Plinius Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/plinius/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 02 Aug 2026 23:04:50 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Plinius Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/plinius/ 32 32 136391722 De voorspellende kracht van een niesbui https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/#respond Sun, 02 Aug 2026 14:35:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2865

Wens jij iemand die niest automatisch "Gezondheid"? Dan deel je een gewoonte die al duizenden jaren oud is. In de Grieks-Romeinse Oudheid werd niezen niet alleen gezien als een lichamelijke reactie, maar ook als een goddelijk teken dat woorden kon bevestigen, voorspellingen kon aankondigen of belangrijke beslissingen kon beïnvloeden. Van Homerus en Xenophon tot Plutarchus en Augustinus: deze blogpost volgt de opmerkelijke geschiedenis van de niesbui en haar verrassende betekenis in de antieke wereld.

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Als kleuter bracht ik vele uren door in het werkhuisje van mijn grootvader, die schoenmaker was. Er stond daar ook een kleine kachel, die mijn nichtje en ik mochten “voederen” met papier en stukjes hout. Dat gaf veel stof natuurlijk en als we moesten niezen, dan zei mijn opa onvermijdelijk “God zegene je”, wat ik als kind begreep als “gods zegentje”. Niezen kon er immers op wijzen dat een verkoudheid of erger in aantocht was en dat moest je bezweren met een schietgebedje.

Een bekende Nederlandse tegelspreuk met een wens voor mooi weer bij het niezen

Ook nu nog wenst men iemand die niest vaak “Gezondheid” toe. Bij de jongere generaties is de religieuze factor verdwenen, maar niezen lokt nog altijd een bezwerende reactie uit en van de voorspellende kracht van zo’n niesbui vinden we onder meer al in de Grieks-Romeinse Oudheid heel wat voorbeelden.

Schietgebedjes

Bij de Romeinen kon je hiervoor “salve” zeggen of “salus“, bij de Grieken Ζεῦ σῶσον “Zeus, red me”. “Salus” zegt bijvoorbeeld bij Apuleius (Metamorphoses IX.25.1) een bedrogen echtgenoot, die aanvankelijk niet door heeft dat de minnaar van zijn vrouw verstopt zit in een mand met wasgoed. Toen hij het geluid van de niesbui hoorde meende hij dat het van zijn vrouw kwam  en wenste haar met de gewone formule “salus” toe (ut acceperat sonum sternuationis solito sermone salutem ei fuerat imprecatus).

Zelfs keizer Tiberius, de “grootste misantroop onder de mensen” zei “salus” als iemand niesde in zijn wagen (Plinius, Nat. Hist. XXVIII 23). De Griekse variant vindt men in een gedichtje uit de Anthologia Palatina, dat grappig bedoeld is maar misschien toch over de schreef gaat.

Οὐ δύναται τῇ χειρὶ Πρόκλος τὴν ῥῖνα ἀπομύσσειν·
τῆς ῥινὸς γὰρ ἔχει τὴν χεῖρα μικροτέρην·
οὐδὲ λέγει Ζεῦ σῶσον ἐὰν πταρῇ; οὐ γὰρ ἀκούει
τῆς ῥινός· πολὺ γὰρ τῆς ἀκοῆς ἀπέχει. (Anth. Pal. XI 268)

Proclus kan zijn neus niet snuiten met zijn hand
want zijn arm is korter dan zijn neus.
Hij zegt ook niet “Zeus red me” als hij niest, want hij hoort
zijn neus niet : ze staat te ver van zijn oren.

Niezen bij antieke auteurs

Ook vandaag worden er nog veel comics en memes gemaakt over de symptomatische waarde van het niezen

In de Oudheid kende men wel de symptomatische waarde van het niezen. Zo vermeldt bijvoorbeeld Thucydides in een bekende passage het niezen als één van de symptomen van de pest in Athene (Hist. II.49.3 : πταρμὸς καὶ βράγχος). Maar meestal wordt niezen eerder als positief ervaren, in tegenstelling tot hoesten en kuchen, bijvoorbeeld in het 33ste boek van AristotelesProblemata.

Hier bespreekt Aristoteles (of een navolger) problemen die te maken hebben met de neus, zoals de behandeling van een bloedneus of het verband tussen krulhaar en een platte neus. Maar de meeste hoofdstukjes gaan over niezen. “Waarom niezen mensen meer dan andere dieren en ruiken ze minder?” vraagt hij zich af. “Waarom niest men als men in de zon kijkt? Waarom niest men nooit in zijn slaap? Waarom niest men meestal twee keer na mekaar (wellicht omdat er twee neusgaten zijn?)”.

