petitie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/petitie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sat, 05 Dec 2020 15:40:31 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png petitie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/petitie/ 32 32 136391722 Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/#respond Wed, 21 Oct 2020 15:46:52 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1704

Kledij was zeer belangrijk in de Oudheid: als bescherming tegen de elementen, om een identiteit uit te drukken of door hun groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren. Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Stuur ons alsjeblieft het nodige, zodat we niet in schaamte hoeven te leven. Laat hen ons niet bespotten telkens als we binnenkomen, omdat we naakt zijn. Als een versleten mantel voor ons je te duur is, laat ons dan op zijn minst een stuk linnen bezorgen.

‘Koptische’ kindertuniek uit het Metropolitan Museum of Art

Deze smeekbede uit de 3de eeuw v.C. toont hoe belangrijk kledij al was in de Oudheid. Kleren bieden bescherming tegen de elementen, laten ons toe onze identiteit uit te drukken, en hebben in elke historische periode een groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren.

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in CaïroNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in Caïro

Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Een blik in de Grieks-Romeins-Egyptische kleerkast

De koffer van Zenon:

  • een gewassen linnen gewaad (periblema),
  • een gewassen aardkleurige wintermantel (chlamys),
  • een gedragen mantel,
  • een halfgedragen zomermantel,
  • een gewassen naturel wintermantel,
  • een gedragen naturel wintermantel,
  • een nieuwe wikke-kleurige zomermantel,
  • een gewassen witte wintertuniek (chiton) met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek,
  • twee gewassen witte wintertunieken,
  • een halfgedragen tuniek,
  • drie nieuwe witte zomertunieken,
  • een ongevolde tuniek,
  • een half-gedragen tuniek,
  • een gewassen wit bovenkleed voor de winter (himation),
  • een ruwe mantel (tribôn),
  • een gewassen wit zomergewaad (theristron),
  • een halfgedragen zomergewaad,
  • een paar Sardische hoofdkussens,
  • twee nieuwe paren aardkleurige sokken,
  • twee paar nieuwe witte sokken,
  • twee nieuwe witte gordels.

Deze papyrus geeft ons een momentopname van de kleerkist van Zenon, een manager van een groot landgoed uit de 3de eeuw v.C. Door zijn maatschappelijke positie had Zenon ‘s ochtends allicht iets meer keuzestress voor de spiegel dan de gemiddelde Griek of Egyptenaar, maar de gewaden in zijn koffer zijn min of meer representatief. Het basiskledingstuk, zowel voor Egyptenaren als voor Grieken, was de tuniek (in het Grieks chiton, in het Demotisch Egyptisch gtn). De chiton kon tot op de grond komen, tot aan de knieën, of tot aan de middel – in de meeste gevallen zijn zulke details ons niet bekend. We kennen zowel tunieken met als zonder mouwen.

Laat-antieke tuniek met mouwen, in tegenstelling tot de kindertuniek hierboven

Mummieportret van een vrouw met roze himation over haar chiton gedrapeerd

Boven de tuniek droeg men soms een tweede stuk, dat over het onderkleed heen gedrapeerd werd: de himation. Beide kledingstukken bestonden in essentie uit rechthoekige stukken stof. De himation kon op verschillende manieren gedrapeerd worden, al dan niet met behulp van gordels. Soldaten en andere personen die grote afstanden moesten afleggen, vervingen de himation als overkleed al eens door een chlamys, een reismantel die met een gesp aan de schouder werd vastgemaakt.

Beeld van Ptolemaios III als Hermes met chlamys

Zoals blijkt uit de Zenon-papyrus, konden die gewaden naturel of geverfd zijn (over kleuren later meer). Belangrijk was wel dat de kleren gewassen waren, en in het geval van wol behandeld door een voller. Hoewel in de papyri specifieke mannen- en vrouwenversies van kleren voorkomen, droegen beide geslachten in essentie dezelfde kledingstukken.

De meest gebruikte grondstof voor textiel was linnen, gemaakt van de vlasplant. Het materiaal is zeer sterk en absorberend, en het droogt snel. Deze eigenschappen maken de stof ideaal voor een warm woestijnklimaat. ’s Winters en ’s avonds koelt het echter ook in Egypte af, en voor zulke omstandigheden was wol geschikter. Lange tijd werd aangenomen dat er in Egypte geen wol gedragen werd, omdat het volgens Herodotus tegen de religieuze gebruiken inging om begraven te worden of de tempel te betreden met wollen kleren. Als er al zo’n taboe was, gold dat waarschijnlijk alleen voor priesters. Archeologische opgravingen bevestigen dat wol en wollen kledij al voorkwamen in de predynastische periode. In Zenons lijst, net als in andere papyri, vinden we daarnaast winter- en zomervarianten van sommige kledingstukken. Voor de echte koukleumen waren er ook sokken. Tot afschuw van moderne fashionista’s werden deze kousen schaamteloos in de sandalen gedragen. Sterker nog: ze waren er speciaal voor gefabriceerd. De sandalen zelf waren meestal van leer of papyrus.

