Griekenland Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/griekenland/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 02 Aug 2026 23:04:50 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Griekenland Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/griekenland/ 32 32 136391722 De voorspellende kracht van een niesbui https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/#respond Sun, 02 Aug 2026 14:35:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2865

Wens jij iemand die niest automatisch "Gezondheid"? Dan deel je een gewoonte die al duizenden jaren oud is. In de Grieks-Romeinse Oudheid werd niezen niet alleen gezien als een lichamelijke reactie, maar ook als een goddelijk teken dat woorden kon bevestigen, voorspellingen kon aankondigen of belangrijke beslissingen kon beïnvloeden. Van Homerus en Xenophon tot Plutarchus en Augustinus: deze blogpost volgt de opmerkelijke geschiedenis van de niesbui en haar verrassende betekenis in de antieke wereld.

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Als kleuter bracht ik vele uren door in het werkhuisje van mijn grootvader, die schoenmaker was. Er stond daar ook een kleine kachel, die mijn nichtje en ik mochten “voederen” met papier en stukjes hout. Dat gaf veel stof natuurlijk en als we moesten niezen, dan zei mijn opa onvermijdelijk “God zegene je”, wat ik als kind begreep als “gods zegentje”. Niezen kon er immers op wijzen dat een verkoudheid of erger in aantocht was en dat moest je bezweren met een schietgebedje.

Een bekende Nederlandse tegelspreuk met een wens voor mooi weer bij het niezen

Ook nu nog wenst men iemand die niest vaak “Gezondheid” toe. Bij de jongere generaties is de religieuze factor verdwenen, maar niezen lokt nog altijd een bezwerende reactie uit en van de voorspellende kracht van zo’n niesbui vinden we onder meer al in de Grieks-Romeinse Oudheid heel wat voorbeelden.

Schietgebedjes

Bij de Romeinen kon je hiervoor “salve” zeggen of “salus“, bij de Grieken Ζεῦ σῶσον “Zeus, red me”. “Salus” zegt bijvoorbeeld bij Apuleius (Metamorphoses IX.25.1) een bedrogen echtgenoot, die aanvankelijk niet door heeft dat de minnaar van zijn vrouw verstopt zit in een mand met wasgoed. Toen hij het geluid van de niesbui hoorde meende hij dat het van zijn vrouw kwam  en wenste haar met de gewone formule “salus” toe (ut acceperat sonum sternuationis solito sermone salutem ei fuerat imprecatus).

Zelfs keizer Tiberius, de “grootste misantroop onder de mensen” zei “salus” als iemand niesde in zijn wagen (Plinius, Nat. Hist. XXVIII 23). De Griekse variant vindt men in een gedichtje uit de Anthologia Palatina, dat grappig bedoeld is maar misschien toch over de schreef gaat.

Οὐ δύναται τῇ χειρὶ Πρόκλος τὴν ῥῖνα ἀπομύσσειν·
τῆς ῥινὸς γὰρ ἔχει τὴν χεῖρα μικροτέρην·
οὐδὲ λέγει Ζεῦ σῶσον ἐὰν πταρῇ; οὐ γὰρ ἀκούει
τῆς ῥινός· πολὺ γὰρ τῆς ἀκοῆς ἀπέχει. (Anth. Pal. XI 268)

Proclus kan zijn neus niet snuiten met zijn hand
want zijn arm is korter dan zijn neus.
Hij zegt ook niet “Zeus red me” als hij niest, want hij hoort
zijn neus niet : ze staat te ver van zijn oren.

Niezen bij antieke auteurs

Ook vandaag worden er nog veel comics en memes gemaakt over de symptomatische waarde van het niezen

In de Oudheid kende men wel de symptomatische waarde van het niezen. Zo vermeldt bijvoorbeeld Thucydides in een bekende passage het niezen als één van de symptomen van de pest in Athene (Hist. II.49.3 : πταρμὸς καὶ βράγχος). Maar meestal wordt niezen eerder als positief ervaren, in tegenstelling tot hoesten en kuchen, bijvoorbeeld in het 33ste boek van AristotelesProblemata.

Hier bespreekt Aristoteles (of een navolger) problemen die te maken hebben met de neus, zoals de behandeling van een bloedneus of het verband tussen krulhaar en een platte neus. Maar de meeste hoofdstukjes gaan over niezen. “Waarom niezen mensen meer dan andere dieren en ruiken ze minder?” vraagt hij zich af. “Waarom niest men als men in de zon kijkt? Waarom niest men nooit in zijn slaap? Waarom niest men meestal twee keer na mekaar (wellicht omdat er twee neusgaten zijn?)”.

De lezer vindt in dat hoofdstuk heel veel vragen, maar weinig zinnige antwoorden. Zo vraagt de auteur zich verder ook af waarom niezen beschouwd wordt als iets goddelijks, maar hoesten of een druipneus of oprisping van de maag niet (“wellicht omdat niezen voortkomt uit het hoofd, het meest edele deel van de mens?”). Niezen van middernacht tot de middag is een goed voorteken, maar niezen na de middag tot middernacht niet (33.11) Wellicht, zegt de auteur, omdat niezen bij het begin van een activiteit, ons ervan afhoudt ermee verder te gaan (en de periode van middernacht tot de middag is ook een soort begin). In zijn Historia Animalium (I 8) definieert Aristoteles niezen kernachtig als πνεύματος ἀθρόου ἔξοδος (“het naar buiten komen van een plotse ademstoot”) en voegt eraan toe dat het de enige adem is die “profetisch is en heilig” (οἰωνιστικόν καὶ ἱερόν).

Bepaalde voorspellingen bij niezen, bijvoorbeeld bij Chinese waarzeggers, gebeuren aan de hand van het tijdstip van de niesbui

De voorspellende kracht van het niezen gaat terug tot het verre verleden. Het oudste voorbeeld vinden we bij Homerus in het 17de boek van de Odyssee, waar Penelope aan de varkenshoeder Eumaios vraagt om de bedelaar (die ze niet heeft herkend) aan haar voor te stellen, en eindigt met de wens dat Odysseus zou terugkeren en met zijn zoon de vrijers zou straffen voor hun wangedrag.

ὣς φάτο, Τηλέμαχος δὲ μέγʼ ἔπταρεν, ἀμφὶ δὲ δῶμα
σμερδαλέον κονάβησε· γέλασσε δὲ Πηνελόπεια,
αἶψα δʼ ἄρʼ Εὔμαιον ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ἔρχεό μοι, τὸν ξεῖνον ἐναντίον ὧδε κάλεσσον.
οὐχ ὁράᾳς ὅ μοι υἱὸς ἐπέπταρε πᾶσιν ἔπεσσι;
τῷ κε καὶ οὐκ ἀτελὴς θάνατος μνηστῆρσι γένοιτο
πᾶσι μάλʼ, οὐδέ κέ τις θάνατον καὶ κῆρας ἀλύξει. (Od. XVII, 541-547)

“Toen zij die woorden gesproken had, niesde Telemachos luid, waardoor het huis geweldig galmde. Penelope lachte, richtte zich dus tot Eumaios en sprak de gevleugelde woorden: “Maar ga nu toch en roep de vreemdeling nu meteen bij mij! Zie je dan niet dat mijn zoon heeft geniesd bij al wat ik net zei? Dus zal de dood voor de vrijers nu zeker een realiteit zijn, niemand uitgezonderd: geen man zal zijn doodslot ontlopen!” (vertaling G.W.J.Janssen)

Afbeelding op een Attische vaas van Penelope bij haar zoon Telemachos

Ook in de Homerische hymne voor Hermes wordt Apollo’s karakterising van de kleine dief, die zijn runderen heeft gestolen, bevestigd, eerst door een flinke wind (“een dienaar van zijn buik” zegt Homerus eufemistisch) en dan door een niesbui.

Een vergelijkbare situatie vindt men in Xenophons Anabasis (III.2.9). Xenophon raadt in een speech de soldaten aan om zich terug te trekken. Op dat moment gaat iemand aan het niezen. Als de soldaten dit goede voorteken horen, knielen ze als één man neer en vereren ze Zeus Sôtêr, die dit goede voorteken gestuurd had. Hier komt het Ζεῦ σῶσον uit het begin terug, want dat is natuurlijk waarop “Zeus Sôtêr” hier alludeert.

Xenophon gaat hierop in en zegt “Aangezien er, juist toen we het woord “redding” uitspraken, een voorteken van Zeus is verschenen stel ik voor dat dat we een gelofte afleggen dat we aan Zeus de redder dankoffers zullen brengen zodra we zijn aangekomen in een bevriend land.” Iedereen is akkoord met dit voorstel. In beide gevallen, in de Odyssee en bij Xenophon, geldt het motto “het is beniesd, dus is het waar”. Niezen als bevestiging van wat iemand gezegd heeft, is goed geattesteerd in het Nederlands en in het Duits.

Plutarchus beschrijft een gelijkaardig voorval in zijn vita van Themistokles (13.2) : drie zonen van Xerxes‘ zuster Sandauke werden voorgeleid als krijgsgevangenen. Op dat moment schoot een groot schitterend vuur omhoog uit de offerdieren en tegelijk hoorde men genies van rechts. De ziener Euphrantides greep Themistokles bij de hand en verplichtte hem, tegen zijn zin, maar met steun van het leger, om de drie te offeren aan Dionysos Omestes “de rauw-vlees-eter”. Want zo zou Griekenland worden gered en de overwinning worden verzekerd. Wat dan ook effectief gebeurde in Salamis op diezelfde dag.

20ste eeuwse tekening van de Atheense generaal Themistocles die een mensenoffer brengt vlak voor de Slag bij Salamis

Niezen als positief en negatief teken

In een gedicht van Catullus (XLV) bevestigt Amor de liefdesverklaring van Septimius en Acme door te niezen van links en van rechts (sinistra ut ante dextra sternuit approbationem) voor elk van de twee geliefden. Zo niest Amor ook bij de geboorte van Propertius‘ latere geliefde, een argutum omen (Elegiae II 3.24). In Theocritus‘ zevende idylle zijn het de erôtes die door te niezen de liefde van Simichidas voor Myrtô bevestigen.

Eerder uitzonderlijk kan niezen ook een negatief voorteken zijn, bijvoorbeeld als men niest op het kerkhof, zoals in dit gedichtje (Anthologia Palatina XI 375), waarbij de wens van de dichter, die zijn vrouw beu is, wegwaait in de wind :

Ἔπταρον ἄγχι τάφοιο καὶ ἤθελον αὐτόθ᾿ ἀκοῦσαι
οἷαπερ ὠισάμην, μοῖραν ἐμῆς ἀλόχου.
῎Επταρον εἰς ἀνέμους· ἄλοχον δέ μοι οὔ τι κιχάνει
λυγρὸν ἐν ἀνθρώποις, οὐ νόσος, οὐ θάνατος.

Ik niesde bij een graf. En ik wilde onmiddellijk horen
wat ik aan het bedenken was, de dood van mijn vrouw.
Maar ik heb in de wind geniesd. Mijn vrouw werd niet getroffen
door iets ergs onder de mensen, geen ziekte en geen dood.

De twee mogelijke interpretaties worden beschreven door Plutarchus in diens De genio Socratis (581B). Volgens sommigen, aldus Plutarchus, was het fameuze daimonion van Socrates eigenlijk een niesbui. Als iemand voor of achter hem niesde van rechts, dan schoot hij in actie (ὁρμᾶν ἐπὶ τῆν πρᾶξιν), als het geluid van links kwam, dan bleef hij af (ἀποτρέπεσθαι). Als hijzelf niesde, dan bevestigde de niesbui zijn beslissing, maar als hij niesde als zijn actie begonnen was, dan was dat een slecht teken en hield hij ermee op. Positief en negatief vallen hier (natuurlijk) samen met rechts en links.

Deze goddelijke inspiratie van het niezen was ook nog bekend aan Origenes in de 3de eeuw n.C.. In zijn Contra Celsum (4.94) commentarieert hij de beroemde passage uit de Odyssee als volgt “Als wij mensen niezen, dan niezen we omdat er in onze ziel een goddelijk en profetisch element aanwezig is”. Maar (vanzelfsprekend) staan de kerkvaders kritisch tegenover dit soort superstities. Zo vindt Augustinus (De doctrina christiana II 21 (78)) het maar niks dat sommige mensen terug in bed kruipen als ze moeten niezen bij het aantrekken van hun schoenen. Geloof in de voorspellende kracht van niezen wordt zelfs expliciet veroordeeld op het Concilie van Lestines in 743 n.C.

Niezende lampen

Niet alleen mensen kunnen niezen, maar ook een lamp. Het Grieks gebruikt inderdaad hetzelfde werkwoord πταίρω voor een lamp of kaars die sputtert In een epigram van de verder onbekende dichter Marcus Argentarius (Anthologia Palatina VI 633) is dit ook een gunstig voorteken voor de geliefden.

ἤδη, φίλτατε λύχνε, τρὶς ἔπταρες. ἦ τάχα τερπνὴν
εἰς θαλάμους ἥξειν Ἀντιγόνην προλέγεις·
εἰ γάρ, ἄναξ, εἴη τόδ᾿ ἐτήτυμον, οἷος Ἀπόλλων
θνητοῖς μάντις ἔσῃ καὶ σὺ παρὰ τρίποδι

Liefste lamp, je hebt nu al drie keer geniesd. Voorspel je
misschien dat de verrukkelijke Antigone naar de bruidskamer zal komen?
En als dat, meneer, waar zou zijn, dan zal ook jij zoals Apollo
naast de drievoet staan en een ziener zijn voor de mensen.

Europese kaart van “Hatsjoe”

Tot slot biedt niezen vandaag de dag nog heel wat inspiratie om creatief met historisch onderzoek om te gaan. Zo zijn er kaartenmakers die de fonetische manier waarop niezen in verschillende landen (en dus talen) gebeurt op een kaart afbeelden, maar evengoed wordt op sociale media, bijvoorbeeld Instagram, met de hulp van artificiële intelligentie, de betekenis van het niezen als religieus teken in het oude Griekenland in een filmpje gegoten.

Lees meer

Aronson, Stanley, “The Origins of the Sneeze: Divine Gift or Mere Goldenrod Pollen?”, Rhode Island medical journal 96 (2013), pp. 10-11.
Mayhew, Robert, “Sacred Sneezes in Aristotle, Historia animalium I 11 and [Aristotle], Problemata physica XXXIII 7 & 9”, Erga-Logoi. Rivista di storia, letteratura, diritto e culture dell’antichità 11.1 (2023). https://doi.org/10.7358/erga-2023-001-mayr
Pease, Arthur Stanley, “The Omen of Sneezing”, Classical Philology 6.4 (1911), pp. 429–43.
van der Horst, Pieter W., “The Omen of Sneezing” Ancient Society 43 (2013), pp. 213–21.

Coverafbeelding: adaptatie van een tekening (een afbeelding van een Attische rode-figuur skyphos uit het Museo Archeologico Nazionale, Chiusi, inv. 62705) van Penelope bij haar zoon Telemachos bij het weefgetouw, uit A. Furtwangler & K. Reichhold, Griechische Vasenmalerei: Auswahl hervorragender Vasenbilder, München 1921, pl. 142 (Public Domain)

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/feed/ 0 2865
Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/ https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/#respond Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2817 een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. werd de Griekse wereld opgeschrikt door de invasie van de Galaten, een gebeurtenis die niet alleen militair maar ook ideologisch diepe sporen naliet. In dit eerste artikel van een tweedelige reeks staat de vraag centraal hoe deze Keltische groep in de Griekse perceptie werd voorgesteld en hoe het beeld van de "barbaarse" vijand vorm kreeg. Vooral de Aetoliërs slaagden erin om dit anti-Galatische discours naar hun hand te zetten en in te zetten als krachtig propagandamiddel die hun politieke positie en legitimiteit versterkte.a

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. heerste er chaos in Griekenland en Macedonië. De recente oorlog tussen de diadochen Seleucus en Lysimachus had zijn tol geëist, en een sterk centraal gezag was ver zoek. Hierdoor werden de Griekse stadstaten en het Macedonische thuisland kwetsbaar. Deze situatie bood een uitgelezen kans voor een bevolkingsgroep die aan de noordelijke grens opdoemde: de Galaten. Aangetrokken door de rijkdommen van de Helleense wereld, vielen deze Kelten vanuit de Balkan Griekenland en Macedonië massaal binnen en zaaiden ze dood en verderf. Deze existentiële dreiging leidde tot een zeldzaam verschijnsel in de antieke wereld: panhelleense samenwerking. Verscheidene leden van het bondgenootschap leverden een grote inspanning om deze “barbaren” te verdrijven, maar het waren vooral de Aetoliërs die te koop liepen met hun rol in de overwinning. Voor hen had deze zege immers grote propagandistische waarde.

Dit artikel vormt het eerste deel van een tweedelige reeks over de negatieve voorstelling van de Galaten in de Hellenistische wereld. In dit deel richten we ons op de specifieke inhoud van het anti-Galatische discours in de Griekse wereld en de Aetolische toepassing van deze propaganda. In het volgende deel verleggen we onze blik naar de grote Hellenistische koninkrijken.

Historische achtergrond

De Galaten waren een Keltische bevolkingsgroep die Galatisch sprak, een taal die nauw verwant was aan het Gallisch. Ze leefden zoals de overige Kelten in stamverband met telkens een stamhoofd aan het roer. De term “Galaat” is terug te voeren op het Oudgriekse woord voor “Galliër”. Vandaag wordt in de wetenschappelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen de termen “Galliër” en “Galaat”. De Galliërs waren de continentale Kelten die in West-Europa bleven, terwijl de term “Galaten” verwijst naar de Kelten die sinds de 5de eeuw v.C. naar de Balkan migreerden. Tegen de vroege 3de eeuw v.C. bevonden deze stammen zich aan de grens van de Griekse wereld.