De lezer vindt in dat hoofdstuk heel veel vragen, maar weinig zinnige antwoorden. Zo vraagt de auteur zich verder ook af waarom niezen beschouwd wordt als iets goddelijks, maar hoesten of een druipneus of oprisping van de maag niet (“wellicht omdat niezen voortkomt uit het hoofd, het meest edele deel van de mens?”). Niezen van middernacht tot de middag is een goed voorteken, maar niezen na de middag tot middernacht niet (33.11) Wellicht, zegt de auteur, omdat niezen bij het begin van een activiteit, ons ervan afhoudt ermee verder te gaan (en de periode van middernacht tot de middag is ook een soort begin). In zijn Historia Animalium (I 8) definieert Aristoteles niezen kernachtig als πνεύματος ἀθρόου ἔξοδος (“het naar buiten komen van een plotse ademstoot”) en voegt eraan toe dat het de enige adem is die “profetisch is en heilig” (οἰωνιστικόν καὶ ἱερόν).

Bepaalde voorspellingen bij niezen, bijvoorbeeld bij Chinese waarzeggers, gebeuren aan de hand van het tijdstip van de niesbui

De voorspellende kracht van het niezen gaat terug tot het verre verleden. Het oudste voorbeeld vinden we bij Homerus in het 17de boek van de Odyssee, waar Penelope aan de varkenshoeder Eumaios vraagt om de bedelaar (die ze niet heeft herkend) aan haar voor te stellen, en eindigt met de wens dat Odysseus zou terugkeren en met zijn zoon de vrijers zou straffen voor hun wangedrag.

ὣς φάτο, Τηλέμαχος δὲ μέγʼ ἔπταρεν, ἀμφὶ δὲ δῶμα
σμερδαλέον κονάβησε· γέλασσε δὲ Πηνελόπεια,
αἶψα δʼ ἄρʼ Εὔμαιον ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ἔρχεό μοι, τὸν ξεῖνον ἐναντίον ὧδε κάλεσσον.
οὐχ ὁράᾳς ὅ μοι υἱὸς ἐπέπταρε πᾶσιν ἔπεσσι;
τῷ κε καὶ οὐκ ἀτελὴς θάνατος μνηστῆρσι γένοιτο
πᾶσι μάλʼ, οὐδέ κέ τις θάνατον καὶ κῆρας ἀλύξει. (Od. XVII, 541-547)

“Toen zij die woorden gesproken had, niesde Telemachos luid, waardoor het huis geweldig galmde. Penelope lachte, richtte zich dus tot Eumaios en sprak de gevleugelde woorden: “Maar ga nu toch en roep de vreemdeling nu meteen bij mij! Zie je dan niet dat mijn zoon heeft geniesd bij al wat ik net zei? Dus zal de dood voor de vrijers nu zeker een realiteit zijn, niemand uitgezonderd: geen man zal zijn doodslot ontlopen!” (vertaling G.W.J.Janssen)

Afbeelding op een Attische vaas van Penelope bij haar zoon Telemachos

Ook in de Homerische hymne voor Hermes wordt Apollo’s karakterising van de kleine dief, die zijn runderen heeft gestolen, bevestigd, eerst door een flinke wind (“een dienaar van zijn buik” zegt Homerus eufemistisch) en dan door een niesbui.

Een vergelijkbare situatie vindt men in Xenophons Anabasis (III.2.9). Xenophon raadt in een speech de soldaten aan om zich terug te trekken. Op dat moment gaat iemand aan het niezen. Als de soldaten dit goede voorteken horen, knielen ze als één man neer en vereren ze Zeus Sôtêr, die dit goede voorteken gestuurd had. Hier komt het Ζεῦ σῶσον uit het begin terug, want dat is natuurlijk waarop “Zeus Sôtêr” hier alludeert.

Xenophon gaat hierop in en zegt “Aangezien er, juist toen we het woord “redding” uitspraken, een voorteken van Zeus is verschenen stel ik voor dat dat we een gelofte afleggen dat we aan Zeus de redder dankoffers zullen brengen zodra we zijn aangekomen in een bevriend land.” Iedereen is akkoord met dit voorstel. In beide gevallen, in de Odyssee en bij Xenophon, geldt het motto “het is beniesd, dus is het waar”. Niezen als bevestiging van wat iemand gezegd heeft, is goed geattesteerd in het Nederlands en in het Duits.

Plutarchus beschrijft een gelijkaardig voorval in zijn vita van Themistokles (13.2) : drie zonen van Xerxes‘ zuster Sandauke werden voorgeleid als krijgsgevangenen. Op dat moment schoot een groot schitterend vuur omhoog uit de offerdieren en tegelijk hoorde men genies van rechts. De ziener Euphrantides greep Themistokles bij de hand en verplichtte hem, tegen zijn zin, maar met steun van het leger, om de drie te offeren aan Dionysos Omestes “de rauw-vlees-eter”. Want zo zou Griekenland worden gered en de overwinning worden verzekerd. Wat dan ook effectief gebeurde in Salamis op diezelfde dag.

