagen. De graffiti drukken in de eerste plaats bewondering uit. De populairste attractie was het graf van Ramses VI, waar we graffiti aantreffen van bezoekers uit het hele Middellandse Zeegebied. Uit sommige van deze inscripties blijkt dat de reizigers in kwestie dachten dat het de tombe van Memnon was, aan wie ook de Kolossen werden gelinkt. Deze obsessie voor de Homerische held Memnon (zie ook het ‘Memnoneion’ van Abydos) roept de vraag op in hoeverre de Grieks-Romeinse bezoekers echt in het faraonische verleden geïnteresseerd waren, dan wel vooral op zoek gingen naar echo’s van hun eigen tradities.

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VINico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VI

Echte fanatiekelingen zoals Strabo reisden na Thebe nog verder door naar het zuiden, naar het eiland Elephantine. Naast de grote Khnum-tempel oefende vooral de eerste cataract een grote aantrekkingskracht uit. Volgens Herodotus was dit de bron van de Nijl. Seneca en Strabo beschrijven het spektakel dat werd opgevoerd door de onverschrokken veermannen, die zich met boot en al in de stroomversnelling storten. De redenaar Aelius Aristides beweert er zelfs aan deelgenomen te hebben. Vandaag is het “oorverdovende gebrul” van de cataract evenwel het zwijgen opgelegd door de bouw van de nabijgelegen dam. Ook de Isis-tempel op het eiland Philae verwelkomde talrijke pelgrims en toeristen, die vele graffiti achterlieten.

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaarNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaar

Off the beaten track: krokodillen voederen in de Fayoem

Het Qarun-meer waarnaar de regio Fayoem genoemd is, via het Koptische phiom of “het meer”

Sommige reizigers bezochten naast de faraonische overblijfselen ook een meer recent ontwikkeld gebied: de Fayoem. Het droogleggen en in cultivatie brengen van grote delen van deze regio was een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Ptolemaeïsche dynastie, die deze krachttoer ook graag etaleerde aan buitenlandse ambassadeurs. De papyri uit de Fayoem tonen dat zulke bezoeken nauwkeurig georkestreerd werden. Vooral Zenon, de manager van een groot landgoed, krijgt duidelijke instructies: hij moet de nederzettingen en de tempels voor de koning tonen, net als de wegen en de dijken, en bovenal benadrukken hoe nieuw alles is. In een andere brief wordt hem opgedragen om zo snel mogelijk strijdwagens en pakdieren in orde te maken voor ambassadeurs van Paerisades II, koning van Cimmerisch Bosporus, en uit Argos. Zenon wordt aangemaand om zich te haasten: op het moment dat de brief geschreven werd, was het schip net uitgevaren! Op het programma stond meestal ook een bezoek aan enkele faraonische overblijfselen, vooral het zogenaamde ‘Labyrint van Hawara’, het complex rond de dodentempel van Amenemhat III. Volgens Herodotus overtrof deze constructie zelfs de piramides.

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom OmboNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom Ombo

Ook toeristen die op zoek waren naar een bijzondere ervaring kwamen in de Fayoem aan hun trekken. In Krokodilopolis werd de god Sobek vereerd in de vorm van een heilige krokodil. De lokale priesters voederden het dier met brood, vlees en wijn meegebracht door bezoekers. Strabo’s beschrijving doet haast denken aan een malafide dolfinarium: nauwelijks heeft de krokodil het voedsel naar binnen gewerkt, of er staat al een nieuwe bezoeker klaar; de priesters snellen ernaartoe, vangen het dier, en stoppen hem opnieuw offers toe. Een brief bewaard op papyrus bevestigt dat deze praktijk een vast deel uitmaakte van de tour voor buitenlandse bezoekers: een beambte wordt opgedragen alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van een Romeinse senator, inclusief “de gebruikelijke hapjes voor de krokodillen”. Een andere Romeinse ambassadeur kwam op een minder aangename manier in aanraking met de Egyptische dierenculten. Diodorus verhaalt hoe hij met eigen ogen aanschouwde hoe een menigte de doodstraf eiste voor een Romein die per ongeluk een kat had gedood. Ook toen loonde het dus om reisadvies in te winnen over de lokale gewoonten!

Lees meer

Casson, L., Travel in the Ancient World, Baltimore, 1994.

Meeus, A., ‘Life Portraits: Royals and People in a Globalizing World’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Medford, 2019, 89-99.

Rosenmeyer, P. A., The Language of Ruins: Greek and Latin Inscriptions on the Memnon Colossus (2018).

Rutherford, I. C., ‘Travel and Pilgrimage’, in C. Riggs (ed.), The Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, 701-716.

Van ‘t Dack, E., Reizen, expedities en emigratie uit Italië naar Ptolemaeïsch Egypte, Brussel, 1980.

Coverfoto: adaptatie van afbeelding ‘Le Sphynx apres les déblaiements et les deux grandes pyramides / Bonfils’ op Wikimedia (Public Domain) & ‘buste beroemde Griekse Herodotus’ op Pixabay

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1434
De visie van Verreth: de Eagle-reeks van Simon Scarrow https://www.oudegeschiedenis.be/08/06/2018/de-visie-van-verreth-de-eagle-reeks-van-simon-scarrow/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/06/2018/de-visie-van-verreth-de-eagle-reeks-van-simon-scarrow/#respond Fri, 08 Jun 2018 16:32:55 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=869

Enkele weken geleden verscheen de pocketversie van het zestiende deel (getiteld Day of the Caesars) van de onvolprezen romanreeks met de officieuze titel 'The Eagle' van Simon Scarrow, een Britse schrijver, maar in 1962 geboren in Nigeria. Onze huisrecensent Herbert Verreth kocht de nieuwe roman die gesitueerd is in de regering van keizer Claudius en het eerste jaar van keizer Nero en bespreekt de volledige reeks over de Romeinse militairen Quintus Licinius Cato en Lucius Cornelius Macro.

Het bericht De visie van Verreth: de Eagle-reeks van Simon Scarrow van Herbert Verreth verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Enkele weken geleden verscheen de pocketversie van het zestiende deel (getiteld Day of the Caesars) van de onvolprezen romanreeks met de officieuze titel ‘The Eagle‘ van Simon Scarrow, een Britse schrijver geboren in Nigeria in 1962. Ik heb ooit het eerste deel op goed geluk gekocht en sindsdien kijk ik vol spanning uit naar elke nieuwe roman over de Romeinse militairen Quintus Licinius Cato en Lucius Cornelius Macro gesitueerd in de regering van keizer Claudius en het eerste jaar van keizer Nero. De reeks is klaarblijkelijk een groot succes in de Angelsaksische wereld, maar in Nederlandse vertaling zijn sinds 2013 vooralsnog alleen de eerste zes delen uitgebracht.