Een paar sokken uit Romeins Oxyrhynchus, met inkeping aan de tenen voor een sandaalriem

Een textiel-gerelateerde vraag die historici vaak te horen krijgen, is of mensen vroeger ook al ondergoed droegen. Er zijn wel degelijk enkele papyri bewaard die meer licht werpen op deze kwestie. Ongetwijfeld de meest mysterieuze is volgend fragment:

“Verklaring van Harchebis over de clandestien geweven beha’s die gevonden zijn in de tempel”

De verklaring zelf is helaas verloren gegaan. De illegaliteit van de beha’s had waarschijnlijk niets te maken met een algemeen verbod op ondergoed, maar eerder met de specifieke omstandigheden waarin deze exemplaren geproduceerd waren. Zulke tempelwerkplaatsen waren immers in de eerste plaats bedoeld voor het vervaardigen van kledij voor de godenbeelden. Het Griekse woord voor beha betekent letterlijk ‘borstband’, en de antieke exemplaren waren heel wat minder complex dan hun moderne tegenhangers. Waarschijnlijk gaat het om een soort doek, zoals afgebeeld in de Villa del Casale in Sicilië. Het is onduidelijk hoe wijdverspreid ze werkelijk waren. Hetzelfde geldt voor de lendendoek, die vaak afgebeeld werd in de faraonische periode. In de Grieks-Romeinse periode vinden we die vooral terug bij atleten.

De zogenaamde ‘bikini-mozaïek’ met atletes in de Villa del Casale (Sicilië, 4de eeuw n.C.)

De nieuwe kleren van de keizer: mode en innovatie

Vandaag is de textielindustrie een echte mode-industrie, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor fast fashion met snel veranderende trends en relatief lage prijzen. Voor de industriële revolutie was zo’n organisatie onmogelijk. Het produceren van kledij was een veel trager en arbeidsintensiever proces, en een kledingstuk was een substantiële investering, die de meeste mensen maximaal eenmaal per jaar deden. Toch veranderden smaken ook in de Oudheid al, en werden die trends ook overgenomen door anderen, zij het aan een veel trager ritme. Het volgen van de laatste mode was ook sterk vervlochten met sociale status, en was alleen weggelegd voor de elite. Het gaat daarbij niet zozeer om de vorm van kledingstukken, maar eerder over materiaal en versiering. Een ander opvallend verschil was de status van de de kleermakers. Uit de Oudheid is ons geen enkele beroemde ontwerper bekend; de opkomst van internationaal bekende modehuizen is een relatief recent fenomeen.

Munten en standbeelden zijn belangrijke bronnen voor modeverschijnselen. In het bijzonder de kapsels van Romeinse keizerinnen, zoals deze Sabina, vonden navolging bij de elite

De slakkensoort Murex waaruit purperverf gewonnen werd

Een onderscheidend kenmerk van textiel was bijvoorbeeld de kleur. In de papyri vinden we talrijke gekleurde kledingstukken terug, in zowat alle kleuren van de regenboog. Er was ook aandacht voor de juiste tint binnen dezelfde kleur: zo gaven sommigen de voorkeur aan “gras-groen”, waar anderen voor “prei-groen” of “appel-groen” kozen. Verf had meestal een plantaardige of minerale basis, maar sommige formules waren van dierlijke oorsprong. Zo werden insecten gebruikt voor het bekomen van een scharlakenrode kleur.

Mummieportret van een vrouw gehuld in verschillende tinten purper; het Tyrisch purper was een diep purperrood

Een bijzondere rol was weggelegd voor purper. Het maken van purperverf was een zeer tijdrovend en duur proces. Dit had alles te maken met de grondstof, die werd gewonnen uit de schelp van de murex (brandhoren, een soort zeeslak), in het bijzonder in Tyrus, in het huidige Libanon. Volgens experimenten zouden 12 000 slakken niet meer dan 1,4 gram verf opleveren, al moet het wel gezegd worden dat het exacte procedé onbekend is. Purperen kleding was dus een echt statussymbool, en in de laat-Romeinse periode was het recht om de kleur te dragen zelfs exclusief voorbehouden aan de keizer.