20ste eeuwse tekening van de Atheense generaal Themistocles die een mensenoffer brengt vlak voor de Slag bij Salamis

Niezen als positief en negatief teken

In een gedicht van Catullus (XLV) bevestigt Amor de liefdesverklaring van Septimius en Acme door te niezen van links en van rechts (sinistra ut ante dextra sternuit approbationem) voor elk van de twee geliefden. Zo niest Amor ook bij de geboorte van Propertius‘ latere geliefde, een argutum omen (Elegiae II 3.24). In Theocritus‘ zevende idylle zijn het de erôtes die door te niezen de liefde van Simichidas voor Myrtô bevestigen.

Eerder uitzonderlijk kan niezen ook een negatief voorteken zijn, bijvoorbeeld als men niest op het kerkhof, zoals in dit gedichtje (Anthologia Palatina XI 375), waarbij de wens van de dichter, die zijn vrouw beu is, wegwaait in de wind :

Ἔπταρον ἄγχι τάφοιο καὶ ἤθελον αὐτόθ᾿ ἀκοῦσαι
οἷαπερ ὠισάμην, μοῖραν ἐμῆς ἀλόχου.
῎Επταρον εἰς ἀνέμους· ἄλοχον δέ μοι οὔ τι κιχάνει
λυγρὸν ἐν ἀνθρώποις, οὐ νόσος, οὐ θάνατος.

Ik niesde bij een graf. En ik wilde onmiddellijk horen
wat ik aan het bedenken was, de dood van mijn vrouw.
Maar ik heb in de wind geniesd. Mijn vrouw werd niet getroffen
door iets ergs onder de mensen, geen ziekte en geen dood.

De twee mogelijke interpretaties worden beschreven door Plutarchus in diens De genio Socratis (581B). Volgens sommigen, aldus Plutarchus, was het fameuze daimonion van Socrates eigenlijk een niesbui. Als iemand voor of achter hem niesde van rechts, dan schoot hij in actie (ὁρμᾶν ἐπὶ τῆν πρᾶξιν), als het geluid van links kwam, dan bleef hij af (ἀποτρέπεσθαι). Als hijzelf niesde, dan bevestigde de niesbui zijn beslissing, maar als hij niesde als zijn actie begonnen was, dan was dat een slecht teken en hield hij ermee op. Positief en negatief vallen hier (natuurlijk) samen met rechts en links.

Deze goddelijke inspiratie van het niezen was ook nog bekend aan Origenes in de 3de eeuw n.C.. In zijn Contra Celsum (4.94) commentarieert hij de beroemde passage uit de Odyssee als volgt “Als wij mensen niezen, dan niezen we omdat er in onze ziel een goddelijk en profetisch element aanwezig is”. Maar (vanzelfsprekend) staan de kerkvaders kritisch tegenover dit soort superstities. Zo vindt Augustinus (De doctrina christiana II 21 (78)) het maar niks dat sommige mensen terug in bed kruipen als ze moeten niezen bij het aantrekken van hun schoenen. Geloof in de voorspellende kracht van niezen wordt zelfs expliciet veroordeeld op het Concilie van Lestines in 743 n.C.

Niezende lampen

Niet alleen mensen kunnen niezen, maar ook een lamp. Het Grieks gebruikt inderdaad hetzelfde werkwoord πταίρω voor een lamp of kaars die sputtert In een epigram van de verder onbekende dichter Marcus Argentarius (Anthologia Palatina VI 633) is dit ook een gunstig voorteken voor de geliefden.

ἤδη, φίλτατε λύχνε, τρὶς ἔπταρες. ἦ τάχα τερπνὴν
εἰς θαλάμους ἥξειν Ἀντιγόνην προλέγεις·
εἰ γάρ, ἄναξ, εἴη τόδ᾿ ἐτήτυμον, οἷος Ἀπόλλων
θνητοῖς μάντις ἔσῃ καὶ σὺ παρὰ τρίποδι

Liefste lamp, je hebt nu al drie keer geniesd. Voorspel je
misschien dat de verrukkelijke Antigone naar de bruidskamer zal komen?
En als dat, meneer, waar zou zijn, dan zal ook jij zoals Apollo
naast de drievoet staan en een ziener zijn voor de mensen.

Europese kaart van “Hatsjoe”

Tot slot biedt niezen vandaag de dag nog heel wat inspiratie om creatief met historisch onderzoek om te gaan. Zo zijn er kaartenmakers die de fonetische manier waarop niezen in verschillende landen (en dus talen) gebeurt op een kaart afbeelden, maar evengoed wordt op sociale media, bijvoorbeeld Instagram, met de hulp van artificiële intelligentie, de betekenis van het niezen als religieus teken in het oude Griekenland in een filmpje gegoten.

Lees meer

Aronson, Stanley, “The Origins of the Sneeze: Divine Gift or Mere Goldenrod Pollen?”, Rhode Island medical journal 96 (2013), pp. 10-11.
Mayhew, Robert, “Sacred Sneezes in Aristotle, Historia animalium I 11 and [Aristotle], Problemata physica XXXIII 7 & 9”, Erga-Logoi. Rivista di storia, letteratura, diritto e culture dell’antichità 11.1 (2023). https://doi.org/10.7358/erga-2023-001-mayr
Pease, Arthur Stanley, “The Omen of Sneezing”, Classical Philology 6.4 (1911), pp. 429–43.
van der Horst, Pieter W., “The Omen of Sneezing” Ancient Society 43 (2013), pp. 213–21.

