Hadrianus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/hadrianus/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 30 Dec 2022 15:10:36 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Hadrianus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/hadrianus/ 32 32 136391722 Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/#respond Sat, 23 Oct 2021 15:42:30 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2056

Avidius Cassius, een Romeinse generaal die met zijn leger in opstand kwam tegen keizer Marcus Aurelius 175 n.C., was mogelijk een slachtoffer van 'fake news' in de Oudheid. Speelde ook keizerin Faustina een rol in deze revolte? Lees het in onze 'fact check' over deze Avidius Cassius.

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Sinds de verkiezing van Donald Trump tot Amerikaans president in 2016 zijn de thema’s fake news en desinformatie niet meer weg te denken in de media. De coronacrisis heeft de discussie nog verder scherp gesteld. Misleidende informatie, vervalste nieuwsberichten en samenzweringstheorieën tieren welig op sociale media en lijken in staat om hele samenlevingen te ontwrichten. De schaal waarop fake news vandaag verspreid wordt, is uiteraard zonder precedent, maar toch konden valse berichten ook in premoderne samenlevingen grote gevolgen hebben. Deze blogpost gaat over een opmerkelijk voorbeeld uit het Romeinse Rijk van de 2de eeuw n.C.: de opstand van de Romeinse bevelhebber Avidius Cassius tegen keizer Marcus Aurelius.

Avidius Cassius

Buste van de Romeinse keizer Marcus Aurelius

Avidius Cassius was een van de voornaamste legeraanvoerders van keizer Marcus Aurelius, die regeerde van 161 tot 180 n.C. Cassius’ familie was afkomstig uit Syrië en zou zelfs afstammen van het Seleucidische vorstenhuis uit de Hellenistische periode. De familie is een mooi voorbeeld van de romanisering van provinciale elites en hun integratie in het rijksbestuur. Zijn vader, Avidius Heliodorus, had al hoge functies vervuld onder Hadrianus en Antoninus Pius, de voorgangers van Marcus Aurelius. Avidius Cassius scheerde nog hogere toppen. Als generaal boekte hij grote militaire successen in de oorlog tegen de Parthen en in 166 n.C. bekleedde hij het consulaat, het hoogste politieke ambt in Rome. Enkele jaren later werd hem een uitzonderlijk oppercommando over het hele oostelijke gedeelte van het rijk toegekend. Onder zijn leiding werd een potentieel gevaarlijke opstand van de lokale bevolking in Nijldelta neergeslagen. Marcus Aurelius moet een groot vertrouwen hebben gehad in deze capabele generaal.

Campagne

Buste van Tiberius Claudius Pompeianus, schoonzoon van Marcus Aurelius

In 175 n.C. voerde Marcus Aurelius campagne aan de Donau tegen de Marcomannen en de Jazygen, confederaties van “barbaarse” stammen die de Romeinse grenzen bedreigden. In het voorjaar werd hij echter zwaar ziek. Wat er vervolgens gebeurde, is niet helemaal duidelijk. De historicus Cassius Dio, die zo’n 40 jaar na de feiten schreef, beweerde dat keizerin Faustina radeloos werd door de ziekte van haar man. Uit schrik om opzij geschoven te worden door politieke rivalen – men denkt hierbij vooral aan de machtige schoonzoon van de keizer, Claudius Pompeianus – zou zij Avidius Cassius een brief geschreven hebben met de vraag om na de dood van de keizer met haar te trouwen en de troon te bestijgen. Een andere bron uit de late vierde eeuw, de zogenaamde ‘Historia Augusta’, probeert dat te weerleggen door een brief van Faustina aan Marcus Aurelius te citeren, waarin zij een zware straf voor de opstandige generaal eist. Die brief is echter geheel fictief en pleit Faustina dus niet vrij. Heeft Faustina dan toch een rol gespeeld in de opstand? We zullen het nooit zeker weten.

Opstand

Ook over het daadwerkelijke begin van de opstand heerst er onzekerheid. Volgens Dio kreeg Avidius Cassius kort na de brief van Faustina het valse bericht dat de keizer overleden was “en hij eiste onmiddellijk de troon op, zonder na te gaan of het bericht juist was”. In hedendaagse termen: Cassius zou het hebben nagelaten een degelijke fact check uit te voeren. Volgens de ‘Historia Augusta’ zou Cassius echter zélf het valse gerucht verspreid hebben, om zo de steun van de troepen te krijgen. Hoe het ook zij, Cassius kwam in opstand en bijna alle oostelijke provincies, inclusief de zeven legioenen die er gelegerd waren, schaarden zich achter hem. Snel werd het duidelijk dat de keizer nog leefde, maar er was nu geen weg meer terug. Herodes Atticus, een miljonair uit Athene die goede banden had met het keizerlijke hof en met Avidius Cassius, zou de opstandige generaal een brief hebben gestuurd die slechts uit één woord bestond: “emanes”, “je bent gestoord!”

Buste van keizerin Faustina (Minor)

In het legerkamp van Marcus Aurelius aan de Donau sloeg het nieuws van de opstand in als een bom. Volgens Dio was de intussen herstelde keizer diepbedroefd dat zijn vriend zich tegen hem had gekeerd. Hij staakte zijn campagnes tegen de Jazygen en trok op naar het oosten om de opstand neer te slaan. Het kwam echter niet tot een veldslag. Avidius Cassius werd, amper drie maanden na het begin van de opstand, door twee van zijn officieren om het leven gebracht. Marcus Aurelius trok vervolgens door de oostelijke provincies om zijn gezag te herstellen. De keizer toonde zich vergevingsgezind: zware represailles bleven uit en de correspondentie van Avidius Cassius werd verbrand om duidelijk te maken dat het hoofdstuk afgesloten was. Faustina stierf enkele maanden later en werd door haar man met alle égards begraven. Volgens Dio stierf ze aan jicht of pleegde ze zelfmoord om straf voor haar betrokkenheid in de opstand te vermijden. Net als haar brief aan Cassius is dat laatste mogelijk een verzinsel.

Mysteries?

Er blijven nog veel vraagtekens. Herodes Atticus lijkt een punt te hebben gehad toen hij Avidius Cassius gestoord noemde, want hij maakte met zijn opstand amper kans om Rome in te nemen en keizer te worden. De westelijke legioenen waren veel talrijker en ze zouden ook nooit de kant van Cassius hebben gekozen als de keizer daadwerkelijk gestorven zou zijn. Het commando zou in dat geval zijn overgenomen door Claudius Pompeianus, de rechterhand en schoonzoon van de keizer. Wat bezielde Avidius Cassius dan? Klopt het beeld van Dio dat de opstand in feite een ‘ongeluk’ was, ingegeven door misleidende informatie van Faustina en fake news over de dood van de keizer? Voorzichtigheid is geboden, want Dio was een bewonderaar van Marcus Aurelius en hij stelde zijn regeerperiode voor als stabiel en harmonieus. Het paste dus in zijn narratief om de opstand af te schilderen als een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Recent onderzoek geeft een andere verklaring voor de opstand. Cassius zou nooit hebben geprobeerd om de nieuwe keizer van het hele Romeinse Rijk te worden, maar eerder een soort separatistische koers hebben gevaren. Met zijn opstand zou hij zijn uitzonderlijke machtspositie in het oosten een permanent karakter hebben willen geven door zich uit te roepen tot een soort keizer van het Oosten. Het lijkt er bovendien op dat er voorheen al veel ontevredenheid was in de oostelijke provincies tegenover het beleid van Marcus Aurelius. Zijn oorlogen aan de Donau werden immers gefinancierd met zware belastingen, waarvan de rijke oostelijke provincies een groot deel moesten ophoesten. Dat zou mede verklaren waarom Cassius op korte tijd zowat het hele Oosten aan zijn kant kreeg. De opstand van Cassius zou op die manier een voorloper zijn geweest van de opstanden in de 3de eeuw n.C., toen onder meer de stadstaat Palmyra zich met een groot deel van de oostelijke provincies afscheurde. Het valse bericht over de dood van Marcus Aurelius zou in dat scenario slechts een aanleiding zijn geweest voor de opstand, geen oorzaak. Dat scenario pleit bovendien Faustina vrij, want zij had niets te winnen bij een separatistische revolte.

Kaart van de Opstand van Avidius Cassius in 175 n.C.

