bedoeïenen Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/bedoeienen/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 02 Jan 2026 15:57:08 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png bedoeïenen Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/bedoeienen/ 32 32 136391722 Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/ https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/#respond Sun, 28 Dec 2025 18:36:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2770 De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Het Katharinaklooster in Sinaï kent een rijke manuscriptentraditie met teksten zoals de Codex Sinaiticus. Centraal in deze blogpost staan de Schotse tweelingzussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson, die eind 19de eeuw baanbrekend werk verrichtten in de ontdekking, documentatie en publicatie van vroege Syrische en Aramese bijbelhandschriften.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Kort na 550 n.C. liet keizer Justinianus een klooster bouwen in de buurt van de berg Horeb in Sinaï, waar Mozes meer dan 2000 jaar eerder van Jahweh in het brandend braambos de Wet der Tien Tafelen (de 10 geboden) had ontvangen. De plaats was toen al een paar eeuwen heilig en werd bewoond door tientallen eremijten, die vaak door de Bedoeïenen werden lastig gevallen en daarom de keizer hadden verzocht om een versterkte woonplaats voor hen te bouwen. Dit klooster, heden UNESCO Werelderfgoed, is zo goed als ongeschonden bewaard en wordt vandaag nog steeds bewoond door Griekse monniken. In de 10de eeuw werden de relikwieën van de heilige Katharina, die in Alexandrië was terechtgesteld tijdens de grote vervolging van keizer Diocletianus in 307 n.C., naar dit klooster overgebracht, en hiervan getuigt de naam Katharinaklooster (ook wel gekend als het Sinaï-klooster of Sint-Catharinaklooster).

Het Katharinaklooster

Het Katharinaklooster in Sinaï

Al vanaf de 4de eeuw n.C. was de heilige berg van Mozes een aantrekkingspunt voor pelgrims die van Jeruzalem naar Egypte gingen en de 3000 treden van de boeteweg tot boven de berg wilden beklimmen. Bij hun tocht konden ze ook de rots bezoeken waaruit Mozes water had doen ontspringen en de kapel op het plateau waar Jahweh was verschenen aan Elias. In latere tijden kwamen ook Syrische, Arabische en Georgische monniken zich hier vestigen. Het ging wel steeds om orthodoxen, voor wie Christus twee naturen bezit, een goddelijke en een menselijke, die op mysterieuze wijze met mekaar vermengd zijn, niet om miafysieten, voor wie Christus maar één god-menselijke natuur heeft, die op mysterieuze wijze is samengesteld. Het Katharinaklooster was een orthodoxe Griekse enclave in het miafysitische, Koptische en later Islamitische en Arabische Egypte. Wel is er in de 11de eeuw ook een kleine moskee gebouwd binnen de kloostermuren. Van de 17de tot de 19de eeuw werd het klooster vaak door de Russische tsaar begiftigd met geschenken.

Icoon ‘De geestelijke ladder’ uit het Katharinaklooster, gemaakt in de 12de eeuw

Het klooster bevat heel wat prachtige mozaïeken, fresco’s en iconen, verspreid over vele eeuwen, maar is toch vooral beroemd om zijn bibliotheek met honderden handschriften in het Grieks (meer dan 2000), Syrisch (300), christelijk Arabisch (700), Georgisch (100) en Slavisch (40), sommige rijkelijk verlucht. Het beroemdste manuscript van de bibliotheek is ongetwijfeld de ‘Codex Sinaiticus’ [TM 62315], met een volledige tekst van het Oude en het Nieuwe Testament, uit de 4de eeuw n.C., één van de drie basisteksten voor onze kennis van de Griekse bijbel.

De meer dan 400 perkamentbladen van 34 op 38 centimeter zijn telkens beschreven in vier kolommen in zeer regelmatige hoofdletters, alle woorden zonder spatie aan mekaar (scriptio continua). Het grootste deel van de codex werd door de Duitse geleerde Konstantin von Tischendorf in de periode 1844-1859 “geleend” en meegenomen naar Duitsland. Een veertigtal folio’s bleven in Leipzig, maar het grootste deel bood hij aan als geschenk aan de Russische tsaar Alexander II, één van de sponsors van het klooster. De lening werd een schenking en de codex bleef achter in Sint-Petersburg.

