Vitellius Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/vitellius/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 30 Dec 2022 15:10:36 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Vitellius Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/vitellius/ 32 32 136391722 Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/#respond Tue, 08 Oct 2019 13:52:34 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1358

In onze reeks 'Quis est?' gaan we op zoek naar het levensverhaal van een markant figuur uit de Oudheid. In deze aflevering komen we uit bij Silbannacus, een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De lijst van bekende Romeinse keizers bevat vele namen, vanuit het principaat dat Augustus in 27 v.C. startte (en voortzette met de Julisch-Claudische dynastie) tot het dominaat waarbij het Keizerrijk door meerdere keizers (augusti en caesares) werd geregeerd. In heel deze lijst komen af en toe ook namen voor van keizers die deze titel opeisten en (meestal slechts voor een korte tijd) als usurpator over een gedeelte van het Romeinse Rijk regeerden, bijvoorbeeld Galba, Otho en Vitellius tijdens het beruchte vierkeizerjaar 69 n.C. Een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen, is die van Silbannacus. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Usurpatoren

Een 19de eeuwse illustratie van de overdracht van de keizerskroon door Romulus Augustus aan de Germaanse heerser Odoaker

De laatste keizer – althans van het West-Romeinse rijk – Romulus Augustulus, werd na een heel korte regeertermijn in 476 n.C. afgezet door de Germaanse aanvoerder Odoaker, die zich nadien ook tot koning kroonde en het keizerschap voor de schijn doorgaf aan de toenmalige Oost-Romeinse keizer Zeno. Hiermee eindigt traditioneel een periode die vier eeuwen overspant waarin talloze dynastieën de macht in Rome claimden, afgewisseld met perioden van chaos en anarchie waarin soms voor een heel korte periode een lokale of militaire leider de macht opeiste. Zo’n usurpator was vaak geen lang leven beschoren, aangezien het succes van de revoltes vaak afhing van de (militaire) back-up van de heerser in kwestie en de heersende of daaropvolgende keizer meestal geen medelijden toonde met zo’n overwonnen rebel.

Naast het reeds genoemde drietal van het vierkeizerjaar verging het bijvoorbeeld de beruchte Elagabalus net zo.  Hij heerste gedurende vier jaar, maar werd uiteindelijk ook door de Praetoriaanse Garde vermoord. Nog minder succesvol verging het Nymphidius Sabinus, de prefect van diezelfde garde, die na Nero’s dood de keizerstroon dacht te kunnen claimen als de niet-erkende zoon van Caligula. Hij werd namelijk jammerlijk door zijn eigen garde van het leven beroofd toen Galba Rome zou intreden.

Gravure in een medaillon van Julius Nepos, de laatste gelegitimeerde keizer van het West-Romeinse Rijk

Andere minder bekende figuren die in de plooien van de Romeinse keizergeschiedenis belandden waren bijvoorbeeld Avidius Cassius, de gouverneur van Syria, die in 175 n.C. zelfs nadat het gerucht dat hij had gehoord over de dood van keizer Marcus Aurelius niet waar bleek te zijn, toch zijn onsuccesvolle revolte voortzette. Sommige anderen werden nooit aanvaard door de Senaat als wettige keizer of slaagden er slechts in om een gedeelte van het rijk onder controle te krijgen, vaak dan nog voor een korte tijd. Tot slot probeerde Julius Nepos om als heerser in ballingschap in Dalmatia de keizertitel opnieuw op te eisen, nadat de eerder genoemde Odoaker de macht had gegrepen in Rome, maar ook die poging liep slecht af toen hij in 480 werd gedood door zijn eigen soldaten.

Bekende succesvolle en gelegitimeerde usurpatoren waren onder meer Septimius Severus en Constantijn de Grote die beiden door hun eigen leger tot keizer werden uitgeroepen. Een constante factor in hun greep naar de macht (naast de militaire ondersteuning) was het legitimeren van hun keizerschap. Dat gebeurde op verschillende manieren, bijvoorbeeld door bouwactiviteiten op te zetten of hun eigen munten te laten slaan, waarbij hun keizerschap via allerlei symbolen refereerde aan de Romeinse goden, hun voorgangers als keizers of hun vergoddelijkte status (na hun dood). Beiden regeerden respectievelijk 18 en 31 jaar over het rijk en werden opgevolgd door hun eigen dynastie.

De mysterieuze munten

De zilvermunt van Silbannacus uit het British Museum

Al deze voornoemde keizers zijn ons niet alleen bekend uit de literaire bronnen, maar ook uit opschriften, munten en andere archeologische overblijfselen. Toen in 1937 echter het British Museum in bezit kwam van een zilvermunt (een antoninianus), gekocht van een Zwitserse handelaar die beweerde dat de munt gevonden was in de Franse regio Lorraine, wisten onderzoekers niet wat ze zagen. Op de voorzijde van de munt was namelijk te lezen:

IMP MAR SILBANNACVS AVG

Deze keizer Mar() Silbannacus stelde de specialisten voor een raadsel. Geen keizer met deze naam is ons bekend uit de bronnen en gedacht werd dat het hier misschien om een verkeerde spelling van de naam Silvannacus of Silvaniacus zou kunnen gaan, maar zelfs in dat geval was er geen keizer met die naam gekend. De keerzijde, met daarop de goden Mercurius en Victoria (met een caduceus of olijfkroon en de begeleidende tekst “VICTORIA AUG”) afgebeeld, gaf geen verdere hints over de oorsprong van deze munt. Geopperd werd dat het om de muntslag van een usurpator, tussen de duistere jaren 238 en 260 n.C., zou kunnen gaan, maar zekerheid over de historiciteit van Silbannacus was er niet.

