inscriptie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/inscriptie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png inscriptie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/inscriptie/ 32 32 136391722 ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/#respond Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2747 Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Meertaligheid toont de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. In dit artikel wordt een kwantitatieve masterproef over identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties gebruikt om dit te onderzoeken voor de Hellenistische en Romeinse periode.

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een symbool van culturele eigenheid. In een land als België, en een regio als Vlaanderen, behoeft dit geen verdere uitleg. Ook tweetaligheid is, en was, een identitair kenmerk. Meertaligheid toont namelijk de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. Er zijn echter geen mondelinge getuigenissen uit die periode, waardoor we ons moeten richten op geschreven bronnen. Grafschriften vormen de ideale bronnen om hier meer over te weten, aangezien ze bij uitstek de identiteit van de overledenen uitdrukten. Het was immers datgene waarmee zij herinnerd zouden worden.

Leemte in het onderzoek

De voorbije decennia is het onderzoek naar antieke tweetalige grafinscripties nogal beperkt van aard gebleken. Binnen het onderzoeksveld heeft men zich voornamelijk op de Latijnse tweetaligheid gefocust. Om deze reden heb ik in het academiejaar 2023-2024 in mijn masterproef onderzoek gedaan naar de Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften.[1] Ik heb meer bepaald onderzocht op welke manier taal, tekst en onomastiek de identiteitsbeleving van de overledenen bepaalden. Ik heb onder meer gekeken naar posities van de talen op de grafschriften, alsook hun lengte en inhoud om zo meer te weten te komen over de identiteit van de overledenen. Daarnaast heb ik ook de etymologie van de eigennamen onderzocht. Zo wordt er antwoord geboden op een vraag als “Hadden de overledenen voornamelijk Griekse namen of niet?”. Dit vertelt ons meer over de identiteitsbeleving van de overledenen.

Van Palmyra tot Egypte

De antieke grafinscripties die hier in de schijnwerpers zullen staan zijn voornamelijk afkomstig uit het Griekstalige oosten. Het grootste deel hiervan zijn Grieks-Palmyreens, uit de bekende Syrische karavaanstad Palmyra. Zij worden kwantitatief op de voet gevolgd door de Grieks-Hebreeuwse grafschriften. Zij komen zowel uit het antieke Judea als uit de Joodse catacomben van Rome en Italië. Daarna volgen de Grieks-Frygische epitafen, afkomstig uit Centraal-Anatolië. De Grieks-Koptische en Grieks-Demotische grafschriften sluiten de top 5 af, allebei uit Egypte, zij het geschreven in een ander stadium van de Egyptische taal. We spreken hier over 305 grafinscripties in totaal. Er zijn nog tal van andere Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften, maar hun aantallen zijn te klein en ze zijn te slecht gedocumenteerd om er betekenisvol onderzoek naar te doen. Chronologisch zijn de 305 tweetalige grafinscripties voornamelijk te situeren in de 3de eeuw v.C. en in de 2de eeuw n.C.

Schijfdiagram van het aantal Griekse tweetalige grafinscripties, opgedeeld per taal

Grieks boven!

De keuze van welke taal eerst kwam, alsook de lengte van de teksten en de inhoud ervan bepalen welke identiteit de overledenen of hun nabestaanden wilden uitdrukken via de grafschriften. Daarom heb ik de relatieve positie van de teksten/talen, de lengte en inhoud van elke tekst onderzocht, per grafschrift.

Ik heb een eigen databank gemaakt op basis van de Trismegistos-database, waarin ik voor elk grafschrift drie dingen heb vastgelegd: de positie van de tekst, hoe lang de tekst is, en wat erin staat. De gegevens zijn per taal gegroepeerd. Om het overzicht te bewaren is alles in tabellen gegoten.[2]

[1. Positie – Grieks met:]

Grieks Boven Grieks Onder Naast Elkaar Grieks

Midden

Andere Taal Midden Onbepaald
Palmyreens 80,6% 11,1% 8,3% 0,0% 0,0% 0,0%
Hebreeuws 52,2% 23,2% 5,8% 2,9% 2,9% 13,0%
Frygisch 81,8% 7,6% 1,5% 0,0% 9,1% 0,0%
Koptisch 47,5% 22,0% 5,1% 10,2% 8,5% 3,4%
Demotisch 15,4% 43,6% 7,7% 5,1% 0,0% 28,2%
Totaal % 59,7% 20,0% 6,2% 3,3% 4,3% 7,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 20.

Bovenstaande tabel toont aan dat in een meerderheid van de gevallen het Grieks boven de andere taal staat geschreven op een grafschrift. De Grieks-Demotische grafschriften vormen de uitzondering die de regel bevestigen. Dit lijkt er dus op te wijzen dat het Grieks een belangrijkere status aannam dan de lokale taal. Er zijn wel onderlinge verschillen op te merken: zo staat het Grieks zéér vaak bovenaan een Grieks-Frygische inscriptie, maar is dat bij de Grieks-Koptische grafinscripties veel minder het geval. Soms is het echter niet duidelijk wat de positie van de talen juist is, vandaar de laatste kolom genaamd “Onbepaald”. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met de slechte staat van de inscriptie of een onduidelijke teksteditie, waarbij de positie van de teksten niet wordt aangegeven.

Alle talen zijn gelijk, maar sommige…

[2. Hoeveelheid – Grieks met:]

Evenveel lijnen Grieks > Andere taal Grieks < Andere taal Onbepaald
Palmyreens 48,6% 25,0% 12,5% 13,9%
Hebreeuws 24,6% 56,5% 14,5% 4,3%
Frygisch 33,3% 34,8% 12,1% 19,7%
Koptisch 28,8% 23,7% 42,4% 5,1%
Demotisch 18% 7,7% 51,3% 23,1%
Totaal % 32,1% 31,8% 23,9% 12,1%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 21

Ongeveer 1/3de van de grafschriften in de tabel combineert evenveel Grieks met een andere taal, bijna evenveel grafschriften bevatten meer Grieks. Minder dan een kwart van de grafinscripties bevat meer niet-Griekse tekst dan Griekse tekst. Opnieuw zijn het de Grieks-Demotische en in dit geval ook de Grieks-Koptische grafschriften die hier de uitzondering vormen op de rest. Vanwege de slechte staat van sommige grafinscripties, of omwille van andere redenen, is het in 12% van de gevallen niet duidelijk welke taal nu dominant is.

Wat wordt er precies gezegd?

