Pythische Spelen Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/pythische-spelen/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Pythische Spelen Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/pythische-spelen/ 32 32 136391722 Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/ https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/#respond Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2817 een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. werd de Griekse wereld opgeschrikt door de invasie van de Galaten, een gebeurtenis die niet alleen militair maar ook ideologisch diepe sporen naliet. In dit eerste artikel van een tweedelige reeks staat de vraag centraal hoe deze Keltische groep in de Griekse perceptie werd voorgesteld en hoe het beeld van de "barbaarse" vijand vorm kreeg. Vooral de Aetoliërs slaagden erin om dit anti-Galatische discours naar hun hand te zetten en in te zetten als krachtig propagandamiddel die hun politieke positie en legitimiteit versterkte.a

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. heerste er chaos in Griekenland en Macedonië. De recente oorlog tussen de diadochen Seleucus en Lysimachus had zijn tol geëist, en een sterk centraal gezag was ver zoek. Hierdoor werden de Griekse stadstaten en het Macedonische thuisland kwetsbaar. Deze situatie bood een uitgelezen kans voor een bevolkingsgroep die aan de noordelijke grens opdoemde: de Galaten. Aangetrokken door de rijkdommen van de Helleense wereld, vielen deze Kelten vanuit de Balkan Griekenland en Macedonië massaal binnen en zaaiden ze dood en verderf. Deze existentiële dreiging leidde tot een zeldzaam verschijnsel in de antieke wereld: panhelleense samenwerking. Verscheidene leden van het bondgenootschap leverden een grote inspanning om deze “barbaren” te verdrijven, maar het waren vooral de Aetoliërs die te koop liepen met hun rol in de overwinning. Voor hen had deze zege immers grote propagandistische waarde.

Dit artikel vormt het eerste deel van een tweedelige reeks over de negatieve voorstelling van de Galaten in de Hellenistische wereld. In dit deel richten we ons op de specifieke inhoud van het anti-Galatische discours in de Griekse wereld en de Aetolische toepassing van deze propaganda. In het volgende deel verleggen we onze blik naar de grote Hellenistische koninkrijken.

Historische achtergrond

De Galaten waren een Keltische bevolkingsgroep die Galatisch sprak, een taal die nauw verwant was aan het Gallisch. Ze leefden zoals de overige Kelten in stamverband met telkens een stamhoofd aan het roer. De term “Galaat” is terug te voeren op het Oudgriekse woord voor “Galliër”. Vandaag wordt in de wetenschappelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen de termen “Galliër” en “Galaat”. De Galliërs waren de continentale Kelten die in West-Europa bleven, terwijl de term “Galaten” verwijst naar de Kelten die sinds de 5de eeuw v.C. naar de Balkan migreerden. Tegen de vroege 3de eeuw v.C. bevonden deze stammen zich aan de grens van de Griekse wereld.

Over hun vroege geschiedenis is weinig met zekerheid geweten; hun verleden wordt voornamelijk gereconstrueerd op basis van Griekse bronnen die echter bevooroordeeld waren. De Grieken zagen immers de Galaten als het archetype van de barbaar. Recent archeologisch en historisch onderzoek heeft gelukkig enige nuance gebracht in dit eenzijdige beeld. In tegenstelling tot het stereotype van de Keltische volkeren als een zootje ongeregeld, hadden zij juist een complexe en efficiënte sociale en militaire organisatie waarbij de stammen goed samenwerkten.

De route van de Galaten

Nadat de Galaten de Helleense wereld waren binnengevallen, splitste hun leger zich op in grofweg drie colonnes. Eén deel settelde zich in Thracië (Polybius 4.45-46), een andere colonne van zo’n 20 000 krijgers stak de Hellespont over op uitnodiging van Nicomedes I, koning van Bithynië (Livius 38.15.). Hij zette de Kelten in als huurlingen tijdens de burgeroorlog tegen zijn broer, Zipoetes II, in ruil voor woongebied in Noord-Frygië. Deze groep heeft de antieke wereld diepgaand beïnvloed en zal in het tweede deel van deze artikelreeks in de belangstelling komen te staan. Tot slot was er een derde colonne onder leiding van Brennus. Brennus behoorde volgens Strabo (4.1.13) mogelijk tot de stam van de Prausi waarover voor de rest weinig geweten is. Hun eerste doelwit was Paeonië in 280 v.C., een gebied ten noorden van Macedonië. Na deze expeditie wist Brennus zijn krijgers te overtuigen om zich in 279 v.C. te wagen aan een meer uitdagend doelwit: de Griekse stadstaten waar hen mythische rijkdommen zouden opwachten.

De Ketische invasie in Griekenland

De Thermopylae vandaag de dag

Pausanias (10.19-23) wil ons doen geloven dat Brennus’ strijdkracht wel zo’n 152 000 infanteristen en 24 000 ruiters telde. Hoewel deze aantallen waarschijnlijk overdreven zijn, moet het totale aantal Kelten enorm zijn geweest. De bedreiging was in elk geval groot genoeg om de eeuwig kibbelende Griekse stadstaten in elkaars armen te drijven. De panhelleense tactiek moet bekend in de oren klinken voor wie vertrouwd is met de Griekse geschiedenis: de Kelten een halt toeroepen bij de Thermopylae. De eerste Keltische aanval tegen de verdedigers in de befaamde bergpas liep uit op een jammerlijke mislukking en Brennus blies de chamade.

Daarop besloot de Keltische leider het over een andere boeg te gooien. Hij liet een detachement tegen Aetolië uitrukken om de talrijke Aetolische troepen weg te lokken van bij de Griekse hoofdmacht in de Thermopylae. De list werkte, maar tegen een hoge prijs: veel Galaten sneuvelden tijdens deze expeditie. Ondertussen wist Brennus de vijand bij de Thermopylae te omsingelen dankzij de ontdekking van een pad dat om de Griekse linie heen leidde. Hierna volgde echter geen heldhaftig gevecht tot de laatste man zoals Leonidas en zijn ‘driehonderd’ dat destijds hadden gedaan. De Griekse troepen konden op tijd geëvacueerd worden dankzij de Atheense vloot die voor de kust voor anker lag.

Brennus koos vervolgens Delphi uit als nieuw doelwit. Volgens de overlevering werd deze aanval afgeslagen met de hulp van de goden die de Kelten teisterden met onder andere stormen en aardbevingen. Daarnaast droegen de Aetoliërs hun steentje bij door hun guerrillaoorlogvoering waarbij ze de Kelten onophoudelijk bestookten in het ruige terrein van Aetolië. Na een verpletterende nederlaag tegen de Phociërs besloten de Galaten zich halsoverkop terug te trekken. Tijdens de terugtocht bleven de Aetoliërs hen bestoken en uiteindelijk pleegde Brennus zelfmoord uit schaamte. De Keltische dreiging was geweken.

De oorsprong van het anti-Galatische discours

De relatie tussen de Galaten en de Helleense wereld werd dus al vanaf het begin gekenmerkt door conflict. Koning Nicomedes I bood evenwel als eerste een alternatief voor deze gewelddadige omgang met de Keltische stammen: samenwerking. In ruil voor militaire hulp kregen de Galaten land en geld. Dit beleid zouden vervolgens nagenoeg al de Hellenistische heersers in Klein-Azië voeren. Ondanks deze gunstige wederkerige relatie bleven de Grieken de Galaat omschrijven als de barbaar par excellence.

De Galatische levensstijl beantwoordde inderdaad op sommige gebieden aan de Griekse verwachtingen van een barbaar. In hun ogen ging het om loutere nomaden met een woest en vreemd voorkomen, die geen schrift kenden, laat staan geschreven wetten — een van de fundamenten van een beschaafde samenleving volgens de Grieken. Na hun vestiging in Noord-Frygië begonnen de Galaten zich steeds meer te conformeren aan de Griekse verwachtingen van een beschaafde mens. Desondanks zetten de Hellenistische vorsten deze traditie van negatieve voorstellingen voort. Waarom? Het antwoord ligt deels in het propagandistische nut van dergelijke beelden. Hoe woester en gevaarlijker de vijand, des te nobeler en sterker de overwinnaar lijkt. Dit narratief kon aldus bijdragen aan de legitimatie van het Hellenistische koningschap.