In 1933 verkocht de Sovjet-regering van Stalin de codex aan het British Museum voor 100 000 pond. Later, in 1975, ontdekte men in het klooster een geheime bergplaats, met daarin onder andere een twintigtal folio’s van de codex, zodat de monniken toch nog een stukje van het manuscript hebben. Een reconstructie van de hele codex , waarbij de verschillende instituten voorbeeldig hebben samengewerkt, kan je nu gelukkig online consulteren.

Een ingebonden versie van de Codex Sinaiticus uit de British Library

De Schotse tweelingzussen Smith

In 1866 sterft onverwacht de Schotse miljonair John Smith. Hij laat een tweeling achter, Agnes (later Smith Lewis) en Margaret (later Dunlop Gibson), twee dochters van 23 jaar. De meisjes hadden onderricht gekregen van hun vader (want hun moeder stierf kort na de geboorte). Ze zijn gelovige presbyterianen (calvinisten) en trots op hun Schotse afkomst en accent. Ze spreken wel vloeiend Frans, Duits en Italiaans en hebben met hun vader een flink deel van Europa gezien. In het spoor van hun overleden vader plannen ze een grote reis, naar Egypte en het Heilige Land, zonder mannelijke begeleider, wat nogal wat wenkbrauwen doet rijzen. Ze varen de Nijl op, over de cataract van Aswan – er was toen nog geen dam – helemaal tot Aboe Simbel, enkele maanden voor de opening van het Suezkanaal. Daarna bezoeken ze ook nog Jeruzalem, een tegenvaller wegens al die orthodoxe en katholieke rituelen. Ze vertrekken in december 1868 en blijven een heel jaar in het Nabije Oosten.

De gezamenlijke woonst van de twee zussen Smith, Castlebrae in Cambridge

Bij hun terugkeer vestigen ze zich in Londen. Agnes publiceert in 1870 een reisverslag, dat goed wordt ontvangen, en ook twee romans. Ze studeren ook Grieks, oud en modern, en in 1883 ondernemen ze een reis naar Griekenland, opnieuw met hun tweetjes. Margaret huwt nog datzelfde jaar, en Agnes gaat voor het eerst alleen op stap, naar Cyprus en Caïro, waar ondertussen de Engelsen de controle hebben verworven. Drie jaar later sterft Margarets man en de zussen worden herenigd. Het huwelijk van Agnes met de rijke en energieke Samuel Lewis in 1887 maakt hieraan geen einde, want na de wittebroodsweken trekt Margaret in bij het echtpaar in Cambridge, waar ze een imposant huis laten bouwen en belangrijke gasten ontvangen, want professor Lewis was een socialite (een man uit de Britse bovenklasse of society).

Door de onverwachte dood van Lewis in 1891 zijn de zusters echter weer op elkaar aangewezen, voor de rest van hun leven. Dankzij Lewis is Agnes nu ook geïnteresseerd in antieke kunstobjecten en manuscripten en heeft ze ook Syrisch gestudeerd – “niet zo moeilijk als je Hebreeuws en Arabisch kent” – want in die taal zijn bijbelvertalingen bewaard uit een heel vroege tijd. Hier speelt de kennismaking met Rendell Harris, een Quaker, een rol. Deze geleerde, eerst hoogleraar in wiskunde, later in Hebreeuws en Syrisch, had namelijk in het Katharinaklooster een Syrisch manuscript ontdekt met de apologie van Aristides, een Atheense auteur – en later heilige – die zich in de 2de eeuw n.C. tot het christendom had bekeerd [TM 115189]. Het werk wordt vermeld in de kerkgeschiedenis van Eusebius (eerste helft 4de eeuw), maar de echtheid ervan werd betwijfeld tot Rendell Harris deze Syrische vertaling publiceerde.

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)© Westminster College, Cambridge

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)

Syrische manuscripten

In 1892 trekken de zussen dus naar Sinaï met als doel de vele Syrische manuscripten die Rendell Harris niet had kunnen inkijken te bestuderen en te fotograferen. Ze sleuren een enorm fototoestel mee op hun tocht, waarvan het laatste deel op kamelen, en kunnen aanbevelingsbrieven voorleggen van de universiteit van Cambridge (voor de bisschop die permissie moet geven voor hun bezoek) en van Rendell Harris, die in het klooster vrienden had gemaakt onder de monniken. Weinig mensen geloofden dat twee vrouwen tot het klooster zouden worden toegelaten waar von Tisschendorf de boel verpest had door zijn optreden 25 jaar voordien. Maar ze slagen erin het vertrouwen te winnen van vader Galakteon, de bibliothecaris, en inzage te krijgen in de oude Syrische manuscripten.