[3. Inhoud – Taal:]

ID in Grieks ID in andere taal Religieuze inhoud in Grieks[3] Religieuze inhoud in and. taal[4] Spreuk in Grieks Spreuk in and. taal
Gr.-Palmyr. 95,8% 97,2% 0,0% 0,0% 5,6% 11,1%
Gr.-Hebr. 95,7% 56,5% 0,0% 0,0% 7,2% 42,0%
Gr.-Fryg. 97,0% 1,5% 4,6% 0,0% 12,1% 100,0%
Gr.-Kopt. 11,9% 66,1% 22,0% 23,7% 66,1% 10,2%
Gr.-Demot. 89,7% 64,1% 0,0% 43,6% 2,6% 10,3%
Tot. 241 174 16 31 57 113

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 22

Dankzij de tabel hierboven kunnen we ook zien dat de Griekse taal vaak de overledene identificeert. Dat is in de niet-Griekse talen toch minder het geval. Deze talen worden eerder gebruikt om bepaalde (funeraire) spreuken, formules of religieuze inhoud over te brengen. De Grieks-Koptische grafschriften vormen hierop een uitzondering. De percentages overlappen hier omdat een tekst uiteraard meerdere inhoudelijke zaken kan bevatten.

Op basis van deze drie factoren kunnen we stellen dat de Griekse taal toch een zekere overmacht had op tweetalige grafschriften ten opzichte van de lokale talen. Al zijn er hier en daar uitzonderingen, voornamelijk terug te vinden op de Egyptische grafschriften.

Beroepstrots tot in de kist

Een tweetalige Grieks-Palmyreens funerair reliëf van Marcus (een kolonist uit Berytos)

James Noel Adams toont aan in zijn Bilingualism and the Latin Language dat in Latijnse tweetalige grafschriften de beroepsidentiteit van de overledene wordt benadrukt door middel van de taal. Hetzelfde is terug te vinden bij de Griekse tegenhangers. Zo is er een hiërogliefensnijder genaamd Besas die, naast Grieks, ook hiërogliefen op zijn grafschrift heeft staan [TM 52806]. Ongetwijfeld heeft Besas deze hiërogliefen er op laten zetten omwille van zijn beroep.

Het omgekeerde zien we echter ook: zo zijn er de grafschriften van een Grieks-Hebreeuwse leraar [TM 876393] en een Grieks-Palmyreense dokter [TM 829352] die de respectievelijke beroepen expliciet in het Grieks vermelden, maar niet in de lokale taal. Misschien was de leerkracht gespecialiseerd in Grieks onderricht? Adams merkte op dat ook Grieks-Latijnse grafschriften het beroep van dokter vermelden in de Griekse taal.

Naam en faam

Om meer te weten te komen over de identiteitsbeleving van overledenen moet er natuurlijk ook naar de namen en identificatie van die mensen gekeken worden. De etymologie van de naam van de overledene is natuurlijk een belangrijke factor om meer te weten te komen over de achtergrond en identiteit van de persoon. Iemand met een Griekse naam zal misschien wel eerder een band hebben met de Griekse cultuur dan met de lokale cultuur.

Deze dataset is groter dan die van het eerste deel, aangezien eigennamen vaak duidelijker zijn terug te vinden in de tekstedities dan de exacte positie van teksten of de exacte lengte van die teksten. Daarom worden ook Grieks-Nabatese, -Aramese, en -Fenicische grafschriften gebruikt voor dit onderdeel. Die opschriften komen voornamelijk uit het huidige Libanon en Israël/Palestina.

Deze resultaten werden opnieuw per taal gesorteerd en vervolgens in overzichtelijke tabellen gegoten.

[4. Etymologie – Grieks met:]

Grieks Andere Latijn Beide Onbekend
Palmyreens 13,9% 68,4% 16,1% 0% 1,5%
Frygisch 46,4% 28,9% 17,5% 0% 7,2%
Hebreeuws 27,3% 58,5% 13% 0% 1,3%
Koptisch 36,1% 61,1% 0% 0% 2,8%
Demotisch 37,5% 50% 0% 6,3% 6,3%
Hiërogliefisch 40% 50% 0% 10% 0%
Nabatees 16,7% 66,7% 0% 8,3% 8,3%
Aramees 9,1% 81,8% 9,1% 0% 0%
Fenicisch 47,4% 52,6% 0% 0% 0%
Totaal % 29,5% 54,9% 11,3% 1,1% 3,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 47

Deze tabel toont de linguïstische etymologie van de namen op de grafschriften. In totaal beschikken we over 432 namen. Op sommige grafinscripties staan namelijk meerdere namen, hetzij omdat er meerdere personen in één graf waren begraven, hetzij omdat de persoon in kwestie met meerdere namen bekend was. De categorie ‘Andere’ slaat op een niet-Griekse, niet-Latijnse naam vaak afkomstig uit de lokale taal van het grafschrift, maar niet altijd. ‘Beide’ wilt zeggen dat de naam bestaat uit twee onderdelen, elk afkomstig uit een andere taal. Het is duidelijk dat over het algemeen één soort etymologie overheerst, namelijk die van de lokale taal. De Grieks-Frygische grafschriften uit Centraal-Anatolië vormen echter de uitzondering: bijna de helft van die namen zijn van Griekse origine. De verdeling die te zien is tussen de verschillende regio’s is heel interessant. Meer dan 2/3de van de grafschriften uit Palmyra draagt een Palmyreense naam, terwijl slechts de helft van de Egyptische grafschriften een Egyptische naam bevat. De etymologie van een naam is uiteraard niet altijd bekend.

Identiteit achter de naam

Tweetalig grafschrift Latijn-Palmyreens van een vrijgelatene met meer identificatie-elementen (zoals de naam van haar echtgenoot) enkel in het Latijn

Naast namen vermelden de grafschriften ook vaak andere identificatie-elementen. In de Oudheid bestonden er namelijk geen achternamen zoals wij die kennen. Op een grafschrift moest men zich dus op andere manieren differentiëren van mensen met dezelfde voornaam. Daarom werd vaak de naam van de vader toegevoegd achter die van de dode, als patroniem (bijvoorbeeld Thaimarsas, zoon van Zabdaathes [TM 831060], zie ook de website van Virtual Museum of Syria voor een afbeelding en meer context). In sommige gevallen was dit de naam van de moeder, een metroniem. Om iemand nog specifieker te identificeren werd vaak ook de naam van de grootvader, overgrootvader, enzovoort toegevoegd. Daarbovenop werden nog andere identificatie-elementen gebruikt: woonplaats, echtgeno(o)t(e), clan of beroep.

Ik heb niet in kaart gebracht welke identificatie-elementen er werden gebruikt, maar wel hoeveel, en of die hoeveelheid dezelfde was in beide talen. Iemand die immers heel uitgebreid geïdentificeerd wordt in de lokale taal en slechts zeer kort in het Grieks, voelde zich waarschijnlijk eerder verbonden met de lokale cultuur dan de Griekse.

