Megara Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/megara/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Wed, 28 Jul 2021 09:03:11 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.3 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Megara Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/megara/ 32 32 136391722 Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/#respond Sun, 25 Jul 2021 17:50:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2001

Naar aanleiding van de start van de Olympische Spelen in Tokio (verplaatst van 2020 naar 2021) gaan we in een nieuwe aflevering van onze 'Quis est?'-reeks op zoek naar het levensverhaal van één van de beroemdste atleten uit de Oudheid, Diagoras van Rhodos. In Rhodos zelf zijn er nog veel sporen te vinden van deze Olympiër en zijn nazaten, maar hoe succesvol was Diagoras tijdens en na zijn sportieve carrière?

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Toeristen op weg naar het strand in Rhodos, het Griekse eiland in de Egeïsche Zee, kijken wel eens vreemd op wanneer ze in het midden van één van de drukste rotondes de – hierboven afgebeelde – standbeeldengroep van drie mannen zien. Je komt er voorbij wanneer je vanaf het noordelijkste punt van de havenstad (de zogenaamde speerpunt vanuit bovenaanzicht) de kustweg neemt in zuidoostelijke richting naar de Acropolis en het daar vlakbij gelegen stadion (waar de lokale Spelen werden gehouden). In dat uiterste noorden van het eiland ligt nog een andere publieke trekpleister: het publieke aquarium. In tegenstelling tot het miezerige moderne beeld dat zich voor dat gebouw bevindt en dat de locatie van de beroemde Kolossus van Rhodos zou moeten aanduiden – een andere verkeerde moderne interpretatie beschreef de plaatsing ervan als wijdbeens over de haveningang, waar nu twee zuilen met herten erop staan – springt de standbeeldengroep van de drie figuren meteen in het oog. Erop afgebeeld staat immers de bekende Diagoras van Rhodos, die door twee van zijn zonen wordt gedragen. Als je dichterbij gaat lees je op de sokkel een inscriptie in het (moderne) Grieks: ΤΟ ΣΥΜΠΛΕΓΜΑ ΤΟΥ ΘΡΙΑΜΒΟΥ ΤΟΥ ΔΙΑΓΟΡΑ (“De beeldengroep van de triomf van Diagoras”). Maar wie was deze bekende inwoner van het antieke Rhodos en van welke triomf is dit beeld ook nog in onze tijd het symbool?

Afkomst

Topografische kaart van Rhodos, de hoofdstad van de eilandengroep Dodekanesos (letterlijk: de twaalf eilanden), met Ialysos aan de noordwestkust van het eiland

Dankzij verschillende (geschreven) bronnen kunnen we de levensloop van Diagoras vrij nauwkeurig reconstrueren, al doen er soms verschillende interpretaties over zijn leven de ronde. Hij werd vermoedelijk geboren rond de eeuwwisseling van de 6de naar de 5de eeuw v.C. Zoals zoveel van de ons uit de (literaire) teksten bekende personen uit de Oudheid behoorde hij tot een aristocratische familie, afkomstig van Ialysos, één van de drie Dorische poleis (de andere zijn Lindos en Kamiros) aan de noordwestkust van Rhodos. Zijn vader Damagetos behoorde tot het geslacht van de Eratidai, teruggaand op een koninklijke afstamming, namelijk die van koning Eratos van Argos (en eveneens via zijn overgrootmoeder van Aristomenes van Messene). Vermoedelijk was hij een lokale heerser (of machtige magistraat) in dit gebied van het eiland, wiens gelijknamige grootvader door Pausanias in zijn ‘Beschrijving van Griekenland’ (Hellados Periegesis) als Basileus van Ialysos wordt omschreven (Paus. 4.24.2-3).

Tom Gheldof | OUDE GESCHIEDENIS

Gereconstrueerde stamboom van Diagoras van Rhodos

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een machtige en invloedrijke familie zoals die van de Eratiden of Diagoriden naast een koninklijke, ook nog een mythologische afkomst claimt. Voor de mythische stamvader worden zowel de Griekse god Hermes (in de scholia: Schol. ad Pind. Ol. 7, inscr. a + c) als Herakles – die dan ook meteen teruggaat op diens vader, de oppergod Zeus – genoemd. De Heraklidische afstamming via diens zoon Tlepolemos (in Homerusʼ Ilias de leider die de drie Rhodische gebieden had samengebracht en de fiere Rhodiërs aanvoerde in de Trojaanse Oorlog) wordt uitgebreid beschreven in één van de vele Pindarische Oden, namelijk de Zevende Olympische, geschreven voor Diagoras van Rhodos.

Zevende Olympische Ode

Buste van de Griekse dichter Pindarus

Pindarus was een Griekse dichter uit de buurt van Thebe die zich in de 5de eeuw v.C. specialiseerde in Epinikia, overwinningsliederen op bestelling ter ere van een winnaar van de Panhelleense Spelen (de grand slam van de vier grootste Griekse Spelen, ook wel de Kransspelen genoemd naar de prijs voor de winnaar). Van de 45 bewaarde Pindarische Oden zijn er 14 voor winnaars van de Olympische Spelen (naast 12 Pythische, 11 Nemeïsche en 8 Isthmische Oden). In deze lofzangen prijst de dichter niet alleen de overwinning van een atleet en diens palmares, maar linkt hij dit ook aan mythologische, religieuze en historische gebeurtenissen uit het verleden en het heden.

De Zevende Olympische Ode werd gecomponeerd na de overwinning van Diagoras in het boksen (pygmachia of de vuistkamp) op de 79ste Olympiade in 464 v.C. Naast de hierboven reeds aangehaalde (mythologische) afstamming van Diagoras en nog enkele andere uitwijdingen, somt Pindarus ook op poëtische wijze de eerder behaalde overwinningen van de periodonikes (een eretitel voor een atleet die erin slaagden in een vierjaarlijkse cyclus of periodos alle vier de Panhelleense Spelen te winnen) op (Pind. O. 7.15-17 & 80-86):

εὐθυμάχαν ὄφρα πελώριον ἄνδρα παρ’ Ἀλφεῷ στεφανωσάμενον
αἰνέσω πυγμᾶς ἄποινα
καὶ παρὰ Κασταλίᾳ

τῶν ἄνθεσι Διαγόρας
ἐστεφανώσατο δίς, κλεινᾷ τ’ ἐν Ἰσθμῷ τετράκις εὐτυχέων,
Νεμέᾳ τ’ ἄλλαν ἐπ’ ἄλλα, καὶ κρανααῖς ἐν Ἀθάναις.
ὅ τ’ ἐνἌργει χαλκὸς ἔγνω νιν, τά τ’ ἐν Ἀρκαδίᾳ
ἔργα καὶ Θήβαις, ἀγῶνές τ’ ἔννομοι
Βοιωτίων,
Πέλλανα τ’ Αἴγινά τε νικῶνθ’ ἑξάκις. ἐν Μεγάροισίν τ’ οὐχ ἕτερον λιθίνα
ψᾶφος ἔχει λόγον.

Een reus in open gevecht wil ik prijzen. Hij won
de krans bij Alpheios’ oevers,
kampprijs in het boksen, en
bij Kastalia

Hier werd Diagoras
tweemaal bekranst met lover, op de beroemde
Isthmos won hij viermaal,
eenmaal in Nemea en later nog eens, en ook in het rotsige Athene.
Het bronzen schild van Argos kent hem, hem kennen de trofeeën
van Arkadië en Thebe, de spelen die bij wet geregeld zijn,
bij de Boiotiërs
en ook Pellene. In Aigina won hij
zesmaal. De stenen zegetafels
spreken in Megara geen andere taal. (vertaling P. Lateur)

Deze ode zou volgens een ander scholion (FGrH 515 F 18), een fragment toegeschreven aan de lokale kroniekschrijver Gorgon van Rhodos, in gouden letters zijn aangebracht op de tempel van Athena in Lindos.

Sportieve carrière

We kunnen dus in grote lijnen de sportieve carrière van deze professionele bokser uit een aristocratische familie reconstrueren. Diagoras werd waarschijnlijk al van jongs af aan getraind in deze gevaarlijke gevechtssport. Het boksen gebeurde (net zoals de andere sporten op de Griekse Spelen) naakt, maar de boksers bonden wel leren banden, later gewatteerd met wol, verschillende keren rond hun vuisten om hun knokkels te beschermen bij het slaan. Aangezien er nog geen gewichtsklassen bestonden, kunnen we vermoeden dat Diagoras fors gebouwd en zeer krachtig moet zijn geweest. Pindarus noemt hem in zijn Olympische Ode ook een εὐθυμάχης, mogelijk verwijzend naar zijn open, rechtopstaande en eerlijke stijl van boksen waarbij hij geen slagen zou hebben ontweken.

Griekse boksers afgebeeld op een zwartfigurige terracotta amfoor

Zijn palmares als bokser met zegekransen in de Panhelleense Spelen en overwinningen bij lokale spelen, waarschijnlijk tussen 480 en 464 v.C., ziet eruit als volgt:

  • 1 x Olympische Spelen
  • 1 x Pythische Spelen
  • 4 x Isthmische Spelen
  • Meerdere x Nemeïsche Spelen
  • 1 x Panathenaeën in Athene
  • + overwinningen in lokale spelen van Argos, Arcadië, Thebe, Boeotië, Pellana, 6 x in Aegina en 6 x in Megara

Nageslacht

Diagoras beroemde zich niet alleen op de (politieke) faam van zijn voorvaderen, maar hij was zelf ook een progenitor of stamvader die een roemrijk nageslacht van Olympiërs stichtte. Zonen die in de (sportieve) voetsporen van hun vader treden is natuurlijk van alle tijden en ook in onze moderne tijd kennen we verschillende voorbeelden van dynastieën in de sport, denk maar aan onze eigen Eddy en zoon Axel Merckx in het wielrennen, nationale en internationale voetballers die hun vader volgen (de Italiaanse Maldini-familie zit intussen al aan drie generaties) of succesvolle broers en zussen (bijvoorbeeld de Williams-zussen in het tennis).

Standbeeld van twee pankratiasten

Geen van allen komt echter in de buurt van de Diagoriden: alledrie de zonen van Diagoras wonnen een Olympische olijfkrans. Damagetos in het pankration (een combinatie van worstelen en boksen), Akousilaos in het worstelen en de jongste, Dorieus in zowel het boksen als het pankration. Qua overwinningen overtrof deze veelzijdige vechtsporter zijn vader zelfs nog, want hij was meervoudig periodonikes. Op de Olympische Spelen won hij het pankration in 432, 428 en 424 v.C. Daarnaast won hij ook meerdere malen op de Pythische Spelen en maar liefst 7 maal op de Nemeïsche en 8 maal op de Isthmische Spelen (zijn volledige palmares werd aangetroffen op een inscriptie in Olympia: IvO 153).