Historische achtergrond

Auteur Simon Scarrow

Ik heb niet direct informatie gevonden over de (historische?) masteropleiding die Scarrow in zijn jonge jaren gevolgd heeft, maar ondertussen is hij in ieder geval een volleerd specialist op het gebied van het Romeinse leger, die er als geen ander in geslaagd is om de lezer dat leger van binnen uit te doen begrijpen. De training van legionairs om in een perfect gelid te vechten en alle mogelijke manoeuvres uit te voeren, de manier waarop Keltische oppida ingenomen en verwoest kunnen worden, de belegering van oosterse steden, de ondertunneling om een poortgebouw of verdedigingswal te laten instorten, de inname van een zwaar verdedigde doorwaadbare plaats of heuvel, de uitputtende marsen door de woestijn of door de barre koude en sneeuw, de werking van de Romeinse vloot en van de ruiterij van de auxilia, allemaal aspecten die we als lezer meemaken in de eerste linies van het krijgsgewoel en die zeer filmisch beschreven worden, waarbij elk detail tot in de puntjes uitgewerkt is. De historische insteek wordt steeds ondersteund door heel wat kaartjes en een organigram van de betrokken legereenheden. Elk boek kan afzonderlijk gelezen worden, maar – zoals wel vaker het geval is bij historische romanreeksen – groeien de personages mee met het verhaal en zijn bepaalde allusies dus beter te plaatsen indien de lezer ook de voorgaande boeken kent.

Synopsis

Het verhaal begint in 42 n.C. wanneer de jonge Cato, de zoon van een recent overleden keizerlijke vrijgelatene, van het keizerlijke hof overgebracht wordt naar Germania om daar een harde militaire opleiding te krijgen bij de Romeinse legioenen. Op voorspraak van de keizer krijgt Cato dadelijk de functie van optio of adjudant bij centurio Macro, die echter niet opgezet is met politieke benoemingen in het leger. Geleidelijk aan leren ze elkaar te appreciëren en de volgende dertien jaar worden ze elkaars steun en toeverlaat in de vele precaire situaties waarin ze terechtkomen. Omwille van zijn moed, zijn doorzettingsvermogen en zijn inzicht klimt Cato zeer snel op binnen de militaire rangen, zodat hij in de latere boeken als praefectus bij de auxilia en als tribunus van een cohors van de praetoriaanse wacht zelfs de meerdere wordt van Macro.

De eerste verhaallijn (Eagle 1-5) speelt zich af in in 42-44 n.C., het begin van de verovering van Britannia op bevel van keizer Claudius. Het optreden van historische figuren als Vespasianus, Galba en Boudicca, die pas enkele decennia later echt belangrijk zullen worden, doet veronderstellen dat Scarrow langetermijnplannen heeft. De expeditie verloopt duidelijk niet zo vlot als de keizerlijke propaganda doet vermoeden, maar de pas aangestelde keizer heeft een militaire overwinning nodig om zich steviger in het zadel te zetten. In Rome zijn er immers nog steeds aristocraten die terug willen keren naar de republiek, toen zij het zelf voor het zeggen hadden, terwijl aan het keizerlijk hof vrijgelatenen als Narcissus en Pallas volop intriges uitwerken om hun eigen invloed te vergroten. Tot hun grote ergernis geraken Cato en Macro meer en meer betrokken bij deze onfrisse toestanden en worden ze later meer dan eens gechanteerd om opdrachten uit te voeren voor Narcissus.

Cato en Macro, de hoofdrolspelers van de reeks ‘The Eagle’

Zo geraken ze betrokken bij de strijd tegen Illyrische zeerovers (Eagle 6), moeten ze zich staande houden bij grensconflicten met de Parthen in Petra en in Palmyra (Eagle 7-8) en proberen ze een slavenopstand tegen te houden die zich van Kreta naar Egypte verplaatst heeft (Eagle 9-10). In 51 n.C. moeten ze in Rome undercover gaan bij de praetoriaanse wacht om een moordaanslag op de keizer te verijdelen (Eagle 11). Ze worden teruggestuurd naar Britannia, waar de strijd nog steeds in alle hevigheid voortwoedt, en overleven daar met moeite de zelfmoord-opdrachten die ze moeten uitvoeren. Zij zijn het die er uiteindelijk in slagen om de Britse rebel Caratacus te arresteren, maar het blijkt vooralsnog onmogelijk om het druïdeneiland Mona in te nemen. (Eagle 12-14). De (voorlopig) laatste twee romans spelen zich af in 54-55 n.C. Cato en Macro worden als helden gelauwerd in Rome, maar worden onmiddellijk daarna met een eenheid van de praetoriaanse wacht naar Spanje gestuurd om een lokale opstand te onderdrukken (Eagle 15). Onder het mom van deze expeditie worden vele loyale aanhangers van keizer Claudius uit Rome verwijderd, zodat ze bij hun terugkeer alleen maar kunnen constateren dat keizerin Agrippina en haar minnaar Pallas de keizer vergiftigd hebben en de jonge Nero op de troon hebben gezet. Een groep aristocraten beraamt evenwel een complot om Britannicus, de natuurlijke zoon van Claudius, op de troon te krijgen, zodat er binnen de muren van Rome een burgeroorlog uitgevochten wordt (Eagle 16).

Conclusie

De verhalen van Scarrow zijn een mooie mengeling van historische feiten en verzonnen gebeurtenissen. De grote lijnen van de periode 42-55 n.C. zijn goed gekend uit de werken van Tacitus, Suetonius, Cassius Dion en vele anderen, maar er zijn voldoende “gaten” in dat verhaal om Scarrow de mogelijkheid te geven om plausibele episoden te verzinnen waarin Cato en Macro zich kunnen bewijzen. Ik heb in ieder geval geen flagrante historische fouten gevonden in de reeks, zodat Scarrow zijn research klaarblijkelijk naar behoren heeft gedaan.

Cato en Macro zijn geen onoverwinnelijke helden, die maar op het toneel moeten verschijnen om de problemen op te lossen. Integendeel, elke keer opnieuw moeten ze voor hun leven vechten, en ze hebben daarbij vaak afscheid moeten nemen van velen van hun collega’s, vrienden en familieleden. Ook de Romeinse legioenen op zich waarin zij vechten, moeten regelmatig het onderspit delven in de strijd, terwijl Cato zich meer dan eens afvraagt wat Rome toch te zoeken heeft in die woeste uithoeken van de beschaafde wereld. Het merendeel van de verhalen is opgebouwd rond hun militaire exploten, maar de persoonlijke component ontbreekt niet: Cato wordt verliefd op de jonge vrouw Iulia Sempronia en ze krijgen een zoontje, terwijl Macro regelmatig in bed duikt met prostituees of andere vrouwen die zijn pad kruisen. De jonge jaren van Macro krijgen overigens ook aandacht in de vorm van enkele kortverhalen, waarvan er een aantal gebundeld zijn in het boek Arena. De bundeling Invader anderzijds beschrijft de lotgevallen van hun collega optio Horatius Figulus na het vertrek van Cato en Macro uit Britannia in 44 n.C.

