Livius Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/livius/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Livius Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/livius/ 32 32 136391722 Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/ https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/#respond Sun, 24 May 2026 08:20:44 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2817 een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. werd de Griekse wereld opgeschrikt door de invasie van de Galaten, een gebeurtenis die niet alleen militair maar ook ideologisch diepe sporen naliet. In dit eerste artikel van een tweedelige reeks staat de vraag centraal hoe deze Keltische groep in de Griekse perceptie werd voorgesteld en hoe het beeld van de "barbaarse" vijand vorm kreeg. Vooral de Aetoliërs slaagden erin om dit anti-Galatische discours naar hun hand te zetten en in te zetten als krachtig propagandamiddel die hun politieke positie en legitimiteit versterkte.a

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten - met de typische halsringen en schilden - afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus

Rond 280 v.C. heerste er chaos in Griekenland en Macedonië. De recente oorlog tussen de diadochen Seleucus en Lysimachus had zijn tol geëist, en een sterk centraal gezag was ver zoek. Hierdoor werden de Griekse stadstaten en het Macedonische thuisland kwetsbaar. Deze situatie bood een uitgelezen kans voor een bevolkingsgroep die aan de noordelijke grens opdoemde: de Galaten. Aangetrokken door de rijkdommen van de Helleense wereld, vielen deze Kelten vanuit de Balkan Griekenland en Macedonië massaal binnen en zaaiden ze dood en verderf. Deze existentiële dreiging leidde tot een zeldzaam verschijnsel in de antieke wereld: panhelleense samenwerking. Verscheidene leden van het bondgenootschap leverden een grote inspanning om deze “barbaren” te verdrijven, maar het waren vooral de Aetoliërs die te koop liepen met hun rol in de overwinning. Voor hen had deze zege immers grote propagandistische waarde.

Dit artikel vormt het eerste deel van een tweedelige reeks over de negatieve voorstelling van de Galaten in de Hellenistische wereld. In dit deel richten we ons op de specifieke inhoud van het anti-Galatische discours in de Griekse wereld en de Aetolische toepassing van deze propaganda. In het volgende deel verleggen we onze blik naar de grote Hellenistische koninkrijken.

Historische achtergrond

De Galaten waren een Keltische bevolkingsgroep die Galatisch sprak, een taal die nauw verwant was aan het Gallisch. Ze leefden zoals de overige Kelten in stamverband met telkens een stamhoofd aan het roer. De term “Galaat” is terug te voeren op het Oudgriekse woord voor “Galliër”. Vandaag wordt in de wetenschappelijke literatuur onderscheid gemaakt tussen de termen “Galliër” en “Galaat”. De Galliërs waren de continentale Kelten die in West-Europa bleven, terwijl de term “Galaten” verwijst naar de Kelten die sinds de 5de eeuw v.C. naar de Balkan migreerden. Tegen de vroege 3de eeuw v.C. bevonden deze stammen zich aan de grens van de Griekse wereld.

Over hun vroege geschiedenis is weinig met zekerheid geweten; hun verleden wordt voornamelijk gereconstrueerd op basis van Griekse bronnen die echter bevooroordeeld waren. De Grieken zagen immers de Galaten als het archetype van de barbaar. Recent archeologisch en historisch onderzoek heeft gelukkig enige nuance gebracht in dit eenzijdige beeld. In tegenstelling tot het stereotype van de Keltische volkeren als een zootje ongeregeld, hadden zij juist een complexe en efficiënte sociale en militaire organisatie waarbij de stammen goed samenwerkten.

De route van de Galaten

Nadat de Galaten de Helleense wereld waren binnengevallen, splitste hun leger zich op in grofweg drie colonnes. Eén deel settelde zich in Thracië (Polybius 4.45-46), een andere colonne van zo’n 20 000 krijgers stak de Hellespont over op uitnodiging van Nicomedes I, koning van Bithynië (Livius 38.15.). Hij zette de Kelten in als huurlingen tijdens de burgeroorlog tegen zijn broer, Zipoetes II, in ruil voor woongebied in Noord-Frygië. Deze groep heeft de antieke wereld diepgaand beïnvloed en zal in het tweede deel van deze artikelreeks in de belangstelling komen te staan. Tot slot was er een derde colonne onder leiding van Brennus. Brennus behoorde volgens Strabo (4.1.13) mogelijk tot de stam van de Prausi waarover voor de rest weinig geweten is. Hun eerste doelwit was Paeonië in 280 v.C., een gebied ten noorden van Macedonië. Na deze expeditie wist Brennus zijn krijgers te overtuigen om zich in 279 v.C. te wagen aan een meer uitdagend doelwit: de Griekse stadstaten waar hen mythische rijkdommen zouden opwachten.