Over hun vroege geschiedenis is weinig met zekerheid geweten; hun verleden wordt voornamelijk gereconstrueerd op basis van Griekse bronnen die echter bevooroordeeld waren. De Grieken zagen immers de Galaten als het archetype van de barbaar. Recent archeologisch en historisch onderzoek heeft gelukkig enige nuance gebracht in dit eenzijdige beeld. In tegenstelling tot het stereotype van de Keltische volkeren als een zootje ongeregeld, hadden zij juist een complexe en efficiënte sociale en militaire organisatie waarbij de stammen goed samenwerkten.

De route van de Galaten

Nadat de Galaten de Helleense wereld waren binnengevallen, splitste hun leger zich op in grofweg drie colonnes. Eén deel settelde zich in Thracië (Polybius 4.45-46), een andere colonne van zo’n 20 000 krijgers stak de Hellespont over op uitnodiging van Nicomedes I, koning van Bithynië (Livius 38.15.). Hij zette de Kelten in als huurlingen tijdens de burgeroorlog tegen zijn broer, Zipoetes II, in ruil voor woongebied in Noord-Frygië. Deze groep heeft de antieke wereld diepgaand beïnvloed en zal in het tweede deel van deze artikelreeks in de belangstelling komen te staan. Tot slot was er een derde colonne onder leiding van Brennus. Brennus behoorde volgens Strabo (4.1.13) mogelijk tot de stam van de Prausi waarover voor de rest weinig geweten is. Hun eerste doelwit was Paeonië in 280 v.C., een gebied ten noorden van Macedonië. Na deze expeditie wist Brennus zijn krijgers te overtuigen om zich in 279 v.C. te wagen aan een meer uitdagend doelwit: de Griekse stadstaten waar hen mythische rijkdommen zouden opwachten.

De Ketische invasie in Griekenland

De Thermopylae vandaag de dag

Pausanias (10.19-23) wil ons doen geloven dat Brennus’ strijdkracht wel zo’n 152 000 infanteristen en 24 000 ruiters telde. Hoewel deze aantallen waarschijnlijk overdreven zijn, moet het totale aantal Kelten enorm zijn geweest. De bedreiging was in elk geval groot genoeg om de eeuwig kibbelende Griekse stadstaten in elkaars armen te drijven. De panhelleense tactiek moet bekend in de oren klinken voor wie vertrouwd is met de Griekse geschiedenis: de Kelten een halt toeroepen bij de Thermopylae. De eerste Keltische aanval tegen de verdedigers in de befaamde bergpas liep uit op een jammerlijke mislukking en Brennus blies de chamade.

Daarop besloot de Keltische leider het over een andere boeg te gooien. Hij liet een detachement tegen Aetolië uitrukken om de talrijke Aetolische troepen weg te lokken van bij de Griekse hoofdmacht in de Thermopylae. De list werkte, maar tegen een hoge prijs: veel Galaten sneuvelden tijdens deze expeditie. Ondertussen wist Brennus de vijand bij de Thermopylae te omsingelen dankzij de ontdekking van een pad dat om de Griekse linie heen leidde. Hierna volgde echter geen heldhaftig gevecht tot de laatste man zoals Leonidas en zijn ‘driehonderd’ dat destijds hadden gedaan. De Griekse troepen konden op tijd geëvacueerd worden dankzij de Atheense vloot die voor de kust voor anker lag.

Brennus koos vervolgens Delphi uit als nieuw doelwit. Volgens de overlevering werd deze aanval afgeslagen met de hulp van de goden die de Kelten teisterden met onder andere stormen en aardbevingen. Daarnaast droegen de Aetoliërs hun steentje bij door hun guerrillaoorlogvoering waarbij ze de Kelten onophoudelijk bestookten in het ruige terrein van Aetolië. Na een verpletterende nederlaag tegen de Phociërs besloten de Galaten zich halsoverkop terug te trekken. Tijdens de terugtocht bleven de Aetoliërs hen bestoken en uiteindelijk pleegde Brennus zelfmoord uit schaamte. De Keltische dreiging was geweken.

De oorsprong van het anti-Galatische discours

De relatie tussen de Galaten en de Helleense wereld werd dus al vanaf het begin gekenmerkt door conflict. Koning Nicomedes I bood evenwel als eerste een alternatief voor deze gewelddadige omgang met de Keltische stammen: samenwerking. In ruil voor militaire hulp kregen de Galaten land en geld. Dit beleid zouden vervolgens nagenoeg al de Hellenistische heersers in Klein-Azië voeren. Ondanks deze gunstige wederkerige relatie bleven de Grieken de Galaat omschrijven als de barbaar par excellence.

De Galatische levensstijl beantwoordde inderdaad op sommige gebieden aan de Griekse verwachtingen van een barbaar. In hun ogen ging het om loutere nomaden met een woest en vreemd voorkomen, die geen schrift kenden, laat staan geschreven wetten — een van de fundamenten van een beschaafde samenleving volgens de Grieken. Na hun vestiging in Noord-Frygië begonnen de Galaten zich steeds meer te conformeren aan de Griekse verwachtingen van een beschaafde mens. Desondanks zetten de Hellenistische vorsten deze traditie van negatieve voorstellingen voort. Waarom? Het antwoord ligt deels in het propagandistische nut van dergelijke beelden. Hoe woester en gevaarlijker de vijand, des te nobeler en sterker de overwinnaar lijkt. Dit narratief kon aldus bijdragen aan de legitimatie van het Hellenistische koningschap.

De Galaten in Griekse ogen

Al tijdens de grote invasie van 280/279 v.C. werden de Galaten gezien als een levensbedreiging voor de Helleense wereld. Hiervan getuigen enkele inscripties uit de jaren 270 v.C. (o.a. een uit Priëne die de beschermer van de stad roemt [TM 862714] en een dedicatie van een vader uit Thyateira aan Apollo om zijn zoon te redden van de Galaten [TM 838622]). Men kan de Grieken zeker niet beschuldigen van overdrijving. Bij gebrek aan een sterk centraal gezag waren de stadstaten inderdaad kwetsbaar. De poleis ontsnapten zelfs op het nippertje aan een smadelijke nederlaag bij de Thermopylae (zoals beschreven hierboven). Het was mede dankzij de tussenkomst van de goden – volgens de Grieken zelf althans – en onder andere de Aetoliërs dat de ondergang vermeden kon worden (zie Justinus 24.7.6, 24.8.3-7).

De idee van goddelijke interventie raakte al vroeg in zwang. Volgens een decreet uit Kos van 278 v.C. [TM 929025] was Apollo verantwoordelijk voor de triomf, terwijl een inscriptie van Smyrna uit hetzelfde jaar [TM 814632] de overwinning toeschrijft aan meerdere goden. Ondanks de uiteindelijke zege lieten de Galaten toch een trauma achter in het Griekse collectieve geheugen, een trauma dat de bekende Griekse historicus Angelos Chaniotis (in zijn Age of Conquests) zelfs vergelijkt met de shock van 9/11 in de westerse wereld. De Keltische invasie was zo ernstig dat een vergelijking met de Perzische invasies voor de Grieken zeker gerechtvaardigd was. Volgens Pausanias stond ditmaal niet enkel de vrijheid op het spel, maar zelfs het voortbestaan van de Griekse wereld:

ἑώρων δὲ τὸν ἐν τῷ παρόντι ἀγῶνα οὐχ ὑπὲρ ἐλευθερίας γενησόμενον, καθὰ ἐπὶ τοῦ Μήδου ποτέ, οὐδὲ δοῦσιν ὕδωρ καὶ γῆν τὰ ἀπὸ τούτου σφίσιν ἄδειαν φέροντα … ὡς οὖν ἀπολωλέναι δέον ἢ δ᾽ οὖν ἐπικρατεστέρους εἶναι, κατ᾽ ἄνδρα τε ἰδίᾳ καὶ αἱ πόλεις διέκειντο ἐν κοινῷ.

Ze realiseerden zich dat de strijd die hen te wachten stond er niet een voor vrijheid zou zijn, zoals toen ze tegen de Perzen vochten, en dat water en aarde aanbieden hen geen veiligheid zou brengen…  Dus was elke man en elke stadstaat ervan overtuigd dat ze oftewel moesten overwinnen, oftewel ten onder gaan.” (Paus. 10.19.12)

De vergelijking moet haast vanzelfsprekend zijn geweest, niet in het minst omdat de Thermopylae wederom een centraal strijdperk werden. Verder vond Pausanias de schilden van beide volkeren opvallend gelijkend en zag hij parallellen tussen de Galatische cavalerie en de Onsterfelijken, de vermaarde Perzische elitekrijgsmacht. (Pausanias 10.19.4)

De Aetoliërs maakten handig gebruik van deze associatie. Zo plaatsten ze de buitgemaakte Galatische wapenuitrustingen naast die van de Perzen in de tempel van Apollo in Delphi. Dit was een berekende propagandistische truc: dit heiligdom was een van de belangrijkste religieuze centra in de Griekse wereld, waar om de vier jaar vertegenwoordigers van de meeste stadstaten samenkwamen om deel te nemen aan de Pythische Spelen. Bijgevolg konden de Aetoliërs handig hun cruciale rol in de overwinning aan de gehele Helleense wereld meedelen en in herinnering houden.

Tetradrachme van de Aetolische Bond met op de keerzijde (rechts) Aitolos, de personificatie van de Bond, gezeten op typische Galatische schilden, c. 239-229 v.C.

Ze gingen in Delphi hun rol ook op andere manieren in de verf zetten. Zo was er een standbeeld van de personificatie van Aetolië die gezeten was boven een stapel van Keltische wapenuitrustingen. Dit standbeeld kwam ook voor op de munten van de Aetolische Bond. Daarnaast was er de Portico van de Aetoliërs, een van de grootste bouwwerken te Delphi, waar een inscriptie de schenking van Keltische wapenuitrustingen herdacht. De boodschap was helder: net zoals de Atheners destijds bij Marathon en Salamis de Griekse beschaving tegen barbarij hadden beschermd, zo hadden de Aetoliërs eenzelfde dienst bewezen aan de Helleense wereld en dit verdiende respect en erkenning.

De Aetoliërs lijken zich haast uit te roepen tot de nieuwe beschermers van Griekenland en de leidersrol van Athene op te eisen. Ze hervormden zelfs rond 246 v.C. het jaarlijkse Soteria-festival in Delphi ter ere van Zeus tot een vijfjaarlijks, maar grootser gebeuren dat meer in het teken van de Aetoliërs en hun militaire heldendaden stond (zie SIG3 402 [TM 815238]). Opvallend is hoe ze zelfs de rol van de goden begonnen te minimaliseren om de aandacht meer naar zich toe te trekken. Dit alles negeerde natuurlijk volledig de bijdrage van de Griekse stadstaten, maar dat interesseerde hen niet. Er stond immers veel op het spel.

De geopolitieke voordelen van de Galatische overwinning

Na de Galatische episode traden steeds meer leden van de Aetolische Bond toe tot de Amphictionie van Delphi, een zeer oude religieuze vereniging die instond voor de veiligheid van Delphi. Diens leden hadden het recht om stadstaten te straffen die het heiligdom schonden. Deze straf nam soms de vorm aan van een “heilige oorlog” waarbij de leden militair samenwerkten tegen de agressor.

Tegen het einde van de jaren 250 v.C. had de Aetolische Bond al negen stemmen – van de 24 – in de raad van de Amphictionie. Dankbaarheid kan een rol hebben gespeeld bij de geleidelijke toelating van de Aetoliërs, maar politieke druk moet de doorslaggevende factor zijn geweest. De Aetolische Bond groeide namelijk in de 3de eeuw v.C. uit tot de grootmacht van Centraal- en West-Griekenland. Ze begonnen zich zelfs te moeien met Egeïsche en Peloponnesische aangelegenheden. Mettertijd versterkte dus ook hun greep op Delphi, dat in de naburige regio Phocis lag. De anti-Galatische propaganda kon deze controle over het heiligdom, evenals hun positie in Griekenland, handig legitimeren.

Inscriptie op de Portico van de Aetoliërs in Delphi die de buitmaking van de Galatische schilden commemoreert

De ideologische voordelen van de Galatische overwinning

De inzet van de Aetolische propaganda ging echter verder dan loutere zelfverheerlijking en legitimatie van hun geopolitieke situatie. Wanneer we de culturele context rond de Aetoliërs erbij betrekken, wordt meteen duidelijker waarom ze zo sterk de nadruk legden op deze overwinning. Het lidmaatschap van de Aetoliërs tot de Helleense beschaving werd namelijk voortdurend in twijfel getrokken. Ze waren volgens de andere stadstaten minder Grieks of zelfs simpelweg barbaren. Zo waren ze niet in polis-verband georganiseerd, maar bestonden ze uit stammen (θνη) die in dorpjes samenleefden.

Bovendien waren ze dikwijls actief als piraten die de zeeën rond Griekenland onveilig maakten. Deze slechte reputatie was volgens de Britse historicus John Grainger (in zijn The League of the Aitolians) al goed gevestigd vooraleer ze zich gingen organiseren in een confederatie in de 4de eeuw v.C. Het feit dat ze een moeilijk verstaanbaar dialect spraken, pleitte ook al niet in hun voordeel. Deze neerbuigende houding vanwege de andere Grieken namen ze allerminst in dank af en ze grepen deze kans om hun “Grieksheid” in het gezicht te duwen van de sceptici. Griekenland had immers haar voortbestaan uitgerekend aan hen te danken.

Vanuit deze optiek kon de toetreding tot de Amphictionie van Delphi hebben gediend als een formalisatie van deze claim. Deze religieuze vereniging kwam samen bij het orakel van Delphi, een van de belangrijkste heiligdommen in de Griekse wereld. Voor de Grieken was hun gedeelde religie een van de belangrijkste expressies van hun culturele eigenheid. Toetreding tot een dergelijke organisatie was daarom een onweerlegbaar bewijs van Griekse identiteit.

Hierbij moet trouwens de Macedonische vorst Philippus II (r. 359-336 v.C.) als model hebben gediend voor de Aetoliërs. Net zoals in het geval van deze West-Grieken was de “Grieksheid” van de Macedoniërs omstreden, en net zoals in het geval van de Aetoliërs was Philippus’ toetreding tot deze Amphictionie een poging om Macedonië op de kaart te zetten als Griekse mogendheid. Net zoals de latere Macedonische overwinning onder leiding van Alexander de Grote (r. 336-323 v.C.) op de Perzische koning Darius III (r. 336–330 v.C.) diende, diende de overwinning op de Galaten om deze claim te bevestigen.

Centraal-Griekenland met Aetolië ten zuiden van Epirus en Thessalië, geklemd tussen Acarnania en Phocis (waar Delphi gelegen is)

Conclusie

De Aetoliërs claimden een centrale rol te hebben gespeeld bij de verdrijving van de Galaten. De invasie van deze Keltische stammen was een ingrijpende gebeurtenis in de 3de eeuw v.C., die een trauma in de Griekse wereld naliet. In hun ogen stond niets minder dan de beschaving op het spel. De bijdrage van de Aetoliërs aan de overwinning kwam deze West-Grieken goed van pas: de politieke invloed van de Aetolische Bond nam in deze periode toe, en het werd tijd om erkenning en respect af te dwingen bij de overige Grieken. Dit was echter geen vanzelfsprekendheid, aangezien de Aetoliërs in het verleden vaak werden bestempeld als barbaren of half-Grieken. Zij wilden eindelijk worden geaccepteerd als volwaardige leden van de Griekse wereld. De overwinning op de Galaten legitimeerde zowel hun aanspraak op deze culturele identiteit als hun stevige greep op Delphi zelf.

De voordelen die dit anti-Galatische narratief bood, gingen niet onopgemerkt voorbij aan andere spelers binnen de Hellenistische wereld. Rond dezelfde periode moesten ook de Hellenistische vorsten aan beide zijden van de Hellespont afrekenen met Galatische invallen. Zij kampten met vergelijkbare legitimiteits- en identiteitsproblemen als de Aetoliërs. Bijgevolg bood de overwinning op deze “barbaren” vergelijkbare ideologische voordelen. Toch zijn er binnen deze propaganda enkele verdere nuances te ontwaren, maar dat is stof voor het volgende deel.

Lees meer

Grainger, J. D., The League of the Aitolians. 1999, Leiden.

Larsen, J., Greek Federal States: Their Institutions and History, 1968, Oxford.

Mitchell, S., Anatolia. Land, Men, and Gods in Asia Minor I. The Celts and the Impact of Roman Rule, 1993, Oxford.

Scholten, J., The Politics of Plunder: Aitolians and their Koinon in the Early Hellenistic Era, 279 – 217 B.C., 2000, Berkeley.

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Marken019AnconaMusArcheo’, afkomstig van een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten – met de typische halsringen en schilden – afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus, vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/feed/ 0 2817
De vergeten dichters van Alexander de Grote https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/#respond Sun, 25 Jan 2026 17:20:17 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2800 Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

Tijdens zijn veldtocht omringde Alexander de Grote zich doelbewust met dichters, in de hoop zijn daden literair te laten vereeuwigen. Helaas blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over, al zijn er gelukkig nog de namen van enkele van deze auteurs overgeleverd, zodat ze niet helemaal vergeten worden.

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

In de Griekse geschiedenis – en eigenlijk ook daarbuiten – behoort de onderneming van Alexander de Grote ongetwijfeld tot de meest epische daden. In de geschiedschrijving heeft Alexander dan ook een blijvende indruk nagelaten, maar zijn naam is, merkwaardig genoeg, aan geen enkel epos verbonden. En dat terwijl Alexander zelf wel degelijk moeite deed om te verzekeren dat zijn daden bezongen zouden worden. Verschillende bronnen vermelden namelijk dat hij een groep dichters meenam op zijn expeditie naar het Oosten, die hij bovendien rijkelijk beloonde. Sommigen van hen zijn nauwelijks bekend (Choerilos van Iasos, Agis van Argos, Pranikos of Pierion) maar Alexander wist ook beroemde figuren aan te trekken, zoals de redenaar Anaximenes van Lampsakos en de filosoof Pyrrho van Elis. Opmerkelijk genoeg blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over.