De Galaten in Griekse ogen

Al tijdens de grote invasie van 280/279 v.C. werden de Galaten gezien als een levensbedreiging voor de Helleense wereld. Hiervan getuigen enkele inscripties uit de jaren 270 v.C. (o.a. een uit Priëne die de beschermer van de stad roemt [TM 862714] en een dedicatie van een vader uit Thyateira aan Apollo om zijn zoon te redden van de Galaten [TM 838622]). Men kan de Grieken zeker niet beschuldigen van overdrijving. Bij gebrek aan een sterk centraal gezag waren de stadstaten inderdaad kwetsbaar. De poleis ontsnapten zelfs op het nippertje aan een smadelijke nederlaag bij de Thermopylae (zoals beschreven hierboven). Het was mede dankzij de tussenkomst van de goden – volgens de Grieken zelf althans – en onder andere de Aetoliërs dat de ondergang vermeden kon worden (zie Justinus 24.7.6, 24.8.3-7).

De idee van goddelijke interventie raakte al vroeg in zwang. Volgens een decreet uit Kos van 278 v.C. [TM 929025] was Apollo verantwoordelijk voor de triomf, terwijl een inscriptie van Smyrna uit hetzelfde jaar [TM 814632] de overwinning toeschrijft aan meerdere goden. Ondanks de uiteindelijke zege lieten de Galaten toch een trauma achter in het Griekse collectieve geheugen, een trauma dat de bekende Griekse historicus Angelos Chaniotis (in zijn Age of Conquests) zelfs vergelijkt met de shock van 9/11 in de westerse wereld. De Keltische invasie was zo ernstig dat een vergelijking met de Perzische invasies voor de Grieken zeker gerechtvaardigd was. Volgens Pausanias stond ditmaal niet enkel de vrijheid op het spel, maar zelfs het voortbestaan van de Griekse wereld:

ἑώρων δὲ τὸν ἐν τῷ παρόντι ἀγῶνα οὐχ ὑπὲρ ἐλευθερίας γενησόμενον, καθὰ ἐπὶ τοῦ Μήδου ποτέ, οὐδὲ δοῦσιν ὕδωρ καὶ γῆν τὰ ἀπὸ τούτου σφίσιν ἄδειαν φέροντα … ὡς οὖν ἀπολωλέναι δέον ἢ δ᾽ οὖν ἐπικρατεστέρους εἶναι, κατ᾽ ἄνδρα τε ἰδίᾳ καὶ αἱ πόλεις διέκειντο ἐν κοινῷ.

Ze realiseerden zich dat de strijd die hen te wachten stond er niet een voor vrijheid zou zijn, zoals toen ze tegen de Perzen vochten, en dat water en aarde aanbieden hen geen veiligheid zou brengen…  Dus was elke man en elke stadstaat ervan overtuigd dat ze oftewel moesten overwinnen, oftewel ten onder gaan.” (Paus. 10.19.12)

De vergelijking moet haast vanzelfsprekend zijn geweest, niet in het minst omdat de Thermopylae wederom een centraal strijdperk werden. Verder vond Pausanias de schilden van beide volkeren opvallend gelijkend en zag hij parallellen tussen de Galatische cavalerie en de Onsterfelijken, de vermaarde Perzische elitekrijgsmacht. (Pausanias 10.19.4)

De Aetoliërs maakten handig gebruik van deze associatie. Zo plaatsten ze de buitgemaakte Galatische wapenuitrustingen naast die van de Perzen in de tempel van Apollo in Delphi. Dit was een berekende propagandistische truc: dit heiligdom was een van de belangrijkste religieuze centra in de Griekse wereld, waar om de vier jaar vertegenwoordigers van de meeste stadstaten samenkwamen om deel te nemen aan de Pythische Spelen. Bijgevolg konden de Aetoliërs handig hun cruciale rol in de overwinning aan de gehele Helleense wereld meedelen en in herinnering houden.

Tetradrachme van de Aetolische Bond met op de keerzijde (rechts) Aitolos, de personificatie van de Bond, gezeten op typische Galatische schilden, c. 239-229 v.C.

Ze gingen in Delphi hun rol ook op andere manieren in de verf zetten. Zo was er een standbeeld van de personificatie van Aetolië die gezeten was boven een stapel van Keltische wapenuitrustingen. Dit standbeeld kwam ook voor op de munten van de Aetolische Bond. Daarnaast was er de Portico van de Aetoliërs, een van de grootste bouwwerken te Delphi, waar een inscriptie de schenking van Keltische wapenuitrustingen herdacht. De boodschap was helder: net zoals de Atheners destijds bij Marathon en Salamis de Griekse beschaving tegen barbarij hadden beschermd, zo hadden de Aetoliërs eenzelfde dienst bewezen aan de Helleense wereld en dit verdiende respect en erkenning.

De Aetoliërs lijken zich haast uit te roepen tot de nieuwe beschermers van Griekenland en de leidersrol van Athene op te eisen. Ze hervormden zelfs rond 246 v.C. het jaarlijkse Soteria-festival in Delphi ter ere van Zeus tot een vijfjaarlijks, maar grootser gebeuren dat meer in het teken van de Aetoliërs en hun militaire heldendaden stond (zie SIG3 402 [TM 815238]). Opvallend is hoe ze zelfs de rol van de goden begonnen te minimaliseren om de aandacht meer naar zich toe te trekken. Dit alles negeerde natuurlijk volledig de bijdrage van de Griekse stadstaten, maar dat interesseerde hen niet. Er stond immers veel op het spel.

De geopolitieke voordelen van de Galatische overwinning

Na de Galatische episode traden steeds meer leden van de Aetolische Bond toe tot de Amphictionie van Delphi, een zeer oude religieuze vereniging die instond voor de veiligheid van Delphi. Diens leden hadden het recht om stadstaten te straffen die het heiligdom schonden. Deze straf nam soms de vorm aan van een “heilige oorlog” waarbij de leden militair samenwerkten tegen de agressor.

Tegen het einde van de jaren 250 v.C. had de Aetolische Bond al negen stemmen – van de 24 – in de raad van de Amphictionie. Dankbaarheid kan een rol hebben gespeeld bij de geleidelijke toelating van de Aetoliërs, maar politieke druk moet de doorslaggevende factor zijn geweest. De Aetolische Bond groeide namelijk in de 3de eeuw v.C. uit tot de grootmacht van Centraal- en West-Griekenland. Ze begonnen zich zelfs te moeien met Egeïsche en Peloponnesische aangelegenheden. Mettertijd versterkte dus ook hun greep op Delphi, dat in de naburige regio Phocis lag. De anti-Galatische propaganda kon deze controle over het heiligdom, evenals hun positie in Griekenland, handig legitimeren.

Inscriptie op de Portico van de Aetoliërs in Delphi die de buitmaking van de Galatische schilden commemoreert

De ideologische voordelen van de Galatische overwinning

De inzet van de Aetolische propaganda ging echter verder dan loutere zelfverheerlijking en legitimatie van hun geopolitieke situatie. Wanneer we de culturele context rond de Aetoliërs erbij betrekken, wordt meteen duidelijker waarom ze zo sterk de nadruk legden op deze overwinning. Het lidmaatschap van de Aetoliërs tot de Helleense beschaving werd namelijk voortdurend in twijfel getrokken. Ze waren volgens de andere stadstaten minder Grieks of zelfs simpelweg barbaren. Zo waren ze niet in polis-verband georganiseerd, maar bestonden ze uit stammen (θνη) die in dorpjes samenleefden.

Bovendien waren ze dikwijls actief als piraten die de zeeën rond Griekenland onveilig maakten. Deze slechte reputatie was volgens de Britse historicus John Grainger (in zijn The League of the Aitolians) al goed gevestigd vooraleer ze zich gingen organiseren in een confederatie in de 4de eeuw v.C. Het feit dat ze een moeilijk verstaanbaar dialect spraken, pleitte ook al niet in hun voordeel. Deze neerbuigende houding vanwege de andere Grieken namen ze allerminst in dank af en ze grepen deze kans om hun “Grieksheid” in het gezicht te duwen van de sceptici. Griekenland had immers haar voortbestaan uitgerekend aan hen te danken.

