Syrië Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/syrie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Syrië Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/syrie/ 32 32 136391722 ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/#respond Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2747 Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Meertaligheid toont de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. In dit artikel wordt een kwantitatieve masterproef over identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties gebruikt om dit te onderzoeken voor de Hellenistische en Romeinse periode.

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een symbool van culturele eigenheid. In een land als België, en een regio als Vlaanderen, behoeft dit geen verdere uitleg. Ook tweetaligheid is, en was, een identitair kenmerk. Meertaligheid toont namelijk de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. Er zijn echter geen mondelinge getuigenissen uit die periode, waardoor we ons moeten richten op geschreven bronnen. Grafschriften vormen de ideale bronnen om hier meer over te weten, aangezien ze bij uitstek de identiteit van de overledenen uitdrukten. Het was immers datgene waarmee zij herinnerd zouden worden.

Leemte in het onderzoek

De voorbije decennia is het onderzoek naar antieke tweetalige grafinscripties nogal beperkt van aard gebleken. Binnen het onderzoeksveld heeft men zich voornamelijk op de Latijnse tweetaligheid gefocust. Om deze reden heb ik in het academiejaar 2023-2024 in mijn masterproef onderzoek gedaan naar de Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften.[1] Ik heb meer bepaald onderzocht op welke manier taal, tekst en onomastiek de identiteitsbeleving van de overledenen bepaalden. Ik heb onder meer gekeken naar posities van de talen op de grafschriften, alsook hun lengte en inhoud om zo meer te weten te komen over de identiteit van de overledenen. Daarnaast heb ik ook de etymologie van de eigennamen onderzocht. Zo wordt er antwoord geboden op een vraag als “Hadden de overledenen voornamelijk Griekse namen of niet?”. Dit vertelt ons meer over de identiteitsbeleving van de overledenen.

Van Palmyra tot Egypte

De antieke grafinscripties die hier in de schijnwerpers zullen staan zijn voornamelijk afkomstig uit het Griekstalige oosten. Het grootste deel hiervan zijn Grieks-Palmyreens, uit de bekende Syrische karavaanstad Palmyra. Zij worden kwantitatief op de voet gevolgd door de Grieks-Hebreeuwse grafschriften. Zij komen zowel uit het antieke Judea als uit de Joodse catacomben van Rome en Italië. Daarna volgen de Grieks-Frygische epitafen, afkomstig uit Centraal-Anatolië. De Grieks-Koptische en Grieks-Demotische grafschriften sluiten de top 5 af, allebei uit Egypte, zij het geschreven in een ander stadium van de Egyptische taal. We spreken hier over 305 grafinscripties in totaal. Er zijn nog tal van andere Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften, maar hun aantallen zijn te klein en ze zijn te slecht gedocumenteerd om er betekenisvol onderzoek naar te doen. Chronologisch zijn de 305 tweetalige grafinscripties voornamelijk te situeren in de 3de eeuw v.C. en in de 2de eeuw n.C.

Schijfdiagram van het aantal Griekse tweetalige grafinscripties, opgedeeld per taal

Grieks boven!

De keuze van welke taal eerst kwam, alsook de lengte van de teksten en de inhoud ervan bepalen welke identiteit de overledenen of hun nabestaanden wilden uitdrukken via de grafschriften. Daarom heb ik de relatieve positie van de teksten/talen, de lengte en inhoud van elke tekst onderzocht, per grafschrift.

Ik heb een eigen databank gemaakt op basis van de Trismegistos-database, waarin ik voor elk grafschrift drie dingen heb vastgelegd: de positie van de tekst, hoe lang de tekst is, en wat erin staat. De gegevens zijn per taal gegroepeerd. Om het overzicht te bewaren is alles in tabellen gegoten.[2]

[1. Positie – Grieks met:]

Grieks Boven Grieks Onder Naast Elkaar Grieks

Midden

Andere Taal Midden Onbepaald
Palmyreens 80,6% 11,1% 8,3% 0,0% 0,0% 0,0%
Hebreeuws 52,2% 23,2% 5,8% 2,9% 2,9% 13,0%
Frygisch 81,8% 7,6% 1,5% 0,0% 9,1% 0,0%
Koptisch 47,5% 22,0% 5,1% 10,2% 8,5% 3,4%
Demotisch 15,4% 43,6% 7,7% 5,1% 0,0% 28,2%
Totaal % 59,7% 20,0% 6,2% 3,3% 4,3% 7,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 20.

Bovenstaande tabel toont aan dat in een meerderheid van de gevallen het Grieks boven de andere taal staat geschreven op een grafschrift. De Grieks-Demotische grafschriften vormen de uitzondering die de regel bevestigen. Dit lijkt er dus op te wijzen dat het Grieks een belangrijkere status aannam dan de lokale taal. Er zijn wel onderlinge verschillen op te merken: zo staat het Grieks zéér vaak bovenaan een Grieks-Frygische inscriptie, maar is dat bij de Grieks-Koptische grafinscripties veel minder het geval. Soms is het echter niet duidelijk wat de positie van de talen juist is, vandaar de laatste kolom genaamd “Onbepaald”. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met de slechte staat van de inscriptie of een onduidelijke teksteditie, waarbij de positie van de teksten niet wordt aangegeven.

Alle talen zijn gelijk, maar sommige…

[2. Hoeveelheid – Grieks met:]

Evenveel lijnen Grieks > Andere taal Grieks < Andere taal Onbepaald
Palmyreens 48,6% 25,0% 12,5% 13,9%
Hebreeuws 24,6% 56,5% 14,5% 4,3%
Frygisch 33,3% 34,8% 12,1% 19,7%
Koptisch 28,8% 23,7% 42,4% 5,1%
Demotisch 18% 7,7% 51,3% 23,1%
Totaal % 32,1% 31,8% 23,9% 12,1%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 21

Ongeveer 1/3de van de grafschriften in de tabel combineert evenveel Grieks met een andere taal, bijna evenveel grafschriften bevatten meer Grieks. Minder dan een kwart van de grafinscripties bevat meer niet-Griekse tekst dan Griekse tekst. Opnieuw zijn het de Grieks-Demotische en in dit geval ook de Grieks-Koptische grafschriften die hier de uitzondering vormen op de rest. Vanwege de slechte staat van sommige grafinscripties, of omwille van andere redenen, is het in 12% van de gevallen niet duidelijk welke taal nu dominant is.

Wat wordt er precies gezegd?

[3. Inhoud – Taal:]

ID in Grieks ID in andere taal Religieuze inhoud in Grieks[3] Religieuze inhoud in and. taal[4] Spreuk in Grieks Spreuk in and. taal
Gr.-Palmyr. 95,8% 97,2% 0,0% 0,0% 5,6% 11,1%
Gr.-Hebr. 95,7% 56,5% 0,0% 0,0% 7,2% 42,0%
Gr.-Fryg. 97,0% 1,5% 4,6% 0,0% 12,1% 100,0%
Gr.-Kopt. 11,9% 66,1% 22,0% 23,7% 66,1% 10,2%
Gr.-Demot. 89,7% 64,1% 0,0% 43,6% 2,6% 10,3%
Tot. 241 174 16 31 57 113

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 22

Dankzij de tabel hierboven kunnen we ook zien dat de Griekse taal vaak de overledene identificeert. Dat is in de niet-Griekse talen toch minder het geval. Deze talen worden eerder gebruikt om bepaalde (funeraire) spreuken, formules of religieuze inhoud over te brengen. De Grieks-Koptische grafschriften vormen hierop een uitzondering. De percentages overlappen hier omdat een tekst uiteraard meerdere inhoudelijke zaken kan bevatten.