Choerilus van Iasos

Van de dichters die Alexander op zijn tocht naar het Oosten vergezelden, is Choerilos van Iasos ongetwijfeld de bekendste. Hij wordt genoemd door Horatius en vele andere auteurs, maar zijn reputatie is ronduit slecht: Choerilos geldt als de slechtste dichter uit de Griekse Oudheid. Van zijn werk is bijna niets bewaard gebleven, maar er circuleren tal van anekdotes over hem.

Detail van het beroemde Alexandermozaïek uit de 2de -1ste eeuw v.C., afkomstig uit de exedra van de ‘Casa del Fauno’ in Pompeï

Volgens Horatius (Brief aan Augustus, vv. 232-234) zou Alexander hem met een gouden munt hebben beloond voor elke vers die hij over hem schreef. Andere bronnen vertellen echter een ander verhaal: Alexander beloofde een munt voor elke goede vers, maar een klap voor elke slechte vers – en omdat de slechte verzen talrijker waren, zou Choerilos zijn dood hebben gevonden onder de slagen van de koning.

Deze laatste versie van het verhaal is waarschijnlijk een later verzinsel, want Choerilos lijkt Alexander te hebben overleefd: hij schreef namelijk een werk met de titel Lamiaka. Van dat gedicht is alleen de titel overgeleverd, maar het moet een epos zijn geweest over de Lamische Oorlog (322 v.C.), waarin de Atheners zich tegen de Macedoniërs keerden om hun onafhankelijkheid te herwinnen. Mogelijk componeerde Choerilos het gedicht om de daden van de Macedonische generaal Antipater te verheerlijken, zoals hij eerder voor Alexander had gedaan.

Anaximenes van Lampsakos

Er wordt ook een gedicht over Alexander toegeschreven aan Anaximenes van Lampsakos, de beroemde redenaar en geschiedschrijver van Philippos II en Alexander. Ook over hem is een amusante anekdote overgeleverd. Toen Alexander Troje bezocht en het graf van Achilles zag, greep hij de gelegenheid aan om de roem van Achilles en van zijn dichter, Homerus, te prijzen. Anaximenes was daarbij aanwezig en riep, om hem te vleien, dat hij ook Alexanders glorie onsterfelijk zou maken. Maar Alexander kapte hem meteen af met de woorden:

Ik zou liever Homerus’ Thersites zijn dan jouw Achilles!

Een soortgelijk verhaal wordt trouwens ook over Choerilos van Iasos verteld. De geograaf Pausanias (2de eeuw n.C.) twijfelde of Anaximenes werkelijk zo’n werk had geschreven, maar daar is waarschijnlijk geen reden toe.

Agis van Argos

Twee van de belangrijkste geschiedschrijvers van Alexander, Curtius Rufus en Arrianus, noemen nog een andere dichter: Agis van Argos. Agis wordt beschreven als een van Alexanders meest schaamteloze vleiers. Volgens de bronnen steunde hij de koning vooral tijdens het debat over de proskynesis (προσκύνησις) – een Perzisch gebruik waarbij men zich diep voor de heerser boog. Voor de meeste Grieken was dit ondenkbaar, omdat het neerkwam op de vergoddelijking van een levende vorst. De bronnen zijn dan ook zeer kritisch over Alexanders overname van dit gebruik, dat vaak wordt gezien als het begin van de ontsporing van zijn macht.

Titelpagina voor een 17de eeuwse uitgave van Curtius Rufus’ ‘Historia(e) Alexandri Magni’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Curtius Rufus bijzonder harde woorden heeft voor Agis: hij noemt hem een “slecht dichter”, die alleen nog wordt overtroffen door Choerilos – of beter gezegd, Choerilos is de enige die voor hem moet onderdoen. Blijkbaar speelde Agis gretig in op Alexanders grootheidswaanzin, door in zijn gedicht te beschrijven hoe Herakles, Dionysos en de Dioskouren (Castor en Pollux) Alexander opwachtten om hun plaats aan hem af te staan.

Agis was bovendien buitengewoon jaloers. Volgens Plutarchus (1ste-2de eeuw n.C.) zou hij, toen hij zag hoe Alexander een hofnar rijkelijk beloond had, hebben uitgeroepen:

Ik vind het verachtelijk om te zien hoe de zonen van Zeus zulke onwaardige vleiers waarderen: zoals Herakles bepaalde Kekropen waardeert, en Dionysos zich omringt met Silenen, zo laat ook jij je vleien door dit soort narren!

Die uitval bevat natuurlijk ook verborgen lof, want ze gaat ervan uit dat Alexander een rechtstreekse afstammeling van Zeus was, en bijgevolg gelijk aan Herakles of Dionysos. Toch is het beeld van Agis bijna grotesk: hij bekritiseert Alexanders slechte smaak en gebrek aan oordeel, zonder te beseffen dat hij zelf het meest aan vleierij schuldig is.

Pranikos of Pierion en andere dichters

Plutarchus vertelt ook een anekdote over nog een andere dichter die Alexander vergezelde, wiens naam in twee vormen is overgeleverd: Pranikos of Pierion. Het verhaal speelt zich af tijdens het banket waarop Alexander zijn vriend en bevelhebber Clitus (de Zwarte, Κλεῖτος ὁ Μέλας) doodde. Toen iedereen al dronken was, werden enkele verzen van deze dichter voorgedragen. De verzen in kwestie waren geschreven om generaals te bespotten die door de “barbaren” waren verslagen. Alexander – en natuurlijk ook zijn vleiers – leek deze verzen bijzonder geestig te vinden, maar de oudere gasten voelden zich beledigd door zo’n gebrek aan respect. Vooral Clitus verhief zijn stem tegen Alexander en, aangewakkerd door de wijn, liep de situatie al snel uit de hand, tot Alexander hem uiteindelijk met eigen hand doodde.

De bronnen noemen ook andere dichters, onder wie een obscure Aischrion van Samos (of van Mytilene). Tot Alexanders vleiers behoorde ook een zekere Cleon van Sicilië, die mogelijk een dichter was. Sommige auteurs vermelden zelfs dat de sceptische filosoof Pyrrho van Elis door Alexander zou zijn beloond voor een gedicht dat hij ter ere van hem schreef.

Het verdwijnen van poëzie over Alexander

Uit de bronnen blijkt duidelijk dat Alexander veel aandacht en middelen besteedde om zichzelf te omringen met dichters die zijn onderneming konden vereeuwigen. Zijn doel was wellicht een dichter te vinden die hem kon bezingen zoals Homerus Achilles had bezongen. Misschien wilde hij zich ook laten vergelijken met Herakles, de stamvader van de Macedonische dynastie, met wie hij ook in de kunst vaak wordt geassocieerd. Daarnaast identificeerde Alexander zich met Dionysos, in wie hij een soort voorganger zag van omwille van zijn eigen veldtochten, vooral van die naar Azië.

Alexander de Grote met de leeuwenhuid van Herakles, detail van de zogenaamde “Alexander-sarcofaag”; afkomstig uit Sidon uit de late 4de eeuw v.C.

Toch bereikte Alexander zijn doel niet. Niets van de poëzie die voor hem werd geschreven, is bewaard gebleven. Misschien had hij niet de juiste dichters gekozen door een tekort aan persoonlijk inzicht – of had hij gewoon pech. De omstandigheden van zijn korte leven bieden echter een geloofwaardige verklaring voor dit gemis. In tegenstelling tot wat later gebeurde bij keizer Augustus of bij de Ptolemeïsche dynastie, stierf Alexander op het hoogtepunt van zijn succes, zonder de kans om een periode van vrede mee te maken. In zo’n rustigere tijd had hij misschien een literaire kring kunnen vormen die hem passend zou verheerlijken. De anekdote over Pranikos of Pierion suggereert dat dit soort poëzie soms ook tijdens veldtochten zelf werd gecomponeerd en vervolgens voorgedragen werd tijdens banketten.

Het volledig verdwijnen van deze poëzie lijkt samen te hangen met het overwegend negatieve oordeel dat de antieke bronnen over deze dichters delen. Choerilos geldt als de slechtste dichter van Griekenland, Agis komt vlak na hem, en ook in de anekdotes over Anaximenes en Pranikos of Pierion klinkt eenzelfde oordeel. Maar waren Alexanders dichters werkelijk zo slecht? Helaas kunnen we, zonder ook maar enig overgeleverd fragment, dit oordeel van de Antieken noch bevestigen, noch weerleggen. We kunnen alleen maar hopen dat ze zich niet hebben vergist.

Verder lezen

Het materiaal over Alexander de Grote in de Hellenistische poëzie wordt uitvoerig besproken door Silvia Barbantani, “‘His σῆμα are both continents’. Alexander the Great in Hellenistic Poetry”, in Studi ellenistici 31 (2017), 51–127.

De fragmenten van Choerilus van Iasos zijn verzameld en geanalyseerd door Marco Pelucchi, Cherilo di Iaso, Testimonianze, frammenti, fortuna, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022.

Over de zogenaamde “slechtste dichters” uit de oudheid zie Marco Pelucchi, “Pessimi poetae: On Philodemus, Ancient Tradition, and Selection Criteria”, in N. Bruno, M. Filosa, G. Marinelli (red.), Fragmented Memory: Omission, Selection, and Loss in Ancient and Medieval Literature and History, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022, 27–54.

Coverfoto: Het schilderij ‘Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero’ van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze (CC BY 4.0)

[De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/feed/ 0 2800
ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/#respond Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2747 Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Meertaligheid toont de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. In dit artikel wordt een kwantitatieve masterproef over identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties gebruikt om dit te onderzoeken voor de Hellenistische en Romeinse periode.

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een symbool van culturele eigenheid. In een land als België, en een regio als Vlaanderen, behoeft dit geen verdere uitleg. Ook tweetaligheid is, en was, een identitair kenmerk. Meertaligheid toont namelijk de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. Er zijn echter geen mondelinge getuigenissen uit die periode, waardoor we ons moeten richten op geschreven bronnen. Grafschriften vormen de ideale bronnen om hier meer over te weten, aangezien ze bij uitstek de identiteit van de overledenen uitdrukten. Het was immers datgene waarmee zij herinnerd zouden worden.

Leemte in het onderzoek

De voorbije decennia is het onderzoek naar antieke tweetalige grafinscripties nogal beperkt van aard gebleken. Binnen het onderzoeksveld heeft men zich voornamelijk op de Latijnse tweetaligheid gefocust. Om deze reden heb ik in het academiejaar 2023-2024 in mijn masterproef onderzoek gedaan naar de Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften.[1] Ik heb meer bepaald onderzocht op welke manier taal, tekst en onomastiek de identiteitsbeleving van de overledenen bepaalden. Ik heb onder meer gekeken naar posities van de talen op de grafschriften, alsook hun lengte en inhoud om zo meer te weten te komen over de identiteit van de overledenen. Daarnaast heb ik ook de etymologie van de eigennamen onderzocht. Zo wordt er antwoord geboden op een vraag als “Hadden de overledenen voornamelijk Griekse namen of niet?”. Dit vertelt ons meer over de identiteitsbeleving van de overledenen.

Van Palmyra tot Egypte

De antieke grafinscripties die hier in de schijnwerpers zullen staan zijn voornamelijk afkomstig uit het Griekstalige oosten. Het grootste deel hiervan zijn Grieks-Palmyreens, uit de bekende Syrische karavaanstad Palmyra. Zij worden kwantitatief op de voet gevolgd door de Grieks-Hebreeuwse grafschriften. Zij komen zowel uit het antieke Judea als uit de Joodse catacomben van Rome en Italië. Daarna volgen de Grieks-Frygische epitafen, afkomstig uit Centraal-Anatolië. De Grieks-Koptische en Grieks-Demotische grafschriften sluiten de top 5 af, allebei uit Egypte, zij het geschreven in een ander stadium van de Egyptische taal. We spreken hier over 305 grafinscripties in totaal. Er zijn nog tal van andere Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften, maar hun aantallen zijn te klein en ze zijn te slecht gedocumenteerd om er betekenisvol onderzoek naar te doen. Chronologisch zijn de 305 tweetalige grafinscripties voornamelijk te situeren in de 3de eeuw v.C. en in de 2de eeuw n.C.

Schijfdiagram van het aantal Griekse tweetalige grafinscripties, opgedeeld per taal

Grieks boven!

De keuze van welke taal eerst kwam, alsook de lengte van de teksten en de inhoud ervan bepalen welke identiteit de overledenen of hun nabestaanden wilden uitdrukken via de grafschriften. Daarom heb ik de relatieve positie van de teksten/talen, de lengte en inhoud van elke tekst onderzocht, per grafschrift.

Ik heb een eigen databank gemaakt op basis van de Trismegistos-database, waarin ik voor elk grafschrift drie dingen heb vastgelegd: de positie van de tekst, hoe lang de tekst is, en wat erin staat. De gegevens zijn per taal gegroepeerd. Om het overzicht te bewaren is alles in tabellen gegoten.[2]

[1. Positie – Grieks met:]

Grieks Boven Grieks Onder Naast Elkaar Grieks

Midden

Andere Taal Midden Onbepaald
Palmyreens 80,6% 11,1% 8,3% 0,0% 0,0% 0,0%
Hebreeuws 52,2% 23,2% 5,8% 2,9% 2,9% 13,0%
Frygisch 81,8% 7,6% 1,5% 0,0% 9,1% 0,0%
Koptisch 47,5% 22,0% 5,1% 10,2% 8,5% 3,4%
Demotisch 15,4% 43,6% 7,7% 5,1% 0,0% 28,2%
Totaal % 59,7% 20,0% 6,2% 3,3% 4,3% 7,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 20.

Bovenstaande tabel toont aan dat in een meerderheid van de gevallen het Grieks boven de andere taal staat geschreven op een grafschrift. De Grieks-Demotische grafschriften vormen de uitzondering die de regel bevestigen. Dit lijkt er dus op te wijzen dat het Grieks een belangrijkere status aannam dan de lokale taal. Er zijn wel onderlinge verschillen op te merken: zo staat het Grieks zéér vaak bovenaan een Grieks-Frygische inscriptie, maar is dat bij de Grieks-Koptische grafinscripties veel minder het geval. Soms is het echter niet duidelijk wat de positie van de talen juist is, vandaar de laatste kolom genaamd “Onbepaald”. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met de slechte staat van de inscriptie of een onduidelijke teksteditie, waarbij de positie van de teksten niet wordt aangegeven.

Alle talen zijn gelijk, maar sommige…

[2. Hoeveelheid – Grieks met:]

Evenveel lijnen Grieks > Andere taal Grieks < Andere taal Onbepaald
Palmyreens 48,6% 25,0% 12,5% 13,9%
Hebreeuws 24,6% 56,5% 14,5% 4,3%
Frygisch 33,3% 34,8% 12,1% 19,7%
Koptisch 28,8% 23,7% 42,4% 5,1%
Demotisch 18% 7,7% 51,3% 23,1%
Totaal % 32,1% 31,8% 23,9% 12,1%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 21

Ongeveer 1/3de van de grafschriften in de tabel combineert evenveel Grieks met een andere taal, bijna evenveel grafschriften bevatten meer Grieks. Minder dan een kwart van de grafinscripties bevat meer niet-Griekse tekst dan Griekse tekst. Opnieuw zijn het de Grieks-Demotische en in dit geval ook de Grieks-Koptische grafschriften die hier de uitzondering vormen op de rest. Vanwege de slechte staat van sommige grafinscripties, of omwille van andere redenen, is het in 12% van de gevallen niet duidelijk welke taal nu dominant is.

Wat wordt er precies gezegd?

[3. Inhoud – Taal:]

ID in Grieks ID in andere taal Religieuze inhoud in Grieks[3] Religieuze inhoud in and. taal[4] Spreuk in Grieks Spreuk in and. taal
Gr.-Palmyr. 95,8% 97,2% 0,0% 0,0% 5,6% 11,1%
Gr.-Hebr. 95,7% 56,5% 0,0% 0,0% 7,2% 42,0%
Gr.-Fryg. 97,0% 1,5% 4,6% 0,0% 12,1% 100,0%
Gr.-Kopt. 11,9% 66,1% 22,0% 23,7% 66,1% 10,2%
Gr.-Demot. 89,7% 64,1% 0,0% 43,6% 2,6% 10,3%
Tot. 241 174 16 31 57 113

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 22

Dankzij de tabel hierboven kunnen we ook zien dat de Griekse taal vaak de overledene identificeert. Dat is in de niet-Griekse talen toch minder het geval. Deze talen worden eerder gebruikt om bepaalde (funeraire) spreuken, formules of religieuze inhoud over te brengen. De Grieks-Koptische grafschriften vormen hierop een uitzondering. De percentages overlappen hier omdat een tekst uiteraard meerdere inhoudelijke zaken kan bevatten.

Op basis van deze drie factoren kunnen we stellen dat de Griekse taal toch een zekere overmacht had op tweetalige grafschriften ten opzichte van de lokale talen. Al zijn er hier en daar uitzonderingen, voornamelijk terug te vinden op de Egyptische grafschriften.

Beroepstrots tot in de kist

Een tweetalige Grieks-Palmyreens funerair reliëf van Marcus (een kolonist uit Berytos)

James Noel Adams toont aan in zijn Bilingualism and the Latin Language dat in Latijnse tweetalige grafschriften de beroepsidentiteit van de overledene wordt benadrukt door middel van de taal. Hetzelfde is terug te vinden bij de Griekse tegenhangers. Zo is er een hiërogliefensnijder genaamd Besas die, naast Grieks, ook hiërogliefen op zijn grafschrift heeft staan [TM 52806]. Ongetwijfeld heeft Besas deze hiërogliefen er op laten zetten omwille van zijn beroep.