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex© Westminster College, Cambridge

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex

Eén manuscript bevatte de levens van vrouwelijke heiligen [TM 117947], maar was geschreven op perkamentbladen die waren afgewassen. Onder de heiligenlevens, waarvan sommige – bijvoorbeeld over hoe een vrouwelijke heilige erin slaagt haar maagdelijkheid te bewaren tussen de hoeren – nogal pikant, herkende Agnes een evangelietekst in twee kolommen [TM 117850]. Deze palimpsest was duidelijk heel oud, want de heiligenlevens zijn gedateerd in 698 n.C. en de onderliggende evangelies waren duidelijk eeuwen ouder. Ze fotografeerde meer dan 300 pagina’s van dit manuscript en op de foto’s was, bij hun terugkeer in Cambridge, de onderliggende tekst behoorlijk goed te lezen. Het ging om een heel vroege Syrische vertaling, waarvan tot dan toe slechts één kopie was bewaard.

Alle andere Syrische evangelies bevatten de zogenaamde Pesjitta-vertaling, die pas later tot stand kwam. Zo ontbreekt in het Sinaï-manuscript het einde van het Marcusevangelie met de verschijning van de verrezen Jezus aan Maria Magdalena, zoals ook in twee heel oude Griekse vertalingen. Marcus eindigt met de vrouwen die verbijsterd bij het graf staan. Wellicht zijn die laatste woorden in Marcus een latere toevoeging aan het oudste evangelie, maar voor de diepgelovige zussen was de afwezigheid geen probleem (de andere evangelies vulden dit wel aan), maar vooral een bewijs voor de vroege datum van hun vondst.

In 1893 zijn ze terug in Sinaï, in het gezelschap van Rendell Harris en twee professoren die gespecialiseerd zijn in het Syrisch (vrouwen kunnen in Cambridge nog geen academische posities krijgen en zelfs geen universitair diploma behalen) om het origineel helemaal te ontcijferen en te fotograferen. Deze expeditie eindigt in geruzie, maar toch slagen ze erin om gezamenlijk de tekst te publiceren eind 1894. Het wordt een succes, ook al omdat er voor de journalisten een mooi verhaal aan vasthangt over de vrouwelijke ontdekkers van het manuscript.

Meer manuscripten en palimpsesten

Tijdens hun vele reizen kochten de zussen ook her en der manuscripten. In 1896 kwamen ze terug met een aantal Hebreeuwse teksten, die ze aanvankelijk niet als bijzonder belangwekkend beschouwden. Ze toonden ze aan Solomon Schechter, een orthodoxe Jood maar toch ook een vriend des huizes, en die identificeerde één fragment als het Hebreeuwse origineel van de Wijsheid van Jezus Sirach (ook bekend als Ecclesiasticus). Dit boek was tot dan toe alleen in het Grieks bewaard en daarom als niet authentiek afgewezen door de Joodse en protestantse theologen. Dit zette Schechter ertoe aan om in Caïro te zoeken naar de herkomst van die Hebreeuwse fragmenten. Hierbij stootte hij op de genizah in de synagoge van Oud-Caïro, een bewaarplaats van oude manuscripten die niet mochten worden vernietigd omdat de naam van Jahweh erin voorkwam (of kon voorkomen). Schechter verkreeg de hele collectie, meer dan 400 000 handschriften en gedrukte boeken, en nam die mee naar Cambridge, waar ze nu nog druk bezocht en bestudeerd wordt door Joodse geleerden. De helft van de teksten is nu trouwens online beschikbaar en biedt een ongelooflijk inzicht in het Middeleeuwse Caïro, en niet alleen de Joodse gemeenschap in de stad.