Op basis van deze drie factoren kunnen we stellen dat de Griekse taal toch een zekere overmacht had op tweetalige grafschriften ten opzichte van de lokale talen. Al zijn er hier en daar uitzonderingen, voornamelijk terug te vinden op de Egyptische grafschriften.

Beroepstrots tot in de kist

Een tweetalige Grieks-Palmyreens funerair reliëf van Marcus (een kolonist uit Berytos)

James Noel Adams toont aan in zijn Bilingualism and the Latin Language dat in Latijnse tweetalige grafschriften de beroepsidentiteit van de overledene wordt benadrukt door middel van de taal. Hetzelfde is terug te vinden bij de Griekse tegenhangers. Zo is er een hiërogliefensnijder genaamd Besas die, naast Grieks, ook hiërogliefen op zijn grafschrift heeft staan [TM 52806]. Ongetwijfeld heeft Besas deze hiërogliefen er op laten zetten omwille van zijn beroep.

Het omgekeerde zien we echter ook: zo zijn er de grafschriften van een Grieks-Hebreeuwse leraar [TM 876393] en een Grieks-Palmyreense dokter [TM 829352] die de respectievelijke beroepen expliciet in het Grieks vermelden, maar niet in de lokale taal. Misschien was de leerkracht gespecialiseerd in Grieks onderricht? Adams merkte op dat ook Grieks-Latijnse grafschriften het beroep van dokter vermelden in de Griekse taal.

Naam en faam

Om meer te weten te komen over de identiteitsbeleving van overledenen moet er natuurlijk ook naar de namen en identificatie van die mensen gekeken worden. De etymologie van de naam van de overledene is natuurlijk een belangrijke factor om meer te weten te komen over de achtergrond en identiteit van de persoon. Iemand met een Griekse naam zal misschien wel eerder een band hebben met de Griekse cultuur dan met de lokale cultuur.

Deze dataset is groter dan die van het eerste deel, aangezien eigennamen vaak duidelijker zijn terug te vinden in de tekstedities dan de exacte positie van teksten of de exacte lengte van die teksten. Daarom worden ook Grieks-Nabatese, -Aramese, en -Fenicische grafschriften gebruikt voor dit onderdeel. Die opschriften komen voornamelijk uit het huidige Libanon en Israël/Palestina.

Deze resultaten werden opnieuw per taal gesorteerd en vervolgens in overzichtelijke tabellen gegoten.

[4. Etymologie – Grieks met:]

Grieks Andere Latijn Beide Onbekend
Palmyreens 13,9% 68,4% 16,1% 0% 1,5%
Frygisch 46,4% 28,9% 17,5% 0% 7,2%
Hebreeuws 27,3% 58,5% 13% 0% 1,3%
Koptisch 36,1% 61,1% 0% 0% 2,8%
Demotisch 37,5% 50% 0% 6,3% 6,3%
Hiërogliefisch 40% 50% 0% 10% 0%
Nabatees 16,7% 66,7% 0% 8,3% 8,3%
Aramees 9,1% 81,8% 9,1% 0% 0%
Fenicisch 47,4% 52,6% 0% 0% 0%
Totaal % 29,5% 54,9% 11,3% 1,1% 3,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 47

Deze tabel toont de linguïstische etymologie van de namen op de grafschriften. In totaal beschikken we over 432 namen. Op sommige grafinscripties staan namelijk meerdere namen, hetzij omdat er meerdere personen in één graf waren begraven, hetzij omdat de persoon in kwestie met meerdere namen bekend was. De categorie ‘Andere’ slaat op een niet-Griekse, niet-Latijnse naam vaak afkomstig uit de lokale taal van het grafschrift, maar niet altijd. ‘Beide’ wilt zeggen dat de naam bestaat uit twee onderdelen, elk afkomstig uit een andere taal. Het is duidelijk dat over het algemeen één soort etymologie overheerst, namelijk die van de lokale taal. De Grieks-Frygische grafschriften uit Centraal-Anatolië vormen echter de uitzondering: bijna de helft van die namen zijn van Griekse origine. De verdeling die te zien is tussen de verschillende regio’s is heel interessant. Meer dan 2/3de van de grafschriften uit Palmyra draagt een Palmyreense naam, terwijl slechts de helft van de Egyptische grafschriften een Egyptische naam bevat. De etymologie van een naam is uiteraard niet altijd bekend.

Identiteit achter de naam

Tweetalig grafschrift Latijn-Palmyreens van een vrijgelatene met meer identificatie-elementen (zoals de naam van haar echtgenoot) enkel in het Latijn

Naast namen vermelden de grafschriften ook vaak andere identificatie-elementen. In de Oudheid bestonden er namelijk geen achternamen zoals wij die kennen. Op een grafschrift moest men zich dus op andere manieren differentiëren van mensen met dezelfde voornaam. Daarom werd vaak de naam van de vader toegevoegd achter die van de dode, als patroniem (bijvoorbeeld Thaimarsas, zoon van Zabdaathes [TM 831060], zie ook de website van Virtual Museum of Syria voor een afbeelding en meer context). In sommige gevallen was dit de naam van de moeder, een metroniem. Om iemand nog specifieker te identificeren werd vaak ook de naam van de grootvader, overgrootvader, enzovoort toegevoegd. Daarbovenop werden nog andere identificatie-elementen gebruikt: woonplaats, echtgeno(o)t(e), clan of beroep.

Ik heb niet in kaart gebracht welke identificatie-elementen er werden gebruikt, maar wel hoeveel, en of die hoeveelheid dezelfde was in beide talen. Iemand die immers heel uitgebreid geïdentificeerd wordt in de lokale taal en slechts zeer kort in het Grieks, voelde zich waarschijnlijk eerder verbonden met de lokale cultuur dan de Griekse.

[5. ID-elementen: – Grieks met:]

ID-elementen in Grieks ID-elementen in Andere taal Langer?
Palmyreens 3,08 3,41 Andere taal
Frygisch 1,23 / /
Hebreeuws 1,84 1,39 Grieks
Koptisch 2,89 1,5 Grieks
Demotisch 2,06 2,36 Andere taal
Hiërogliefisch 2,69 2,75 Andere taal
Nabatees 1,91 2,33 Andere taal
Aramees 2,67 2,6 Grieks
Fenicisch 2,6 3,1 Andere taal
Totaalgemiddelde 2,19 2,62 Andere taal

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 48

Deze tabel toont het gemiddeld aantal identificatie-elementen per overledene per taal. Voor het Grieks is hier gekeken naar de 241 Griekse teksten die iemand identificeren en voor de lokale taal naar de 174 teksten (zie tabel 3). Het betreft hier dus niet grafschriften waarbij beide teksten de overledene identificeren. Het totaal toont aan dat de overledenen in het algemeen uitgebreider in de lokale taal werden bekendgemaakt dan in het Grieks. Er zijn wel uitzonderingen, namelijk de Grieks-Hebreeuwse, -Koptische, en -Aramese teksten. Daarnaast is het ook interessant om de verschillen te zien tussen de talen. Over het algemeen identificeren de Grieks-Palmyreense grafinscripties de overledene uitvoeriger, met gemiddeld meer dan drie elementen, dan hun Grieks-Hebreeuwse tegenhangers, met gemiddeld minder dan twee elementen.

Genderongelijkheid tot de dood

Er zijn ook opvallende verschillen op te merken tussen de identificatie van mannen en van vrouwen op de grafstenen. Mannen werden over het algemeen uitgebreider genoemd dan vrouwen, met meer elementen. Vrouwen moesten zich vaak tevredenstellen met twee identificatie-elementen of minder, terwijl de mannen er vaak meer dan twee hadden. De talige afkomst van de vrouwennamen en de mannennamen verschilt echter weinig van elkaar. In de helft van de gevallen worden de namen van de vrouwen enkel genoemd in de Griekse tekst. Mannen worden dan weer in 2/3de van de gevallen in beide talen bekendgemaakt.