Vanuit deze optiek kon de toetreding tot de Amphictionie van Delphi hebben gediend als een formalisatie van deze claim. Deze religieuze vereniging kwam samen bij het orakel van Delphi, een van de belangrijkste heiligdommen in de Griekse wereld. Voor de Grieken was hun gedeelde religie een van de belangrijkste expressies van hun culturele eigenheid. Toetreding tot een dergelijke organisatie was daarom een onweerlegbaar bewijs van Griekse identiteit.

Hierbij moet trouwens de Macedonische vorst Philippus II (r. 359-336 v.C.) als model hebben gediend voor de Aetoliërs. Net zoals in het geval van deze West-Grieken was de “Grieksheid” van de Macedoniërs omstreden, en net zoals in het geval van de Aetoliërs was Philippus’ toetreding tot deze Amphictionie een poging om Macedonië op de kaart te zetten als Griekse mogendheid. Net zoals de latere Macedonische overwinning onder leiding van Alexander de Grote (r. 336-323 v.C.) op de Perzische koning Darius III (r. 336–330 v.C.) diende, diende de overwinning op de Galaten om deze claim te bevestigen.

Centraal-Griekenland met Aetolië ten zuiden van Epirus en Thessalië, geklemd tussen Acarnania en Phocis (waar Delphi gelegen is)

Conclusie

De Aetoliërs claimden een centrale rol te hebben gespeeld bij de verdrijving van de Galaten. De invasie van deze Keltische stammen was een ingrijpende gebeurtenis in de 3de eeuw v.C., die een trauma in de Griekse wereld naliet. In hun ogen stond niets minder dan de beschaving op het spel. De bijdrage van de Aetoliërs aan de overwinning kwam deze West-Grieken goed van pas: de politieke invloed van de Aetolische Bond nam in deze periode toe, en het werd tijd om erkenning en respect af te dwingen bij de overige Grieken. Dit was echter geen vanzelfsprekendheid, aangezien de Aetoliërs in het verleden vaak werden bestempeld als barbaren of half-Grieken. Zij wilden eindelijk worden geaccepteerd als volwaardige leden van de Griekse wereld. De overwinning op de Galaten legitimeerde zowel hun aanspraak op deze culturele identiteit als hun stevige greep op Delphi zelf.

De voordelen die dit anti-Galatische narratief bood, gingen niet onopgemerkt voorbij aan andere spelers binnen de Hellenistische wereld. Rond dezelfde periode moesten ook de Hellenistische vorsten aan beide zijden van de Hellespont afrekenen met Galatische invallen. Zij kampten met vergelijkbare legitimiteits- en identiteitsproblemen als de Aetoliërs. Bijgevolg bood de overwinning op deze “barbaren” vergelijkbare ideologische voordelen. Toch zijn er binnen deze propaganda enkele verdere nuances te ontwaren, maar dat is stof voor het volgende deel.

Lees meer

Grainger, J. D., The League of the Aitolians. 1999, Leiden.

Larsen, J., Greek Federal States: Their Institutions and History, 1968, Oxford.

Mitchell, S., Anatolia. Land, Men, and Gods in Asia Minor I. The Celts and the Impact of Roman Rule, 1993, Oxford.

Scholten, J., The Politics of Plunder: Aitolians and their Koinon in the Early Hellenistic Era, 279 – 217 B.C., 2000, Berkeley.

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Marken019AnconaMusArcheo’, afkomstig van een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten – met de typische halsringen en schilden – afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus, vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/feed/ 0 2817
Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/#respond Sun, 25 Jul 2021 17:50:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2001

Naar aanleiding van de start van de Olympische Spelen in Tokio (verplaatst van 2020 naar 2021) gaan we in een nieuwe aflevering van onze 'Quis est?'-reeks op zoek naar het levensverhaal van één van de beroemdste atleten uit de Oudheid, Diagoras van Rhodos. In Rhodos zelf zijn er nog veel sporen te vinden van deze Olympiër en zijn nazaten, maar hoe succesvol was Diagoras tijdens en na zijn sportieve carrière?

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Toeristen op weg naar het strand in Rhodos, het Griekse eiland in de Egeïsche Zee, kijken wel eens vreemd op wanneer ze in het midden van één van de drukste rotondes de – hierboven afgebeelde – standbeeldengroep van drie mannen zien. Je komt er voorbij wanneer je vanaf het noordelijkste punt van de havenstad (de zogenaamde speerpunt vanuit bovenaanzicht) de kustweg neemt in zuidoostelijke richting naar de Acropolis en het daar vlakbij gelegen stadion (waar de lokale Spelen werden gehouden). In dat uiterste noorden van het eiland ligt nog een andere publieke trekpleister: het publieke aquarium. In tegenstelling tot het miezerige moderne beeld dat zich voor dat gebouw bevindt en dat de locatie van de beroemde Kolossus van Rhodos zou moeten aanduiden – een andere verkeerde moderne interpretatie beschreef de plaatsing ervan als wijdbeens over de haveningang, waar nu twee zuilen met herten erop staan – springt de standbeeldengroep van de drie figuren meteen in het oog. Erop afgebeeld staat immers de bekende Diagoras van Rhodos, die door twee van zijn zonen wordt gedragen. Als je dichterbij gaat lees je op de sokkel een inscriptie in het (moderne) Grieks: ΤΟ ΣΥΜΠΛΕΓΜΑ ΤΟΥ ΘΡΙΑΜΒΟΥ ΤΟΥ ΔΙΑΓΟΡΑ (“De beeldengroep van de triomf van Diagoras”). Maar wie was deze bekende inwoner van het antieke Rhodos en van welke triomf is dit beeld ook nog in onze tijd het symbool?

Afkomst

Topografische kaart van Rhodos, de hoofdstad van de eilandengroep Dodekanesos (letterlijk: de twaalf eilanden), met Ialysos aan de noordwestkust van het eiland

Dankzij verschillende (geschreven) bronnen kunnen we de levensloop van Diagoras vrij nauwkeurig reconstrueren, al doen er soms verschillende interpretaties over zijn leven de ronde. Hij werd vermoedelijk geboren rond de eeuwwisseling van de 6de naar de 5de eeuw v.C. Zoals zoveel van de ons uit de (literaire) teksten bekende personen uit de Oudheid behoorde hij tot een aristocratische familie, afkomstig van Ialysos, één van de drie Dorische poleis (de andere zijn Lindos en Kamiros) aan de noordwestkust van Rhodos. Zijn vader Damagetos behoorde tot het geslacht van de Eratidai, teruggaand op een koninklijke afstamming, namelijk die van koning Eratos van Argos (en eveneens via zijn overgrootmoeder van Aristomenes van Messene). Vermoedelijk was hij een lokale heerser (of machtige magistraat) in dit gebied van het eiland, wiens gelijknamige grootvader door Pausanias in zijn ‘Beschrijving van Griekenland’ (Hellados Periegesis) als Basileus van Ialysos wordt omschreven (Paus. 4.24.2-3).

Tom Gheldof | OUDE GESCHIEDENIS

Gereconstrueerde stamboom van Diagoras van Rhodos

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een machtige en invloedrijke familie zoals die van de Eratiden of Diagoriden naast een koninklijke, ook nog een mythologische afkomst claimt. Voor de mythische stamvader worden zowel de Griekse god Hermes (in de scholia: Schol. ad Pind. Ol. 7, inscr. a + c) als Herakles – die dan ook meteen teruggaat op diens vader, de oppergod Zeus – genoemd. De Heraklidische afstamming via diens zoon Tlepolemos (in Homerusʼ Ilias de leider die de drie Rhodische gebieden had samengebracht en de fiere Rhodiërs aanvoerde in de Trojaanse Oorlog) wordt uitgebreid beschreven in één van de vele Pindarische Oden, namelijk de Zevende Olympische, geschreven voor Diagoras van Rhodos.

Zevende Olympische Ode

Buste van de Griekse dichter Pindarus

Pindarus was een Griekse dichter uit de buurt van Thebe die zich in de 5de eeuw v.C. specialiseerde in Epinikia, overwinningsliederen op bestelling ter ere van een winnaar van de Panhelleense Spelen (de grand slam van de vier grootste Griekse Spelen, ook wel de Kransspelen genoemd naar de prijs voor de winnaar). Van de 45 bewaarde Pindarische Oden zijn er 14 voor winnaars van de Olympische Spelen (naast 12 Pythische, 11 Nemeïsche en 8 Isthmische Oden). In deze lofzangen prijst de dichter niet alleen de overwinning van een atleet en diens palmares, maar linkt hij dit ook aan mythologische, religieuze en historische gebeurtenissen uit het verleden en het heden.