Het omgekeerde zien we echter ook: zo zijn er de grafschriften van een Grieks-Hebreeuwse leraar [TM 876393] en een Grieks-Palmyreense dokter [TM 829352] die de respectievelijke beroepen expliciet in het Grieks vermelden, maar niet in de lokale taal. Misschien was de leerkracht gespecialiseerd in Grieks onderricht? Adams merkte op dat ook Grieks-Latijnse grafschriften het beroep van dokter vermelden in de Griekse taal.

Naam en faam

Om meer te weten te komen over de identiteitsbeleving van overledenen moet er natuurlijk ook naar de namen en identificatie van die mensen gekeken worden. De etymologie van de naam van de overledene is natuurlijk een belangrijke factor om meer te weten te komen over de achtergrond en identiteit van de persoon. Iemand met een Griekse naam zal misschien wel eerder een band hebben met de Griekse cultuur dan met de lokale cultuur.

Deze dataset is groter dan die van het eerste deel, aangezien eigennamen vaak duidelijker zijn terug te vinden in de tekstedities dan de exacte positie van teksten of de exacte lengte van die teksten. Daarom worden ook Grieks-Nabatese, -Aramese, en -Fenicische grafschriften gebruikt voor dit onderdeel. Die opschriften komen voornamelijk uit het huidige Libanon en Israël/Palestina.

Deze resultaten werden opnieuw per taal gesorteerd en vervolgens in overzichtelijke tabellen gegoten.

[4. Etymologie – Grieks met:]

Grieks Andere Latijn Beide Onbekend
Palmyreens 13,9% 68,4% 16,1% 0% 1,5%
Frygisch 46,4% 28,9% 17,5% 0% 7,2%
Hebreeuws 27,3% 58,5% 13% 0% 1,3%
Koptisch 36,1% 61,1% 0% 0% 2,8%
Demotisch 37,5% 50% 0% 6,3% 6,3%
Hiërogliefisch 40% 50% 0% 10% 0%
Nabatees 16,7% 66,7% 0% 8,3% 8,3%
Aramees 9,1% 81,8% 9,1% 0% 0%
Fenicisch 47,4% 52,6% 0% 0% 0%
Totaal % 29,5% 54,9% 11,3% 1,1% 3,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 47

Deze tabel toont de linguïstische etymologie van de namen op de grafschriften. In totaal beschikken we over 432 namen. Op sommige grafinscripties staan namelijk meerdere namen, hetzij omdat er meerdere personen in één graf waren begraven, hetzij omdat de persoon in kwestie met meerdere namen bekend was. De categorie ‘Andere’ slaat op een niet-Griekse, niet-Latijnse naam vaak afkomstig uit de lokale taal van het grafschrift, maar niet altijd. ‘Beide’ wilt zeggen dat de naam bestaat uit twee onderdelen, elk afkomstig uit een andere taal. Het is duidelijk dat over het algemeen één soort etymologie overheerst, namelijk die van de lokale taal. De Grieks-Frygische grafschriften uit Centraal-Anatolië vormen echter de uitzondering: bijna de helft van die namen zijn van Griekse origine. De verdeling die te zien is tussen de verschillende regio’s is heel interessant. Meer dan 2/3de van de grafschriften uit Palmyra draagt een Palmyreense naam, terwijl slechts de helft van de Egyptische grafschriften een Egyptische naam bevat. De etymologie van een naam is uiteraard niet altijd bekend.

Identiteit achter de naam

Tweetalig grafschrift Latijn-Palmyreens van een vrijgelatene met meer identificatie-elementen (zoals de naam van haar echtgenoot) enkel in het Latijn

Naast namen vermelden de grafschriften ook vaak andere identificatie-elementen. In de Oudheid bestonden er namelijk geen achternamen zoals wij die kennen. Op een grafschrift moest men zich dus op andere manieren differentiëren van mensen met dezelfde voornaam. Daarom werd vaak de naam van de vader toegevoegd achter die van de dode, als patroniem (bijvoorbeeld Thaimarsas, zoon van Zabdaathes [TM 831060], zie ook de website van Virtual Museum of Syria voor een afbeelding en meer context). In sommige gevallen was dit de naam van de moeder, een metroniem. Om iemand nog specifieker te identificeren werd vaak ook de naam van de grootvader, overgrootvader, enzovoort toegevoegd. Daarbovenop werden nog andere identificatie-elementen gebruikt: woonplaats, echtgeno(o)t(e), clan of beroep.

Ik heb niet in kaart gebracht welke identificatie-elementen er werden gebruikt, maar wel hoeveel, en of die hoeveelheid dezelfde was in beide talen. Iemand die immers heel uitgebreid geïdentificeerd wordt in de lokale taal en slechts zeer kort in het Grieks, voelde zich waarschijnlijk eerder verbonden met de lokale cultuur dan de Griekse.

[5. ID-elementen: – Grieks met:]

ID-elementen in Grieks ID-elementen in Andere taal Langer?
Palmyreens 3,08 3,41 Andere taal
Frygisch 1,23 / /
Hebreeuws 1,84 1,39 Grieks
Koptisch 2,89 1,5 Grieks
Demotisch 2,06 2,36 Andere taal
Hiërogliefisch 2,69 2,75 Andere taal
Nabatees 1,91 2,33 Andere taal
Aramees 2,67 2,6 Grieks
Fenicisch 2,6 3,1 Andere taal
Totaalgemiddelde 2,19 2,62 Andere taal

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 48

Deze tabel toont het gemiddeld aantal identificatie-elementen per overledene per taal. Voor het Grieks is hier gekeken naar de 241 Griekse teksten die iemand identificeren en voor de lokale taal naar de 174 teksten (zie tabel 3). Het betreft hier dus niet grafschriften waarbij beide teksten de overledene identificeren. Het totaal toont aan dat de overledenen in het algemeen uitgebreider in de lokale taal werden bekendgemaakt dan in het Grieks. Er zijn wel uitzonderingen, namelijk de Grieks-Hebreeuwse, -Koptische, en -Aramese teksten. Daarnaast is het ook interessant om de verschillen te zien tussen de talen. Over het algemeen identificeren de Grieks-Palmyreense grafinscripties de overledene uitvoeriger, met gemiddeld meer dan drie elementen, dan hun Grieks-Hebreeuwse tegenhangers, met gemiddeld minder dan twee elementen.

Genderongelijkheid tot de dood

Er zijn ook opvallende verschillen op te merken tussen de identificatie van mannen en van vrouwen op de grafstenen. Mannen werden over het algemeen uitgebreider genoemd dan vrouwen, met meer elementen. Vrouwen moesten zich vaak tevredenstellen met twee identificatie-elementen of minder, terwijl de mannen er vaak meer dan twee hadden. De talige afkomst van de vrouwennamen en de mannennamen verschilt echter weinig van elkaar. In de helft van de gevallen worden de namen van de vrouwen enkel genoemd in de Griekse tekst. Mannen worden dan weer in 2/3de van de gevallen in beide talen bekendgemaakt.

Conclusie

Er kan besloten worden dat het beeld niet éénduidig is inzake de identiteitsbeleving van overledenen met tweetalige grafschriften. Op basis van de positie van de teksten, de lengte en de inhoud zou je denken dat over het algemeen de Griekse identiteit de overhand heeft. Als we echter kijken naar de namen en de lengte van identificatie van de overledenen zien we een dominantie van de lokale talen. Dit is net het mooie aan deze grafinscripties, namelijk dat de twee culturen en talen, lokaal én Grieks, hand in hand gaan. Het is dus duidelijk dat deze overledenen een hybride identiteitsbeleving hadden, waarbij hun lokale wortels werden gecombineerd met de dominante Griekse cultuur.

Meer lezen

Adams, James Noel. Bilingualism and the Latin language. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Adams, James Noel en Janse, Mark en Simon Swain, reds. Bilingualism in Ancient Society: Language Contact and the Written Text: 1-23. Oxford: Oxford University Press, 2002.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. ‘ἐν םולש ἡ κοίμησις: Een studie naar identiteitsbeleving o.b.v. Griekse tweetalige grafinscripties’. Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. “ἐν שלום ἡ κοίμησις. Identiteit van overledenen in Griekse tweetalige grafinscripties.” Poster gepresenteerd op de Masterproefpresentaties 2023-2024.

[1] Enkele drietalige inscripties met aanwezigheid van Latijn (naast het Grieks en een andere taal) werden ook onderzocht, maar de Latijnse teksten werden genegeerd voor dit onderzoek.

[2] Bij alle tabellen wijkt het opgetelde totaalpercentage af van 100% vanwege afrondingen

[3] Exclusief religieuze spreuken

[4] Exclusief religieuze spreuken

Coverafbeelding: Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098], afkomstig uit de databank Hesperia (CC BY-NC 3.0)

[De auteur wil Michiel D’huyvetters en Stef Janssens bedanken voor het proeflezen.]

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/feed/ 0 2747
Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/#respond Sun, 05 Jan 2025 18:38:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2658 Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

De fragmenten van Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3e eeuw v.Chr., waarvan slechts delen via latere auteurs zijn overgeleverd, leren ons heel wat biografische gegevens over verschillende Griekse filosofen. Voorbeelden zoals de bigamie van Socrates, de slavernij van Phaedo en Thales’ voorspelling van een olijvenoogst illustreren hoe hij historische verhalen gebruikte om morele en filosofische lessen te benadrukken, hoewel de fragmentarische overlevering uitdagingen biedt voor reconstructie en interpretatie.

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren. Detail uit Rafaëls De school van Athene (1509-1511)

Slechts een klein deel van klassieke literatuur is volledig bewaard aan ons overgeleverd. De werken van Homerus, Plato en Vergilius zijn uitzonderingen. De werken van quasi alle andere auteurs zijn grotendeels verloren gegaan. Toch kunnen we ons nog steeds een beeld vormen van hun werk dankzij fragmenten die door latere auteurs werden bewaard. Een goed voorbeeld hiervan is Hieronymus van Rhodos, een peripatetische filosoof uit de 3de eeuw v.C., dankzij wie er niet alleen mythes, historische en biografische fragmenten over bijvoorbeeld Herakles en Alexander de Grote zijn bewaard, maar ook biografische gegevens van bekende en minder bekende Griekse filosofen.

Literatuur in fragmenten

“Fragmenten” van klassieke literatuur kunnen verschillende vormen aannemen. Soms gaat het om papyri die delen bevatten van een anders verloren geacht werk. Dit noemt men fragmenten uit de directe traditie. Veel vaker zijn fragmenten echter citaten, allusies, samenvattingen en verwijzingen van latere auteurs, bewaard in Middeleeuwse handschriften of papyri. Dit noemen we fragmenten uit de indirecte traditie.

Het onderzoek naar fragmenten uit de indirecte traditie brengt specifieke problemen met zich mee. De auteurs die deze fragmenten aanhalen, hadden meestal niet als doel het werk van antieke auteurs te bewaren, maar gebruikten deze teksten voor hun eigen doeleinden. Ze manipuleerden of veranderden de teksten, soms zelfs door hen te vervalsen. Omdat citaten vaak uit het hoofd werden overgenomen, waren fouten en vergissingen niet ongewoon.

Bovendien beperkten de auteurs zich meestal tot geselecteerde aspecten die hen interesseerden, zonder context of uitleg over het oorspronkelijke doel van de informatie. Daarom vereist de studie van fragmentaire literatuur een grondige analyse van de bronnen, de werkwijze van de auteur en citatiepraktijken om de betrouwbaarheid en selectiecriteria te begrijpen. Dit soort problemen komt vaak voor bij het bestuderen van de Oudgriekse geschiedschrijving en filosofie. Hieronymus van Rhodos biedt een perfect voorbeeld van dit type literatuur.

Oxford Papyrology (2022). P.Oxy. LII 3656
Fragment van P. Oxy. 3656 (een rol uit Oxyrhynchus, een oude Egyptische stad beroemd om de duizenden papyri die daar zijn opgegraven) dateert uit de 2de à 3de eeuw n.C. en bevat een fragment van Hieronymus over een leerlinge van Plato

Het leven en werk van Hieronymus van Rhodos

Buste van Aristoteles, de grondlegger van de peripatetische school, waar Hieronymus toebehoort

Hieronymus van Rhodos was een filosoof die leefde in de 3de eeuw v.C. die behoorde tot de Peripatos, de leerschool opgericht door Aristoteles. Afgezien van een zeventigtal fragmenten is van Hieronymus’ werk niets overgeleverd. Deze fragmenten zijn voornamelijk overgeleverd door auteurs uit latere eeuwen, vooral uit de periode van de Romeinse keizertijd, zoals Plutarchus, Athenaeus en Diogenes Laërtius.

De verzamelde fragmenten van Hieronymus tonen een brede interesse. In deze teksten behandelt hij niet enkel filosofie, maar ook vele andere disciplines, wat kenmerkend is voor de Peripatetische School sinds Aristoteles. Er zijn fragmenten van expliciet filosofisch karakter die zich richten op het identificeren van het “hoogste goed”, terwijl andere zich bezighouden met onderwerpen zoals biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, retorica en geleerdheid. Veel fragmenten bevatten anekdotes over belangrijke figuren uit het verleden, waaronder filosofen, dichters en politici.

De fragmenten van Hieronymus zijn vaak raadselachtig. Bestaande bronnen bieden slechts summiere informatie, waardoor het niet altijd duidelijk is in welke context Hieronymus bepaalde onderwerpen behandelde. Vooral zijn uitgebreid gebruik van anekdotes roept de vraag op welke rol biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

De bigamie van Socrates

Dit manuscript (een pagina uit de codex van Venetië, Biblioteca Nazionale Marciana, Gr. Z 447) bevat de Deipnosophisten van Athenaeus, een werk rijk aan citaten uit verloren werken

Hieronymus is een van de auteurs – samen met Aristoteles en andere peripatetici – die overleveren dat Socrates twee echtgenotes had en dat hij met beiden kinderen verwekte. De historische achtergrond van dit verhaal is moeilijk te achterhalen, aangezien alle bronnen fragmentarisch en tegenstrijdig met elkaar zijn; dit betreft zelfs de identiteit van de twee vrouwen. Ook onder de moderne geleerden zijn de meningen verdeeld: sommigen ontkennen de historische waarde van het verhaal, terwijl anderen er elementen van waarheid in zien.

Het fragment van Hieronymus [nr. 53 in de laatste verzameling, uitgegeven door S.A. White] wordt, mits kleine variaties, aangehaald door Athenaeus en Diogenes Laërtius, beiden auteurs uit de 2de-3de eeuw n.C. Volgens deze bronnen verwees Hieronymus naar een Atheens decreet dat het toestond om met twee vrouwen te trouwen en kinderen met beiden te krijgen met als doel de bevolking te herstellen.

Hieronymus lijkt met dit verhaal een apologie voor Socrates te bieden: hij probeert een ethische en juridische basis te geven aan de bigamie van Socrates, wellicht om hem te verdedigen tegen mogelijke vormen van schandaal. Hoewel het onduidelijk is of dit decreet echt heeft bestaan (in Athene was het altijd toegestaan om kinderen te hebben met een andere vrouw dan de echtgenote), is het zeker dat Hieronymus een positieve houding aannam ten opzichte van Socrates.

‘Socrates, zijn twee vrouwen en Alcibiades’, een schilderij van de Nederlandse schilder Reyer Jacobsz. van Blommendael (1660-1670) waarop zowel Xanthippe als Myrto – een naam overgeleverd door Athenaeus en Diogenes Laërtius – zijn afgebeeld

Slavernij van Phaedo van Elis

Een andere benadering vinden we in een fragment over Phaedo van Elis, een leerling van Socrates [nr. 54 White, via Diogenes Laërtius]. Hier beschuldigt Hieronymus Phaedo ervan een slaaf geweest te zijn. Sommige andere tradities stellen dat Phaedo van nobele afkomst was en tot slaaf werd gemaakt na de val van zijn stad. Hieronymus gebruikte deze informatie mogelijks om Phaedo in diskrediet te brengen als filosoof.

Het fragment is afkomstig uit het werk getiteld Περὶ ἐποχῆς, waar de term epochè verwijst naar de “opschorting van het oordeel”, volgens de terminologie van de sceptische filosofische school. Hoewel het werk verloren is gegaan, is het aannemelijk dat Hieronymus zich daarin tegen het scepticisme uitsprak. Phaedo kan genoemd zijn vanwege zijn connectie met Pyrrho van Elis, de grondlegger van het antieke scepticisme. Dit fragment laat zien hoe biografische elementen geïntegreerd konden worden in filosofische werken. Misschien werd ook het fragment over de bigamie van Socrates in deze context aangehaald?

Thales en de olijven

De filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïek

Hieronymus vermeldt ook een anekdote over Thales van Milete [nr. 47 White, via Diogenes Laërtius]. Thales voorspelde een overvloedige olijvenoogst door gebruik te maken van zijn astronomische kennis. Bijgevolg huurde hij voor een lage prijs alle olijfpersen in de regio en maakte hier later een fortuin mee. De anekdote draagt een duidelijke morele boodschap over het nut van filosofie en wetenschap. Het verhaal werd mogelijk verzonnen als weerwoord tegen het idee dat filosofie nutteloos zou zijn. Thales blijkt ook de hoofdpersoon te zijn in een andere anekdote die door Plato wordt overgeleverd. In deze anekdote was Thales zo begeesterd met het observeren van de hemel dat hij tijdens het wandelen in een put viel en zichzelf dusdanig belachelijk maakte dat zelfs een Thracische slavin in de buurt haar lach niet kon bedwingen.