Conclusie

Het verhaal van de opstand van Cassius illustreert een belangrijk verschil tussen heden en verleden. Vandaag vormt de snelheid waarmee vals nieuws verspreid wordt een probleem, en fact checking wordt bemoeilijkt door de enorme hoeveelheid informatie. In de Oudheid lag het probleem net bij de trage communicatie. Het duurde weken om een bericht van de ene naar de andere kant van het rijk te brengen. Een snelle fact check was daardoor onmogelijk. Eenmaal geruchten over de dood van de keizer de ronde deden, moest Avidius Cassius snel handelen om zijn politieke rivalen aan het hof voor te zijn en zijn positie in het Oosten te handhaven. Cassius gokte verkeerd en kwam noodlottig aan zijn einde. We kunnen ons alleen maar afvragen wat er gebeurd zou zijn als Marcus Aurelius daadwerkelijk gestorven was…

Meer lezen?

Cassius Dio, Romeinse geschiedenis, 72. 22-29. (samengevat in de 11de eeuw door de Byzantijnse geleerde Johannes Xiphilinus)

Historia Augusta, Avidius Cassius

Philostratus, Levens van de sofisten, 563 (over de brief van Herodes Atticus aan Avidius Cassius)

Kemezis, A. (2021), ‘Avoiding the Eastern Question: Avidius Cassius and the Antonine Succession in Cassius Dio’, in: J.M. Madsen en C.H. Lange, Cassius Dio the Historian: Methods and Approaches, Leiden, p. 195-222.

Levick, B. Faustina I and II: Imperial Women of the Golden Age, New York, 2014.

Coverafbeelding: adaptatie van de 3D-sketch “Equestrian Statue of Marcus Aurelius” van leifchri92 op Sketchfab (CC BY 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/feed/ 0 2056
In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/#respond Fri, 21 Feb 2020 16:37:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1434

Het toerisme in Egypte beleefde vooral hoogdagen na de verovering door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel "binnenlandse" als "buitenlandse" reizen. In dit artikel gaan we in het spoor van Herodotus op zoek naar de typische plaatsen die werden aangedaan door keizers, soldaten, ambassadeurs of andere beambten.

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Met de geplande opening van het Grand Egyptian Museum in het vooruitzicht prijkt Egypte bovenaan menig lijstje met “top # plaatsen om te bezoeken in 2020”. De toeristische sector is erg belangrijk voor het land, en na enkele moeilijke jaren neemt het aantal bezoekers weer gestaag toe. Het rijke Egyptische verleden spreekt al veel langer tot de verbeelding van reizigers. Deze fascinatie gaat al terug tot in de Oudheid. Het toerisme beleefde vooral hoogdagen na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel “binnenlandse” als “buitenlandse” reizen. Verplaatsingen van de eerste soort behelsden vaak een bezoek aan een tempel in het kader van een pelgrimage. Uitheemse bezoekers waren doorgaans soldaten, ambassadeurs, of beambten die in staatsdienst in het land waren. Ook Romeinse keizers bezochten de provincie Aegyptus. De grootste keizerlijke toerist was zonder twijfel Hadrianus, die meer dan de helft van zijn regeerperiode onderweg was. Anderen reisden uit interesse: volgens Tacitus bezocht Germanicus Egypte “om de antiquiteiten te zien” (“cognoscendae antiquitatis“).

Naar aanleiding van zijn bezoek liet Hadrianus deze munt met verpersoonlijking van Egypte slaan. De figuur houdt een Egyptisch sistrum vast, en links ontwaren we een ibis, het heilige dier van Thoth.

Toerisme in Egypte: een lange geschiedenis

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in SaqqaraNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in Saqqara

Ook voor Egypte deel werd van de Grieks-Romeinse wereld werd er natuurlijk druk gereisd. Vanaf het Oude Rijk vinden we inscripties van passanten in de regio van het eerste cataract (het huidige Sehel-eiland). De eerste graffiti achtergelaten door ‘toeristen’ dateren uit de 18de en de 19de Dynastie: de kapellen rond de trappenpiramide van Djoser in Saqqara zijn bezaaid met inscripties van schrijvers die hun bewondering voor de site uitdrukken.

Vanaf de Late Tijd (664-332 v.C.) vonden meer en meer Grieken hun weg naar Egypte. Al in 591 v.C. kerfden Griekse huurlingen een boodschap in het linkerbeen van een beeld van Ramses II in Abu Simbel. Andere toeristen kwamen met vredelievendere bedoelingen: enkele illustere voorbeelden zijn de Atheense staatsman Solon, de wiskundigen Thales en Pythagoras en de filosoof Plato. De bekendste toerist was de historicus Herodotus, die zeer onder de indruk was: “Nergens zijn er zoveel wonderlijke zaken, noch zijn er ergens ter wereld zoveel werken van onbeschrijfelijke grootheid te zien.” Latere Grieks-Romeinse toeristen bekeken Egypte door de lens van deze voorgangers: ze hadden respect voor de oude Egyptische cultuur, maar tegelijk bleef het land ook exotisch en ‘barbaars’. Sommige graffiti van bezoekers gebruiken zo het woord “historeo“, “ik onderzoek”, een rechtstreekse verwijzing naar het werk van Herodotus.

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.

De tempel van Abu SimbelNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Abu Simbel

Bruisend Alexandrië

Halve drachme van de Romeinse keizer Antoninus Pius met de pharos en tetradrachme van de keizer Commodus met de pharos en een zeilschip

In de Grieks-Romeinse periode bereikten de meeste reizigers Egypte per boot, via de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij het naderen van de kust werden ze begroet door een van de spectaculairste bouwwerken uit de oudheid: de pharos, een vuurtoren die meer dan 100 meter boven de zee oprees. De stad was niet alleen een belangrijk commercieel centrum, maar ook de intellectuele hoofdstad van het Middellandse Zeegebied. Bezoekers konden zich er vergapen aan spectaculaire sites die vandaag verdwenen zijn onder de moderne bebouwing. In het rijkversierde Mouseion en de bibliotheek kon men de grote geleerden van die tijd aan het werk zien. Het grote Serapeum, een van de beroemdste heidense tempels uit de Oudheid, was een andere populaire bezienswaardigheid. Gedistingeerde gasten werden ontvangen op het spectaculaire koninklijke paleis.

Alexandrië kende ook Egyptische elementen, zoals de “Cleopatra’s Needles” nu in Londen en New York

Het mausoleum van Alexander de Grote in de stad ontwikkelde zich tot een waar bedevaartsoord. In 48 v.C. kwam Julius Caesar het lichaam eer bewijzen, en hij werd daarin nagevolgd door talrijke latere keizers. Ook zijn adoptiefzoon Augustus bezocht het graf, en zou volgens kwatongen (Cassius Dio) een stukje van de neus van Alexander afgebroken hebben. Gevraagd of hij daarnaast de tombes van de Ptolemaeën wilde bezoeken, zou hij geantwoord hebben dat hij “een koning wilde zien, niet gewoon wat lijken”. De Hellenistische koningen zelf toonden zich ook niet altijd even respectvol tegenover de doden: aanvankelijk lag Alexander in een gouden sarcofaag, maar die werd door Ptolemaios X omgesmolten en vervangen door een glazen exemplaar.

De Grand Tour van het faraonische verleden

Veel reizigers trokken van Alexandrië naar het zuiden om met eigen ogen de monumenten uit de faraonische tijd te bekijken. De eerste attractie die men tegenkwam was Heliopolis. De lokale priesters genoten de reputatie bijzonder geleerd te zijn, en de stad trok dan ook veel filosofen aan. Vandaag blijft er van Heliopolis niet veel over: de monumenten zijn gebruikt als steengroeve voor de aanleg van Caïro. Hetzelfde lot viel de oorspronkelijke hoofdstad Memphis te beurt, een andere populaire stopplaats. Van de beroemde Ptah-tempel en het paleis van Apries zijn slechts schamele ruïnes overgebleven.

Tot de weinige overblijfselen die vandaag nog in Memphis zelf te bezichtigen vallen, behoort dit kolossale beeld van farao Ramses II

Andere trekpleisters in de buurt hebben de tand des tijds beter doorstaan. Een van de hoogtepunten van elke reis naar Egypte, toen zowel als nu, zijn de piramides van Gizeh. De antieke auteurs maakten daarbij dezelfde bedenkingen als menig moderne toerist; terwijl Diodorus zich verwondert over hun grootte en vakmanschap, veroordeelt Herodotus het morele karakter van mannen die zoveel middelen aanwendden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Over Cheops beweert hij dat hij zelfs zijn eigen dochter prostitueerde om fondsen te werven. In de Romeinse periode werd ook de sfinx, die tot de regering van keizer Nero onder het zand begraven lag, drukbezocht. Ingekerfde gedichten vergelijken de vredige Egyptische sfinx met diens wrede Griekse tegenhanger uit het verhaal van Oedipus.