De Ketische invasie in Griekenland

De Thermopylae vandaag de dag

Pausanias (10.19-23) wil ons doen geloven dat Brennus’ strijdkracht wel zo’n 152 000 infanteristen en 24 000 ruiters telde. Hoewel deze aantallen waarschijnlijk overdreven zijn, moet het totale aantal Kelten enorm zijn geweest. De bedreiging was in elk geval groot genoeg om de eeuwig kibbelende Griekse stadstaten in elkaars armen te drijven. De panhelleense tactiek moet bekend in de oren klinken voor wie vertrouwd is met de Griekse geschiedenis: de Kelten een halt toeroepen bij de Thermopylae. De eerste Keltische aanval tegen de verdedigers in de befaamde bergpas liep uit op een jammerlijke mislukking en Brennus blies de chamade.

Daarop besloot de Keltische leider het over een andere boeg te gooien. Hij liet een detachement tegen Aetolië uitrukken om de talrijke Aetolische troepen weg te lokken van bij de Griekse hoofdmacht in de Thermopylae. De list werkte, maar tegen een hoge prijs: veel Galaten sneuvelden tijdens deze expeditie. Ondertussen wist Brennus de vijand bij de Thermopylae te omsingelen dankzij de ontdekking van een pad dat om de Griekse linie heen leidde. Hierna volgde echter geen heldhaftig gevecht tot de laatste man zoals Leonidas en zijn ‘driehonderd’ dat destijds hadden gedaan. De Griekse troepen konden op tijd geëvacueerd worden dankzij de Atheense vloot die voor de kust voor anker lag.

Brennus koos vervolgens Delphi uit als nieuw doelwit. Volgens de overlevering werd deze aanval afgeslagen met de hulp van de goden die de Kelten teisterden met onder andere stormen en aardbevingen. Daarnaast droegen de Aetoliërs hun steentje bij door hun guerrillaoorlogvoering waarbij ze de Kelten onophoudelijk bestookten in het ruige terrein van Aetolië. Na een verpletterende nederlaag tegen de Phociërs besloten de Galaten zich halsoverkop terug te trekken. Tijdens de terugtocht bleven de Aetoliërs hen bestoken en uiteindelijk pleegde Brennus zelfmoord uit schaamte. De Keltische dreiging was geweken.

De oorsprong van het anti-Galatische discours

De relatie tussen de Galaten en de Helleense wereld werd dus al vanaf het begin gekenmerkt door conflict. Koning Nicomedes I bood evenwel als eerste een alternatief voor deze gewelddadige omgang met de Keltische stammen: samenwerking. In ruil voor militaire hulp kregen de Galaten land en geld. Dit beleid zouden vervolgens nagenoeg al de Hellenistische heersers in Klein-Azië voeren. Ondanks deze gunstige wederkerige relatie bleven de Grieken de Galaat omschrijven als de barbaar par excellence.

De Galatische levensstijl beantwoordde inderdaad op sommige gebieden aan de Griekse verwachtingen van een barbaar. In hun ogen ging het om loutere nomaden met een woest en vreemd voorkomen, die geen schrift kenden, laat staan geschreven wetten — een van de fundamenten van een beschaafde samenleving volgens de Grieken. Na hun vestiging in Noord-Frygië begonnen de Galaten zich steeds meer te conformeren aan de Griekse verwachtingen van een beschaafde mens. Desondanks zetten de Hellenistische vorsten deze traditie van negatieve voorstellingen voort. Waarom? Het antwoord ligt deels in het propagandistische nut van dergelijke beelden. Hoe woester en gevaarlijker de vijand, des te nobeler en sterker de overwinnaar lijkt. Dit narratief kon aldus bijdragen aan de legitimatie van het Hellenistische koningschap.

