Martialis Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/martialis/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 05 Feb 2023 23:17:00 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Martialis Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/martialis/ 32 32 136391722 “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/#respond Sun, 05 Feb 2023 18:24:53 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2379 Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren, onder andere als geboorteplaats van de “West-Vlaamse” keizer Carausius. Zijn de Menapii werkelijk een volk “van bij ons”? In dit artikel onderzoeken we wat we over deze volksstam en hun grondgebied in Gallia Belgica weten.

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren. Hij besteedt ook veel aandacht aan “West-Vlaams” keizer Carausius, “iemand van bij ons”. Hoewel we die titel met een korrel zout moeten nemen, bewoonden de Menapiërs wel degelijk een deel van het huidige België. Maar wie waren die Menapiërs of Menapii precies en wat weten we over hun grondgebied?

Onderzoek

De voorbije decennia nam het aantal archeologische onderzoeken in Vlaanderen serieus toe. Dankzij de luchtfotografie en betere onderzoekstechnieken, kwamen meer en meer historische vindplaatsen aan het licht. De interesse voor de Menapiërs wakkerde aan. Het beeld van afgesloten gemeenschappen werd bijgesteld: de Menapische interactie met de Noordzee én het binnenland bleek veel uitgebreider dan tot nu toe gedacht.

Reconstructie van Gallische hoeve, mogelijk onderdeel van een Menapische nederzetting uit de tijd van Caesar

Eén element wordt in het nieuwe onderzoek echter nooit in vraag gesteld: de grenzen van het gebied van de Menapii, de civitas Menapiorum. De hypotheses hierover dateren uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Ze werden later vrijwel algemeen aanvaard, maar dat blijkt problematisch, want onderzoekers als Siegfried De Laet en Pierre Leman baseerden zich grotendeels op Middeleeuwse bronnen, die we niet zomaar op de Oudheid mogen projecteren. Terug naar het begin dan maar, waarbij we alle mogelijke bronnen over de Menapii samenbrengen en het historisch onderzoek combineren met de archeologie, toponymie en een literatuurstudie. Die synthese leidt tot enkele opvallende vaststellingen en nieuwe inzichten.

Situering

Over het gebied van de Menapii komen we het meest te weten bij de antieke auteurs. Geen beschrijvingen van strakke grenzen, maar wel aanwijzingen voor een geografische situering. Caesar merkt in zijn De Bello Gallico meerdere keren op dat de Menapiërs zich terugtrokken in bossen en moerassen. Hij beschrijft ook hun samenwerking met de Morini, Nervii, Atuatuci en Eburones, de Gallische stammen die de Menapii omringden. Nog belangrijker echter: Caesar leert ons dat de Menapii oorspronkelijk de oevers van de Rijn bewoonden. Door aanhoudende druk van de Usipetes en Tencteri, trokken ze zich terug op de linkeroever en verder naar het zuiden. De Menapii zijn dus immigranten in het Noordzeegebied.

De Gallische stammen en steden, met de buren van de Menapiërs, ten tijde van Julius Caesar

Verder vermelden onder andere Orosius, Strabo en Tacitus de Menapii. Uit hun beschrijvingen weten we dat het Menapisch gebied aan de kust gelegen was. In het westen deelde het een grens met de Morini. Plinius (de Oudere) spreekt ook over de Schelde, een interessante demarcatielijn die later nog aan bod komt. Vanaf de monding van de Schelde woonden volgens hem eerst de Texuandri, dan de Menapii. De bonte variatie aan genoemde stammen en regio’s bij de verschillende auteurs is opvallend. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan en het territorium van volkeren dynamisch en veranderlijk was doorheen de oudheid. De Menapii kunnen we op dit moment grofweg situeren in het huidige Noord-Frankrijk, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen ten westen van de Schelde.

Menapische varkens

Het Menapische varken wordt vandaag ook terug gekweekt, dankzij een samenwerking tussen slagerij ‘Menapii’ en onderzoekers en archeologen van UGent

Zoals vermeld in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ worden de Galliërs, en dan specifiek de Menapii, stevig gelinkt aan varkens. In de antieke bronnen vinden we die link terug bij Martialis (1e eeuw n.C.). Hij schrijft:

Cerretana mihi fiat vel missa licebit de Menapis: lauti de petasone vorent
“Laat ze me ham serveren uit het land van de Cerretani of stuur me ham van bij de Menapii: laat fijnproevers de ham verslinden” (Mart. XIII.54)

Blijkbaar was de Menapische ham een bekend product tot in de hoogste kringen en werd hij verhandeld naar Rome. Ook in het ‘Edict van Diocletianus‘ wordt ham van bij de Menapii vermeld. Het lijkt er zelfs op dat de benaming in de loop van de tijd een kwaliteitslabel is geworden. Varkens leven van nature in een bosrijk gebied, wat overeenkomt met de informatie die Caesar ons geeft. Om het vlees tot in Rome te krijgen, moet het goed bewaard kunnen worden én is een handelsnetwerk nodig. En laat dat nu net zijn wat we in een volgende bron lezen.

Zout en handelaars

Votiefaltaar uit Tongeren, waarop een inscriptie de Mun[icipium] Tung[rorum] vermeldt

In Tongeren werd een prachtig votiefaltaar met perfect bewaarde inscriptie opgegraven [TM 209480]. Daarop valt te lezen:

Aan de zeer goede en zeer grote Jupiter en aan de genius van de municipium van de Tungri, Catius Drusus, Menapisch salinator, heeft zijn belofte ingewilligd graag en wel verdiend.

Drusus noemt zichzelf een Menapische zouthandelaar (salinator Menapius), een titel  die we ook lezen in een grafinscriptie uit Rimini [TM 517527]. Naast varkensvlees, lijkt zout dus een belangrijk handelsproduct van de Menapiërs. Dat met die handel goed te verdienen was, bewijst het bewaarde votiefaltaar. Verder blijkt vooral uit de archeologische vondsten dat er een levendige handel bestond zowel tussen de Menapische nederzettingen onderling als met het grotere Romeinse Rijk.

