Fulvia Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/fulvia/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Thu, 29 Dec 2022 15:59:25 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Fulvia Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/fulvia/ 32 32 136391722 Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/#respond Thu, 08 Mar 2018 14:47:27 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=700 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Sinds 1908 en de staking van een groep vrouwen in New York staat 8 maart in het teken van Internationale Vrouwendag. Tijd om ook eens te kijken naar befaamde vrouwen uit de Oudheid, waar weinig antieke vrouwen zoveel politieke invloed hadden als Fulvia. Lees hier een uitgebreid portret van deze intrigerende dame.

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Weinig antieke vrouwen hadden zoveel politieke invloed als Fulvia Flacca Bambula. Door haar drie huwelijken, telkens met een belangrijke politicus, was zij nauw betrokken bij de strijd om de macht in de woelige 1ste eeuw v.C. Fulvia is minder bekend – thanks, HBO – maar zeker niet minder fascinerend dan illustere tijdgenotes als Cleopatra of Octavia. Zo was ze de eerste sterfelijke vrouw die op een Romeinse munt opdook. Haar invloed was de toekomstige keizer Augustus zo’n doorn in het oog dat hij in zijn pen kroop om een vulgair epigram te schrijven om haar te belasteren. Later is ze dan ook vooral bekend geworden voor de scène waarin ze uit wraak haarspelden door Cicero’s tong gestoken zou hebben.

Fulvia en het hoofd van Cicero: vol verwachting houdt ze in dit schilderij van Maura y Montaner de haarspelden in de aanslag.

In moderne tijden groeide Fulvia als sterke vrouw uit tot een icoon van het feminisme. In de Oudheid werd haar politieke en vermeende militaire optreden haar echter niet in dank afgenomen door de geschiedschrijvers, niet toevallig mannen uit de gegoede klasse. Zij schetsen het beeld van een dominante, hebzuchtige en wrede ‘virago‘, een vrouw die alle gendergrenzen overschrijdt. Dit onfraaie beeld leert ons weliswaar veel over hoe hevig (mannelijke) Romeinen reageerden op vrouwen die zich in de publieke ruimte waagden, maar het betekent ook dat het moeilijk is om uitspraken te doen over de historische Fulvia, wat op zichzelf natuurlijk veelzeggend is. Laat ons toch een poging ondernemen.

Vrouwen in de Late Republiek

Net als ieder ander was Fulvia een kind van haar tijd, en haar lotgevallen kunnen niet los gezien worden van de uitzonderlijke omstandigheden waarin ze leefde. Traditioneel hadden Romeinse vrouwen weinig rechten. Ze mochten niet stemmen, hadden niet het recht in beroep te gaan en wettelijk gezien waren ze eeuwig minderjarig en dus onderhevig aan de voogdij van een mannelijke verwant. Ten gevolge van de burgeroorlogen van de 1ste eeuw v.C. kwam er verandering in de situatie van de Romeinse vrouw. Door de lange afwezigheid of zelfs de dood van vele mannelijke familieden was er op het thuisfront geen machtige pater familias meer. Bovendien waren er vaak meerdere generaties van mannen bij het krijgsgebeuren betrokken, waardoor vrouwen grote sommen geld erfden. Vooral vrouwen uit de hogere klassen, zoals Fulvia, maakten van deze situatie gebruik om zich meer te laten gelden in de publieke sfeer.

Voor Romeinse vrouwen was het devies sois belle et tais-toi

Het bewogen leven van Fulvia

We ontmoeten Fulvia voor het eerst in 60 v.C., bij haar eerste huwelijk met de beruchte demagoog Clodius, bekend van zijn bittere vete met Cicero. Haar eerste publieke optreden vond plaats op de begrafenis van Clodius, die tijdens een gewelddadige confrontatie – hoe kon het ook anders in de 1ste eeuw v.C. – vermoord was door de bodyguards van zijn politieke tegenstander Milo, een bekende scène voor wie in de middelbare school Latijn volgde. Minder bekend is dat Fulvia zijn lichaam door de straten van Rome droeg en zoveel misbaar maakte dat er rellen uitbraken en Clodius’ aanhangers hem prompt cremeerden, tezamen met het Romeinse senaatsgebouw. Fulvia slaagde er daarna in om de loyaliteit van Clodius’ medestanders vast te houden, en gecombineerd met haar aanzienlijk fortuin maakte dit haar tot een macht om rekening mee te houden. In 52 v.C. hertrouwde ze met Gaius Scribonius Curio, een andere vooraanstaande politicus uit de partij van Clodius en Caesar. Al snel kwam ook Curio echter op gewelddadige wijze aan zijn einde.