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bijNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bij

Alvorens te arriveren in de religieuze hoofdstad Thebe, deden sommige bezoekers Hermopolis aan. Ter hoogte van deze stad verdronk de onfortuinlijke Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus, tijdens een boottocht op de Nijl. Anderen stopten bij de dodentempel van Seti I in Abydos, bij de Grieken bekend als het Memnoneion.  In de Romeinse periode trok de plaats veel pelgrims aan; de tempel huisvestte toen een gerenommeerd orakel van de god Bes.

De tempel van Seti I in Abydos

De grootste concentratie aan faraonische monumenten vond men toen ook al terug in Thebe, het moderne Luxor. Al in de Romeinse periode leefde het – enigszins overdreven – beeld van het honderd-poortige Thebe als één groot openluchtmuseum. Net als vandaag stroomden er vele bezoekers samen aan de tempels van Karnak en Luxor, maar de populairste trekpleisters bevonden zich op de westoever van de Nijl. De absolute topattractie waren twee standbeelden van farao Amenhotep III, de zogenaamde ‘Kolossen van Memnon’. Griekse en Romeinse bezoekers dachten dat de sculpturen de Ethiopische held Memnon uit de Trojaanse Oorlog afbeeldden. Als gevolg van een aardbeving produceerde een van de beelden geluid bij het opkomen van de zon. Dit werd geïnterpreteerd als het zingen van Memnon naar zijn moeder Eos, de godin van de dageraad. De beelden zijn bezaaid met graffiti, waaronder een gedicht van de dichteres Julia Balbilla, die keizer Hadrianus vergezelde. Sinds de 3de eeuw n.C. is het beeld opgehouden met zingen, maar de sculpturen staan er nog steeds. Sterker nog, bij recente opgravingen werden fragmenten van meer beelden teruggevonden!

De Kolossen van Memnon vandaagNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Kolossen van Memnon vandaag

De moderne trekpleister Vallei der Koningen kreeg in de Oudheid eveneens veel bezoekers over de vloer. Grieken en Romeinen lieten meer dan 2000 graffiti achter in de tombes van de farao’s. Sommige bezoekers kennen we uit andere bronnen: papyrologen zijn bijvoorbeeld bijzonder enthousiast over de graffiti van Dryton, wiens levensloop goed gekend is via zijn papyrusarchief. Het is onduidelijk of de Grieks-Romeinse bezoekers begrepen wat ze zagen. De graffiti drukken in de eerste plaats bewondering uit. De populairste attractie was het graf van Ramses VI, waar we graffiti aantreffen van bezoekers uit het hele Middellandse Zeegebied. Uit sommige van deze inscripties blijkt dat de reizigers in kwestie dachten dat het de tombe van Memnon was, aan wie ook de Kolossen werden gelinkt. Deze obsessie voor de Homerische held Memnon (zie ook het ‘Memnoneion’ van Abydos) roept de vraag op in hoeverre de Grieks-Romeinse bezoekers echt in het faraonische verleden geïnteresseerd waren, dan wel vooral op zoek gingen naar echo’s van hun eigen tradities.

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VINico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VI

Echte fanatiekelingen zoals Strabo reisden na Thebe nog verder door naar het zuiden, naar het eiland Elephantine. Naast de grote Khnum-tempel oefende vooral de eerste cataract een grote aantrekkingskracht uit. Volgens Herodotus was dit de bron van de Nijl. Seneca en Strabo beschrijven het spektakel dat werd opgevoerd door de onverschrokken veermannen, die zich met boot en al in de stroomversnelling storten. De redenaar Aelius Aristides beweert er zelfs aan deelgenomen te hebben. Vandaag is het “oorverdovende gebrul” van de cataract evenwel het zwijgen opgelegd door de bouw van de nabijgelegen dam. Ook de Isis-tempel op het eiland Philae verwelkomde talrijke pelgrims en toeristen, die vele graffiti achterlieten.

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaarNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaar

Off the beaten track: krokodillen voederen in de Fayoem

Het Qarun-meer waarnaar de regio Fayoem genoemd is, via het Koptische phiom of “het meer”

Sommige reizigers bezochten naast de faraonische overblijfselen ook een meer recent ontwikkeld gebied: de Fayoem. Het droogleggen en in cultivatie brengen van grote delen van deze regio was een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Ptolemaeïsche dynastie, die deze krachttoer ook graag etaleerde aan buitenlandse ambassadeurs. De papyri uit de Fayoem tonen dat zulke bezoeken nauwkeurig georkestreerd werden. Vooral Zenon, de manager van een groot landgoed, krijgt duidelijke instructies: hij moet de nederzettingen en de tempels voor de koning tonen, net als de wegen en de dijken, en bovenal benadrukken hoe nieuw alles is. In een andere brief wordt hem opgedragen om zo snel mogelijk strijdwagens en pakdieren in orde te maken voor ambassadeurs van Paerisades II, koning van Cimmerisch Bosporus, en uit Argos. Zenon wordt aangemaand om zich te haasten: op het moment dat de brief geschreven werd, was het schip net uitgevaren! Op het programma stond meestal ook een bezoek aan enkele faraonische overblijfselen, vooral het zogenaamde ‘Labyrint van Hawara’, het complex rond de dodentempel van Amenemhat III. Volgens Herodotus overtrof deze constructie zelfs de piramides.

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom OmboNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom Ombo

Ook toeristen die op zoek waren naar een bijzondere ervaring kwamen in de Fayoem aan hun trekken. In Krokodilopolis werd de god Sobek vereerd in de vorm van een heilige krokodil. De lokale priesters voederden het dier met brood, vlees en wijn meegebracht door bezoekers. Strabo’s beschrijving doet haast denken aan een malafide dolfinarium: nauwelijks heeft de krokodil het voedsel naar binnen gewerkt, of er staat al een nieuwe bezoeker klaar; de priesters snellen ernaartoe, vangen het dier, en stoppen hem opnieuw offers toe. Een brief bewaard op papyrus bevestigt dat deze praktijk een vast deel uitmaakte van de tour voor buitenlandse bezoekers: een beambte wordt opgedragen alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van een Romeinse senator, inclusief “de gebruikelijke hapjes voor de krokodillen”. Een andere Romeinse ambassadeur kwam op een minder aangename manier in aanraking met de Egyptische dierenculten. Diodorus verhaalt hoe hij met eigen ogen aanschouwde hoe een menigte de doodstraf eiste voor een Romein die per ongeluk een kat had gedood. Ook toen loonde het dus om reisadvies in te winnen over de lokale gewoonten!

Lees meer

Casson, L., Travel in the Ancient World, Baltimore, 1994.

Meeus, A., ‘Life Portraits: Royals and People in a Globalizing World’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Medford, 2019, 89-99.

Rosenmeyer, P. A., The Language of Ruins: Greek and Latin Inscriptions on the Memnon Colossus (2018).

Rutherford, I. C., ‘Travel and Pilgrimage’, in C. Riggs (ed.), The Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, 701-716.

Van ‘t Dack, E., Reizen, expedities en emigratie uit Italië naar Ptolemaeïsch Egypte, Brussel, 1980.

Coverfoto: adaptatie van afbeelding ‘Le Sphynx apres les déblaiements et les deux grandes pyramides / Bonfils’ op Wikimedia (Public Domain) & ‘buste beroemde Griekse Herodotus’ op Pixabay

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1434
Death on the Nile: Antinoüs en Hadrianus https://www.oudegeschiedenis.be/28/06/2019/death-on-the-nile-antinous-en-hadrianus/ https://www.oudegeschiedenis.be/28/06/2019/death-on-the-nile-antinous-en-hadrianus/#comments Fri, 28 Jun 2019 16:53:41 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1340

Naar aanleiding van Pride Month, een maand in het teken van de LGBT-gemeenschap die jaarlijks in juni wordt gevierd, dook onze numismaticus in de antieke geschiedenis op zoek naar het bekendste homoseksuele liefdesverhaal: dat tussen keizer Hadrianus en een aantrekkelijke jongeman van 13 jaar uit Klein-Azië, Antinoüs. Hoewel hun relatie begon als een echte romance naar Griekse traditie, eindigde het als een moordmysterie zoals in de detectiveverhalen van Agatha Christie.