De Codex Climaci Rescriptus

Tijdens zo’n reis kochten de zussen in Caïro nog een ander manuscript, dat achteraf ook uit het Katharinaklooster afkomstig bleek, de ‘Codex Climaci Rescriptus’ [TM 140662]. In dit werk beschrijft Johannes, een abt van het klooster, hoe de menselijke ziel door ascese opgaat naar God, langs een ladder (klimax in het Grieks, scala in het Latijn, vandaar de titel van het werk ‘Scala Paradisi’) van de aarde naar de hemel. Heel wat gelovigen slagen niet en worden door de duivels naar de hel gesleept, zoals afgebeeld op het beroemde icoon uit het Katharinaklooster [zie afbeelding hierboven]. De codex bevat een Syrische vertaling van de Griekse tekst, die men kan dateren in de 9de of 10de eeuw, en werd in 1909 door Agnes Smith-Lewis uitgegeven.

De 146 folio’s van de codex zijn nagenoeg allemaal geschreven over een tiental uitgewiste oudere teksten, deels in het Grieks, maar vooral in het christelijk Palestijns Aramees. Deze vorm van Aramees-Syrisch was een later stadium van de taal (of het dialect) die door Christus zelf gesproken werd. De oudere teksten dateren uit de 5de of 6de eeuw en werden dus drie of vier eeuwen later herbruikt voor het ascetisch traktaat van Johannes. Agnes had vlug ook dat schrift en die taal geleerd en zorgde voor een eerste uitgave van deze voor haar bijzonder belangwekkende evangelies in de taal van de heiland zelf (hoewel ze wel realiseerde dat het ging om vertalingen van de Griekse basistekst).

Een palimpsest lezen is niet eenvoudig omdat het onderliggende schrift grotendeels is uitgewist en dan, na eeuwen, toch weer gedeeltelijk zichtbaar wordt. De paleografen uit de 19de en vroege 20ste eeuw gebruikten chemische stoffen om het schrift beter zichtbaar te maken en die beschadigden vaak het perkament, in dit geval echter zonder veel erg.

De manuscripten vandaag

Het door de zussen Smith gestichte Westminster College in Cambridge

Na de dood van de zussen in 1920 (Margaret) en 1926 (Agnes) werden ze begraven bij hun kortstondige echtgenoten. Hun manuscripten hadden ze nagelaten aan het door hen gestichte Westminster College, een college speciaal bedoeld voor de opleiding van presbyteriaanse geestelijken. Hoewel de zussen in Cambridge nooit een diploma – vrouwen waren uitgesloten tot 1948 – konden behalen, kregen ze wel eredoctoraten aan de universiteiten van Halle, Heidelberg, Dublin en St Andrews.

Tot verbijstering van mijn collega’s uit Cambridge heeft het college in 2009 het manuscript van de Codex Climaci Rescriptus laten veilen bij Sotheby’s. Voor ongeveer een half miljoen pond kwam het zo in handen van de familie Green, die het schonk aan het door hen opgerichte Museum of the Bible in Washington. Daar kan het nu bewonderd worden, en is het ook online gedeeltelijk beschikbaar. In een voorbeeldige internationale samenwerking tussen Cambridge, Washington en Sinaï worden nu de christelijke Palestijnse teksten stilaan opnieuw uitgegeven. Met de fotografische middelen waarover men heden beschikt, komt men, een eeuw na de pioniersarbeid van Agnes Smith Lewis – die dit zeker zou hebben geapprecieerd – toch weer een stukje verder. Het Latijnse motto boven de deur van het huis van de tweelingzussen Smith, Castlebrae in Cambridge, luidde niet voor niets: lampada tradam (“ik zal de fakkel doorgeven”).

Meer lezen

Dunlop Gibson, Margaret, How the Codex was Found: A Narrative of Two Visits to Sinai, from Mrs. Lewis’s Journals 1892-1893, Cambridge, 1893.

Soskice, Janet. The Sisters of Sinai: How Two Lady Adventurers Discovered the Hidden Gospels, New York, 2009.

Smith Lewis, Agnes. Apocrypha Syriaca. The Protevangelium Jacobi and transitus Mariae, with texts from the Septuagint, the Corân, the Peshiṭta, and from a Syriac hymn in a Syro-Arabic palimpsest of the fifth and other centuries, Londen, 1902.

Whigham Price, Alan. The Ladies of Castlebrae, Gloucester, 1985.

De bijzondere reisfoto’s van de zussen Smith zijn te bekijken op de website van de Cambridge Digital Library.