De Curia Iulia, de vervanger van de met Clodius in de vlammen opgegane Curia Cornelia

Het bekendst, of beruchtst, is Fulvia van haar derde huwelijk, met de triumvir Marcus Antonius. Gedurende de hele woelige periode 47-40 v.C. stond ze haar echtgenoot bij in diens strijd met Cicero en Octavianus, de toekomstige keizer Augustus. Vooral over deze periode zijn de bronnen heel negatief: zij zou uit eigenbelang haar man gedomineerd hebben, en hij zou met haar getrouwd zijn omwille van haar geld. Het koppel zou “provincies en koninkrijken bij opbod verkocht hebben”. Daarnaast zouden ze in grote mate verantwoordelijk geweest zijn voor de bloederige proscripties, waarbij vijanden van het triumviraat ter dood veroordeeld werden en hun bezit geconfisqueerd. Zo zou Fulvia volgens één bron haar buurman op de proscriptielijst geplaatst hebben, omdat die zijn huis niet aan haar had willen verkopen. Ook Cicero werd het slachtoffer van deze praktijk. Verder bemiddelde Fulvia meermaals direct bij de senaat wanneer die Antonius tot staatsvijand wilde uitroepen. Volgens Cassius Dio was zij de echte consul wanneer Antonius en Octavianus niet in Rome waren, eerder dan de verkozenen. Kortom, Fulvia was een bezige bij.

Het sluitstuk van Fulvia’s publieke carrière was de zogenaamde Perusinische Oorlog. In 41 v.C., toen Marcus Antonius zelf in het oosten was – en voor het eerst kennismaakte met Cleopatra! – verdedigde ze de belangen van haar echtgenoot, samen met diens broer Lucius, bij de verdeling van gronden aan veteranen in Italië. Dit leidde tot spanningen met Octavianus, die deze belangrijke groep ook aan zich wilde binden. Uiteindelijk mondden deze spanningen uit in een gewapend conflict. Volgens sommige latere bronnen voerde Fulvia in eigen persoon de troepen aan. Na enkele maanden moesten Lucius en Fulvia zich terugtrekken in Perusia, het huidige Perugia, dat daarop belegerd werd. Uitgehongerd gaven ze zich na een tijd over en Fulvia vluchtte naar Griekenland, waar ze door Antonius in de steek gelaten werd. Niet veel later stierf ze. Dit kwam goed uit voor Antonius en Octavianus, die de schuld voor hun conflict op Fulvia afschoven en aldus (voor even) vrede sloten.

Munt geslagen door Marcus Antonius. De voorzijde toont de gevleugelde godin Victoria, naar verluidt met de gelaatstrekken van Fulvia, maar de toeschrijving is onzeker

Een vernietigend portret

Hoe groot Fulvia’s rol in deze gebeurtenissen echt was, is moeilijk te bepalen. Dat heeft alles te maken met de bronnen die over haar schrijven. De bewaarde werken zijn namelijk zo goed als allemaal van de hand van auteurs die Fulvia en haar echtgenoten vijandig gezind waren. Tijdens haar leven schreef vooral Cicero over Fulvia. Cicero vocht bittere vetes uit met zowel Clodius als Marcus Antonius. Aan die laatste wijdde Cicero zijn Philippicae, een reeks beschadigende redevoeringen, en het is in deze teksten dat hij Fulvia opvoert als een wrede, hebzuchtige en dominante vrouw om de zwakte van Antonius te benadrukken. Anderzijds zag hij in Fulvia mogelijk ook de opvolgster van zijn rivaal Clodius.