De lezer wordt in elk boek opnieuw meegesleept in een intense rollercoaster van actie en intrige, waarbij alleen de rauwe soldatenhumor voor een lichtere noot zorgt. Ik heb steeds meegeleefd met de sympathieke hoofdpersonages Cato en Macro en kijk dan ook vol spanning uit hoe het hen zal vergaan in het oosten wanneer ze onder bevel van generaal Corbulo de problemen in Armenia gaan aanpakken (Eagle 17 is gepland).

Coverfoto: remix van de foto ‘Forum Romanum van Carla Tavares op Wikimedia (CC BY-SA 3.0) & simonscarrow.co.uk

Overzicht van de titels

  • Scarrow, Simon, [Eagle 1] Under the eagle, 2000 [Onder de adelaar]
    42-43 n.C. – Britannia; Germania; Durocortorum – Gesoriacum, Gallia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 2] The eagle’s conquest, 2001 [De overwinning van de adelaar]
    43 n.C. – Rutupiae – Camulodunum, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 3] When the eagle hunts, 2002 [Als de adelaar jaagt]
    44 n.C. – Camulodunum – Calleva – Noviomagus – Maiden Castle, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 4] The eagle and the wolves, 2003 [De adelaar en de wolven]
    44 n.C. – Calleva, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 5] The eagle’s prey, 2004 [De prooi van de adelaar]
    44 n.C. – Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 6] The eagle’s prophecy, 2005 [De voorspelling van de adelaar]
    45 n.C. – Roma – Ravenna, Italia; Illyricum
  • Scarrow, Simon, [Eagle 7] The eagle in the sand, 2006
    46 n.C. – Jerusalem – Heshaba – Bushir, Iudaea; Petra – Wadi Rum, Nabataea; Roma, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 8] Centurion, 2007
    48? n.C. – Antiocheia – Chalkis – Palmyra, Syria
  • Scarrow, Simon, [Eagle 9] The gladiator, 2009
    49 n.C. – Matala – Gortyna – Ciprana – Lyttis – Olous, Creta, Greece; Alexandreia, Egypt
  • Scarrow, Simon, [Eagle 10] The legion, 2010
    50 n.C. – Epichos – Alexandreia – Memphis – Dios Polis Magna (Thebai), Egypt; Capreae, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 11] Praetorian, 2011
    51 n.C. – Picenum – Ostia – Roma – Albanus Lacus, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 12] The Blood Crows, 2013
    51 n.C. – Londinium – Avibarius – Glevum – Isca – Gobannium – Bruccium, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 13] Brothers in blood – The red sail, 2014
    52 n.C. – Roma, Italia; Isurium, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 14] Britannia, 2015
    52 n.C. – Mediolanum – Mona, Wales, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 15] Invictus – A dish to die for, 2016
    54 n.C. – Asturica – Tarraco – Argentium – Augusta, Hispania; Ostia – Roma, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 16] Day of the Caesars, 2017
    54-55 n.C. – Roma – Ostia – Capreae, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 0.1 (short story)] Blood debt, 2009
    30-31? n.C. – Roma, Italia
  • Scarrow, Simon – Andrews, T. J., [Eagle 0.2] Arena [1. Barbarian; 2. Challenger; 3. First sword; 4. Revenge; 5. Champion], 2013
    41-42 n.C. – Roma – Paestum – Capua, Italia; Germania
  • Scarrow, Simon – Andrews, T. J., [Optio Horatius Figulus 1] Invader [1. Death beach; 2. Blood enemy; 3. Invader: dark blade; 4. Imperial agent; 5. Sacrifice], 2016 [2014-2015]
    44-45 n.C. – Calleva – Vectis – Noviomagus Regnorum – Lindinis, Britannia

Hieronder kan je alvast de eerste 8 pagina’s van Day of the Caesars lezen:


Naast de ‘Eagle’-reeks heeft Simon Scarrow ook de jongerenreeks Gladiator geschreven (4 delen, 2011-2014, ook vertaald in het Nederlands), die zich afspeelt in Italië en Griekenland in de jaren 61-58 v.C. Tussendoor verkent hij ook andere perioden dan de oudheid, want zijn reeks Revolution (4 delen, 2006-2010) gaat over Wellington en Napoleon, The sword and the scimitar (2012) over de belegering van Malta in 1565, en Hearts of stone (2015) over de Tweede Wereldoorlog.

Daarnaast bestaat er zelfs een mobiele applicatie waar je avonturen beleeft terwijl je in de huid kruipt van Cato en Macro.

Het bericht De visie van Verreth: de Eagle-reeks van Simon Scarrow van Herbert Verreth verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/06/2018/de-visie-van-verreth-de-eagle-reeks-van-simon-scarrow/feed/ 0 869
Woord van de maand: aesar https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2018/woord-van-de-maand-aesar/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2018/woord-van-de-maand-aesar/#respond Fri, 20 Apr 2018 15:55:49 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=126 Woord_van_de_maand_aesar

Nomen est omen, zo wil een Latijns spreekwoord: "de naam is een voorteken". In één beroemd geval werd een eigennaam echter het voorwerp van een voorteken. De antieke biograaf Suetonius (69/70 – 140 n.C.) vermeldt in een dergelijke context immers het Etruskische woord voor 'god', dat aesar zou zijn. Lees meer over de herkomst hiervan in deze aflevering van 'Woord van de maand'.

Het bericht Woord van de maand: aesar van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Woord_van_de_maand_aesar

Nomen est omen, zo wil een Latijns spreekwoord: “de naam is een voorteken”. In één beroemd geval werd een eigennaam echter het voorwerp van een voorteken. De antieke biograaf Suetonius (69/70 – 140 n.C.) vermeldt in een dergelijke context immers het Etruskische woord voor ‘god’, dat aesar zou zijn.

Goddelijke blikseminslag

Suetonius vermeldt dit in zijn biografie van Augustus (Vita Divi Augusti, 97), wanneer hij het heeft over de voortekenen die de dood van keizer Augustus zouden aangekondigd hebben:

Sub idem tempus ictu fulminis ex inscriptione statuae eius prima nominis littera effluxit; responsum est, centum solos dies posthac victurum, quem numerum C littera notaret, futurumque ut inter deos referretur, quod aesar, id est reliqua pars e Caesaris nomine, Etrusca lingua deus vocaretur.