De Galaten in Griekse ogen

Al tijdens de grote invasie van 280/279 v.C. werden de Galaten gezien als een levensbedreiging voor de Helleense wereld. Hiervan getuigen enkele inscripties uit de jaren 270 v.C. (o.a. een uit Priëne die de beschermer van de stad roemt [TM 862714] en een dedicatie van een vader uit Thyateira aan Apollo om zijn zoon te redden van de Galaten [TM 838622]). Men kan de Grieken zeker niet beschuldigen van overdrijving. Bij gebrek aan een sterk centraal gezag waren de stadstaten inderdaad kwetsbaar. De poleis ontsnapten zelfs op het nippertje aan een smadelijke nederlaag bij de Thermopylae (zoals beschreven hierboven). Het was mede dankzij de tussenkomst van de goden – volgens de Grieken zelf althans – en onder andere de Aetoliërs dat de ondergang vermeden kon worden (zie Justinus 24.7.6, 24.8.3-7).

De idee van goddelijke interventie raakte al vroeg in zwang. Volgens een decreet uit Kos van 278 v.C. [TM 929025] was Apollo verantwoordelijk voor de triomf, terwijl een inscriptie van Smyrna uit hetzelfde jaar [TM 814632] de overwinning toeschrijft aan meerdere goden. Ondanks de uiteindelijke zege lieten de Galaten toch een trauma achter in het Griekse collectieve geheugen, een trauma dat de bekende Griekse historicus Angelos Chaniotis (in zijn Age of Conquests) zelfs vergelijkt met de shock van 9/11 in de westerse wereld. De Keltische invasie was zo ernstig dat een vergelijking met de Perzische invasies voor de Grieken zeker gerechtvaardigd was. Volgens Pausanias stond ditmaal niet enkel de vrijheid op het spel, maar zelfs het voortbestaan van de Griekse wereld:

ἑώρων δὲ τὸν ἐν τῷ παρόντι ἀγῶνα οὐχ ὑπὲρ ἐλευθερίας γενησόμενον, καθὰ ἐπὶ τοῦ Μήδου ποτέ, οὐδὲ δοῦσιν ὕδωρ καὶ γῆν τὰ ἀπὸ τούτου σφίσιν ἄδειαν φέροντα … ὡς οὖν ἀπολωλέναι δέον ἢ δ᾽ οὖν ἐπικρατεστέρους εἶναι, κατ᾽ ἄνδρα τε ἰδίᾳ καὶ αἱ πόλεις διέκειντο ἐν κοινῷ.

“Ze realiseerden zich dat de strijd die hen te wachten stond er niet een voor vrijheid zou zijn, zoals toen ze tegen de Perzen vochten, en dat water en aarde aanbieden hen geen veiligheid zou brengen…  Dus was elke man en elke stadstaat ervan overtuigd dat ze oftewel moesten overwinnen, oftewel ten onder gaan.” (Paus. 10.19.12)

De vergelijking moet haast vanzelfsprekend zijn geweest, niet in het minst omdat de Thermopylae wederom een centraal strijdperk werden. Verder vond Pausanias de schilden van beide volkeren opvallend gelijkend en zag hij parallellen tussen de Galatische cavalerie en de Onsterfelijken, de vermaarde Perzische elitekrijgsmacht. (Pausanias 10.19.4)

De Aetoliërs maakten handig gebruik van deze associatie. Zo plaatsten ze de buitgemaakte Galatische wapenuitrustingen naast die van de Perzen in de tempel van Apollo in Delphi. Dit was een berekende propagandistische truc: dit heiligdom was een van de belangrijkste religieuze centra in de Griekse wereld, waar om de vier jaar vertegenwoordigers van de meeste stadstaten samenkwamen om deel te nemen aan de Pythische Spelen. Bijgevolg konden de Aetoliërs handig hun cruciale rol in de overwinning aan de gehele Helleense wereld meedelen en in herinnering houden.

Tetradrachme van de Aetolische Bond met op de keerzijde (rechts) Aitolos, de personificatie van de Bond, gezeten op typische Galatische schilden, c. 239-229 v.C.

Ze gingen in Delphi hun rol ook op andere manieren in de verf zetten. Zo was er een standbeeld van de personificatie van Aetolië die gezeten was boven een stapel van Keltische wapenuitrustingen. Dit standbeeld kwam ook voor op de munten van de Aetolische Bond. Daarnaast was er de Portico van de Aetoliërs, een van de grootste bouwwerken te Delphi, waar een inscriptie de schenking van Keltische wapenuitrustingen herdacht. De boodschap was helder: net zoals de Atheners destijds bij Marathon en Salamis de Griekse beschaving tegen barbarij hadden beschermd, zo hadden de Aetoliërs eenzelfde dienst bewezen aan de Helleense wereld en dit verdiende respect en erkenning.