Ook twee kleinzonen van Diagoras triomfeerden in Olympia. Peisirodos, de zoon van Diagoras’ dochter Pherenike en zijn neef Eukles, zoon van Kallipateira (de andere dochter van Diagoras) traden allebei in de voetsporen van hun grootvader met een overwinning in het Olympische boksen. Pausanias vertelt hierover een bekende anecdote waarin Kallipateira (of Pherenike vanwege de verwarring door de waarschijnlijk gelijktijdige overwinningen van beide neven bij de mannen- en jongenscategorie) bij deze overwinning aanwezig was naast de ring, verkleed als mannelijke trainer. Dat was namelijk verboden – net zoals er andere (religieuze) regels golden in Olympia – voor getrouwde vrouwen. Nadat ze werd betrapt toen ze hierbij haar kleren verloor, werd ze niet gestraft, uit respect voor haar familie met zovele Olympische winnaars. Nadien werd wel ingevoerd dat ook de trainers enkel nog naakt de kampen mochten bijwonen (Paus. 5.6.7-8):

κατὰ δὲ τὴν ἐς Ὀλυμπίαν ὁδόν, πρὶν ἢ διαβῆναι τὸν Ἀλφειόν, ἔστιν ὄρος ἐκ Σκιλλοῦντος ἐρχομένῳ πέτραις ὑψηλαῖς ἀπότομον: ὀνομάζεται δὲ Τυπαῖον τὸ ὄρος. κατὰ τούτου τὰς γυναῖκας Ἠλείοις ἐστὶν ὠθεῖν νόμος, ἢν φωραθῶσιν ἐς τὸν ἀγῶνα ἐλθοῦσαι τὸν Ὀλυμπικὸν ἢ καὶ ὅλως ἐν ταῖς ἀπειρημέναις σφίσιν ἡμέραις διαβᾶσαι τὸν Ἀλφειόν. οὐ μὴν οὐδὲ ἁλῶναι λέγουσιν οὐδεμίαν, ὅτι μὴ Καλλιπάτειραν μόνην: εἰσὶ δὲ οἳ τὴν αὐτὴν ταύτην Φερενίκην καὶ οὐ Καλλιπάτειραν καλοῦσιν. αὕτη προαποθανόντος αὐτῇ τοῦ ἀνδρός, ἐξεικάσασα αὑτὴν τὰ πάντα ἀνδρὶ γυμναστῇ, ἤγαγεν ἐς Ὀλυμπίαν τὸν υἱὸν μαχούμενον: νικῶντος δὲ τοῦ Πεισιρόδου, τὸ ἔρυμα ἐν ᾧ τοὺς γυμναστὰς ἔχουσιν ἀπειλημμένους, τοῦτο ὑπερπηδῶσα ἡ Καλλιπάτειρα ἐγυμνώθη. φωραθείσης δὲ ὅτι εἴη γυνή, ταύτην ἀφιᾶσιν ἀζήμιον καὶ τῷ πατρὶ καὶ ἀδελφοῖς αὐτῆς καὶ τῷ παιδὶ αἰδῶ νέμοντες -ὑπῆρχον δὴ ἅπασιν αὐτοῖς Ὀλυμπικαὶ νῖκαι-, ἐποίησαν δὲ νόμον ἐς τὸ ἔπειτα ἐπὶ τοῖς γυμνασταῖς γυμνοὺς σφᾶς ἐς τὸν ἀγῶνα ἐσέρχεσθαι.

Als je vanaf Skillous de weg naar Olympia neemt, komt, voordat je de Alpheios oversteekt, een steile berg met hoge rotsen. Die berg heet Typaion. Er is een wet bij de Eliërs dat daar vrouwen vanaf gegooid worden die betrapt zijn op een bezoek aan de Olympische spelen of zelfs op dagen dat het hen verboden is de Alpheios hebben overgestoken. Er zou echter geen enkele vrouw betrapt zijn behalve Kallipateira. Anderen noemen haar niet Kallipateira, maar Pherenike. Na de dood van haar echtgenoot had zij zich helemaal als trainer vermomd en bracht ze haar zoon naar Olympia om aan de wedstrijden mee te doen. Toen Kallipateira bij de overwinning van Peisidoros over de omheining sprong, waarbinnen de trainers afgezonderd werden gehouden, raakte ze ontbloot. Zo werd ontdekt dat ze een vrouw was, maar uit respect voor haar vader, broers en zoon, die allemaal Olympische winnaars waren, lieten ze haar ongestraft gaan. Wel werd een wet gemaakt dat gymnasten voortaan naakt het strijdperk moesten betreden. (vertaling P. Burgersdijk)

Print van James Barry (omstreeks 1800) met de overwinning van de Diagoriden

Diezelfde Pausanias bezocht op zijn tocht door Griekenland ook de site van Olympia in Elis en zag daar in de Altis, het ommuurde heilige domein gewijd aan Zeus, standbeelden voor Diagoras en zijn nageslacht naast die van andere Olympische winnaars staan. Het beeld van de pater familias zelf was gemaakt door de bekende beeldhouwer Kallikles, die ook het beeld van Zeus in Megara heeft gemaakt (Paus. 6.7.2).

© Alienor.org, Le Musée d'Angoulême

Reliëfsculptuur van de Franse beeldhouwer Raoul Verlet die de dood van Diagoras afbeeldde (1883)

En zo komen we opnieuw bij de beeldvorming waarvan het standbeeld in Rhodos de moderne interpretatie is. Ook die gaat terug op een verhaal dat door Pausanias, maar ook door andere auteurs zoals Plutarchus en zelfs Cicero (in diens Tusculanae Disputationes) wordt gedeeld. Na de overwinning van Diagoras’ zonen Akousilaos en Damagetos (waarschijnlijk tijdens de 83ste Olympiade in 448 v.C.) werd hij door zonen gedragen, toegejuicht door de Griekse toeschouwers en kreeg hij van een Spartaan te horen (Cic. Tusc. 1.46.111): “Morere, Diagora, non enim in caelum ascensurus es” (Sterf nu maar, Diagoras, want je zal immers niet verder opstijgen naar de hemel). Hiermee bedoelde hij dat Diagoras het hoogtepunt van zijn leven al had meegemaakt, al zouden later natuurlijk nog zijn kleinzonen voor nieuwe overwinningen zorgen. Of Diagoras die nog heeft meegemaakt is niet bekend. In sommige versies van dit verhaal, bijvoorbeeld bij Aulus Gellius, sterft hij namelijk meteen na het horen van deze woorden (NA, 3.15.3). Het beeld van Diagoras die in de lucht wordt getild door zijn beide zonen bood kunstenaars in latere tijden dan ook genoeg inspiratie om de familie van de Diagoriden als Olympische winnaars te vereeuwigen.

Sport en Politiek

De verwevenheid tussen sport en politiek is er altijd al geweest, van de Griekse vorsten en Homerische helden die deelnamen aan de lijkspelen voor Patroklos in de Ilias tot de deelname van tirannen en keizers (waaronder keizer Nero) aan de Olympische en andere Panhelleense Spelen. Een overwinning kon daarbij dienen als goede propaganda, zeker wanneer de winnaar ook nog eens in een besteld epinikion uitvoerig werd opgehemeld. Daarvoor hoefden sommige aristocraten (zoals de Sicilische tirannen en Alcibiades) niet eens zelf deel te nemen. In de wagenrennen konden ze als eigenaar een menner inhuren, maar kregen zij toch de krans bij een overwinning. Later werden ook de steeds professionelere atleten (die niet alleen aan de Panhelleense Spelen deelnamen, maar vaak een heel circuit van festivals afschuimden) vorstelijk beloond wanneer ze voor hun geboorteplaats een overwinning behaalden of kregen ze zelfs het ereburgerschap van een andere stad aangeboden.

In tegenstelling tot enkele andere illustere atleten weten we niet of Diagoras – in navolging van zijn (koninklijke) voorvaderen – ook een politieke functie uitoefende in Rhodos. Een voorbeeld hiervan was Milo van Croton, een succesvol worstelaar die na zijn carrière een belangrijke politieke rol speelde in zijn geboortestad en met succes zijn leger aanvoerde in de oorlog tegen Sybaris op het einde van de 6de eeuw v.C. Andere succesvolle atleten uit deze periode werden na hun dood dan weer geheroïseerd en leefden op die manier voort. In latere perioden (mogelijk door de toenemende professionalisering) werden de eerbewijzen aan zulke atleten vaker tijdens hun carrière uitgedeeld, bijvoorbeeld in de vorm van burgerrecht of het lidmaatschap van de boulè of stadsraad. Toch kennen we ook een heleboel atleten waarvan we geen gegevens hebben over een publieke carrière. De misschien wel beste Olympiër uit de Oudheid en afkomstig uit dezelfde stad als Diagoras illustreert dit. Leonidas van Rhodos won zo maar even 12 individuele Olympische titels door in vier opeenvolgende Olympiades (164-152 v.C.) telkens de drie loopnummers te winnen. Toch kennen we Leonidas uitsluitend dankzij een vermelding bij Pausanias die hem als beroemdste loper betitelt.

De zonen van Diagoras namen wel een actievere rol binnen de politiek van Rhodos op zich. Vooral Dorieus kennen we uit verschillende bronnen (Thuc. 8.39.1-43.2) als één van de leidende figuren in de politieke gebeurtenissen op het einde van de 5de eeuw v.C. Hij en zijn familie keerden zich tegen de Atheense invloed op Rhodos (in de achtergrond van de Peloponnesische Oorlog) en na zijn verbanning vluchtte Dorieus naar de Griekse kolonie Thourioi in Italië. Daar kreeg hij in 412 v.C. als nauarchos het bevel over enkele schepen en vervoegde hij daarmee de Spartaanse vloot. Het daaropvolgende jaar kon hij terugkeren naar Rhodos waar hij met behulp van de Spartanen een oligarchisch regime instelde. Toch was zijn lijdensweg nog niet ten einde toen hij door de Atheners gevangen werd genomen, maar – opnieuw – dankzij zijn roem als atleet en zijn afkomst werd hij vrijgelaten zonder losgeld (Paus. 6.7.4-6). In 395 v.C. werden de Diagoriden en hun aanhangers uiteindelijk verdreven van de controle over Rhodos door een nieuwe staatsgreep, nadat ook de Spartanen zich tegen hen hadden gekeerd (Hell.Oxy. 15.2-3). Dat ook de kleinzoon van Diagoras, Peisirodos, mogelijk een politieke rol – hij kreeg net zoals zijn oom het burgerrecht van Thourioi – speelde, blijkt mogelijk uit zijn naamgeving waarin de aspiratie om Rhodos opnieuw te verenigen (voltooid na de samenvoeging van de drie steden tot een stadstaat Rhodos bij het synoikisme van 408 v.C.) zou zitten vervat.