Het fragment van Hieronymus is afkomstig uit een werk getiteld Τά σποράδην ὑπομνήματα (Losse aantekeningen). Dit lijkt geen strikt filosofisch traktaat te zijn, maar eerder een verzameling diverse materialen, waaronder anekdotes over filosofen.

Pericles en de pedagogen

Buste van Perikles, protagonist van een anekdote geciteerd door Hieronymus

Pericles komt voor in een anekdote over onderwijs [nr. 31 White, overgeleverd in een Middeleeuwse bloemlezing]. Hieronymus benadrukt het belang van het zorgvuldig kiezen van pedagogen (de leraren voor kinderen van gegoede afkomst), een taak die vaak zonder zorg werd uitgevoerd. Hij bekritiseert vooral de gewoonte om niet-Griekse pedagogen in te huren, wat – naar zijn mening – negatieve gevolgen had voor de ethische en taalkundige vorming van kinderen. In deze context citeert hij een geestige opmerking van Perikles. Toen de Atheense strateeg een slaaf uit een olijfboom zag vallen en zijn been breken, riep hij spottend uit:

“Daar is weer een nieuwe pedagoog voor onze kinderen!”

Conclusie

Dit citaat maakt duidelijk dat Hieronymus de gewoonte had om anekdotes te gebruiken in theoretische contexten. We kunnen waarschijnlijk aannemen dat ook zijn andere anekdotes op gelijkaardige wijze tot stand kwamen. Helaas is in de meeste gevallen de oorspronkelijke context volledig verloren gegaan en kunnen we deze alleen hypothetisch reconstrueren. De auteurs die de fragmenten hebben overgeleverd waren vaak meer geïnteresseerd in anekdotes en biografische verhalen dan in de speculatieve onderdelen van de werken. Maar dankzij de vergelijking tussen Hieronymus’ verschillende fragmenten en de studie van andere bronnen over dezelfde zaken, is het nog steeds mogelijk een idee te krijgen van Hieronymus’ werk en de rol die biografie en anekdotes speelden in zijn filosofische werk.

Verder lezen

Steven A. White heeft de testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos verzameld, in het Engels vertaald en van commentaar voorzien in W.W. Fortenbaugh en S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion (New Brunswick, New Jersey/Londen: Transaction, 2004). Hetzelfde volume bevat enkele essays over belangrijke aspecten van de biografie, het werk en de filosofie van Hieronymus.

Over de bigamie van Socrates biedt Jules Labarbe’s artikel “Les compagnes de Socrate” (L’Antiquité Classique, 67, 1998) interessante inzichten.

Coverafbeelding: Adaptatie van Rafaëls ‘De school van Athene’ (1509-1511), waarbij Plato en Aristoteles wandelen en discussiëren vanop Wikimedia (PD)

[Deze tekst is oorspronkelijk geschreven in het Italiaans. De vertaling naar het Nederlands is uitgevoerd met de hulp van ChatGPT. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht Biografie en filosofie in de fragmenten van Hieronymus van Rhodos  van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/01/2025/biografie-en-filosofie-in-de-fragmenten-van-hieronymus-van-rhodos/feed/ 0 2658
Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/ https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/#respond Sun, 07 Jan 2024 15:30:50 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2580 Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Van de peripateticus Hieronymus van Rhodos zijn weinig biografische gegevens bewaard, maar de 70 van hem overgeleverde fragmenten geven een verrassende versie van de mythe van Tithonus en een alternatieve beschrijving van het uiterlijk van Herakles.

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Zoals ook het geval was met Plato en zijn Academie, lijkt geen van Aristoteles’ leerlingen – denk bijvoorbeeld aan Theophrastus, Eudemus of Strato – dezelfde talenten te hebben gehad als de meester of een vergelijkbare invloed te hebben uitgeoefend op de latere traditie. Het zou echter onterecht zijn deze figuren te onderschatten. Hun onderzoek zette dat van Aristoteles immers voort op verschillende kennisgebieden, van de filosofie tot de filosofie en van de zoölogie tot de biografie.

Wie was Hieronymus?

Hieronymus, over wie het hier zal gaan, is een van de vele obscure peripatetici die leefden in de Hellenistische periode. Hij was afkomstig uit Rhodos en leefde in de 3de eeuw v.C., voornamelijk in Athene. Er is weinig geweten over zijn leven en bovendien is zijn werk verloren gegaan met uitzondering van zo’n 70 ‘fragmenten’: letterlijke citaten en parafrases uit zijn literaire productie in de werken van latere auteurs van wie de werken wel bewaard zijn gebleven in de Middeleeuwse manuscripten of antieke papyri. Hoewel vandaag nauwelijks nog iemand hem kent, was Hieronymus toch een van de meest illustere peripatetische filosofen van zijn tijd en bleef zijn faam zelfs na zijn dood doorleven: Strabo (1ste eeuw v.C.- 1ste eeuw n.C.) rekende hem nog steeds tot de beroemde burgers van Rhodos; Cicero en Plutarchus vermeldden hem met appreciatie als filosoof; Dionysius van Halicarnassus (1ste eeuw v.C.) waardeerde hem als literair criticus.

Van Hieronymus zijn, in tegenstelling tot de grondlegger van de Peripatetische School, deze Aristoteles, geen afbeeldingen bewaard

In de fragmenten van Hieronymus vinden we de uitgebreide interesses weerspiegeld die de Peripatetische School al sinds Aristoteles kenmerkten. Zo zijn er heel wat filosofische fragmenten, waarin Hieronymus zich bezighoudt met de definitie van het hoogste goed en een theorie van de woede presenteert (lang voor de Stoïcijnse filosoof Seneca dit deed in zijn De ira). De meeste fragmenten gaan echter over andere onderwerpen: biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, filologie, eruditie, … Opvallend vaak neemt Hieronymus bepaalde standpunten in, die we elders in de traditie niet terugvinden. Van opmerkelijk belang zijn hierbij de mythologische fragmenten en de historisch-biografische fragmenten. Drie hiervan, die me bijzonder interessant lijken, wil ik hier onder de aandacht brengen.

De mythe van Tithonus

Een fragment van Hieronymus (F 46 White, in enkele commentaren op de ‘Ilias’ bewaard) gaat over de mythe van Eos (de godin van de dageraad) en Tithonus (een Trojaanse prins). De bekendste versie van de mythe, die heel waarschijnlijk ook de oorspronkelijke is en die al geattesteerd is in de Homerische ‘Hymne aan Aphrodite’, alsook bij Mimnermus en Sappho, gaat als volgt: Eos werd zo verliefd op Tithonus dat ze aan Zeus de onsterfelijkheid voor haar geliefde vroeg en verkreeg. Alles ging goed totdat Tithonus oud begon te worden. Eos was namelijk vergeten om naast onsterfelijkheid ook eeuwige jeugd aan Zeus te vragen. In het begin verjoeg Eos Tithonus uit het huwelijksbed, maar ze bleef voor hem zorgen. Toen Tithonus echter steeds ouder en zwakker werd, walgde Eos van hem en sloot hem op in een grot.

De mythe van Eos en Tithonus afgebeeld op een Attische roodfigurige ‘kylix’

Bij Hieronymus vinden we echter een ander einde van het verhaal. Toen Tithonus zo oud en zwak was geworden dat het leven voor hem ondraaglijk was geworden, vroeg hij Eos hem te doden om hem verdere pijn te besparen. De godin bedacht echter een list: ze veranderde hem in een cicade, zodat zij voor altijd zijn stem kon blijven horen. Deze versie van de mythe, met wat we een happy ending zouden kunnen beschouwen, is duidelijk het resultaat van een latere adaptatie en modificatie. In het begin gaf de mythe vooral uitdrukking aan de angst voor ouderdom en maakte het de onmogelijkheid voor een mens duidelijk om te kunnen genieten van de goddelijke privileges zoals eeuwige gezondheid en onsterfelijkheid. Een heel triest verhaal dus. In de door Hieronymus overgeleverde versie verklaart de mythe van Tithonus in plaats daarvan de oorsprong van het prachtige lied van de cicaden, waarin voor hem de stem van Tithonos en de liefde van Eos eeuwig voortleven. Het werd zo één van de vele etiologische verhalen die voornamelijk in de Hellenistische tijd heel populair waren, die vaak op traditionele mythes gebaseerd waren en deze op een aangename manier herwerkten.

Het uiterlijk van Herakles 

Het verhaal van Tithonus is niet het enige geval waarin Hieronymus een bijzondere versie van een mythe bewaard heeft. In een ander fragment (F 44A White, overgeleverd door Clemens van Alexandrië, een christelijke auteur die leefde in de 2de eeuw .C.) geeft hij een zeer buitengewone beschrijving van Herakles, die wordt beschreven als “kort, met warrig haar en sterk”. Deze versie is erg vreemd, omdat Herakles over het algemeen heel anders wordt beschreven. Een collega van Hieronymus, de peripateticus Dicaearchus, noemde Herakles bijvoorbeeld “lang en slank” en “met lang haar”.

Herakles tegen Antaios op de Euphronius-krater uit het Louvre

Ook in andere bronnen werd Herakles helemaal niet als “kort” beschreven. Pythagoras had zijn lichaamslengte zelfs als uitzonderlijk lang berekend op basis van het feit dat zijn voeten, waarmee hij het stadion van Olympia had afgemeten, veel groter waren dan die van een gewone man. De enige parallel voor het verhaal van Hieronymus is te vinden bij de dichter Pindarus, waar Herakles wordt beschreven als “klein van gestalte” maar wel “onverwoestbaar van geest”. Ook het detail van het “warrige haar” is erg vreemd. Op vazen wordt Herakles meestal afgebeeld met heel net haar, in tegenstelling tot zijn barbaarse tegenstanders, zoals bijvoorbeeld op de beroemde Euphronius-krater in het Louvre.

Tegen de algemene traditie in zou Herakles, de zoon van Zeus van Alkmene, de held van de twaalf werken, volgens Hieronymus dus … een kort, gedrongen mannetje met ongekamd haar zijn geweest! Hieronymus’ beschrijving lijkt best negatief. Hoe kunnen we dit verklaren? Misschien heeft dit te maken met het ‘euhemerisme’, een stroming in de interpretatie van mythes die in de Hellenistische tijd wijdverspreid was en vooral door Euhemerus van Messene (4de eeuw v.C.) toegepast werd: volgens hem waren de goden slechts mensen die later vergoddelijkt werden. Als er dus een verband was tussen deze stroming en ons fragment, dan was de functie van de benadrukking van Herakles’ gebreken (of, als we het voorzichtiger willen formuleren, in ieder geval zijn onvolkomenheden) wellicht om zijn menselijke en sterfelijke oorsprong te onderstrepen en te “bewijzen”.

Het seksleven van Alexander de Grote

Hieronymus toonde dezelfde belangstelling voor uitzonderlijke en nauwelijks geattesteerde tradities ook in niet-mythologische fragmenten. Opmerkelijk is hier een fragment (F 30 White, bewaard door Athenaeus, een auteur die in de 2de eeuw n.C. leefde) over Alexander de Grote, waarin zonder enig bijkomend detail wordt beweerd dat Alexander er niet toe in staat was om seksuele relaties te hebben.

Deze bijzonderheid wordt voor het eerst vermeld in Hieronymus en heeft zo goed als geen invloed gehad op de overlevering over de koning. Nergens anders vinden we immers hetzelfde detail. Andere bronnen vermoeden dat Alexander wel eens homoseksueel zou kunnen zijn geweest. De daardoor veroorzaakte onmogelijkheid om kinderen te verwekken zou bijgevolg de basis kunnen vormen van ons verhaal. Zo staat bijvoorbeeld in een andere anekdote te lezen hoe Alexanders moeder Olympias zelfs probeerde de jonge Alexander naar bed te krijgen met de mooie Thessalische hetaere Kallixena, maar ze slaagde er niet in. Hieronymus’ kritiek lijkt echter van een andere strekking te zijn geweest. Hij zinspeelde misschien op erectiestoornissen die Alexander door overmatig wijngebruik af en toe gehad zou kunnen hebben. Hieronymus schreef namelijk ook een traktaat over dronkenschap en buitensporig drankgebruik, thema’s die vaak worden aangetroffen in de historiografie over Alexander. Het lijkt daarom een plausibele verklaring te zijn dat hij een verband legde tussen deze twee problemen van de koning.

De bekendste afbeelding van Alexander de Grote, een detail uit de Slag bij Issus, op een mozaïekvloer die momenteel in het museum van Napels te bezichtigen is

Het belang van Hieronymus’ overlevering

Hieronymus’ belangstelling voor zowel mythe als geschiedenis is op zich niet verrassend, ook omdat het onderscheid tussen mythe en geschiedenis in het Griekse denken niet zo vastomlijnd was. Wat wel opvalt, is het feit dat zijn naam in verband wordt gebracht met mythische en historische verhalen die zeer zeldzaam zijn in de overlevering. Dit kan deels te wijten zijn aan de latere overlevering, die zich toegespitst kan hebben op de meest uitzonderlijke aspecten in zijn werk. Dit lijkt echter niet de enige verklaring te zijn. Dergelijke obscure varianten van verhalen moeten inderdaad een rol hebben gespeeld in het werk van Hieronymus, ook al kunnen we niet meer achterhalen in welke mate.

We kunnen slechts betreuren dat Hieronymus’ werk bijna volledig verloren is gegaan en alleen bewaard is gebleven in fragmenten, die vaak obscuur, dubbelzinnig en moeilijk te begrijpen zijn. Toch geven deze fragmenten ons een idee van zijn mythologisch-historische studies. Zijn vaak bizarre en buitengewone versies verschaffen ons inzicht in wetenschappelijke en literaire debatten die we anders misschien niet zouden verwachten en waarvan ons de achterliggende redenen en de tendensen bij een eerste lectuur meestal ontgaan. Die zullen er echter wel vaak geweest zijn. Alleen de zorgvuldige studie van de fragmenten, de context waarin ze worden geciteerd of geparafraseerd en de parallelle traditie over elk onderwerp maken het mogelijk Hieronymus’ verhalen in hun context te plaatsen en hun betekenis te begrijpen, of op zijn minst enkele plausibele interpretaties te kunnen formuleren.

Verder lezen

De testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos zijn verzameld, vertaald en becommentarieerd door S.A. White in W.W. Fortenbaugh - S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion, Londen/New York 2004. In dezelfde bundel kan men een aantal essays vinden die belangrijke aspecten van Hieronymus’ biografie, filosofie en werk bespreken.

Voor de haardracht van Herakles, vooral in de figuratieve kunsten, is nuttige lectuur E.A. Mackay, “The Hairstyle of Herakles,” in A.J. Clark - J. Gaunt (reds.), Essays in Honor of Dietrich von Bothmer, Amsterdam 2002, pp. 203-210.

Over het seksleven van Alexander de Grote en de bronnen hierover kan men de volgende studies lezen: D. Ogden, “Alexander’s Sex Life,” in W. Heckel – L. A. Tritle (eds.). Alexander the Great. A New History, Malden (Mass.)/Oxford/Chichester 2009, pp. 203–217 en S. Müller, “The Sexuality of the Argeads,” in K.R. Moore (red.), The Routledge Companion to the Reception of Ancient Greek and Roman Sexuality, Londen/New York 2023, pp. 212-228.

Coverafbeelding: de fresco ‘The School of Aristotle’, geschilderd door Gustav Adolph Spangenberg in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg, vanop Wikimedia (Public Domain)

[Deze tekst werd oorspronkelijk in het Italiaans geschreven. Een eerste Nederlandse versie werd door DeepL gemaakt die dan grondig herwerkt werd. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn hulp en Ide François voor het proeflezen.] 

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/feed/ 0 2580
Een Oudgriekse databank: Demetrios van Magnesia’s ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ https://www.oudegeschiedenis.be/19/12/2023/een-oudgriekse-databank-demetrios-van-magnesias-over-dichters-en-schrijvers-met-dezelfde-naam/ https://www.oudegeschiedenis.be/19/12/2023/een-oudgriekse-databank-demetrios-van-magnesias-over-dichters-en-schrijvers-met-dezelfde-naam/#respond Tue, 19 Dec 2023 17:28:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2558

Wat zou een Oudgriekse geleerde gedaan hebben als er in zijn tijd reeds databanken van persoons- en plaatsnamen (zoals het Lexicon of Greek Personal Names [LGPN] of Trismegistos [TM]) voorhanden waren geweest? Het antwoord is simpel: hij/zij zou ze regelmatig gebruikt hebben. Het onderscheiden van homonieme personen en plaatsen – personen en plaatsen met dezelfde naam – was immers reeds in de Oudheid een hele uitdaging, zo wist ook de schrijver van het werk 'Over dichters en schrijvers met dezelfde naam': Demetrios van Magnesia!

Het bericht Een Oudgriekse databank: Demetrios van Magnesia’s ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Wat zou een Oudgriekse geleerde gedaan hebben als er in zijn tijd reeds databanken van persoons- en plaatsnamen (zoals het Lexicon of Greek Personal Names [LGPN] of Trismegistos [TM]) voorhanden waren geweest? Het antwoord is simpel: hij/zij zou ze regelmatig gebruikt hebben. Het onderscheiden van homonieme personen en plaatsen – personen en plaatsen met dezelfde naam – was immers reeds in de Oudheid een hele uitdaging!

Demetrios van Magnesia en homonymie

Hoewel het onderscheiden van homoniemen al zeker sinds het begin van de Hellenistische periode (3de eeuw v.C.) als een belangrijke wetenschappelijke taak werd beschouwd, is het pas in de 1ste eeuw v.C. dat een Griekse geleerde een specifiek genre bedacht om een onderscheid te maken tussen homonieme personen en plaatsen.