De Zevende Olympische Ode werd gecomponeerd na de overwinning van Diagoras in het boksen (pygmachia of de vuistkamp) op de 79ste Olympiade in 464 v.C. Naast de hierboven reeds aangehaalde (mythologische) afstamming van Diagoras en nog enkele andere uitwijdingen, somt Pindarus ook op poëtische wijze de eerder behaalde overwinningen van de periodonikes (een eretitel voor een atleet die erin slaagden in een vierjaarlijkse cyclus of periodos alle vier de Panhelleense Spelen te winnen) op (Pind. O. 7.15-17 & 80-86):

εὐθυμάχαν ὄφρα πελώριον ἄνδρα παρ’ Ἀλφεῷ στεφανωσάμενον
αἰνέσω πυγμᾶς ἄποινα
καὶ παρὰ Κασταλίᾳ

τῶν ἄνθεσι Διαγόρας
ἐστεφανώσατο δίς, κλεινᾷ τ’ ἐν Ἰσθμῷ τετράκις εὐτυχέων,
Νεμέᾳ τ’ ἄλλαν ἐπ’ ἄλλα, καὶ κρανααῖς ἐν Ἀθάναις.
ὅ τ’ ἐνἌργει χαλκὸς ἔγνω νιν, τά τ’ ἐν Ἀρκαδίᾳ
ἔργα καὶ Θήβαις, ἀγῶνές τ’ ἔννομοι
Βοιωτίων,
Πέλλανα τ’ Αἴγινά τε νικῶνθ’ ἑξάκις. ἐν Μεγάροισίν τ’ οὐχ ἕτερον λιθίνα
ψᾶφος ἔχει λόγον.

Een reus in open gevecht wil ik prijzen. Hij won
de krans bij Alpheios’ oevers,
kampprijs in het boksen, en
bij Kastalia

Hier werd Diagoras
tweemaal bekranst met lover, op de beroemde
Isthmos won hij viermaal,
eenmaal in Nemea en later nog eens, en ook in het rotsige Athene.
Het bronzen schild van Argos kent hem, hem kennen de trofeeën
van Arkadië en Thebe, de spelen die bij wet geregeld zijn,
bij de Boiotiërs
en ook Pellene. In Aigina won hij
zesmaal. De stenen zegetafels
spreken in Megara geen andere taal. (vertaling P. Lateur)

Deze ode zou volgens een ander scholion (FGrH 515 F 18), een fragment toegeschreven aan de lokale kroniekschrijver Gorgon van Rhodos, in gouden letters zijn aangebracht op de tempel van Athena in Lindos.

Sportieve carrière

We kunnen dus in grote lijnen de sportieve carrière van deze professionele bokser uit een aristocratische familie reconstrueren. Diagoras werd waarschijnlijk al van jongs af aan getraind in deze gevaarlijke gevechtssport. Het boksen gebeurde (net zoals de andere sporten op de Griekse Spelen) naakt, maar de boksers bonden wel leren banden, later gewatteerd met wol, verschillende keren rond hun vuisten om hun knokkels te beschermen bij het slaan. Aangezien er nog geen gewichtsklassen bestonden, kunnen we vermoeden dat Diagoras fors gebouwd en zeer krachtig moet zijn geweest. Pindarus noemt hem in zijn Olympische Ode ook een εὐθυμάχης, mogelijk verwijzend naar zijn open, rechtopstaande en eerlijke stijl van boksen waarbij hij geen slagen zou hebben ontweken.

Griekse boksers afgebeeld op een zwartfigurige terracotta amfoor

Zijn palmares als bokser met zegekransen in de Panhelleense Spelen en overwinningen bij lokale spelen, waarschijnlijk tussen 480 en 464 v.C., ziet eruit als volgt:

  • 1 x Olympische Spelen
  • 1 x Pythische Spelen
  • 4 x Isthmische Spelen
  • Meerdere x Nemeïsche Spelen
  • 1 x Panathenaeën in Athene
  • + overwinningen in lokale spelen van Argos, Arcadië, Thebe, Boeotië, Pellana, 6 x in Aegina en 6 x in Megara

Nageslacht

Diagoras beroemde zich niet alleen op de (politieke) faam van zijn voorvaderen, maar hij was zelf ook een progenitor of stamvader die een roemrijk nageslacht van Olympiërs stichtte. Zonen die in de (sportieve) voetsporen van hun vader treden is natuurlijk van alle tijden en ook in onze moderne tijd kennen we verschillende voorbeelden van dynastieën in de sport, denk maar aan onze eigen Eddy en zoon Axel Merckx in het wielrennen, nationale en internationale voetballers die hun vader volgen (de Italiaanse Maldini-familie zit intussen al aan drie generaties) of succesvolle broers en zussen (bijvoorbeeld de Williams-zussen in het tennis).

Standbeeld van twee pankratiasten

Geen van allen komt echter in de buurt van de Diagoriden: alledrie de zonen van Diagoras wonnen een Olympische olijfkrans. Damagetos in het pankration (een combinatie van worstelen en boksen), Akousilaos in het worstelen en de jongste, Dorieus in zowel het boksen als het pankration. Qua overwinningen overtrof deze veelzijdige vechtsporter zijn vader zelfs nog, want hij was meervoudig periodonikes. Op de Olympische Spelen won hij het pankration in 432, 428 en 424 v.C. Daarnaast won hij ook meerdere malen op de Pythische Spelen en maar liefst 7 maal op de Nemeïsche en 8 maal op de Isthmische Spelen (zijn volledige palmares werd aangetroffen op een inscriptie in Olympia: IvO 153).

Ook twee kleinzonen van Diagoras triomfeerden in Olympia. Peisirodos, de zoon van Diagoras’ dochter Pherenike en zijn neef Eukles, zoon van Kallipateira (de andere dochter van Diagoras) traden allebei in de voetsporen van hun grootvader met een overwinning in het Olympische boksen. Pausanias vertelt hierover een bekende anecdote waarin Kallipateira (of Pherenike vanwege de verwarring door de waarschijnlijk gelijktijdige overwinningen van beide neven bij de mannen- en jongenscategorie) bij deze overwinning aanwezig was naast de ring, verkleed als mannelijke trainer. Dat was namelijk verboden – net zoals er andere (religieuze) regels golden in Olympia – voor getrouwde vrouwen. Nadat ze werd betrapt toen ze hierbij haar kleren verloor, werd ze niet gestraft, uit respect voor haar familie met zovele Olympische winnaars. Nadien werd wel ingevoerd dat ook de trainers enkel nog naakt de kampen mochten bijwonen (Paus. 5.6.7-8):

κατὰ δὲ τὴν ἐς Ὀλυμπίαν ὁδόν, πρὶν ἢ διαβῆναι τὸν Ἀλφειόν, ἔστιν ὄρος ἐκ Σκιλλοῦντος ἐρχομένῳ πέτραις ὑψηλαῖς ἀπότομον: ὀνομάζεται δὲ Τυπαῖον τὸ ὄρος. κατὰ τούτου τὰς γυναῖκας Ἠλείοις ἐστὶν ὠθεῖν νόμος, ἢν φωραθῶσιν ἐς τὸν ἀγῶνα ἐλθοῦσαι τὸν Ὀλυμπικὸν ἢ καὶ ὅλως ἐν ταῖς ἀπειρημέναις σφίσιν ἡμέραις διαβᾶσαι τὸν Ἀλφειόν. οὐ μὴν οὐδὲ ἁλῶναι λέγουσιν οὐδεμίαν, ὅτι μὴ Καλλιπάτειραν μόνην: εἰσὶ δὲ οἳ τὴν αὐτὴν ταύτην Φερενίκην καὶ οὐ Καλλιπάτειραν καλοῦσιν. αὕτη προαποθανόντος αὐτῇ τοῦ ἀνδρός, ἐξεικάσασα αὑτὴν τὰ πάντα ἀνδρὶ γυμναστῇ, ἤγαγεν ἐς Ὀλυμπίαν τὸν υἱὸν μαχούμενον: νικῶντος δὲ τοῦ Πεισιρόδου, τὸ ἔρυμα ἐν ᾧ τοὺς γυμναστὰς ἔχουσιν ἀπειλημμένους, τοῦτο ὑπερπηδῶσα ἡ Καλλιπάτειρα ἐγυμνώθη. φωραθείσης δὲ ὅτι εἴη γυνή, ταύτην ἀφιᾶσιν ἀζήμιον καὶ τῷ πατρὶ καὶ ἀδελφοῖς αὐτῆς καὶ τῷ παιδὶ αἰδῶ νέμοντες -ὑπῆρχον δὴ ἅπασιν αὐτοῖς Ὀλυμπικαὶ νῖκαι-, ἐποίησαν δὲ νόμον ἐς τὸ ἔπειτα ἐπὶ τοῖς γυμνασταῖς γυμνοὺς σφᾶς ἐς τὸν ἀγῶνα ἐσέρχεσθαι.