Schilderij ‘Diagoras porté en triomphe par ses fils’ van de Franse kunstschilder Auguste Vinchon (1814)

Receptie

Logo van voetbalclub Diagoras F.C.

Dat Diagoras nog niet is vergeten in Rhodos blijkt niet alleen uit het standbeeld dat van hem en zijn twee zonen opgetrokken is. Ook de lokale luchthaven en een plaatselijke voetbalclub, Diagoras FC (opgericht in 1905), werden naar de beroemde atleet genoemd. Het logo van de club refereert eveneens naar de iconografie van de opgetilde vader en zijn zonen als Olympische winnaars. In tegenstelling tot bij andere atleten is Diagoras’ faam vooral terug te brengen op het grootbrengen van een even roemrijk nageslacht van Olympiërs. Of hij dat bewust deed of niet – trainde hij bijvoorbeeld zijn eigen (klein)zonen – kunnen we niet direct afleiden, maar het indirecte bewijs zoals de mondelinge traditie en de standbeelden in Olympia, doen vermoeden van wel. Zijn eigen roem (en die van zijn vaderstad Rhodos) straalde af op zijn nageslacht, maar de overwinningen van hen versterkten evenzeer zijn beeld als stamvader van de succesvolle atletendynastie van de Diagoriden.

Toch is het verhaal van Diagoras nog niet helemaal ten einde. In 2018 dook in de Griekse en Turkse media ineens het verhaal op van de graftombe van Diagoras. De piramidevormige tombe was al eerder gevonden in het Turkse Turgut (vlak bij de badplaats Marmaris in de provincie Muğla) en werd door lokale inwoners beschouwd als de rustplaats van een lokale heilige.

Er is wel een connectie tussen deze plaats in het uiterste zuidwesten van Turkije en Rhodos, want in vogelvlucht is het uiterste noorden van het Griekse eiland slechts ongeveer 50 kilometer verwijderd van de Turkse vindplaats. Daarnaast werden er ook enkele inscripties gevonden die verwijzen naar inwoners van Rhodos, waaronder één [TM 868213] die in de jaren 50 door het bekende Franse epigrafistenkoppel Jeanne en Louis Robert werd uitgegeven (Bullétin épigraphique 212a in de Revue des Études Grecques 68). In het funeraire epigram wordt gesproken over een mannelijke krijger met de naam Diagoras en zijn vrouw Aristomacha. Zij dateren de inscriptie ten vroegste in de Hellenistische periode, dus het lijkt twijfelachtig of het hier effectief over het graf van de beroemde bokser gaat. Tenzij het hier natuurlijk over de zoveelste nazaat (genoemd naar de beroemde stamvader) van het roemrijke geslacht zou gaan…

Lees meer

Burgersdijk, P. (2011), Pausanias: Beschrijving van Griekenland, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Lateur, P. (1999), Pindaros: Zegezangen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Nicholson, N. (2018), ‘When Athletic Victory and Fatherhood Did Mix: The Commemoration of Diagoras of Rhodes’, Bulletin of the Institute of Classical Studies 61, p. 42–63
Pouilloux, J. (1970), ‘Callianax, gendre de Diagoras de Rhodes, à propos de la VIIe. Olympique de Pindare’, Revue de philologie 44, p. 206-214
Remijsen, S. & Clarysse, W., Ancient Olympics [http://ancientolympics.arts.kuleuven.be/]
Van Nijf, O. &  Williamson, C., Connected Contests, Ancient Athletes Online database [https://connectedcontests.webhosting.rug.nl/]

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Statue Diagoras Monument’ van Texas1980 op Wikimapia (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/feed/ 0 2001
À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/#respond Wed, 14 Feb 2018 16:00:59 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=635 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Turner_Ovid_Banished_from_Rome.jpg

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk De kunst der vrijage, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17n.C.), namelijk ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Meihuizen-De kunst der vrijage

Titelpagina van De kunst der vrijage

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk – of ondeugend? – om een lijst te geven van de weggelaten passages:

“Onvertaald bleven de versregels I 182-204, 283-288, 327-340, 407-408, 681-704, 741-744. II 217, 401-406, 684, 690-692, 703-733. III 11-12, 769-788, 793-808.”

Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding van zijn vertaling van de Amores:

“De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.”

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages uit de Ars Amatoria op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische en/of historische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Ars Amatoria I, 181b-204

Deze passage maakt deel uit van een uitweiding bij één van de tips die Ovidius geeft over plaatsen waar je als vrijgezel “op jacht” kan gaan. Eén mogelijke gelegenheid is een triomftocht. Bij triomftochten is een link met de politiek nooit ver weg en Ovidius grijpt de gelegenheid dan ook aan om een lofzang op af te steken. Het is in deze lofzang dat Meihuizen een stuk weglaat. Zijn vertaling gaat als volgt:

“Ziet, Keizer Augustus maakt zich gereed, het deel, dat nog aan de veroverde wereld ontbreekt, aan zijn heerschappij toe te voegen. Nu zal het uiterste Oosten ons worden! Parthen, gij zult boeten! Gij Romeinen, die met Crassus sneuveldet, verheugt U in Uwe graven en eveneens gij, veldteekens, die de barbaarsche handen, waarin ge vielt, niet kondt uitstaan! Uw wreker komt!”

Om deze passage als leek te begrijpen, hoeft men in principe niet te weten dat Ovidius hier doelt op het recupereren van de veldtekens van de Romeinse legioenen die onder leiding van Crassus in 53 v.C. bij Carrhae verslagen werden door de Parthen. Augustus kon ze in 20 v.C. na onderhandelingen terug naar Rome halen en stelde ze op in de tempel van Mars Ultor, ‘Mars de Wreker’, hetgeen meteen ook de woordspeling met wreker in de tekst verklaart. Op die manier kregen de Romeinen eerherstel, want het verlies van de legioensadelaar was een erezaak en men deed er dan ook alles aan om de veldtekens te recupereren. Een mooi voorbeeld hiervan wordt uitgewerkt in de film The Eagle uit 2011.

Eén element is wel belangrijk om in het achterhoofd te houden: in Meihuizens vertaling staat ‘Augustus’, maar de Latijnse tekst heeft ‘Caesar’. Het kan dus ook om iemand anders van de keizerlijke familie gaan. Dit wordt duidelijk in het weggelaten vervolg. Om de volgende passage te begrijpen, is echter een betere achtergrondkennis vereist.

Ars Amatoria I, 181b-204

Ultor adest primisque ducem profitetur in annis
Bellaque non puero tractat agenda puer.
Parcite natales timidi numerare deorum:
Caesaribus virtus contigit ante diem.
Ingenium caeleste suis velocius annis
Surgit, et ignavae fert male damna morae.
Parvus erat, manibusque duos Tirynthius angues
Pressit, et in cunis iam Iove dignus erat.
Nunc quoque qui puer es, quantus tum, Bacche, fuisti,
Cum timuit thyrsos India victa tuos?
Auspiciis annisque patris, puer, arma movebis,
Et vinces annis auspiciisque patris:
Tale rudimentum tanto sub nomine debes,
Nunc iuvenum princeps, deinde future senum;
Cum tibi sint fratres, fratres ulciscere laesos:
Cumque pater tibi sit, iura tuere patris.
Induit arma tibi genitor patriaeque tuusque:
Hostis ab invito regna parente rapit;
Tu pia tela feres, sceleratas ille sagittas:
Stabit pro signis iusque piumque tuis.
Vincuntur causa Parthi: vincantur et armis;
Eoas Latio dux meus addat opes.
Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti:
Nam deus e vobis alter es, alter eris.
De wreker komt en laat reeds op vroege leeftijd de leider zien

Vertaling

En als jongen voert hij oorlogen die niet door een jongen gevoerd zouden moeten worden.
Zie ervan af angstvallig de levensjaren van goden te tellen:
Leiderskwaliteiten komen bij de Caesares voor hun tijd.
Hun hemelse inborst toont zich sneller dan hun jaren
En verdraagt de vloek van passief uitstel slecht.
De Tirynthiër was nog klein toen hij met zijn handen twee slangen wurgde
En hij was in de wieg reeds Jupiter waard.
En jij, Bacchus, die ook nu nog een jongen bent, zoals ook toen,
Toen het overwonnen India jouw thyrsus vreesde?
Met goede voortekens en de geesteskracht van je vader zal je, jongen, de oorlog beëindigen,
En je zal overwinnen door de geesteskracht en de goede voortekens van je vader.
Een dergelijke jeugd ben je aan een dergelijke naam verschuldigd,
Jij die nu de keizer van de jongeren bent en later die van de oude senatoren zal zijn;
Aangezien je broeders hebt: wreek je gekrenkte broeders,
En aangezien je een vader hebt: heb aandacht voor de wetten van je vader.
Je vader voorzag je van wapens, die vader des vaderlands en ook de jouwe:
De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.
Jij draagt rechtschapen speren, de vijand misdadige pijlen.
Het recht en elk rechtschapen man staan bij jouw veldtekens.
De Parthen worden moreel overwonnen, mogen ze ook met de wapens overwonnen worden
En moge mijn leider de oosterse rijkdommen in Latium binnenbrengen.
Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat,
Want van u is de ene een god en zal de ander het worden.