Romeins kader

We weten nu dat de Menapii migreerden van de oevers van de Rijn naar zuidelijker gelegen gebied. Met de komst van Caesar werd de hele regio onder Romeins gezag geplaatst. Hoe sterk de Romeinse invloed lokaal was, is moeilijk te achterhalen. We zien wel dat Menapische handelaars binnen het Rijk rondtrekken met ham en zout en zich uitdrukken in Romeinse inscripties. En er is nog een manier waarop de Menapii zich in het Romeinse kader inpassen: het leger.

De oudste epigrafische vermelding van de Menapii is ook de oudste attestatie van een Menapiër  in het Romeinse leger. Het gaat om het grafopschrift van Adiutor, daterend uit de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. en gevonden in Aquileia. Het opschrift vermeldt expliciet de Menapische afkomst van Adiutor en zijn statuut als lid van de civitas Menapiorum. Adiutor maakte deel uit van de cohors I Pannoniorum.

Een militair diploma waarop de ‘cohors I Menapiorum’ vermeld staat

Militaire diploma’s wijzen ook op het bestaan van een Menapische cohorte. Op maar liefst drie exemplaren van zulke diplomata krijgen we een schriftelijk bewijs van de cohors I Menapiorum, gestationeerd in Britannia aan het begin van de 2de eeuw n.C. Daarnaast is er ook de Notitia dignitatum, een administratief werk opgesteld tussen 395 en 430 n.C. Die vermeldt militaire eenheden met het ethnicon ‘Menapii in Thracië en in het westen van het rijk.

Tot slot vinden we ook sporen van die militaire eenheid in het westen. In de ruime omgeving van de Rijn zijn op Romeinse gebakken dakpannen (tegula) militaire stempels teruggevonden die verwijzen naar de Menapii. Het gaat om stempels die allemaal geplaatst zijn in het jaar 369 n.C. in Tabernae, het huidige Rheinzabern, in de provincia Germania Superior. Tabernae viel in de Oudheid onder het gezag van de dux Mogontiacensis, net zoals de Menapische eenheid die vermeld wordt in de Notitia dignitatum.

Nederzettingen

De nederzettingen in het Menapisch gebied kunnen we langs twee wegen bestuderen: aan de hand van antieke reiskaarten enerzijds en op basis van de archeologie anderzijds. De antieke itineraria tonen ons duidelijk de belangrijkste steden en routes. Deze zijn later van belang in het bepalen van de grenzen van het Menapisch gebied.

Antieke wegenkaarten

Voor de Romeinse tijd kunnen we terugvallen op drie geschreven bronnen: het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, de Tabula Peutingeriana en de Notitia Galliarum. Elk afzonderlijk hier bespreken zou ons te ver leiden, daarom houden we het bij een korte samenvatting. In de routebeschrijvingen komen verschillende steden uit Gallia Belgica meermaals voor; die kunnen we als knooppunten beschouwen.

Castellum (Cassel), de hoofdstad van de Menapii, komt voor in drie routes in het Itinerarium:

  1. als tussenstop in de route van Gesoriacum (Boulogne-sur-mer) naar Bagacum (Bavay)
  2. als vertrekpunt van de route naar Turnacum (Tournai of Doornik)
  3. als vertrekpunt van de route naar Colonia (Keulen)

Het Menapisch gebied zoals afgebeeld op de Peutingerkaart

Andere duidelijk aanwezige nederzettingen zijn Viroviacum (Wervik), Pontes Caldis (Escautpont) en Minariacum (Estaires of Stegers). Het valt op dat de grote wegen zich vooral in het zuiden van Gallia Belgica bevinden. Noordelijker, in het huidige Vlaanderen, zullen lokale wegen en waterwegen de overhand gehad hebben. In elk geval is het duidelijk dat de nederzettingen, ook in het Menapisch gebied, wel degelijk met elkaar in contact stonden.

De ‘Mijlpaal van Tongeren’ of ‘Itinerarium van Tongeren’ met daarop de afstanden tussen plaatsen uit Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior

Een uitzonderlijk interessante epigrafische bron is de mijlpaal van Tongeren [TM 209478]. Deze achthoekige steen werd gevonden in Tongeren rond 1820 en was vermoedelijk opgesteld op het forum van Atuatuca Tungrorum. Ze is op drie zijden beschreven met plaatsnamen in Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior en de afstanden ertussen. Op basis van de taal en het gebruik van leugae als maateenheid dateert de steen vermoedelijk uit het eerste kwart van de 3de eeuw n.C. Interessant voor dit onderzoek is de vermelding van Castellum Menapiorum mét afstand tot ‘Fines Atrabatium’, de grens of het gebied van de Atrebates. Dit is de enige bekende antieke bron die mogelijk verwijst naar een grens tussen de Menapii en deze Keltische stam.

Maar waar ligt die grens nu? Helaas, daarover is onenigheid. Het is zelfs niet helemaal duidelijk of de vermelding naar een specifieke plaats of eerder naar een ruimer gebied verwijst. De bron, de mijlpaal van Tongeren, leert ons dat de ‘Fines Atrebatium‘ op 14 leugae (ca. 30,8 km) van Cassel ligt, in de richting van Nemetacum (Arras). Omdat een reiziger tussen beide steden wel degelijk een grens moet oversteken, hechtten historici toch enorm veel belang aan de vermelding van ‘Fines Atrebatium‘ als plaats.

Voor de locatie van die plaats zijn ook verschillende opties gegeven. Zo is de nederzetting Minariacum een veel beschreven mogelijkheid, hoewel deze plek slechts ongeveer 24 kilometer van Cassel verwijderd is. Een andere mogelijkheid zou Rouge-Croix (Neuve-Chapelle) zijn, gelegen op bijna exact 30 kilometer van Cassel langs een Romeinse weg. De Franse historicus Roland Delmaire verwijst naar een grenssteen die daar in 1123 gestaan zou hebben, maar dat kan onmogelijk iets zeggen over de Oudheid. Tot slot is er het gehucht Fins bij Lille. Het toponiem, mogelijk afgeleid van het Latijnse fines, wijst vermoedelijk op een antieke(?) grens, maar de locatie zelf ligt mogelijk te perifeer om geïdentificeerd te worden met de ‘Fines Atrebatium‘. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer opheldering brengen.