Rond dezelfde tijd sloeg een blikseminslag de eerste letter van zijn naam weg van een een inscriptie op een standbeeld van hem. Er werd verklaard [sc. door de waarzeggers] dat hij vanaf dan nog slechts honderd dagen te leven had, een aantal dat werd aangeduid met de letter C, en dat hij onder de goden zou worden opgenomen, omdat een god in het Etruskisch “aesar”, dat is het overblijvende deel van de naam Caesar, werd genoemd.

Het opvallendste voorteken was dus dat een blikseminslag tijdens hevig onweer de letter C (100 in Romeinse cijfers) van het woord Caesar wegsloeg. Na zijn dood zou Augustus officieel vergoddelijkt worden, volgens de Etruskische betekenis en interpretatie van het voorteken. Het feit dat waarzeggerij bij de Romeinen Etruskische wortels had en in het Latijn aangeduid wordt als de Etrusca disciplina, de ‘Etruskische kunst’, is hier waarschijnlijk niet vreemd aan.

De Griekse historicus Cassius Dio (ca. 155 – 235 n.C.) vermeldt dezelfde anekdote (Dio Cass. LVI, 29), waarschijnlijk gebruik makend van dezelfde bron als Suetonius:

Καὶ κεραυνὸς ἐς εἰκόνα αὐτοῦ ἐν τῷ Καπιτωλίῳ ἑστῶσαν ἐμπεσὼν τὸ γράμμα τὸ πρῶτον τοῦ ὀνόματος τοῦ Καίσαρος ἠφάνισεν, ὅθεν οἱ μάντεις ἑκατοστῇ μετὰ τοῦτο αὐτὸν ἡμέρᾳ θείας τινὸς μοίρας μεταλήψεσθαι ἔφασαν, τεκμαιρόμενοι ὅτι τό τε στοιχεῖον ἐκεῖνο τὸν τῶν ἑκατὸν ἀριθμὸν παρὰ τοῖς Λατίνοις καὶ τὸ λοιπὸν πᾶν ὄνομα θεὸν παρὰ τοῖς Τυρσηνοῖς νοεῖ.

En de bliksem die was ingeslagen op een standbeeld van hem dat op het Capitool stond opgesteld, sloeg de eerste letter van de naam Caesar weg, waaruit de zieners afleidden dat hij honderd dagen daarna een of andere goddelijke staat zou bereiken, terwijl ze er op wezen dat die letter bij de Romeinen het cijfer honderd aanduidde en de rest bij de Etrusken het volledige woord voor god was.

Etruskische inscriptie uit het Museo Archeologico Nazionale dell’Umbria

Etruskische etymologie

Of aesar in het Etruskisch effectief ‘god’ betekent, is moeilijk te achterhalen, aangezien het Etruskisch slechts zeer fragmentarisch bekend is (als zogenaamde Trümmersprache). We weten dat keizer Claudius (10 v.C. – 54 n.C) een historiografisch werk en een woordenboek Etruskisch geschreven heeft, maar die werken zijn jammer genoeg niet bewaard.

Voor onze kennis van het Etruskisch moeten we het dus hebben van Etruskische (graf)opschriften en een sporadische getuigenis in de literatuur zoals die van Suetonius, waarvan de betrouwbaarheid niet altijd even groot is. Waarschijnlijk is aesar of aisar zelfs een meervoudsvorm van de overgeleverde enkelvoudsvorm ais, want er zijn ook andere woorden in de meervoudsvorm op -ar overgeleverd. Dit zou eventueel kunnen wijzen op overeenstemming met de formule in numero deorum relatus (vrij vertaald: “opgenomen in de schare der goden”) die gebruikt werd in officiële decreten. Dit is echter niet helemaal hard te maken met de informatie die ons uit de Oudheid is overgeleverd. We moeten dus concluderen dat wat Suetonius ons vertelt, waar kan zijn volgens de gegevens waarover we beschikken, maar dat we moeten oppassen met conclusies trekken op basis van zijn informatie.

Coverfoto: remix van “standbeeld van de Romeinse keizer Augustus, Via dei Fori Imperiali” door Szilas (Wikimedia) & “Thunderstorm near Pritzerbe (Germany)” door Mathias Krumbholz (CC-BY SA 3.0)

Het bericht Woord van de maand: aesar van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2018/woord-van-de-maand-aesar/feed/ 0 126
Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/#respond Thu, 08 Mar 2018 14:47:27 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=700 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Sinds 1908 en de staking van een groep vrouwen in New York staat 8 maart in het teken van Internationale Vrouwendag. Tijd om ook eens te kijken naar befaamde vrouwen uit de Oudheid, waar weinig antieke vrouwen zoveel politieke invloed hadden als Fulvia. Lees hier een uitgebreid portret van deze intrigerende dame.

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Weinig antieke vrouwen hadden zoveel politieke invloed als Fulvia Flacca Bambula. Door haar drie huwelijken, telkens met een belangrijke politicus, was zij nauw betrokken bij de strijd om de macht in de woelige 1ste eeuw v.C. Fulvia is minder bekend – thanks, HBO – maar zeker niet minder fascinerend dan illustere tijdgenotes als Cleopatra of Octavia. Zo was ze de eerste sterfelijke vrouw die op een Romeinse munt opdook. Haar invloed was de toekomstige keizer Augustus zo’n doorn in het oog dat hij in zijn pen kroop om een vulgair epigram te schrijven om haar te belasteren. Later is ze dan ook vooral bekend geworden voor de scène waarin ze uit wraak haarspelden door Cicero’s tong gestoken zou hebben.

Fulvia en het hoofd van Cicero: vol verwachting houdt ze in dit schilderij van Maura y Montaner de haarspelden in de aanslag.

In moderne tijden groeide Fulvia als sterke vrouw uit tot een icoon van het feminisme. In de Oudheid werd haar politieke en vermeende militaire optreden haar echter niet in dank afgenomen door de geschiedschrijvers, niet toevallig mannen uit de gegoede klasse. Zij schetsen het beeld van een dominante, hebzuchtige en wrede ‘virago‘, een vrouw die alle gendergrenzen overschrijdt. Dit onfraaie beeld leert ons weliswaar veel over hoe hevig (mannelijke) Romeinen reageerden op vrouwen die zich in de publieke ruimte waagden, maar het betekent ook dat het moeilijk is om uitspraken te doen over de historische Fulvia, wat op zichzelf natuurlijk veelzeggend is. Laat ons toch een poging ondernemen.