Gaius Caesar, kleinzoon van keizer Augustus

De uitweiding over leeftijden in het begin van deze passage heeft meerdere betekenissen. Ten eerste kreeg Augustus zelf in 43 v.C. – op twintigjarige leeftijd – van de Senaat de toestemming om alle politieke ambten van de cursus honorum tien jaar voor de door de ‘Lex Villia Annalis’ vastgestelde leeftijd op te nemen. Deze passage kan dus gelezen worden als een verantwoording van deze maatregel, die zeer moeilijk verteerbaar was voor de anders zo behoudsgezinde Romeinen. Ten tweede – en dat is in de context van de oorlog tegen de Parthen- kan het meervoud ‘Caesaribus‘, hoewel Augustus hier waarschijnlijk inbegrepen is, slaan op Augustus’ kleinzonen Gaius en Lucius, die beiden op vijftienjarige leeftijd – respectievelijk in 5 en 2 v.C. – van de Senaat de toestemming kregen om vijf jaar nadien op hun twintigste consul te worden. Daarbij werden ze ook beiden benoemd tot princeps iuventutis, leider van de jeugd, en het is duidelijk dat Ovidius daarop alludeert met de formulering iuvenum princeps, hier vertaald met keizer van de jongeren, omdat princeps ook de titel was van de keizer. De hele passage is daardoor ook een verdediging van een opkomende dynastieke opvolging op basis van geboorte, die geleidelijk de republikeinse instellingen buitenspel zette, zonder ze echter formeel af te schaffen. Daar komt nog bij dat Gaius op zijn twintigste het bevel had over de strijdmacht die in het oosten tegen de Parthen moest strijden, in opdracht van Augustus. Het was ook hij die met de Parthische koning Phraates V de onderhandelingen voerde voor het teruggeven van de legioensadelaar van Crassus. Het spreekt voor zich dat deze achtergrondkennis voor een groot deel zo niet geheel ontbreekt bij Meihuizens beoogde doelpubliek, de “hedendaagsche mensch”, die minder in detail of zelfs helemaal niet op de hoogte is van het bovenstaande.

Caravaggio’s interpretatie van de god Bacchus

De ingenomen stellingen over de keizer en zijn familie worden vervolgens gestaafd met mythologische voorbeelden, die, zoals zo vaak in antieke teksten, tamelijk cryptisch zijn. Zo is de Tirynthiër waarvan hier sprake is, niemand minder dan Hercules, die volgens de mythologie inderdaad in Tiryns geboren werd. Omdat hij een buitenechtelijk kind van Jupiter en Alcmene was, stuurde Jupiters vrouw Juno twee slangen op hem af om hem in de wieg te doden. Hercules wurgde deze echter.

Een bacchante weert een sater die ongewenste avances maakt af met haar thyrsus. Attische roodfigurige kylix, ca. 480 v.C.

De god Bacchus die vervolgens vernoemd wordt, was volgens de klassieke mythologie inderdaad afkomstig uit het oosten en in die context wordt India vaak specifiek genoemd. In de iconografie wordt hij traditioneel voorgesteld als een jongeman, met zelfs androgyne kenmerken. Beide vergelijkingen hebben ook nog een extra lading: zowel Hercules als Bacchus waren halfgoden, zonen van Jupiter en een sterfelijke moeder, die beiden vergoddelijkt werden. Een parallel met de vergoddelijking van de Romeinse keizers is uiteraard niet ver te zoeken. In de context van de cultus van Bacchus – of in het Grieks: Dionysos – duikt ook de θύρσος (thyrsos) op, waarbij de lezer geacht wordt te weten dat het hier gaat om de met klimop- en wijnranken versierde staf die een traditioneel attribuut was van elke vereerder van Bacchus.

Wanneer we verder lezen, komen we ook het volgende zinnetje tegen: “De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.” (Hostis ab invito regna parente rapit.) Meihuizens vertaling van ‘Caesar’ door ‘Augustus’ zorgt ervoor dat we bij dit zinnetje meteen denken aan de moord op Augustus’ adoptiefvader, Gaius Julius Caesar (100 v.C. – 44 v.C.). In de context van de oorlog tegen de Parthen is dit echter onmogelijk en het is dan ook waarschijnlijker dat het hier gaat om de moord op de Parthische koning Phraates IV door diens zoon Phraates V, met medewerking van Musa, één van de vrouwen van Phraates IV en de moeder van Phraates V.

Munt met rechts Phraates V en links zijn moeder Musa

Een laatste element dat voor de niet-gespecialiseerde lezer waarschijnlijk te veel uitleg behoefde – althans naar de zin van Meihuizen – is te vinden in de laatste regels: “Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat, want van u is de ene een god en zal de ander het worden.” (Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti: nam deus e vobis alter es, alter eris.) Naast het feit dat de praktijk van de vergoddelijking van keizers misschien niet algemeen bekend is bij het lezerspubliek, is er ook hier een ‘Caesar die in theorie verschillende interpretaties kan hebben. In de lijn van Meihuizens vertaling van de eerste ‘Caesarin de tekst (Augustus), zou dit dan de vergoddelijkte Julius Caesar moeten zijn, waarbij ‘pater’ zowel als godentitel gebruikt wordt als in de letterlijke betekenis vader. De passage gaat echter over Gaius, dus moet hier Gaius’ grootvader, Augustus, bedoeld worden. In dit geval kan ‘pater’ enkel als godentitel opgevat worden. Aangezien de keizers pas na hun dood officieel vergoddelijkt werden, gaat het hier dus om een voorbarige – maar wel vleiende – toekenning van de titel. Ovidius hakt voor ons de knoop door in de laatste regel: Caesar zal een god zijn, dus de Caesar die hier bedoeld wordt, moet nog vergoddelijkt worden en is dus Augustus.

Wanneer we al het voorgaande in beschouwing nemen, is deze passage dus een perfecte illustratie van Meihuizens redenering: passages die te veel voorkennis veronderstellen, worden geschrapt. In dit geval wordt de Caesar die vernoemd wordt als wreker geïdentificeerd met Augustus en niet met de voor een breed publiek onbekende Gaius. De passage die geschrapt wordt zou deze vertaling tegenspreken en deze weglating komt Meihuizen dus zeer goed uit.

Ars Amatoria I, 283-288

“Is bij ons mannen alom gebruikelijk niet zoo maar om liefde te verzoeken; de vrouw zal, als ze eenmaal door liefde bevangen is, gaarne een smeekende rol vervullen. In de weiden loeien de koeien immers om den stier en hinneken (sic) de merries om den hengst. Bij ons mannen is de hartstocht niet zoo hevig, noch leidt ze tot onzinnige dingen. Maar bij de vrouwen! De oude mythen kennen er tal van afschuwelijke voorbeelden van.”

De laatste zin is Meihuizens parafrase van de volgende weggelaten regels, die een paar korte voorbeelden geven van de voorgaande stelling, alvorens over te gaan naar het veel langer uitgesponnen verhaal van Pasiphaë dat ook als illustratie dient. De weggelaten regels zijn de volgende:

Ars Amatoria I, 283-288

Byblida quid referam, vetito quae fratris amore
Arsit et est laqueo fortiter ulta nefas?
Myrrha patrem, sed non qua filia debet, amavit,
Et nunc obducto cortice pressa latet:
Illius lacrimis, quas arbore fundit odora,
Unguimur, et dominae nomina gutta tenet.

Vertaling

Waarom zou ik Byblis vermelden, die van een verboden liefde voor haar broer
Brandde en met de strop dapper wraak nam voor deze misdaad?
Myrrha hield van haar vader, maar niet op de manier waarop het een dochter betaamt
En nu is ze verborgen, neergedrukt door een bast die over haar heen is getrokken:
Door haar tranen, die ze vanuit de geurige boom plengt,
Worden wij geparfumeerd, en de druppel draagt de naam van zijn meesteres.

Het gaat hier om een geval van wat men in de retoriek praeteritio noemt, een vermelding van iets door te zeggen dat men het niet gaat vermelden. Dat het hier in beide gevallen gaat om gevallen van incest, is waarschijnlijk niet de reden dat Meihuizen de passages laat wegvallen, want het verhaal van hoe de stier van Poseidon bij Pasiphaë de Minotaurus verwekte, wordt wel verteld. De oorzaak ligt eerder bij de niet geëxpliciteerde achtergrondkennis die nodig is om de verwijzingen te begrijpen. Omdat de mythen wat meer uitleg verdienen dan deze korte vermelding, geven we deze graag in kort bestek.

Byblis en Caunus

Byblis, dochter van de nimf Ciane en Miletus, de mythische stichter van de Klein-Aziatische stad Milete, werd verliefd op haar broer Caunus en bekende hem haar liefde in een lange brief, ondanks het feit dat ze besefte dat deze gevoelens verkeerd waren. In de brief geeft ze talrijke voorbeelden van incestueuze relaties tussen goden om zich te verantwoorden. Vol walging vlucht Caunus weg. Byblis wordt gek van verdriet en in een poging om Caunus alsnog te verleiden, achtervolgt ze hem doorheen heel Griekenland en Klein-Azië. Volgens de versie die Ovidius ons zelf geeft in zijn Metamorphoses (IX, 446-665) bezwijkt ze vervolgens aan uitputting en verandert ze in een bron, omdat ze zoveel weent. In een andere versie van de mythe probeert ze zelfmoord te plegen door van een klif te springen, waarbij ze door Hamadryaden, boomnimfen, in een boom(nimf) veranderd werd. In nog een andere versie, waarnaar in ons geval verwezen wordt, hangt ze zich simpelweg op aan haar gordel, net zoals Jocaste doet in Sophocles’ tragedie Oedipus Rex, wanneer ze verneemt dat ze met haar zoon getrouwd is. Ovidius geeft ons dus twee verschillende versies van het verhaal, uiteraard in functie van de aard van het werk: voor de Metamorphoses kiest hij uiteraard de versie waarin wel degelijk een metamorfose voorkomt.

Ook het verhaal van Myrrha wordt door Ovidius in de Metamorphoses (X, 294-559 en 708-739) uitgebreider verteld. Myrrha – in andere versies van de mythe wordt ze Smyrna genoemd – was de dochter van Cinyras van Cyprus en Cenchreis. Toen Cenchreis opschepte dat haar dochter mooiere haren had dan Aphrodite zelf – een klassiek geval van hybris – kon een straf van Aphrodite niet uitblijven: ze wekte in Myrrha een incestueus verlangen naar Cinyras, haar eigen vader. Na zich lange tijd ingehouden te hebben, weet ze haar voedster te overhalen Cinyras dronken te voeren. Wanneer Cinyras dronken gaat slapen, wacht Myrrha hem op -dit heeft veel weg van de manier waarop Lot verleid wordt door zijn dochters in Genesis 19– en weet ze hem te verleiden. Nadat dit zo een paar nachten doorgaat, wil Cinyras toch te weten komen met welke mysterieuze vrouw hij het bed deelt. Wanneer hij bij toortslicht ziet dat het zijn eigen dochter is, wil hij de schande uitwissen door haar met zijn zwaard te doden. Ze vlucht echter naar Arabië, waar de goden haar uit medelijden in een boom veranderden. Haar tranen druppelen uit de schors in de vorm van geurige hars. De boom werd naar haar ‘mirreboom’ genoemd en leverde de bekende kostbare reukstof waarnaar Ovidius in deze passage verwijst. Omdat Myrrha zwanger was van haar vader, barstte de boom na negen maanden open en werd een zoon geboren: Adonis. Toen hij het hoorde, stortte Cinyras zich op zijn eigen zwaard.