[5. ID-elementen: – Grieks met:]

ID-elementen in Grieks ID-elementen in Andere taal Langer?
Palmyreens 3,08 3,41 Andere taal
Frygisch 1,23 / /
Hebreeuws 1,84 1,39 Grieks
Koptisch 2,89 1,5 Grieks
Demotisch 2,06 2,36 Andere taal
Hiërogliefisch 2,69 2,75 Andere taal
Nabatees 1,91 2,33 Andere taal
Aramees 2,67 2,6 Grieks
Fenicisch 2,6 3,1 Andere taal
Totaalgemiddelde 2,19 2,62 Andere taal

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 48

Deze tabel toont het gemiddeld aantal identificatie-elementen per overledene per taal. Voor het Grieks is hier gekeken naar de 241 Griekse teksten die iemand identificeren en voor de lokale taal naar de 174 teksten (zie tabel 3). Het betreft hier dus niet grafschriften waarbij beide teksten de overledene identificeren. Het totaal toont aan dat de overledenen in het algemeen uitgebreider in de lokale taal werden bekendgemaakt dan in het Grieks. Er zijn wel uitzonderingen, namelijk de Grieks-Hebreeuwse, -Koptische, en -Aramese teksten. Daarnaast is het ook interessant om de verschillen te zien tussen de talen. Over het algemeen identificeren de Grieks-Palmyreense grafinscripties de overledene uitvoeriger, met gemiddeld meer dan drie elementen, dan hun Grieks-Hebreeuwse tegenhangers, met gemiddeld minder dan twee elementen.

Genderongelijkheid tot de dood

Er zijn ook opvallende verschillen op te merken tussen de identificatie van mannen en van vrouwen op de grafstenen. Mannen werden over het algemeen uitgebreider genoemd dan vrouwen, met meer elementen. Vrouwen moesten zich vaak tevredenstellen met twee identificatie-elementen of minder, terwijl de mannen er vaak meer dan twee hadden. De talige afkomst van de vrouwennamen en de mannennamen verschilt echter weinig van elkaar. In de helft van de gevallen worden de namen van de vrouwen enkel genoemd in de Griekse tekst. Mannen worden dan weer in 2/3de van de gevallen in beide talen bekendgemaakt.

Conclusie

Er kan besloten worden dat het beeld niet éénduidig is inzake de identiteitsbeleving van overledenen met tweetalige grafschriften. Op basis van de positie van de teksten, de lengte en de inhoud zou je denken dat over het algemeen de Griekse identiteit de overhand heeft. Als we echter kijken naar de namen en de lengte van identificatie van de overledenen zien we een dominantie van de lokale talen. Dit is net het mooie aan deze grafinscripties, namelijk dat de twee culturen en talen, lokaal én Grieks, hand in hand gaan. Het is dus duidelijk dat deze overledenen een hybride identiteitsbeleving hadden, waarbij hun lokale wortels werden gecombineerd met de dominante Griekse cultuur.

Meer lezen

Adams, James Noel. Bilingualism and the Latin language. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Adams, James Noel en Janse, Mark en Simon Swain, reds. Bilingualism in Ancient Society: Language Contact and the Written Text: 1-23. Oxford: Oxford University Press, 2002.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. ‘ἐν םולש ἡ κοίμησις: Een studie naar identiteitsbeleving o.b.v. Griekse tweetalige grafinscripties’. Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. “ἐν שלום ἡ κοίμησις. Identiteit van overledenen in Griekse tweetalige grafinscripties.” Poster gepresenteerd op de Masterproefpresentaties 2023-2024.

[1] Enkele drietalige inscripties met aanwezigheid van Latijn (naast het Grieks en een andere taal) werden ook onderzocht, maar de Latijnse teksten werden genegeerd voor dit onderzoek.

[2] Bij alle tabellen wijkt het opgetelde totaalpercentage af van 100% vanwege afrondingen

[3] Exclusief religieuze spreuken

[4] Exclusief religieuze spreuken

Coverafbeelding: Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098], afkomstig uit de databank Hesperia (CC BY-NC 3.0)

[De auteur wil Michiel D’huyvetters en Stef Janssens bedanken voor het proeflezen.]

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/feed/ 0 2747
Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/#respond Sun, 08 Oct 2023 16:25:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2472

In onze reeks 'Quis est?' beschrijven we minder bekende figuren uit de Oudheid, zoals deze Sostratos van Aegina? Is deze handelaar, die zowel bij Herodotus als in teksten uit Italië en Egypte wordt vermeld, de rijkste aller Grieken?

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Vorige week pakte de krant De Standaard uit met de test “bent u rijk?”, en voegde daar de boude bewering aan toe dat je “met 2 miljoen tegenwoordig niets bent”. Zorgen over de groeiende ongelijkheid klinken steeds luider, maar tegelijk blijven lijstjes van rijke mensen populair, en kunnen we de capriolen van ’s werelds meest welvarende persoon, Elon Musk, bijna in real time volgen. Hoewel hun invloed misschien wel groter is dan ooit, zijn superrijken niet alleen een hedendaags fenomeen, en ook over hun historische voorgangers doen vaak allerlei straffe verhalen de ronde, waaronder ook over een zeker Sostratos van Aegina.

Het lot van Crassus, in de zestiende-eeuwse verbeelding

Een andere persoon die wel eens omschreven wordt als de rijkste man in de wereldgeschiedenis is Mansa Musa, de veertiende-eeuwse heerser over het koninkrijk Mali. Op bedevaart naar Mekka zou hij in Caïro zoveel goud uitgedeeld hebben, dat de goudprijs en daarmee de hele economie crashte. In Rome was er de fabelachtige rijkdom van Marcus Licinius Crassus, de triumvir die een groot fortuin vergaarde via speculatie op de vastgoedmarkt. De Parthen waren zich welbewust van ’s mans reputatie, en nadat hij sneuvelde in de slag bij Carrhae (53 v.C.) goten ze volgens de overlevering gesmolten goud in zijn mond. De Griekse steden waren meer egalitair, en het is minder duidelijk wie de rijkste aller Hellenen geweest zou kunnen zijn. Eén man heeft echter een sterke claim, als we tenminste Herodotus mogen geloven. En andere bronnen voor die Sostratos van Aegina suggereren inderdaad dat zijn beschrijving op waargebeurde feiten gebaseerd is.