Vrouwen in de Late Republiek

Net als ieder ander was Fulvia een kind van haar tijd, en haar lotgevallen kunnen niet los gezien worden van de uitzonderlijke omstandigheden waarin ze leefde. Traditioneel hadden Romeinse vrouwen weinig rechten. Ze mochten niet stemmen, hadden niet het recht in beroep te gaan en wettelijk gezien waren ze eeuwig minderjarig en dus onderhevig aan de voogdij van een mannelijke verwant. Ten gevolge van de burgeroorlogen van de 1ste eeuw v.C. kwam er verandering in de situatie van de Romeinse vrouw. Door de lange afwezigheid of zelfs de dood van vele mannelijke familieden was er op het thuisfront geen machtige pater familias meer. Bovendien waren er vaak meerdere generaties van mannen bij het krijgsgebeuren betrokken, waardoor vrouwen grote sommen geld erfden. Vooral vrouwen uit de hogere klassen, zoals Fulvia, maakten van deze situatie gebruik om zich meer te laten gelden in de publieke sfeer.

Voor Romeinse vrouwen was het devies sois belle et tais-toi

Het bewogen leven van Fulvia

We ontmoeten Fulvia voor het eerst in 60 v.C., bij haar eerste huwelijk met de beruchte demagoog Clodius, bekend van zijn bittere vete met Cicero. Haar eerste publieke optreden vond plaats op de begrafenis van Clodius, die tijdens een gewelddadige confrontatie – hoe kon het ook anders in de 1ste eeuw v.C. – vermoord was door de bodyguards van zijn politieke tegenstander Milo, een bekende scène voor wie in de middelbare school Latijn volgde. Minder bekend is dat Fulvia zijn lichaam door de straten van Rome droeg en zoveel misbaar maakte dat er rellen uitbraken en Clodius’ aanhangers hem prompt cremeerden, tezamen met het Romeinse senaatsgebouw. Fulvia slaagde er daarna in om de loyaliteit van Clodius’ medestanders vast te houden, en gecombineerd met haar aanzienlijk fortuin maakte dit haar tot een macht om rekening mee te houden. In 52 v.C. hertrouwde ze met Gaius Scribonius Curio, een andere vooraanstaande politicus uit de partij van Clodius en Caesar. Al snel kwam ook Curio echter op gewelddadige wijze aan zijn einde.

De Curia Iulia, de vervanger van de met Clodius in de vlammen opgegane Curia Cornelia

Het bekendst, of beruchtst, is Fulvia van haar derde huwelijk, met de triumvir Marcus Antonius. Gedurende de hele woelige periode 47-40 v.C. stond ze haar echtgenoot bij in diens strijd met Cicero en Octavianus, de toekomstige keizer Augustus. Vooral over deze periode zijn de bronnen heel negatief: zij zou uit eigenbelang haar man gedomineerd hebben, en hij zou met haar getrouwd zijn omwille van haar geld. Het koppel zou “provincies en koninkrijken bij opbod verkocht hebben”. Daarnaast zouden ze in grote mate verantwoordelijk geweest zijn voor de bloederige proscripties, waarbij vijanden van het triumviraat ter dood veroordeeld werden en hun bezit geconfisqueerd. Zo zou Fulvia volgens één bron haar buurman op de proscriptielijst geplaatst hebben, omdat die zijn huis niet aan haar had willen verkopen. Ook Cicero werd het slachtoffer van deze praktijk. Verder bemiddelde Fulvia meermaals direct bij de senaat wanneer die Antonius tot staatsvijand wilde uitroepen. Volgens Cassius Dio was zij de echte consul wanneer Antonius en Octavianus niet in Rome waren, eerder dan de verkozenen. Kortom, Fulvia was een bezige bij.

Het sluitstuk van Fulvia’s publieke carrière was de zogenaamde Perusinische Oorlog. In 41 v.C., toen Marcus Antonius zelf in het oosten was – en voor het eerst kennismaakte met Cleopatra! – verdedigde ze de belangen van haar echtgenoot, samen met diens broer Lucius, bij de verdeling van gronden aan veteranen in Italië. Dit leidde tot spanningen met Octavianus, die deze belangrijke groep ook aan zich wilde binden. Uiteindelijk mondden deze spanningen uit in een gewapend conflict. Volgens sommige latere bronnen voerde Fulvia in eigen persoon de troepen aan. Na enkele maanden moesten Lucius en Fulvia zich terugtrekken in Perusia, het huidige Perugia, dat daarop belegerd werd. Uitgehongerd gaven ze zich na een tijd over en Fulvia vluchtte naar Griekenland, waar ze door Antonius in de steek gelaten werd. Niet veel later stierf ze. Dit kwam goed uit voor Antonius en Octavianus, die de schuld voor hun conflict op Fulvia afschoven en aldus (voor even) vrede sloten.

Munt geslagen door Marcus Antonius. De voorzijde toont de gevleugelde godin Victoria, naar verluidt met de gelaatstrekken van Fulvia, maar de toeschrijving is onzeker

Een vernietigend portret

Hoe groot Fulvia’s rol in deze gebeurtenissen echt was, is moeilijk te bepalen. Dat heeft alles te maken met de bronnen die over haar schrijven. De bewaarde werken zijn namelijk zo goed als allemaal van de hand van auteurs die Fulvia en haar echtgenoten vijandig gezind waren. Tijdens haar leven schreef vooral Cicero over Fulvia. Cicero vocht bittere vetes uit met zowel Clodius als Marcus Antonius. Aan die laatste wijdde Cicero zijn Philippicae, een reeks beschadigende redevoeringen, en het is in deze teksten dat hij Fulvia opvoert als een wrede, hebzuchtige en dominante vrouw om de zwakte van Antonius te benadrukken. Anderzijds zag hij in Fulvia mogelijk ook de opvolgster van zijn rivaal Clodius.

Octavianus: niet zo deugdzaam als hij liet uitschijnen, maar wel een meesterlijk propagandist

Ook de propagandamachine van Octavianus werkte in die tijd op volle toeren. Via Martialis is er een epigram van Octavianus zelf overgeleverd waarin die refereert aan de affaire tussen Marcus Antonius en Glaphyra, de koningin van Cappadocië. De toekomstige keizer schrijft dat Fulvia hem dan voor de keuze stelde: eveneens ontucht plegen, of vechten. Octavianus laat ons daarop weten dat “zijn lul hem dierbaarder is dan zijn leven” en dat hij daarom het gevecht aangaat. De toekomstige keizer van Rome lijkt hier dus niet ver boven het niveau van de gemiddelde ‘online troll’ verheven geweest te zijn.