De Aetoliërs lijken zich haast uit te roepen tot de nieuwe beschermers van Griekenland en de leidersrol van Athene op te eisen. Ze hervormden zelfs rond 246 v.C. het jaarlijkse Soteria-festival in Delphi ter ere van Zeus tot een vijfjaarlijks, maar grootser gebeuren dat meer in het teken van de Aetoliërs en hun militaire heldendaden stond (zie SIG3 402 [TM 815238]). Opvallend is hoe ze zelfs de rol van de goden begonnen te minimaliseren om de aandacht meer naar zich toe te trekken. Dit alles negeerde natuurlijk volledig de bijdrage van de Griekse stadstaten, maar dat interesseerde hen niet. Er stond immers veel op het spel.

De geopolitieke voordelen van de Galatische overwinning

Na de Galatische episode traden steeds meer leden van de Aetolische Bond toe tot de Amphictionie van Delphi, een zeer oude religieuze vereniging die instond voor de veiligheid van Delphi. Diens leden hadden het recht om stadstaten te straffen die het heiligdom schonden. Deze straf nam soms de vorm aan van een “heilige oorlog” waarbij de leden militair samenwerkten tegen de agressor.

Tegen het einde van de jaren 250 v.C. had de Aetolische Bond al negen stemmen – van de 24 – in de raad van de Amphictionie. Dankbaarheid kan een rol hebben gespeeld bij de geleidelijke toelating van de Aetoliërs, maar politieke druk moet de doorslaggevende factor zijn geweest. De Aetolische Bond groeide namelijk in de 3de eeuw v.C. uit tot de grootmacht van Centraal- en West-Griekenland. Ze begonnen zich zelfs te moeien met Egeïsche en Peloponnesische aangelegenheden. Mettertijd versterkte dus ook hun greep op Delphi, dat in de naburige regio Phocis lag. De anti-Galatische propaganda kon deze controle over het heiligdom, evenals hun positie in Griekenland, handig legitimeren.

Inscriptie op de Portico van de Aetoliërs in Delphi die de buitmaking van de Galatische schilden commemoreert

De ideologische voordelen van de Galatische overwinning

De inzet van de Aetolische propaganda ging echter verder dan loutere zelfverheerlijking en legitimatie van hun geopolitieke situatie. Wanneer we de culturele context rond de Aetoliërs erbij betrekken, wordt meteen duidelijker waarom ze zo sterk de nadruk legden op deze overwinning. Het lidmaatschap van de Aetoliërs tot de Helleense beschaving werd namelijk voortdurend in twijfel getrokken. Ze waren volgens de andere stadstaten minder Grieks of zelfs simpelweg barbaren. Zo waren ze niet in polis-verband georganiseerd, maar bestonden ze uit stammen (ἔθνη) die in dorpjes samenleefden.

Bovendien waren ze dikwijls actief als piraten die de zeeën rond Griekenland onveilig maakten. Deze slechte reputatie was volgens de Britse historicus John Grainger (in zijn The League of the Aitolians) al goed gevestigd vooraleer ze zich gingen organiseren in een confederatie in de 4de eeuw v.C. Het feit dat ze een moeilijk verstaanbaar dialect spraken, pleitte ook al niet in hun voordeel. Deze neerbuigende houding vanwege de andere Grieken namen ze allerminst in dank af en ze grepen deze kans om hun “Grieksheid” in het gezicht te duwen van de sceptici. Griekenland had immers haar voortbestaan uitgerekend aan hen te danken.

Vanuit deze optiek kon de toetreding tot de Amphictionie van Delphi hebben gediend als een formalisatie van deze claim. Deze religieuze vereniging kwam samen bij het orakel van Delphi, een van de belangrijkste heiligdommen in de Griekse wereld. Voor de Grieken was hun gedeelde religie een van de belangrijkste expressies van hun culturele eigenheid. Toetreding tot een dergelijke organisatie was daarom een onweerlegbaar bewijs van Griekse identiteit.

Hierbij moet trouwens de Macedonische vorst Philippus II (r. 359-336 v.C.) als model hebben gediend voor de Aetoliërs. Net zoals in het geval van deze West-Grieken was de “Grieksheid” van de Macedoniërs omstreden, en net zoals in het geval van de Aetoliërs was Philippus’ toetreding tot deze Amphictionie een poging om Macedonië op de kaart te zetten als Griekse mogendheid. Net zoals de latere Macedonische overwinning onder leiding van Alexander de Grote (r. 336-323 v.C.) op de Perzische koning Darius III (r. 336–330 v.C.) diende, diende de overwinning op de Galaten om deze claim te bevestigen.