Het bericht Death on the Nile: Antinoüs en Hadrianus van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

In Agatha ChristieDeath on the Nile (1937) dient de Belgische detective Hercule Poirot zijn legendarische speurderskunsten aan het werk te zetten om een passionele moord – met nog wat collateral damage – op een stoomboot te ontrafelen. Decor voor het moordmysterie: Egypte, het land van piramides en farao’s. Het zwoele Egyptische klimaat kan de gemoederen blijkbaar nogal eens verhitten, want ook in de Oudheid vond een mysterieus sterfgeval plaats op de rivier met in de hoofdrollen: de Romeinse keizer Hadrianus en zijn homoseksuele geliefde Antinoüs.

Keizer op reis

In 130 n.C. bezocht de Romeinse keizer Hadrianus (117-138 n.C.) het Nijlland samen met zijn entourage. Hadrianus was een reiziger in hart en nieren: hij inspecteerde persoonlijk de provincies van het keizerrijk, zijn villa in Tivoli (op zo’n 30 kilometer van Rome) fleurde hij op met exotische motieven en hij liet munten slaan met de beeltenis van elk gebied dat hij bezocht. Tussen 128 n.C. en 130 n.C. werd hij op die tochten vergezeld door een aantrekkelijke jongeman uit Klein-Azië, Antinoüs genaamd. We weten amper iets over het persoonlijke leven van Antinoüs voor hij Hadrianus ontmoette. Wellicht werd hij geboren in het stadje Claudiopolis in Bithynië, in de lagere middenstand. Tijdens een bezoek van Hadrianus aan Claudiopolis in 123 n.C. moet hij de aandacht van de keizer getrokken hebben, want kort daarna, in 125 n.C., werd hij voor verdere scholing naar Rome gestuurd. Ergens in de volgende jaren begon Hadrianus een relatie met Antinoüs. Hadrianus was rond de veertig, Antinoüs zo’n dertien jaar jong.

Bustes van Hadrianus en Antinoüs uit het British Museum

Op z’n Grieks

Het moet onthouden worden dat Hadrianus – misschien wel het meest van alle Romeinse keizers – doordrongen was van de Griekse cultuur, waarin relaties met minderjarigen (of toch wat wij als minderjarigen beschouwen) niet enkel toegestaan, maar soms zelfs aangemoedigd werden. “The past is a foreign country, they do things differently there“, om het met de woorden van L.P. Harley te zeggen. Homoseksualiteit in het algemeen was daarnaast een wijdverspreid fenomeen in de Grieks-Romeinse cultuurwereld. En hoewel Hadrianus getrouwd was met een vrouw, impliceren de literaire bronnen dat het allerminst een gelukkig huwelijk was: de keizer was nu eenmaal “voor de mannen”.

Man overboord

Deel van het keizerlijke bezoek aan Egypte bestond uit een boottocht op de Nijl. Tevoren hadden de keizer en zijn minnaar nog een leeuwenjacht georganiseerd in de Libische woestijn, waar Hadrianus op het nippertje het leven van de jonge Antinoüs had kunnen redden. Op de rivier sloeg het noodlot echter toe. Ter hoogte van Hermopolis viel Antinoüs overboord en verdronk hij. Hadrianus was ontroostbaar: muliebriter flevit (“hij huilde als een vrouw”) merkt de Historia Augusta op. Dat was niet het enige wat hij deed. Antinoüs werd vergoddelijkt: voortaan was hij een heros, een held die een positie tussen gewone stervelingen en goden bekleedde. Daarnaast stichtte Hadrianus tegenover Hermopolis een nieuwe stad ter ere van zijn overleden minnaar, Antinoöpolis genaamd. Het gemummificeerde lichaam van de jongeman zou uiteindelijk begraven worden in Hadrianus’ villa in Tivoli.

De numismatische erfenis

Vele steden in het oosten van het rijk plaatsten Antinoüs al gauw op hun munten, zeker wanneer de keizer op bezoek kwam. Vaak gaat het om commemoratieve stukken die niet per se bedoeld waren voor grootschalige monetaire circulatie. Een mooi voorbeeld hiervan is de onderstaande munt uit Mantinea in Arcadië (op de Peloponnesos). Mantinea zou de moederstad van het Bithynische Claudiopolis geweest zijn, en had dus een bijzondere band met Antinoüs. Het gelaat is verfijnd met de typerende ‘sensuele lippen’ die ook bij de meesterwerken van de klassiek Griekse muntslag vaak te vinden zijn. Het ontblootte bovenlijf straalt jeugdige kracht uit, en maakte de antieke kijker meteen duidelijk dat het om een heros ging.

Bronzen medaille uit Mantinea, geslagen ca. 131-132 n.C.

Een duister kantje

Daar eindigt het verhaal echter niet. Al in de Oudheid werd immers getwijfeld aan de uitleg van Hadrianus dat Antinoüs’ dood een ongeluk geweest zou zijn, wat ook moderne onderzoekers aan het speculeren gezet heeft. Mogelijke denkpistes zijn dat Antinoüs door een andere minnaar van Hadrianus vermoord zou zijn of – nog merkwaardiger – dat Antinoüs het slachtoffer geweest zou zijn van een gruwelijke ceremonie waarbij hij als mensenoffer het voortleven van de keizer, die kampte met een zwakke gezondheid, moest garanderen. Misschien deed de jongeman het zelfs vrijwillig. Wat er ook van zij, het doet de auteur alleszins denken aan het legendarische nummer van Meat Loaf: “And I would do anything for love, but I won’t do that“.

Lees meer

Lambert, R. ‘Beloved and God. The Story of Hadrian and Antinous’, Londen: Weidenfeld and Nicolson, 1984.

Pudill, R. ‘Göttlicher Antinoos. Ein Idealbild jugendlicher Schönheit‘, Battenberg: Regenstauf, 2017.

Coverafbeelding: adaptatie van de foto ‘Hadrian and Antinous. Cornwall LGBT History Project 2016. Malcolm Lidbury b’ door Pinkpasty op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Death on the Nile: Antinoüs en Hadrianus van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/28/06/2019/death-on-the-nile-antinous-en-hadrianus/feed/ 1 1340
Acteurs in de lobby: hoe een artiestenvereniging de keizerlijke besluitvorming beïnvloedde https://www.oudegeschiedenis.be/27/04/2018/acteurs-in-de-lobby-hoe-een-artiestenvereniging-de-keizerlijke-besluitvorming-beinvloedde/ https://www.oudegeschiedenis.be/27/04/2018/acteurs-in-de-lobby-hoe-een-artiestenvereniging-de-keizerlijke-besluitvorming-beinvloedde/#respond Fri, 27 Apr 2018 15:41:46 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=858

Dit verhaal is gebaseerd op inscripties die gemaakt zijn voor of door de thymelische synode, de "internationale" artiestenvereniging van het Romeinse Rijk. Ook de atleten hadden zo’n vereniging, die de xystische synode genoemd werd. De twee verenigingen stonden in voor de professionele belangen van de artiesten en atleten die bij hen aangesloten waren. Daar hoorde ook lobbywerk bij: hun uitstekende contacten aan het keizerlijke hof leverden hen heel wat voordelen op.

Het bericht Acteurs in de lobby: hoe een artiestenvereniging de keizerlijke besluitvorming beïnvloedde van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Dit verhaal is gebaseerd op inscripties die gemaakt zijn voor of door de thymelische synode, de “internationale” artiestenvereniging van het Romeinse Rijk. Ook de atleten hadden zo’n vereniging, die de xystische synode genoemd werd. De twee verenigingen stonden in voor de professionele belangen van de artiesten en atleten die bij hen aangesloten waren. Daar hoorde ook lobbywerk bij: hun uitstekende contacten aan het keizerlijke hof leverden hen heel wat voordelen op.

Klein Azië, ergens in de jaren 120 n.C.

Na een lange dagreis nadert een bonte groep mannen de stad Milete. Veilig opgeborgen in karren bevinden zich hun kostbaarste bezittingen: geen geldkisten of exotische handelswaren, maar muziekinstrumenten, maskers en kostuums. De mannen zijn acteurs, dichters en muzikanten, die doorheen het Romeinse Rijk op tournee zijn om deel te nemen aan de agones, prestigieuze atletische en artistieke wedstrijden die tijdens religieuze festivals georganiseerd worden. In de 2de eeuw n.C. zijn er honderden van zulke festivals. Elke zichzelf respecterende Griekse stad, of die nu in Italië, Griekenland, Azië, Syrië of Egypte gelegen is, organiseert er wel een. De grote en rijke steden kunnen opscheppen met een hele reeks van indrukwekkende agones en gaan graag met elkaar in concurrentie om de beroemdste atleten en artiesten aan te trekken.