Conclusie

Er kan besloten worden dat het beeld niet éénduidig is inzake de identiteitsbeleving van overledenen met tweetalige grafschriften. Op basis van de positie van de teksten, de lengte en de inhoud zou je denken dat over het algemeen de Griekse identiteit de overhand heeft. Als we echter kijken naar de namen en de lengte van identificatie van de overledenen zien we een dominantie van de lokale talen. Dit is net het mooie aan deze grafinscripties, namelijk dat de twee culturen en talen, lokaal én Grieks, hand in hand gaan. Het is dus duidelijk dat deze overledenen een hybride identiteitsbeleving hadden, waarbij hun lokale wortels werden gecombineerd met de dominante Griekse cultuur.

Meer lezen

Adams, James Noel. Bilingualism and the Latin language. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Adams, James Noel en Janse, Mark en Simon Swain, reds. Bilingualism in Ancient Society: Language Contact and the Written Text: 1-23. Oxford: Oxford University Press, 2002.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. ‘ἐν םולש ἡ κοίμησις: Een studie naar identiteitsbeleving o.b.v. Griekse tweetalige grafinscripties’. Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. “ἐν שלום ἡ κοίμησις. Identiteit van overledenen in Griekse tweetalige grafinscripties.” Poster gepresenteerd op de Masterproefpresentaties 2023-2024.

[1] Enkele drietalige inscripties met aanwezigheid van Latijn (naast het Grieks en een andere taal) werden ook onderzocht, maar de Latijnse teksten werden genegeerd voor dit onderzoek.

[2] Bij alle tabellen wijkt het opgetelde totaalpercentage af van 100% vanwege afrondingen

[3] Exclusief religieuze spreuken

[4] Exclusief religieuze spreuken

Coverafbeelding: Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098], afkomstig uit de databank Hesperia (CC BY-NC 3.0)

[De auteur wil Michiel D’huyvetters en Stef Janssens bedanken voor het proeflezen.]

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/feed/ 0 2747
Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/ https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/#respond Sat, 26 Mar 2022 16:51:18 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2265

Op het moment dat de Perzische dynastie van de Achaemeniden in de 4de eeuw v.C. de plak zwaaide over Mesopotamië of het Tweestromenland, had de beschaving tussen de Tigris en de Eufraat al een heuse weg afgelegd in de wereldgeschiedenis. De daaropvolgende twee eeuwen, na de intreden van Alexander de Grote, viel het gebied onder de Grieks-Macedonische heerschappij met het 'Huis van Seleucus'. In dit artikel lees je meer over deze minder gekende episode uit de wereldgeschiedenis.

Het bericht Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Op het moment dat de Perzische dynastie van de Achaemeniden in de 4de eeuw v.C. de plak zwaaide over Mesopotamië of het Tweestromenland, had de beschaving tussen de Tigris en de Eufraat al een heuse weg afgelegd in de wereldgeschiedenis. Sinds millennia golden de inwoners van deze regio – waarvan het grootste gedeelte in het huidige Irak ligt – als dé koplopers binnen de evolutie van de mensheid richting een gevestigde en ontwikkelde samenleving. Zij waren de eerste landbouwers, de eerste stedenbouwers, de eerste schrijvers…

Het Babylon van de Westerse fantasiewereld met de mythische Hangende Tuinen op de voorgrond en de al even legendarische Toren van Babel op de achtergrond, op een illustratie uit de 19de eeuw

De relatief jonge Griekse stadstaten konden op dat moment niet anders dan zich verwonderen over het verreikende verleden en de eeuwenoude tradities van dit trotse volk. Verhalen over quasi-legendarische monarchen zoals de koningin Semiramis en geruchten over kolossale, bovenmenselijke bouwcomplexen zoals de ‘Hangende Tuinen’ van Babylon deden hun intrede in de Griekse fantasiewereld. Tevens begonnen de Mesopotamiërs dankzij de handel steeds meer te weten te komen over de poleis in het Westen. Er lag echter nog meer in het verschiet voor de relatie tussen deze twee culturen: ze geraakten nauw met elkaar vervlochten voor meer dan 200 jaar. Na de komst van Alexander de Grote in 331 v.C. zag het Tweestromenland immers zijn Perzische meester vertrekken en kwam er een Helleense in de plaats. Wat volgde was namelijk een periode van Grieks-Macedonische overheersing gedurende twee eeuwen.

De aankomst van de Hellenen en de strijd om Mesopotamië

Na de klinkende overwinning van Alexander op de Perzen nabij Gaugamela op 1 oktober 331 v.C., lag de weg naar Babylonië voor de Grieks-Macedonische troepen open. De intrede van de wereldveroveraar in de belangrijkste stad van de regio, het legendarische Babylon, was volgens de Griekse bronnen een grandioze gelegenheid. Onder het gejuich van de inwoners marcheerden de falanxen zonder weerstand plechtig een stad binnen die nog geen paar jaar daarvoor slechts het voorwerp was van hun wildste dromen:

ἤδη τε οὐ πόρρω Βαβυλῶνος ἦν καὶ δύναμιν ξυντεταγμένην ὡς ἐς μάχην ἦγε, καὶ οἱ Βαβυλώνιοι πανδημεὶ ἀπήντων αὐτῷ ξὺν ἱερεῦσί τε σφῶν καὶ ἄρχουσι, δῶρά τε ὡς ἕκαστοι φέροντες καὶ τὴν πόλιν ἐνδιδόντες καὶ τὴν ἄκραν καὶ τὰ χρήματα. Ἀλέξανδρος δὲ παρελθὼν εἰς τὴν Βαβυλῶνα τὰ ἱερὰ, ἃ Ξέρξης καθεῖλεν, ἀνοικοδομεῖν προσέταξε Βαβυλωνίοις, τά τε ἄλλα καὶ τοῦ Βήλου τὸ ἱερόν, ὃν μάλιστα θεῶν τιμῶσι Βαβυλώνιοι.

“Hij (Alexander) bevond zich reeds in de buurt van Babylon en voerde een legermacht aan, klaargemaakt voor de strijd, toen de Babyloniërs massaal samen met hun priesters en leiders hem tegemoet traden, geschenken met zich meedroegen en de stad, de burcht en de schatkist overhandigden. Nadat Alexander was aangekomen in Babylon beval hij voor de Babyloniërs het herstel van de heiligdommen die Xerxes had verwoest, met name de tempel van Bel, die de Babyloniërs het meest van al de goden eren.” (Arrianus, Anabasis Alexandri, 3.16.3-4)

De intrede van Alexander in Babylon op het gelijknamige schilderij van de Franse schilder Charles Le Brun uit de collectie van het Louvre

Alexander had grootse plannen met Babylon: de stad diende het centrum te worden van zijn wereldrijk. De Macedoniër stierf echter op 32-jarige leeftijd in 323 v.C. alvorens zijn beoogde hoofdstad te kunnen uitbouwen. De ongelukkige gevolgen van zijn voortijdige dood zijn inmiddels goed gekend: de generaals en vrienden van de koning vlogen terstond elkaar naar de keel om de heerschappij over het reusachtige imperium. Een van de zwaarst getroffen gebieden was Mesopotamië. Het Tweestromenland gold immers als een van de rijkste regio’s uit West-Azië en was bijgevolg onmisbaar voor de ambitieuze generaals met hun geldverslindende oorlogen. Bovendien was Mesopotamië door diens centrale ligging in West-Azië van groot strategisch belang. De diadochen die ervan droomden Azië te bedwingen, konden dit onmogelijk verwezenlijken zonder zichzelf eerst stevig in het zadel te plaatsen van het Tweestromenland.