De geboorte van Adonis (schilderij van Franceschini)

Het is duidelijk dat alle mythologische toespelingen die in deze weinige regels opeengepakt zijn, de minder ervaren lezer ontgaan en door Meihuizen geheel in overeenstemming met zijn vooropgestelde principe weggelaten worden om meteen over te gaan naar het uitgewerkte verhaal van Pasiphaë, dat veel minder beroep doet op eventuele voorkennis.

Ars Amatoria I, 327-340

Vlak na het afronden van het verhaal van Pasiphaë, wordt alweer een opsomming van verschillende mythen geparafraseerd. Het eerste deel is de parafrase, wat volgt is een vertaling van de verzen 341-342:

En zulke tragedies zijn er meer: alle veroorzaakt door vrouwelijke hartstocht, die heviger en veel razender is dan de onze.

In de oorspronkelijke versie klinkt de parafrase zo:

Ars Amatoria I, 327-340

Cressa Thyesteo si se abstinuisset amore
(Et quantum est uno posse carere viro?),
Non medium rupisset iter, curruque retorto
Auroram versis Phoebus adisset equis.
Filia purpureos Niso furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes.
Qui Martem terra, Neptunum effugit in undis,
Coniugis Atrides victima dira fuit.
Cui non defleta est Ephyraeae flamma Creusae,
Et nece natorum sanguinolenta parens?
Flevit Amyntorides per inania lumina Phoenix:
Hippolytum pavidi diripuistis equi.
Quid fodis inmeritis, Phineu, sua lumina natis?
Poena reversura est in caput ista tuum.

Vertaling

Als de Kretenzische zich had onthouden van de liefde van Thyestes
(En hoe belangrijk is het één man te kunnen missen?),
Dan zou Phoebus zijn tocht niet halfweg onderbroken hebben en met gekeerde wagen
En gekeerde paarden naar de dageraad teruggekeerd zijn.
Nadat Nisus’ purperen haren gestolen waren door zijn dochter
Draagt ze razende honden aan haar middel en onderbuik.
De zoon van Atreus, die op aarde aan Mars, op zee aan Neptunus ontsnapte,
Was het ijzingwekkende slachtoffer van zijn vrouw.
Door wie werd de vlam van de Ephyreïsche Creüsa niet beweend,
En de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder?
De zoon van Amyntor, Phoenix, weende uit lege oogkassen:
Angstige paarden, jullie rukten Hippolytus weg.
Phineus, waarom steek je je onschuldige kinderen de ogen uit?
Deze straf zal op je eigen hoofd neervallen.

De Kretenzische waarvan sprake is Aerope, vrouw van Atreus en moeder van Agamemnon en Menelaos. Atreus zou volgens een orakel over de stad Mycene regeren zolang hij in het bezit was van een lam met een gouden vacht. Aerope stal het lam en gaf het aan haar minnaar Thyestes, de broer van Atreus, zodat hij de troon kon opeisen. Vervolgens lopen de versies uiteen. Volgens de meeste Griekse versies van de mythe beloofde Thyestes Atreus dat hij het koningschap opnieuw zou afstaan “wanneer de zon zou opkomen in het oosten”, hetgeen vervolgens ook gebeurde door toedoen van Zeus en ook nu nog het geval is. Volgens de versie die door de meeste Romeinse auteurs gevolgd wordt, veranderde de koers van de zon echter als rechtstreeks gevolg van de wraak die Atreus nam op Thyestes: hij zette hem zijn eigen zonen als maaltijd voor. In elk geval verwijst Ovidius naar één van beide versies met de vermelding van de zonnewagen van Phoebus (Apollo).

Het verhaal van Scylla, de dochter van Nisus die hier niet met naam genoemd wordt, wordt door Ovidius uitgebreider verteld in Metamorphoses VIII, 6-151. Nisus, de koning van de stad Megara, had volgens de mythe tussen zijn gewone hoofdhaar een magische, purperen streng haar, waardoor hij onoverwinnelijk was. Een orakel had voorspeld dat hij zou sterven en het koninkrijk ten val zou worden gebracht wanneer dat haar werd uitgetrokken. Er brak oorlog uit en de stad werd maandenlang belegerd door koning Minos van Kreta. Scylla merkte Minos op vanaf de stadswallen, werd verliefd op hem en besloot de voorspelling uit eigenbelang te doen uitkomen. Ze trok ’s nachts haar vaders purperen haarlok uit. Haar bedoeling was dat Minos op zijn beurt verliefd zou worden wanneer ze hem de haarlok zou aanbieden, maar het tegenovergestelde gebeurde: Minos verafschuwde het geschenk en veroordeelde haar verraad. Tijdens de daarop volgende strijd stierf Nisus en de Megara viel. Minos was echter niet trots op deze door verraad behaalde overwinning en keerde snel terug naar Kreta. Scylla zwom hem achterna (volgens Ovidius) of werd door Minos met een touw om haar benen door het water gesleept (volgens een andere versie van het verhaal). Toen ze dreigde te verdrinken, veranderde ze opeens in een zeevogel. De gedaanteverandering, bedoeld als bevrijding, bleek toch een straf te zijn toen ze werd aangevallen door een visarend. Op aansturen van Jupiter was Nisus immers teruggekeerd in die gedaante om haar te straffen.

De reden dat Ovidius Scylla hier associeert met honden, is dat hij Scylla, dochter van Nisus, verwart met de nimf Scylla. Toen de zeegod Glaucus haar zijn liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe – bekend uit Homerus Odyssee –  haar uit jaloezie in een zeemonster met de romp en het hoofd van een vrouw, maar uit haar middel groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Zij maakte samen met Charybdis aan de andere kant de Zeestraat van Messina, tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig. Deze zeestraat staat overigens echt bekend als een gevaarlijke zeestraat door de sterke stromingen.

Voorstelling van Scylla op een roodfigurige vaas

Vervolgens keert Ovidius terug naar Mycene: de zoon van Atreus, Agamemnon, werd immers door zijn vrouw Clytaemnestra vermoord toen hij na de Trojaanse Oorlog terug thuis aankwam. Zij nam zo wraak omdat hij hun dochter Iphigenia had geofferd om naar Troje te kunnen varen.

De Ephyreïsche Creüsa‘ was de vrouw met wie Jason wilde trouwen, ten koste van Medea met wie hij reeds getrouwd was. Op die manier kon hij aanspraak maken op de troon van Korinthe (waarvan de oude naam Ephyra was). Medea, de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder, vermoordde uit wraak Creüsa en haar eigen kinderen die ze met Jason had. Creüsa werd vermoord door een mantel die haar levend verbrandde toen ze hem aantrok, vandaar de vermelding van de vlam in de tekst. Dit verhaal wordt uitgebreid beschreven door de Griekse tragicus Euripides (ca. 480 v.C. – 406 v.C.) in zijn tragedie Medea en Ovidius schreef ook zelf een – jammer genoeg verloren gegane- tragedie met dezelfde titel.

Phoenix, het volgende voorbeeld in de reeks, verleidde op aangeven van zijn moeder de minnares van zijn vader Amyntor, de koning van Ormenium in Thracië. Amyntor nam daarvoor wraak door Phoenix blind te maken. Volgens een andere versie vervloekte hij hem zodat Phoenix geen kinderen zou kunnen verwekken. Ovidius kiest hier duidelijk voor de eerste versie.

Hippolytus, die er door zijn stiefmoeder Phaedra valselijk van beschuldigd werd haar te willen verleiden terwijl het omgekeerde het geval was, stierf in een ongeluk met zijn strijdwagen. Dat werd veroorzaakt door Poseidon op vraag van Hippolytus’ vader Theseus, die zijn zoon wou straffen voor zijn vermeende misdaad.

Phineus, tot slot van dit stukje, was de koning van Salmydessus in Thracië. Op instigatie van zijn tweede vrouw Idaea liet hij zijn twee zonen uit zijn eerste huwelijk blind maken. Zij beschuldigde hen ervan haar geslagen te hebben. Phineus werd vervolgens zelf met blindheid geslagen door de goden, maar verkreeg tegelijk ook profetische gaven.

Het spreekt voor zich dat deze zeer lange opsomming van soms weinig bekende mythen slecht past in het populariserende kraam van Meihuizen. Ook hier is de verklaring voor de weglating van de passage niet ver te zoeken.

Ars Amatoria I, 406-408

Het zijn niet altijd lange passages die door Meihuizen weggelaten worden in zijn vertaling. Korte stukjes zoals dit komen ook in aanmerking voor censuur. In dit deel gaat het over het gunstige moment om een vrouw te verleiden. De vertaling van Meihuizen luidt als volgt:

“Als haar verjaardag nadert, of Maart en April in ’t land zijn, stel Uw poging dan uit.”

Het advies om de verjaardag te vermijden, dat op het eerste zicht wat merkwaardig overkomt, wordt even verder verklaard:

“Ontwijk met bijgeloovige vrees den verjaardag van Uw meisje en beschouw dien dag, waarop ge met een cadeau moet komen, als een ongeluksdag. Hoe ge ook zult trachten eraf te komen, zij zal toch wat van U weten los te krijgen, want de vrouw heeft de kunst uitgevonden aan verliefde vrienden dure dingen te ontrukken.”

We kennen ze allemaal wel: de vlotte schone die iedereen om haar vinger windt…

De vermelding van maart en april behoeft wat meer uitleg. Hiervoor hebben we de volgende weggelaten verzen nodig.

Ars Amatoria I, 406-408

[Sive dies suberit natalis sive Kalendae]
Quas Venerem Marti continuasse iuvat,
Sive erit ornatus non, ut fuit ante, sigillis,
Sed regum positas Circus habebit opes
[Differ opus.]

Vertaling

[Wanneer haar verjaardag nadert, of de Kalenden]
Waarvan het Venus verheugt dat ze aan de maand van Mars grenzen,
Of wanneer de Circus niet, zoals het vroeger was, versierd zal zijn met kleine standbeelden,
Maar nu neergelegde rijkdommen van koningen zal hebben,
[Stel de onderneming dan uit.]

De kalendae waren in de Romeinse kalender de eerste dag van de maand. In dit geval gaat het om de Kalenden die aan de maand van Mars, de maand maart dus, grenzen. Het gaat hier bijgevolg om de eerste dag van de maand april. De maand april was bij de Romeinen de maand van Venus en op de eerste dag van die maand werd Venus gevierd. Ovidius raadt de vrijgezel die op zoek is naar een meisje dus af om een poging te wagen op de dag die het Romeinse equivalent van Valentijnsdag is.