De mannen die Milete naderen zijn niet zomaar entertainers. Zelf verafschuwen zij dat woord: zij zien zich in de eerste plaats als gevierde wedstrijddeelnemers die elkaar bekampen op het podium ter meerdere eer en glorie van de goden – en van zichzelf natuurlijk. Dat dit eervolle tijdverdrijf ook een aardige som geld opbrengt, is natuurlijk mooi meegenomen. Steden loven aantrekkelijke prijzen uit, niet alleen voor de winnaars, maar ook voor de artiesten die de tweede en derde plaats behalen. Wanneer een artiest een van de grote, prestigieuze festivals wint, een zogenaamde heilige agon, krijgt hij er nog een mooi maandelijks bedrag van zijn thuisstad bovenop. Op die manier kunnen topartiesten doorheen hun carrière een fortuin vergaren waar de gemiddelde entertainer slechts van kan dromen.

De artiesten die nu door de poorten van Milete trekken, wacht echter een onaangename verrassing. Het festival waarvoor zij gekomen zijn, is op de valreep afgelast door de stedelijke autoriteiten. De stadssecretaris verklaart dat het geld dat voorbestemd was voor het festival, beter gebruikt kon worden om een nieuwe fontein te bouwen, en dat ze het volgende jaar maar terug moesten komen wanneer de grote Didymeia op het programma staan. De artiesten kunnen wel vloeken: hun reis naar Milete is een investering geweest die nu geen enkele winst meer kan opleveren! Milete is geen alleenstaand geval. Onlangs heeft Chios een andere theatergroep hetzelfde gelapt.

De artiesten besluiten dat het genoeg is geweest. Zij protesteren bij de aanvoerder van het gezelschap, de komedieacteur Theophrastos. Behalve acteur is de man ook archont, uitvoerend beambte van de internationale artiestenbond die beter bekend staat als de thymelische synode. Het is de taak van de synode om de professionele belangen van de artiesten te verdedigen. Theophrastos bundelt de klachten in een brief en geeft die door aan een secretaris van de synode die op het punt staat om per schip naar Rome af te reizen.

De archont Theophrastos duikt op in een inscriptie uit Aphrodisias, die een eredecreet van de synode bevat

Rome, rond 130 n.C.

Keizer Hadrianus ondersteunde de artiestenvereniging met een brief waarin hij de wanpraktijken aanpakte

Grote drukte in het hoofdkwartier van de thymelische synode in de theaterwijk op de Campus Martius. Een van de hogepriesters van de synode is net terug van zijn audiëntie bij keizer Hadrianus op de Palatijn. Het heeft hem weinig moeite gekost om bij de keizer een luisterend oor te vinden. Als persoonlijke vriend van de keizer is hij namelijk een welkome gast aan het hof. De hogepriester sprak met Hadrianus over de vele problemen waar rondreizende artiesten mee kampen. Wedstrijden worden geannuleerd, corrupte organisatoren steken geld in eigen zak, wedstrijdregels worden met de voeten getreden. De keizer beloofde te wanpraktijken snel aan te pakken.

Napels, 134 n.C.

Na een laatste overleg met beambten van de synode verzegelt Hadrianus een brief met zijn beslissingen:

Ik beveel dat alle wedstrijden gehouden worden, en dat het een stad niet toegestaan is om fondsen van een wedstrijd naar andere kostenposten over te hevelen, noch sta ik toe dat prijzengeld voor het optrekken van gebouwen gebruikt wordt … Ik heb Chios en Milete geschreven dat zij jullie de wedstrijd teruggeven die zij hebben afgelast.

De keizer neemt nog een reeks andere beslissingen, allen ten voordele van de rondreizende artiesten. De thymelische synode, die de professionele belangen van haar leden over het hele Romeinse Rijk vertegenwoordigt, heeft haar werk gedaan.

Meer lezen?

De brief van Hadrianus aan de thymelische synode, die in 2004 gevonden werd in de stad Alexandria Troas, geeft ons een unieke kijk achter de schermen van de Grieks-Romeinse festivalwereld en op het lobbywerk van de verenigingen. De Griekse tekst en een Engelse vertaling is hier en op de website Ancient Olympics van KU Leuven te vinden.

De goede contacten van de thymelische synode aan het keizerlijke hof komen duidelijk naar voor in de ereinscriptie voor Titus Aelius Alkibiades, de zoon van de kamerheer van Hadrianus.

FAUCONNIER, B., Ecumenical Synods. The Associations of Athletes and Artists in the Roman Empire, ongepubliceerde doctoraatsverhandeling, Amsterdam, 2018.

FAUCONNIER, B., ‘The Organisation of Synods of Competitors in the Roman Empire’, Historia: Zeitschrift für Alte Geschichte 66.4 (2017), p. 442-467.

SLATER, W. J., ‘Hadrian’s Letters to the Athletes and Dionysiac Artists Concerning Arrangements for the ‘Circuit’ of Games’, Journal of Roman Archaeology 21 (2008), p. 610-620.

VAN NIJF, O.M., ‘Global Players: Athletes and Performers in the Hellenistic and Roman World.’ Hephaistos 24 (2006), p. 225-35.

Coverfoto: schilderij ‘Apollo & Marsyas’ (Michelangelo Anselmi) vanop Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Acteurs in de lobby: hoe een artiestenvereniging de keizerlijke besluitvorming beïnvloedde van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/27/04/2018/acteurs-in-de-lobby-hoe-een-artiestenvereniging-de-keizerlijke-besluitvorming-beinvloedde/feed/ 0 858
Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/#comments Thu, 05 Apr 2018 16:08:52 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=779 schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Kruisiging als pre-Romeinse executiemethode

Voor de Romeinse periode was een bepaalde vorm van kruisiging als executie al bekend bij andere antieke volkeren zoals de Assyriërs en de Egyptenaren. Al in de oudste wetteksten uit de Codex Hammurabi uit de 18de eeuw v.C. komt mogelijk de vroegste vermelding van een kruisiging voor, hoewel niet in de later bekende vorm: in het geval een vrouw overspel zou plegen en haar man en de echtgenote van haar minnaar zou vermoorden, worden zowel zij als haar minnaar aan een paal gespietst (Cod. Ham. 153).

Voor Egypte zijn er verschillende bronnen, waaronder inscripties op papyrus, met verschillende hiërogliefen die verwijzen naar het spietsen op een paal. Ook bij de veldtocht van de Assyrische heerser Šalmanassar III in de 9de eeuw v.C. werden Syriërs geëxecuteerd door hun onderste delen te spietsen met een paal, zo toont één van de reliëfs op de bronzen poorten van Balawat. Deze methode werd nadien ook nog door onder meer Darius I gebruikt om 3000 Babyloniërs terecht te stellen, zo blijkt uit de zogenaamde drietalige Behistuninscriptie en het relaas van Herodotus (III,159). Diezelfde Griekse geschiedschrijver vernoemt in zijn Historiai nog enkele keren de techniek van het spietsen, onder andere in zijn beschrijving van Astyages, de laatste koning van de Meden (I,128) en Oroetes, de gouverneur van Sardis die zijn tegenstander Polykrates, tiran van Samos (III,125) liet executeren. Bij deze laatste was het opvallend dat de man al dood was voor hij werd gespietst of gekruisigd. Herodotus gebruikt twee werkwoorden voor de terechtstelling, anaskolopizō (ἀνασκολοπίζω) en anastauroō (ἀνασταυρόω), die beide als ‘op een staak spietsen’ kunnen worden vertaald.

Afbeelding van gespietste Syrische gevangen tijdens de veldtocht van Šalmanassar III, te zien op de Balawat-poort

Ook bij de Grieken kwam kruisiging voor en wel in een vorm die nauwer aansluit bij wat de Romeinen deden. Nog bij Herodotus lezen we namelijk in zijn verslag over de Tweede Perzische Oorlog van Xerxes (IX,120) dat de Atheense generaal Xanthippus, de vader van Pericles, Artayctes, een gevangengenomen Perzische generaal, levend aan een plank liet nagelen. Alexander de Grote doodde volgens historiograaf Quintus Curtius Rufus 2000 inwoners van Tyrus door hen aan een kruis te hangen (crucibus adfixi) op een groot gedeelte het strand (Hist. Alex. IV,4,7).