Octavianus: niet zo deugdzaam als hij liet uitschijnen, maar wel een meesterlijk propagandist

Ook de propagandamachine van Octavianus werkte in die tijd op volle toeren. Via Martialis is er een epigram van Octavianus zelf overgeleverd waarin die refereert aan de affaire tussen Marcus Antonius en Glaphyra, de koningin van Cappadocië. De toekomstige keizer schrijft dat Fulvia hem dan voor de keuze stelde: eveneens ontucht plegen, of vechten. Octavianus laat ons daarop weten dat “zijn lul hem dierbaarder is dan zijn leven” en dat hij daarom het gevecht aangaat. De toekomstige keizer van Rome lijkt hier dus niet ver boven het niveau van de gemiddelde ‘online troll’ verheven geweest te zijn.

Dit negatieve beeld oefende een grote fascinatie en tegelijk ook afkeer uit op latere geschiedschrijvers, steevast mannen die tot de hogere klassen behoorden. Plutarchus, die in het algemeen al een vrij negatief vrouwbeeld had, noemt haar “een vrouwtje dat niet gaf om spinnen of huishoudelijk werk”, zij wilde “niet enkel regeren over een gewoon burger, maar heersen over een heerser en een commandant commanderen”. Volgens Paterculus “had zij niets van een vrouw, behalve het lichaam”. Cassius Dio gaat het verst in zijn negatieve typering, en het is aan hem dat we de scène met het hoofd van Cicero te danken hebben. Hij schrijft hierover:

Fulvia nam het hoofd in haar handen voor het werd weggehaald en begon er vreselijk tegen uit te varen. Ze zette het op haar knieën, maakte de mond open, trok de tong naar buiten en stak daar een van haar haarpinnen doorheen. Daarbij maakte ze ook nog allerlei smerige, sarcastische opmerkingen. (vertaling G. De Vries)

Fulvia: een “gevaarlijke” vrouw

Wat moeten we nu met de overgeleverde informatie? De bronnen zijn duidelijk gekleurd, en de auteurs gebruikten Fulvia elk voor hun eigen doeleinden. Haar dominante rol moest voor Cicero en Plutarchus in de eerste plaats de zwakte van Antonius in de verf zetten. Haar wreedheid vinden we dan weer terug in de passages over de proscripties. Door de rol van Octavianus’ tegenstanders uit te vergroten, wilden diens propagandisten, zoals Cassius Dio, de verantwoordelijkheid van de toekomstige keizer in deze pijnlijke gebeurtenissen verdoezelen. Bovendien komen vrouwen zelden toevallig voor bij de antieke auteurs. Zij waren moralistisch geïnspireerd en de vrouwen die ze opvoerden, fungeerden als voorbeelden van hoe het wel of – in dit geval – niet moest. Dit maakt het heel moeilijk om Fulvia’s ware rol in de gebeurtenissen te achterhalen.

Romeinse slingerkogel met inscriptie

Haar prominente aanwezigheid in de bronnen wijst er op zijn minst op dat Fulvia een bekend en invloedrijk figuur was. Dat ze zeker een rol gespeeld heeft, wordt ook aangetoond door archeologische bronnen. In de buurt van Perugia zijn slingerprojectielen opgegraven met obscene boodschappen – om de lezer gerust te stellen: af en toe schreven de Romeinen ook nog niet-obscene boodschappen – aan haar adres. Dit bewijst dat de vijandige soldaten haar goed genoeg kenden om zich rechtstreeks tot haar te richten. Stond zij werkelijk bevelen te roepen vanop de muren van Perugia, met het zwaard in de hand? Waarschijnlijk niet, maar het is wel aannemelijk dat zij haar politieke invloed aanwendde in de publieke ruimte.

 

Dat verklaart waarschijnlijk de hevige reactie van de antieke auteurs. Politieke en zeker militaire activiteiten waren typisch mannelijke prerogatieven, die de positie van de man in de maatschappij moesten legitimeren. Ook het publiek spreken was een belangrijk element van de mannelijke identiteit. Het beeld van een vrouw met te veel macht ondermijnde de sociale structuren en duidde op een maatschappij in crisis, wat de Romeinse mannen angst aanjoeg. Augustus’ agressieve epigram kan trouwens ook gelezen worden als een poging om zijn eigen mannelijkheid te bevestigen. Deze opvattingen leidden zeker bij de latere auteurs, die Fulvia’s werkelijke rol niet meer konden onderscheiden van de propaganda, tot uitingen van afkeer en tot het beeld van een dominant manwijf. In die latere tijden was er overigens geen ruimte meer voor zulke directe vrouwelijke invloed, een erfenis van Augustus’ hervormingen. De geschiedenis is dus geen lineaire vooruitgang naar een betere wereld voor iedereen. Dat besef is ook vandaag nog relevant, want er zijn nog steeds mannelijke stemmen die de vrouwelijke het liefst het zwijgen zouden opleggen.