Die geleerde is Demetrios van Magnesia (FGrHist 1038). We hebben heel weinig informatie over zijn leven en weten enkel dat hij een Griekse geleerde was, dat hij actief was in het tweede kwart van de 1ste eeuw v.C. en dat hij een kennis was van de beroemde redenaar Cicero en zijn vriend Atticus (aan wie hij een boek ‘Over de eendracht’ (Περὶ ὁμονοίας) heeft opgedragen).

Gravure van Diogenes Laertios in een 17de-eeuwse druk

Demetrios was zich ervan bewust dat homonymie identificatieproblemen kon veroorzaken. Zo waren er bijvoorbeeld zes beroemde personen met de naam ‘Thales’: wie was wie? Daarom besloot Demetrios twee naslagwerken samen te stellen die men kon raadplegen bij onduidelijke identificaties: ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ (Περὶ ὁμωνύμων ποιητῶν τε καὶ συγγραφέων) en ‘Over steden met dezelfde naam’ (Περὶ συνωνύμων πόλεων). Hoewel deze werken verloren zijn gegaan, blijkt uit de bewaard gebleven fragmenten dat zij gestructureerd waren in een reeks afzonderlijke, alfabetisch geordende rubrieken over gelijknamige personen enerzijds en plaatsen anderzijds.

Maar hoe maakte Demetrios dan precies een onderscheid tussen de homoniemen? Hoe kon hij elk van hen duidelijk identificeren? We hebben niet genoeg informatie over Demetrios’ werk ‘Over steden met dezelfde naam’ om veel te kunnen zeggen over de geografische vermeldingen in dat werk. Twee fragmenten van Demetrios’ ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’, bewaard in de werken van de biograaf Diogenes Laertios (3de eeuw n.C.) en de literatuurcriticus Dionysios van Halikarnassos (1ste eeuw v.C.), lichten wel een tipje van de sluier op over hoe Demetrios zijn lemmata structureerde.

Identificatie van persoonsnamen

De bekendste 'Thales': de filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïekadmin | OUDE GESCHIEDENIS

De bekendste ‘Thales’: de filosoof Thales van Milete, afgebeeld op een mozaïek

In zijn biografie van de filosoof Thales van Milete citeert Diogenes Laertios (1,38) het lemma van Demetrios dat gewijd was aan mannen met de naam ‘Thales’ (FGrHist 1038 F 1):

γεγόνασι δὲ καὶ ἄλλοι Θαλαῖ, καθά φησι Δημήτριος ὁ Μάγνης ἐν τοῖς Ὁμωνύμοις, πέντε· ῥήτωρ Καλλατιανός, κακόζηλος· ζωγράφος Σικυώνιος, μεγαλοφυής· τρίτος ἀρχαῖος πάνυ, κατὰ Ἡσίοδον καὶ Ὅμηρον καὶ Λυκοῦργον· τέταρτος οὗ μέμνηται Δοῦρις ἐν τῷ Περὶ ζωγραφίας· πέμπτος νεώτερος, ἄδοξος, οὗ μνημονεύει Διονύσιος ἐν Κριτικοῖς.

“Er zijn [naast de filosoof Thales van Milete] vijf andere mannen met de naam Thales geweest, zoals Demetrios van Magnesia zegt in de ‘Homoniemen’: een redenaar uit Kallatis, met een geaffecteerde stijl; een schilder uit Sikyon, die zeer begaafd was; de derde, zeer oud, was een tijdgenoot van Hesiodos, Homeros en Lykurgos; de vierde wordt genoemd door Duris in zijn boek ‘Over de schilderkunst; de vijfde, meer recent en obscuur, wordt genoemd door Dionysios in zijn ‘Kritische geschriften’.”

Een ander door Dionysios van Halikarnassos bewaard fragment (Din. 1,2-2,1) is nog belangrijker, omdat het een letterlijk citaat is uit het werk van Demetrios (FGrHist 1038 F 19):

Δεινάρχοις δ’ ἐνετύχομεν τέτταρσιν· ὧν ἐστιν ὁ μὲν ἐκ τῶν ῥητόρων τῶν Ἀττικῶν, ὁ δὲ τὰς περὶ Κρήτην συναγήοχε μυθολογίας, ὁ δὲ πρεσβύτερος μὲν ἀμφοῖν τούτοιν, Δήλιος δὲ τὸ γένος, πεπραγματευμένος τοῦτο μὲν ἔπος, τοῦτο δὲ πράγμα, τέταρτος δὲ ὁ περὶ Ὁμήρου λόγον συντεθεικώς.

“We zijn vier mannen tegengekomen die Deinarchos heten: één van hen is één van de Attische redenaars; één verzamelde legenden over Kreta; één, die eerder kwam dan deze twee en die een Deliër was van geboorte, schreef zowel poëzie als geschiedenis; de vierde componeerde een werk over Homeros.”

Op deze lijst met mannen genaamd Deinarchos volgt dan een uitgebreidere passage over de redenaar Deinarchos, geïntroduceerd door de woorden: “Ik wil elk van hen achtereenvolgens behandelen, en eerst de redenaar” (ἐθέλω δὲ πρὸς μέρος περὶ ἑκάστου διελθεῖν, καὶ πρῶτον περὶ τοῦ ῥήτορος). Dat betekent dat in Demetrios’ werk de inleidende lijsten van homoniemen wellicht telkens werden gevolgd door een uitvoerige bespreking van het leven en de literaire productie van elk van de vermelde personen.

Als we de door Demetrios verstrekte informatie nu in tabellen plaatsen zoals die van de eerder vermelde moderne databanken TM en LGPN, kunnen we de fragmenten van Demetrios vergelijken met de zoekresultaten die TM en LGPN opleveren over personen met de namen ‘Thales’ en ‘Deinarchos’. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de vergelijking niet de inhoud zelf betreft, aangezien Demetrios’ ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ en de moderne databanken betrekking hebben op verschillende groepen personen: Demetrios’ werk was niet bedoeld om alle in de bronnen vermelde personen op te nemen, maar vermeldde alleen dichters, prozaschrijvers en andere mensen die om andere redenen wetenswaardig waren, zoals filosofen, kunstenaars of mensen die genoemd worden in literaire werken. Wat we wel kunnen vergelijken, is het soort informatie dat respectievelijk door Demetrios en de moderne databanken is opgenomen.

Zoekinterface van LGPN met als voorbeeld de naam ‘Thales’

De casus van ‘Thales’

Demetrios: “Er zijn vijf andere mannen met de naam Thales geweest [naast de filosoof Thales van Milete]” (γεγόνασι δὲ καὶ ἄλλοι Θαλαῖ … πέντε):

ID Name Floruit Gender Place Attestations
ῥήτωρ, κακόζηλος

(een redenaar, met een geaffecteerde stijl)

Thales / / Καλλατιανός

(uit Kallatis)

/
ζωγράφος, μεγαλοφυής

(een schilder, die zeer begaafd was)

Thales / / Σικυώνιος

(uit Sikyon)

/
Τρίτος

(de derde)

Thales ἀρχαῖος πάνυ, κατὰ Ἡσίοδον καὶ Ὅμηρον καὶ Λυκοῦργον

(zeer oud, een tijdgenoot van Hesiodos, Homeros en Lykurgos)

/ / /
Τέταρτος

(de vierde)

Thales / / / οὗ μέμνηται Δοῦρις ἐν τῷ Περὶ ζωγραφίας

(wordt genoemd door Duris in zijn boek ‘Over de schilderkunst’)

Πέμπτος

(de vijfde)

Thales Νεώτερος

(meer recent)

/ / ἄδοξος, οὗ μνημονεύει Διονύσιος ἐν Κριτικοῖς

(obscuur, wordt genoemd door Dionysios in zijn ‘Kritische geschriften’)

TM People: 4 (mannelijke) personen uit Egypte

TM PER ID Name Floruit Gender # Attestations
8787 Thales Senior 238 v.C. Man 1
349300 Thales 64 – 44 v.C. Man 1
311960 Thales 188 – 189 n.C. Man 1
467442 Thales 290 n.C. Man 1

LGPN: 40 resultaten [hieronder worden enkel de eerste vier weergegeven]

ID Name Sex Place Floruit References
V1-34262 Thales m. Rhodos c.175-150 v.C. Ag. Inv. R 257
V1-45145 Thales m. Samos 3/2de eeuw v.C. AD 9 (1924-5) p. 97 no. 1 II 6
V1-45547 Thales m. Samos 1ste eeuw v.C. AM 75 (1960) p. 155 no. 49
V1-45798 Thales m. Samos 6de eeuw v.C. IEph 115

De casus van ‘Deinarchos’

Demetrios: “We zijn vier mannen tegengekomen die Deinarchos heten” (Δεινάρχοις δ’ ἐνετύχομεν τέτταρσιν)

ID Name Floruit Gender Place Attestations
ὧν ἐστιν ὁ μὲν ἐκ τῶν ῥητόρων τῶν Ἀττικῶν

(één van hen is één van de Attische redenaars)

Deinarchos / / / /
ὁ δὲ τὰς περὶ Κρήτην συναγήοχε μυθολογίας

(één verzamelde legenden over Kreta)

Deinarchos / / / /
πεπραγματευμένος τοῦτο μὲν ἔπος, τοῦτο δὲ πράγμα

(schreef zowel poëzie als geschiedenis)

Deinarchos ὁ δὲ πρεσβύτερος μὲν ἀμφοῖν τούτοιν

(één, die eerder kwam dan deze twee)

/ Δήλιος δὲ τὸ γένος

(en die een Deliër was van geboorte)

/
τέταρτος δὲ ὁ περὶ Ὁμήρου λόγον συντεθεικώς

(de vierde componeerde een werk over Homeros)

Deinarchos / / / /

TM People: 3 personen uit Egypte

TM PER ID Name Floruit Gender # Attestations
6809 Deinarchos 280 v.C. Man 1
433857 Deinarchos 238 – 237 v.C. Man 1
349198 Deinarchos 62 v.C. Man 1

LGPN: 29 resultaten [hieronder worden enkel de eerste vier weergegeven]

ID Name Sex Place Floruit References
V1-15905 Deinarchos m. Kos 1ste eeuw v.C. – 1ste eeuw n.C. NS 694, 8
V1-17614 Deinarchos m. Kos c. 280 v.C. Holleaux, Études 3 p. 33 B, 13
V1-23516 Deinarchos m. Silyrioi Hell. periode ASAA 2 (1916) p. 163 no. 98
V1-6115 Deinarchos m. Paros  6de eeuw v.C.? Iamb., VP 267; = FVS 1 p. 447

Antieke versus moderne databanken

We zien dat Demetrios aan het begin van elk lemma het aantal homoniemen aangaf dat hij had gevonden, wat overeenkomt met  “number of attested individuals” in TM en “results” bij LGPN. Demetrios nummerde hen en gaf voor elk van hen elementaire biografische informatie; deze informatie had dezelfde functie als de identificatienummers (IDs) van TM en LGPN: het stelde Demetrios en zijn lezers in staat elk homoniem op een korte en duidelijke manier te identificeren. Bovendien gaf Demetrios beknopte chronologische en geografische informatie, die overeenkomt met de categorieën “floruit” van TM en LGPN, en “place” van LGPN (soms vergelijkbaar met “ethnicity/origin” van TM). Tot slot gaf Demetrios soms aan waar een bepaald homoniem werd genoemd, wat overeenkomt met “attestations” (TM) en “references” (LGPN). De manier waarop Demetrios zijn lemmata structureerde, doet dus sterk denken aan de structuur die moderne databanken gebruiken!

Voorbeeld van een record voor de persoon 'Deinarchos' in de databank van TM PeopleTM People

Voorbeeld van een record voor de persoon ‘Deinarchos’ in de databank van TM People

Een “antieke” kast met daarin steekkaarten van de databank ‘Prosopographia Ptolemaica’, later gedigitaliseerd in TM People

De vergelijking brengt echter ook verschillen aan de oppervlakte. De enige categorie van LGPN en TM die ontbrak in Demetrios’ overzichten van homoniemen was “gender”. We hebben geen bewijs dat Demetrios vrouwen opnam in zijn werk, maar we kunnen niet uitsluiten dat hij dat in sommige gevallen toch deed, hoewel er in de Oudheid niet veel vrouwelijke dichters en schrijvers bekend waren. Voor een lezer van Demetrios’ werk moet het in ieder geval gemakkelijker geweest zijn te zien of een bepaald lemma vrouwen al dan niet mannen betrof, aangezien de Grieken over het algemeen afzonderlijke namen hadden voor de verschillende geslachten. Demetrios hoefde dus niet systematisch het geslacht van de afzonderlijke homoniemen te specificeren.

Een belangrijker verschil tussen de twee hierboven geciteerde lemmata van Demetrios en de resultaten van TM en LGPN is, althans op het eerste gezicht, dat de door Demetrios gegeven informatie niet volledig is. Ook daar lijkt echter een verklaring voor te zijn, namelijk dat Demetrios, zoals eerder gezien, in het tweede deel van zijn lemmata bijkomende informatie gaf.

 

Conclusie

We kunnen dus concluderen dat de twee delen van Demetrios’ lemmata verschillende functies hadden: het eerste deel had als doel de verschillende homoniemen op te sommen en te identificeren, en had bijgevolg een functie die vergelijkbaar is met die van moderne databanken; het tweede deel vertoont gelijkenissen met wat we kunnen vinden in moderne biografische woordenboeken.

Steekkaart van de Prosopographia Ptolemaica (PP) waarin een persoon Ἀμεννεὐς wordt geïdentificeerd

Gezien zowel zijn praktisch nut als de uitvoerigheid van de verschafte informatie is het dus geen verrassing dat Demetrios’ ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ door verschillende latere (en bekendere) auteurs werd gebruikt en geciteerd, zoals Dionysios van Halikarnassos, Plutarchus, Harpokration, Athenaios en Diogenes Laertios (1ste eeuw v.C.-3de eeuw n.C.). Het samenstellen van een dergelijk werk moet echter een hele uitdaging zijn geweest. Geen wonder dat slechts weinigen in de Oudheid het voorbeeld van Demetrios volgden. We kennen alleen de naam van een zekere Agreophon of Agresphon, die ergens in de keizertijd een werk schreef met de titel ‘Over homoniemen’, waarvan geen enkel fragment bewaard is gebleven (Suda α 3421, s.v. Ἀπολλώνιος = Agreophon, FGrHist 1081 T 1).

Demetrios koos ervoor zijn tijdgenoten een dienst te bewijzen door een dergelijk naslagwerk samen te stellen. Wat Demetrios echter niet kon kiezen was zijn eigen naam. ‘Demetrios’ was een zeer veel voorkomende naam in de klassieke Oudheid (1534 personen uit Egypte in TM; 3325 resultaten in LGPN). Het is dan ook geen verrassing dat het voor moderne geleerden soms een lastige taak is om onze Demetrios zelf te onderscheiden van andere homoniemen. In veel gevallen ontstaat verwarring met Demetrios van Phaleron, Demetrios van Skepsis, Demetrios, de auteur van ‘De juiste woorden’ (Περὶ ἑρμηνεῖας), enz. Een ironisch lot dus voor iemand die zijn leven wijdde aan het onderscheiden van homoniemen!

Verder lezen

P. Zaccaria, Felix Jacoby. Die Fragmente der Griechischen Historiker Continued. IV A: Biography. Fascicle 5. The First Century BC and Hellenistic Authors of Uncertain Date [Nos. 1035-1045], Leiden – Boston: Brill, 2021.

Coverfoto: gecreëerd met behulpt van DALL·E 3 (prompt: “antieke Griekse auteur die indexkaarten sorteert voor een kast, thema van de oudheid, antieke Griekse kleding, achtergrond met papyrusrollen en beelden uit de Griekse mythologie”) en bewerkt met Getimg.ai

Het bericht Een Oudgriekse databank: Demetrios van Magnesia’s ‘Over dichters en schrijvers met dezelfde naam’ van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/19/12/2023/een-oudgriekse-databank-demetrios-van-magnesias-over-dichters-en-schrijvers-met-dezelfde-naam/feed/ 0 2558
Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/#respond Sun, 08 Oct 2023 16:25:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2472

In onze reeks 'Quis est?' beschrijven we minder bekende figuren uit de Oudheid, zoals deze Sostratos van Aegina? Is deze handelaar, die zowel bij Herodotus als in teksten uit Italië en Egypte wordt vermeld, de rijkste aller Grieken?

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Vorige week pakte de krant De Standaard uit met de test “bent u rijk?”, en voegde daar de boude bewering aan toe dat je “met 2 miljoen tegenwoordig niets bent”. Zorgen over de groeiende ongelijkheid klinken steeds luider, maar tegelijk blijven lijstjes van rijke mensen populair, en kunnen we de capriolen van ’s werelds meest welvarende persoon, Elon Musk, bijna in real time volgen. Hoewel hun invloed misschien wel groter is dan ooit, zijn superrijken niet alleen een hedendaags fenomeen, en ook over hun historische voorgangers doen vaak allerlei straffe verhalen de ronde, waaronder ook over een zeker Sostratos van Aegina.

Het lot van Crassus, in de zestiende-eeuwse verbeelding

Een andere persoon die wel eens omschreven wordt als de rijkste man in de wereldgeschiedenis is Mansa Musa, de veertiende-eeuwse heerser over het koninkrijk Mali. Op bedevaart naar Mekka zou hij in Caïro zoveel goud uitgedeeld hebben, dat de goudprijs en daarmee de hele economie crashte. In Rome was er de fabelachtige rijkdom van Marcus Licinius Crassus, de triumvir die een groot fortuin vergaarde via speculatie op de vastgoedmarkt. De Parthen waren zich welbewust van ’s mans reputatie, en nadat hij sneuvelde in de slag bij Carrhae (53 v.C.) goten ze volgens de overlevering gesmolten goud in zijn mond. De Griekse steden waren meer egalitair, en het is minder duidelijk wie de rijkste aller Hellenen geweest zou kunnen zijn. Eén man heeft echter een sterke claim, als we tenminste Herodotus mogen geloven. En andere bronnen voor die Sostratos van Aegina suggereren inderdaad dat zijn beschrijving op waargebeurde feiten gebaseerd is.