Archeologie

In zowat elke gemeente in België zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Meestal gaat het echter om enkele losse sporen en zijn deze vondsten niet bepalend voor de conclusie van dit onderzoek. Daarom richten we ons op de grotere vindplaatsen die getuigen van bewoning, handel of militaire aanwezigheid. Door de antieke wegenkaarten te combineren met de Digital Atlas of the Roman Empire komen we tot 32 sites. Wat blijkt wanneer we deze sites op kaart uitzetten? Ze situeren zich grotendeels langs drie belangrijke waterlopen: de Noordzee, de Leie en de Schelde.

Overzichtskaart van de types sitesS. Demuynck (2020), p. 173.

Overzichtskaart van de types sites

Aan de kust blijken zich vooral castella te bevinden, zoals die van Oudenburg, Aardenburg en Maldegem-Vake. Deze militaire nederzettingen opgericht tegen invallende migranten waren hoofdzakelijk actief in het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw n.C. Er zijn heel wat pottenbakkerstempels gevonden die duiden op contact met het hinterland. De kustregio was een belangrijke verdedigingslinie, maar ook de plek waar zout gewonnen werd. Naast de militaire aanwezigheid was er ook civiele bewoning in onder andere Wenduine en Brugge.

Andere nederzettingen concentreerden zich langs de Leie en de Schelde. Sommige daarvan, zoals Wervik, Kortrijk en Doornik, bestaan tot vandaag. Tegelijk is er een opvallende gelijkenis in het ontstaan en de ondergang van deze nederzettingen. Rond het midden van de 1ste eeuw n.C. en zeker vanaf de Flavische dynastie duiken langs de rivieren meer en meer vaste woonplaatsen op, zoals Ploegsteert, Harelbeke en Kruishoutem. Deze nederzettingen bloeien in de vroege 2de eeuw n.C. met duidelijke sporen van uitbreiding en handel.

Vanaf het jaar 170 n.C. tekent zich een korte periode van stagnatie of verval af, onder andere in Wervik, Kerkhove en Destelbergen. Naast de invallen van de Chauci zijn andere mogelijke oorzaken voor deze terugloop de pestepidemie in 166 n.C., de oorlogen met de Marcomanni (166-180 n.C.) en de opstand van de deserteur Maternus in Gallia in 185-186 n.C. Desalniettemin bleven de meeste nederzettingen een voorspoedig bestaan leiden tot in het midden van de 3de eeuw n.C, toen een crisis het Romeinse Rijk op vele vlakken trof.

Munt gevonden in Londen, geslagen door de Romeinse tegenkeizer Marcus Aurelius Mausaeus Carausius die uit het Menapische gebied afkomstig was

In deze context betreedt Carausius het toneel. De ‘Menapiër’, zoals de Romeinse geschiedschrijver Aurelius Victor hem noemt, liet zich opmerken tijdens de Gallische veldtocht van keizer Maximianus en riep zichzelf in 286 uit tot keizer (van Britannia – waar hij met zijn vloot en legioenen verbleef – en Noord-Gallië). Dat was minder spectaculair dan je misschien zou denken, want hij was lang niet de enige usurpator in de Romeinse Keizertijd en werd enkele jaren later al vermoord. Dat houdt hedendaagse stemmen (zoals te horen in de tweede aflevering van ‘Het verhaal van Vlaanderen’) niet tegen om naar hem te verwijzen als de “West-Vlaamse” keizer, hoewel het Menapische kerngebied (en Carausius dus ook) grotendeels geromaniseerd was in deze periode.

Ondanks de aangetroffen wegen speelde het water een niet te onderschatten rol. Grotere nederzettingen zoals Kerkhove en Tournai konden dankzij hun ligging uitgroeien tot handelscentra, draaiende gehouden door de omliggende villae. De productiecentra ten zuiden van Doornik droegen hier zonder twijfel ook aan bij. Een opsomming van de gevonden opschriften biedt inzicht in de handel in en verspreiding van aardewerk. In de 1ste eeuw n.C. kwam dit hoofdzakelijk uit La Graufesenque (Zuid-Frankrijk).

De daaropvolgende eeuw wordt gekenmerkt door aardewerk uit Lezoux (Centraal-Frankrijk). Vooral in Wervik en Waasmunster zijn deze productiecentra goed vertegenwoordigd. Vanaf het midden van de 2de eeuw n.C vond er een omslag plaats naar aardewerk uit Centraal-Gallië en Germanië. Pottenbakkerstempels uit deze regio’s zijn rijkelijk aanwezig in Wenduine en Brugge. Vondsten van dezelfde stempel op verschillende plaatsen geven duidelijk het contact tussen de nederzettingen weer. Verder onderzoek naar pottenbakkerstempels buiten de civitas Menapiorum zou interessante gegevens kunnen opleveren over het contact tussen de civitates.

De grenzen

De antieke wegenkaarten en de archeologie wijzen op een duidelijke samenhang van het Menapisch gebied. Jammer genoeg weten we op basis hiervan nog altijd weinig over de exacte grenzen van de regio. Daarom is het nodig om de hypotheses van archeologen en historici erbij te betrekken.

Over de westelijke en oostelijke grens, respectievelijk de Aa, de Leie en de Schelde, heerst algemeen consensus. Deze rivieren zouden zowel in de oudheid als in de middeleeuwen een duidelijke demarcatielijn gevormd hebben, hoewel niet onomstotelijk bewezen door de antieke bronnen. Herinner wel Plinius die de Schelde ziet als het begin van een nieuw gebied. De Aa vormt dan weer een van de weinige natuurlijke grenzen op een logische locatie tussen het gebied van de Morini en de Menapii. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat waterwegen geen harde grens vormden, maar net een uitnodiging tot handel en uitwisseling.

De bepaling van de grens met de Atrebates in het zuiden ligt moeilijker. In de ruime regio tussen de Leie en de Schelde zijn heel wat kleinere waterlopen te vinden die als demarcatielijn kunnen dienen. Historicus Siegfried De Laet spreekt over de kleine rivier Courant des Coutiches als grens, maar kanalisering en aanleg van grachten zorgt ervoor dat we deze en andere waterlopen niet zonder meer op de Oudheid mogen projecteren. Ook geografische elementen zoals bossen en heuvels – vandaag verdwenen – kunnen een rol gespeeld hebben.