Dit negatieve beeld oefende een grote fascinatie en tegelijk ook afkeer uit op latere geschiedschrijvers, steevast mannen die tot de hogere klassen behoorden. Plutarchus, die in het algemeen al een vrij negatief vrouwbeeld had, noemt haar “een vrouwtje dat niet gaf om spinnen of huishoudelijk werk”, zij wilde “niet enkel regeren over een gewoon burger, maar heersen over een heerser en een commandant commanderen”. Volgens Paterculus “had zij niets van een vrouw, behalve het lichaam”. Cassius Dio gaat het verst in zijn negatieve typering, en het is aan hem dat we de scène met het hoofd van Cicero te danken hebben. Hij schrijft hierover:

Fulvia nam het hoofd in haar handen voor het werd weggehaald en begon er vreselijk tegen uit te varen. Ze zette het op haar knieën, maakte de mond open, trok de tong naar buiten en stak daar een van haar haarpinnen doorheen. Daarbij maakte ze ook nog allerlei smerige, sarcastische opmerkingen. (vertaling G. De Vries)

Fulvia: een “gevaarlijke” vrouw

Wat moeten we nu met de overgeleverde informatie? De bronnen zijn duidelijk gekleurd, en de auteurs gebruikten Fulvia elk voor hun eigen doeleinden. Haar dominante rol moest voor Cicero en Plutarchus in de eerste plaats de zwakte van Antonius in de verf zetten. Haar wreedheid vinden we dan weer terug in de passages over de proscripties. Door de rol van Octavianus’ tegenstanders uit te vergroten, wilden diens propagandisten, zoals Cassius Dio, de verantwoordelijkheid van de toekomstige keizer in deze pijnlijke gebeurtenissen verdoezelen. Bovendien komen vrouwen zelden toevallig voor bij de antieke auteurs. Zij waren moralistisch geïnspireerd en de vrouwen die ze opvoerden, fungeerden als voorbeelden van hoe het wel of – in dit geval – niet moest. Dit maakt het heel moeilijk om Fulvia’s ware rol in de gebeurtenissen te achterhalen.

Romeinse slingerkogel met inscriptie

Haar prominente aanwezigheid in de bronnen wijst er op zijn minst op dat Fulvia een bekend en invloedrijk figuur was. Dat ze zeker een rol gespeeld heeft, wordt ook aangetoond door archeologische bronnen. In de buurt van Perugia zijn slingerprojectielen opgegraven met obscene boodschappen – om de lezer gerust te stellen: af en toe schreven de Romeinen ook nog niet-obscene boodschappen – aan haar adres. Dit bewijst dat de vijandige soldaten haar goed genoeg kenden om zich rechtstreeks tot haar te richten. Stond zij werkelijk bevelen te roepen vanop de muren van Perugia, met het zwaard in de hand? Waarschijnlijk niet, maar het is wel aannemelijk dat zij haar politieke invloed aanwendde in de publieke ruimte.

 

Dat verklaart waarschijnlijk de hevige reactie van de antieke auteurs. Politieke en zeker militaire activiteiten waren typisch mannelijke prerogatieven, die de positie van de man in de maatschappij moesten legitimeren. Ook het publiek spreken was een belangrijk element van de mannelijke identiteit. Het beeld van een vrouw met te veel macht ondermijnde de sociale structuren en duidde op een maatschappij in crisis, wat de Romeinse mannen angst aanjoeg. Augustus’ agressieve epigram kan trouwens ook gelezen worden als een poging om zijn eigen mannelijkheid te bevestigen. Deze opvattingen leidden zeker bij de latere auteurs, die Fulvia’s werkelijke rol niet meer konden onderscheiden van de propaganda, tot uitingen van afkeer en tot het beeld van een dominant manwijf. In die latere tijden was er overigens geen ruimte meer voor zulke directe vrouwelijke invloed, een erfenis van Augustus’ hervormingen. De geschiedenis is dus geen lineaire vooruitgang naar een betere wereld voor iedereen. Dat besef is ook vandaag nog relevant, want er zijn nog steeds mannelijke stemmen die de vrouwelijke het liefst het zwijgen zouden opleggen.

Coverfoto: schilderij ‘Fulvia with the head of Cicero’ van Pavel Svedomsky (1849-1904) op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/feed/ 0 700
Waren de Romeinen koppensnellers? https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/#comments Fri, 09 Feb 2018 15:48:10 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=506 051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de "beschaafde" wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de “beschaafde” wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Decebalus en Trajanus

Grafstèle Tiberius Claudius Maximus waarop tweemaal een halsring (torquis) en een militaire armband (armilla) zijn afgebeeld

In 89 n.C. sloot keizer Domitianus een vredesverdrag met Decebalus, de nieuwe koning van Dacië, na een oorlog die vier jaar had geduurd. Decebalus werd een socius et amicus, een cliëntkoning van Rome. Als Trajanus in 101 n.C. keizer wordt, ontbrandt een nieuwe oorlog, waarbij de Romeinen voor het eerst de Donau oversteken. Decebalus wordt verslagen, zijn soldaten plegen collectief zelfmoord als de hoofdstad Sarmizegatusa wordt ingenomen. Decebalus ontsnapt eerst nog, maar wordt dan in het nauw gedreven en pleegt op zijn beurt zelfmoord.

De feiten kennen we uit Cassius Dio (68.14.3) en uit de inscriptie van Tiberius Claudius Maximus, de onderofficier (‘duplicarius) die Decebalus had gevangengenomen. Als beloning “quod cepisset Decebalum et caput eius pertulisset ei Ranisstoro” wordt Maximus bevorderd tot decurio en ontvangt hij twee torques et twee armillae. Die laat hij afbeelden op de stele, onder een scène waarin hij te paard toestormt op de stervende Decebalus (herkenbaar aan zijn typisch Thracische helm en zeshoekig schild), die zijn zwaard laat vallen.

De gevangenname van de koning wordt ook afgebeeld op de beroemde zuil van Trajanus in Rome (scène 145).

Decebalus, omsingeld door Romeinse soldaten, staat op het punt zich de keel over te snijden met zijn Dacische kromzwaard (‘falx’).

Maximus preciseert in zijn inscriptie dat hij het hoofd van Decebalus naar Ranisstorum heeft gebracht, waar de keizer ongetwijfeld verbleef; volgens Dio werd het hoofd zelfs naar Rome overgebracht. In 107 n.C. viert Trajanus daar zijn grote triomf, met 123 dagen spektakels, waarbij 11000 dieren en 10000 gladiatoren betrokken waren (Cassius Dio 68.15.1). Bij die gelegenheid ontvangt hij de eretitel ‘Dacicus’, overwinnaar op de Daciërs.