Dit duurde tot in 1996 een tweede munt met dezelfde keizersnaam opdook bij een Franse specialist. Ook deze zilvermunt zou uit Frankrijk afkomstig zijn en werd enkele jaren eerder gevonden in de buurt van Parijs. De voorzijde van deze munt was identiek aan de eerste, maar de keerzijde bevatte ditmaal de god Mars (en de tekst “MARTI PROPVGT”). Dit leidde de onderzoekers naar keizer Aemilianus die in 253 n.C. een drietal maanden regeerde en dezelfde achterzijde met de oorlogsgod (“de Verdediger”) voor een munt had gebruikt. Was het eindelijk duidelijk dat de Silbannacus vermeld op deze mysterieuze munten een usurpator was tijdens dat chaotische jaar waarin verschillende opstanden plaatsvonden en keizers regeerden?

Zilveren Antoninianus van Aemilianus, met op de achterzijde Marti Propugt (Propugnatori), Mars de Verdediger

Silbannacus, de onbekende keizer?

De naam Mar() Silbannacus zorgt nog voor wat meer mysterie. Zelfs als het hier om een verkeerde spelling zou gaan, lijkt er een mogelijke connectie te zijn met de god Silvanus, een Romeinse godheid van de bossen die mogelijk van een Etruskische godheid afstamt. Ook het suffix -acus, dat op een Keltische etymologie duidt, versterkt het vermoeden dat we de achtergrond van Silbannacus in Noord-Italië (waar Kelten en Etruskische invloeden overlapten) moeten zoeken. De andere afkorting MAR() kan een afkorting zijn van de naam ‘Marinus’, ‘Marius’ or ‘Marcius’, aangezien het minder gangbaar was om een praenomen – ‘Marcus‘ in dat geval – te gebruiken op de muntslag. Ook hier blijven we achter hangen bij vermoedens, aangezien geen van deze families uit de 3de eeuw ons bekend zijn uit andere bronnen.

De antoniniani of verzilverde munten (gedevalueerd tot brons tijdens de ‘Crisis van de derde eeuw’) waren gangbaar in deze periode en ook de afbeeldingen op voor- en keerzijde geven weinig hints over de datering ervan. In het midden van deze eeuw vinden we op zo goed als alle munten een afbeelding van de keizer met een gelijkaardige kroon, maar dit leidde niet tot een exactere datering.

Buste van keizer Philippus I Arabs

Buste van keizer Decius

Uiteindelijk blijft de theorie van een usurpator de meest gangbare, althans tot we mogelijk ooit meer bronmateriaal vinden. Twee mogelijkheden werden daarbij het vaakst geopperd. Ten eerste, dat Silbannacus opereerde als een militaire leider in Germania Superior nabij het Rijngebied. Eutropius (IX.4) beschrijft een burgeroorlog in Gallia, mogelijk tijdens de regering van keizer Philippus I Arabs (244-249 n.C.) of meer waarschijnlijk tijdens die van keizer Decius (249-251 n.C.), waarbij Silbannacus dan mogelijk kortstondig het keizerschap zou hebben geclaimd.

De ontdekking van de tweede munt en ook de alternatieve lezing van Eutropius’ burgeroorlog in Galatia maken de tweede theorie plausibeler: de munt van Silbannacus zou dan in Rome geslagen zijn na een korte periode van opstand tussen de strijd om de troon in 253 n.C. Die was al begonnen toen in 251 n.C. keizer Trebonianus Gallus Aemilianus als bevelhebber van de legertroepen naar de Donau stuurde om daar de Gothen te bevechten (Zosimus, I.28.3). Aemilianus won daar een belangrijke veldslag in de zomer van 253 n.C. en zijn soldaten riepen hem vervolgens uit tot keizer. Daaropvolgend stuurde Trebonianus een andere legerleider Valerianus – later bekend als keizer Valerianus I – erop uit om Aemilianus vanuit zijn provincie tegen te houden, maar dit gebeurde te laat, waardoor Aemilianus intussen al in Rome de macht had overgenomen. Valerianus had zich intussen ook aan de Rijn door tot keizer laten uitroepen, waardoor Aemilianus zich genoodzaakt zag met zijn soldaten tegen Valerianus op te trekken. Zoals eerdere voorbeelden werd Aemilianus door zijn eigen soldaten vermoord en kon Valerianus als nieuwe keizer naar Rome trekken. Tijdens deze gebeurtenissen zou onze Silbannacus de macht hebben overgenomen in de hoofdstad van het rijk, om uiteindelijk toch door de troepen van Valerianus te worden afgezet en waarschijnlijk vermoord. Hypothetisch zou Silbannacus zelfs een bevelhebber onder het commando van Aemilianus kunnen zijn geweest die dan zelf de macht in Rome opeiste tijdens diens afwezigheid of na diens dood.