De reputatie van Sostratos (en die van Herodotus)

Haast terloops, als deel van een verhaal over de Samiërs, merkt de geschiedschrijver Herodotus op dat geen enkele handelaar ooit meer inkomsten vergaarde dan een zekere Sostratos uit Aegina, de zoon van Laodamas:

“ἀπονοστήσαντες οὗτοι ὀπίσω μέγιστα δὴ Ἑλλήνων πάντων τῶν ἡμεῖς ἀτρεκείην ἴδμεν ἐκ φορτίων ἐκέρδησαν, μετά γε Σώστρατον τὸν Λαοδάμαντος Αἰγινήτην: τούτῳ γὰρ οὐκ οἷά τε ἐστὶ ἐρίσαι ἄλλον.”

“Naar huis teruggekeerd, haalden zij [sc. de Samiërs] de meeste winst uit hun vracht van alle Grieken waarover we zekerheid hebben, behalve dan Sostratos, zoon van Laodamas, uit Aegina: met hem kan geen enkel ander wedijveren.” (Historiae 4, 152)

Herodotus, de Griekse geschiedschrijver

Aldus vervoegde Sostratos de selecte groep van Griekse handelaars die bij naam vereeuwigd werden in de literaire bronnen. De Griekse upper class had, net als de Romeinse senatoriale elite, namelijk geen al te hoge pet op van handelaars, en voelde niet vaak de behoefte om hun verwezenlijkingen te vereeuwigen. Desalniettemin suggereert Herodotus’ opmerking dat zijn publiek goed genoeg wist over wie hij het had, aangezien hij geen enkel detail over Sostratos’ activiteiten vermeldt. Gelukkig voor ons is Sostratos (of zijn familie) een van die gevallen waar de literaire en documentaire bronnen elkaar aanvullen. Uit die laatste categorie blijkt een uitgebreid handelsnetwerk, dat zich uitstrekte doorheen het Middellandse Zeegebied. Tegelijk bevestigen deze teksten de geloofwaardigheid van de “vader van de geschiedschrijving”, waar zowel antieke als moderne historici wel eens aan durven twijfelen.

Aegina in de 6de eeuw v.C.

Zesde-eeuwse stater van Aegina met de schilpad

Sostratos’ thuisregio Aegina was een eiland in de Saronische golf, tussen Attica en de Peloponnesos, een strategische locatie om aan handel te doen. Het was dan ook een welvarende gemeenschap, die in de 6de eeuw v.C. belangrijker was dan het nabijgelegen Athene. De Aeginese stater met de bekende schildpad was een van de eerste munten in de Griekse wereld, en andere steden volgden de muntstandaard van Aegina voor het slaan van hun eigen munten. Handelaars als Sostratos speelden hierin een aanzienlijke rol. Aan het einde van de 6de eeuw v.C. bouwde de stad een monumentale tempel voor Aphaea, nog steeds een populaire bezienswaardigheid, en een heiligdom voor Apollo. Sommige onderzoekers willen hier ook de hand van Sostratos in zien, en twee sokkels voor standbeelden dragen inderdaad een inscriptie die verwijst naar iemand met die naam. Na de Perzische oorlogen verloor Aegina aan belang ten voordele van grote rivaal Athene.

Sostratos in Italië

Sostratos zou misschien voor altijd een semi-legendarische figuur gebleven zijn, als de ontdekking van een intrigerende inscriptie in het Etruskische Gravisca daar geen verandering in had gebracht. Het gaat om een stenen anker, gewijd aan een godheid, zoals dat wel vaker gebeurde onder zeelieden als dank voor een veilige zeereis. De tekst is simpel en slechts gedeeltelijk bewaard, maar in al zijn kortheid bijzonder significant:

ΑΠΟΛΟΝΟΣ ΑΙΓΙΝΑΤΑ ΕΜΙ ΣΟΣΤΡΑΤΟΣ ΕΠΟΙΗΣΕ ΗΟ

“Ik behoor toe aan Apollo van Aegina. Sostratos, zoon van … heeft mij gemaakt”

Het anker van SostratosWikimedia

Het anker van Sostratos

De tekst dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de late 6de eeuw v.C., en de combinatie van de naam Sostratos met de godheid uit Aegina maken het zeer waarschijnlijk dat het hier om de handelaar van Herodotus gaat. Bovendien liep het in Gravisca, de haven van de welvarende stad Tarquinia, vol met handelaars. De Etruskische steden waren belangrijke handelspartners voor de Grieken en hun havens waren levendige en kosmopolitische plaatsen met ruimte voor vreemde, niet-Etruskische goden.

Ook in Pyrgi, de haven van dat andere Etruskische centrum Caere, werd een dedicatie gevonden die mogelijk aan Sostratos toegeschreven kan worden. Met welke producten Sostratos zijn fortuin vergaarde, weten we niet zeker, maar tientallen beschilderde Attische vazen met het merkteken “So” (= So(stratos)?) suggereren dat hij de grootste invoerder van aardewerk van zijn tijd was. Belangrijker nog was hun inhoud: Griekse wijn. Hoewel de Etrusken zelf aan viticultuur deden, en hun wijn zelfs exporteerden naar Gallië, verkoos de elite het Griekse product van hogere kwaliteit. Dat ligt vandaag wel even anders: grote delen van Etrurië maken nu deel uit van Toscane, wereldberoemd voor haar Chianti en Brunello. De Etrusken importeerden verder olijfolie, allerlei metalen, luxeproducten zoals ivoor, en slaven. Mogelijk handelde Sostratos ook in sommige van deze goederen.

Sostratos in Egypte?

Sostratos’ activiteiten in Etrurië zouden op zichzelf al indrukwekkend geweest zijn, maar enkele vondsten uit het Egyptische Naukratis zouden er op kunnen wijzen dat zijn netwerk echt het hele Middellandse zeegebied omspande. Naukratis was een belangrijke handelspost in het noorden van Egypte, op dat moment deel van het Perzische rijk (we schrijven enkele decennia vòòr de grote confrontatie tussen dat rijk en de Griekse steden). Net als Gravisca was het een multicultureel emporium, maar Naukratis had een meer uitgesproken Grieks karakter. Het was geen kolonie van een enkele polis, maar een gemeenschap onderhouden met de steun van twaalf verschillende Griekse steden, waaronder Aegina, Sostratos’ thuisstad.

Schaal gewijd door een Sostratos in Naukratis

Enkele dedicaties die op de site teruggevonden zijn, zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van Sostratos en zijn familie: verschillende potten dragen er wijdingen aan Aphrodite Aphrodite van een Sostratos en een Leodamas (een variant van de naam van Sostratos’ vader bij Herodotus, Laodamas). Aphrodite had geen corresponderende tempel op Aegina zoals Apollo, maar speelde in het algemeen een belangrijke rol als beschermster van zeereizigers. Als Aphrodite Euploia kon ze de golven bedwingen en haar adepten een veilige vaart garanderen, en handelaars schreven soms hun commerciële successen aan haar tussenkomst toe.