Centraal-Griekenland met Aetolië ten zuiden van Epirus en Thessalië, geklemd tussen Acarnania en Phocis (waar Delphi gelegen is)

Conclusie

De Aetoliërs claimden een centrale rol te hebben gespeeld bij de verdrijving van de Galaten. De invasie van deze Keltische stammen was een ingrijpende gebeurtenis in de 3de eeuw v.C., die een trauma in de Griekse wereld naliet. In hun ogen stond niets minder dan de beschaving op het spel. De bijdrage van de Aetoliërs aan de overwinning kwam deze West-Grieken goed van pas: de politieke invloed van de Aetolische Bond nam in deze periode toe, en het werd tijd om erkenning en respect af te dwingen bij de overige Grieken. Dit was echter geen vanzelfsprekendheid, aangezien de Aetoliërs in het verleden vaak werden bestempeld als barbaren of half-Grieken. Zij wilden eindelijk worden geaccepteerd als volwaardige leden van de Griekse wereld. De overwinning op de Galaten legitimeerde zowel hun aanspraak op deze culturele identiteit als hun stevige greep op Delphi zelf.

De voordelen die dit anti-Galatische narratief bood, gingen niet onopgemerkt voorbij aan andere spelers binnen de Hellenistische wereld. Rond dezelfde periode moesten ook de Hellenistische vorsten aan beide zijden van de Hellespont afrekenen met Galatische invallen. Zij kampten met vergelijkbare legitimiteits- en identiteitsproblemen als de Aetoliërs. Bijgevolg bood de overwinning op deze “barbaren” vergelijkbare ideologische voordelen. Toch zijn er binnen deze propaganda enkele verdere nuances te ontwaren, maar dat is stof voor het volgende deel.

Lees meer

Grainger, J. D., The League of the Aitolians. 1999, Leiden.

Larsen, J., Greek Federal States: Their Institutions and History, 1968, Oxford.

Mitchell, S., Anatolia. Land, Men, and Gods in Asia Minor I. The Celts and the Impact of Roman Rule, 1993, Oxford.

Scholten, J., The Politics of Plunder: Aitolians and their Koinon in the Early Hellenistic Era, 279 – 217 B.C., 2000, Berkeley.

Coverfoto: adaptatie van de afbeelding ‘Marken019AnconaMusArcheo’, afkomstig van een tempelfries uit Civitalba (momenteel in het Museo Archeologico Nazionale delle Marche) die vluchtende Kelten – met de typische halsringen en schilden – afbeeldt die in paniek vluchten, niet alleen verwijzend naar hun nederlaag tegen Rome (295 v.C.) maar vermoedelijk ook naar de mislukte plundering van de tempel van Apollo in Delphi (279 v.C.) onder leiding van Brennus, vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Anti-Galatische propaganda: vijandbeeld en machtspolitiek in de Griekse wereld van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/24/05/2026/anti-galatische-propaganda-vijandbeeld-en-machtspolitiek-in-de-griekse-wereld/feed/ 0 2817
Oskisch: What’s in a name? https://www.oudegeschiedenis.be/31/05/2018/oskisch-whats-in-a-name/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/05/2018/oskisch-whats-in-a-name/#respond Thu, 31 May 2018 17:17:19 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=890 Oskisch

Al eens gehoord over het Oskisch? Deze Italische taal werd genoemd naar de Osken (Osci), een volk dat in het zuiden van Italië leefde omstreeks de 5de eeuw v.C. Hoewel de taal sterk verwant is met het Latijn, verdween ze, onder druk van datzelfde Latijn, waarschijnlijk op het einde van de 1ste eeuw n.C. Gelukkig zijn er naast een aantal inscripties -bijvoorbeeld in Pompeii- ook nog heel wat taalkundige overblijfselen van het Oskisch te vinden. Zo ook bijvoorbeeld in de Romeinse naamgeving, die we in dit artikel willen bekijken vanuit een Oskisch standpunt.