Conclusie

Welke hypothese de juiste is, is moeilijk te bevestigen zonder bijkomend bronnenmateriaal. Het lijdt weinig twijfel dat indien Silbannacus zich tot keizer liet uitroepen – en daar duiden de twee munten toch op – dit waarschijnlijk slechts als usurpator voor een korte periode zal zijn geweest tijdens de turbulente crisisperiode in het midden van 3de eeuw. Dat hij dan meer dan waarschijnlijk op een niet al te vredevolle manier aan zijn einde zal zijn gekomen, hetzij door de troepen van Philips I Arabs, Decius, Valerianus I of misschien zelfs zijn eigen soldaten, lijkt eveneens een aannemelijk scenario. De rest blijft, net zoals zijn munten, voorlopig een mysterie…

Lees meer

Christol, M., L’Empire romain du IIIe siècle. Histoire politique, 192-325 après J.-C., Paris, 1997.

Estiot, S., ‘L’empereur Silbannacus. Un second antoninien,’ Revue numismatique 151, 1996, pp. 105-117.

Mattingly, H., Sutherland, C., Carson, R. (ed.), The Roman imperial coinage, vol. 4: Pertinax – Uranius Antonius, Londen, 1986.

BBC History Extra: https://www.historyextra.com/period/roman/silbannacus-the-roman-emperor-that-time-forgot/

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van het object ‘radiate coin of Silbannacus’ in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0) 

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/feed/ 0 1358
Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/#comments Thu, 05 Apr 2018 16:08:52 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=779 schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Kruisiging als pre-Romeinse executiemethode

Voor de Romeinse periode was een bepaalde vorm van kruisiging als executie al bekend bij andere antieke volkeren zoals de Assyriërs en de Egyptenaren. Al in de oudste wetteksten uit de Codex Hammurabi uit de 18de eeuw v.C. komt mogelijk de vroegste vermelding van een kruisiging voor, hoewel niet in de later bekende vorm: in het geval een vrouw overspel zou plegen en haar man en de echtgenote van haar minnaar zou vermoorden, worden zowel zij als haar minnaar aan een paal gespietst (Cod. Ham. 153).

Voor Egypte zijn er verschillende bronnen, waaronder inscripties op papyrus, met verschillende hiërogliefen die verwijzen naar het spietsen op een paal. Ook bij de veldtocht van de Assyrische heerser Šalmanassar III in de 9de eeuw v.C. werden Syriërs geëxecuteerd door hun onderste delen te spietsen met een paal, zo toont één van de reliëfs op de bronzen poorten van Balawat. Deze methode werd nadien ook nog door onder meer Darius I gebruikt om 3000 Babyloniërs terecht te stellen, zo blijkt uit de zogenaamde drietalige Behistuninscriptie en het relaas van Herodotus (III,159). Diezelfde Griekse geschiedschrijver vernoemt in zijn Historiai nog enkele keren de techniek van het spietsen, onder andere in zijn beschrijving van Astyages, de laatste koning van de Meden (I,128) en Oroetes, de gouverneur van Sardis die zijn tegenstander Polykrates, tiran van Samos (III,125) liet executeren. Bij deze laatste was het opvallend dat de man al dood was voor hij werd gespietst of gekruisigd. Herodotus gebruikt twee werkwoorden voor de terechtstelling, anaskolopizō (ἀνασκολοπίζω) en anastauroō (ἀνασταυρόω), die beide als ‘op een staak spietsen’ kunnen worden vertaald.

Afbeelding van gespietste Syrische gevangen tijdens de veldtocht van Šalmanassar III, te zien op de Balawat-poort

Ook bij de Grieken kwam kruisiging voor en wel in een vorm die nauwer aansluit bij wat de Romeinen deden. Nog bij Herodotus lezen we namelijk in zijn verslag over de Tweede Perzische Oorlog van Xerxes (IX,120) dat de Atheense generaal Xanthippus, de vader van Pericles, Artayctes, een gevangengenomen Perzische generaal, levend aan een plank liet nagelen. Alexander de Grote doodde volgens historiograaf Quintus Curtius Rufus 2000 inwoners van Tyrus door hen aan een kruis te hangen (crucibus adfixi) op een groot gedeelte het strand (Hist. Alex. IV,4,7).

Paal of kruis?