Ook in Egypte importeerden Grieken hun veelgeprezen wijn, maar het grote geld viel eerder te rapen met het doorverkopen van Egyptische producten zoals graan, linnen en papyrus in de Griekse wereld. Er zijn echter enkele bezwaren tegen de interpretatie dat het hier om de Sostratos van Herodotus zou gaan: Leodamas wordt geïdentificeerd als zijnde afkomstig van de stad Teos, en de dedicatie door Sostratos gebruikt het alfabet van het eiland Chios. Het zou natuurlijk om een bijzonder internationale familie kunnen gaan, en misschien heeft Sostratos zijn graffiti niet zelf geschreven, maar voorzichtigheid is hier toch geboden.

Eén steenrijke Sostratos, of toch meerdere Sostratoi?

Sostratos was geen zeldzame naam in de Oudheid, en sommige onderzoekers betwijfelen dat al deze bronnen verwijzen naar een en dezelfde man, de Sostratos van Herodotus. Anderen kiezen een middenweg, en reconstrueren een familie van handelaars eerder dan één individu. Zowel beroepen als namen werden inderdaad vaak doorgegeven van vader (of grootvader) op zoon. Het blijft moeilijk om alle elementen hard te maken, in het bijzonder de Egyptische connectie, maar zeker het anker voor Apollo van Aegina uit Gravisca spreekt in het voordeel van de betrouwbaarheid van Herodotus. Bovendien kennen we andere handelaars, met veel ongebruikelijkere namen, die sporen achterlieten in zowel Etrurië als Naukratis, zoals een zekere Lethaios en een meneer Hyblesios. We kunnen dus terecht spreken van een geconnecteerde en mobiele wereld, waarin internationale handelaars aanzienlijke fortuinen verdienden. En de terloopse manier waarop Herodotus Sostratos van Aegina vermeldt, leert ons dat zijn succes fabelachtig geweest moet zijn.

Lees meer

Gill, D.W.J., ‘Positivism, Pots and Long-Distance Trade’, in I. Morris (ed.), Classical Greece: Ancient Histories and Modern Archaeologies, Cambridge, 1994, 99–107.
Hornblower, S., ‘Personal Names and the Study of the Ancient Historians’, Proceedings of the British Academy 104 (2000), 129–143.
Johnston, A., ‘Trading Families?’, in R.W.V. Catling and F. Marchand (eds.), Onomatologos. Studies in Greek Personal Names presented to Elaine Matthews, Oxford, 2010, 470–478.
Schweizer, B., ‘Zwischen Naukratis und Gravisca: Händler im Mittelmeerraum des 7. und 6. Jhs. v. Chr.’, in M. Fitzenreiter (ed.), Das Heilige und die Ware: Zum Spannungsfeld von Religion und Ökonomie, London, 2007, 307–324.

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van een zwartfigurige vaas (kylix) uit de 6de eeuw v.C. met daarop Dionysus op een schip tussen de druiven en dolfijnen, via de afbeelding ‘Kylix Dionysus on a ship between dolphins’ vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0 DEED).

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/feed/ 0 2472
“Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/#respond Sun, 05 Feb 2023 18:24:53 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2379 Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren, onder andere als geboorteplaats van de “West-Vlaamse” keizer Carausius. Zijn de Menapii werkelijk een volk “van bij ons”? In dit artikel onderzoeken we wat we over deze volksstam en hun grondgebied in Gallia Belgica weten.

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren. Hij besteedt ook veel aandacht aan “West-Vlaams” keizer Carausius, “iemand van bij ons”. Hoewel we die titel met een korrel zout moeten nemen, bewoonden de Menapiërs wel degelijk een deel van het huidige België. Maar wie waren die Menapiërs of Menapii precies en wat weten we over hun grondgebied?

Onderzoek

De voorbije decennia nam het aantal archeologische onderzoeken in Vlaanderen serieus toe. Dankzij de luchtfotografie en betere onderzoekstechnieken, kwamen meer en meer historische vindplaatsen aan het licht. De interesse voor de Menapiërs wakkerde aan. Het beeld van afgesloten gemeenschappen werd bijgesteld: de Menapische interactie met de Noordzee én het binnenland bleek veel uitgebreider dan tot nu toe gedacht.

Reconstructie van Gallische hoeve, mogelijk onderdeel van een Menapische nederzetting uit de tijd van Caesar

Eén element wordt in het nieuwe onderzoek echter nooit in vraag gesteld: de grenzen van het gebied van de Menapii, de civitas Menapiorum. De hypotheses hierover dateren uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Ze werden later vrijwel algemeen aanvaard, maar dat blijkt problematisch, want onderzoekers als Siegfried De Laet en Pierre Leman baseerden zich grotendeels op Middeleeuwse bronnen, die we niet zomaar op de Oudheid mogen projecteren. Terug naar het begin dan maar, waarbij we alle mogelijke bronnen over de Menapii samenbrengen en het historisch onderzoek combineren met de archeologie, toponymie en een literatuurstudie. Die synthese leidt tot enkele opvallende vaststellingen en nieuwe inzichten.

Situering

Over het gebied van de Menapii komen we het meest te weten bij de antieke auteurs. Geen beschrijvingen van strakke grenzen, maar wel aanwijzingen voor een geografische situering. Caesar merkt in zijn De Bello Gallico meerdere keren op dat de Menapiërs zich terugtrokken in bossen en moerassen. Hij beschrijft ook hun samenwerking met de Morini, Nervii, Atuatuci en Eburones, de Gallische stammen die de Menapii omringden. Nog belangrijker echter: Caesar leert ons dat de Menapii oorspronkelijk de oevers van de Rijn bewoonden. Door aanhoudende druk van de Usipetes en Tencteri, trokken ze zich terug op de linkeroever en verder naar het zuiden. De Menapii zijn dus immigranten in het Noordzeegebied.

De Gallische stammen en steden, met de buren van de Menapiërs, ten tijde van Julius Caesar

Verder vermelden onder andere Orosius, Strabo en Tacitus de Menapii. Uit hun beschrijvingen weten we dat het Menapisch gebied aan de kust gelegen was. In het westen deelde het een grens met de Morini. Plinius (de Oudere) spreekt ook over de Schelde, een interessante demarcatielijn die later nog aan bod komt. Vanaf de monding van de Schelde woonden volgens hem eerst de Texuandri, dan de Menapii. De bonte variatie aan genoemde stammen en regio’s bij de verschillende auteurs is opvallend. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan en het territorium van volkeren dynamisch en veranderlijk was doorheen de oudheid. De Menapii kunnen we op dit moment grofweg situeren in het huidige Noord-Frankrijk, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen ten westen van de Schelde.