Coverafbeelding: adaptatie van een tekening (een afbeelding van een Attische rode-figuur skyphos uit het Museo Archeologico Nazionale, Chiusi, inv. 62705) van Penelope bij haar zoon Telemachos bij het weefgetouw, uit A. Furtwangler & K. Reichhold, Griechische Vasenmalerei: Auswahl hervorragender Vasenbilder, München 1921, pl. 142 (Public Domain)

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/feed/ 0 2865
“Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/#respond Sun, 05 Feb 2023 18:24:53 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2379 Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren, onder andere als geboorteplaats van de “West-Vlaamse” keizer Carausius. Zijn de Menapii werkelijk een volk “van bij ons”? In dit artikel onderzoeken we wat we over deze volksstam en hun grondgebied in Gallia Belgica weten.

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren. Hij besteedt ook veel aandacht aan “West-Vlaams” keizer Carausius, “iemand van bij ons”. Hoewel we die titel met een korrel zout moeten nemen, bewoonden de Menapiërs wel degelijk een deel van het huidige België. Maar wie waren die Menapiërs of Menapii precies en wat weten we over hun grondgebied?

Onderzoek

De voorbije decennia nam het aantal archeologische onderzoeken in Vlaanderen serieus toe. Dankzij de luchtfotografie en betere onderzoekstechnieken, kwamen meer en meer historische vindplaatsen aan het licht. De interesse voor de Menapiërs wakkerde aan. Het beeld van afgesloten gemeenschappen werd bijgesteld: de Menapische interactie met de Noordzee én het binnenland bleek veel uitgebreider dan tot nu toe gedacht.

Reconstructie van Gallische hoeve, mogelijk onderdeel van een Menapische nederzetting uit de tijd van Caesar

Eén element wordt in het nieuwe onderzoek echter nooit in vraag gesteld: de grenzen van het gebied van de Menapii, de civitas Menapiorum. De hypotheses hierover dateren uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Ze werden later vrijwel algemeen aanvaard, maar dat blijkt problematisch, want onderzoekers als Siegfried De Laet en Pierre Leman baseerden zich grotendeels op Middeleeuwse bronnen, die we niet zomaar op de Oudheid mogen projecteren. Terug naar het begin dan maar, waarbij we alle mogelijke bronnen over de Menapii samenbrengen en het historisch onderzoek combineren met de archeologie, toponymie en een literatuurstudie. Die synthese leidt tot enkele opvallende vaststellingen en nieuwe inzichten.

Situering

Over het gebied van de Menapii komen we het meest te weten bij de antieke auteurs. Geen beschrijvingen van strakke grenzen, maar wel aanwijzingen voor een geografische situering. Caesar merkt in zijn De Bello Gallico meerdere keren op dat de Menapiërs zich terugtrokken in bossen en moerassen. Hij beschrijft ook hun samenwerking met de Morini, Nervii, Atuatuci en Eburones, de Gallische stammen die de Menapii omringden. Nog belangrijker echter: Caesar leert ons dat de Menapii oorspronkelijk de oevers van de Rijn bewoonden. Door aanhoudende druk van de Usipetes en Tencteri, trokken ze zich terug op de linkeroever en verder naar het zuiden. De Menapii zijn dus immigranten in het Noordzeegebied.

De Gallische stammen en steden, met de buren van de Menapiërs, ten tijde van Julius Caesar

Verder vermelden onder andere Orosius, Strabo en Tacitus de Menapii. Uit hun beschrijvingen weten we dat het Menapisch gebied aan de kust gelegen was. In het westen deelde het een grens met de Morini. Plinius (de Oudere) spreekt ook over de Schelde, een interessante demarcatielijn die later nog aan bod komt. Vanaf de monding van de Schelde woonden volgens hem eerst de Texuandri, dan de Menapii. De bonte variatie aan genoemde stammen en regio’s bij de verschillende auteurs is opvallend. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan en het territorium van volkeren dynamisch en veranderlijk was doorheen de oudheid. De Menapii kunnen we op dit moment grofweg situeren in het huidige Noord-Frankrijk, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen ten westen van de Schelde.