Gravure van een crux simplex ad infixionem met een gespietste terdoodveroordeelde, uit een boek van Justus Lipsius

Etymologisch gezien verwijzen de Griekse termen voor kruisiging naar een opgerichte paal of staak (stauros). Ons woord kruis daarentegen is afgeleid van het Latijnse crux, zoals kruisiging van crucifixio, letterlijk het fixeren/vasthangen (facere) aan een kruis. In de Romeinse periode waren er verschillende vormen van kruisigingen: aan een boom (infelix lignum), een opgerichte paal (crux simplex) of een samengesteld kruis (crux composita) dat bestond uit een opgerichte paal (stipes) en een dwarsbalk (patibulum). Naar vorm kwam dit laatste kruis voor als een X-vormig kruis (crux decussata), een Latijns kruis (crux immissa) of een T-vormige Tau-kruis (crux commissa). Het kruis kon ook hoog zijn (crux sublimis), maar in de meeste gevallen ging het om een laaghangend kruis (crux humilis). Naar afmetingen was de opstaande balk ongeveer tussen 1,8 en 2,4 meter hoog en de dwarsbalk tussen 1,5 en 1,8 meter lang. Kruisen konden meer dan 120 kilogram wegen, waarbij het patibulum soms al tot 60 kilogram zwaar kon zijn.

De Romeinse methode ging meestal als volgt: eerst werd de verticale paal in de grond geplaatst, waarna de dwarsbalk pas eraan werd bevestigd nadat de ter dood veroordeelde eraan was genageld of gebonden. Een inscriptie (titulus) werd soms ook nog bij aan de paal genageld boven het hoofd van het slachtoffer. Seneca bevestigt dit in zijn De Consolatione ad Marciam:

Video istic cruces non unius quidem generis sed aliter ab aliis fabricatas: capite quidam conversos in terram suspendere, alii per obscena stipitem egerunt, alii brachia patibulo explicuerunt. (VI,20,3)

Ik zie daar kruisen, niet slechts van een soort, maar gemaakt op veel verschillende manieren: sommige hebben hun slachtoffers met hun hoofd op de grond, anderen aan hun private delen gespietst, nog anderen strekken hun armen uit op de dwarsbalk.

De voornaamste doodsoorzaak bij de Romeinse vorm van kruisigen zou verstikking door zuurstoftekort of hartfalen zijn. Dit treedt bij een normale hangende positie aan het kruis al op na minder dan een uur, maar door de toevoeging van zogenaamde sediles, bankjes voor de voeten of het zitvlak om op te rusten, kon de lijdensweg die tot de dood leidde met enkele uren worden verlengd.

Kruisiging bij de Romeinen

Hoe de Romeinen met kruisiging als executiemethode in contact kwamen is niet zeker, maar een plausibele uitleg lijkt dat ze na de Tweede Punische Oorlog (218 v.C. – 201 v.C.) met de Carthagers -die kruisigingen gebruikten om zelfs hun generaals die faalden in de oorlog terecht te stellen- ook deze techniek begonnen toe te passen. Livius beschrijft in zijn Ab Urbe Condita de eerste keer dat de Romeinen 25 slaven kruisigden tijdens de campagne tegen Hannibal:

Per eosdem dies speculator Carthaginiensis, qui per biennium fefellerat, Romae deprensus praecisisque manibus dimissus, et servi quinque et viginti in crucem acti, quod in campo Martio coniurassent. (XXII,33)

Rond die tijd werd in Rome een Carthaagse spion opgepakt, die zich gedurende twee jaar aan de gevangenneming had onttrokken, en nadat zijn handen waren afgesneden, mocht hij gaan, en werden 25 slaven gekruisigd, op beschuldiging van samenzwering op het Marsveld.

In de daaropvolgende jaren raakten kruisigingen ook verder ingeburgerd in het Romeinse leger, bijvoorbeeld wanneer Scipio Africanus in 201 v.C. na de val van Carthago de perfugae of deserteurs uit zijn leger, allen Romeinen, dezelfde doodstraf oplegt. (Liv. XXX,43)

Kruisiging werd gebruikt als executiemiddel voor slaven, piraten en criminelen die geen Romeins burgerschap bezaten. Een uitzondering op die laatste regel vormden de deserteurs of burgers die beschuldigd werden van hoogverraad. Tijdens de Republiek kruisigde Crassus in de nasleep van de opstand van Spartacus, ook bekend als de Derde Slavenoorlog, 6000 van diens aanhangers en deze zorgden er volgens Appianus voor dat de volledige weg van Capua naar Rome vol stond met kruisen.

Kruisigingsscène uit de film Spartacus (1960) van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol

Ook de Cilicische piraten die Caesar ontvoerden in 75 v.C. kwamen volgens de biografie van Plutarchus op deze manier aan hun einde. In 70 v.C. trad Cicero op als advocaat tegen Verres, de gouverneur van Sicilië, die een Romeins burger met de naam Gavius liet kruisigen, ondanks zijn burgerschap. De redenaar beschouwt kruisiging als de meest wrede en onterende (crudelissimi taeterrimique) straf (In Verrem II,5,165). In dezelfde rechtszaak spreekt hij ook het volgende uit:

Facinus est vincire civem Romanum, scelus verberare, prope parricidium necare: quid dicam in crucem tollere? Verbo satis digno tam nefaria res appellari nullo modo potest. (In Verrem II,5,170)

Het is een misdaad om een Romeins burger te knevelen, hem geselen is een boosaardigheid, hem ter dood brengen is bijna vadermoord: en dan wat te zeggen over hem kruisigen? Dat is zo’n schuldige handeling die onmogelijk adequaat kan worden uitgedrukt met een term slecht genoeg ervoor.