Daarnaast is er de problematiek rond ‘Fines Atrebatium’ op de mijlsteen van Tongeren, die eerder aan bod kwam. De Laet stelt op basis van zijn onderzoek Fins-Lille voor als locatie voor deze plaats, terwijl een andere onderzoeker, Pierre Leman, zich op Neuve-Chapelle richt. Een mogelijke route van de Romeinse weg Estaires-Tournai in dit gebied biedt verdere mogelijkheden om eventuele grenzen te tekenen. Maar we moeten eerlijk zijn: het blijft giswerk.

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en DerolezS. Demuynck (2020) op basis van Leman (1967), p. 736

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en Derolez

Het recentere toponymisch onderzoek heeft tot enkele nieuwe argumenten geleid. Interessant zijn de plaatsnamen met het Latijnse element fines, zoals Fines Atrebatium en het gehucht Fins in Lille, eerder aangehaald. In de meest zuidelijke regio van het Menapisch gebied vinden we ook toponiemen zoals Templemars en Famars, en Flines-lez-Râches met een vermeend heiligdom. Deze plaatsnamen wijzen mogelijk op een religieuze zone die gelinkt kan worden aan een grensgebied.

Tot slot draagt het Keltische equoranda, met de betekenis ‘grens van water’ bij aan de bepaling van de grenzen. De plaatsnaam Guéronde-sous-Antoing zou teruggaan op equoranda. Guéronde bevindt zich ten zuidoosten van Doornik op ongeveer een kilometer van de rechteroever van de Schelde. Hier zag onder andere de Belgische archeologe Germaine Faider-Feytmans in het midden van vorige eeuw een bewijs voor de Schelde als grens. Net als bij de waterlopen is het jammer genoeg niet altijd bevestigd dat deze toponiemen tot de Oudheid teruggaan. Alle argumenten en hypotheses in acht genomen, toont onderstaande kaart de momenteel meest waarschijnlijke begrenzing van de civitas Menapiorum.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakeningS. Demuynck (2020), p. 196.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakening

Conclusie

De Menapiërs enkel omschrijven als de geboortestam van keizer Carausius doet hen onrecht aan. Dit onderzoek heeft getoond dat ze immigranten in het Noordzeegebied waren die zich vestigden tussen de rivier de Aa in het oosten en de Schelde in het westen. Tijdens de Romeinse overheersing bloeiden hun nederzettingen, productiecentra en handel. De Menapiërs werden al snel bekend als zouthandelaars en geroemd om hun voortreffelijke ham. Een kleine elite schreef zich snel in in het Romeinse kader, terwijl het grootste deel van de bevolking eerder geleidelijk elementen uit de Romeinse cultuur overnam. De archeologische resten leren ons veel over het leven “bij ons” in de Romeinse tijd. Maar de exacte grenzen van het Menapisch gebied? Die laten zich niet zomaar vastleggen. Het is wachten op de vondst van nieuw literair, documentair of archeologisch materiaal om de bestaande hypotheses te bevestigen of weerleggen.

Lees meer

Demuynck, S., De Menapii in Gallia Belgica. Onderzoek naar de grenzen van het Menapisch gebied in de keizertijd, onuitgegeven masterproef, KU Leuven, faculteit Letteren, 2020. (de masterproef is volledig te lezen op de Scriptiebank en een samenvatting en poster zijn te vinden op de website van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis)
Deru, X., La Gaule Belgique, Parijs, 2016.
De Clercq, W., Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum: transformaties in de rurale bewoningsstructuur en de materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (Provincie Gallia-Belgica, ca. 100 v.Chr. – 400 n.Chr.), Onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Universiteit Gent, departement Archeologie, 2009.
Dhaeze, W., ‘In het land van de Menapiërs’, Zeeuws Tijdschrift, 58 (2008), 35-44.
Delmaire, R. en Delmaire, B., ‘Les limites de la cité des Atrébates (nouvelle approche d’un vieux problème)’, Revue du Nord, 72 (1990), 697-735.
Delmaire, R., Etude archéologique de la partie orientale de la cité des Morins (civitas Morinorum) (Memoires de la Commission départementale des monuments historiques de Pas-de-Calais, 16), Arras, 1976.
Leman, P., ‘Aux confins méridionaux de la cité des Ménapiens’, Revue du Nord, 49 (1967), 721-739.
De Laet, S., ‘Les limites des Cités des Ménapiens et des Morins’, Helinium, 1 (1961), 20-34.
Derolez, A., ‘La Cité des Atrébates à l’époque romaine: documents et problèmes’, Revue du Nord, 40 (1958), 505-533.
Faider-Feytmans, G. ‘Les limites de la cité des Nerviens’, L’antiquité classique, 21 (1952), 338-358.

Luister verder

‘Over de vloer’: een (voorlopig) tweedelige podcastreeks door Sien Demuynck over de Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode “bij ons”. Op een luchtige en speelse, maar daardoor niet minder wetenschappelijke manier toont Sien dat geschiedenis helemaal niet saai hoeft te zijn. Voor jonge en iets oudere luisteraars, te vinden op SoundCloud.

Coverfoto: scène uit de één-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ waarin de Menapiër Carausius wordt uitgeroepen tot keizer (© VRT)

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/feed/ 0 2379
Het cijfer theta en ons getal 13 https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/ https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/#comments Tue, 04 Dec 2018 13:54:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1115 jachtscène Colosseum met theta nigrum

De letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος ("dood"), in de administratie van het Romeinse leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de "zwarte theta" (theta nigrum). In dit artikel gaan we na waar dit teken vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
jachtscène Colosseum met theta nigrum

Op het beroemde mozaïek van Torrenova uit de 4e eeuw n.C. (dat zich nu in de Galleria Borghese, een museum in Rome, bevindt), meer dan 20 meter lang, worden verschillende gladiatoren afgebeeld met hun typische wapenrusting, in gevechten van man tegen man. De strijders worden geïdentificeerd met hun namen in het Latijn, maar bij enkele gesneuvelden, zoals Astivus en Rodanus op de foto van deze mozaïek hieronder (en van een andere mozaïek uit het Colosseum hierboven), staat een cirkel doorkruist met een horizontale lijn, een Griekse theta, als afkorting voor θ(άνατος), de dood. In dit artikel gaan we na waar dit teken, ook bekend als de ‘zwarte theta’ (theta nigrum), vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Gladiatorengevecht op gedeelte van mozaïek uit het museum in de Villa Borghese

Het teken θ of de theta nigrum

Hetzelfde teken wordt ook gebruikt voor gesneuvelden in het Romeinse leger. Dit weten we uit de christelijke auteur Rufinus (Apologia adversus Hieronymum 2.40) die zich nogal omslachtig uitdrukt:

Accepto breviculo in quo militum nomina continentur, nitatur inspicere quanti ex militibus supersint, quanti in bello ceciderint; et requirens qui inspicere missus est, propriam notam, verbi causa, ut dici solet, theta, ad uniuscuiusque defuncti nomen adscribat.