Het bericht Oskisch: What’s in a name? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Al eens gehoord over het Oskisch? Deze Italische taal werd genoemd naar de Osken (Osci), een volk dat in het zuiden van Italië leefde omstreeks de 5de eeuw v.C. Hoewel de taal sterk verwant is met het Latijn, verdween ze, onder druk van datzelfde Latijn, waarschijnlijk op het einde van de 1ste eeuw n.C. Gelukkig zijn er naast een aantal inscripties – bijvoorbeeld in Pompeï – ook nog heel wat taalkundige overblijfselen van het Oskisch te vinden. Zo ook bijvoorbeeld in de Romeinse naamgeving, die we in dit artikel willen bekijken vanuit een Oskisch standpunt.

Oorsprong

Oskisch is een Indo-Europese taal die als Italische taal (samen met het Umbrisch) tot de Sabellische taalfamilie behoort. De taal werd meestal van rechts naar links geschreven en kon naast in een inheems Oskisch-Umbrisch alfabet (gebaseerd op het Etruskisch), zowel in het Griekse als het Latijnse alfabet worden weergegeven. Geografisch gezien was Osci –ook bekend onder de naam Opici of Opikoi in het Grieks- een verzamelnaam voor enkele volkeren die in het 1ste  millennium v.C. in de zuidelijke Italiaanse provincie Campania leefden. Het Oskisch als taal werd vanaf de 5de eeuw v.C. voornamelijk gesproken door de Samnieten en de Osken, die zuidelijker leefden in steden zoals Capua, Cumae en Napels. Na de Samnitische Oorlogen (343-290 v.C.) werden deze volkeren door de Romeinen onderworpen en raakte het Oskisch steeds meer in verdrukking door het Latijn. Desalniettemin verliep deze overgang zeker op het platteland veel trager dan in de steden en werd het Oskisch ook op verschillende wijzen geassimileerd met het Latijn. Sporen daarvan treffen we nog steeds aan in literatuur (bijvoorbeeld bij Varro, Cicero en Ennius), in opschriften en bij plaats- en persoonsnamen.

Inscripties

Wanneer we het volledige corpus van Oskische inscripties willen bestuderen, dienen we op dit moment iets meer dan 1000 bekende attestaties van teksten te bekijken. De database Trismegistos, die informatie over alle teksten uit de Oudheid tussen ruwweg 800 v.C. en 800 n.C. verzamelt, kent op het moment van schrijven 1169 verschillende attestaties van teksten in het Oskisch (opgelet: dit is een een vertekend aantal, waarbij een heel aantal Oskische teksten waarvan het schrift ongespecificeerd als Italisch staat aangeduid in de database, nog moeten worden bijgerekend of een aantal verkeerdelijk als Oskisch aangeduide teksten mogelijk om een andere Sabellische taal gaat). Hierbij dienen we eveneens op te merken dat een groot deel van deze teksten als opschrift op het zogenaamde instrumentum domesticum (huishoudelijke producten zoals tegels of vazen) werden aangebracht. Dit gaat dan in de meeste gevallen om eenzelfde markering die de pottenbakker die de producten fabriceerde markeerde. Daarnaast zijn er ook een heel deel seriële munten die hetzelfde opschrift delen, die deze cijfers vertekenen. Naar unieke opschriften zullen een 500-tal Oskische teksten dichter bij de waarheid liggen.

 

 

 

 

 

Van deze teksten zijn de meeste afkomstig uit de regio Latium et Campania, voornamelijk dankzij de overblijfselen uit Pompeii  –for obvious reasons– en meer dan 70% is gemaakt van aardewerk. Chronologisch zijn deze teksten moeilijker te rangschikken, want niet alle teksten zijn absoluut gedateerd en deze zorgen dus voor afwijkingen in de grafiek. Toch kunnen we stellen dat de vroegste teksten dateren uit de 5de eeuw v.C. en de laatst gekende uit de 1ste eeuw n.C.

Naamgeving

Het bekende Romeinse naamgevingssysteem van de tria nomina gaat terug op een Etruskisch gebruik. Zij maakten gebruik van familienamen die overgeërfd werden door hun nakomelingen, in tegenstelling tot andere mediterraanse culturen waarbij het binomiale systeem bestond uit een voornaam en een patroniem (de aanduiding van de vadersnaam). Hoewel ook de Romeinen vaak gebruik maakten van zo’n filiatie -denk maar aan de aanduiding f(ilius), zoon van, op bijvoorbeeld grafinscripties- werd hun praenomen of voornaam gevolgd door een erfelijk nomen gentilicium, een familienaam die verwees naar de gens waartoe de persoon in kwestie behoorde. Een latere ontwikkeling was de toevoeging van de bijnamen, vaak als enkele bijnaam of cognomen, maar soms ook als tweede bijnaam of agnomen -bijvoorbeeld wegens een bijzondere verdienste, denk maar aan de befaamde Publius Cornelius Scipio die het agnomen Africanus kreeg na Hannibal te verslaan bij de veldslag van Zama in 202 v.C.- waardoor een Romeinse naam ook uit vier componenten kon bestaan.