In de keizertijd kwam het al wel eens voor dat een libertus, een vrijgelaten slaaf, niet aan de kruisiging ontsnapte. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Asiaticus, die nadat zijn meester Vitellius in het vierkeizerjaar 69 was verslagen, werd gekruisigd. (Tac. Hist. IV,11,10). Bij de massale kruisiging van slaven lijkt het niet onwaarschijnlijk dat af en toe ook vrouwen en kinderen niet aan deze doodstraf ontsnapten. Zo schreef Publius Cornelius Tacitus in zijn Annales (XIV,45) dat leeftijd noch geslacht een invloed had op de uitvoering van deze vorm van executie en dat onder de slaven die gekruisigd werden voor de moord door één van hen op hun meester Lucius Pedanius Secundus zich ook vele vrouwen en kinderen bevonden. Zo kennen we ook het voorbeeld van een vrouwelijke libertaIde, die werd gekruisigd op bevel van keizer Tiberius, en van wie het verhaal ons is overgeleverd door Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae, XVIII,3,4). De Joodse geschiedschrijver (en legerleider) vertelt in datzelfde boek ook over de koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat, Alexander Iannaeus, die in 88 v.C. na een Farizeeënopstand 800 van zijn tegenstanders liet kruisigen (XIII,380). In de literaire bronnen uit de Romeinse periode lezen we dus steeds over kruisigingen door ophanging, met uitzondering van de Britse koningin Boudicca die in de revolte van 60/61 de gruwelijke methode van het op een staak spietsen nog toepaste op Romeinse matrones en Plutarchus die beide methoden nog beschrijft in zijn Moralia (499D). Tot slot kennen we natuurlijk nog de spietsing van Cicero’s handen en hoofd aan de Rostra, maar dat gebeurde na zijn executie en was meer bedoeld als afschrikking voor de andere politieke tegenstanders van het tweede triumviraat (uit Appianus‘ Bellum Civile 4,20).

Uit de spelen van Plautus, ook al zijn het komedies, en andere literaire bronnen zoals Plutarchus kunnen we al enkele details afleiden van hoe de kruisiging bij de Romeinen concreet werd uitgevoerd. Plautus (Carbonaria, fr. 2) vermeldt bijvoorbeeld dat de terdoodveroordeelde met het patibulum naar de plek waar de verticale balk van kruis was opgetrokken, moest wandelen en vervolgens eerst aan de dwarsbalk werd genageld, alvorens die balk horizontaal aan de opgerichte paal werd bevestigd. Ook Plutarchus (De Sera 554b) vermeldt dat de veroordeelde het kruis op zijn rug moest dragen (en waarschijnlijk gaat het hier ook enkel over de dwarsbalk).

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimillatekening door prof. Antonio Lombatti

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimilla

Diezelfde procedure blijkt ook uit een wettekst voor begrafenisondernemers (AE 1971, 88) die in de Italiaanse kuststad Puteoli is gevonden. De wet schrijft onder meer voor dat eigenaars die een slaaf willen laten kruisigen zelf moet opdraaien voor alle kosten zoals de houten palen (waaronder het patibulum), kettingen en koorden voor de zweepslagen. Ook de kosten voor diegenen die deze zaken naar de plaats van executie brengen en voor de beul zelf zijn ten laste van de eigenaar. In een andere sectie van de wet wordt ook gesproken over publieke executies, uitgesproken door magistraten (mogelijk voor het laten kruisigen van vreemdelingen en burgers uit de lagere klassen). Daarbij moeten de de aannemers van zulke opdrachten gratis het volgende voorzien: kruisen (cruces), nagels, pek, was en kaarsen. Die laatste drie zaken waren voor het martelen van de gevangen voor ze werden gekruisigd, een praktijk die gangbaar was in de Romeinse periode. De terdoodveroordeelde werd eveneens voor het kruisigen eerst van zijn kleding ontdaan en vervolgens vaak nog aan zweepslagen onderworpen.

Een graffito die eveneens uit Puteoli afkomstig is, daterend uit de tijd van Trajanus of Hadrianus, bevestigt dat de terdoodveroordeelde naakt aan het kruis werd gespijkerd. Op de afbeelding, gevonden op taberna 5, een gasthuis, is een naakte vrouw aan het kruis te zien. Het opschrift vermeldt nog haar naam, Alkimilla, die mogelijk op de titulus was geschreven (tenzij het hier eerder over een vervloeking dan over een echte representatie zou gaan).