Als je vanaf Skillous de weg naar Olympia neemt, komt, voordat je de Alpheios oversteekt, een steile berg met hoge rotsen. Die berg heet Typaion. Er is een wet bij de Eliërs dat daar vrouwen vanaf gegooid worden die betrapt zijn op een bezoek aan de Olympische spelen of zelfs op dagen dat het hen verboden is de Alpheios hebben overgestoken. Er zou echter geen enkele vrouw betrapt zijn behalve Kallipateira. Anderen noemen haar niet Kallipateira, maar Pherenike. Na de dood van haar echtgenoot had zij zich helemaal als trainer vermomd en bracht ze haar zoon naar Olympia om aan de wedstrijden mee te doen. Toen Kallipateira bij de overwinning van Peisidoros over de omheining sprong, waarbinnen de trainers afgezonderd werden gehouden, raakte ze ontbloot. Zo werd ontdekt dat ze een vrouw was, maar uit respect voor haar vader, broers en zoon, die allemaal Olympische winnaars waren, lieten ze haar ongestraft gaan. Wel werd een wet gemaakt dat gymnasten voortaan naakt het strijdperk moesten betreden. (vertaling P. Burgersdijk)

Print van James Barry (omstreeks 1800) met de overwinning van de Diagoriden

Diezelfde Pausanias bezocht op zijn tocht door Griekenland ook de site van Olympia in Elis en zag daar in de Altis, het ommuurde heilige domein gewijd aan Zeus, standbeelden voor Diagoras en zijn nageslacht naast die van andere Olympische winnaars staan. Het beeld van de pater familias zelf was gemaakt door de bekende beeldhouwer Kallikles, die ook het beeld van Zeus in Megara heeft gemaakt (Paus. 6.7.2).

© Alienor.org, Le Musée d'Angoulême

Reliëfsculptuur van de Franse beeldhouwer Raoul Verlet die de dood van Diagoras afbeeldde (1883)

En zo komen we opnieuw bij de beeldvorming waarvan het standbeeld in Rhodos de moderne interpretatie is. Ook die gaat terug op een verhaal dat door Pausanias, maar ook door andere auteurs zoals Plutarchus en zelfs Cicero (in diens Tusculanae Disputationes) wordt gedeeld. Na de overwinning van Diagoras’ zonen Akousilaos en Damagetos (waarschijnlijk tijdens de 83ste Olympiade in 448 v.C.) werd hij door zonen gedragen, toegejuicht door de Griekse toeschouwers en kreeg hij van een Spartaan te horen (Cic. Tusc. 1.46.111): “Morere, Diagora, non enim in caelum ascensurus es” (Sterf nu maar, Diagoras, want je zal immers niet verder opstijgen naar de hemel). Hiermee bedoelde hij dat Diagoras het hoogtepunt van zijn leven al had meegemaakt, al zouden later natuurlijk nog zijn kleinzonen voor nieuwe overwinningen zorgen. Of Diagoras die nog heeft meegemaakt is niet bekend. In sommige versies van dit verhaal, bijvoorbeeld bij Aulus Gellius, sterft hij namelijk meteen na het horen van deze woorden (NA, 3.15.3). Het beeld van Diagoras die in de lucht wordt getild door zijn beide zonen bood kunstenaars in latere tijden dan ook genoeg inspiratie om de familie van de Diagoriden als Olympische winnaars te vereeuwigen.

Sport en Politiek

De verwevenheid tussen sport en politiek is er altijd al geweest, van de Griekse vorsten en Homerische helden die deelnamen aan de lijkspelen voor Patroklos in de Ilias tot de deelname van tirannen en keizers (waaronder keizer Nero) aan de Olympische en andere Panhelleense Spelen. Een overwinning kon daarbij dienen als goede propaganda, zeker wanneer de winnaar ook nog eens in een besteld epinikion uitvoerig werd opgehemeld. Daarvoor hoefden sommige aristocraten (zoals de Sicilische tirannen en Alcibiades) niet eens zelf deel te nemen. In de wagenrennen konden ze als eigenaar een menner inhuren, maar kregen zij toch de krans bij een overwinning. Later werden ook de steeds professionelere atleten (die niet alleen aan de Panhelleense Spelen deelnamen, maar vaak een heel circuit van festivals afschuimden) vorstelijk beloond wanneer ze voor hun geboorteplaats een overwinning behaalden of kregen ze zelfs het ereburgerschap van een andere stad aangeboden.

In tegenstelling tot enkele andere illustere atleten weten we niet of Diagoras – in navolging van zijn (koninklijke) voorvaderen – ook een politieke functie uitoefende in Rhodos. Een voorbeeld hiervan was Milo van Croton, een succesvol worstelaar die na zijn carrière een belangrijke politieke rol speelde in zijn geboortestad en met succes zijn leger aanvoerde in de oorlog tegen Sybaris op het einde van de 6de eeuw v.C. Andere succesvolle atleten uit deze periode werden na hun dood dan weer geheroïseerd en leefden op die manier voort. In latere perioden (mogelijk door de toenemende professionalisering) werden de eerbewijzen aan zulke atleten vaker tijdens hun carrière uitgedeeld, bijvoorbeeld in de vorm van burgerrecht of het lidmaatschap van de boulè of stadsraad. Toch kennen we ook een heleboel atleten waarvan we geen gegevens hebben over een publieke carrière. De misschien wel beste Olympiër uit de Oudheid en afkomstig uit dezelfde stad als Diagoras illustreert dit. Leonidas van Rhodos won zo maar even 12 individuele Olympische titels door in vier opeenvolgende Olympiades (164-152 v.C.) telkens de drie loopnummers te winnen. Toch kennen we Leonidas uitsluitend dankzij een vermelding bij Pausanias die hem als beroemdste loper betitelt.

De zonen van Diagoras namen wel een actievere rol binnen de politiek van Rhodos op zich. Vooral Dorieus kennen we uit verschillende bronnen (Thuc. 8.39.1-43.2) als één van de leidende figuren in de politieke gebeurtenissen op het einde van de 5de eeuw v.C. Hij en zijn familie keerden zich tegen de Atheense invloed op Rhodos (in de achtergrond van de Peloponnesische Oorlog) en na zijn verbanning vluchtte Dorieus naar de Griekse kolonie Thourioi in Italië. Daar kreeg hij in 412 v.C. als nauarchos het bevel over enkele schepen en vervoegde hij daarmee de Spartaanse vloot. Het daaropvolgende jaar kon hij terugkeren naar Rhodos waar hij met behulp van de Spartanen een oligarchisch regime instelde. Toch was zijn lijdensweg nog niet ten einde toen hij door de Atheners gevangen werd genomen, maar – opnieuw – dankzij zijn roem als atleet en zijn afkomst werd hij vrijgelaten zonder losgeld (Paus. 6.7.4-6). In 395 v.C. werden de Diagoriden en hun aanhangers uiteindelijk verdreven van de controle over Rhodos door een nieuwe staatsgreep, nadat ook de Spartanen zich tegen hen hadden gekeerd (Hell.Oxy. 15.2-3). Dat ook de kleinzoon van Diagoras, Peisirodos, mogelijk een politieke rol – hij kreeg net zoals zijn oom het burgerrecht van Thourioi – speelde, blijkt mogelijk uit zijn naamgeving waarin de aspiratie om Rhodos opnieuw te verenigen (voltooid na de samenvoeging van de drie steden tot een stadstaat Rhodos bij het synoikisme van 408 v.C.) zou zitten vervat.