Het Oskische naamgevingssysteem maakte eveneens gebruik van deze Italische variant van erfelijke familienamen. Vaak treffen we een praenomen aan, gevolgd door een gentilicium. In bepaalde gevallen worden deze dan ook nog eens gevolgd door een patroniem (of dit kan wegens een gemis aan een filiatie-aanduiding ook de voormalige eigenaar aanduiden bij een slavennaam) of door een bijnaam (die zeldzaam zijn en dan nog voornamelijk in het latere Noord-Oskische corpus met Latijns alfabet voorkomen). Hoe de naam voorkomt en met hoeveel naamcomponenten hangt daarnaast ook sterk af van het genre van inscriptie (publiek of privaat), persoonlijke voorkeur of het al dan niet volledige karakter van de overgeleverde inscriptie.

Voor Oskische namen hebben we te maken met een dominantie van mannelijke namen. Vrouwelijke namen zijn zeldzaam, waarschijnlijk door het geringe aantal overgeleverde Oskische grafinscripties, het epigrafische genre bij uitstek waarbij vaak ook vrouwelijke namen te vinden zijn. Oskische voornamen en gentilicia eindigen vaak op -is of -iis, een vorm die in het Latijns vaak –ius wordt. Natuurlijk vinden we verschillen tussen het Noord- en Centraal-Oskisch en het Zuid-Oskisch. Het eerste is geschreven in een inheems Oskisch alfabet (sinistrograad of van rechts naar links) of in het Latijns alfabet (dextrograad of van links naar rechts), dat na de Samnitische Oorlogen voornamelijk in de regio’s Campania en Samnium voorkomt. Het Zuid-Oskische corpus werd geschreven in het Griekse alfabet (eveneens dextrograad) en is voornamelijk afkomstig uit de zuidelijkere regio’s Lucania, Bruttium en Messina.

De verdeling van deze namen met de verschillende naamcomponenten ziet eruit als volgt:

[Tabel gebaseerd op K. McDonald (2012)]

elementen Noord- en Centraal-Oskisch: 637 namen Zuid-Oskisch: 133 namen
4 17 1
3 200 20
2 258 60
 1 162 52

Zoals eerder al aangehaald komen cognomina voornamelijk voor bij Oskische namen geschreven in het Latijnse alfabet. De grote groep van namen die uit één naamcomponent bestaan zijn dan weer genregebonden: in defixiones of vervloekingstabletten -die trouwens ook procentueel gezien de meerderheid van de Oskische namen overgeleverd hebben- komen deze massaal voor.

Oskische namen

Een complete lijst van Oskische praenomina en gentilicia opsommen zou ons hier te ver leiden en het is bovendien ook niet altijd duidelijk in welke mate een naam die in het Latijn of Oskisch voorkomt uit die taal afkomstig is (of eventueel teruggaat op een proto-Italische stam). Wederzijdse beïnvloeding zorgde er daarnaast voor dat Latijnse namen opduiken in het Oskisch en Oskische namen ook in andere talen werden opgenomen. Een exotisch voorbeeld hiervan is een funeraire inscriptie (TM 47467) die nabij de Egyptische stad Alexandria werd gevonden en gedateerd wordt tussen 199 en 30 v.C.

Μαραῖος Βακείου | Μαμερτῖνος.

“Maraeus, zoon van Baceius, een Mamertinus”

Hoewel deze persoon duidelijk het Griekse naamgevingssysteem volgt (een naam plus een patroniem of vadersnaam), duidt het toegevoegde ethnikon of plaats van origine op een Oskische afkomst. De Mamertijnen waren een volk van huurlingen die gebaseerd waren in Campania en wier naam verwees naar de Oskische oorlogsgod Mamers (het equivalent van de Romeinse god Mars). Maraeus is een geattesteerde Oskische voornaam die slechts in enkele gevallen als Maraios in het Grieks voorkomt en waarvan de Oskische stam Marahii(s) of Marahis is. Het digitale Lexicon of Greek Personal Names (LGPN) kent slechts 9 andere gevallen waarin deze naam in het Grieks voorkomt, maar toch raakte deze Oskische voornaam via het Grieks verspreid tot in Egypte.