Menapische varkens

Het Menapische varken wordt vandaag ook terug gekweekt, dankzij een samenwerking tussen slagerij ‘Menapii’ en onderzoekers en archeologen van UGent

Zoals vermeld in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ worden de Galliërs, en dan specifiek de Menapii, stevig gelinkt aan varkens. In de antieke bronnen vinden we die link terug bij Martialis (1e eeuw n.C.). Hij schrijft:

Cerretana mihi fiat vel missa licebit de Menapis: lauti de petasone vorent
“Laat ze me ham serveren uit het land van de Cerretani of stuur me ham van bij de Menapii: laat fijnproevers de ham verslinden” (Mart. XIII.54)

Blijkbaar was de Menapische ham een bekend product tot in de hoogste kringen en werd hij verhandeld naar Rome. Ook in het ‘Edict van Diocletianus‘ wordt ham van bij de Menapii vermeld. Het lijkt er zelfs op dat de benaming in de loop van de tijd een kwaliteitslabel is geworden. Varkens leven van nature in een bosrijk gebied, wat overeenkomt met de informatie die Caesar ons geeft. Om het vlees tot in Rome te krijgen, moet het goed bewaard kunnen worden én is een handelsnetwerk nodig. En laat dat nu net zijn wat we in een volgende bron lezen.

Zout en handelaars

Votiefaltaar uit Tongeren, waarop een inscriptie de Mun[icipium] Tung[rorum] vermeldt

In Tongeren werd een prachtig votiefaltaar met perfect bewaarde inscriptie opgegraven [TM 209480]. Daarop valt te lezen:

Aan de zeer goede en zeer grote Jupiter en aan de genius van de municipium van de Tungri, Catius Drusus, Menapisch salinator, heeft zijn belofte ingewilligd graag en wel verdiend.

Drusus noemt zichzelf een Menapische zouthandelaar (salinator Menapius), een titel  die we ook lezen in een grafinscriptie uit Rimini [TM 517527]. Naast varkensvlees, lijkt zout dus een belangrijk handelsproduct van de Menapiërs. Dat met die handel goed te verdienen was, bewijst het bewaarde votiefaltaar. Verder blijkt vooral uit de archeologische vondsten dat er een levendige handel bestond zowel tussen de Menapische nederzettingen onderling als met het grotere Romeinse Rijk.

Romeins kader

We weten nu dat de Menapii migreerden van de oevers van de Rijn naar zuidelijker gelegen gebied. Met de komst van Caesar werd de hele regio onder Romeins gezag geplaatst. Hoe sterk de Romeinse invloed lokaal was, is moeilijk te achterhalen. We zien wel dat Menapische handelaars binnen het Rijk rondtrekken met ham en zout en zich uitdrukken in Romeinse inscripties. En er is nog een manier waarop de Menapii zich in het Romeinse kader inpassen: het leger.

De oudste epigrafische vermelding van de Menapii is ook de oudste attestatie van een Menapiër  in het Romeinse leger. Het gaat om het grafopschrift van Adiutor, daterend uit de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. en gevonden in Aquileia. Het opschrift vermeldt expliciet de Menapische afkomst van Adiutor en zijn statuut als lid van de civitas Menapiorum. Adiutor maakte deel uit van de cohors I Pannoniorum.

Een militair diploma waarop de ‘cohors I Menapiorum’ vermeld staat

Militaire diploma’s wijzen ook op het bestaan van een Menapische cohorte. Op maar liefst drie exemplaren van zulke diplomata krijgen we een schriftelijk bewijs van de cohors I Menapiorum, gestationeerd in Britannia aan het begin van de 2de eeuw n.C. Daarnaast is er ook de Notitia dignitatum, een administratief werk opgesteld tussen 395 en 430 n.C. Die vermeldt militaire eenheden met het ethnicon ‘Menapii in Thracië en in het westen van het rijk.

Tot slot vinden we ook sporen van die militaire eenheid in het westen. In de ruime omgeving van de Rijn zijn op Romeinse gebakken dakpannen (tegula) militaire stempels teruggevonden die verwijzen naar de Menapii. Het gaat om stempels die allemaal geplaatst zijn in het jaar 369 n.C. in Tabernae, het huidige Rheinzabern, in de provincia Germania Superior. Tabernae viel in de Oudheid onder het gezag van de dux Mogontiacensis, net zoals de Menapische eenheid die vermeld wordt in de Notitia dignitatum.

Nederzettingen

De nederzettingen in het Menapisch gebied kunnen we langs twee wegen bestuderen: aan de hand van antieke reiskaarten enerzijds en op basis van de archeologie anderzijds. De antieke itineraria tonen ons duidelijk de belangrijkste steden en routes. Deze zijn later van belang in het bepalen van de grenzen van het Menapisch gebied.

Antieke wegenkaarten

Voor de Romeinse tijd kunnen we terugvallen op drie geschreven bronnen: het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, de Tabula Peutingeriana en de Notitia Galliarum. Elk afzonderlijk hier bespreken zou ons te ver leiden, daarom houden we het bij een korte samenvatting. In de routebeschrijvingen komen verschillende steden uit Gallia Belgica meermaals voor; die kunnen we als knooppunten beschouwen.