Menapische varkens

Het Menapische varken wordt vandaag ook terug gekweekt, dankzij een samenwerking tussen slagerij ‘Menapii’ en onderzoekers en archeologen van UGent

Zoals vermeld in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ worden de Galliërs, en dan specifiek de Menapii, stevig gelinkt aan varkens. In de antieke bronnen vinden we die link terug bij Martialis (1e eeuw n.C.). Hij schrijft:

Cerretana mihi fiat vel missa licebit de Menapis: lauti de petasone vorent
“Laat ze me ham serveren uit het land van de Cerretani of stuur me ham van bij de Menapii: laat fijnproevers de ham verslinden” (Mart. XIII.54)

Blijkbaar was de Menapische ham een bekend product tot in de hoogste kringen en werd hij verhandeld naar Rome. Ook in het ‘Edict van Diocletianus‘ wordt ham van bij de Menapii vermeld. Het lijkt er zelfs op dat de benaming in de loop van de tijd een kwaliteitslabel is geworden. Varkens leven van nature in een bosrijk gebied, wat overeenkomt met de informatie die Caesar ons geeft. Om het vlees tot in Rome te krijgen, moet het goed bewaard kunnen worden én is een handelsnetwerk nodig. En laat dat nu net zijn wat we in een volgende bron lezen.

Zout en handelaars

Votiefaltaar uit Tongeren, waarop een inscriptie de Mun[icipium] Tung[rorum] vermeldt

In Tongeren werd een prachtig votiefaltaar met perfect bewaarde inscriptie opgegraven [TM 209480]. Daarop valt te lezen:

Aan de zeer goede en zeer grote Jupiter en aan de genius van de municipium van de Tungri, Catius Drusus, Menapisch salinator, heeft zijn belofte ingewilligd graag en wel verdiend.

Drusus noemt zichzelf een Menapische zouthandelaar (salinator Menapius), een titel  die we ook lezen in een grafinscriptie uit Rimini [TM 517527]. Naast varkensvlees, lijkt zout dus een belangrijk handelsproduct van de Menapiërs. Dat met die handel goed te verdienen was, bewijst het bewaarde votiefaltaar. Verder blijkt vooral uit de archeologische vondsten dat er een levendige handel bestond zowel tussen de Menapische nederzettingen onderling als met het grotere Romeinse Rijk.

Romeins kader

We weten nu dat de Menapii migreerden van de oevers van de Rijn naar zuidelijker gelegen gebied. Met de komst van Caesar werd de hele regio onder Romeins gezag geplaatst. Hoe sterk de Romeinse invloed lokaal was, is moeilijk te achterhalen. We zien wel dat Menapische handelaars binnen het Rijk rondtrekken met ham en zout en zich uitdrukken in Romeinse inscripties. En er is nog een manier waarop de Menapii zich in het Romeinse kader inpassen: het leger.

De oudste epigrafische vermelding van de Menapii is ook de oudste attestatie van een Menapiër  in het Romeinse leger. Het gaat om het grafopschrift van Adiutor, daterend uit de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. en gevonden in Aquileia. Het opschrift vermeldt expliciet de Menapische afkomst van Adiutor en zijn statuut als lid van de civitas Menapiorum. Adiutor maakte deel uit van de cohors I Pannoniorum.

Een militair diploma waarop de ‘cohors I Menapiorum’ vermeld staat

Militaire diploma’s wijzen ook op het bestaan van een Menapische cohorte. Op maar liefst drie exemplaren van zulke diplomata krijgen we een schriftelijk bewijs van de cohors I Menapiorum, gestationeerd in Britannia aan het begin van de 2de eeuw n.C. Daarnaast is er ook de Notitia dignitatum, een administratief werk opgesteld tussen 395 en 430 n.C. Die vermeldt militaire eenheden met het ethnicon ‘Menapii in Thracië en in het westen van het rijk.

Tot slot vinden we ook sporen van die militaire eenheid in het westen. In de ruime omgeving van de Rijn zijn op Romeinse gebakken dakpannen (tegula) militaire stempels teruggevonden die verwijzen naar de Menapii. Het gaat om stempels die allemaal geplaatst zijn in het jaar 369 n.C. in Tabernae, het huidige Rheinzabern, in de provincia Germania Superior. Tabernae viel in de Oudheid onder het gezag van de dux Mogontiacensis, net zoals de Menapische eenheid die vermeld wordt in de Notitia dignitatum.

Nederzettingen

De nederzettingen in het Menapisch gebied kunnen we langs twee wegen bestuderen: aan de hand van antieke reiskaarten enerzijds en op basis van de archeologie anderzijds. De antieke itineraria tonen ons duidelijk de belangrijkste steden en routes. Deze zijn later van belang in het bepalen van de grenzen van het Menapisch gebied.

Antieke wegenkaarten

Voor de Romeinse tijd kunnen we terugvallen op drie geschreven bronnen: het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, de Tabula Peutingeriana en de Notitia Galliarum. Elk afzonderlijk hier bespreken zou ons te ver leiden, daarom houden we het bij een korte samenvatting. In de routebeschrijvingen komen verschillende steden uit Gallia Belgica meermaals voor; die kunnen we als knooppunten beschouwen.

Castellum (Cassel), de hoofdstad van de Menapii, komt voor in drie routes in het Itinerarium:

  1. als tussenstop in de route van Gesoriacum (Boulogne-sur-mer) naar Bagacum (Bavay)
  2. als vertrekpunt van de route naar Turnacum (Tournai of Doornik)
  3. als vertrekpunt van de route naar Colonia (Keulen)

Het Menapisch gebied zoals afgebeeld op de Peutingerkaart

Andere duidelijk aanwezige nederzettingen zijn Viroviacum (Wervik), Pontes Caldis (Escautpont) en Minariacum (Estaires of Stegers). Het valt op dat de grote wegen zich vooral in het zuiden van Gallia Belgica bevinden. Noordelijker, in het huidige Vlaanderen, zullen lokale wegen en waterwegen de overhand gehad hebben. In elk geval is het duidelijk dat de nederzettingen, ook in het Menapisch gebied, wel degelijk met elkaar in contact stonden.

De ‘Mijlpaal van Tongeren’ of ‘Itinerarium van Tongeren’ met daarop de afstanden tussen plaatsen uit Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior

Een uitzonderlijk interessante epigrafische bron is de mijlpaal van Tongeren [TM 209478]. Deze achthoekige steen werd gevonden in Tongeren rond 1820 en was vermoedelijk opgesteld op het forum van Atuatuca Tungrorum. Ze is op drie zijden beschreven met plaatsnamen in Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior en de afstanden ertussen. Op basis van de taal en het gebruik van leugae als maateenheid dateert de steen vermoedelijk uit het eerste kwart van de 3de eeuw n.C. Interessant voor dit onderzoek is de vermelding van Castellum Menapiorum mét afstand tot ‘Fines Atrabatium’, de grens of het gebied van de Atrebates. Dit is de enige bekende antieke bron die mogelijk verwijst naar een grens tussen de Menapii en deze Keltische stam.