Onthoofding van de vijand en uitstalling van zijn hoofd als trofee is niet alleen een bewijs dat hij fysiek is geëlimineerd, maar ook een symbool van de totale overwinning. Het werd door de Romeinen niet gezien als een barbaars gebruik -zoals wij dat nu aanvoelen bij de gruweldaden van IS– maar als een uitzonderlijke bestraffing (denken we maar aan Catilina of aan de proscripties), zeker in oorlogsomstandigheden. Op de zuil van Trajanus, bijvoorbeeld, tonen niet minder dan zes scènes hoofden van vijanden. Gewoonlijk worden deze hoofden gepresenteerd aan de overwinnaar-opperbevelhebber, in het geval van Decebalus eerst in Dacië zelf, in aanwezigheid van de troepen (scène 147 op de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten[1]), en later nog eens in Rome. Daar werd het, volgens een later Byzantijns historicus, op een piek geplaatst in het midden van de stad, om te eindigen op de ‘scalae Gemoniae’ (in 106 n.C.), de trappen bij de Tarpeïsche rots en het Capitool[2]. Dit was alleen maar mogelijk als het hoofd eerst behandeld was om het te bewaren[3].

Scène 147 van de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten

Cicero en Marcus Antonius

19de eeuwse voorstelling op een folio van de moord op Cicero

In 43 v.C. grijpen Marcus Antonius, Octavianus en Lepidus de macht in Rome met het zogenoemde tweede triumviraat, dat officieel wordt bekrachtigd door de ‘Lex Titia’ op 27 oktober. Onmiddellijk worden de voornaamste tegenstanders, niet alleen de Caesarmoordenaars Brutus en Cassius, maar ook een driehonderd vooraanstaande politici die in Rome waren gebleven, buiten de wet geplaatst, en een premie van 25000 drachmen wordt op hun hoofd gezet. Op aandringen van Marcus Antonius komen ook Cicero en zijn broer Quintus en diens zoon op de lijst te staan. Cicero, die op dit moment in Tusculum verblijft, probeert nog te ontsnappen naar Brutus in Macedonië maar wordt op 7 december gevat door een detachement onder leiding van Popilius Laenas en gedood. De episode wordt uitvoerig beschreven door Plutarchus (Cicero 47-49) en Appianus (Historiae 4.19-20). Als Cicero de centurio Herennius ziet naderen, geeft hij zijn slaven bevel zijn draagstoel neer te zetten en steekt zelf zijn nek uit de draagstoel. Als hoofd en hand van Cicero in Rome aan Antonius worden getoond, zegt hij: “laat de proscripties nu maar ophouden”. Het hoofd en de handen (of, volgens andere bronnen, de rechterhand), laat hij op de tribune leggen boven de rostra, een schouwspel dat de Romeinen angst moet aanjagen.

Waren de Romeinen koppensnellers?

“Koppensnellen is het afsnijden en meenemen van iemands hoofd na die persoon te hebben gedood. Dit proces werd in oude tijden in veel culturen toegepast, waaronder China, India, Nigeria, Nurestan, Myanmar, Borneo, Indonesia, de Filipijnen, Taiwan, Japan, Micronesië, Melanesië, Nieuw-Zeeland en het Amazonebekken. Het behoort tot de oudste rituelen ter wereld. (Wikipedia)

Voor de Oudheid wordt dit gebruik zoals gedefinieerd door Wikipedia vaak toegeschreven aan de Kelten, door antieke auteurs, maar ook door moderne geleerden[4]. Dit gaat zover dat passages in Latijnse teksten waar Romeinse soldaten de hoofden van vijanden als trofee meenemen vaak worden toegeschreven aan “hulptroepen” of aan de barbaarse omgeving waarin de militairen verbleven. Wanneer Caesar in 46 v.C. de hoofden van soldaten die een te groot deel van de buit opeisten laat vastspijkeren op de poort van het kamp, beoordeelt Rambaud dit in zijn boek ‘César als “rude maintien de la discipline, utile avec des légionnaires que je crois Gaulois et habitués à chasser des têtes.”

Munt van Marcus Sergius Silus uit de late 2de eeuw v.C.

Maar ook bij de Romeinen was onthoofding van tegenstanders welbekend en in bepaalde situaties wijd verspreid. In 1964 verzamelde J.-L. Voisin een vijftigtal voorbeelden uit literaire teksten (met uitsluiting van onthoofding op basis van een gerechtelijk vonnis), een tiental archeologische getuigenissen, zoals de zuil van Trajanus of de triomfboog van Orange en enkele grafmonumenten van soldaten, en zelfs een munt uit de late tweede eeuw v.C., waar een ruiter zwaait met een afgehouwen hoofd[5].

Het doden van een vijand en het afhouwen van zijn hoofd zijn twee verschillende zaken. Denken we bijvoorbeeld aan David, die Goliath doodt met zijn slinger, en dan pas zijn hoofd afhakt. Iemands hoofd afhakken is geen simpele taak, zelfs niet als die persoon gebonden is en zijn hoofd op een kapblok ligt. Meer dan eens moest de beul zijn bloedig handwerk in meerdere keren voltooien; in die zin was de guillotine eigenlijk humaner dan de bijl. Met een zwaard is het nog moeilijker om in één houw een hoofd af te hakken, zeker als de tegenstander rechtop staat[6]. Uiteindelijk lukt dit alleen in de oudste half-mythologische voorbeelden of met medewerking van het slachtoffer, zoals Caius Cassius, die na de slag bij Philippi “een capuchon over zijn hoofd trok en zonder vrees zijn nek voorhield aan een vrijgelatene” (Vell. Pat. 70, 2).

In de vroege republiek (tot de Punische oorlogen) zijn het bijna uitsluitend buitenlandse vijanden die worden onthoofd, meestal na een tweegevecht. In die periode zijn de killers ook leden van voorname Romeinse families (te beginnen met Romulus): het doden van een vijand brengt roem voor de soldaat en voor zijn familie. Vanaf de tweede eeuw zijn het vooral naamloze soldaten die hoofden afhakken. Dit blijft zo wanneer ten gevolge van de Burgeroorlogen voornamelijk Romeinse burgers slachtoffer worden van die praktijk. De afgehakte hoofden leveren een flinke premie op voor diegene die ze meebrengt (niet altijd de moordenaar) en kan laten zien aan Sulla, Antonius, Caligula of Nero. Galba werd in 69 n.C. vermoord, maar men had zijn lijk laten liggen. Een passerend soldaat hakte het hoofd af en incasseerde de premie[7]. In het geval van Caius Gracchus (121 v.C.) werd als prijs zelfs het gewicht van zijn hoofd in goud uitgeloofd. De moordenaar, Septimuleius, vond er dan niets beter op dan de hersenen uit het hoofd te verwijderen en de schedel op te vullen met lood[8]. Bij zijn campagne tegen de Germanen (278 n.C.) loofde, volgens de ‘Historia Augusta‘ (Probus 14) keizer Probus één goudstuk uit voor elk afgehouwen hoofd.