Castellum (Cassel), de hoofdstad van de Menapii, komt voor in drie routes in het Itinerarium:

  1. als tussenstop in de route van Gesoriacum (Boulogne-sur-mer) naar Bagacum (Bavay)
  2. als vertrekpunt van de route naar Turnacum (Tournai of Doornik)
  3. als vertrekpunt van de route naar Colonia (Keulen)

Het Menapisch gebied zoals afgebeeld op de Peutingerkaart

Andere duidelijk aanwezige nederzettingen zijn Viroviacum (Wervik), Pontes Caldis (Escautpont) en Minariacum (Estaires of Stegers). Het valt op dat de grote wegen zich vooral in het zuiden van Gallia Belgica bevinden. Noordelijker, in het huidige Vlaanderen, zullen lokale wegen en waterwegen de overhand gehad hebben. In elk geval is het duidelijk dat de nederzettingen, ook in het Menapisch gebied, wel degelijk met elkaar in contact stonden.

De ‘Mijlpaal van Tongeren’ of ‘Itinerarium van Tongeren’ met daarop de afstanden tussen plaatsen uit Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior

Een uitzonderlijk interessante epigrafische bron is de mijlpaal van Tongeren [TM 209478]. Deze achthoekige steen werd gevonden in Tongeren rond 1820 en was vermoedelijk opgesteld op het forum van Atuatuca Tungrorum. Ze is op drie zijden beschreven met plaatsnamen in Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior en de afstanden ertussen. Op basis van de taal en het gebruik van leugae als maateenheid dateert de steen vermoedelijk uit het eerste kwart van de 3de eeuw n.C. Interessant voor dit onderzoek is de vermelding van Castellum Menapiorum mét afstand tot ‘Fines Atrabatium’, de grens of het gebied van de Atrebates. Dit is de enige bekende antieke bron die mogelijk verwijst naar een grens tussen de Menapii en deze Keltische stam.

Maar waar ligt die grens nu? Helaas, daarover is onenigheid. Het is zelfs niet helemaal duidelijk of de vermelding naar een specifieke plaats of eerder naar een ruimer gebied verwijst. De bron, de mijlpaal van Tongeren, leert ons dat de ‘Fines Atrebatium‘ op 14 leugae (ca. 30,8 km) van Cassel ligt, in de richting van Nemetacum (Arras). Omdat een reiziger tussen beide steden wel degelijk een grens moet oversteken, hechtten historici toch enorm veel belang aan de vermelding van ‘Fines Atrebatium‘ als plaats.

Voor de locatie van die plaats zijn ook verschillende opties gegeven. Zo is de nederzetting Minariacum een veel beschreven mogelijkheid, hoewel deze plek slechts ongeveer 24 kilometer van Cassel verwijderd is. Een andere mogelijkheid zou Rouge-Croix (Neuve-Chapelle) zijn, gelegen op bijna exact 30 kilometer van Cassel langs een Romeinse weg. De Franse historicus Roland Delmaire verwijst naar een grenssteen die daar in 1123 gestaan zou hebben, maar dat kan onmogelijk iets zeggen over de Oudheid. Tot slot is er het gehucht Fins bij Lille. Het toponiem, mogelijk afgeleid van het Latijnse fines, wijst vermoedelijk op een antieke(?) grens, maar de locatie zelf ligt mogelijk te perifeer om geïdentificeerd te worden met de ‘Fines Atrebatium‘. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer opheldering brengen.

Archeologie

In zowat elke gemeente in België zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Meestal gaat het echter om enkele losse sporen en zijn deze vondsten niet bepalend voor de conclusie van dit onderzoek. Daarom richten we ons op de grotere vindplaatsen die getuigen van bewoning, handel of militaire aanwezigheid. Door de antieke wegenkaarten te combineren met de Digital Atlas of the Roman Empire komen we tot 32 sites. Wat blijkt wanneer we deze sites op kaart uitzetten? Ze situeren zich grotendeels langs drie belangrijke waterlopen: de Noordzee, de Leie en de Schelde.

Overzichtskaart van de types sitesS. Demuynck (2020), p. 173.

Overzichtskaart van de types sites

Aan de kust blijken zich vooral castella te bevinden, zoals die van Oudenburg, Aardenburg en Maldegem-Vake. Deze militaire nederzettingen opgericht tegen invallende migranten waren hoofdzakelijk actief in het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw n.C. Er zijn heel wat pottenbakkerstempels gevonden die duiden op contact met het hinterland. De kustregio was een belangrijke verdedigingslinie, maar ook de plek waar zout gewonnen werd. Naast de militaire aanwezigheid was er ook civiele bewoning in onder andere Wenduine en Brugge.

Andere nederzettingen concentreerden zich langs de Leie en de Schelde. Sommige daarvan, zoals Wervik, Kortrijk en Doornik, bestaan tot vandaag. Tegelijk is er een opvallende gelijkenis in het ontstaan en de ondergang van deze nederzettingen. Rond het midden van de 1ste eeuw n.C. en zeker vanaf de Flavische dynastie duiken langs de rivieren meer en meer vaste woonplaatsen op, zoals Ploegsteert, Harelbeke en Kruishoutem. Deze nederzettingen bloeien in de vroege 2de eeuw n.C. met duidelijke sporen van uitbreiding en handel.