Daarnaast hebben we nog archeologische bewijs. Het eerste daarvan komt uit Jeruzalem, waar in een graftombe de overblijfselen van een gekruisigde man samen met zijn kind zijn ontdekt. Een opschrift op de tombe geeft ons de naam van beiden: yhwḥann / yhwḥann bn ḥgqwl (Jehohanan, Jehohanan ben Hagkol). De overblijfselen van beide hielen van de man zijn doorspijkerd met een nagel, terwijl de handen en polsen van de man dit niet hebben, er waarschijnlijk op duidend dat zijn armen waren vastgebonden aan de dwarsbalk, in plaats van gespijkerd. Een tweede geval werd in 2007 opgegraven in het Italiaanse Gavello, zo’n 75 kilometer van Venetië. Het gaat hier opnieuw om een man, begraven in een geïsoleerd graf zonder grafgiften, wiens rechterhiel doorboord was. Na een multidisciplinair onderzoek concludeerden wetenschappers dat dit waarschijnlijk ook zal gebeurd zijn bij de kruising van deze man (mogelijk een slaaf of misdadiger) waarbij een nagel zou zijn gebruikt om hem in een open of rechtshangende positie te fixeren. Dat archeologen nog niet meer dergelijke voorbeelden hebben gevonden, kan verschillende oorzaken hebben. De de kostprijs van de nagels kan ervoor hebben gezorgd dat er een voorkeur werd gegeven aan het kruisigen met het gebruik touw, maar ook het hergebruik van de nagels en de sociale positie van de gekruisigden maken het aannemelijk dat er op dit moment niet meer materieel bewijs is gevonden.

Vondst van een skelet in Fenstanton met een spijker in de rechterhiel

Toch bracht een vondst uit 2017 uit het Britse graafschap Cambridgeshire mogelijk nieuw bewijs voor een kruisiging aan het licht. Op de site van een oude melkfabriek in Fenstanton, in het oosten van Engeland, werden toen de overblijfselen van een Romeinse nederzetting gevonden met daarbij ook enkele begraafplaatsen. In één daarvan troffen archeologen het skelet van een jonge man, tussen de 25 en 35 jaar oud, aan, maar pas toen het enige tijd later in het laboratorium werd schoongemaakt merkten onderzoekers op dat er een gat in zijn rechterhiel zat, doorboord door een 5 centimeter lange spijker. Koolstofdatering maakte duidelijk dat hij tussen 130 en 360 n.C. gestorven is en een DNA-analyse toonde aan dat hij geen familie was van andere overledenen uit de begraafplaatsen, maar dat hij wel tot de plaatselijke bevolking behoorde.

Naast de spijker in zijn hiel werden nog enkele belangrijke aanwijzingen gevonden voor een dood door kruisiging. Zo lag de man naast een houten constructie, vermoedelijk de plank waaraan hij was vastgebonden, had hij 6 gebroken ribben (misschien veroorzaakt door een zwaard) en een ontsteking aan zijn dunne benen, allemaal aanwijzingen dat hij waarschijnlijk vastgebonden was. Naast deze (impliciete) tekenen dat het hier mogelijk om een misdadiger gaat die eerst werd gemarteld en vervolgens aan het kruis genageld, werden in hetzelfde graf ook nog 12 andere ijzeren spijkers gevonden. Een ondiep gaatje in het rechterbot van de man, hetzelfde been waarin de dertiende nagel door zijn rechterhiel was geslagen, suggereert dat een eerste poging om het te kruisigen niet was gelukt. Volgens de onderzoekers maakt dit alles van het opgegraven skelet het eerste – en het best bewaarde – archeologische bewijs van een kruisdode in Noord-Europa.

De kruisiging van Jezus

Flavius Josephus geeft ons nog een breder beeld over het gebruik van kruisigingen bij Joden. In zijn De Bello Iudaico over de Joodse Oorlog tegen keizer Titus verhaalt hij (V,11) hoe Joodse opstandelingen werden gekruisigd langs de muur van Jeruzalem en hoe de Romeinse soldaten er genoegen in schepten om hun lijden te verlengen door hen in verschillende posities te kruisigen, zodat hun doodsstrijd langer zou duren. Daarnaast haalt hij ook aan dat in sommige gevallen Joden van goede afkomst werden gekruisigd, als het ware om te tonen dat zij door hun misdaad en bijhorende straf hun status waren kwijtgeraakt. Een ander voorbeeld van een massale kruisiging vinden we in zijn Antiquitates Iudaicae (XVII,10,295) waar Publius Quinctilius Varus – later bekend als de Romeinse generaal die in het Teutoburgerwoud met zijn troepen werd afgeslacht door de Germanen – 2000 Joodse rebellen kruisigde na de Joodse opstand van 4 v.C.