Toen hij een breviculum had ontvangen, waarin de namen stonden van de soldaten, deed hij zijn best om te controleren hoeveel soldaten er nog in leven waren en hoeveel er in de oorlog waren gesneuveld; hij eiste dat de man die erop uit was gestuurd om te controleren, de notitie die, zoals men pleegt te zeggen,  omwille van het woord (nl. θάνατος) passend was, namelijk een theta, zou schrijven bij de naam van elke gesneuvelde).

pridianum met een theta naast de overleden soldaatP. Brooklyn Gr. 24

pridianum met een theta naast de overleden soldaat

Rufinus’ uitspraak wordt bevestigd door Latijnse papyri van de militaire administratie, zoals in aanwezigheidslijsten van soldaten (pridiana), die we kennen uit Egypte en uit Dura Europos aan de Eufraat. Een theta naast de naam van een soldaat duidt aan dat hij is gesneuveld of gestorven (zie de grote theta in de marge naast regel 4 op de afbeelding hiernaast).

In één pridianum worden gestorven soldaten onderscheiden naar gelang van de manier waarop ze zijn omgekomen “perit in aqua”, “occisus a latronibus” (“verloren gegaan in water”, d.w.z. verdronken, “gedood door rovers”) en “θetati” (“gesneuvelden”). De laatste groep, met een Griekse theta in een Latijns leenwoord, waren ongetwijfeld soldaten “killed in action”:

translatus in exercitum pannoni[cum
perit in aqua
.occisus. a latron[i]bus                        eq(ues) [
θetati                [in] is equites I[
summa decesserunt in is [

militaire lijstR.O. Fink, Roman military records, 1971, nr. 63 r.11= New Pal. Soc. II.2 pl. 186

De militaire lijst of pridianum met de Griekse theta in een Latijns leenwoord

Nochtans vindt men in Rome deze theta ook op grafsteles voor gewone burgers, al vanaf de Late Republiek, soms vergezeld van een V – voor Vivus natuurlijk – voor levende personen die de grafstele hebben besteld (ZPE 136 (2001), pp. 267-276).

Deze theta wordt kort besproken in de Etymologiae van Isidoros van Sevilla (Etymologiae iii 7.9 en Origenes I.3.8), die zegt dat in “militaire rapporten van de ouden” een theta werd geplaatst bij de naam van elke gesneuvelde (theta ad uniuscuiusque defuncti nomen adponebatur) en dat het teken Θ staat voor “dood” (mors, in het Grieks θάνατος), omdat de rechters deze letter plaatsten naast de naam van de veroordeelden:

Iudices litteram θ adponebant ad eorum nomina quos supplicio afficiebant. Et dicitur theta ἀπὸ θανάτου, id est a morte.

Hij citeert hierbij een hexameter van een onbekende auteur, die het heeft over de “infelix littera theta“, “de ongelukkige letter theta”.

In de klassieke Latijnse auteurs wordt op de ‘zwarte theta’ of theta nigrum gealludeerd door de dichters Persius en Martialis. Persius heeft het in zijn vierde satyre over “nigrum uitio praefigere theta”,  “de deugd merken met een zwarte theta” (l.13), en Martialis wijdt een epigram (VII 37) aan een rechter (de quaestor Castricus) die ervan hield willekeurig doodvonnissen uit te spreken (telkens hij zijn neus snoot), maar door zijn collega’s wordt belet zijn neus te snuiten!

Nosti mortiferum quaestoris, Castrice, signum?
Est operae pretium discere theta nouum:
exprimeret quotiens rorantem frigore nasum,
letalem iuguli iusserat esse notam.

Ken je het teken des doods van de quaestor Castricus? Het loont de moeite die nieuwe theta te leren kennen. Telkens hij zijn neus snoot die droop van de kou, had hij bevolen dat dit moest worden genoteerd als een doodvonnis.

De θ als cijfer 9

In de Griekse wereld staat de letter theta ook voor het cijfer 9. Zo vindt men in Griekse inscripties uit de Hellenistische tijd datums als ἔτους θ Φαρμουθι θ, wat betekent 9 Pharmouthi (een Egyptische maand) van jaar 9. In de periode van de tetrarchie (van 285 tot 324 n.C.) was het de gewoonte om te dateren met de regeringsdata van de Augusti en de Caesares. Zo wordt het jaar 295/296 in officiële documenten aangeduid als (ἔτους) ιβ καὶ (ἔτους) ια καὶ (ἔτους) δ τῶν κυρίων ἡμῶν Διοκλητιανοῦ καὶ Μαξιμιανοῦ Σεβαστῶν καὶ Κωνσταντίου καὶ Γαλερίου ἐπιφανεστάτων Καισάρων, wat men kan vertalen als “jaar 12 en jaar 11 en jaar 4 van onze heren Diocletianus en Maximianus Augusti en Constantinus en Galerius Caesares”. Slechts zelden worden de jaartallen voluit geschreven, op één uitzondering na : het jaar 9 wordt in bijna de helft van de gevallen niet aangeduid door het cijfer θ, maar voluit geschreven als ἐνάτου. Zo schrijft in 324 n.C. één scriba zelfs κ (ἔτους) καὶ ἔννεα καὶ ι (ἔτους) καὶ ιβ (ἔτους) : jaar 20 en jaar negen-10 en jaar 12. Het is evident dat sommige scribae de negatieve letter theta vermeden in dateringen.