Coverafbeelding: Adaptatie van een dia waarop de zussen Smith met hun gezelschap uit Cambridge (en een lokale gids?) aan het rusten zijn tijdens hun reis in de Sinaï-woestijn, gedigitaliseerd door de Cambridge University Library Special Collections.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/feed/ 0 2770
Rondjes draaien in de woestijn https://www.oudegeschiedenis.be/04/09/2018/rondjes-draaien-in-de-woestijn/ https://www.oudegeschiedenis.be/04/09/2018/rondjes-draaien-in-de-woestijn/#respond Tue, 04 Sep 2018 14:05:04 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1018 Mons Claudianus

We stellen u voor: Philokles, een des grootsche persoonen der vaderlandsche geschiedenis Egyptens. Doet geen belletje rinkelen, zegt u? Dat kan, want de zaakjes waar Philokles zich mee bezig hield, waren namelijk niet allemaal even koosjer, en daarover wijden leerkrachten geschiedenis nu eenmaal niet graag uit.

Het bericht Rondjes draaien in de woestijn van Yanne Broux verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Mons Claudianus

Geachte liefhebbers van de hoogst verheven antieke cultuur, graag stel ik u vandaag voor aan niemand minder dan Philokles, een der grootsche persoonen der vaderlandsche geschiedenis Egyptens. Doet geen belletje rinkelen, zegt u? Kan ik mij voorstellen. De zaakjes waar Philokles zich mee bezig hield, waren namelijk niet allemaal even koosjer, en daarover weiden leerkrachten geschiedenis nu eenmaal niet graag uit.

Philokles, de filantroop

Philokles leefde ergens rond het einde van de 1ste en begin van de 2de eeuw n.C. aan de rand van de Egyptische maatschappij, letterlijk én figuurlijk. Op een pre-motorische jetski langs de oevers van de Nijl scheuren om indruk te maken op de plaatselijke tandeloze schones – al dat zand was écht niet goed voor het gebit! – was niet aan hem besteed. Hij bracht zijn leven namelijk door in de dorre Oostelijke Woestijn tussen de Nijlvallei en de Rode Zee. Dit gebied werd doorkruist door allerlei handelsroutes, en langs die routes bevonden zich op regelmatige afstand kleine Romeinse legerkampen.

Handelsroutes en Romeinse legerkampen in het Egyptische Oostelijke Woestijngebied©J.-P. Brun

Handelsroutes en Romeinse legerkampen in het Egyptische Oostelijke Woestijngebied

Deze kampen stonden mee in voor de bewaking van de handelskaravanen die regelmatig tochtjes maakten tussen Berenike en Myos Hormos aan de kust, en hoofdzakelijk Koptos aan de Nijl. Er lagen ook verschillende belangrijke steengroeves in dit gebied, die vooral door de keizers gebruikt werden om hun megalomane paleizen in Rome te versieren. Elk kamp werd bewoond door een handjevol soldaten die zich vaak maanden aan een stuk steendood – pun intended – verveelden. Veel meer dan een onverwachte bedoeïenenaanval nu en dan, viel er daar niet te beleven. Tot Philokles op het toneel verscheen.

Philokles was zelf geen soldaat, dus wat ging die kerel daar in godsnaam zoeken? Het leven is al zo kort, en was 2000 jaar geleden doorgaans nog korter dan nu. Maar onze dierbare Philokles was een gewiekst zakenman, en had al snel door dat er bij die vol heimwee wegkwijnende soldaatjes wel iets te rapen viel. Onder het motto “het leven is geen ponykamp, want zo’n beesten zijn te duur in Egypte”, sjorde hij heel zijn hebben en houden op de rug van zijn kameel, en vertrok naar het beloofde land.

De route door de Oostelijke Woestijn stond bekend om de handel met het Verre Oosten, van waar er allerlei exotische producten werd geïmporteerd. Maar Philokles ging het zo ver niet zoeken. Nee, hij stortte zich op een meer bescheiden marktsegment. Het leger voorzag de soldaten namelijk wel van basisproducten, zoals graan en wijn (brood werden ze geacht zelf te bakken, je kon dus maar beter wat patissier-skills in je vingertoppen hebben als je je aanmeldde voor legerdienst). Maar luxeproducten, zoals vlees en groentjes – jawel, dat lees je goed – moesten de soldaten zelf voorzien. En dat is nu eenmaal niet zo vanzelfsprekend wanneer je midden in de woestijn zit. Toen Philokles zich van dit gat in de Oostelijke Woestijnkampenmarkt bewust werd, begonnen de drachmen-tekens ongetwijfeld in zijn ogen te flikkeren.