Vanaf het jaar 170 n.C. tekent zich een korte periode van stagnatie of verval af, onder andere in Wervik, Kerkhove en Destelbergen. Naast de invallen van de Chauci zijn andere mogelijke oorzaken voor deze terugloop de pestepidemie in 166 n.C., de oorlogen met de Marcomanni (166-180 n.C.) en de opstand van de deserteur Maternus in Gallia in 185-186 n.C. Desalniettemin bleven de meeste nederzettingen een voorspoedig bestaan leiden tot in het midden van de 3de eeuw n.C, toen een crisis het Romeinse Rijk op vele vlakken trof.

Munt gevonden in Londen, geslagen door de Romeinse tegenkeizer Marcus Aurelius Mausaeus Carausius die uit het Menapische gebied afkomstig was

In deze context betreedt Carausius het toneel. De ‘Menapiër’, zoals de Romeinse geschiedschrijver Aurelius Victor hem noemt, liet zich opmerken tijdens de Gallische veldtocht van keizer Maximianus en riep zichzelf in 286 uit tot keizer (van Britannia – waar hij met zijn vloot en legioenen verbleef – en Noord-Gallië). Dat was minder spectaculair dan je misschien zou denken, want hij was lang niet de enige usurpator in de Romeinse Keizertijd en werd enkele jaren later al vermoord. Dat houdt hedendaagse stemmen (zoals te horen in de tweede aflevering van ‘Het verhaal van Vlaanderen’) niet tegen om naar hem te verwijzen als de “West-Vlaamse” keizer, hoewel het Menapische kerngebied (en Carausius dus ook) grotendeels geromaniseerd was in deze periode.

Ondanks de aangetroffen wegen speelde het water een niet te onderschatten rol. Grotere nederzettingen zoals Kerkhove en Tournai konden dankzij hun ligging uitgroeien tot handelscentra, draaiende gehouden door de omliggende villae. De productiecentra ten zuiden van Doornik droegen hier zonder twijfel ook aan bij. Een opsomming van de gevonden opschriften biedt inzicht in de handel in en verspreiding van aardewerk. In de 1ste eeuw n.C. kwam dit hoofdzakelijk uit La Graufesenque (Zuid-Frankrijk).

De daaropvolgende eeuw wordt gekenmerkt door aardewerk uit Lezoux (Centraal-Frankrijk). Vooral in Wervik en Waasmunster zijn deze productiecentra goed vertegenwoordigd. Vanaf het midden van de 2de eeuw n.C vond er een omslag plaats naar aardewerk uit Centraal-Gallië en Germanië. Pottenbakkerstempels uit deze regio’s zijn rijkelijk aanwezig in Wenduine en Brugge. Vondsten van dezelfde stempel op verschillende plaatsen geven duidelijk het contact tussen de nederzettingen weer. Verder onderzoek naar pottenbakkerstempels buiten de civitas Menapiorum zou interessante gegevens kunnen opleveren over het contact tussen de civitates.

De grenzen

De antieke wegenkaarten en de archeologie wijzen op een duidelijke samenhang van het Menapisch gebied. Jammer genoeg weten we op basis hiervan nog altijd weinig over de exacte grenzen van de regio. Daarom is het nodig om de hypotheses van archeologen en historici erbij te betrekken.

Over de westelijke en oostelijke grens, respectievelijk de Aa, de Leie en de Schelde, heerst algemeen consensus. Deze rivieren zouden zowel in de oudheid als in de middeleeuwen een duidelijke demarcatielijn gevormd hebben, hoewel niet onomstotelijk bewezen door de antieke bronnen. Herinner wel Plinius die de Schelde ziet als het begin van een nieuw gebied. De Aa vormt dan weer een van de weinige natuurlijke grenzen op een logische locatie tussen het gebied van de Morini en de Menapii. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat waterwegen geen harde grens vormden, maar net een uitnodiging tot handel en uitwisseling.

De bepaling van de grens met de Atrebates in het zuiden ligt moeilijker. In de ruime regio tussen de Leie en de Schelde zijn heel wat kleinere waterlopen te vinden die als demarcatielijn kunnen dienen. Historicus Siegfried De Laet spreekt over de kleine rivier Courant des Coutiches als grens, maar kanalisering en aanleg van grachten zorgt ervoor dat we deze en andere waterlopen niet zonder meer op de Oudheid mogen projecteren. Ook geografische elementen zoals bossen en heuvels – vandaag verdwenen – kunnen een rol gespeeld hebben.

Daarnaast is er de problematiek rond ‘Fines Atrebatium’ op de mijlsteen van Tongeren, die eerder aan bod kwam. De Laet stelt op basis van zijn onderzoek Fins-Lille voor als locatie voor deze plaats, terwijl een andere onderzoeker, Pierre Leman, zich op Neuve-Chapelle richt. Een mogelijke route van de Romeinse weg Estaires-Tournai in dit gebied biedt verdere mogelijkheden om eventuele grenzen te tekenen. Maar we moeten eerlijk zijn: het blijft giswerk.