Ook in het Oude Testament leren we al iets over de herkomst van kruisiging als straf. Een passage in Deuteronomium (21:22-23) levert veel onzekerheid op bij bijbelonderzoekers. Waarbij vroeger werd gedacht dat een Joodse man kon worden veroordeeld tot de dood en nadien zou worden opgehangen, menen onderzoekers nu dat het woord talah mogelijk toch zou moeten worden geïnterpreteerd als gespietst aan een staak. Weliswaar gebeurde dit enkel met het hoofd van een veroordeelde nadat hij al was geëxecuteerd op een traditionele manier volgende de Joodse wet: door steniging, verbranding, wurging of onthoofding. In andere passages (Genesis 40:19 en Esther 7:10) wordt al gerefereerd aan de traditie van ophanging, kruisiging of spietsen, bij de oude Egyptenaren en de Perzen, maar ook hier zijn deze interpretaties niet onomstreden. Hoewel kruisiging dus waarschijnlijk niet tot het vroegste Joodse recht behoorde, lijkt het mogelijk dat door de Romeinse invloed deze doodstraf ook nadien werd toegepast bij misdaden waarbij de misdadiger op een zo beschamend mogelijke manier moest worden terechtgesteld.

Hoewel de historiciteit van Jezus intussen niet echt meer wordt betwijfeld, blijven er toch nog heel wat onzekerheden (o.a. over de datering in het jaar 30 of 33) bestaan over het kruisigingsverhaal dat ons voornamelijk is overgeleverd via de vier evangelisten. Wat betreft het waarom van zijn veroordeling tot het kruis door Pontius Pilatus, prefect van Judaea (praefectus Iudaeae) kunnen we vermoeden dat het hier om zogenaamde majesteitsschennis gaat. Kajafas, de hogepriester van de Joodse tempel in Jeruzalem, ondervroeg Jezus na zijn veroordeling door de Joodse raad of sanhedrin (die de wettelijke veroordeling tot de doodstraf overlieten aan de Romeinen) over zijn claim als messias of ‘Koning der Joden’. De bestraffing van deze vorm van hoogverraad (vroeger bekend als perduellio, maar in Jezus’ tijd waarschijnlijk al gekend onder de term maiestas) was tijdens de regering van Tiberius een gekende manier om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen.

Over de prelude naar de executie kunnen we uit uit de evangelies (Matteüs 27:27, Marcus 15:15, Lucas 23:16, Johannes 19:1) en ook uit de Eerste brief van Petrus (2:24) afleiden dat ook Jezus naar Romeins gebruik eerst afgeranseld werd in het praetorium en mogelijk ontdaan werd van zijn kleding, waarschijnlijk met meer dan 39 zweepslagen zoals het Joods recht voorschrijft (Deuteronomium 25:3). Daarna werd hij nog bespot en geslagen door Romeinse soldaten en de vazalkoning van Galilea en en Perea, Herodes Antipas (Lucas 23:11), die hem tooiden met een rode (Matteüs 27:28) of purperen (Marcus 15:17) toga -een verwijzing naar zijn zogenaamde koningschap-, een houten staf als scepter en een doornenkroon. Vervolgens moest hij (al dan niet met hulp van Simon van Cyrene) het kruis – waarschijnlijk enkel met de patibulum of dwarsbalk zoals bleek uit Plautus – dragen naar de plaats van zijn executie buiten de muren van Jeruzalem, Golgotha.

Aangekomen op de plaats van executie werd een titulus met het opschrift ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’ werd in drie talen (Hebreeuws, Latijn en Grieks) aangebracht volgens Johannes (19:20; de drie andere evangelisten vermelden een kortere variant op ‘Koning der Joden’). Over de concrete uitvoering van de kruisiging worden we weinig wijzer, buiten het feit dat dezelfde evangelist nog beschrijft dat een Romeinse soldaat met zijn lans een steekwonde aanbracht in de zij van Jezus (mogelijk de oorzaak van zijn dood). Zijn benen werden ook niet meer gebroken, omdat de soldaten merkten dat hij net daarvoor gestorven was, iets dat wel gebeurde met de twee misdadigers die naast hem waren gekruisigd (Johannes 19:30-34). Dat Christus gekruisigd werd met nagels lijkt aannemelijk, het archeologische bewijs -hoewel: testis unus testis nullus– ondersteunt op zijn minst het nagelen van de voeten aan het kruis en de armen gespreid. De stigmata aan zijn handen (Johannes 20:25) kunnen erop wijzen dat hetzelfde ook gebeurde met zijn handen. Dit alles zou ook betekenen dat Jezus aan een samengesteld kruis werd gekruisigd en niet simpelweg aan een rechtopstaand crux simplex, zoals sommige geleerden hebben proberen aantonen. De Alexamenos-grafitto, een mogelijke afbeelding van Jezus’ dood gevonden in de buurt van de Palatijnse heuvel in Rome en waarschijnlijk stammend uit de 3de eeuw n.C., lijkt dit te bevestigen, hoewel ook hierover de meningen uiteenlopen.

Kruisigingsscène uit de film ‘The Passion of the Christ’ (2004) van Mel Gibson

Volgens Marcus (15:25) gebeurde de kruisiging van Jezus tijdens het derde uur (om ongeveer 9 uur ’s ochtends) en duurde zijn doodstrijd zes uur. Dat zou extreem lang zijn, tenzij een voet- of zitbank zou zijn gebruikt zodat het zuurstoftekort pas na enkele uren zou optreden. Johannes (19:14) beschrijft de uitvoering van de doodstraf aan het kruis op het zesde uur (rond de middag). Dat Christus met zijn laatste adem nog enkele woorden kon uitspreken lijkt onwaarschijnlijk en past vooral binnen de religieuze context van het messiasverhaal.