Met de regels die dan volgen, doelt Ovidius op een soort markt rond de Circus Maximus ter gelegenheid van de Sigillaria, een feest dat na de Saturnalia – kort door de bocht: het Romeinse Carnaval – plaatsvond. Tijdens de Sigillaria werden – oorspronkelijk kleine en eenvoudige – standbeelden, sigilla, verkocht om als geschenkje te geven. Deze standbeelden waren ten tijde van Ovidius een pak luxueuzer uitgevoerd en dus veel duurder geworden, zo duur dat ze konden worden bestempeld als “rijkdommen van koningen”. Ook deze dag is dus een zwarte dag voor een minnaar die zijn geldbuidel wat wil sparen.

Ars Amatoria I, 681-704

Deze weggelaten passage is een illustratie bij een verleidingstechniek die we tegenwoordig zouden omschrijven als grensoverschrijdend gedrag:

“Welk verstandig man zal zijn minnetaal niet willen doorspekken met kussen? Mogelijk, dat zij ze niet wil geven, doch dan moet ge maar stelen wat ze niet geeft. Misschien zal ze zich eerst verzetten en “deugniet” tegen U zeggen, maar dan zal ze toch gaarne door Uw gestoei overwonnen worden.”

Er is echter wel zin voor nuance aanwezig:

“Maar, pas op, dat ge met bruut geroofde zoenen haar teedere lippen niet kwetst en dat ze niet kan klagen, dat ge te ruw waart!”

Een uitgebreide illustratie bij het principe van “stelen wat ze niet geeftis de volgende weggelaten passage:

Ars Amatoria I, 681-704

Fabula nota quidem, sed non indigna referri,
Scyrias Haemonio iuncta puella viro.
Iam dea laudatae dederat mala praemia formae
Colle sub Idaeo vincere digna duas:
Iam nurus ad Priamum diverso venerat orbe,
Graiaque in Iliacis moenibus uxor erat:
Iurabant omnes in laesi verba mariti:
Nam dolor unius publica causa fuit.
Turpe, nisi hoc matris precibus tribuisset, Achilles
Veste virum longa dissimulatus erat.
Quid facis, Aeacide? non sunt tua munera lanae;
Tu titulos alia Palladis arte petas.
Quid tibi cum calathis? clipeo manus apta ferendo est:
Pensa quid in dextra, qua cadet Hector, habes?
Reice succinctos operoso stamine fusos!
Quassanda est ista Pelias hasta manu.
Forte erat in thalamo virgo regalis eodem;
Haec illum stupro comperit esse virum.
Viribus illa quidem victa est, ita credere oportet:
Sed voluit vinci viribus illa tamen.
Saepe ‘mane!’ dixit, cum iam properaret Achilles;
Fortia nam posita sumpserat arma colo.
Vis ubi nunc illa est? Quid blanda voce moraris
Auctorem stupri, Deidamia, tui?

Vertaling

Het verhaal is zeker gekend, maar vermelding niet onwaardig,
Een meisje van Scyrus werd verbonden aan de Haemonische man.
Reeds had de godin met de veelgeprezen schoonheid een vergiftigde beloning gegeven,
Zij die het waard was haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida.
Reeds was een schoondochter van een ver continent bij Priamus aangekomen,
En was er een Griekse echtgenote binnen de muren van Ilium:
Allen zwoeren bij de bevelen van de gekrenkte echtgenoot:
Want het leed van één was een openbare zaak.
Op schandelijke wijze, als dit niet aan de smeekbeden van de moeder te wijten was,
Verborg Achilles zijn mannelijkheid onder lange kledij.
Wat doe je, kleinzoon van Aeacus? De wol [spinnen] is jouw werk niet;
Jij moet de eerbewijzen van een andere kunst van Pallas nastreven.
Wat moet je aanvangen met manden? Jouw hand is geschikt om een schild te dragen:
Waarom heb je wol in de rechterhand, waaronder Hector vallen zal?
Gooi dat met veel tijdrovend werk omwikkelde spinrokken weg!
Jouw hand moet de speer van de Pelion drillen.
Door toeval lag een koninklijke maagd in hetzelfde bed;
Zij bemerkte door haar ontering dat hij een man was.
Door geweld werd zij overwonnen, dit moeten we althans geloven:
Maar toch wilde ze door geweld overwonnen worden.
Dikwijls zei ze ‘blijf!’ terwijl Achilles zich al weghaastte;
Want nadat hij de ketel had weggezet nam hij reeds zijn sterke wapens op.
Waar is dat geweld nu? Waarom houd je met een vleiende stem
De dader van jouw ontering tegen, Deidamia?

Deze episode speelt zich af wanneer Achilles op bevel van zijn moeder Thetis als vrouw vermomd onderduikt op Scyrus, om te ontsnappen aan een mobilisatie voor de Trojaanse Oorlog. Hij zou immers een grote aanwinst zijn voor het Griekse leger, maar volgens een orakel zou de oorlog hem het leven kosten, hetgeen Thetis wilde vermijden. Uiteindelijk wordt Achilles ontmaskerd door een list van Odysseus: wanneer hij aankomt op Scyrus spreidt hij een hoop geschenken, waaronder een wapenrusting, tentoon waaruit hij de vrouwen laat kiezen. Op dat moment laat hij echter een alarmsein geven. Achilles, die denkt dat er echt een aanval op komst is, grijpt in een reflex naar de wapens en wordt op die manier ontmaskerd. Het “meisje van Scyrus“, is hier de prinses Deidamia. De “Haemonische manis Achilles, die afkomstig is uit Phthia, dat als oude naam Haemonia draagt. De godin “die het waard was te haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida“, is Venus die het Parisoordeel won op de Idaberg bij Troje. Ook bij deze passage is er veel veronderstelde kennis, hoewel het hier gaat om een overbekende held als Achilles. Meihuizen opteert dus ook hier geheel volgens zijn principe voor het weglaten van de anekdote.

Ars Amatoria I, 741-744

De volgende weggelaten regels zijn een tegenwerping bij een goede raad die Ovidius geeft. Hij raadt immers aan niet te veel op te scheppen over de dame die je op het oog hebt, anders zou een “vriend” wel eens onder je duiven kunnen schieten. Hij geeft vervolgens mythologische tegenvoorbeelden die hij vervolgens weerlegt (een zogenaamde occupatio). Het zijn deze tegenvoorbeelden die door Meihuizen weggelaten worden, alweer omwille van de veelheid aan mythologische informatie die erin samengebald is.

Ars Amatoria I, 741-744

At non Actorides lectum temeravit Achillis:
Quantum ad Pirithoum, Phaedra pudica fuit.
Hermionam Pylades quo Pallada Phoebus, amabat,
Quodque tibi geminus, Tyndari, Castor, erat.

Vertaling

Maar de kleinzoon van Actor heeft het bed van Achilles toch niet onteerd:
Wat Pirithoüs betreft, was Phaedra kuis.
Pylades hield van Hermione zoals Phoebus van Pallas,
en zoals je tweelingbroer Castor voor jou was, dochter van Tyndareus.

De kleinzoon van Actor is Patroclus, de trouwe vriend – en volgens sommige theorieën ook minnaar – van Achilles. Pirithoüs was de vriend van Theseus, die met Phaedra getrouwd was. Dat Phaedra wel plannen tot overspel had, wordt hier subtiel duidelijk:  “Wat Pirithoüs betreft, was ze kuis“, maar niet wanneer het Hippolytus betreft… Pylades, vriend van Orestes, maakte volgens de mythologie geen avances bij diens vrouw Hermione, net zoals Phoebus (Apollo) dat niet deed bij Pallas (Athena), die overigens haar maagdelijkheid wilde bewaren. De dochter van Tyndareus is Helena, de zus van Castor en Pollux. In deze vier verzen worden dus in razende vaart zeer veel mythologische personages geciteerd, soms zelfs enkel met hun vadersnaam, wat het tekstbegrip voor niet-specialisten uiteraard erg bemoeilijkt. Meihuizen lost dit in zijn vertaling alweer op met een parafrase:

“Maar” – zult ge zeggen – “verschillende helden in onze mythen hebben zich toch niet op die wijze misdragen!”

Deze veralgemening is uiteraard makkelijker te verteren dan de uitgebreide mythologische verhalen, maar haalt ook de rijkdom van de tekst weg. De redenering blijft echter duidelijk: vertrouw je vrienden maar niet te veel wanneer het gaat over je amoureuze plannen.

Ars Amatoria II, 216-219

Ook een andere korte weglating wordt opgelost met een parafrase:

“Men meent te weten, dat Hercules te midden van Ionische slavinnen de werkmand ophield en grove wol heeft gekamd.”

Voorafgaand aan dit stukje heeft Ovidius de lezer de raad gegeven er niet voor terug te deinzen kleine werkjes te doen voor je geliefde, ook al zijn het taken die normaal door slaven gedaan worden. Deze passage, die alweer als illustratie dient bij een raadgeving, ziet er in de oorspronkelijke versie zo uit:

Ars Amatoria II, 216-219

Ille, fatigata praebendo monstra noverca
Qui meruit caelum, quod prior ipse tulit,
Inter Ioniacas calathum tenuisse puellas
Creditur, et lanas excoluisse rudes.

Vertaling

Hij die, nadat hij zijn stiefmoeder vermoeid had met monsters op hem af te sturen,
De hemel verdiende, die hij eerder zelf gedragen had,
Droeg tussen de Ionische meisjes een mand,
Zo gelooft men, en kamde grove wol.

Het gaat hier inderdaad over Hercules, maar dat weten we in de oorspronkelijke versie alleen door de mythologische verwijzingen: Juno, die hier ironisch zijn stiefmoeder genoemd wordt, zorgde er indirect voor dat Hercules verplicht werd zijn twaalf werken uit te voeren, nadat een eerste moordpoging met twee slangen mislukt was. Hercules verdiende inderdaad de hemel: hij werd vergoddelijkt na zijn dood. Die hemel had hij tijdens zijn leven zelf gedragen, toen hij Atlas afloste bij deze taak, zodat Atlas de gouden appels van de Hesperiden in zijn plaats kon plukken. De slavendienst van Hercules is een verwijzing naar zijn dienst bij Omphale, de koningin van Lydië. Hercules moest een jaar lang haar slaaf zijn en vrouwenwerk doen, als straf voor een moord. Daarbij droeg hijzelf vrouwenkleren, terwijl Omphale zijn leeuwenhuid en knots droeg. Na afloop van zijn dienstjaar was Omphale blijkbaar zo tevreden over het rollenspel, dat ze met hem trouwde.