Coverfoto: schilderij ‘Fulvia with the head of Cicero’ van Pavel Svedomsky (1849-1904) op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/feed/ 0 700
Waren de Romeinen koppensnellers? https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/#comments Fri, 09 Feb 2018 15:48:10 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=506 051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de "beschaafde" wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de “beschaafde” wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Decebalus en Trajanus

Grafstèle Tiberius Claudius Maximus waarop tweemaal een halsring (torquis) en een militaire armband (armilla) zijn afgebeeld

In 89 n.C. sloot keizer Domitianus een vredesverdrag met Decebalus, de nieuwe koning van Dacië, na een oorlog die vier jaar had geduurd. Decebalus werd een socius et amicus, een cliëntkoning van Rome. Als Trajanus in 101 n.C. keizer wordt, ontbrandt een nieuwe oorlog, waarbij de Romeinen voor het eerst de Donau oversteken. Decebalus wordt verslagen, zijn soldaten plegen collectief zelfmoord als de hoofdstad Sarmizegatusa wordt ingenomen. Decebalus ontsnapt eerst nog, maar wordt dan in het nauw gedreven en pleegt op zijn beurt zelfmoord.

De feiten kennen we uit Cassius Dio (68.14.3) en uit de inscriptie van Tiberius Claudius Maximus, de onderofficier (‘duplicarius) die Decebalus had gevangengenomen. Als beloning “quod cepisset Decebalum et caput eius pertulisset ei Ranisstoro” wordt Maximus bevorderd tot decurio en ontvangt hij twee torques et twee armillae. Die laat hij afbeelden op de stele, onder een scène waarin hij te paard toestormt op de stervende Decebalus (herkenbaar aan zijn typisch Thracische helm en zeshoekig schild), die zijn zwaard laat vallen.

De gevangenname van de koning wordt ook afgebeeld op de beroemde zuil van Trajanus in Rome (scène 145).

Decebalus, omsingeld door Romeinse soldaten, staat op het punt zich de keel over te snijden met zijn Dacische kromzwaard (‘falx’).

Maximus preciseert in zijn inscriptie dat hij het hoofd van Decebalus naar Ranisstorum heeft gebracht, waar de keizer ongetwijfeld verbleef; volgens Dio werd het hoofd zelfs naar Rome overgebracht. In 107 n.C. viert Trajanus daar zijn grote triomf, met 123 dagen spektakels, waarbij 11000 dieren en 10000 gladiatoren betrokken waren (Cassius Dio 68.15.1). Bij die gelegenheid ontvangt hij de eretitel ‘Dacicus’, overwinnaar op de Daciërs.

Onthoofding van de vijand en uitstalling van zijn hoofd als trofee is niet alleen een bewijs dat hij fysiek is geëlimineerd, maar ook een symbool van de totale overwinning. Het werd door de Romeinen niet gezien als een barbaars gebruik -zoals wij dat nu aanvoelen bij de gruweldaden van IS– maar als een uitzonderlijke bestraffing (denken we maar aan Catilina of aan de proscripties), zeker in oorlogsomstandigheden. Op de zuil van Trajanus, bijvoorbeeld, tonen niet minder dan zes scènes hoofden van vijanden. Gewoonlijk worden deze hoofden gepresenteerd aan de overwinnaar-opperbevelhebber, in het geval van Decebalus eerst in Dacië zelf, in aanwezigheid van de troepen (scène 147 op de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten[1]), en later nog eens in Rome. Daar werd het, volgens een later Byzantijns historicus, op een piek geplaatst in het midden van de stad, om te eindigen op de ‘scalae Gemoniae’ (in 106 n.C.), de trappen bij de Tarpeïsche rots en het Capitool[2]. Dit was alleen maar mogelijk als het hoofd eerst behandeld was om het te bewaren[3].