Maar waar ligt die grens nu? Helaas, daarover is onenigheid. Het is zelfs niet helemaal duidelijk of de vermelding naar een specifieke plaats of eerder naar een ruimer gebied verwijst. De bron, de mijlpaal van Tongeren, leert ons dat de ‘Fines Atrebatium‘ op 14 leugae (ca. 30,8 km) van Cassel ligt, in de richting van Nemetacum (Arras). Omdat een reiziger tussen beide steden wel degelijk een grens moet oversteken, hechtten historici toch enorm veel belang aan de vermelding van ‘Fines Atrebatium‘ als plaats.

Voor de locatie van die plaats zijn ook verschillende opties gegeven. Zo is de nederzetting Minariacum een veel beschreven mogelijkheid, hoewel deze plek slechts ongeveer 24 kilometer van Cassel verwijderd is. Een andere mogelijkheid zou Rouge-Croix (Neuve-Chapelle) zijn, gelegen op bijna exact 30 kilometer van Cassel langs een Romeinse weg. De Franse historicus Roland Delmaire verwijst naar een grenssteen die daar in 1123 gestaan zou hebben, maar dat kan onmogelijk iets zeggen over de Oudheid. Tot slot is er het gehucht Fins bij Lille. Het toponiem, mogelijk afgeleid van het Latijnse fines, wijst vermoedelijk op een antieke(?) grens, maar de locatie zelf ligt mogelijk te perifeer om geïdentificeerd te worden met de ‘Fines Atrebatium‘. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer opheldering brengen.

Archeologie

In zowat elke gemeente in België zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Meestal gaat het echter om enkele losse sporen en zijn deze vondsten niet bepalend voor de conclusie van dit onderzoek. Daarom richten we ons op de grotere vindplaatsen die getuigen van bewoning, handel of militaire aanwezigheid. Door de antieke wegenkaarten te combineren met de Digital Atlas of the Roman Empire komen we tot 32 sites. Wat blijkt wanneer we deze sites op kaart uitzetten? Ze situeren zich grotendeels langs drie belangrijke waterlopen: de Noordzee, de Leie en de Schelde.

Overzichtskaart van de types sitesS. Demuynck (2020), p. 173.

Overzichtskaart van de types sites

Aan de kust blijken zich vooral castella te bevinden, zoals die van Oudenburg, Aardenburg en Maldegem-Vake. Deze militaire nederzettingen opgericht tegen invallende migranten waren hoofdzakelijk actief in het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw n.C. Er zijn heel wat pottenbakkerstempels gevonden die duiden op contact met het hinterland. De kustregio was een belangrijke verdedigingslinie, maar ook de plek waar zout gewonnen werd. Naast de militaire aanwezigheid was er ook civiele bewoning in onder andere Wenduine en Brugge.

Andere nederzettingen concentreerden zich langs de Leie en de Schelde. Sommige daarvan, zoals Wervik, Kortrijk en Doornik, bestaan tot vandaag. Tegelijk is er een opvallende gelijkenis in het ontstaan en de ondergang van deze nederzettingen. Rond het midden van de 1ste eeuw n.C. en zeker vanaf de Flavische dynastie duiken langs de rivieren meer en meer vaste woonplaatsen op, zoals Ploegsteert, Harelbeke en Kruishoutem. Deze nederzettingen bloeien in de vroege 2de eeuw n.C. met duidelijke sporen van uitbreiding en handel.

Vanaf het jaar 170 n.C. tekent zich een korte periode van stagnatie of verval af, onder andere in Wervik, Kerkhove en Destelbergen. Naast de invallen van de Chauci zijn andere mogelijke oorzaken voor deze terugloop de pestepidemie in 166 n.C., de oorlogen met de Marcomanni (166-180 n.C.) en de opstand van de deserteur Maternus in Gallia in 185-186 n.C. Desalniettemin bleven de meeste nederzettingen een voorspoedig bestaan leiden tot in het midden van de 3de eeuw n.C, toen een crisis het Romeinse Rijk op vele vlakken trof.

Munt gevonden in Londen, geslagen door de Romeinse tegenkeizer Marcus Aurelius Mausaeus Carausius die uit het Menapische gebied afkomstig was

In deze context betreedt Carausius het toneel. De ‘Menapiër’, zoals de Romeinse geschiedschrijver Aurelius Victor hem noemt, liet zich opmerken tijdens de Gallische veldtocht van keizer Maximianus en riep zichzelf in 286 uit tot keizer (van Britannia – waar hij met zijn vloot en legioenen verbleef – en Noord-Gallië). Dat was minder spectaculair dan je misschien zou denken, want hij was lang niet de enige usurpator in de Romeinse Keizertijd en werd enkele jaren later al vermoord. Dat houdt hedendaagse stemmen (zoals te horen in de tweede aflevering van ‘Het verhaal van Vlaanderen’) niet tegen om naar hem te verwijzen als de “West-Vlaamse” keizer, hoewel het Menapische kerngebied (en Carausius dus ook) grotendeels geromaniseerd was in deze periode.

Ondanks de aangetroffen wegen speelde het water een niet te onderschatten rol. Grotere nederzettingen zoals Kerkhove en Tournai konden dankzij hun ligging uitgroeien tot handelscentra, draaiende gehouden door de omliggende villae. De productiecentra ten zuiden van Doornik droegen hier zonder twijfel ook aan bij. Een opsomming van de gevonden opschriften biedt inzicht in de handel in en verspreiding van aardewerk. In de 1ste eeuw n.C. kwam dit hoofdzakelijk uit La Graufesenque (Zuid-Frankrijk).

De daaropvolgende eeuw wordt gekenmerkt door aardewerk uit Lezoux (Centraal-Frankrijk). Vooral in Wervik en Waasmunster zijn deze productiecentra goed vertegenwoordigd. Vanaf het midden van de 2de eeuw n.C vond er een omslag plaats naar aardewerk uit Centraal-Gallië en Germanië. Pottenbakkerstempels uit deze regio’s zijn rijkelijk aanwezig in Wenduine en Brugge. Vondsten van dezelfde stempel op verschillende plaatsen geven duidelijk het contact tussen de nederzettingen weer. Verder onderzoek naar pottenbakkerstempels buiten de civitas Menapiorum zou interessante gegevens kunnen opleveren over het contact tussen de civitates.