Buste van Seleucus I Nicator

Deze streek werd in de eerste plaats de inzet van een bloedig conflict tussen Antigonos I Monophthalmos en Seleucus I Nicator dat jaren aansleepte. Seleucus was onder Alexander de Grote de commandant van het elitekorps van de zogenaamde “Zilverschilden” (Hypaspistai) en na het Verdrag van Triparadeisos (321 v.C.) verkreeg hij het gouverneurschap over Babylonië. In 316 v.C. verdreef de machtige Antigonos de jonge generaal uit zijn provincie. Deze zou later in 312 v.C. met een kleine schare volgelingen en de steun van Ptolemaeus I terugkeren en wist het land tussen de Tigris en de Eufraat weer te bemachtigen. Dat de inwoners van dit gebied het zwaar te verduren hadden gedurende dit conflict wordt duidelijk uit enkele inheemse bronnen zoals de ‘Diadochenkroniek’, een beschadigd kleitablet dat spreekt over “gejammer en rouw in het land”. Seleucus kwam uiteindelijk als overwinnaar uit de bus en verdreef Antigonos naar het westen.

Seleucus consolideert zijn macht: de stichting van Seleucië-aan-de-Tigris

Hoewel de oorlogen tussen de opvolgers bleven aanhouden, keerde na Antigonos’ verdrijving de rust terug naar het land tussen de Tigris en de Eufraat. Seleucus kon zich nu meer richten op de uitbouw van zijn heerschappij in dit gebied. Hij kroonde zichzelf tot koning in het jaar 305 v.C. en ging over tot een uitgebreid kolonisatiebeleid waarbij talrijke Grieks-Macedonische nederzettingen doorheen Azië het levenslicht zagen. Om de macht van het nieuwe regime duidelijk te maken, gingen de nieuwe steden veelal de naam van de vorst dragen of van één van diens familieleden. Deze stichtingen dienden in de eerste plaats om de Seleucidische macht te consolideren in de zopas veroverde gebieden.

Archeologische kaart van Seleucië-aan-de-Tigris

De belangrijkste stad die de nieuwe koning liet bouwen in het Tweetromenland was Seleucië (Seleukeia) aan de oever van de Tigris (ook wel Seleucië-aan-de-Tigris genoemd). Seleucië zou gedurende de Hellenistische periode uitgroeien tot een van de meest vooraanstaande steden. De muur van de stad zou een gebied van zo’n 550 hectaren omarmen. Moderne schattingen leggen het inwonersaantal vast op zo’n 100 000 met daarbij nog een afhankelijke bevolking van 400 000 inwoners in het omliggende gebied, een enorm aantal in de antieke wereld. Seleucië had voornamelijk haar rijkdom te danken aan haar gunstige ligging, namelijk op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes. De stad controleerde namelijk in de eerste plaats de lucratieve handel die via de oostelijke landweg vanuit Bactrië (het huidige Afghanistan) en Noord-Iran kwam. Daarnaast waakte de stad over de binnenstroom van goederen vanuit Indië en Arabië via de Perzische Golf.

Een populaire opvatting van vroeger was dat met het ontstaan van Seleucië de doodsteek aan Babylon werd toegebracht. De gehele bevolking – op een paar priesters na – zou een nieuw onderkomen hebben gezocht in de Griekse hoofdstad. De antieke auteurs beschreven al hoe het eens zo magnifieke centrum van de Babylonische beschaving door de stichting van Seleucië ontaardde in een dodenstad:

καὶ γὰρ ἐκεῖνος καὶ οἱ μετ᾽ αὐτὸν ἅπαντες περὶ ταύτην ἐσπούδασαν τὴν πόλιν καὶ τὸ βασίλειον ἐνταῦθα μετήνεγκαν: καὶ δὴ καὶ νῦν ἡ μὲν γέγονε Βαβυλῶνος μείζων ἡ δ᾽ ἔρημος ἡ πολλή, ὥστ᾽ ἐπ᾽ αὐτῆς μὴ ἂν ὀκνῆσαί τινα εἰπεῖν ὅπερ ἔφη τις τῶν κωμικῶν ἐπὶ τῶν Μαγαλοπολιτῶν τῶν ἐν Ἀρκαδίᾳ ‘ἐρημία μεγάλη ‘στὶν ἡ Μεγάλη πόλις.

“Hij (Seleucus) en al zijn opvolgers legden zich toe op (de uitbouw van) Seleucië en verhuisden naar daar hun paleis. Inderdaad is deze (Seleucië) op het moment groter dan Babylon, thans zo verlaten dat men hierdoor niet zou aarzelen te stellen dat wat een blijspeldichter ooit zei over Megalopolis uit Arcadië: ‘de grote stad is een grote woestijn’.”  (Strabo, 16.1.5)

Uit onderzoek van de kleitabletten blijkt echter dat dit niet helemaal klopt. Deze bronnen tonen aan hoe Babylon onder het Seleucidische bewind nog steeds een drukke stad was. Ze had weliswaar op het internationale toneel haar politiek belang verloren, maar dit betekende geenszins haar ruïnering. Meer nog, Babylon bleef doorheen de Hellenistische periode het belangrijkste religieuze centrum van het Tweestromenland dat zelfs het respect afdwong van de Seleucidische koning.

Mesopotamië in de 3de eeuw v.C.

De ‘Ptolemaeus III Kroniek’, een spijkerschrifttablet uit het British Museum (BCHP 11 = BM 34428)

Nadat de verwoestende Diadochenoorlogen zich hadden verplaatst naar het Westen in het begin van de 3de eeuw v.C. brak er in Mesopotamië een relatief vredevolle periode aan. Deze rust hield aan voor de rest van de eeuw buiten twee korte, gewelddadige intermezzo’s. Eerst was er de Derde Syrische Oorlog (246 v.C. – 241 v.C.). Hoewel – zoals de naam doet vermoeden – dit conflict in de eerste plaats werd uitgevochten in Syrië, informeert de zogenaamde “Ptolemaeus III Kroniek” (een Mesopotamisch spijkerschrifttablet) ons dat de Ptolemaeïsche legers zelfs tot in Babylon waren doorgedrongen. Het vredesverdrag dat de oorlog beëindigde, liet echter het Tweestromenland in Seleucidische handen.

Later werd de rust nogmaals verstoord na de troonsbestijging van Antiochus III. Toen kwam in 222 v.C. de satraap van Medië (huidige Noord-Iran), Molon, in opstand tegen het centrale gezag. Deze rebel stak het Zagrosgebergte over om het Tweestromenland in te lijven. Hij zou uiteindelijk verslagen worden door de rechtmatige vorst, maar de opschudding moet groot zijn geweest. Zo blijkt uit Polybius dat Seleucië-aan-de-Tigris met Molon had meegewerkt (V.54). Antiochus III stelde zich echter mild op tegenover de inwoners van de kolonie en nam genoegen met de betaling van een relatief kleine geldboete voor het verraad.

Ondanks deze twee korte opschuddingen en mogelijk nog een economische crisis in de late jaren 270 en vroege jaren 260 v.C. floreerden de aloude steden van de Mesopotamische beschaving. Vooral de zuidelijke centra verrijkten zich dankzij de intensifiërende internationale handel onder de Seleuciden. Deze bloei in het zuiden liet zich vooral merken in Uruk waar twee nieuwe grote tempelcomplexen verrezen. Tevens in het Noorden profiteerden enkele steden zoals Mari, Nineveh en Arslan-Tash van de hervonden stabiliteit onder het ‘Huis van Seleucus’. In de Hellenistische periode werd het economische zwaartepunt van het land vooral de Diyala-regio ten oosten van de Tigris (deels op instigatie van de stichting van Seleucië-aan-de-Tigris). Het archeologische onderzoek laat zien hoe er aldaar in het Hellenistische tijdperk vijftien keer meer bebouwing was dan in de Perzische periode. Enkel Ur vertoont tekens van achteruitgang, maar dit is in de eerste plaats te wijten aan de verandering van de koers van de Eufraat: de stad werd afgezonderd van de levensader die haar rijkdom waarborgde.