Schilderij ‘Diagoras porté en triomphe par ses fils’ van de Franse kunstschilder Auguste Vinchon (1814)

Receptie

Logo van voetbalclub Diagoras F.C.

Dat Diagoras nog niet is vergeten in Rhodos blijkt niet alleen uit het standbeeld dat van hem en zijn twee zonen opgetrokken is. Ook de lokale luchthaven en een plaatselijke voetbalclub, Diagoras FC (opgericht in 1905), werden naar de beroemde atleet genoemd. Het logo van de club refereert eveneens naar de iconografie van de opgetilde vader en zijn zonen als Olympische winnaars. In tegenstelling tot bij andere atleten is Diagoras’ faam vooral terug te brengen op het grootbrengen van een even roemrijk nageslacht van Olympiërs. Of hij dat bewust deed of niet – trainde hij bijvoorbeeld zijn eigen (klein)zonen – kunnen we niet direct afleiden, maar het indirecte bewijs zoals de mondelinge traditie en de standbeelden in Olympia, doen vermoeden van wel. Zijn eigen roem (en die van zijn vaderstad Rhodos) straalde af op zijn nageslacht, maar de overwinningen van hen versterkten evenzeer zijn beeld als stamvader van de succesvolle atletendynastie van de Diagoriden.

Toch is het verhaal van Diagoras nog niet helemaal ten einde. In 2018 dook in de Griekse en Turkse media ineens het verhaal op van de graftombe van Diagoras. De piramidevormige tombe was al eerder gevonden in het Turkse Turgut (vlak bij de badplaats Marmaris in de provincie Muğla) en werd door lokale inwoners beschouwd als de rustplaats van een lokale heilige.

Er is wel een connectie tussen deze plaats in het uiterste zuidwesten van Turkije en Rhodos, want in vogelvlucht is het uiterste noorden van het Griekse eiland slechts ongeveer 50 kilometer verwijderd van de Turkse vindplaats. Daarnaast werden er ook enkele inscripties gevonden die verwijzen naar inwoners van Rhodos, waaronder één [TM 868213] die in de jaren 50 door het bekende Franse epigrafistenkoppel Jeanne en Louis Robert werd uitgegeven (Bullétin épigraphique 212a in de Revue des Études Grecques 68). In het funeraire epigram wordt gesproken over een mannelijke krijger met de naam Diagoras en zijn vrouw Aristomacha. Zij dateren de inscriptie ten vroegste in de Hellenistische periode, dus het lijkt twijfelachtig of het hier effectief over het graf van de beroemde bokser gaat. Tenzij het hier natuurlijk over de zoveelste nazaat (genoemd naar de beroemde stamvader) van het roemrijke geslacht zou gaan…

Lees meer

Burgersdijk, P. (2011), Pausanias: Beschrijving van Griekenland, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Lateur, P. (1999), Pindaros: Zegezangen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Nicholson, N. (2018), ‘When Athletic Victory and Fatherhood Did Mix: The Commemoration of Diagoras of Rhodes’, Bulletin of the Institute of Classical Studies 61, p. 42–63
Pouilloux, J. (1970), ‘Callianax, gendre de Diagoras de Rhodes, à propos de la VIIe. Olympique de Pindare’, Revue de philologie 44, p. 206-214
Remijsen, S. & Clarysse, W., Ancient Olympics [http://ancientolympics.arts.kuleuven.be/]
Van Nijf, O. &  Williamson, C., Connected Contests, Ancient Athletes Online database [https://connectedcontests.webhosting.rug.nl/]

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Statue Diagoras Monument’ van Texas1980 op Wikimapia (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/feed/ 0 2001
Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/#respond Sat, 23 Jan 2021 15:47:28 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1793

Rijke Grieken konden goed hun geld en roem verdienen met muziek, terwijl andere types muzikanten in Ptolemaeïsch en Romeins Egypte minder kans hadden om hun talenten in de verf te zetten, zoals de provinciale muzikanten. Dankzij bewaarde papyri is het toch mogelijk om een analyse te maken van het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte.

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Heel wat onderzoekers bogen zich de laatste decennia over muziek en muzikanten in de Oudheid, waarbij ze voornamelijk focusten op muzikanten in het antieke Griekenland en Rome. De faraonische periode in Egypte wordt in mindere mate bestudeerd, en Ptolemaeïsch en Romeins Egypte (Grieks-Romeins Egypte) zit al helemaal in het verdomhoekje. Nochtans bevatten een aantal Griekse papyri uit die periode informatie over de Oudheid die elders niet voorhanden is. Een studie naar muzikanten in Grieks-Romeins Egypte kan daarom onze kennis over de Griekse wereld aanvullen, maar is an sich ook een boeiend onderwerp.

Muzikanten vormden een specifieke beroepscategorie in Grieks-Romeins Egypte. De grote diversiteit in muzikanten en instrumenten in die periode wijst erop dat muziek alomtegenwoordig was in verschillende domeinen en lagen van de antieke samenleving. Zo werden offers voor de goden gebracht onder muzikale begeleiding, marcheerden infanteriesoldaten op het ritme van fluitmuziek, verlichtten andere muzikanten het werk van plukkers tijdens de druivenoogst, enzovoort. Muziek, vaak in combinatie met dans, kwam je uiteraard ook tegen op de talrijke dorpsfestivals in de Egyptische chora.

Scène uit een Romeinse mozaïek met twee druivenpletters en een fluitspeler (rechts) uit de 3de eeuw n.C.

Muziek in Ptolemaeïsch Egypte

Bepaalde mannelijke leden van de rijke Griekse elite lieten zich in Ptolemaeïsch Egypte in met muziek. Dat gebeurde al van kindsbeen af (ca. 12 jaar of jonger) en op een intensieve manier. Dergelijke jongens deden de “muziekmicrobe” waarschijnlijk op tijdens hun algemene vorming in de gymnasia, want dit vormde een belangrijk onderdeel van hun basisopleiding. Nadien zochten ze een muziekmeester (hoogstwaarschijnlijk zelf een ex-muzikant) die hen tijdens de vele trainingsuren kon begeleiden. Die vroege voorbereiding had als doel om op latere leeftijd uit te blinken op (inter)nationale muziekwedstrijden tijdens sacrale festivals in de toenmalige Griekse wereld. Muzikanten die schitterden tijdens die wedstrijden konden in sommige gevallen genieten van een grote naambekendheid in (een deel van) de antieke Griekse wereld, belastingprivileges verkrijgen en een fortuin verwerven.

De bekendste wedstrijden speelden zich af in Griekenland, met de Pythische Spelen in Delphi als absolute topper voor muzikanten. Koning Ptolemaios II riep in Egypte soortgelijke festivals in het leven (onder meer de Ptolemaia en Basileia) die gemodelleerd waren naar de oude Griekse festivals met sport- en muziekwedstrijden. Hij noemde ze ‘isolympische spelen’ en stuurde boodschappers naar verschillende Griekse steden om zijn spelen te promoten. De steden werden gevraagd om hun potentiële winnaars op dezelfde wijze te belonen en te behandelen als winnaars van de Olympische Spelen (in CID 4.40 [TM 813992]). Toch evenaarden de Ptolemaia nooit de grote Griekse spelen en zijn ze in Egypte voor de laatste keer in 211-210 v.C. geattesteerd.

Om de diversiteit tussen verschillende types muzikanten aan te tonen volgen hieronder twee casestudy’s. Ten eerste staan we even stil bij het leven van Herakleotes, een jonge Griekse kitharôde. Hij staat model voor het leven van een wedstrijdmuzikant die uit een rijker, Grieks milieu kwam. Dergelijke artiesten hadden soms een jarenlange voorbereiding achter de kiezen om zich klaar te stomen voor een belangrijke wedstrijd. Het niveau van professionalisering lag hoogstwaarschijnlijk bijzonder hoog. Het bestaan van ‘provinciale muzikanten’ toont aan dat het beroep muzikant niet enkel was weggelegd voor welgestelden in Romeins Egypte. Dit type muzikanten verenigde zich in groepen en bood entertainment aan op lokale dorpsfestivals in plaats van op te treden op grote muziekwedstrijden.

Herakleotes: tonnen ambitie, maar geen middelen

Roodfigurige vaas met afbeelding van een jongeman die de kithara bespeelt (ca. 490 v.C.)