Scène 147 van de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten

Cicero en Marcus Antonius

19de eeuwse voorstelling op een folio van de moord op Cicero

In 43 v.C. grijpen Marcus Antonius, Octavianus en Lepidus de macht in Rome met het zogenoemde tweede triumviraat, dat officieel wordt bekrachtigd door de ‘Lex Titia’ op 27 oktober. Onmiddellijk worden de voornaamste tegenstanders, niet alleen de Caesarmoordenaars Brutus en Cassius, maar ook een driehonderd vooraanstaande politici die in Rome waren gebleven, buiten de wet geplaatst, en een premie van 25000 drachmen wordt op hun hoofd gezet. Op aandringen van Marcus Antonius komen ook Cicero en zijn broer Quintus en diens zoon op de lijst te staan. Cicero, die op dit moment in Tusculum verblijft, probeert nog te ontsnappen naar Brutus in Macedonië maar wordt op 7 december gevat door een detachement onder leiding van Popilius Laenas en gedood. De episode wordt uitvoerig beschreven door Plutarchus (Cicero 47-49) en Appianus (Historiae 4.19-20). Als Cicero de centurio Herennius ziet naderen, geeft hij zijn slaven bevel zijn draagstoel neer te zetten en steekt zelf zijn nek uit de draagstoel. Als hoofd en hand van Cicero in Rome aan Antonius worden getoond, zegt hij: “laat de proscripties nu maar ophouden”. Het hoofd en de handen (of, volgens andere bronnen, de rechterhand), laat hij op de tribune leggen boven de rostra, een schouwspel dat de Romeinen angst moet aanjagen.

Waren de Romeinen koppensnellers?

“Koppensnellen is het afsnijden en meenemen van iemands hoofd na die persoon te hebben gedood. Dit proces werd in oude tijden in veel culturen toegepast, waaronder China, India, Nigeria, Nurestan, Myanmar, Borneo, Indonesia, de Filipijnen, Taiwan, Japan, Micronesië, Melanesië, Nieuw-Zeeland en het Amazonebekken. Het behoort tot de oudste rituelen ter wereld. (Wikipedia)

Voor de Oudheid wordt dit gebruik zoals gedefinieerd door Wikipedia vaak toegeschreven aan de Kelten, door antieke auteurs, maar ook door moderne geleerden[4]. Dit gaat zover dat passages in Latijnse teksten waar Romeinse soldaten de hoofden van vijanden als trofee meenemen vaak worden toegeschreven aan “hulptroepen” of aan de barbaarse omgeving waarin de militairen verbleven. Wanneer Caesar in 46 v.C. de hoofden van soldaten die een te groot deel van de buit opeisten laat vastspijkeren op de poort van het kamp, beoordeelt Rambaud dit in zijn boek ‘César als “rude maintien de la discipline, utile avec des légionnaires que je crois Gaulois et habitués à chasser des têtes.”

Munt van Marcus Sergius Silus uit de late 2de eeuw v.C.

Maar ook bij de Romeinen was onthoofding van tegenstanders welbekend en in bepaalde situaties wijd verspreid. In 1964 verzamelde J.-L. Voisin een vijftigtal voorbeelden uit literaire teksten (met uitsluiting van onthoofding op basis van een gerechtelijk vonnis), een tiental archeologische getuigenissen, zoals de zuil van Trajanus of de triomfboog van Orange en enkele grafmonumenten van soldaten, en zelfs een munt uit de late tweede eeuw v.C., waar een ruiter zwaait met een afgehouwen hoofd[5].

Het doden van een vijand en het afhouwen van zijn hoofd zijn twee verschillende zaken. Denken we bijvoorbeeld aan David, die Goliath doodt met zijn slinger, en dan pas zijn hoofd afhakt. Iemands hoofd afhakken is geen simpele taak, zelfs niet als die persoon gebonden is en zijn hoofd op een kapblok ligt. Meer dan eens moest de beul zijn bloedig handwerk in meerdere keren voltooien; in die zin was de guillotine eigenlijk humaner dan de bijl. Met een zwaard is het nog moeilijker om in één houw een hoofd af te hakken, zeker als de tegenstander rechtop staat[6]. Uiteindelijk lukt dit alleen in de oudste half-mythologische voorbeelden of met medewerking van het slachtoffer, zoals Caius Cassius, die na de slag bij Philippi “een capuchon over zijn hoofd trok en zonder vrees zijn nek voorhield aan een vrijgelatene” (Vell. Pat. 70, 2).