Kaart van het oude Mesopotamië met de belangrijkste steden

Het doek valt: het einde van de Seleuciden in Mesopotamië

In de 2de eeuw v.C. werd de handhaving van het centrale gezag in Mesopotamië steeds moeilijker. Niet alleen begonnen steeds meer generaals en gouverneurs in opstand te komen en dynastieke conflicten het rijk te teisteren, maar eveneens doemde er een agressieve, nieuwe vijand op vanuit het Oosten: de Parthen. Dit volk had reeds in c. 250 v.C. in Noord-Iran een onafhankelijk koninkrijk gesticht in voormalig Seleucidisch territorium, maar het duurde tot de 2de eeuw vooraleer ze een grote bedreiging gingen vormen voor de dynastie. Rond 140 v.C. begonnen de Parthen zich resoluut toe te leggen op de verovering van het Tweestromenland.

Tetradrachme van Antiochus VII Euergetes Sidetes

Tijdens deze strijd heerste er een tijdlang anarchie tussen de Tigris en de Eufraat. Zowel de Parthen als de Seleuciden slaagden er niet meteen in de streek onder controle te krijgen. Uit dit vacuüm ontstonden enkele kortstondige koninkrijkjes, geregeerd door voormalige Seleucidische functionarissen of lokale heersers. Mettertijd werd de greep van de Parthen echter steeds sterker. Koning Antiochus VII Sidetes (138 – 129 v.C.) ondernam nog een laatste poging om alsnog in het Tweestromenland het Seleucidische gezag te herstellen. Aanvankelijk was zijn veldtocht tegen de Parthen een succes, maar de vorst bleek niet opgewassen tegen de gecoördineerde tegenaanval van zijn vijand. Hij stierf in 129 v.C. tijdens deze campagne. Hiermee was het doek gevallen, de Seleucidische dynastie was definitief verdreven uit Mesopotamië. Op die manier kwam de 200-jarige Grieks-Macedonische overheersing dus aan haar einde.

Conclusie

Na de dood van Alexander en een jarenlang bloedig conflict met Antigonos Monophthalmos kwam Seleucus aan de macht in het Tweestromenland op het einde van de 4de eeuw v.C. Zijn dynastie consolideerde haar gezag via de stichting van enkele belangrijke kolonies zoals Seleucië-aan-de-Tigris. Dit beleid zorgde niet voor de teloorgang van de inheemse steden. Meer nog, de archeologie toont aan hoe de meeste Mesopotamische nederzettingen gedurende de 3de eeuw v.C. weer gingen bloeien. In de 2de eeuw v.C. ging het echter bergafwaarts voor de Seleuciden in Mesopotamië door aanhoudende interne crisissen. Van deze kwetsbare situatie ging een nieuwe vijand uit het Oosten ten volle profiteren: de Parthen. Het ‘Huis van Seleucus’ bleek in het Tweestromenland niet bestand tegen dit Noord-Iraanse koninkrijk: de Parthen zouden de streek inpalmen en er meer dan drie eeuwen de scepter zwaaien. Ondertussen verviel het eens zo machtige Seleucidische imperium tot een lokaal Syrisch koninkrijkje dat de speelbal werd van buitenlandse mogendheden en uiteindelijk in 63 v.C. werd veroverd door de Romeinse generaal Gnaeus Pompeius Magnus.

Lees meer

Aperghis, G., The Seleukid Royal Economy: The Finances and Financial Administration of the Seleukid Empire, 2004.
Boiy, T., Babylon: De echte Stad en de Mythe, 2010.
Capdetrey, L., Le pouvoir séleucide: territoire, administration, finances d’un royaume hellénistique (312-129 avant J.-C.), 2007.
Grayson, A., Assyrian and Babylonian Chronicles, 1975.
Kosmin, P., Time and its Adversaries in the Seleucid Empire, 2018.
Roux, G., Ancient Iraq, 1993 (1964).
Sherwin-White, S., “Aspects of Seleucid Royal Ideology: The Cylinder of Antiochus I from Borsippa”, The Journal of Hellenic Studies, Vol. 111, 1991, pp. 71-86.
Sherwin-White, S. & Kuhrt, A., From Samarkhand to Sardis: A New Approach to the Seleucid Empire, 1993.
Sherwin-White, S., “Seleucid Babylonia: a case-study for the installation and development of Greek rule”, Hellenism in the East: The interaction of Greek and non-Greek civilizations from Syria to Central Asia after Alexander, eds. A. Kuhrt & S. Sherwin-White, 1987.
van der Spek, R., “The Babylonian City”, Hellenism in the East: The interaction of Greek and non-Greek civilizations from Syria to Central Asia after Alexander, eds. A. Kuhrt & S. Sherwin-White, 1987.
Wheatley, P., “Antigonus Monophthalmus in Babylonia, 310-308 B. C.”, Journal of Near Eastern Studies, Vol. 61, 2002, pp. 39-47.
Wiesehöfer, J., La Persia antica, vert. naar Italiaans A. Cristofori, 2003 (1999).

Coverafbeelding: adaptatie van de afbeeldingen ‘Mesopotamia 9 October 2020’ van NASA World View op Wikimedia (PD) & ‘Seleuco I Nicatore’ uit het ‘National Archaeological Museum of Naples (inv. nr. 5590)’ op Wikimedia (CC BY-SA 2.0 IT)

Het bericht Grieken in Irak: de Seleucidische heerschappij over Mesopotamië van Oivier Goossens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/26/03/2022/grieken-in-irak-de-seleucidische-heerschappij-over-mesopotamie/feed/ 0 2265
Quis est? Artemidoros, de bekendste arts van Ptolemaeïsch Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2022/quis-est-artemidoros-de-bekendste-arts-van-ptolemaeisch-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2022/quis-est-artemidoros-de-bekendste-arts-van-ptolemaeisch-egypte/#respond Sat, 05 Feb 2022 15:44:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2237

In een nieuwe aflevering van onze reeks 'Quis est?' proberen we ditmaal het leven van Artemidoros te reconstrueren. Deze arts die leefde in Egypte tijdens de 3de eeuw v.C. onder de heerschappij van de Ptolemaeën, kennen we vooral dankzij enkele papyri. Naast zijn medische activiteiten blijkt hij er nog heel wat andere bezigheden op na te houden.

Het bericht Quis est? Artemidoros, de bekendste arts van Ptolemaeïsch Egypte van Lisa Vanoppré verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Geef toe, beste lezers, wie van jullie heeft niet al eens geprobeerd om meer te weten te komen over iemand door zijn of haar Facebook-pagina te doorzoeken? Sommigen onder ons hebben zich zelfs ontpopt tot professionele speurders, en kunnen via slechts een naam bijna alles terugvinden over de familie, vrienden, functies, interesses, belangrijke levensgebeurtenissen, en ja, ook gênante momenten van de persoon in kwestie. Geloof het of niet, maar oudhistorici doen net hetzelfde, alleen sporen ze zoveel mogelijk informatie op over mensen uit de Oudheid, natuurlijk niet via sociale media, maar aan de hand van de documenten (papyri en potscherven) die deze mensen zelf duizenden jaren geleden in het zand van Egypte hebben achtergelaten. Eén van hen was Artemidoros, een arts die leefde in Egypte tijdens de 3de eeuw v.C. onder de heerschappij van de Ptolemaeën.