Van a tot vlo

ostraca Philokles©A. Bülow-Jacobsen

De ostraca met brieven van Philokles

We zijn vrij goed op de hoogte van Philokles’ handeltje dankzij een hele hoop ostraca die in twee kampen, Krokodilo en Didymoi, zijn teruggevonden. Het zijn bijna allemaal brieven die door hemzelf zijn geschreven of aan hem zijn geadresseerd. Na zich door het ‘maan roos vis’-boekje te hebben geworsteld om dan laatst te eindigen in de schoonschriftwedstrijd op het einde van het schooljaar, besloot hij dat hij genoeg had geleerd om zijn plan te trekken. Klinkers vond hij overschat, zeker de dubbele, dus schreef hij er net genoeg om zich op potscherf verstaanbaar te maken:

Φιλοκλῆς καὶ Σ̣π ̣ ̣(l. Σκνὶψ) Καππάρι (l. Καππάρει) τ̣ῶ ἀδελφῶ πλῖ̣σ̣τα (l. πλεῖστα) χαίριν (l. χαίρειν)· τὸ προσκύνημά συ (l. σου) ποῶ (l. ποιῶ) παρὰ τὸν̣ Π̣ᾶ̣ν̣α̣ν

“Philokles en Sknips groeten Kapparis hun broer hartelijk. Ik heb gebeden voor jou tot Pan …”  (O. Did. 379, l. 1-4)

Aangezien zijn brieven in meerdere kampen teruggevonden zijn, had hij zich waarschijnlijk ook op de vastgoedmarkt gestort en in verschillende kampen in een optrekje geïnvesteerd. Omdat stenen muren op zich toch ook maar wat kil zijn, zelfs in zo’n heet klimaat als in Egypte, had hij voor het binnenhuisarchitectonisch aspect en de onmisbare female finishing touch niet één, maar zelfs twee vrouwen in huis gehaald: een wat oudere dame met de wat ongelukkige naam Sknips (die letterlijk ‘vlo’ betekent), en een – laat ons hopen voor Philokles – parasietenvrije juffer genaamd Hegemonis.

Zoals professor Willy Clarysse het in heel voorzichtige bewoordingen omschrijft: “Het is niet onmogelijk dat Philokles er een ménage à trois op nahield met beide vrouwen, maar aangezien verwantschapstermen zoals ‘broer’ en ‘zus’ nogal vrij gebruikt werden, kunnen we niet helemaal zeker zijn.” (Je ‘broer’ kon dus effectief je broer zijn, of je echtgenoot, of je vriend, je neef, je tandarts waar je na het laten trekken van tien zanderige tanden toch wel een vrij vertrouwelijke band mee hebt opgebouwd, etc.). Ik ben voor de meer gewaagde hypothese dat Philokles een SM-verslaving had en Hegemonis in huis heeft gehaald voor wat dirty talk en spanking (haar naam betekent tenslotte ‘Führer’). Of misschien was hij gewoon allergisch aan vlooienbeten, en, ja, every poppa needs some sugar once in while.

Tournée générale

Veel van de teksten in het archief van Philokles gaan over eten, maar het is niet altijd duidelijk of de kolen, uien, appels, worsten, wijn, gezouten vis, kippen, varkensvlees of konijnenstront bedoeld zijn voor eigen gebruik, of voor zijn handeltje. Zijn meest lucratieve onderneming draaide echter rond… hoertjes. Op vraag van de soldaten stuurde Philokles namelijk meisjes naar de kampen. Deze meisjes, die vaak nog erg jong waren, werden via Koptos in de Nijlvallei naar de kampen gebracht. Voor ieder meisje moest er 108 drachmen aan invoerrechten betaald worden. De gemiddelde prijs voor een gezelschapsdame was 60 drachmen voor één maand, en daar moest dan nog 12 drachmen belastingen op betaald worden. Aangezien er ongeveer 15 soldaten in één kamp zaten, betaalde ieder dus zo’n 4 drachmen voor één maand “gezelschap”. Dat komt overeen met ongeveer vier dagen loon. Sommige dames waren iets duurder dan andere, en in enkele gevallen konden sommige individuen, waarschijnlijk hogergeplaatste officieren, een meisje voor “privégebruik” bestellen.