Paal of kruis?

Gravure van een crux simplex ad infixionem met een gespietste terdoodveroordeelde, uit een boek van Justus Lipsius

Etymologisch gezien verwijzen de Griekse termen voor kruisiging naar een opgerichte paal of staak (stauros). Ons woord kruis daarentegen is afgeleid van het Latijnse crux, zoals kruisiging van crucifixio, letterlijk het fixeren/vasthangen (facere) aan een kruis. In de Romeinse periode waren er verschillende vormen van kruisigingen: aan een boom (infelix lignum), een opgerichte paal (crux simplex) of een samengesteld kruis (crux composita) dat bestond uit een opgerichte paal (stipes) en een dwarsbalk (patibulum). Naar vorm kwam dit laatste kruis voor als een X-vormig kruis (crux decussata), een Latijns kruis (crux immissa) of een T-vormige Tau-kruis (crux commissa). Het kruis kon ook hoog zijn (crux sublimis), maar in de meeste gevallen ging het om een laaghangend kruis (crux humilis). Naar afmetingen was de opstaande balk ongeveer tussen 1,8 en 2,4 meter hoog en de dwarsbalk tussen 1,5 en 1,8 meter lang. Kruisen konden meer dan 120 kilogram wegen, waarbij het patibulum soms al tot 60 kilogram zwaar kon zijn.

De Romeinse methode ging meestal als volgt: eerst werd de verticale paal in de grond geplaatst, waarna de dwarsbalk pas eraan werd bevestigd nadat de ter dood veroordeelde eraan was genageld of gebonden. Een inscriptie (titulus) werd soms ook nog bij aan de paal genageld boven het hoofd van het slachtoffer. Seneca bevestigt dit in zijn De Consolatione ad Marciam:

Video istic cruces non unius quidem generis sed aliter ab aliis fabricatas: capite quidam conversos in terram suspendere, alii per obscena stipitem egerunt, alii brachia patibulo explicuerunt. (VI,20,3)

Ik zie daar kruisen, niet slechts van een soort, maar gemaakt op veel verschillende manieren: sommige hebben hun slachtoffers met hun hoofd op de grond, anderen aan hun private delen gespietst, nog anderen strekken hun armen uit op de dwarsbalk.

De voornaamste doodsoorzaak bij de Romeinse vorm van kruisigen zou verstikking door zuurstoftekort of hartfalen zijn. Dit treedt bij een normale hangende positie aan het kruis al op na minder dan een uur, maar door de toevoeging van zogenaamde sediles, bankjes voor de voeten of het zitvlak om op te rusten, kon de lijdensweg die tot de dood leidde met enkele uren worden verlengd.

Kruisiging bij de Romeinen

Hoe de Romeinen met kruisiging als executiemethode in contact kwamen is niet zeker, maar een plausibele uitleg lijkt dat ze na de Tweede Punische Oorlog (218 v.C. – 201 v.C.) met de Carthagers -die kruisigingen gebruikten om zelfs hun generaals die faalden in de oorlog terecht te stellen- ook deze techniek begonnen toe te passen. Livius beschrijft in zijn Ab Urbe Condita de eerste keer dat de Romeinen 25 slaven kruisigden tijdens de campagne tegen Hannibal:

Per eosdem dies speculator Carthaginiensis, qui per biennium fefellerat, Romae deprensus praecisisque manibus dimissus, et servi quinque et viginti in crucem acti, quod in campo Martio coniurassent. (XXII,33)

Rond die tijd werd in Rome een Carthaagse spion opgepakt, die zich gedurende twee jaar aan de gevangenneming had onttrokken, en nadat zijn handen waren afgesneden, mocht hij gaan, en werden 25 slaven gekruisigd, op beschuldiging van samenzwering op het Marsveld.

In de daaropvolgende jaren raakten kruisigingen ook verder ingeburgerd in het Romeinse leger, bijvoorbeeld wanneer Scipio Africanus in 201 v.C. na de val van Carthago de perfugae of deserteurs uit zijn leger, allen Romeinen, dezelfde doodstraf oplegt. (Liv. XXX,43)

Kruisiging werd gebruikt als executiemiddel voor slaven, piraten en criminelen die geen Romeins burgerschap bezaten. Een uitzondering op die laatste regel vormden de deserteurs of burgers die beschuldigd werden van hoogverraad. Tijdens de Republiek kruisigde Crassus in de nasleep van de opstand van Spartacus, ook bekend als de Derde Slavenoorlog, 6000 van diens aanhangers en deze zorgden er volgens Appianus voor dat de volledige weg van Capua naar Rome vol stond met kruisen.

Kruisigingsscène uit de film Spartacus (1960) van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol

Ook de Cilicische piraten die Caesar ontvoerden in 75 v.C. kwamen volgens de biografie van Plutarchus op deze manier aan hun einde. In 70 v.C. trad Cicero op als advocaat tegen Verres, de gouverneur van Sicilië, die een Romeins burger met de naam Gavius liet kruisigen, ondanks zijn burgerschap. De redenaar beschouwt kruisiging als de meest wrede en onterende (crudelissimi taeterrimique) straf (In Verrem II,5,165). In dezelfde rechtszaak spreekt hij ook het volgende uit:

Facinus est vincire civem Romanum, scelus verberare, prope parricidium necare: quid dicam in crucem tollere? Verbo satis digno tam nefaria res appellari nullo modo potest. (In Verrem II,5,170)

Het is een misdaad om een Romeins burger te knevelen, hem geselen is een boosaardigheid, hem ter dood brengen is bijna vadermoord: en dan wat te zeggen over hem kruisigen? Dat is zo’n schuldige handeling die onmogelijk adequaat kan worden uitgedrukt met een term slecht genoeg ervoor.

In de keizertijd kwam het al wel eens voor dat een libertus, een vrijgelaten slaaf, niet aan de kruisiging ontsnapte. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Asiaticus, die nadat zijn meester Vitellius in het vierkeizerjaar 69 was verslagen, werd gekruisigd. (Tac. Hist. IV,11,10). Bij de massale kruisiging van slaven lijkt het niet onwaarschijnlijk dat af en toe ook vrouwen en kinderen niet aan deze doodstraf ontsnapten. Zo schreef Publius Cornelius Tacitus in zijn Annales (XIV,45) dat leeftijd noch geslacht een invloed had op de uitvoering van deze vorm van executie en dat onder de slaven die gekruisigd werden voor de moord door één van hen op hun meester Lucius Pedanius Secundus zich ook vele vrouwen en kinderen bevonden. Zo kennen we ook het voorbeeld van een vrouwelijke libertaIde, die werd gekruisigd op bevel van keizer Tiberius, en van wie het verhaal ons is overgeleverd door Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae, XVIII,3,4). De Joodse geschiedschrijver (en legerleider) vertelt in datzelfde boek ook over de koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat, Alexander Iannaeus, die in 88 v.C. na een Farizeeënopstand 800 van zijn tegenstanders liet kruisigen (XIII,380). In de literaire bronnen uit de Romeinse periode lezen we dus steeds over kruisigingen door ophanging, met uitzondering van de Britse koningin Boudicca die in de revolte van 60/61 de gruwelijke methode van het op een staak spietsen nog toepaste op Romeinse matrones en Plutarchus die beide methoden nog beschrijft in zijn Moralia (499D). Tot slot kennen we natuurlijk nog de spietsing van Cicero’s handen en hoofd aan de Rostra, maar dat gebeurde na zijn executie en was meer bedoeld als afschrikking voor de andere politieke tegenstanders van het tweede triumviraat (uit Appianus‘ Bellum Civile 4,20).

Uit de spelen van Plautus, ook al zijn het komedies, en andere literaire bronnen zoals Plutarchus kunnen we al enkele details afleiden van hoe de kruisiging bij de Romeinen concreet werd uitgevoerd. Plautus (Carbonaria, fr. 2) vermeldt bijvoorbeeld dat de terdoodveroordeelde met het patibulum naar de plek waar de verticale balk van kruis was opgetrokken, moest wandelen en vervolgens eerst aan de dwarsbalk werd genageld, alvorens die balk horizontaal aan de opgerichte paal werd bevestigd. Ook Plutarchus (De Sera 554b) vermeldt dat de veroordeelde het kruis op zijn rug moest dragen (en waarschijnlijk gaat het hier ook enkel over de dwarsbalk).