Hij was niet zomaar een dokter, maar trad op als de lijfarts van de toenmalige financiële minister (διοικητής), Apollonios, een functie die vergelijkbaar is met die van de hofarts van de koning. Bijgevolg is het niet verwonderlijk dat deze Artemidoros overgeleverd is in maar liefst 25 documentaire bronnen uit Ptolemaeïsch Egypte, die allemaal deel uitmaken van het befaamde archief van Zenon, de manager van het landgoed van diezelfde Apollonios, en hij daarmee de (ons) bekendste arts van Egypte uit die periode is. Wel opvallend is dat deze documenten, waaronder vele brieven, ons nauwelijks of zelfs niets prijsgeven over zijn professionele, medisch-gerelateerde activiteiten. Sterker nog, indien hij niet geregeld als ‘de arts’ (ὁ ἰατρός) was aangesproken of geïdentificeerd in die brieven, zouden we wellicht niet eens weten dat hij dit beroep uitoefende. Wat geven de bronnen dan wel prijs over deze man? Meer dan u denkt…

“Don’t worry, he’s a doctor!”

We (of althans de fans) horen het Pascal uit F.C. De Kampioenen nog hoopvol vragen aan haar dochter Bieke wanneer ze weer eens thuiskwam met een nieuw lief: “En, is het een dokter?”. De makers van deze komische tv-serie spelen duidelijk in op het herkenbare maatschappelijk aanzien dat artsen genieten, vooral bij de oudere generatie, die maar al te blij waren wanneer zoon- of dochterlief met een arts thuiskwam. Een gelijkaardig beeld krijgen we over dokters in Ptolemaeïsch Egypte, en in het bijzonder over Artemidoros. Deze dokter werd namelijk geregeld door zijn omgeving ingeschakeld om bepaalde taken of sociale rollen op zich te nemen, niet alleen omwille van zijn connectie met de financiële minister, maar ook vanwege de (medische) kwaliteiten die hij als dokter bezat of werd geacht te bezitten.

De meest opmerkelijk bron (P. Cairo Zen. 2 59251, [TM 896]) is geschreven door Artemidoros zelf vanuit Sidon, om Zenon in te lichten dat zowel hij als Apollonios het goed stelden en op de terugweg waren nadat ze prinses Berenike tot aan de Syrische grens geëscorteerd hadden. De Ptolemaeïsche prinses zou huwen met Antiochos II, de Seleucidische koning, ter beëindiging van de Tweede Syrische Oorlog (260-253 v.C.). Haar vader, Ptolemaios II, had zijn dochter vanuit de hoofdstad Alexandrië tot aan de grensstad Pelusium begeleid in het gezelschap van hoge ambtenaren, waaronder Apollonios en Artemidoros, aan wie hij haar toevertrouwde voor het tweede deel van de reis doorheen Phoenicia tot aan de Syrische grens. Dat Artemidoros dit gezelschap mocht vervoegen, zal hij vooral te danken hebben aan zijn medische kwaliteiten en zijn connectie met Apollonios, maar dat de koning toestond en/of verkoos om zijn dochter aan deze man toe te vertrouwen, geeft aan dat Artemidoros niet alleen een goede dokter, maar ook een betrouwbaar man was in de ogen van de vorst.

De reis van prinses Berenike in het gezelschap van onder andere Artemidoros, van Alexandrië naar Sidon via Pelusium

Deze kwaliteiten, samen met zijn invloedrijke positie, werden eveneens geapprecieerd door de andere (Griekse) inwoners van Ptolemaeïsch Egypte, die op Artemidoros beroep deden als tussen-/vertrouwenspersoon, zelfs naar de koning toe. Een zekere Hierokles nam zijn toevlucht tot de arts in de hoop dat hij de vorst kon overtuigen om zijn kandidaat, Ptolemaios, aan te stellen als het hoofd van het nieuwe palaestra – het equivalent van een fitnesscentrum – in Alexandrië voor de zonen van de hoge ambtenaren nadat hieromtrent (hof)intriges waren ontstaan (P. L. Bat. 20 51, [TM 1882]).

Op dezelfde manier vroegen kennissen bij moeilijke kwesties zijn mening of goedkeuring over brieven gericht aan de financiële minister (P. Cairo Zen. 1 59044, [TM 704]), zijn overste. Die deed op zijn beurt ook beroep op Artemidoros om als een echte secretaris in zijn naam te corresponderen met en instructies te geven aan andere werknemers, bijvoorbeeld aan Panakestor, de eerste manager van Apollonios’ landgoed, over de cultivatie van gewassen (P. Cairo Zen. 5 59816, [TM 1440]). De betrouwbaarheid, invloed en autoriteit die Artemidoros als lijfarts van Apollonios uitstraalde, brachten hem dus verder dan zijn dokterskabinet, en bijgevolg vormt hij een mooi voorbeeld van de groeiende rol van artsen in het politieke en sociale leven tijdens de Hellenistische periode (332-31 v.C.).

Een riante villa tussen de varkens

De bevoorrechte positie die dokter Artemidoros in de Ptolemaeïsche maatschappij bekleedde en de dankbaarheid die de koning jegens hem koesterde, vertaalden zich in de schenking van een landgoed in Philadelpheia, dat, zoals bij Apollonios, beheerd werd door Zenon. Deze manager correspondeerde geregeld met ondergeschikten of de arts zelf over het cultiveren van gewassen op dit landgoed (bv. P. Cairo Zen. 3 59354, [TM 997]) en het Zenonarchief bevat zelfs een lijst met een opsomming van de gewassen die hier geoogst waren tijdens de warme zomermaanden (P. Ryl. Gr. 4 571, [TM 2427]):

Παχὼνς παρὰ Ἀρτεμιδώρου
ἰατροῦ
ιθ μήκωνος μελαί(νης) ια < δ´
κ Μηδικοῦ πυ(ροῦ) ιϛ <

Παῦνι ζ ὀλύρ(ας) ρα
ιζ σησάμου κα
κγ σησάμ(ου) λγ

(γίνονται) πυρ(οῦ) ιϛ <
ὀλύρ(ας) ρα
σησάμου νδ
μήκωνος \μελαί(νης)/ ια < δ´ v

τῶν Ἀρτεμιδώρου
γενημάτων.

Pachon, van Artemidoros
de arts:
19de, van zwarte maanzaad 113⁄4 artaben;
20ste, van Medische tarwe 161⁄2.

Pauni 7de, van olyra 101;
17de, van sesam 21.
23ste, van sesam 33

Totaal: 161⁄2 artaben van tarwe,
101 van olyra,
54 van sesam, 113⁄4 van zwarte maanzaad

Van de gewassen van Artemidoros.

Naast akkerland bezat Artemidoros ook een huis in Philadelpheia, waar hij vertoefde indien hij Apollonios niet als lijfarts vergezelde op één van zijn reizen doorheen Egypte. Een Demotische rekening vertelt ons dat er voor de bouw van dit huis (minstens) 10 000 bakstenen gebruikt zijn (P. Zen. Dem. 22, [TM 2318]). Nu hoor ik u denken: “Jammer dat we geen afbeelding hebben van dit huis”. Maar … niet getreurd! En daar mag je varkenshoeder Herakleides voor bedanken. Toen hij zich namelijk richtte tot Zenon met het voorstel om de varkens te beschermen tegen de komende Nijloverstroming door een palissade te bouwen, voegde hij hier een gedetailleerde schets aan toe van de locatie waar deze omheining moest komen (P. Mich. Zen. 84, [TM 1983]):

C.C. Edgar, Zenon papyri in the University of Michigan collection. Ann Arbor: University of Michigan press, 1931

Schets van de omheining langs het huis van Artemidoros, afkomstig uit een brief van varkenshoeder Herakleides

Een constructie van puntige palen (χάραξ) moest zich langs het Grote Kanaal in Philadelpheia uitstrekken “van de bezittingen van Artemidoros tot aan de omheiningsmuur van Poremanres” (ἀπὸ τῶν Ἀρτεμιδώρου ἕως τοῦ Πορεμανρῆτος τρυφάκτου). Als u goed kijkt links bovenaan, ziet u dat die bezittingen zijn verduidelijkt als Ἀρτεμιδώρου οἴκησις, “huis van Artemidoros”. Dankzij de overige bewaarde papyri weten we dat met deze persoon onze arts wordt bedoeld, en dit huis bijgevolg aan hem kan toegeschreven worden. Deze bron geeft weliswaar geen echte afbeelding van zijn huis, maar wel een unieke visuele voorstelling van de omgeving en plaats waar het gebouwd was, vergelijkbaar met de hedendaagse kaarten op Google Maps. Gelegen langs de oostelijke zijde van het Grote kanaal, bevond het huis van Artemidoros zich tussen belangrijke gebouwen zoals de tempels van Hermes en Poremanres. We kunnen ons bijgevolg goed voorstellen dat deze dokter tijdens zijn vrije tijd in Philadelpheia zijn intrek kon nemen in een vermaard pand, met zicht op het water, met goden als buren en … omgeven door varkens.