De hoofden waren belangrijk als bewijs dat een tegenstander wel degelijk was geëlimineerd. Ze waren een symbool van de totale overwinning, waarbij de vijanden werden gedemotiveerd (zoals in het geval van Decebalus of bij de proscripties). Zo liet Caesar bij het beleg van Munda rond de stad een palissade oprichten met de hoofden van de gedode vijanden gericht naar de stad, waar de aanhangers van Pompeius zich hadden verschanst, “zoals de Galliërs dat doen” (Bell. Hisp. 32, 2). In 38 v.C. wordt het hoofd van de Parthische koning Pacorus geshowd in alle steden die van Rome waren afgevallen en zo wordt het gebied zonder strijd heroverd (Florus, Epitome 2, 19, 7). Na Nero’s dood werd hij op eigen verzoek verbrand; daarna stonden nog drie valse Nero’s op; als men zijn hoofd had laten zien, zou dit niet zijn gebeurd. Ook daarvoor dienden de hoofden van usurpatoren wier poging mislukt was, zoals Pescennius Niger (voor de muren van Byzantium door Septimius Severus). Nog in 313 n.C. laat Constantijn het hoofd van Maxentius meevoeren in zijn triomftocht, als een van de grote attracties (Paneg., 10, 31, 4).

Pacorus (voor zijn onthoofding)

Soms wordt het hoofd ook postuum nog mishandeld. Hierbij speelt wraak een rol. Een bekend voorbeeld is Galba, wiens hoofd in 69 n.C. door de knechten en staljongens op de punt van een lans werd rondgedragen in het kamp, terwijl ze riepen “Galba, mijn hartedief, geniet toch van je jeugd.” (Suetonius, Galba 20) De vrijgelatene Patronius kocht het hoofd om het te plaatsen waar zijn patronus eerder door Galba was terechtgesteld.

 

Galba (voor zijn onthoofding)

Onthoofding had ook een religieuze dimensie. Bij een juridische executie kreeg de familie het lichaam en het hoofd terug en kon een normale begrafenis plaatshebben, maar niet bij een onthoofding ter plekke: de dode kan nergens rust vinden.

Koppensnellen was dus wel degelijk een geaccepteerde en zelfs geïnstitutionaliseerde praktijk in het antieke Rome, ook al was ze beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden (burgeroorlog en buitenlandse oorlogen) en gericht tegen leiders van de oppositie, niet tegen alle vijanden (zoals blijkbaar bij de Kelten). Wanneer ze toch wordt veroordeeld als een vorm van crudelitas, dan is het omwille van passionele overdrijvingen tegenover de dode. Zo wordt Marcus Aurelius geprezen omdat hij het hoofd van Avidius Cassius, door hem geëist, niet wil zien, terwijl Marius, die in 87 v.C. met overdreven genoegen het hoofd van Marcus Antonius – de grootvader van de gelijknamige triumvir – had beledigd, gebrek aan zelfbeheersing wordt verweten. Hier speelt het motief van het afgehouwen hoofd op de feesttafel een rol: niet alleen bij Herodes met het hoofd van Johannes de Doper of heer Halewijn (“en het hoofd werd op de tafel gezet”), maar ook bij de triumvir Marcus Antonius. Sommigen linken dit zelfs aan kannibalisme. Ook grapjes ten koste van de overleden vijand worden niet geapprecieerd, zoals in het geval van Nero, die lacht met de lange neus van Rubelius Plautus, of Fulvia, de echtgenote van Marcus Antonius, die een speld steekt door de tong van de dode Cicero. Augustus daarentegen laat het hoofd van Brutus, die zelfmoord pleegde na de slag bij Philippi, naar Rome brengen en voor het beeld van de vergoddelijkte Caesar leggen, en dit leek wel aanvaardbaar voor antieke bronnen.

Svedomsky: Fulvia met het hoofd van Cicero

[1] De rechterhand werd ongetwijfeld afgehakt als getuigenis van de trouweloosheid (‘perfidia) van Decebalus, die zijn verbond met Rome had geschonden. Ook in Xenophons ‘Anabasis’ worden hoofd en rechterhand van Kyros na zijn dood in Kynaxa afgehakt (Anabasis 1 10.1).

[2] Dit is waarschijnlijk zelfs overgeleverd op een fragmentje van de ‘Fasti Ostienses’, Inscr. Ital. XIII.1, pp. 198-199 : [caput] Decibali [- –  in sca]lis Gemoni[is iacuit].

[3] En vrij gedetailleerde beschrijving vind men bij Lucanus, Pharsalia, 687-691, betreffende het hoofd van Pompeius, gedood bij zijn landing in Egypte, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“Met een gruwzame ingreep heeft men het bloed uit het hoofd verwijderd en tevens de hersens, de huid wordt gedroogd, men laat rottend vocht uit de binnenste holtes wegstromen en het gezicht maakt men met een inspuiting duurzaam.”

[4] Bv. P. Lambrechts, L’exaltation de la tête dans la pensée et dans l’art  des Celtes, Brugge, 1954.

[5] J.-L. Voisin, Les Romains, chasseurs de têtes, in: Du chatiment dans la cité. Supplices corporels et peines de mort dans le monde antique, Rome 1984, pp. 241-292.

[6] Een gruwelijke illustratie hiervan vindt men bij Lucanus, Pharsalia, 670-674, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“De woeste Septimius ontdekte bij de uitvoering van zijn misdaad (de moord op Pompeius) een nog grotere misdaad:  hij scheurde de toga open, ontblootte het eerbiedwaardig gezicht van de stervende Magnus, grijpt diens nog ademend hoofd en legt de verslappende nek op de zijwaarts geplaatste roeibank. Dan snijdt hij de spieren en aderen door, geruime tijd breekt hij nek en gewichten; er bestond geen kunst van onthoofding met één slag”.

[7] Suetonius, Galba 20: “Galba werd vermoord bij de Curtiusvijver en men liet hem liggen zoals hij lag. Een gewone soldaat, die toevallig terugkwam van de graanbedeling, zette zijn rantsoen op de grond en hakte het hoofd af van het lijk. Omdat er geen haar op stond om het vast te houden, borg hij het hoofd eerst in een plooi van zijn mantel; daarna stak hij zijn duim in de mond en droeg het zo naar Otho.”

[8] Men kan dit in detail lezen bij Plutarchus, C. Gracchus, 17, 5.

Coverfoto: afbeelding ‘Die Reliefs der Traianssäule, Tafel LI’ van Conrad Cichorius (1896) op Wikimedia

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/feed/ 1 506