P. Oxy. 36 2765 l.2P. Oxy. 36 2765 l.2

Het vermijden van de letter theta bij een datering op een papyrus, gevonden op de vuilnisbelt van Oxyrhynchus

Ditzelfde fenomeen kan men ook zien op munten. Onze voorbeelden komen vooral uit Alexandrië, omdat alleen in Egypte consequent wordt gedateerd met keizersjaren. De tekst op munten uit Egypte bevat vooral de naam/namen van de keizer, en een jaaraanduiding aangeduid met het teken L. Omdat de plaats beperkt is, worden de jaartallen op enkele uitzonderingen na meestal in cijfervorm gegeven. Tot de voornaamste uitzonderingen behoren opnieuw de jaren 9, waar in plaats van het cijfer 9 (θ) het woord ἐνάτου voluit wordt geschreven, vanaf Nero tot Diocletianus. Op 461 bewaarde munten uit Alexandrië telt men 387 uitgeschreven negens tegenover slechts 74 keer het cijfer 9. Alleen de munten van Septimius Severus en Severus Alexander gebruiken systematisch het cijferteken.

[Jaar 9 op Alexandrijnse munten van Nero tot Maximianus]

Keizer Jaar negen voluit Jaar 9 met cijfer
Nero 22 0
Vespasianus 33 2
Domitianus 18 0
Traianus 0 4
Hadrianus 95 22
Antoninus Pius 103 1
Marcus Aurelius 18 16
Septimius Severus 0 10
Severus Alexander 0 7
Gallienus 28 16
Diocletianus 36 0
Maximianus 30 0

(uit Chiron 10, 1980, p. 543)

Op de munten van Diocletianus bijvoorbeeld worden achtste en tiende jaar in cijfers geschreven (H en I), terwijl men voor een gelijkaardige munt van het negende jaar ENATOY gebruikt voluit schrijft.

 

 

 

 

Drie munten van keizer Diocletianus voor jaar 8, negen en 10

munt GallienusNick Vaneerdewegh | OUDE GESCHIEDENIS

munt Gallienus

In Antiochië bedenkt men een andere oplossing. Enkele munten uit het negende jaar van keizer Gallienus dragen als datum ΕΔ en ΗΑ, waarbij het cijfer 9 wordt omschreven als 5+4 en 8+1.

Op munten uit Rome staat vanaf Philippus I Arabs (251 n.C.) vaak een cijfer met aanduiding van één van de 12 officinae (workshops) waar de munten werden geslagen: A Β Γ Δ Ε S Ζ Η Ν X XI XII : de lagere getallen worden weergegeven door Griekse cijfers (A-H met een S voor het Griekse cijfer sti = 6), de hogere getallen door Latijnse cijfers (X -XII). Voor de weergave van de 9e officina wordt het cijfer Θ = 9 soms vervangen door N = nona of ook (in Antiochië) door ΔΕ = 4+5. Er komt pas een eind aan dit gebruik na de dood van de christelijke keizer Constantijn in 337 n.C.

 

Munt uit Alexandrië met afbeelding van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.); op de keerzijde, onder de staande keizer: SMALN = S(acra) M(oneta) AL(exandria) 9e (officina)

Munt uit Antiochië met afbeelding van keizerin Helena (327-329 n.C.); op de keerzijde leest men onder de staande figuur SMANT = S(acra) M(oneta) ANT(iochia), maar rechts naast de figuur leest men ΔE = 4+5, voor de 9e officina.

Munt uit Kyzikos, met dezelfde afbeeldingen van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.). Hier is de 9e officina wel door een theta weergeveven : SMKΘ = S(acra) M(oneta) K(yzikos) 9e (officina)

Ongeluksgetal?

Kort samengevat : de letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος (“dood”), in de administratie van het leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de “zwarte theta” (theta nigrum). Om die reden wordt theta soms vermeden, bijvoorbeeld bij de telling van de officinae in Rome wordt hij vervangen door Latijnse N (voor nona = negende). Vooral in verband met de naam van de keizer (9e jaar van keizer zo-en-zo) vermijden schrijvers in Egypte (papyri) en ontwerpers van munten (Alexandrië en Antiochië) de letter en schrijven het jaartal voluit of door een combinatie van 8 + 1. Het gaat niet om een officieel verbod, maar om een tendens, die men statistisch kan vaststellen, want men vindt naast elkaar op munten en papyri ἐνάτου, H+A (= 8 + 1) en Θ (= 9). Αan dit gebruik komt een einde na de dood van Constantijn, hoewel op Latijnse grafinscripties het symbool O met schuine streep nog wordt gebruikt tot in de Middeleeuwen. Het wordt dan wel geïnterpreteerd als obiit, maar stamt wel af van de theta nigrum.

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naamWilly Clarysse | OUDE GESCHIEDENIS

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naam

In tegenstelling tot ons getal 13, waar de schrijfwijze er niet toe doet (ook “dertien” heeft een negatieve klank), is er geen taboe tegen het getal negen, maar alleen tegen het cijfer Θ. Terwijl 13 een ongeluksgetal is (de dertien deelnemers aan het laatste avondmaal, waaronder Judas), is θ enkel een ongelukscijfer; met het getal 9 is niets fout.

Meer lezen

G.R. Watson, Theta Nigrum, Journal of Roman Studies 42 (1952) pp. 56-62
Margherita Guarducci, Dal gioco letterare alla crittografia mistica, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II 16.2 (1978), pp. 1754-1755
Iveta Mednikarova, The use of Θ in Latin funerary inscriptions, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 136 (2001), pp. 267-276
L. Rocchetti, Il mosaico con scene di anfiteatro al museo Borghese, Rivista Istituto Nazionale di Archeologia e Storia dell’Arte, anno 19.10, 1961
Armin U. Stylow und J. David Thomas, Zur Vermeidung von Theta in Datierungen nach kaiserlichen Regierungsjahren und in verwandten Zusammenhängen, Chiron 10 (1980) pp. 537-551

Coverfoto: adaptatie van foto ‘Hunting Scene Colosseo’ door Jastrow op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/feed/ 2 1115
Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/#respond Thu, 08 Mar 2018 14:47:27 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=700 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Sinds 1908 en de staking van een groep vrouwen in New York staat 8 maart in het teken van Internationale Vrouwendag. Tijd om ook eens te kijken naar befaamde vrouwen uit de Oudheid, waar weinig antieke vrouwen zoveel politieke invloed hadden als Fulvia. Lees hier een uitgebreid portret van deze intrigerende dame.