Van prestigieuze lijfarts tot dierenkweker

Het laatste, en wellicht meest opmerkelijke, aspect dat de papyri over Artemidoros prijsgeven, is dat hij een fervent kweker was van verschillende diersoorten. Dit verklaart waarom deze arts zich vrijwillig liet omringen door (een groot aantal) varkens, toevertrouwd aan de zorg van een zwijnenhoeder, die er echter niet voor terugschrok om enkele dieren te stelen (P. Cairo Zen. 3 59310, [TM 954]). Maar Artemidoros had niet enkel een voorliefde voor knorrende varkens. Op de terugweg van zijn reis met prinses Berenike, richtte hij niet enkel een brief aan Zenon om zijn gezondheidstoestand mee te delen, maar gaf hij hem eveneens de instructie om goed zorg te dragen voor zijn runderen, ganzen, varkens, en ander vee.

En alsof dit allemaal nog niet genoeg was, kweekte en verkocht deze dokter ook paarden. In een brief die Artemidoros richtte aan Zenon (P. Cairo Zen. 2 59225, [TM 870]), vroeg hij hem zijn connecties te gebruiken om het zwarte paard van de zonen van een zekere Leptines te bemachtigen door het te kopen voor een klein bedrag of te lenen voor het broedseizoen. De arts had namelijk vernomen dat dit paard enkel nog nuttig was om te kweken door zwellingen aan zijn benen, en aangezien zijn eigen hengst oud en zwak was, leek dit dier een ideale en goedkope vervanging. Of Artemidoros deze dieren kweekte als hobby of om geld (bij) te verdienen, kunnen we moeilijk afleiden uit de bewaarde bronnen. Het staat alleszins vast dat dit een belangrijke bezigheid voor hem was naast zijn functie als (lijf)arts.

Photographic Archive of Papyri in the Cairo Museum

De papyrus P. Cairo Zen. 2 59225 bevat meer informatie over de bezigheden van Artemidoros als paardenkweker

Conclusie

De casus van dokter Artemidoros is geen alleenstaand geval, maar wel een mooi voorbeeld van hoe oudhistorici via speurwerk meer te weten kunnen komen over de ‘gewone’ inwoners van Ptolemaeïsch Egypte dan de meeste mensen denken. Ze vertrekken vanuit de alom bekende Paul Jambers-vragen: “Wie zijn ze?”, “Wat doen ze?”, “Wat drijft hen?”. Natuurlijk kunnen de ‘antieke’ mensen die vragen niet zelf beantwoorden, maar dankzij duizenden overgeleverde brieven, rekeningen, petities, … komen deze mensen wel onrechtstreeks aan het woord. En dit stelt oudhistorici in staat om toch een zo goed mogelijk beeld te geven van wie deze mensen waren en wat ze in het dagelijkse leven deden. Dankzij zijn eigen woorden, maar ook die van zijn kennissen, kunnen we Artemidoros portretteren als een man met vele gezichten: van een betrouwbare en invloedrijke (lijf)arts tot een serieuze zakenman-dierenkweker. We hadden graag nog meer te weten gekomen over deze boeiende man, en dit is misschien nog mogelijk in de toekomst bij de ontdekking van nieuwe papyri, maar wat we alvast met zekerheid kunnen aannemen/zeggen, is dat Pascal hem een goede partij zou hebben gevonden voor haar dochter.

Verder lezen

W. Clarysse en K. Vandorpe, Zenon, een Grieks manager in de schaduw van de piramiden, Leuven, 1990.

C.C. Edgar, Zenon papyri in the University of Michigan collection. Ann Arbor: University of Michigan press, 1931.

H. Hauben, Escorting a princess on her way to Syria (253/252 BC),in “Chronique d’ Égypte” 94 (188), 2019, 380-396.

L. Vanoppré, Ptolemeïsch Egypte: Smeltkroes van Egyptische en Griekse artsen en ziek(t)en?, Leuven, 2019.

Coverfoto: Adaptatie van de foto ‘Kom Ombo Temple Surgical instruments’ van Ad Meskens op Wikimedia (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Quis est? Artemidoros, de bekendste arts van Ptolemaeïsch Egypte van Lisa Vanoppré verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2022/quis-est-artemidoros-de-bekendste-arts-van-ptolemaeisch-egypte/feed/ 0 2237
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163
Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/#respond Sat, 23 Oct 2021 15:42:30 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2056

Avidius Cassius, een Romeinse generaal die met zijn leger in opstand kwam tegen keizer Marcus Aurelius 175 n.C., was mogelijk een slachtoffer van 'fake news' in de Oudheid. Speelde ook keizerin Faustina een rol in deze revolte? Lees het in onze 'fact check' over deze Avidius Cassius.

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Sinds de verkiezing van Donald Trump tot Amerikaans president in 2016 zijn de thema’s fake news en desinformatie niet meer weg te denken in de media. De coronacrisis heeft de discussie nog verder scherp gesteld. Misleidende informatie, vervalste nieuwsberichten en samenzweringstheorieën tieren welig op sociale media en lijken in staat om hele samenlevingen te ontwrichten. De schaal waarop fake news vandaag verspreid wordt, is uiteraard zonder precedent, maar toch konden valse berichten ook in premoderne samenlevingen grote gevolgen hebben. Deze blogpost gaat over een opmerkelijk voorbeeld uit het Romeinse Rijk van de 2de eeuw n.C.: de opstand van de Romeinse bevelhebber Avidius Cassius tegen keizer Marcus Aurelius.

Avidius Cassius

Buste van de Romeinse keizer Marcus Aurelius

Avidius Cassius was een van de voornaamste legeraanvoerders van keizer Marcus Aurelius, die regeerde van 161 tot 180 n.C. Cassius’ familie was afkomstig uit Syrië en zou zelfs afstammen van het Seleucidische vorstenhuis uit de Hellenistische periode. De familie is een mooi voorbeeld van de romanisering van provinciale elites en hun integratie in het rijksbestuur. Zijn vader, Avidius Heliodorus, had al hoge functies vervuld onder Hadrianus en Antoninus Pius, de voorgangers van Marcus Aurelius. Avidius Cassius scheerde nog hogere toppen. Als generaal boekte hij grote militaire successen in de oorlog tegen de Parthen en in 166 n.C. bekleedde hij het consulaat, het hoogste politieke ambt in Rome. Enkele jaren later werd hem een uitzonderlijk oppercommando over het hele oostelijke gedeelte van het rijk toegekend. Onder zijn leiding werd een potentieel gevaarlijke opstand van de lokale bevolking in Nijldelta neergeslagen. Marcus Aurelius moet een groot vertrouwen hebben gehad in deze capabele generaal.