Andere Oskische namen die voornamelijk ook voorkomen op dedicatieopschriften worden nadien hergebruikt in het Latijn. Zo komt de Oskische naam Viíbis ook ter sprake bij Livius in zijn Ab Urbe Condita (XXVII,15) waarin hij de Campanische ambassadeur Vibius Virius (het gentilicium is overgenomen van het Oskische Víríiis) vermeldt. De naam Statiís, een van oorsprong Oskische voornaam waarvan we als dragers onder meer enkele Samnitische notabelen kennen, werd bij de Romeinen later als slavennaam Statius gebruikt, mogelijk wegens de lage komaf van inwoners die met die naam vanuit het Oskische platteland naar Rome kwamen. Een moeilijk geval nog vormt de naam Nium(p)sis: sommige onderzoekers zien hierin het equivalent van de Griekse naam Numfios of Numpsios, maar het is eerder waarschijnlijk dat de naam teruggaat op het Latijnse Numerius of een Etruskische voorganger hiervan.

Ook in de numismatiek zien we een heleboel voorbeelden van Oskische namen, sommigen ook in het Oskische alfabet. Zo lezen we op de achterzijde van een zilveren denarius geslagen ten tijde van de Bondgenotenoorlog de naam van Gaius Papius Mutilus in het Oskisch (van rechts naar links) vermeld als C. PAAPI. C. (en op de voorzijde MUTIL). Deze Samnitische generaal van nobele afkomst vocht met de zuidelijke rebellen tegen het Romeinse leger en behaalde roemrijke successen in verschillende veldslagen. Om deze te herdenken liet de Marsische Confederatie munten slaan met zijn naam erop.

Griekse invloed?

Tot slot kunnen we ons nog afvragen of de beïnvloeding van andere talen ook het Oskische naamgevingssysteem zelf veranderde. Sommige onderzoekers probeerden dit aan te tonen aan de hand van het Zuid-Oskische corpus met Griekse alfabet. Volgens hen zou de invloed van de hellenisering in de zuidelijke Italische regio’s ook de Oskische naamgeving hebben beïnvloed. Toch lijken hun argumenten hiervoor (het voorkomen van volledig gehelleniseerde Oskische namen, de volgorde waarin de naamcomponenten voorkomen en het voorkomen van namen bestaande uit slechts één naamcomponent) makkelijk kunnen worden weerlegd. Zo kunnen die laatste namen met één naamcomponent door de epigrafische praktijk bijvoorbeeld vaker voorkomen in bepaalde genres, berust de omgekeerde volgorde met een patroniem tussen praenomen en gentilicium vaak op een verkeerde lezing of interpretatie en zijn er amper voorbeelden van volledig gehelleniseerde Oskische namen. Natuurlijk moeten we ons bewust zijn van de caveats bij het Oskische tekstcorpus, zoals daar zijn: het beperkt aantal inscripties, de ongelijke verdeling tussen bepaalde regio’s en de slechte bewaring of overlevering van sommige opschriften. Toch kunnen we vermoeden dat de Oskische naamgeving, hoewel sterk beïnvloed door het Latijn en het Grieks na periodes van oorlog en invasies, zijn Italische eigenheid heeft kunnen behouden. Ondanks de assimilatie van Griekse en Latijnse namen (en het opnemen van Oskische namen in andere talen) bleef het Oskische naamgevingssysteem met de erfelijke gentilicia bewaard tot de periode waarin de taal verdween.

Meer lezen?

N. Zair (2016), Oscan in the Greek Alphabet, Cambridge University Press.

K. McDonald (2015), Oscan in Southern Italy and Sicily: Evaluating Language Contact in a Fragmentary Corpus, Cambridge University Press.

K. McDonald (2012) “Do Personal Names in South Oscan show influence from Greek?” in T. Meißner (ed.), Personal Names in the Western Roman World, Studies in Classical and Comparative Onomastics 1, Berlijn, pp. 41-58.

Coverfoto: © The Trustees of the British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

Het bericht Oskisch: What’s in a name? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/05/2018/oskisch-whats-in-a-name/feed/ 0 890