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Weinig antieke vrouwen hadden zoveel politieke invloed als Fulvia Flacca Bambula. Door haar drie huwelijken, telkens met een belangrijke politicus, was zij nauw betrokken bij de strijd om de macht in de woelige 1ste eeuw v.C. Fulvia is minder bekend – thanks, HBO – maar zeker niet minder fascinerend dan illustere tijdgenotes als Cleopatra of Octavia. Zo was ze de eerste sterfelijke vrouw die op een Romeinse munt opdook. Haar invloed was de toekomstige keizer Augustus zo’n doorn in het oog dat hij in zijn pen kroop om een vulgair epigram te schrijven om haar te belasteren. Later is ze dan ook vooral bekend geworden voor de scène waarin ze uit wraak haarspelden door Cicero’s tong gestoken zou hebben.

Fulvia en het hoofd van Cicero: vol verwachting houdt ze in dit schilderij van Maura y Montaner de haarspelden in de aanslag.

In moderne tijden groeide Fulvia als sterke vrouw uit tot een icoon van het feminisme. In de Oudheid werd haar politieke en vermeende militaire optreden haar echter niet in dank afgenomen door de geschiedschrijvers, niet toevallig mannen uit de gegoede klasse. Zij schetsen het beeld van een dominante, hebzuchtige en wrede ‘virago‘, een vrouw die alle gendergrenzen overschrijdt. Dit onfraaie beeld leert ons weliswaar veel over hoe hevig (mannelijke) Romeinen reageerden op vrouwen die zich in de publieke ruimte waagden, maar het betekent ook dat het moeilijk is om uitspraken te doen over de historische Fulvia, wat op zichzelf natuurlijk veelzeggend is. Laat ons toch een poging ondernemen.

Vrouwen in de Late Republiek

Net als ieder ander was Fulvia een kind van haar tijd, en haar lotgevallen kunnen niet los gezien worden van de uitzonderlijke omstandigheden waarin ze leefde. Traditioneel hadden Romeinse vrouwen weinig rechten. Ze mochten niet stemmen, hadden niet het recht in beroep te gaan en wettelijk gezien waren ze eeuwig minderjarig en dus onderhevig aan de voogdij van een mannelijke verwant. Ten gevolge van de burgeroorlogen van de 1ste eeuw v.C. kwam er verandering in de situatie van de Romeinse vrouw. Door de lange afwezigheid of zelfs de dood van vele mannelijke familieden was er op het thuisfront geen machtige pater familias meer. Bovendien waren er vaak meerdere generaties van mannen bij het krijgsgebeuren betrokken, waardoor vrouwen grote sommen geld erfden. Vooral vrouwen uit de hogere klassen, zoals Fulvia, maakten van deze situatie gebruik om zich meer te laten gelden in de publieke sfeer.

Voor Romeinse vrouwen was het devies sois belle et tais-toi

Het bewogen leven van Fulvia

We ontmoeten Fulvia voor het eerst in 60 v.C., bij haar eerste huwelijk met de beruchte demagoog Clodius, bekend van zijn bittere vete met Cicero. Haar eerste publieke optreden vond plaats op de begrafenis van Clodius, die tijdens een gewelddadige confrontatie – hoe kon het ook anders in de 1ste eeuw v.C. – vermoord was door de bodyguards van zijn politieke tegenstander Milo, een bekende scène voor wie in de middelbare school Latijn volgde. Minder bekend is dat Fulvia zijn lichaam door de straten van Rome droeg en zoveel misbaar maakte dat er rellen uitbraken en Clodius’ aanhangers hem prompt cremeerden, tezamen met het Romeinse senaatsgebouw. Fulvia slaagde er daarna in om de loyaliteit van Clodius’ medestanders vast te houden, en gecombineerd met haar aanzienlijk fortuin maakte dit haar tot een macht om rekening mee te houden. In 52 v.C. hertrouwde ze met Gaius Scribonius Curio, een andere vooraanstaande politicus uit de partij van Clodius en Caesar. Al snel kwam ook Curio echter op gewelddadige wijze aan zijn einde.

De Curia Iulia, de vervanger van de met Clodius in de vlammen opgegane Curia Cornelia

Het bekendst, of beruchtst, is Fulvia van haar derde huwelijk, met de triumvir Marcus Antonius. Gedurende de hele woelige periode 47-40 v.C. stond ze haar echtgenoot bij in diens strijd met Cicero en Octavianus, de toekomstige keizer Augustus. Vooral over deze periode zijn de bronnen heel negatief: zij zou uit eigenbelang haar man gedomineerd hebben, en hij zou met haar getrouwd zijn omwille van haar geld. Het koppel zou “provincies en koninkrijken bij opbod verkocht hebben”. Daarnaast zouden ze in grote mate verantwoordelijk geweest zijn voor de bloederige proscripties, waarbij vijanden van het triumviraat ter dood veroordeeld werden en hun bezit geconfisqueerd. Zo zou Fulvia volgens één bron haar buurman op de proscriptielijst geplaatst hebben, omdat die zijn huis niet aan haar had willen verkopen. Ook Cicero werd het slachtoffer van deze praktijk. Verder bemiddelde Fulvia meermaals direct bij de senaat wanneer die Antonius tot staatsvijand wilde uitroepen. Volgens Cassius Dio was zij de echte consul wanneer Antonius en Octavianus niet in Rome waren, eerder dan de verkozenen. Kortom, Fulvia was een bezige bij.

Het sluitstuk van Fulvia’s publieke carrière was de zogenaamde Perusinische Oorlog. In 41 v.C., toen Marcus Antonius zelf in het oosten was – en voor het eerst kennismaakte met Cleopatra! – verdedigde ze de belangen van haar echtgenoot, samen met diens broer Lucius, bij de verdeling van gronden aan veteranen in Italië. Dit leidde tot spanningen met Octavianus, die deze belangrijke groep ook aan zich wilde binden. Uiteindelijk mondden deze spanningen uit in een gewapend conflict. Volgens sommige latere bronnen voerde Fulvia in eigen persoon de troepen aan. Na enkele maanden moesten Lucius en Fulvia zich terugtrekken in Perusia, het huidige Perugia, dat daarop belegerd werd. Uitgehongerd gaven ze zich na een tijd over en Fulvia vluchtte naar Griekenland, waar ze door Antonius in de steek gelaten werd. Niet veel later stierf ze. Dit kwam goed uit voor Antonius en Octavianus, die de schuld voor hun conflict op Fulvia afschoven en aldus (voor even) vrede sloten.