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimillatekening door prof. Antonio Lombatti

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimilla

Diezelfde procedure blijkt ook uit een wettekst voor begrafenisondernemers (AE 1971, 88) die in de Italiaanse kuststad Puteoli is gevonden. De wet schrijft onder meer voor dat eigenaars die een slaaf willen laten kruisigen zelf moet opdraaien voor alle kosten zoals de houten palen (waaronder het patibulum), kettingen en koorden voor de zweepslagen. Ook de kosten voor diegenen die deze zaken naar de plaats van executie brengen en voor de beul zelf zijn ten laste van de eigenaar. In een andere sectie van de wet wordt ook gesproken over publieke executies, uitgesproken door magistraten (mogelijk voor het laten kruisigen van vreemdelingen en burgers uit de lagere klassen). Daarbij moeten de de aannemers van zulke opdrachten gratis het volgende voorzien: kruisen (cruces), nagels, pek, was en kaarsen. Die laatste drie zaken waren voor het martelen van de gevangen voor ze werden gekruisigd, een praktijk die gangbaar was in de Romeinse periode. De terdoodveroordeelde werd eveneens voor het kruisigen eerst van zijn kleding ontdaan en vervolgens vaak nog aan zweepslagen onderworpen.

Een graffito die eveneens uit Puteoli afkomstig is, daterend uit de tijd van Trajanus of Hadrianus, bevestigt dat de terdoodveroordeelde naakt aan het kruis werd gespijkerd. Op de afbeelding, gevonden op taberna 5, een gasthuis, is een naakte vrouw aan het kruis te zien. Het opschrift vermeldt nog haar naam, Alkimilla, die mogelijk op de titulus was geschreven (tenzij het hier eerder over een vervloeking dan over een echte representatie zou gaan).

Daarnaast hebben we nog archeologische bewijs. Het eerste daarvan komt uit Jeruzalem, waar in een graftombe de overblijfselen van een gekruisigde man samen met zijn kind zijn ontdekt. Een opschrift op de tombe geeft ons de naam van beiden: yhwḥann / yhwḥann bn ḥgqwl (Jehohanan, Jehohanan ben Hagkol). De overblijfselen van beide hielen van de man zijn doorspijkerd met een nagel, terwijl de handen en polsen van de man dit niet hebben, er waarschijnlijk op duidend dat zijn armen waren vastgebonden aan de dwarsbalk, in plaats van gespijkerd. Een tweede geval werd in 2007 opgegraven in het Italiaanse Gavello, zo’n 75 kilometer van Venetië. Het gaat hier opnieuw om een man, begraven in een geïsoleerd graf zonder grafgiften, wiens rechterhiel doorboord was. Na een multidisciplinair onderzoek concludeerden wetenschappers dat dit waarschijnlijk ook zal gebeurd zijn bij de kruising van deze man (mogelijk een slaaf of misdadiger) waarbij een nagel zou zijn gebruikt om hem in een open of rechtshangende positie te fixeren. Dat archeologen nog niet meer dergelijke voorbeelden hebben gevonden, kan verschillende oorzaken hebben. De de kostprijs van de nagels kan ervoor hebben gezorgd dat er een voorkeur werd gegeven aan het kruisigen met het gebruik touw, maar ook het hergebruik van de nagels en de sociale positie van de gekruisigden maken het aannemelijk dat er op dit moment niet meer materieel bewijs is gevonden.

Vondst van een skelet in Fenstanton met een spijker in de rechterhiel

Toch bracht een vondst uit 2017 uit het Britse graafschap Cambridgeshire mogelijk nieuw bewijs voor een kruisiging aan het licht. Op de site van een oude melkfabriek in Fenstanton, in het oosten van Engeland, werden toen de overblijfselen van een Romeinse nederzetting gevonden met daarbij ook enkele begraafplaatsen. In één daarvan troffen archeologen het skelet van een jonge man, tussen de 25 en 35 jaar oud, aan, maar pas toen het enige tijd later in het laboratorium werd schoongemaakt merkten onderzoekers op dat er een gat in zijn rechterhiel zat, doorboord door een 5 centimeter lange spijker. Koolstofdatering maakte duidelijk dat hij tussen 130 en 360 n.C. gestorven is en een DNA-analyse toonde aan dat hij geen familie was van andere overledenen uit de begraafplaatsen, maar dat hij wel tot de plaatselijke bevolking behoorde.

Naast de spijker in zijn hiel werden nog enkele belangrijke aanwijzingen gevonden voor een dood door kruisiging. Zo lag de man naast een houten constructie, vermoedelijk de plank waaraan hij was vastgebonden, had hij 6 gebroken ribben (misschien veroorzaakt door een zwaard) en een ontsteking aan zijn dunne benen, allemaal aanwijzingen dat hij waarschijnlijk vastgebonden was. Naast deze (impliciete) tekenen dat het hier mogelijk om een misdadiger gaat die eerst werd gemarteld en vervolgens aan het kruis genageld, werden in hetzelfde graf ook nog 12 andere ijzeren spijkers gevonden. Een ondiep gaatje in het rechterbot van de man, hetzelfde been waarin de dertiende nagel door zijn rechterhiel was geslagen, suggereert dat een eerste poging om het te kruisigen niet was gelukt. Volgens de onderzoekers maakt dit alles van het opgegraven skelet het eerste – en het best bewaarde – archeologische bewijs van een kruisdode in Noord-Europa.

De kruisiging van Jezus

Flavius Josephus geeft ons nog een breder beeld over het gebruik van kruisigingen bij Joden. In zijn De Bello Iudaico over de Joodse Oorlog tegen keizer Titus verhaalt hij (V,11) hoe Joodse opstandelingen werden gekruisigd langs de muur van Jeruzalem en hoe de Romeinse soldaten er genoegen in schepten om hun lijden te verlengen door hen in verschillende posities te kruisigen, zodat hun doodsstrijd langer zou duren. Daarnaast haalt hij ook aan dat in sommige gevallen Joden van goede afkomst werden gekruisigd, als het ware om te tonen dat zij door hun misdaad en bijhorende straf hun status waren kwijtgeraakt. Een ander voorbeeld van een massale kruisiging vinden we in zijn Antiquitates Iudaicae (XVII,10,295) waar Publius Quinctilius Varus – later bekend als de Romeinse generaal die in het Teutoburgerwoud met zijn troepen werd afgeslacht door de Germanen – 2000 Joodse rebellen kruisigde na de Joodse opstand van 4 v.C.

Ook in het Oude Testament leren we al iets over de herkomst van kruisiging als straf. Een passage in Deuteronomium (21:22-23) levert veel onzekerheid op bij bijbelonderzoekers. Waarbij vroeger werd gedacht dat een Joodse man kon worden veroordeeld tot de dood en nadien zou worden opgehangen, menen onderzoekers nu dat het woord talah mogelijk toch zou moeten worden geïnterpreteerd als gespietst aan een staak. Weliswaar gebeurde dit enkel met het hoofd van een veroordeelde nadat hij al was geëxecuteerd op een traditionele manier volgende de Joodse wet: door steniging, verbranding, wurging of onthoofding. In andere passages (Genesis 40:19 en Esther 7:10) wordt al gerefereerd aan de traditie van ophanging, kruisiging of spietsen, bij de oude Egyptenaren en de Perzen, maar ook hier zijn deze interpretaties niet onomstreden. Hoewel kruisiging dus waarschijnlijk niet tot het vroegste Joodse recht behoorde, lijkt het mogelijk dat door de Romeinse invloed deze doodstraf ook nadien werd toegepast bij misdaden waarbij de misdadiger op een zo beschamend mogelijke manier moest worden terechtgesteld.

Hoewel de historiciteit van Jezus intussen niet echt meer wordt betwijfeld, blijven er toch nog heel wat onzekerheden (o.a. over de datering in het jaar 30 of 33) bestaan over het kruisigingsverhaal dat ons voornamelijk is overgeleverd via de vier evangelisten. Wat betreft het waarom van zijn veroordeling tot het kruis door Pontius Pilatus, prefect van Judaea (praefectus Iudaeae) kunnen we vermoeden dat het hier om zogenaamde majesteitsschennis gaat. Kajafas, de hogepriester van de Joodse tempel in Jeruzalem, ondervroeg Jezus na zijn veroordeling door de Joodse raad of sanhedrin (die de wettelijke veroordeling tot de doodstraf overlieten aan de Romeinen) over zijn claim als messias of ‘Koning der Joden’. De bestraffing van deze vorm van hoogverraad (vroeger bekend als perduellio, maar in Jezus’ tijd waarschijnlijk al gekend onder de term maiestas) was tijdens de regering van Tiberius een gekende manier om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen.