In de vroege republiek (tot de Punische oorlogen) zijn het bijna uitsluitend buitenlandse vijanden die worden onthoofd, meestal na een tweegevecht. In die periode zijn de killers ook leden van voorname Romeinse families (te beginnen met Romulus): het doden van een vijand brengt roem voor de soldaat en voor zijn familie. Vanaf de tweede eeuw zijn het vooral naamloze soldaten die hoofden afhakken. Dit blijft zo wanneer ten gevolge van de Burgeroorlogen voornamelijk Romeinse burgers slachtoffer worden van die praktijk. De afgehakte hoofden leveren een flinke premie op voor diegene die ze meebrengt (niet altijd de moordenaar) en kan laten zien aan Sulla, Antonius, Caligula of Nero. Galba werd in 69 n.C. vermoord, maar men had zijn lijk laten liggen. Een passerend soldaat hakte het hoofd af en incasseerde de premie[7]. In het geval van Caius Gracchus (121 v.C.) werd als prijs zelfs het gewicht van zijn hoofd in goud uitgeloofd. De moordenaar, Septimuleius, vond er dan niets beter op dan de hersenen uit het hoofd te verwijderen en de schedel op te vullen met lood[8]. Bij zijn campagne tegen de Germanen (278 n.C.) loofde, volgens de ‘Historia Augusta‘ (Probus 14) keizer Probus één goudstuk uit voor elk afgehouwen hoofd.

De hoofden waren belangrijk als bewijs dat een tegenstander wel degelijk was geëlimineerd. Ze waren een symbool van de totale overwinning, waarbij de vijanden werden gedemotiveerd (zoals in het geval van Decebalus of bij de proscripties). Zo liet Caesar bij het beleg van Munda rond de stad een palissade oprichten met de hoofden van de gedode vijanden gericht naar de stad, waar de aanhangers van Pompeius zich hadden verschanst, “zoals de Galliërs dat doen” (Bell. Hisp. 32, 2). In 38 v.C. wordt het hoofd van de Parthische koning Pacorus geshowd in alle steden die van Rome waren afgevallen en zo wordt het gebied zonder strijd heroverd (Florus, Epitome 2, 19, 7). Na Nero’s dood werd hij op eigen verzoek verbrand; daarna stonden nog drie valse Nero’s op; als men zijn hoofd had laten zien, zou dit niet zijn gebeurd. Ook daarvoor dienden de hoofden van usurpatoren wier poging mislukt was, zoals Pescennius Niger (voor de muren van Byzantium door Septimius Severus). Nog in 313 n.C. laat Constantijn het hoofd van Maxentius meevoeren in zijn triomftocht, als een van de grote attracties (Paneg., 10, 31, 4).

Pacorus (voor zijn onthoofding)

Soms wordt het hoofd ook postuum nog mishandeld. Hierbij speelt wraak een rol. Een bekend voorbeeld is Galba, wiens hoofd in 69 n.C. door de knechten en staljongens op de punt van een lans werd rondgedragen in het kamp, terwijl ze riepen “Galba, mijn hartedief, geniet toch van je jeugd.” (Suetonius, Galba 20) De vrijgelatene Patronius kocht het hoofd om het te plaatsen waar zijn patronus eerder door Galba was terechtgesteld.

 

Galba (voor zijn onthoofding)

Onthoofding had ook een religieuze dimensie. Bij een juridische executie kreeg de familie het lichaam en het hoofd terug en kon een normale begrafenis plaatshebben, maar niet bij een onthoofding ter plekke: de dode kan nergens rust vinden.