Het “werk” dat deze meisjes in de kampen verrichten wordt in de bronnen omschreven als κυκλεύειν, wat letterlijk ‘ronddraaien’ betekent. Normaal wordt deze term gebruikt in de context van irrigatie, als in ‘aan het waterwiel draaien’, en zo werd het aanvankelijk ook vertaald door de uitgevers van de brieven van Philokles. Ze maakten daarbij wel de kanttekening dat het nogal vreemd was dat Philokles vrouwen naar de woestijn bracht, gewoon om water uit de waterputten te halen.

Maar in feite is κυκλεύειν dus een eufemisme voor het ‘ronddraaien’ van de ene man naar de andere. Hoeveel rondjes een meisje zoal moest draaien op één dag weten we niet, maar laat ons hopen dat er toch wat clausules waren voorzien in haar contract… Ik vraag mij trouwens af hoe ze ooit op die term gekomen zijn: dansten de meisjes in pirouette-achtige bewegingen van het ene soldatenoptrekje naar het andere? Of sliepen die mannen allemaal in één grote barak en konden ze dan lekker lui van de ene af rollen en op naar de volgende?

Philokles lijkt dan misschien wel min of meer een vaste relatie gehad te hebben met Sknips en Hegemonis, dat weerhield hem er toch niet van om ook hen af en toe aan soldaten uit te lenen, zoals beschreven in deze brief (O. Did. 406) aan een zekere Rusticus:

“Ik laat weten dat ik mijn vrouw aan jou heb toevertrouwd om haar af te leveren aan het kamp van Aphrodites Orous. Als iemand haar lastig valt, breng haar dan terug naar mij. Als iemand haar misbruikt, dan krijg je met mij te maken. Zij mag met niemand het bed delen tenzij met jouw toestemming. Als ze daar een probleem heeft dat niet informeel opgelost kan worden, probeer het dan in de hand te houden tot de centurio arriveert. Want anders, als dat gebeurt, dan zal ik met je afrekenen! Want ik heb al wat ik heb aan jou toevertrouwd en je zal mij de vrouw onder je voogdij teruggeven.”

Business is business blijkbaar…

Tekening van de Romeinse nederzetting aan de Mons Claudianus

Alle mooie verhalen…

Zoals in alle mooie verhaaltjes, bloeide er af en toe ook effectief iets moois op tussen een meisje en een soldaat, en dat zorgde dan voor problemen met haar eigenaar. Wanneer Antonius verliefd wordt op Iulia, vraagt haar pooier Cornelius aan het kamp waar ze op dat moment tewerkgesteld is, om haar enkele dagen verlof te geven zodat ze haar paramour kan bezoeken. Wanneer zij echter niet terugkomt na enkele dagen, dreigt Cornelius dat hij de inkomsten van de dagen die hij kwijt is aan Antonius zal aanrekenen (O. Did. 333). Een zekere Sosianus heeft minstens zes ostraca volgeschreven met erotische verzen aan zijn geliefde Aspidous, waaruit blijkt dat niet alleen zijn hart, maar ook andere lichaamsdelen in brand stonden (Route de Myos Hormos, p. 466-467). Laat ons hopen dat dit enkel figuurlijk bedoeld was, want anders is dit mogelijk de allereerste getuigenis van gonorroe. Had hij in dat geval maar de gynaecologische papyrus van Kahun gelezen, waarin een ecologisch alternatief voor het condoom wordt aangeboden: een goed laagje krokodillenstront erop, en beuken maar!

Lees meer

Voor meer literatuur over Philokles en zijn hoertjes kan je terecht bij:

Bülow-Jacobsen, A., ‘Private Letters’, in: H. Cuvigny (ed.), Didymoi. Une garnison romaine dans le désert Oriental d’Egypte II: les textes (IFAO 51), Cairo, 2012.

Cuvigny, H., La route de Myos Hormos. L’armée dans le désert Oriental d’Égypte. Praesidia du désert de Bérénice I. Volume II (Fouilles de l’Ifao 48/2), Cairo, 2003, 376.

Cuvigny, H., ‘Femmes tournantes: remarques sur la prostitution dans les garnisons romaines du désert de Bérénice’, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik, 172 (2010), p. 159-166.

Het bericht Rondjes draaien in de woestijn van Yanne Broux verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/04/09/2018/rondjes-draaien-in-de-woestijn/feed/ 0 1018