De grenzen

De antieke wegenkaarten en de archeologie wijzen op een duidelijke samenhang van het Menapisch gebied. Jammer genoeg weten we op basis hiervan nog altijd weinig over de exacte grenzen van de regio. Daarom is het nodig om de hypotheses van archeologen en historici erbij te betrekken.

Over de westelijke en oostelijke grens, respectievelijk de Aa, de Leie en de Schelde, heerst algemeen consensus. Deze rivieren zouden zowel in de oudheid als in de middeleeuwen een duidelijke demarcatielijn gevormd hebben, hoewel niet onomstotelijk bewezen door de antieke bronnen. Herinner wel Plinius die de Schelde ziet als het begin van een nieuw gebied. De Aa vormt dan weer een van de weinige natuurlijke grenzen op een logische locatie tussen het gebied van de Morini en de Menapii. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat waterwegen geen harde grens vormden, maar net een uitnodiging tot handel en uitwisseling.

De bepaling van de grens met de Atrebates in het zuiden ligt moeilijker. In de ruime regio tussen de Leie en de Schelde zijn heel wat kleinere waterlopen te vinden die als demarcatielijn kunnen dienen. Historicus Siegfried De Laet spreekt over de kleine rivier Courant des Coutiches als grens, maar kanalisering en aanleg van grachten zorgt ervoor dat we deze en andere waterlopen niet zonder meer op de Oudheid mogen projecteren. Ook geografische elementen zoals bossen en heuvels – vandaag verdwenen – kunnen een rol gespeeld hebben.

Daarnaast is er de problematiek rond ‘Fines Atrebatium’ op de mijlsteen van Tongeren, die eerder aan bod kwam. De Laet stelt op basis van zijn onderzoek Fins-Lille voor als locatie voor deze plaats, terwijl een andere onderzoeker, Pierre Leman, zich op Neuve-Chapelle richt. Een mogelijke route van de Romeinse weg Estaires-Tournai in dit gebied biedt verdere mogelijkheden om eventuele grenzen te tekenen. Maar we moeten eerlijk zijn: het blijft giswerk.

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en DerolezS. Demuynck (2020) op basis van Leman (1967), p. 736

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en Derolez

Het recentere toponymisch onderzoek heeft tot enkele nieuwe argumenten geleid. Interessant zijn de plaatsnamen met het Latijnse element fines, zoals Fines Atrebatium en het gehucht Fins in Lille, eerder aangehaald. In de meest zuidelijke regio van het Menapisch gebied vinden we ook toponiemen zoals Templemars en Famars, en Flines-lez-Râches met een vermeend heiligdom. Deze plaatsnamen wijzen mogelijk op een religieuze zone die gelinkt kan worden aan een grensgebied.

Tot slot draagt het Keltische equoranda, met de betekenis ‘grens van water’ bij aan de bepaling van de grenzen. De plaatsnaam Guéronde-sous-Antoing zou teruggaan op equoranda. Guéronde bevindt zich ten zuidoosten van Doornik op ongeveer een kilometer van de rechteroever van de Schelde. Hier zag onder andere de Belgische archeologe Germaine Faider-Feytmans in het midden van vorige eeuw een bewijs voor de Schelde als grens. Net als bij de waterlopen is het jammer genoeg niet altijd bevestigd dat deze toponiemen tot de Oudheid teruggaan. Alle argumenten en hypotheses in acht genomen, toont onderstaande kaart de momenteel meest waarschijnlijke begrenzing van de civitas Menapiorum.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakeningS. Demuynck (2020), p. 196.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakening

Conclusie

De Menapiërs enkel omschrijven als de geboortestam van keizer Carausius doet hen onrecht aan. Dit onderzoek heeft getoond dat ze immigranten in het Noordzeegebied waren die zich vestigden tussen de rivier de Aa in het oosten en de Schelde in het westen. Tijdens de Romeinse overheersing bloeiden hun nederzettingen, productiecentra en handel. De Menapiërs werden al snel bekend als zouthandelaars en geroemd om hun voortreffelijke ham. Een kleine elite schreef zich snel in in het Romeinse kader, terwijl het grootste deel van de bevolking eerder geleidelijk elementen uit de Romeinse cultuur overnam. De archeologische resten leren ons veel over het leven “bij ons” in de Romeinse tijd. Maar de exacte grenzen van het Menapisch gebied? Die laten zich niet zomaar vastleggen. Het is wachten op de vondst van nieuw literair, documentair of archeologisch materiaal om de bestaande hypotheses te bevestigen of weerleggen.

Lees meer

Demuynck, S., De Menapii in Gallia Belgica. Onderzoek naar de grenzen van het Menapisch gebied in de keizertijd, onuitgegeven masterproef, KU Leuven, faculteit Letteren, 2020. (de masterproef is volledig te lezen op de Scriptiebank en een samenvatting en poster zijn te vinden op de website van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis)
Deru, X., La Gaule Belgique, Parijs, 2016.
De Clercq, W., Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum: transformaties in de rurale bewoningsstructuur en de materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (Provincie Gallia-Belgica, ca. 100 v.Chr. – 400 n.Chr.), Onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Universiteit Gent, departement Archeologie, 2009.
Dhaeze, W., ‘In het land van de Menapiërs’, Zeeuws Tijdschrift, 58 (2008), 35-44.
Delmaire, R. en Delmaire, B., ‘Les limites de la cité des Atrébates (nouvelle approche d’un vieux problème)’, Revue du Nord, 72 (1990), 697-735.
Delmaire, R., Etude archéologique de la partie orientale de la cité des Morins (civitas Morinorum) (Memoires de la Commission départementale des monuments historiques de Pas-de-Calais, 16), Arras, 1976.
Leman, P., ‘Aux confins méridionaux de la cité des Ménapiens’, Revue du Nord, 49 (1967), 721-739.
De Laet, S., ‘Les limites des Cités des Ménapiens et des Morins’, Helinium, 1 (1961), 20-34.
Derolez, A., ‘La Cité des Atrébates à l’époque romaine: documents et problèmes’, Revue du Nord, 40 (1958), 505-533.
Faider-Feytmans, G. ‘Les limites de la cité des Nerviens’, L’antiquité classique, 21 (1952), 338-358.

Luister verder

‘Over de vloer’: een (voorlopig) tweedelige podcastreeks door Sien Demuynck over de Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode “bij ons”. Op een luchtige en speelse, maar daardoor niet minder wetenschappelijke manier toont Sien dat geschiedenis helemaal niet saai hoeft te zijn. Voor jonge en iets oudere luisteraars, te vinden op SoundCloud.

Coverfoto: scène uit de één-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ waarin de Menapiër Carausius wordt uitgeroepen tot keizer (© VRT)

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/feed/ 0 2379
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163