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en DerolezS. Demuynck (2020) op basis van Leman (1967), p. 736

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en Derolez

Het recentere toponymisch onderzoek heeft tot enkele nieuwe argumenten geleid. Interessant zijn de plaatsnamen met het Latijnse element fines, zoals Fines Atrebatium en het gehucht Fins in Lille, eerder aangehaald. In de meest zuidelijke regio van het Menapisch gebied vinden we ook toponiemen zoals Templemars en Famars, en Flines-lez-Râches met een vermeend heiligdom. Deze plaatsnamen wijzen mogelijk op een religieuze zone die gelinkt kan worden aan een grensgebied.

Tot slot draagt het Keltische equoranda, met de betekenis ‘grens van water’ bij aan de bepaling van de grenzen. De plaatsnaam Guéronde-sous-Antoing zou teruggaan op equoranda. Guéronde bevindt zich ten zuidoosten van Doornik op ongeveer een kilometer van de rechteroever van de Schelde. Hier zag onder andere de Belgische archeologe Germaine Faider-Feytmans in het midden van vorige eeuw een bewijs voor de Schelde als grens. Net als bij de waterlopen is het jammer genoeg niet altijd bevestigd dat deze toponiemen tot de Oudheid teruggaan. Alle argumenten en hypotheses in acht genomen, toont onderstaande kaart de momenteel meest waarschijnlijke begrenzing van de civitas Menapiorum.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakeningS. Demuynck (2020), p. 196.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakening

Conclusie

De Menapiërs enkel omschrijven als de geboortestam van keizer Carausius doet hen onrecht aan. Dit onderzoek heeft getoond dat ze immigranten in het Noordzeegebied waren die zich vestigden tussen de rivier de Aa in het oosten en de Schelde in het westen. Tijdens de Romeinse overheersing bloeiden hun nederzettingen, productiecentra en handel. De Menapiërs werden al snel bekend als zouthandelaars en geroemd om hun voortreffelijke ham. Een kleine elite schreef zich snel in in het Romeinse kader, terwijl het grootste deel van de bevolking eerder geleidelijk elementen uit de Romeinse cultuur overnam. De archeologische resten leren ons veel over het leven “bij ons” in de Romeinse tijd. Maar de exacte grenzen van het Menapisch gebied? Die laten zich niet zomaar vastleggen. Het is wachten op de vondst van nieuw literair, documentair of archeologisch materiaal om de bestaande hypotheses te bevestigen of weerleggen.

Lees meer

Demuynck, S., De Menapii in Gallia Belgica. Onderzoek naar de grenzen van het Menapisch gebied in de keizertijd, onuitgegeven masterproef, KU Leuven, faculteit Letteren, 2020. (de masterproef is volledig te lezen op de Scriptiebank en een samenvatting en poster zijn te vinden op de website van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis)
Deru, X., La Gaule Belgique, Parijs, 2016.
De Clercq, W., Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum: transformaties in de rurale bewoningsstructuur en de materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (Provincie Gallia-Belgica, ca. 100 v.Chr. – 400 n.Chr.), Onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Universiteit Gent, departement Archeologie, 2009.
Dhaeze, W., ‘In het land van de Menapiërs’, Zeeuws Tijdschrift, 58 (2008), 35-44.
Delmaire, R. en Delmaire, B., ‘Les limites de la cité des Atrébates (nouvelle approche d’un vieux problème)’, Revue du Nord, 72 (1990), 697-735.
Delmaire, R., Etude archéologique de la partie orientale de la cité des Morins (civitas Morinorum) (Memoires de la Commission départementale des monuments historiques de Pas-de-Calais, 16), Arras, 1976.
Leman, P., ‘Aux confins méridionaux de la cité des Ménapiens’, Revue du Nord, 49 (1967), 721-739.
De Laet, S., ‘Les limites des Cités des Ménapiens et des Morins’, Helinium, 1 (1961), 20-34.
Derolez, A., ‘La Cité des Atrébates à l’époque romaine: documents et problèmes’, Revue du Nord, 40 (1958), 505-533.
Faider-Feytmans, G. ‘Les limites de la cité des Nerviens’, L’antiquité classique, 21 (1952), 338-358.

Luister verder

‘Over de vloer’: een (voorlopig) tweedelige podcastreeks door Sien Demuynck over de Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode “bij ons”. Op een luchtige en speelse, maar daardoor niet minder wetenschappelijke manier toont Sien dat geschiedenis helemaal niet saai hoeft te zijn. Voor jonge en iets oudere luisteraars, te vinden op SoundCloud.

Coverfoto: scène uit de één-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ waarin de Menapiër Carausius wordt uitgeroepen tot keizer (© VRT)

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/feed/ 0 2379