Koppensnellen was dus wel degelijk een geaccepteerde en zelfs geïnstitutionaliseerde praktijk in het antieke Rome, ook al was ze beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden (burgeroorlog en buitenlandse oorlogen) en gericht tegen leiders van de oppositie, niet tegen alle vijanden (zoals blijkbaar bij de Kelten). Wanneer ze toch wordt veroordeeld als een vorm van crudelitas, dan is het omwille van passionele overdrijvingen tegenover de dode. Zo wordt Marcus Aurelius geprezen omdat hij het hoofd van Avidius Cassius, door hem geëist, niet wil zien, terwijl Marius, die in 87 v.C. met overdreven genoegen het hoofd van Marcus Antonius – de grootvader van de gelijknamige triumvir – had beledigd, gebrek aan zelfbeheersing wordt verweten. Hier speelt het motief van het afgehouwen hoofd op de feesttafel een rol: niet alleen bij Herodes met het hoofd van Johannes de Doper of heer Halewijn (“en het hoofd werd op de tafel gezet”), maar ook bij de triumvir Marcus Antonius. Sommigen linken dit zelfs aan kannibalisme. Ook grapjes ten koste van de overleden vijand worden niet geapprecieerd, zoals in het geval van Nero, die lacht met de lange neus van Rubelius Plautus, of Fulvia, de echtgenote van Marcus Antonius, die een speld steekt door de tong van de dode Cicero. Augustus daarentegen laat het hoofd van Brutus, die zelfmoord pleegde na de slag bij Philippi, naar Rome brengen en voor het beeld van de vergoddelijkte Caesar leggen, en dit leek wel aanvaardbaar voor antieke bronnen.

Svedomsky: Fulvia met het hoofd van Cicero

[1] De rechterhand werd ongetwijfeld afgehakt als getuigenis van de trouweloosheid (‘perfidia) van Decebalus, die zijn verbond met Rome had geschonden. Ook in Xenophons ‘Anabasis’ worden hoofd en rechterhand van Kyros na zijn dood in Kynaxa afgehakt (Anabasis 1 10.1).

[2] Dit is waarschijnlijk zelfs overgeleverd op een fragmentje van de ‘Fasti Ostienses’, Inscr. Ital. XIII.1, pp. 198-199 : [caput] Decibali [- –  in sca]lis Gemoni[is iacuit].

[3] En vrij gedetailleerde beschrijving vind men bij Lucanus, Pharsalia, 687-691, betreffende het hoofd van Pompeius, gedood bij zijn landing in Egypte, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“Met een gruwzame ingreep heeft men het bloed uit het hoofd verwijderd en tevens de hersens, de huid wordt gedroogd, men laat rottend vocht uit de binnenste holtes wegstromen en het gezicht maakt men met een inspuiting duurzaam.”

[4] Bv. P. Lambrechts, L’exaltation de la tête dans la pensée et dans l’art  des Celtes, Brugge, 1954.

[5] J.-L. Voisin, Les Romains, chasseurs de têtes, in: Du chatiment dans la cité. Supplices corporels et peines de mort dans le monde antique, Rome 1984, pp. 241-292.

[6] Een gruwelijke illustratie hiervan vindt men bij Lucanus, Pharsalia, 670-674, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“De woeste Septimius ontdekte bij de uitvoering van zijn misdaad (de moord op Pompeius) een nog grotere misdaad:  hij scheurde de toga open, ontblootte het eerbiedwaardig gezicht van de stervende Magnus, grijpt diens nog ademend hoofd en legt de verslappende nek op de zijwaarts geplaatste roeibank. Dan snijdt hij de spieren en aderen door, geruime tijd breekt hij nek en gewichten; er bestond geen kunst van onthoofding met één slag”.

[7] Suetonius, Galba 20: “Galba werd vermoord bij de Curtiusvijver en men liet hem liggen zoals hij lag. Een gewone soldaat, die toevallig terugkwam van de graanbedeling, zette zijn rantsoen op de grond en hakte het hoofd af van het lijk. Omdat er geen haar op stond om het vast te houden, borg hij het hoofd eerst in een plooi van zijn mantel; daarna stak hij zijn duim in de mond en droeg het zo naar Otho.”

[8] Men kan dit in detail lezen bij Plutarchus, C. Gracchus, 17, 5.

Coverfoto: afbeelding ‘Die Reliefs der Traianssäule, Tafel LI’ van Conrad Cichorius (1896) op Wikimedia

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/feed/ 1 506