Campagne

Buste van Tiberius Claudius Pompeianus, schoonzoon van Marcus Aurelius

In 175 n.C. voerde Marcus Aurelius campagne aan de Donau tegen de Marcomannen en de Jazygen, confederaties van “barbaarse” stammen die de Romeinse grenzen bedreigden. In het voorjaar werd hij echter zwaar ziek. Wat er vervolgens gebeurde, is niet helemaal duidelijk. De historicus Cassius Dio, die zo’n 40 jaar na de feiten schreef, beweerde dat keizerin Faustina radeloos werd door de ziekte van haar man. Uit schrik om opzij geschoven te worden door politieke rivalen – men denkt hierbij vooral aan de machtige schoonzoon van de keizer, Claudius Pompeianus – zou zij Avidius Cassius een brief geschreven hebben met de vraag om na de dood van de keizer met haar te trouwen en de troon te bestijgen. Een andere bron uit de late vierde eeuw, de zogenaamde ‘Historia Augusta’, probeert dat te weerleggen door een brief van Faustina aan Marcus Aurelius te citeren, waarin zij een zware straf voor de opstandige generaal eist. Die brief is echter geheel fictief en pleit Faustina dus niet vrij. Heeft Faustina dan toch een rol gespeeld in de opstand? We zullen het nooit zeker weten.

Opstand

Ook over het daadwerkelijke begin van de opstand heerst er onzekerheid. Volgens Dio kreeg Avidius Cassius kort na de brief van Faustina het valse bericht dat de keizer overleden was “en hij eiste onmiddellijk de troon op, zonder na te gaan of het bericht juist was”. In hedendaagse termen: Cassius zou het hebben nagelaten een degelijke fact check uit te voeren. Volgens de ‘Historia Augusta’ zou Cassius echter zélf het valse gerucht verspreid hebben, om zo de steun van de troepen te krijgen. Hoe het ook zij, Cassius kwam in opstand en bijna alle oostelijke provincies, inclusief de zeven legioenen die er gelegerd waren, schaarden zich achter hem. Snel werd het duidelijk dat de keizer nog leefde, maar er was nu geen weg meer terug. Herodes Atticus, een miljonair uit Athene die goede banden had met het keizerlijke hof en met Avidius Cassius, zou de opstandige generaal een brief hebben gestuurd die slechts uit één woord bestond: “emanes”, “je bent gestoord!”

Buste van keizerin Faustina (Minor)

In het legerkamp van Marcus Aurelius aan de Donau sloeg het nieuws van de opstand in als een bom. Volgens Dio was de intussen herstelde keizer diepbedroefd dat zijn vriend zich tegen hem had gekeerd. Hij staakte zijn campagnes tegen de Jazygen en trok op naar het oosten om de opstand neer te slaan. Het kwam echter niet tot een veldslag. Avidius Cassius werd, amper drie maanden na het begin van de opstand, door twee van zijn officieren om het leven gebracht. Marcus Aurelius trok vervolgens door de oostelijke provincies om zijn gezag te herstellen. De keizer toonde zich vergevingsgezind: zware represailles bleven uit en de correspondentie van Avidius Cassius werd verbrand om duidelijk te maken dat het hoofdstuk afgesloten was. Faustina stierf enkele maanden later en werd door haar man met alle égards begraven. Volgens Dio stierf ze aan jicht of pleegde ze zelfmoord om straf voor haar betrokkenheid in de opstand te vermijden. Net als haar brief aan Cassius is dat laatste mogelijk een verzinsel.

Mysteries?

Er blijven nog veel vraagtekens. Herodes Atticus lijkt een punt te hebben gehad toen hij Avidius Cassius gestoord noemde, want hij maakte met zijn opstand amper kans om Rome in te nemen en keizer te worden. De westelijke legioenen waren veel talrijker en ze zouden ook nooit de kant van Cassius hebben gekozen als de keizer daadwerkelijk gestorven zou zijn. Het commando zou in dat geval zijn overgenomen door Claudius Pompeianus, de rechterhand en schoonzoon van de keizer. Wat bezielde Avidius Cassius dan? Klopt het beeld van Dio dat de opstand in feite een ‘ongeluk’ was, ingegeven door misleidende informatie van Faustina en fake news over de dood van de keizer? Voorzichtigheid is geboden, want Dio was een bewonderaar van Marcus Aurelius en hij stelde zijn regeerperiode voor als stabiel en harmonieus. Het paste dus in zijn narratief om de opstand af te schilderen als een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Recent onderzoek geeft een andere verklaring voor de opstand. Cassius zou nooit hebben geprobeerd om de nieuwe keizer van het hele Romeinse Rijk te worden, maar eerder een soort separatistische koers hebben gevaren. Met zijn opstand zou hij zijn uitzonderlijke machtspositie in het oosten een permanent karakter hebben willen geven door zich uit te roepen tot een soort keizer van het Oosten. Het lijkt er bovendien op dat er voorheen al veel ontevredenheid was in de oostelijke provincies tegenover het beleid van Marcus Aurelius. Zijn oorlogen aan de Donau werden immers gefinancierd met zware belastingen, waarvan de rijke oostelijke provincies een groot deel moesten ophoesten. Dat zou mede verklaren waarom Cassius op korte tijd zowat het hele Oosten aan zijn kant kreeg. De opstand van Cassius zou op die manier een voorloper zijn geweest van de opstanden in de 3de eeuw n.C., toen onder meer de stadstaat Palmyra zich met een groot deel van de oostelijke provincies afscheurde. Het valse bericht over de dood van Marcus Aurelius zou in dat scenario slechts een aanleiding zijn geweest voor de opstand, geen oorzaak. Dat scenario pleit bovendien Faustina vrij, want zij had niets te winnen bij een separatistische revolte.

Kaart van de Opstand van Avidius Cassius in 175 n.C.

Conclusie

Het verhaal van de opstand van Cassius illustreert een belangrijk verschil tussen heden en verleden. Vandaag vormt de snelheid waarmee vals nieuws verspreid wordt een probleem, en fact checking wordt bemoeilijkt door de enorme hoeveelheid informatie. In de Oudheid lag het probleem net bij de trage communicatie. Het duurde weken om een bericht van de ene naar de andere kant van het rijk te brengen. Een snelle fact check was daardoor onmogelijk. Eenmaal geruchten over de dood van de keizer de ronde deden, moest Avidius Cassius snel handelen om zijn politieke rivalen aan het hof voor te zijn en zijn positie in het Oosten te handhaven. Cassius gokte verkeerd en kwam noodlottig aan zijn einde. We kunnen ons alleen maar afvragen wat er gebeurd zou zijn als Marcus Aurelius daadwerkelijk gestorven was…

Meer lezen?

Cassius Dio, Romeinse geschiedenis, 72. 22-29. (samengevat in de 11de eeuw door de Byzantijnse geleerde Johannes Xiphilinus)

Historia Augusta, Avidius Cassius

Philostratus, Levens van de sofisten, 563 (over de brief van Herodes Atticus aan Avidius Cassius)

Kemezis, A. (2021), ‘Avoiding the Eastern Question: Avidius Cassius and the Antonine Succession in Cassius Dio’, in: J.M. Madsen en C.H. Lange, Cassius Dio the Historian: Methods and Approaches, Leiden, p. 195-222.

Levick, B. Faustina I and II: Imperial Women of the Golden Age, New York, 2014.

Coverafbeelding: adaptatie van de 3D-sketch “Equestrian Statue of Marcus Aurelius” van leifchri92 op Sketchfab (CC BY 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Avidius Cassius, slachtoffer van fake news van Bram Fauconnier verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/10/2021/quis-est-avidius-cassius-slachtoffer-van-fake-news/feed/ 0 2056