Over de prelude naar de executie kunnen we uit uit de evangelies (Matteüs 27:27, Marcus 15:15, Lucas 23:16, Johannes 19:1) en ook uit de Eerste brief van Petrus (2:24) afleiden dat ook Jezus naar Romeins gebruik eerst afgeranseld werd in het praetorium en mogelijk ontdaan werd van zijn kleding, waarschijnlijk met meer dan 39 zweepslagen zoals het Joods recht voorschrijft (Deuteronomium 25:3). Daarna werd hij nog bespot en geslagen door Romeinse soldaten en de vazalkoning van Galilea en en Perea, Herodes Antipas (Lucas 23:11), die hem tooiden met een rode (Matteüs 27:28) of purperen (Marcus 15:17) toga -een verwijzing naar zijn zogenaamde koningschap-, een houten staf als scepter en een doornenkroon. Vervolgens moest hij (al dan niet met hulp van Simon van Cyrene) het kruis – waarschijnlijk enkel met de patibulum of dwarsbalk zoals bleek uit Plautus – dragen naar de plaats van zijn executie buiten de muren van Jeruzalem, Golgotha.

Aangekomen op de plaats van executie werd een titulus met het opschrift ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’ werd in drie talen (Hebreeuws, Latijn en Grieks) aangebracht volgens Johannes (19:20; de drie andere evangelisten vermelden een kortere variant op ‘Koning der Joden’). Over de concrete uitvoering van de kruisiging worden we weinig wijzer, buiten het feit dat dezelfde evangelist nog beschrijft dat een Romeinse soldaat met zijn lans een steekwonde aanbracht in de zij van Jezus (mogelijk de oorzaak van zijn dood). Zijn benen werden ook niet meer gebroken, omdat de soldaten merkten dat hij net daarvoor gestorven was, iets dat wel gebeurde met de twee misdadigers die naast hem waren gekruisigd (Johannes 19:30-34). Dat Christus gekruisigd werd met nagels lijkt aannemelijk, het archeologische bewijs -hoewel: testis unus testis nullus– ondersteunt op zijn minst het nagelen van de voeten aan het kruis en de armen gespreid. De stigmata aan zijn handen (Johannes 20:25) kunnen erop wijzen dat hetzelfde ook gebeurde met zijn handen. Dit alles zou ook betekenen dat Jezus aan een samengesteld kruis werd gekruisigd en niet simpelweg aan een rechtopstaand crux simplex, zoals sommige geleerden hebben proberen aantonen. De Alexamenos-grafitto, een mogelijke afbeelding van Jezus’ dood gevonden in de buurt van de Palatijnse heuvel in Rome en waarschijnlijk stammend uit de 3de eeuw n.C., lijkt dit te bevestigen, hoewel ook hierover de meningen uiteenlopen.

Kruisigingsscène uit de film ‘The Passion of the Christ’ (2004) van Mel Gibson

Volgens Marcus (15:25) gebeurde de kruisiging van Jezus tijdens het derde uur (om ongeveer 9 uur ’s ochtends) en duurde zijn doodstrijd zes uur. Dat zou extreem lang zijn, tenzij een voet- of zitbank zou zijn gebruikt zodat het zuurstoftekort pas na enkele uren zou optreden. Johannes (19:14) beschrijft de uitvoering van de doodstraf aan het kruis op het zesde uur (rond de middag). Dat Christus met zijn laatste adem nog enkele woorden kon uitspreken lijkt onwaarschijnlijk en past vooral binnen de religieuze context van het messiasverhaal.

Nadien werd het lichaam van Jezus nog opgevraagd bij Pilatus. Zowel bij Matteüs, Lucas als Marcus vinden we het verhaal dat Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam te mogen begraven en dat de Romeinse prefect dit toestond. Het vervolg van het verhaal en Christus’ verrijzenis die elk jaar nog wordt herdacht met Pasen kennen we.

Conclusie

De kruisiging van Jezus was zowel een logische als een onlogische straf in het historische perspectief van het gebruik van deze executiemethode. Hoewel de Romeinen kruisiging niet hebben uitgevonden, hebben ze deze gruwelijke vorm van terechtstelling wel afgeleid van de methode om terdoodveroordeelden of reeds geëxecuteerde personen aan een paal te spietsen en geperfectioneerd. Deze zware straf werd normaal gezien enkel uitgesproken tegen slaven, vreemdelingen, revolutionairen of zware criminelen die geen Romeins burgerrecht bezaten (enkele uitzonderingen zoals deserteurs niet te na gesproken). Ook na Jezus kennen we nog verschillende voorbeelden van gekruisigde christenen, van wie sommigen zoals de apostelen Petrus en Andreas later ook heilig werden verklaard.

Zoals uit de literaire bronnen blijkt, was kruisiging ook een manier om een veroordeelde te vernederen – een teken van schande – en zwaar te doen afzien tijdens het volledige proces. In de meeste gevallen zal een combinatie van zuurstoftekort, wonden opgelopen bij het martelen voor de executie en andere lichamelijke verschijnselen ten gevolge van het kruisigen tot de dood hebben geleid. In Jezus’ geval kunnen we ervan uitgaan dat hij een te grote politieke tegenstander (verzwaard door zijn voorstelling als ‘Koning der joden’) van zowel de heersende Joodse klasse als de Romeinen zal zijn geworden, waarna ook tegen hem de doodstraf door kruisiging werd uitgesproken. Over de details van de kruisiging, net zoals over de methode zelf, heerst nog veel controverse, gaande van het gebruikte materiaal tot de exacte omstandigheden.

Uiteindelijk zou het nog duren tot Constantijn de Grote aan het begin van de 4de eeuw n.C. kruisiging als executiemethode zou verbieden. Dit verbod, waarvan geen edict is teruggevonden, maar enkel een passage bij Sozomenus (Historia Ecclesiastica I,8,13), werd volgens de historiograaf Aurelius Victor (De Caesaribus, XLI,4) meer ingegeven door des keizers menselijkheid, dan door religieuze overtuigingen. De christelijke bekeerling, astroloog en schrijver Firmicus Maternus, een tijdgenoot van Constantijn die nog schreef onder diens opvolgers, gebruikt in zijn voorspellingen kruisiging als voorbeeld van een traditionele doodstraf (Mathesis VIII,7; VIII,25). De duidelijkste wettekst die een verbod instelt op kruisigingen is de codex van keizer Theodosius II (Codex Theodosianus), die werd uitgevaardigd in 438/439 n.C., meer dan een eeuw later dan keizer Constantijn, hoewel de doodstraf in gebruik bleef voor slaven die tegen hun meester samenzwoeren (IX,5,1,1). In sommige landen in het Midden-Oosten bestaat kruisiging als executiemethode ook nog vandaag de dag.

Lees meer

Cook, J. G. (2014), Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen.

Hengel, M. (1977), Crucifixion in the Ancient World and the Folly of the Message of the Cross, Philadelphia.

Kuhn, H.-W. (1982), “Die Kreuzesstrafe während der frühen Kaiserzeit. Ihre Wirklichkeit und Wertung in der Umwelt des Urchristentums” in ANRW II/25.1, pp. 648-793.

Robison, J. C. (2002). “Crucifixion in the Roman World: The Use of Nails at the Time of Christ.” Studia Antiqua 2.1.

Samuelsson, G., (2013), Crucifixion in Antiquity. An Inquiry into the Background of the New Testament Terminology of Crucifixion (2nd edition), Tübingen.

Coverfoto: schilderij ‘De kruisiging’ door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447), uit het Rijksmuseum

Update I: dit artikel werd begin 2020 aangevuld met het archeologisch bewijs uit Gavello na de wetenschappelijke publicatie in: Gualdi-Russo, E. et al. (2019), “A multidisciplinary study of calcaneal trauma in Roman Italy: a possible case of crucifixion?” in Archaeological and Anthropological Sciences 11, pp. 1783–1791.

Update II: dit artikel werd in december 2021 aangevuld met nieuw archeologisch bewijs uit Cambridgeshire dat werd gepubliceerd in: Ingham, D. & Duhig, C. (2021), “Crucifixion in the Fens: Life and Death in Roman Fenstanton” in British Archaeology Magazine, January | February 2022.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/feed/ 1 779