Ars Amatoria II, 401-406

In deze weggelaten passage worden Clytaemnestra’s beweegredenen voor de moord op haar man Agamemnon uiteengezet. Meihuizen laat deze in zijn vertaling weg, maar vermeldt het voorbeeld van haar overspelige relatie met Aegisthus, de zoon van Thyestes, wel:

Verontwaardigd door wat ze ondervond, liet zij den zoon van Thyestes toe in haar hart en haar armen en strafte zoodoende ter dege haar zondigen man.

“Wat ze ondervond”, was het volgende:

Ars Amatoria II, 401-406

Audierat laurumque manu vittasque ferentem
Pro nata Chrysen non valuisse sua:
Audierat, Lyrnesi, tuos, abducta, dolores,
Bellaque per turpis longius isse moras.
Haec tamen audierat: Priameida viderat ipsa:
Victor erat praedae praeda pudenda suae.

Vertaling

Ze had gehooord dat Chryses, die de laurier in zijn hand en de hoofdband droeg,
Niets kon doen voor zijn dochter.
Ze had gehoord, Lyrnessische, over jouw pijnen nadat je ontvoerd was,
En dat de oorlog langer doorging door schandelijk oponthoud.
Deze dingen had ze gehoord. Maar de dochter van Priamus zag ze zelf:
De overwinnaar was een schandelijke prooi van zijn prooi.

Hier wordt verwezen naar het conflict dat de aanleiding is van alle gebeurtenissen in Homerus’ Ilias: een ruzie tussen Agamemnon en Achilles, met Chryseïs, de dochter van Chryses en afkomstig van Lyrnessa, als inzet, liep uit de hand. Chryses was een priester van Apollo, vandaar dat hij de laurier, symbool van Apollo, en de hoofdband droeg. Hij vroeg de vrijlating van zijn dochter, die ontvoerd was door Agamemnon. Agamemnon weigerde dit eerst, maar moest uiteindelijk toch toegeven wanneer Achilles zijn steun aan Chryses verleende. Uit wraak eiste hij wel Achilles’ buit, de slavin Briseïs, op. Achilles werd op zijn beurt verplicht toe te geven en was zo woedend, dat hij de Grieken nog weigerde te steunen in hun strijd tegen de Trojanen. Dit zorgde voor een “schandelijk oponthouden deed de oorlog nog langer aanslepen.

Na de oorlog keerde Agamemnon terug, met de dochter van Priamus, Cassandra, als gevangene. Hij pleegde overspel met haar en dit was nog een reden tot moorden voor Clytaemnestra. Ook Cassandra zou het moeten ontgelden.

Ars Amatoria III 11-24

Aan het begin van dit derde boek boek, waarin Ovidius nu de vrouwen verleidingstips geeft, verantwoordt hij zijn aanpak:

“Het was niet billijk de meisjes ongewapend tegen de welvoorziene mannen te doen optrekken en zoo te overwinnen, was ook voor U mannen, alles behalve eervol.”

Hierop volgt een occupatio:

“Mogelijk zal iemand van mijn vele lezers zeggen: “Waartoe verschaft ge een slang nog meer venijn en levert ge een schaapskooi aan de wreede wolvin over?” Ge moet de ondeugdelijkheid van sommige vrouwen niet allen aanwrijven. Ieder meisje worde naar haar eigen verdiensten beoordeeld.”

Deze occupatio is te vergelijken met die van I, 741-744, maar dit keer valt het antwoord duidelijk positief uit. Hierop volgt een weggelaten tekstdeel dat door Meihuizen als volgt samengevat wordt:

“Al noemen de mythen eenige vrouwen, die zich misdroegen, vertellen zij ons niet van andere heldinnen, die voor hun mannen alles overhadden?”

Dit is een verantwoording bij het antwoord op de occupatio. In de oorspronkelijke versie stond het volgende te lezen:

Ars Amatoria III 11-24

Si minor Atrides Helenen, Helenesque sororem
Quo premat Atrides crimine maior habet,
Si scelere Oeclides Talaioniae Eriphylae
Vivus et in vivis ad Styga venit equis,
Est pia Penelope lustris errante duobus
Et totidem lustris bella gerente viro.
Respice Phylaciden et quae comes isse marito
Fertur et ante annos occubuisse suos.
Fata Pheretiadae coniunx Pagasaea redemit:
Proque viro est uxor funere lata viri.
‘Accipe me, Capaneu! cineres miscebimus’ inquit
Iphias, in medios desiluitque rogos.

Vertaling

Indien de jongere zoon van Atreus Helena heeft om te beschuldigen van een misdrijf
En de oudere zoon van Atreus de zuster van Helena,
Indien de zoon van Oecles door de misdaad van Eriphyle, dochter van Talaüs
Levend en op levende paarden bij de Styx aankomt,
Is Penelope toch trouw, hoewel haar man gedurende twee lustra rondzwierf
En evenveel lustra oorlog voerde.
Kijk naar de kleinzoon van Phylacus en naar haar die haar echtgenoot vergezelde
– zo zegt men – en voor haar tijd het leven liet.
De Pagasische echtgenote kocht het doodslot van de zoon van Pheres af:
En in de plaats van haar man werd de vrouw in de begrafenisstoet van haar man gedragen.
‘Neem me aan, Capaneus! Als asse zullen we ons mengen!’ zei
De dochter van Iphis en ze sprong in het midden van de brandstapel.

De jongere zoon van Atreus is Menelaos, die door zijn vrouw Helena met Paris bedrogen werd, zijn broer Agamemnon werd, zoals reeds vermeld, vermoord door Clytaemnestra, Helena’s zuster.

De zoon van Oecles is Amphiaraüs. Toen die door Polynices werd aangesproken om mee oorlog te voeren tegen Polynices’ broer Eteocles, met de Thebaanse troon als inzet, weigerde Amphiaraüs, omdat hij door zijn zienersgave wist dat iedereen de zich bij Polynices aansloot hierbij zou omkomen. Hij verborg zich, maar zijn vrouw Eriphyle verraadt hem aan Polynices in ruil voor de halsketting die had toebehoord aan Harmonia, de vrouw van Cadmus, de stichter van Thebe. Na de nederlaag tegen Eteocles sloeg Amphiaraüs op de vlucht in zijn strijdwagen, maar Jupiter opende de aarde met zijn bliksem, om te voorkomen dat Amphiaraüs in zijn rug gestoken zou worden door zijn achtervolgers. Zo kwam hij “levend en op levende paarden bij de Styxaan. Hierna werd hij vergoddelijkt.

Na deze negatieve voorbeelden, volgen vier positieve voorbeelden. Het eerste is Penelope, de vrouw van Odysseus die gedurende twintig jaar trouw bleef aan haar doodgewaande man en niet trouwde met één van de talrijke en opdringerige kandidaten die zich aanboden.

Het tweede voorbeeld is Laodamia, de vrouw van Protesilaüs, de kleinzoon van Phylacus, die zoveel verdriet had om het overlijden van haar man in de Trojaanse Oorlog, dat ze zelfmoord pleegde.

Het derde positieve voorbeeld van vrouwelijke toewijding aan de echtgenoot is Alkestis, die in de plaats van haar echtgenoot Admetus, zoon van Pheres, stierf. Admetus had immers van Apollo de gave gekregen om zijn leven te verlengen, indien iemand bereid was in zijn plaats te sterven. In de bloei van zijn leven werd Admetus ziek en zijn dood naderde. Hoe hij ook zocht, niemand, zelfs een slaaf niet, wilde in zijn plaats sterven. Uiteindelijk bood Alkestis zich aan, want ze zou toch zonder hem niet kunnen verder leven, zo zei ze zelf. Admetus moest wel beloven goed voor hun kinderen te zorgen en na haar dood niet met een andere vrouw te trouwen. Admetus beloofde het en genas, terwijl Alkestis stierf. Achteraf kreeg hij echter spijt en hij wilde samen met Alkestis sterven, maar hij was gebonden aan de eed die hij gezworen had om voor de kinderen te zorgen en bleef dus in leven. Vervolgens werd Alkestis echter uit de onderwereld teruggehaald door Hercules of teruggestuurd door Persephone, de vrouw van Pluto, die ontroerd was door het offer dat Alkestis gebracht had. Alkestis was afkomstig van Pagasae, een havenstad in Thessalië, vandaar dat Ovidius haar “de Pagasischenoemt.

Het vierde en laatste voorbeeld in deze reeks is Euadne, de dochter van Iphis, wier man Capaneus net als Amphiaraüs stierf in de oorlog die Polynices uitvocht tegen Eteocles. Zij gooide zich van verdriet op de brandstapel die voor hem bedoeld was.

Geschrapte libertijnsche passages

De passages die we hier laten volgen, zijn om verschillende redenen te onzedig om in 1941 integraal vertaald te worden voor een breed publiek. Het gaat hier om delen uit het tweede en derde boek van de Ars Amatoria. Dit is een logisch gevolg van de structuur van het werk, die de chronologische volgorde van het verleidingsproces volgt. Het spreekt dus voor zich dat de “consummatie” van dit proces op het einde van de tips voor mannen (boeken één en twee) en op het einde van de reeks tips voor vrouwen (boek drie) gesitueerd is.

Ars Amatoria II, 684

In een passage waarin Ovidius zegt dat hij het niet heeft voor bedactiviteiten waar slechts één betrokken partij plezier aan beleeft, zegt hij het volgende:

Hoc est, cur pueri tangar amore minus.

Dit is de reden, waarom ik minder wordt getroffen door de liefde van of voor een jongen.

In een tijd dat homoseksualiteit nog verre van aanvaard en in de meeste westerse landen zelfs nog voor juridische vervolging vatbaar was, kon deze regel niet bewaard blijven in de vertaling. Ter illustratie: homoseksualiteit werd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) pas in 1990 uit de lijst van psychische ziekten geschrapt. Daarbij moeten we echter bedenken dat de klassering als ziekte, die haar wortels vindt in de 19de eeuw, oorspronkelijk een vooruitgang was: de definitie als ziekte in plaats van als zonde nam immers de schuld weg bij het individu. Deze problematiek kende men in de oudheid echter totaal niet, omdat seksualiteit überhaupt niet als zondig werd gezien, vandaar dat Ovidius er ook zo openlijk en zelfs ‘en passant’ over kan spreken.

Ars Amatoria II, 690-692

Een paar regels verder zijn er alweer verzen die voor censuur vatbaar zijn: na de stelling dat “het hem verheugt uit haar stem te hooren hoe gelukkig ze is en den kwijnenden blik van zijn lief op te vangen”, gaat Ovidius volgens Meihuizen een stap te ver:

Quaeque morer me, me sustineamque rogent.
Aspiciam dominae victos amentis ocellos:
Langueat, et tangi se vetet illa diu.