De reputatie van Sostratos (en die van Herodotus)

Haast terloops, als deel van een verhaal over de Samiërs, merkt de geschiedschrijver Herodotus op dat geen enkele handelaar ooit meer inkomsten vergaarde dan een zekere Sostratos uit Aegina, de zoon van Laodamas:

“ἀπονοστήσαντες οὗτοι ὀπίσω μέγιστα δὴ Ἑλλήνων πάντων τῶν ἡμεῖς ἀτρεκείην ἴδμεν ἐκ φορτίων ἐκέρδησαν, μετά γε Σώστρατον τὸν Λαοδάμαντος Αἰγινήτην: τούτῳ γὰρ οὐκ οἷά τε ἐστὶ ἐρίσαι ἄλλον.”

“Naar huis teruggekeerd, haalden zij [sc. de Samiërs] de meeste winst uit hun vracht van alle Grieken waarover we zekerheid hebben, behalve dan Sostratos, zoon van Laodamas, uit Aegina: met hem kan geen enkel ander wedijveren.” (Historiae 4, 152)

Herodotus, de Griekse geschiedschrijver

Aldus vervoegde Sostratos de selecte groep van Griekse handelaars die bij naam vereeuwigd werden in de literaire bronnen. De Griekse upper class had, net als de Romeinse senatoriale elite, namelijk geen al te hoge pet op van handelaars, en voelde niet vaak de behoefte om hun verwezenlijkingen te vereeuwigen. Desalniettemin suggereert Herodotus’ opmerking dat zijn publiek goed genoeg wist over wie hij het had, aangezien hij geen enkel detail over Sostratos’ activiteiten vermeldt. Gelukkig voor ons is Sostratos (of zijn familie) een van die gevallen waar de literaire en documentaire bronnen elkaar aanvullen. Uit die laatste categorie blijkt een uitgebreid handelsnetwerk, dat zich uitstrekte doorheen het Middellandse Zeegebied. Tegelijk bevestigen deze teksten de geloofwaardigheid van de “vader van de geschiedschrijving”, waar zowel antieke als moderne historici wel eens aan durven twijfelen.

Aegina in de 6de eeuw v.C.

Zesde-eeuwse stater van Aegina met de schilpad

Sostratos’ thuisregio Aegina was een eiland in de Saronische golf, tussen Attica en de Peloponnesos, een strategische locatie om aan handel te doen. Het was dan ook een welvarende gemeenschap, die in de 6de eeuw v.C. belangrijker was dan het nabijgelegen Athene. De Aeginese stater met de bekende schildpad was een van de eerste munten in de Griekse wereld, en andere steden volgden de muntstandaard van Aegina voor het slaan van hun eigen munten. Handelaars als Sostratos speelden hierin een aanzienlijke rol. Aan het einde van de 6de eeuw v.C. bouwde de stad een monumentale tempel voor Aphaea, nog steeds een populaire bezienswaardigheid, en een heiligdom voor Apollo. Sommige onderzoekers willen hier ook de hand van Sostratos in zien, en twee sokkels voor standbeelden dragen inderdaad een inscriptie die verwijst naar iemand met die naam. Na de Perzische oorlogen verloor Aegina aan belang ten voordele van grote rivaal Athene.

Sostratos in Italië

Sostratos zou misschien voor altijd een semi-legendarische figuur gebleven zijn, als de ontdekking van een intrigerende inscriptie in het Etruskische Gravisca daar geen verandering in had gebracht. Het gaat om een stenen anker, gewijd aan een godheid, zoals dat wel vaker gebeurde onder zeelieden als dank voor een veilige zeereis. De tekst is simpel en slechts gedeeltelijk bewaard, maar in al zijn kortheid bijzonder significant:

ΑΠΟΛΟΝΟΣ ΑΙΓΙΝΑΤΑ ΕΜΙ ΣΟΣΤΡΑΤΟΣ ΕΠΟΙΗΣΕ ΗΟ

“Ik behoor toe aan Apollo van Aegina. Sostratos, zoon van … heeft mij gemaakt”

Het anker van SostratosWikimedia

Het anker van Sostratos

De tekst dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de late 6de eeuw v.C., en de combinatie van de naam Sostratos met de godheid uit Aegina maken het zeer waarschijnlijk dat het hier om de handelaar van Herodotus gaat. Bovendien liep het in Gravisca, de haven van de welvarende stad Tarquinia, vol met handelaars. De Etruskische steden waren belangrijke handelspartners voor de Grieken en hun havens waren levendige en kosmopolitische plaatsen met ruimte voor vreemde, niet-Etruskische goden.

Ook in Pyrgi, de haven van dat andere Etruskische centrum Caere, werd een dedicatie gevonden die mogelijk aan Sostratos toegeschreven kan worden. Met welke producten Sostratos zijn fortuin vergaarde, weten we niet zeker, maar tientallen beschilderde Attische vazen met het merkteken “So” (= So(stratos)?) suggereren dat hij de grootste invoerder van aardewerk van zijn tijd was. Belangrijker nog was hun inhoud: Griekse wijn. Hoewel de Etrusken zelf aan viticultuur deden, en hun wijn zelfs exporteerden naar Gallië, verkoos de elite het Griekse product van hogere kwaliteit. Dat ligt vandaag wel even anders: grote delen van Etrurië maken nu deel uit van Toscane, wereldberoemd voor haar Chianti en Brunello. De Etrusken importeerden verder olijfolie, allerlei metalen, luxeproducten zoals ivoor, en slaven. Mogelijk handelde Sostratos ook in sommige van deze goederen.

Sostratos in Egypte?

Sostratos’ activiteiten in Etrurië zouden op zichzelf al indrukwekkend geweest zijn, maar enkele vondsten uit het Egyptische Naukratis zouden er op kunnen wijzen dat zijn netwerk echt het hele Middellandse zeegebied omspande. Naukratis was een belangrijke handelspost in het noorden van Egypte, op dat moment deel van het Perzische rijk (we schrijven enkele decennia vòòr de grote confrontatie tussen dat rijk en de Griekse steden). Net als Gravisca was het een multicultureel emporium, maar Naukratis had een meer uitgesproken Grieks karakter. Het was geen kolonie van een enkele polis, maar een gemeenschap onderhouden met de steun van twaalf verschillende Griekse steden, waaronder Aegina, Sostratos’ thuisstad.

Schaal gewijd door een Sostratos in Naukratis

Enkele dedicaties die op de site teruggevonden zijn, zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van Sostratos en zijn familie: verschillende potten dragen er wijdingen aan Aphrodite Aphrodite van een Sostratos en een Leodamas (een variant van de naam van Sostratos’ vader bij Herodotus, Laodamas). Aphrodite had geen corresponderende tempel op Aegina zoals Apollo, maar speelde in het algemeen een belangrijke rol als beschermster van zeereizigers. Als Aphrodite Euploia kon ze de golven bedwingen en haar adepten een veilige vaart garanderen, en handelaars schreven soms hun commerciële successen aan haar tussenkomst toe.

Ook in Egypte importeerden Grieken hun veelgeprezen wijn, maar het grote geld viel eerder te rapen met het doorverkopen van Egyptische producten zoals graan, linnen en papyrus in de Griekse wereld. Er zijn echter enkele bezwaren tegen de interpretatie dat het hier om de Sostratos van Herodotus zou gaan: Leodamas wordt geïdentificeerd als zijnde afkomstig van de stad Teos, en de dedicatie door Sostratos gebruikt het alfabet van het eiland Chios. Het zou natuurlijk om een bijzonder internationale familie kunnen gaan, en misschien heeft Sostratos zijn graffiti niet zelf geschreven, maar voorzichtigheid is hier toch geboden.

Eén steenrijke Sostratos, of toch meerdere Sostratoi?

Sostratos was geen zeldzame naam in de Oudheid, en sommige onderzoekers betwijfelen dat al deze bronnen verwijzen naar een en dezelfde man, de Sostratos van Herodotus. Anderen kiezen een middenweg, en reconstrueren een familie van handelaars eerder dan één individu. Zowel beroepen als namen werden inderdaad vaak doorgegeven van vader (of grootvader) op zoon. Het blijft moeilijk om alle elementen hard te maken, in het bijzonder de Egyptische connectie, maar zeker het anker voor Apollo van Aegina uit Gravisca spreekt in het voordeel van de betrouwbaarheid van Herodotus. Bovendien kennen we andere handelaars, met veel ongebruikelijkere namen, die sporen achterlieten in zowel Etrurië als Naukratis, zoals een zekere Lethaios en een meneer Hyblesios. We kunnen dus terecht spreken van een geconnecteerde en mobiele wereld, waarin internationale handelaars aanzienlijke fortuinen verdienden. En de terloopse manier waarop Herodotus Sostratos van Aegina vermeldt, leert ons dat zijn succes fabelachtig geweest moet zijn.

Lees meer

Gill, D.W.J., ‘Positivism, Pots and Long-Distance Trade’, in I. Morris (ed.), Classical Greece: Ancient Histories and Modern Archaeologies, Cambridge, 1994, 99–107.
Hornblower, S., ‘Personal Names and the Study of the Ancient Historians’, Proceedings of the British Academy 104 (2000), 129–143.
Johnston, A., ‘Trading Families?’, in R.W.V. Catling and F. Marchand (eds.), Onomatologos. Studies in Greek Personal Names presented to Elaine Matthews, Oxford, 2010, 470–478.
Schweizer, B., ‘Zwischen Naukratis und Gravisca: Händler im Mittelmeerraum des 7. und 6. Jhs. v. Chr.’, in M. Fitzenreiter (ed.), Das Heilige und die Ware: Zum Spannungsfeld von Religion und Ökonomie, London, 2007, 307–324.

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van een zwartfigurige vaas (kylix) uit de 6de eeuw v.C. met daarop Dionysus op een schip tussen de druiven en dolfijnen, via de afbeelding ‘Kylix Dionysus on a ship between dolphins’ vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0 DEED).

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/feed/ 0 2472
Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/#respond Sun, 05 Mar 2023 16:42:18 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2452 Schilderij Vincenzo Foppa - The Young Cicero Reading

Kan een boek de loop van de geschiedenis veranderen? Zeker, althans volgens de bekende Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Hij dacht namelijk bij het begin van de burgeroorlog van 49 v.C. dat het boek van Demetrios van Magnesia 'Over de eendracht' nog de politieke protagonisten Iulius Caesar en Gnaeus Pompeius Magnus van mening kon doen veranderen, iets dat weliswaar net niet lukte en waarvan de bedoeling ook voor ons nog gedeeltelijk een raadsel is gebleven.

Het bericht Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Schilderij Vincenzo Foppa - The Young Cicero Reading

Kan een boek de loop van de geschiedenis veranderen? Zeker, althans volgens de bekende Romeinse redenaar en politicus Marcus Tullius Cicero. Hij dacht namelijk bij het begin van de burgeroorlog van 49 v.C. dat een bepaald Grieks boek nog de politieke protagonisten van mening kon doen veranderen, iets dat weliswaar net niet lukte en waarvan de bedoeling ook voor ons nog gedeeltelijk een raadsel is gebleven.

Politieke situatie 49 v.C.

In het begin van 49 v.C. zat Cicero – om het zachtjes uit te drukken – in een moeilijke persoonlijke en politieke situatie. Iulius Caesars oversteek van de Rubicon op 11 of 12 januari (volgens de Romeinse kalender) betekende het begin van de burgeroorlog tussen hem en de Romeinse Senaat, vertegenwoordigd door Gnaeus Pompeius Magnus. Eind februari was Caesar op weg met zijn leger naar de havenstad Brundisium, waar Pompeius en de Romeinse consuls hun toevlucht hadden gezocht. Van daaruit wilde Pompeius de oversteek naar Griekenland maken. Hoewel Pompeius, die op Cicero’s steun rekende, er herhaaldelijk bij de redenaar op had aangedrongen hem daar te vervoegen, bevond deze zich nog steeds in Campanië, in Formiae, terwijl hij zich afvroeg of hij zich bij Pompeius moest aansluiten en Italië moest verlaten of niet. Cicero was het niet eens met Pompeius’ weigering te proberen tot een akkoord te komen met Caesar en vond dat een burgeroorlog koste wat kost moest worden vermeden. Ondanks de moeilijke situatie dacht Cicero eraan zelf een poging tot verzoening tussen Caesar en Pompeius te ondernemen.

Kaart met de bewegingen van Caesar aan het begin van de burgeroorlog met Pompeius

Over de eendracht

We weten niet wat Cicero precies in gedachten had, maar we weten wel dat hij een bepaald boek als zijn ultieme troef beschouwde. Het boek in kwestie droeg de titel ‘Over de eendracht’ (Περὶ ὁμονοίας) en werd geschreven door de laat-hellenistische geleerde en biograaf Demetrios van Magnesia. We hebben geen informatie over de inhoud van dit werk, dat helemaal verloren is gegaan. We weten enkel dat het was opgedragen aan Cicero’s vriend Titus Pomponius Atticus.

Cicero’s brieven aan Atticus

Eerste pagina van de Brieven naar Atticus (Epistolae Ad Atticum) geschreven door Cicero in een 16de eeuwse druk van Paolo Manuzio in Venetië

We kunnen de gebeurtenissen nog volgen dankzij Cicero’s brieven aan Atticus. In een brief geschreven in Formiae op 27 februari 49 v.C. vraagt Cicero aan Atticus, die zich op dat moment in Rome bevindt, om hem Demetrios’ boek te sturen, omdat hij het voor een zeer bijzondere en dringende aangelegenheid wil gebruiken

Memini librum tibi adferri a Demetrio Magnete ad te missum Περὶ ὁμονοίας. Eum mihi velim mittas. Vides quam causam mediter. 

Ik herinner me dat Demetrios van Magnesia je het boek ‘Over de eendracht’ heeft gebracht, opgedragen aan jou. Ik zou willen dat je het me stuurt. Je ziet wat ik van plan ben. (Cic. Att. 8.11.7)

In een andere brief van de volgende dag (28 februari) herhaalt Cicero hetzelfde verzoek: de zaak is hoogst urgent en hij heeft geen tijd te verliezen

Haec igitur videbis et, quod ante ad te scripsi, Demetri Magnetis librum quem ad te misit de concordia velim mihi mittas.

Je zal hier dus voor zorgen en, zoals ik je eerder schreef, zou ik willen dat je me het boek Over de eendracht van Demetrios van Magnesia stuurt, dat hij aan jou heeft opgedragen. (Cic. Att. 8.12.6)

Maar helaas, te laat. Cicero had niet de tijd om zijn plan uit te voeren. In een andere brief van ongeveer twee weken later (17 maart) lezen we immers dat Cicero het boek van Demetrios naar Atticus heeft teruggestuurd. Het vertrek van de consuls naar Griekenland had zijn plannen verstoord, aangezien een overeenkomst niet mogelijk was zonder de aanwezigheid van de consuls

Quod consules laudas, ego quoque animum laudo, sed consilium reprehendo; discessu enim illorum actio de pace sublata est, quam quidem ego meditabar. Itaque postea Demetri librum de concordia tibi remisi et Philotimo dedi;

“wat jouw verheerlijking van de consuls betreft, ook ik prijs hun ingesteldheid, maar ik keur hun beslissing af; hun vertrek heeft immers de vredesonderhandelingen die ik van plan was onmogelijk gemaakt. Ik heb je Demetrios’ boek Over de eendracht daarna dan maar teruggestuurd en het aan Philotimus gegeven. (Cic. Att. 9.9.2)

Raadsel

Het blijft dus een raadsel wat Cicero precies van plan was met Demetrios’ Over de eendracht, maar in ieder geval vond hij het op een van de meest kritieke momenten in de Romeinse geschiedenis de moeite waard een boek aan te wenden voor politieke doeleinden. Zouden Caesar en Pompeius van gedachten zijn veranderd als Cicero de tijd had gehad om zijn plan uit te voeren?

Verder lezen

P. Zaccaria, Felix Jacoby. Die Fragmente der Griechischen Historiker Continued. IV A: Biography. Fascicle 5. The First Century BC and Hellenistic Authors of Uncertain Date [Nos. 1035-1045], Leiden – Boston: Brill, 2021.

Coverfoto: schilderij van Vincenzo Foppa – The Young Cicero Reading, afkomstig van de Wallace Collection op Art UK (CC BY-NC-ND).

Het bericht Het boek dat de Romeinse geschiedenis net niet kon veranderen van Pietro Zaccaria verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/03/2023/het-boek-dat-de-romeinse-geschiedenis-net-niet-kon-veranderen/feed/ 0 2452
Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/ https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/#respond Sat, 26 Mar 2022 16:51:18 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2265

Op het moment dat de Perzische dynastie van de Achaemeniden in de 4de eeuw v.C. de plak zwaaide over Mesopotamië of het Tweestromenland, had de beschaving tussen de Tigris en de Eufraat al een heuse weg afgelegd in de wereldgeschiedenis. De daaropvolgende twee eeuwen, na de intreden van Alexander de Grote, viel het gebied onder de Grieks-Macedonische heerschappij met het 'Huis van Seleucus'. In dit artikel lees je meer over deze minder gekende episode uit de wereldgeschiedenis.