Nadien werd het lichaam van Jezus nog opgevraagd bij Pilatus. Zowel bij Matteüs, Lucas als Marcus vinden we het verhaal dat Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam te mogen begraven en dat de Romeinse prefect dit toestond. Het vervolg van het verhaal en Christus’ verrijzenis die elk jaar nog wordt herdacht met Pasen kennen we.

Conclusie

De kruisiging van Jezus was zowel een logische als een onlogische straf in het historische perspectief van het gebruik van deze executiemethode. Hoewel de Romeinen kruisiging niet hebben uitgevonden, hebben ze deze gruwelijke vorm van terechtstelling wel afgeleid van de methode om terdoodveroordeelden of reeds geëxecuteerde personen aan een paal te spietsen en geperfectioneerd. Deze zware straf werd normaal gezien enkel uitgesproken tegen slaven, vreemdelingen, revolutionairen of zware criminelen die geen Romeins burgerrecht bezaten (enkele uitzonderingen zoals deserteurs niet te na gesproken). Ook na Jezus kennen we nog verschillende voorbeelden van gekruisigde christenen, van wie sommigen zoals de apostelen Petrus en Andreas later ook heilig werden verklaard.

Zoals uit de literaire bronnen blijkt, was kruisiging ook een manier om een veroordeelde te vernederen – een teken van schande – en zwaar te doen afzien tijdens het volledige proces. In de meeste gevallen zal een combinatie van zuurstoftekort, wonden opgelopen bij het martelen voor de executie en andere lichamelijke verschijnselen ten gevolge van het kruisigen tot de dood hebben geleid. In Jezus’ geval kunnen we ervan uitgaan dat hij een te grote politieke tegenstander (verzwaard door zijn voorstelling als ‘Koning der joden’) van zowel de heersende Joodse klasse als de Romeinen zal zijn geworden, waarna ook tegen hem de doodstraf door kruisiging werd uitgesproken. Over de details van de kruisiging, net zoals over de methode zelf, heerst nog veel controverse, gaande van het gebruikte materiaal tot de exacte omstandigheden.

Uiteindelijk zou het nog duren tot Constantijn de Grote aan het begin van de 4de eeuw n.C. kruisiging als executiemethode zou verbieden. Dit verbod, waarvan geen edict is teruggevonden, maar enkel een passage bij Sozomenus (Historia Ecclesiastica I,8,13), werd volgens de historiograaf Aurelius Victor (De Caesaribus, XLI,4) meer ingegeven door des keizers menselijkheid, dan door religieuze overtuigingen. De christelijke bekeerling, astroloog en schrijver Firmicus Maternus, een tijdgenoot van Constantijn die nog schreef onder diens opvolgers, gebruikt in zijn voorspellingen kruisiging als voorbeeld van een traditionele doodstraf (Mathesis VIII,7; VIII,25). De duidelijkste wettekst die een verbod instelt op kruisigingen is de codex van keizer Theodosius II (Codex Theodosianus), die werd uitgevaardigd in 438/439 n.C., meer dan een eeuw later dan keizer Constantijn, hoewel de doodstraf in gebruik bleef voor slaven die tegen hun meester samenzwoeren (IX,5,1,1). In sommige landen in het Midden-Oosten bestaat kruisiging als executiemethode ook nog vandaag de dag.

Lees meer

Cook, J. G. (2014), Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen.

Hengel, M. (1977), Crucifixion in the Ancient World and the Folly of the Message of the Cross, Philadelphia.

Kuhn, H.-W. (1982), “Die Kreuzesstrafe während der frühen Kaiserzeit. Ihre Wirklichkeit und Wertung in der Umwelt des Urchristentums” in ANRW II/25.1, pp. 648-793.

Robison, J. C. (2002). “Crucifixion in the Roman World: The Use of Nails at the Time of Christ.” Studia Antiqua 2.1.

Samuelsson, G., (2013), Crucifixion in Antiquity. An Inquiry into the Background of the New Testament Terminology of Crucifixion (2nd edition), Tübingen.

Coverfoto: schilderij ‘De kruisiging’ door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447), uit het Rijksmuseum

Update I: dit artikel werd begin 2020 aangevuld met het archeologisch bewijs uit Gavello na de wetenschappelijke publicatie in: Gualdi-Russo, E. et al. (2019), “A multidisciplinary study of calcaneal trauma in Roman Italy: a possible case of crucifixion?” in Archaeological and Anthropological Sciences 11, pp. 1783–1791.

Update II: dit artikel werd in december 2021 aangevuld met nieuw archeologisch bewijs uit Cambridgeshire dat werd gepubliceerd in: Ingham, D. & Duhig, C. (2021), “Crucifixion in the Fens: Life and Death in Roman Fenstanton” in British Archaeology Magazine, January | February 2022.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/feed/ 1 779