In het bekende papyrusarchief van Zenon, komen drie teksten voor die een Griekse jongeman uit de 3de eeuw v.C. schreef (P. Cairo Zen. 3 59440 [TM 1080], PSI 9 1011 [TM 2448] en P. Lond. 7 2017 [TM 1579]). Zijn naam was Herakleotes en hij was een van de Griekse inwoners van het dorpje Philadelpheia in de Fajoem. Uit de drie verzoekschriften (hypomnèmata of memoranda) die hij richtte aan Zenon, zijn we deels ingelicht over de moeilijke situatie waarin hij verkeerde. Herakleotes zat namelijk midden in zijn opleiding tot professionele kitharôde (κιθαρῳδός) – een type muzikant dat liederen zong en zichzelf daarbij begeleidde op de kithara (κιθάρα), een hoogwaardig snaarinstrument – toen het noodlot voor hem toesloeg. Zijn muziekleerkracht Demeas, tevens hoofd van het lokale gymnasion, overleed terwijl hij Herakleotes nog twee jaar had moeten opleiden. Dat de band tussen leerling en leerkracht sterk was (misschien was Herakleotes zelfs geadopteerd door zijn muziekleerkracht), bewees Demeas’ testament waarin de jongeman opgenomen was. Het maakte van Herakleotes de erfgenaam van Demeas’ muziekinstrument, hoogstwaarschijnlijk een kithara van uitmuntende kwaliteit. In zijn memoranda kaartte de jonge muzikant aan dat hij als rechtmatige erfgenaam nog steeds niets gezien had van zijn beloofde erfenis. Sterker nog, de kithara was zelfs niet opgenomen in een inventaris van Demeas’ spullen die na zijn dood was opgesteld en leek dus spoorloos verdwenen. Herakleotes achterhaalde voor het schrijven van een volgend memorandum dat Demeas’ kithara zich bij een zekere Hiëron bevond. Het instrument diende als onderpand met een waarde van 105 drachmen. Daaruit kan afgeleid worden dat de kostprijs van een nieuwe kithara veel hoger lag en dus uitsluitend aangekocht kon worden door rijke Grieken uit de elite. Bijgevolg waren alleen de rijkste (Griekse) inwoners van Ptolemaeïsch Egypte, die de financiële middelen hadden, in staat om zich te professionaliseren op een hoogstaand niveau.

Hieronder volgt de vertaling van een van de drie memoranda (P. Lond. 7 2017 [TM 1579]) die Herakleotes aan zijn voogden Zenon en Nestos schreef en waarin hij op een beleefde, maar wel wanhopige toon, beterschap voor zijn toestand hoopte te verkrijgen.

Memorandum van Herakleotes aan Zenon en Nestos, mijn aangewezen voogden.
Ik heb u al drie memoranda bezorgd met de volgende vraag: mijn leraar Demeas heeft bij testament voor mij bepaald dat voor mijn onderhoud moet worden gezorgd en dat ik alles moet krijgen wat een gentleman (vrij man) nodig heeft om zich te oefenen in het citherspel, totdat ik kan optreden in de wedstrijd. U geeft me elke maand drie drachmen en vier en een halve obool voor vlees, drie drachmen en drie chalkoi voor olie, twee drachmen en een halve obool voor vis, zeven en een halve chous wijn. Ik heb u gezegd dat dit niet voldoende is voor mij om te oefenen en u gevraagd mij omwille van Demeas en uit eerlijkheid, een maandelijkse uitkering te geven van zeven drachmen en drie obolen voor vlees, zes drachmen en zes chalkoi voor olie, zeven drachmen en drie obolen voor vis en vijftien choës wijn. Maar u hebt helemaal niet gereageerd op mijn memoranda.
Daarom vraag ik u nog een keer om mijn instrument terug te geven, dat me bij testament werd nagelaten en dat nu in het bezit is van Hiëron, of om een ander evenwaardig instrument te kopen en het mij te geven. Zo zal ik kunnen oefenen en deelnemen aan de wedstrijd, anders zal ik achterstand oplopen omdat ik geen instrument heb. En ik vraag u ook mij al het nodige te geven, zoals ik het schrijf in mijn memorandum en zoals het testament bepaalt, tot ik kan optreden in de wedstrijd. Als u dat niet wilt doen, vraag ik u mij voor twee jaar de overeenkomstige maandelijkse som te geven, zodat ik voor mezelf kan zorgen, een manager kan vinden en kan deelnemen aan de wedstrijden die de koning uitschrijft. Zo zal ik hier niet verkommeren, maar in staat zijn mezelf te helpen.
Vaarwel. Jaar 6 van de maand […]

(CLARYSSE, W. en VANDORPE, K., Zenon: Grieks manager in de schaduw van de piramiden, Leuven, 1990, p. 60-61).

Dit verzoekschrift behandelt opnieuw de vraag naar Demeas’ instrument, maar toont daarnaast aan dat Herakleotes maandelijkse voedseltoelagen ontving, maar er niet tevreden mee was. Het geld zou volgens de papyrus besteed worden aan olie, wijn, vlees en vis. Achter de keuze voor die specifieke voedingswaren kunnen we waarschijnlijk meer afleiden dan enkel het lievelingseten van de jonge Griek. Zo is geweten uit literaire bronnen dat bepaalde muzikanten in de Griekse wereld er een specifiek dieet op nahielden, omdat ze geloofden dat sommige voedingswaren een positief effect hadden op hun muziekspel. Zo komen vis (paling) en vlees bijvoorbeeld terug in de werken van Athenaeus van Naukratis (Deipnosophistae, 14.623C) en Plutarchus (De gloria Atheniensium, 6) als middeltjes die de adem konden versterken en de stem krachtiger konden maken. Uiteraard kwam dat goed van pas als kitharôde in opleiding. Dit memorandum is dus mogelijk de enige documentaire bron die dat gebruik uit literaire bronnen kan bevestigen.

De Romeinse geschiedschrijver Suetonius geeft in zijn keizersbiografieën een ander voorbeeld van een strikt dieet voor artiesten. In zijn beschrijving van keizer Nero vermeldde hij hoe Nero zelf de ambitie koesterde om een bekend artiest te worden en wat hij er voor over had om die droom te laten uitkomen. Hij zou zichzelf allerlei voedingsvoorschriften opgelegd hebben, dronk cocktails die het braken stimuleerden en liep een hele tijd rond met loden borstplaten die zijn longinhoud en zangstem moesten versterken (De vita Caesarum, Nero 20).

Hoewel Herakleotes met zijn acht drachmen en vijf obolen per maand over een groter budget beschikte om te spenderen aan voedsel dan toenmalige landarbeiders, hoopte hij via zijn verzoekschriften het maandelijkse bedrag ruim te verdubbelen.

Voeding

Gekregen toelage

Gewenste toelage

Vlees

3 drachmen, 4 obolen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Olie

[3] drachmen & 3 chalkoi

6 drachmen & 6 chalkoi

Ὄψον (vis)

2 drachmen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Wijn

7,5 choës

15 choës

TOTAAL

8 drachmen, 5 obolen, 3 chalkoi & 7,5 choës

21 drachmen, 6 chalkoi & 15 choës

Tabel met overzicht van de maandelijkse toelagen van Herakleotes en zijn gewenste toelage voor vlees, olie, vis en wijn.

De reden waarom Herakleotes telkens opnieuw hamerde op het terugkrijgen van het instrument (of een nieuw instrument van dezelfde goede kwaliteit) en zichzelf hoogstwaarschijnlijk voedde met stemversterkende middeltjes lezen we in de voorlaatste regel van het verzoekschrift: “Zodat hij zou kunnen deelnemen aan de wedstrijd die de koning had uitgeschreven”. De jonge kitharôde was dus van plan om binnen twee jaar deel te nemen aan een grote muziekwedstrijd op een sacraal festival in Egypte. Het is helaas onduidelijk of het om de Basileia of Ptolemaia ging. Een van zijn grootste angsten lezen we ook in de papyrus, namelijk dat hij een achterstand zou oplopen op de andere deelnemers omdat hij niet beschikte over een instrument waarop hij dagelijks kon oefenen. Zijn dossier toont aan dat de voorbereidingen voor een dergelijke muziekwedstrijd al zeer vroeg aanvatten en verduidelijkt opnieuw het professionalisme dat door de artiesten aan de dag werd gelegd.