Het bericht Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Op het moment dat de Perzische dynastie van de Achaemeniden in de 4de eeuw v.C. de plak zwaaide over Mesopotamië of het Tweestromenland, had de beschaving tussen de Tigris en de Eufraat al een heuse weg afgelegd in de wereldgeschiedenis. Sinds millennia golden de inwoners van deze regio – waarvan het grootste gedeelte in het huidige Irak ligt – als dé koplopers binnen de evolutie van de mensheid richting een gevestigde en ontwikkelde samenleving. Zij waren de eerste landbouwers, de eerste stedenbouwers, de eerste schrijvers…

Het Babylon van de Westerse fantasiewereld met de mythische Hangende Tuinen op de voorgrond en de al even legendarische Toren van Babel op de achtergrond, op een illustratie uit de 19de eeuw

De relatief jonge Griekse stadstaten konden op dat moment niet anders dan zich verwonderen over het verreikende verleden en de eeuwenoude tradities van dit trotse volk. Verhalen over quasi-legendarische monarchen zoals de koningin Semiramis en geruchten over kolossale, bovenmenselijke bouwcomplexen zoals de ‘Hangende Tuinen’ van Babylon deden hun intrede in de Griekse fantasiewereld. Tevens begonnen de Mesopotamiërs dankzij de handel steeds meer te weten te komen over de poleis in het Westen. Er lag echter nog meer in het verschiet voor de relatie tussen deze twee culturen: ze geraakten nauw met elkaar vervlochten voor meer dan 200 jaar. Na de komst van Alexander de Grote in 331 v.C. zag het Tweestromenland immers zijn Perzische meester vertrekken en kwam er een Helleense in de plaats. Wat volgde was namelijk een periode van Grieks-Macedonische overheersing gedurende twee eeuwen.

De aankomst van de Hellenen en de strijd om Mesopotamië

Na de klinkende overwinning van Alexander op de Perzen nabij Gaugamela op 1 oktober 331 v.C., lag de weg naar Babylonië voor de Grieks-Macedonische troepen open. De intrede van de wereldveroveraar in de belangrijkste stad van de regio, het legendarische Babylon, was volgens de Griekse bronnen een grandioze gelegenheid. Onder het gejuich van de inwoners marcheerden de falanxen zonder weerstand plechtig een stad binnen die nog geen paar jaar daarvoor slechts het voorwerp was van hun wildste dromen:

ἤδη τε οὐ πόρρω Βαβυλῶνος ἦν καὶ δύναμιν ξυντεταγμένην ὡς ἐς μάχην ἦγε, καὶ οἱ Βαβυλώνιοι πανδημεὶ ἀπήντων αὐτῷ ξὺν ἱερεῦσί τε σφῶν καὶ ἄρχουσι, δῶρά τε ὡς ἕκαστοι φέροντες καὶ τὴν πόλιν ἐνδιδόντες καὶ τὴν ἄκραν καὶ τὰ χρήματα. Ἀλέξανδρος δὲ παρελθὼν εἰς τὴν Βαβυλῶνα τὰ ἱερὰ, ἃ Ξέρξης καθεῖλεν, ἀνοικοδομεῖν προσέταξε Βαβυλωνίοις, τά τε ἄλλα καὶ τοῦ Βήλου τὸ ἱερόν, ὃν μάλιστα θεῶν τιμῶσι Βαβυλώνιοι.

“Hij (Alexander) bevond zich reeds in de buurt van Babylon en voerde een legermacht aan, klaargemaakt voor de strijd, toen de Babyloniërs massaal samen met hun priesters en leiders hem tegemoet traden, geschenken met zich meedroegen en de stad, de burcht en de schatkist overhandigden. Nadat Alexander was aangekomen in Babylon beval hij voor de Babyloniërs het herstel van de heiligdommen die Xerxes had verwoest, met name de tempel van Bel, die de Babyloniërs het meest van al de goden eren.” (Arrianus, Anabasis Alexandri, 3.16.3-4)

De intrede van Alexander in Babylon op het gelijknamige schilderij van de Franse schilder Charles Le Brun uit de collectie van het Louvre

Alexander had grootse plannen met Babylon: de stad diende het centrum te worden van zijn wereldrijk. De Macedoniër stierf echter op 32-jarige leeftijd in 323 v.C. alvorens zijn beoogde hoofdstad te kunnen uitbouwen. De ongelukkige gevolgen van zijn voortijdige dood zijn inmiddels goed gekend: de generaals en vrienden van de koning vlogen terstond elkaar naar de keel om de heerschappij over het reusachtige imperium. Een van de zwaarst getroffen gebieden was Mesopotamië. Het Tweestromenland gold immers als een van de rijkste regio’s uit West-Azië en was bijgevolg onmisbaar voor de ambitieuze generaals met hun geldverslindende oorlogen. Bovendien was Mesopotamië door diens centrale ligging in West-Azië van groot strategisch belang. De diadochen die ervan droomden Azië te bedwingen, konden dit onmogelijk verwezenlijken zonder zichzelf eerst stevig in het zadel te plaatsen van het Tweestromenland.

Buste van Seleucus I Nicator

Deze streek werd in de eerste plaats de inzet van een bloedig conflict tussen Antigonos I Monophthalmos en Seleucus I Nicator dat jaren aansleepte. Seleucus was onder Alexander de Grote de commandant van het elitekorps van de zogenaamde “Zilverschilden” (Hypaspistai) en na het Verdrag van Triparadeisos (321 v.C.) verkreeg hij het gouverneurschap over Babylonië. In 316 v.C. verdreef de machtige Antigonos de jonge generaal uit zijn provincie. Deze zou later in 312 v.C. met een kleine schare volgelingen en de steun van Ptolemaeus I terugkeren en wist het land tussen de Tigris en de Eufraat weer te bemachtigen. Dat de inwoners van dit gebied het zwaar te verduren hadden gedurende dit conflict wordt duidelijk uit enkele inheemse bronnen zoals de ‘Diadochenkroniek’, een beschadigd kleitablet dat spreekt over “gejammer en rouw in het land”. Seleucus kwam uiteindelijk als overwinnaar uit de bus en verdreef Antigonos naar het westen.

Seleucus consolideert zijn macht: de stichting van Seleucië-aan-de-Tigris

Hoewel de oorlogen tussen de opvolgers bleven aanhouden, keerde na Antigonos’ verdrijving de rust terug naar het land tussen de Tigris en de Eufraat. Seleucus kon zich nu meer richten op de uitbouw van zijn heerschappij in dit gebied. Hij kroonde zichzelf tot koning in het jaar 305 v.C. en ging over tot een uitgebreid kolonisatiebeleid waarbij talrijke Grieks-Macedonische nederzettingen doorheen Azië het levenslicht zagen. Om de macht van het nieuwe regime duidelijk te maken, gingen de nieuwe steden veelal de naam van de vorst dragen of van één van diens familieleden. Deze stichtingen dienden in de eerste plaats om de Seleucidische macht te consolideren in de zopas veroverde gebieden.

Archeologische kaart van Seleucië-aan-de-Tigris

De belangrijkste stad die de nieuwe koning liet bouwen in het Tweetromenland was Seleucië (Seleukeia) aan de oever van de Tigris (ook wel Seleucië-aan-de-Tigris genoemd). Seleucië zou gedurende de Hellenistische periode uitgroeien tot een van de meest vooraanstaande steden. De muur van de stad zou een gebied van zo’n 550 hectaren omarmen. Moderne schattingen leggen het inwonersaantal vast op zo’n 100 000 met daarbij nog een afhankelijke bevolking van 400 000 inwoners in het omliggende gebied, een enorm aantal in de antieke wereld. Seleucië had voornamelijk haar rijkdom te danken aan haar gunstige ligging, namelijk op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes. De stad controleerde namelijk in de eerste plaats de lucratieve handel die via de oostelijke landweg vanuit Bactrië (het huidige Afghanistan) en Noord-Iran kwam. Daarnaast waakte de stad over de binnenstroom van goederen vanuit Indië en Arabië via de Perzische Golf.

Een populaire opvatting van vroeger was dat met het ontstaan van Seleucië de doodsteek aan Babylon werd toegebracht. De gehele bevolking – op een paar priesters na – zou een nieuw onderkomen hebben gezocht in de Griekse hoofdstad. De antieke auteurs beschreven al hoe het eens zo magnifieke centrum van de Babylonische beschaving door de stichting van Seleucië ontaardde in een dodenstad:

καὶ γὰρ ἐκεῖνος καὶ οἱ μετ᾽ αὐτὸν ἅπαντες περὶ ταύτην ἐσπούδασαν τὴν πόλιν καὶ τὸ βασίλειον ἐνταῦθα μετήνεγκαν: καὶ δὴ καὶ νῦν ἡ μὲν γέγονε Βαβυλῶνος μείζων ἡ δ᾽ ἔρημος ἡ πολλή, ὥστ᾽ ἐπ᾽ αὐτῆς μὴ ἂν ὀκνῆσαί τινα εἰπεῖν ὅπερ ἔφη τις τῶν κωμικῶν ἐπὶ τῶν Μαγαλοπολιτῶν τῶν ἐν Ἀρκαδίᾳ ‘ἐρημία μεγάλη ‘στὶν ἡ Μεγάλη πόλις.

“Hij (Seleucus) en al zijn opvolgers legden zich toe op (de uitbouw van) Seleucië en verhuisden naar daar hun paleis. Inderdaad is deze (Seleucië) op het moment groter dan Babylon, thans zo verlaten dat men hierdoor niet zou aarzelen te stellen dat wat een blijspeldichter ooit zei over Megalopolis uit Arcadië: ‘de grote stad is een grote woestijn’.”  (Strabo, 16.1.5)

Uit onderzoek van de kleitabletten blijkt echter dat dit niet helemaal klopt. Deze bronnen tonen aan hoe Babylon onder het Seleucidische bewind nog steeds een drukke stad was. Ze had weliswaar op het internationale toneel haar politiek belang verloren, maar dit betekende geenszins haar ruïnering. Meer nog, Babylon bleef doorheen de Hellenistische periode het belangrijkste religieuze centrum van het Tweestromenland dat zelfs het respect afdwong van de Seleucidische koning.

Mesopotamië in de 3de eeuw v.C.

De ‘Ptolemaeus III Kroniek’, een spijkerschrifttablet uit het British Museum (BCHP 11 = BM 34428)

Nadat de verwoestende Diadochenoorlogen zich hadden verplaatst naar het Westen in het begin van de 3de eeuw v.C. brak er in Mesopotamië een relatief vredevolle periode aan. Deze rust hield aan voor de rest van de eeuw buiten twee korte, gewelddadige intermezzo’s. Eerst was er de Derde Syrische Oorlog (246 v.C. – 241 v.C.). Hoewel – zoals de naam doet vermoeden – dit conflict in de eerste plaats werd uitgevochten in Syrië, informeert de zogenaamde “Ptolemaeus III Kroniek” (een Mesopotamisch spijkerschrifttablet) ons dat de Ptolemaeïsche legers zelfs tot in Babylon waren doorgedrongen. Het vredesverdrag dat de oorlog beëindigde, liet echter het Tweestromenland in Seleucidische handen.

Later werd de rust nogmaals verstoord na de troonsbestijging van Antiochus III. Toen kwam in 222 v.C. de satraap van Medië (huidige Noord-Iran), Molon, in opstand tegen het centrale gezag. Deze rebel stak het Zagrosgebergte over om het Tweestromenland in te lijven. Hij zou uiteindelijk verslagen worden door de rechtmatige vorst, maar de opschudding moet groot zijn geweest. Zo blijkt uit Polybius dat Seleucië-aan-de-Tigris met Molon had meegewerkt (V.54). Antiochus III stelde zich echter mild op tegenover de inwoners van de kolonie en nam genoegen met de betaling van een relatief kleine geldboete voor het verraad.

Ondanks deze twee korte opschuddingen en mogelijk nog een economische crisis in de late jaren 270 en vroege jaren 260 v.C. floreerden de aloude steden van de Mesopotamische beschaving. Vooral de zuidelijke centra verrijkten zich dankzij de intensifiërende internationale handel onder de Seleuciden. Deze bloei in het zuiden liet zich vooral merken in Uruk waar twee nieuwe grote tempelcomplexen verrezen. Tevens in het Noorden profiteerden enkele steden zoals Mari, Nineveh en Arslan-Tash van de hervonden stabiliteit onder het ‘Huis van Seleucus’. In de Hellenistische periode werd het economische zwaartepunt van het land vooral de Diyala-regio ten oosten van de Tigris (deels op instigatie van de stichting van Seleucië-aan-de-Tigris). Het archeologische onderzoek laat zien hoe er aldaar in het Hellenistische tijdperk vijftien keer meer bebouwing was dan in de Perzische periode. Enkel Ur vertoont tekens van achteruitgang, maar dit is in de eerste plaats te wijten aan de verandering van de koers van de Eufraat: de stad werd afgezonderd van de levensader die haar rijkdom waarborgde.

Kaart van het oude Mesopotamië met de belangrijkste steden

Het doek valt: het einde van de Seleuciden in Mesopotamië

In de 2de eeuw v.C. werd de handhaving van het centrale gezag in Mesopotamië steeds moeilijker. Niet alleen begonnen steeds meer generaals en gouverneurs in opstand te komen en dynastieke conflicten het rijk te teisteren, maar eveneens doemde er een agressieve, nieuwe vijand op vanuit het Oosten: de Parthen. Dit volk had reeds in c. 250 v.C. in Noord-Iran een onafhankelijk koninkrijk gesticht in voormalig Seleucidisch territorium, maar het duurde tot de 2de eeuw vooraleer ze een grote bedreiging gingen vormen voor de dynastie. Rond 140 v.C. begonnen de Parthen zich resoluut toe te leggen op de verovering van het Tweestromenland.

Tetradrachme van Antiochus VII Euergetes Sidetes

Tijdens deze strijd heerste er een tijdlang anarchie tussen de Tigris en de Eufraat. Zowel de Parthen als de Seleuciden slaagden er niet meteen in de streek onder controle te krijgen. Uit dit vacuüm ontstonden enkele kortstondige koninkrijkjes, geregeerd door voormalige Seleucidische functionarissen of lokale heersers. Mettertijd werd de greep van de Parthen echter steeds sterker. Koning Antiochus VII Sidetes (138 – 129 v.C.) ondernam nog een laatste poging om alsnog in het Tweestromenland het Seleucidische gezag te herstellen. Aanvankelijk was zijn veldtocht tegen de Parthen een succes, maar de vorst bleek niet opgewassen tegen de gecoördineerde tegenaanval van zijn vijand. Hij stierf in 129 v.C. tijdens deze campagne. Hiermee was het doek gevallen, de Seleucidische dynastie was definitief verdreven uit Mesopotamië. Op die manier kwam de 200-jarige Grieks-Macedonische overheersing dus aan haar einde.

Conclusie

Na de dood van Alexander en een jarenlang bloedig conflict met Antigonos Monophthalmos kwam Seleucus aan de macht in het Tweestromenland op het einde van de 4de eeuw v.C. Zijn dynastie consolideerde haar gezag via de stichting van enkele belangrijke kolonies zoals Seleucië-aan-de-Tigris. Dit beleid zorgde niet voor de teloorgang van de inheemse steden. Meer nog, de archeologie toont aan hoe de meeste Mesopotamische nederzettingen gedurende de 3de eeuw v.C. weer gingen bloeien. In de 2de eeuw v.C. ging het echter bergafwaarts voor de Seleuciden in Mesopotamië door aanhoudende interne crisissen. Van deze kwetsbare situatie ging een nieuwe vijand uit het Oosten ten volle profiteren: de Parthen. Het ‘Huis van Seleucus’ bleek in het Tweestromenland niet bestand tegen dit Noord-Iraanse koninkrijk: de Parthen zouden de streek inpalmen en er meer dan drie eeuwen de scepter zwaaien. Ondertussen verviel het eens zo machtige Seleucidische imperium tot een lokaal Syrisch koninkrijkje dat de speelbal werd van buitenlandse mogendheden en uiteindelijk in 63 v.C. werd veroverd door de Romeinse generaal Gnaeus Pompeius Magnus.

Lees meer

Aperghis, G., The Seleukid Royal Economy: The Finances and Financial Administration of the Seleukid Empire, 2004.
Boiy, T., Babylon: De echte Stad en de Mythe, 2010.
Capdetrey, L., Le pouvoir séleucide: territoire, administration, finances d’un royaume hellénistique (312-129 avant J.-C.), 2007.
Grayson, A., Assyrian and Babylonian Chronicles, 1975.
Kosmin, P., Time and its Adversaries in the Seleucid Empire, 2018.
Roux, G., Ancient Iraq, 1993 (1964).
Sherwin-White, S., “Aspects of Seleucid Royal Ideology: The Cylinder of Antiochus I from Borsippa”, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 111, 1991, pp. 71-86.
Sherwin-White, S. & Kuhrt, A., From Samarkhand to Sardis: A New Approach to the Seleucid Empire, 1993.
Sherwin-White, S., “Seleucid Babylonia: a case-study for the installation and development of Greek rule”, Hellenism in the East: The interaction of Greek and non-Greek civilizations from Syria to Central Asia after Alexander, eds. A. Kuhrt & S. Sherwin-White, 1987.
van der Spek, R., “The Babylonian City”, Hellenism in the East: The interaction of Greek and non-Greek civilizations from Syria to Central Asia after Alexander, eds. A. Kuhrt & S. Sherwin-White, 1987.
Wheatley, P., “Antigonus Monophthalmus in Babylonia, 310-308 B. C.”, Journal of Near Eastern Studies, Vol. 61, 2002, pp. 39-47.
Wiesehöfer, J., La Persia antica, vert. naar Italiaans A. Cristofori, 2003 (1999).

Coverafbeelding: adaptatie van de afbeeldingen ‘Mesopotamia 9 October 2020’ van NASA World View op Wikimedia (PD) & ‘Seleuco I Nicatore’ uit het ‘National Archaeological Museum of Naples (inv. nr. 5590)’ op Wikimedia (CC BY-SA 2.0 IT)

Het bericht Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/feed/ 0 2265