Munt geslagen door Marcus Antonius. De voorzijde toont de gevleugelde godin Victoria, naar verluidt met de gelaatstrekken van Fulvia, maar de toeschrijving is onzeker

Een vernietigend portret

Hoe groot Fulvia’s rol in deze gebeurtenissen echt was, is moeilijk te bepalen. Dat heeft alles te maken met de bronnen die over haar schrijven. De bewaarde werken zijn namelijk zo goed als allemaal van de hand van auteurs die Fulvia en haar echtgenoten vijandig gezind waren. Tijdens haar leven schreef vooral Cicero over Fulvia. Cicero vocht bittere vetes uit met zowel Clodius als Marcus Antonius. Aan die laatste wijdde Cicero zijn Philippicae, een reeks beschadigende redevoeringen, en het is in deze teksten dat hij Fulvia opvoert als een wrede, hebzuchtige en dominante vrouw om de zwakte van Antonius te benadrukken. Anderzijds zag hij in Fulvia mogelijk ook de opvolgster van zijn rivaal Clodius.

Octavianus: niet zo deugdzaam als hij liet uitschijnen, maar wel een meesterlijk propagandist

Ook de propagandamachine van Octavianus werkte in die tijd op volle toeren. Via Martialis is er een epigram van Octavianus zelf overgeleverd waarin die refereert aan de affaire tussen Marcus Antonius en Glaphyra, de koningin van Cappadocië. De toekomstige keizer schrijft dat Fulvia hem dan voor de keuze stelde: eveneens ontucht plegen, of vechten. Octavianus laat ons daarop weten dat “zijn lul hem dierbaarder is dan zijn leven” en dat hij daarom het gevecht aangaat. De toekomstige keizer van Rome lijkt hier dus niet ver boven het niveau van de gemiddelde ‘online troll’ verheven geweest te zijn.

Dit negatieve beeld oefende een grote fascinatie en tegelijk ook afkeer uit op latere geschiedschrijvers, steevast mannen die tot de hogere klassen behoorden. Plutarchus, die in het algemeen al een vrij negatief vrouwbeeld had, noemt haar “een vrouwtje dat niet gaf om spinnen of huishoudelijk werk”, zij wilde “niet enkel regeren over een gewoon burger, maar heersen over een heerser en een commandant commanderen”. Volgens Paterculus “had zij niets van een vrouw, behalve het lichaam”. Cassius Dio gaat het verst in zijn negatieve typering, en het is aan hem dat we de scène met het hoofd van Cicero te danken hebben. Hij schrijft hierover:

Fulvia nam het hoofd in haar handen voor het werd weggehaald en begon er vreselijk tegen uit te varen. Ze zette het op haar knieën, maakte de mond open, trok de tong naar buiten en stak daar een van haar haarpinnen doorheen. Daarbij maakte ze ook nog allerlei smerige, sarcastische opmerkingen. (vertaling G. De Vries)

Fulvia: een “gevaarlijke” vrouw

Wat moeten we nu met de overgeleverde informatie? De bronnen zijn duidelijk gekleurd, en de auteurs gebruikten Fulvia elk voor hun eigen doeleinden. Haar dominante rol moest voor Cicero en Plutarchus in de eerste plaats de zwakte van Antonius in de verf zetten. Haar wreedheid vinden we dan weer terug in de passages over de proscripties. Door de rol van Octavianus’ tegenstanders uit te vergroten, wilden diens propagandisten, zoals Cassius Dio, de verantwoordelijkheid van de toekomstige keizer in deze pijnlijke gebeurtenissen verdoezelen. Bovendien komen vrouwen zelden toevallig voor bij de antieke auteurs. Zij waren moralistisch geïnspireerd en de vrouwen die ze opvoerden, fungeerden als voorbeelden van hoe het wel of – in dit geval – niet moest. Dit maakt het heel moeilijk om Fulvia’s ware rol in de gebeurtenissen te achterhalen.

Romeinse slingerkogel met inscriptie

Haar prominente aanwezigheid in de bronnen wijst er op zijn minst op dat Fulvia een bekend en invloedrijk figuur was. Dat ze zeker een rol gespeeld heeft, wordt ook aangetoond door archeologische bronnen. In de buurt van Perugia zijn slingerprojectielen opgegraven met obscene boodschappen – om de lezer gerust te stellen: af en toe schreven de Romeinen ook nog niet-obscene boodschappen – aan haar adres. Dit bewijst dat de vijandige soldaten haar goed genoeg kenden om zich rechtstreeks tot haar te richten. Stond zij werkelijk bevelen te roepen vanop de muren van Perugia, met het zwaard in de hand? Waarschijnlijk niet, maar het is wel aannemelijk dat zij haar politieke invloed aanwendde in de publieke ruimte.

 

Dat verklaart waarschijnlijk de hevige reactie van de antieke auteurs. Politieke en zeker militaire activiteiten waren typisch mannelijke prerogatieven, die de positie van de man in de maatschappij moesten legitimeren. Ook het publiek spreken was een belangrijk element van de mannelijke identiteit. Het beeld van een vrouw met te veel macht ondermijnde de sociale structuren en duidde op een maatschappij in crisis, wat de Romeinse mannen angst aanjoeg. Augustus’ agressieve epigram kan trouwens ook gelezen worden als een poging om zijn eigen mannelijkheid te bevestigen. Deze opvattingen leidden zeker bij de latere auteurs, die Fulvia’s werkelijke rol niet meer konden onderscheiden van de propaganda, tot uitingen van afkeer en tot het beeld van een dominant manwijf. In die latere tijden was er overigens geen ruimte meer voor zulke directe vrouwelijke invloed, een erfenis van Augustus’ hervormingen. De geschiedenis is dus geen lineaire vooruitgang naar een betere wereld voor iedereen. Dat besef is ook vandaag nog relevant, want er zijn nog steeds mannelijke stemmen die de vrouwelijke het liefst het zwijgen zouden opleggen.

Coverfoto: schilderij ‘Fulvia with the head of Cicero’ van Pavel Svedomsky (1849-1904) op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/feed/ 0 700