De afloop van het verhaal van de jonge muzikant is helaas niet overgeleverd. Of hij ooit uitgroeide tot een succesvol kitharôde en fortuin verwierf, weten we evenmin. Zijn verhaal is waarschijnlijk wel exemplarisch voor de inspanningen die jonge Grieken in Egypte moesten leveren om het te schoppen tot professionele muzikant. Ze hadden een flinke portie motivatie (om dagelijks te trainen), discipline (zich houden aan de juiste voedingsvoorwaarden), begeleiding (een goede leermeester die hen de kneepjes van het vak moest bijbrengen en een mentorfunctie vervulde) en vooral een groot budget nodig (om het dure concertinstrument, de levensmiddelen en het loon van hun trainer te financieren).

Provinciale muzikanten in Romeins Egypte

Niet alle muzikanten in Grieks-Romeins Egypte hadden de mogelijkheid om zich evenzeer te professionaliseren als de rijke Griekse elite en deel te nemen aan muziekwedstrijden. Dat wil daarom niet zeggen dat enkel rijke personen het beroep van muzikant konden uitoefenen. Het werd uitgeoefend door mensen uit verschillende sociale lagen van de antieke samenleving. Zo bestond er bijvoorbeeld een middenklasse onder de muzikanten waarover meerdere details bekend zijn. Die informatie hebben we te danken aan een twintigtal (deels) bewaarde juridische documentaire bronnen (contracten) die de muzikanten afsloten met particulieren (bijvoorbeeld P. Oxy. 10 1275 [TM 31729], P. Oxy. 74 5014 [TM 128320], P. L. Bat. 6 54 [TM 10761], P. Flor. 1 74 [TM 23578]).

Daarnaast bestaan er nog enkele gelijkaardige contracten die afgesloten werden door dansers of danseressen of andere types van artiesten (bijvoorbeeld P. Corn. 9 [TM 10609] en BGU 7 1648 [TM 27600]). De documenten laten zien dat bepaalde muzikanten zich verenigden in ensembles en rondtrokken in hun eigen gouw of provincie om lokale dorpsfestivals tegen betaling op te vrolijken met hun muziek. Dat gebeurde voornamelijk in de Romeinse periode, hoewel er mogelijk precedenten waren in de Ptolemaeïsche periode (P. Hib. 1 54 [TM 8204], P. Oxy. 4 731 [TM 20431] en CPR 18 1 [TM 7760]). Hun beperkte actieradius (voornamelijk binnen hun eigen gouw/provincie) leverde hen de bijnaam ‘provinciale muzikanten’ in het huidige onderzoek op.

De contracten bieden informatie over de werkgevers, de muzikanten zelf (auleten waren muzikanten die de aulos bespeelden, een typisch Grieks blaasinstrument, en dat type muzikanten komt in papyri het vaakst voor) en de interne hiërarchie, de duur van de voorziene arbeid, de uitbetaling van de artiesten (een krotalistria was bijvoorbeeld een vrouwelijke danseres die een soort castagnetten hanteerde terwijl ze danste), de regeling van hun transport naar het dorp, hun bezittingen, enzovoort. Onderstaande vertaling van een 3de-eeuwse papyrus uit Oxyrhynchus (P. Oxy. 34 2721 [TM 16593]) kan dienen als pars pro toto wegens de grote uniformiteit van de contracten:

Zijn onderling overeengekomen, Aurelios Ptollion, zoon van Barbaros, en Heras, zoon van Heras, beiden burgemeester van de mannen die feest vieren in het dorp Nesmeimis, en anderzijds Antinoos, zoon van Hermias, eerste auleet en aan het hoofd geplaatst van drie auleten en een krotalistria:
Ptollion en de anderen huurden Antinoos in met zijn volledige compagnie om op te treden voor de mannen die feesten op een festival van vier dagen vanaf de elfde van de volgende maand van Hathyr van dit jaar, voor een dagelijks salaris van 50 drachmen, 12 paren brood, twee kotylai radijsolie, behalve degene die voor verlichting dient, en een rantsoen, en de gebruikelijke diensten, en, voor alle dagen een keramion wijn, alle waren zijn puur.
In verband met hun salaris. Antinoos krijgt hier als voorschot 20 drachmen, en ze (Aurelios en Heras) zullen hem en de anderen transporteren met drie ezels, behalve bij overmacht, van de Oxyrhynchitische gouw. Ze zullen hen brengen naar het dorp en hen een veilige en stille accommodatie aanbieden, en na de vier dagen, nadat ze tevreden zijn met hun salarissen en de fooien, in totaal en verplicht, zullen ze hen transporteren op de vijftiende naar dezelfde Oxyrhynchites met eenzelfde aantal ezels, drie, gezond en wel.
Antinoos van zijn kant stemt in met alle vastgestelde bepalingen hierboven. De wederzijdse overeenkomst, opgemaakt in twee exemplaren is geldig.
Het veertiende jaar van de keizer Marcus Aurelius Severus Alexander, Pius, Felix, Augustus, de dertiende Phaophi.

Deze juridische documenten laten zien dat het contract vaak onderhandeld werd tussen twee partijen. De eerste partij was die van de werkgever, die de muzikanten inhuurde. In sommige gevallen was dat een van de prostatai (προστάται: dorpsautoriteiten) van de kleine kômai (κῶμαι: dorpjes) op het Egyptische platteland. Toch konden het ook gewoon (rijke) particulieren of leden van een lokale dorpsvereniging zijn die een beroep deden op de kunsten van de muzikanten. De andere partij in de contracten, die de muzikanten of artiesten vertegenwoordigde, was vaak de prôtaulès (πρωταύλης: eerste auleet of fluitspeler, hoofdauleet) en/of proestôs (προεστώς: leidinggevende of letterlijk “aan het hoofd geplaatste”). In sommige papyri ontving de hoofdauleet ook een voorschot, dat hij waarschijnlijk volledig in eigen zak kon steken.

Roodfigurige vaas met afbeelding van een vrouwelijke auleet (ca. 480 v.C.)

De betaling voor het hele orkest was steeds tweeledig. Naast een goed salaris, uitbetaald in drachmen, ontvingen ze levensmiddelen (olie, wijn en brood) voor de tijd die ze spendeerden in het dorp. Vaak kregen ze daar ook een verblijfplaats aangeboden. Helaas zwijgen de papyri over hoe het geld nadien verdeeld werd. Kregen alle leden van de compagnie hetzelfde salaris, of hadden bepaalde muzikanten recht op meer vergoeding dan anderen? Een aparte clausule in het contract toont dat de werkgevers ezels (en waarschijnlijk een soort escorte) ter beschikking stelden om de muzikanten te helpen met hun transport (van en) naar het dorp. Dat was geen overbodige luxe, want de dure instrumenten en de goede uitbetaling van hun loon maakten hen hoogstwaarschijnlijk tot een geliefd doelwit voor dieven.

Helaas roepen de contracten meer vragen op dan dat ze ons antwoorden verschaffen. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk hoe de rekrutering van dergelijke artiesten gebeurde en of ze een formele opleiding hadden genoten. Daarnaast is er het hierboven besproken probleem van de betaling. Wie kreeg welk deel van de uitbetaling en verdeelde de prôtaulès het geld? De ambulante ensembles leken dus op korte termijn heel wat geld te kunnen verdienen, maar het is onduidelijk of dit een fulltime bezigheid was.

Lees meer

Bélis, A., ‘Les termes grecs et latins désignant des spécialités musicales’, Revue de Philologie de Litterature et d’Histoire anciennes 62 (1988), p. 227-250.
Bélis, A., Les musiciens dans l’antiquité, Parijs, 1999.
Bélis, A., ‘Contrats et engagements de musiciens et d’artistes transmis par des papyrus grecs’, p. 149-157 in Emerit (ed.), Le statut du musician dans la méditerranée ancienne: Égypte, Mésopotamie, Grèce, Rome, Parijs, 2013.
Manniche, L., Music and musicians in ancient Egypt, Londen, 1991.
Power, T., The culture of kitharôidia, Cambridge, Massachusetts en Londen, 2010.
Vandoni, M., Feste pubbliche e private nei documenti greci, Milaan, 1964, n° 14-27.

Coverafbeelding: adaptatie van de flyer van de tentoonstelling ‘Sounds of Roman Egypt’ in het UCL Petrie Museum (22 januari-22 april 2019) (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1793