[Haar stem] die me vraagt trager te gaan en me in te houden.
Ik zal kijken naar de overwonnen ogen van mijn uitzinnige meesteres:
moge zij murw zijn en zich er lange tijd van weerhouden aangeraakt te worden.

Elke vorm van commentaar is hier volstrekt overbodig.

Ars Amatoria II, 703-733

Na een korte lofzang op de rijpere vrouw, die Ovidius’ voorkeur wegdraagt, laat Meihuizen opnieuw een passage weg. In dit geval gaat het zelfs om het “hoogtepunt” van de eerste twee boeken van de Ars Amatoria: ook hier spreken de tekst en de vertaling voor zich.

Ars Amatoria II, 703-733

Conscius, ecce, duos accepit lectus amantes:
Ad thalami clausas, Musa, resiste fores.
Sponte sua sine te celeberrima verba loquentur,
Nec manus in lecto laeva iacebit iners.
Invenient digiti, quod agant in partibus illis,
In quibus occulte spicula tingit Amor.
Fecit in Andromache prius hoc fortissimus Hector,
Nec solum bellis utilis ille fuit.
Fecit et in capta Lyrneside magnus Achilles,
Cum premeret mollem lassus ab hoste torum.
Illis te manibus tangi, Brisei, sinebas,
Imbutae Phrygia quae nece semper erant.
An fuit hoc ipsum, quod te, lasciva, iuvaret,
Ad tua victrices membra venire manus?
Crede mihi, non est veneris properanda voluptas,
Sed sensim tarda prolicienda mora.
Cum loca reppereris, quae tangi femina gaudet,
Non obstet, tangas quo minus illa, pudor.
Aspicies oculos tremulo fulgore micantes,
Ut sol a liquida saepe refulget aqua.
Accedent questus, accedet amabile murmur,
Et dulces gemitus aptaque verba ioco.
Sed neque tu dominam velis maioribus usus
Desere, nec cursus anteat illa tuos;
Ad metam properate simul: tum plena voluptas,
Cum pariter victi femina virque iacent.
Hic tibi versandus tenor est, cum libera dantur
Otia, furtivum nec timor urget opus.
Cum mora non tuta est, totis incumbere remis
Utile, et admisso subdere calcar equo.

Parthische ruiter van Abraham de Bruyn

Vertaling

Kijk, het medeplichtige bed ontvangt twee minnaars :
Muze, blijf achter bij de gesloten deuren van de slaapkamer.
Beroemde woorden zullen ook zonder jou uit zichzelf spreken
En de linkerhand zal evenmin werkeloos in het bed liggen.
De vingers zullen vinden wat ze moeten doen in die lichaamsdelen,
Waarin Cupido heimelijk zijn pijlpunten drenkt.
De dappere Hector deed dit in het verleden voor Andromache:
Hij was niet enkel nuttig voor de oorlog…
De grote Achilles deed dit ook bij de gevangen Lyrnessische,
Toen hij, vermoeid door de vijand, het zachte bed indrukte.
Jij, Briseïs, stond toe aangeraakt te worden met die handen,
Die in Phrygië steeds van moord doordrenkt waren.
Of was het misschien net dát dat jou, wellustelinge, opwond,
Dat die overwinnaarshanden naar jouw lichaam kwamen?
Geloof me, de voldoening van Venus moet niet overhaast worden,
Maar moet geleidelijk en met lang uitstel worden opgehitst.
Wanneer je de plaatsen gevonden hebt, waar een vrouw graag aangeraakt wordt,
Laat de schaamte dan niet verhinderen dat je haar daar aanraakt.
Je zal zien dat haar ogen heen en weer schieten met een sidderende flits,
Zoals de zon glinstert op stromend water.
Daarbij komen nog gesteun en beminnelijk gekreun
En zoete zuchten en woorden die geschikt zijn voor grapjes.
Maar vaar je meesteres niet voorbij door grotere zeilen te gebruiken
Noch moet zij je voorgaan op deze weg;
Haast jullie samen naar de eindmeet: dan pas is de voldoening volmaakt,
Wanneer man én vrouw tegelijk uitgeput neerzijgen.
Deze koers moet je aanhouden, wanneer het je niet ontbreekt
Aan tijd en de angst de vluchtige daad niet verhaast.
Maar wanneer uitstel niet veilig is, dan alle zeilen bij te zetten
En het paard, dat de vrije teugel heeft, de sporen te geven, dat is nuttig.

Ars Amatoria III, 769-788

Ook voor de vrouwen heeft Ovidius bepaalde tips, zodat ze zich van hun mooiste kan kunnen laten zien. Deze volgen vlak na de goede raad “een beetje te drinken, maar ook niet te veel.”

Ars Amatoria III, 769-788

Ulteriora pudet docuisse: sed alma Dione
‘Praecipue nostrum est, quod pudet’ inquit ‘opus.’
Nota sibi sit quaeque: modos a corpore certos
Sumite: non omnes una figura decet.
Quae facie praesignis erit, resupina iaceto:
Spectentur tergo, quis sua terga placent.
Milanion umeris Atalantes crura ferebat:
Si bona sunt, hoc sunt accipienda modo.
Parva vehatur equo: quod erat longissima, numquam
Thebais Hectoreo nupta resedit equo.
Strata premat genibus, paulum cervice reflexa,
Femina per longum conspicienda latus.
Cui femur est iuvenale, carent quoque pectora menda,
Stet vir, in obliquo fusa sit ipsa toro.
Nec tibi turpe puta crinem, ut Phylleia mater,
Solvere, et effusis colla reflecte comis.
Tu quoque, cui rugis uterum Lucina notavit,
Ut celer aversis utere Parthus equis.
Mille modi veneris; simplex minimique laboris,
Cum iacet in dextrum semisupina latus.

Vertaling

Ik schaam me ervoor verder onderricht te geven: maar de voedster Dione
Zegt: ‘Uitgerekend datgene waarvoor we ons schamen, is mijn werk.’
Elke vrouw moet zichzelf kennen: de maat die voor jouw lichaam past,
Die moet je aannemen: dezelfde houding past niet bij iedereen.
Wie een mooi gezicht heeft, moet achterover liggen:
Wie een mooie rug heeft, moet die laten zien.
Milanion droeg de benen van Atalanta op zijn schouders:
Als ze mooi zijn, moeten ze op die manier aangewend worden.
Een kleine vrouw moet rijden als op een paard: omdat ze zeer groot was,
Zat de Thebaanse eega nooit op het paard Hector.
Een vrouw die haar hele flank wil laten bewonderen,
Moet zich op haar knieën plaatsen, met de nek een beetje gebogen.
Als de vrouw jeugdige dijen heeft en ook mooie borsten heeft,
Moet de man rechtstaan, maar zijzelf moet schuin op het bed liggen.
En reken het jezelf niet als een schande aan om, zoals Laodamia,
Je haar los te laten, en leg je nek achterover met je losse haren.
Ook jij, bij wie een geboortegodin Lucina de buik met striemen heeft getekend,
Maak er gebruik van, zoals de snelle Parthen averechts te paard zitten.
Er zijn duizend manieren om de liefde te bedrijven: een eenvoudige en weinig vermoeiende is,
Wanneer zij half achterovergebogen op de rechterzij ligt.

De Dione waarvan sprake aan het begin van dit stukje, is de moeder van Venus, maar de naam wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor Venus. In dit geval geniet de laatste interpretatie om evidente redenen de voorkeur. Een gelijkaardig geval doet zich voor bij de naam Milanion: dit is een andere naam voor Hippomenes. De Thebaanse echtgenote van Hector was Andromache, die volgens Homerus inderdaad van Thebe afkomstig was.

Ars Amatoria III, 793-808

Na vier regels die Meihuizen wel vertaalt en waarin Ovidius verklaart dat zijn tips “omwille van zijn ervaring” meer waarheid bevatten “dan de orakels van Apollo en Ammon samen“, volgt opnieuw een lange passage die weggelaten wordt: het hoogtepunt volgt immers nu pas:

Ars Amatoria III, 793-808

Sentiat ex imis venerem resoluta medullis
Femina, et ex aequo res iuvet illa duos.
Nec blandae voces iucundaque murmura cessent,
Nec taceant mediis improba verba iocis.
Tu quoque, cui veneris sensum natura negavit,
Dulcia mendaci gaudia finge sono.
Infelix, cui torpet hebes locus ille, puella,
Quo pariter debent femina virque frui.
Tantum, cum finges, ne sis manifesta, caveto:
Effice per motum luminaque ipsa fidem.
Quam iuvet, et voces et anhelitus arguat oris;
A! pudet, arcanas pars habet ista notas.
Gaudia post Veneris quae poscet munus amantem,
Illa suas nolet pondus habere preces.
Nec lucem in thalamos totis admitte fenestris;
Aptius in vestro corpore multa latent.

Vertaling

Moge een ontketende vrouw een genot voelen
Dat door merg en been gaat, en mogen beide geliefden daar op gelijke wijze van genieten.
En de liefkozende woorden moeten niet ophouden, noch het aangename gekreun,
Noch de stoute woordjes vergezeld van grapjes.
Ook jij, aan wie de natuur het gevoel van genot heeft ontzegd,
Moet de zoete genoegens met leugenachtig geluid nabootsen.
Ongelukkig het meisje, bij wie die plaats van de jeugd gevoelloos is,
Waar man en vrouw op dezelfde manier moeten genieten.
Maar, wanneer je doet alsof, wees dan niet te duidelijk, let op:
Maak het geloofwaardig door bewegingen en met je ogen.
Wie dat wil, kan het ook duidelijk maken met de stem en met gehijg.
Ah! Ik ben beschaamd: dit deel bevat geheime kennis.
Wie na de geneugten van Venus een geschenk vraagt aan haar minnaar,
Die wil niet dat haar smeekbeden enige waarde hebben.
Laat het licht niet uit wijd geopende vensters toe in de slaapkamer:
Zo verberg je makkelijker vele dingen op je lichaam.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnschzijn, zijn inderdaad zeer expliciet, zonder echter, naar onze mening althans, vunzig of plat te zijn. Het bovenstaande kan dan ook enkel een illustratie zijn van een reeds lang gekende waarheid: traduttore traditore, een vertaler – al dan niet gecensureerd – is altijd een beetje een verrader.

Korte bibliografie

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Coverfoto: schilderij ‘Ancient Italy – Ovid Banished from Rome’ van Joseph Mallord William Turner op Wikimedia via The Athenaeum (CC BY-SA 3.0)

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/feed/ 0 635