Mogelijk leek de kostbare tuniek op deze met figuren versierde mantel uit Hellenistisch Etrurië

Slakken-uitscheiding is natuurlijk niet de enige bron van purperen kleurstoffen. In de papyri vinden we ook goedkopere oplossingen, zoals het mengen van blauwe en rode verf, of het gebruik van planten. Zulke praktijken waren schering en inslag, en om het hoogwaardige slakkenpurper van deze imitaties te onderscheiden, spraken ververs van “echt purper” of “zeepurper”, in tegenstelling tot het goedkopere “lokale purper” of “wortelpurper”. Wie zijn welvaart wilde tentoonspreiden kon dat ook op andere manieren, die moeilijker te imiteren vielen. Een petitie uit 244 v.C. licht ons bijvoorbeeld in over de aankoop van een tuniek waarop figuren geborduurd waren. Het stuk kostte 1270 drachmen, het honderdvoudige van de gemiddelde prijs van een chiton in die periode, wat overeenkomt met 15 à 20 jaarlonen voor een modale Egyptenaar. Echte haute couture dus.

Tijdens de Romeinse periode deed katoen zijn intrede in Egypte

Net zoals bepaalde steden en regio’s vandaag bekend staan om hun verfijnde of modieuze textielproductie, kende Grieks-Romeins Egypte ook regionale specialiteiten. Het beste vlas en linnen kwamen bijvoorbeeld uit de noordelijke Nijldelta, in het bijzonder uit Mendes. Andere specialiteiten werden ingevoerd van elders. Zo stond Milete, in het huidige Turkije, bekend om haar bijzonder fijne wol. Griekse ondernemers importeerden daarom het Milesische schapenras in Egypte. De wol was zo kostbaar dat de dieren een leren dekkleed droegen om ze te beschermen. Klein-Aziatische producten in het algemeen waren goed vertegenwoordigd in de Egyptische textielindustrie. Zo werden de tarsikarioi een belangrijke beroepsgroep in de Romeinse periode. Deze wevers maakten kleding die oorspronkelijk een specialiteit van de stad Tarsus was. Ook de Sardische kussens die we eerder in Zenons garderobe tegenkwamen, stamden uit Klein-Azië.

Na de overwinning van Octavianus op Cleopatra VII deelden de Romeinen de lakens uit in Egypte. In hun kielzog brachten zij rijks-brede trends met zich mee. Naast de Tarsische gewaden of stoffen, deed na verloop van tijd bijvoorbeeld ook de dalmatikè haar intrede: een brede tuniek, oorspronkelijk afkomstig uit Dalmatië, die net als vele andere gewaden uit de Oudheid nog verder leeft in de christelijke liturgie. De verovering leidde echter niet tot een volledige vernieuwing van de garderobe. Zo vinden we in Egypte weinig sporen terug van de toga, het archetypische kledingstuk van de gegoede Romeinse burger. Andere ontwikkelingen in Romeins Egypte hadden niets met de Romeinse cultuur te maken. Waar de chiton in de Hellenistische periode doorgaans mouwloos was, kwam in de Romeinse periode bijvoorbeeld de tuniek met mouwen in zwang. Ook katoen werd in de vroege Romeinse periode geïntroduceerd, maar die nieuwe vezel kwam evenmin vanuit het westen. Vandaag is het de belangrijkste textielvezel in Egypte en de rest van de wereld.

Waar de welgestelde inwoners van Grieks-Romeins Egypte dus zeer bezorgd waren over hun voorkomen en het volgen van de laatste nieuwe mode, kende de regio langs de andere kant ook een bloeiende markt in tweedehands textiel. Kledij werd ook gerecycleerd voor begrafenissen, denk bijvoorbeeld maar aan de zogenaamde ‘mummie van Zagreb’, wier windsels oorspronkelijk dienstdeden als Etruskische rituele kalender. Veel mummietextiel vertoont daarnaast sporen van herstelwerk, een duidelijk teken van hergebruik. In sommige gevallen werden nieuwe stukken textiel vervaardigd uit oude kledij. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de productie van luxueuze tapijten, een praktijk die men vandaag als upcycling zou aanduiden.

De windsels met Etruskische tekst van de ‘mummie van Zagreb’ zijn een duidelijk bewijs voor het hergebruik van textiel in een funeraire context

Er wordt wel eens gezegd dat in de mode “alles terugkomt”. We kijken dan ook reikhalzend uit naar het eerste modehuis dat modellen met een chiton en himation de catwalk op stuurt!

Lees meer

Droß-Krüpe, K., Wolle – Weber – Wirtschaft. Die Textilproduktion der römischen Kaiserzeit im Spiegel der papyrologischen Überlieferung, Wiesbaden, 2011.

Dunand, F., ‘L’artisanat du textile dans l’Égypte lagide’, Ktèma 4 (1979), 47-69.

M. Harlow (ed.), A cultural history of dress and fashion in antiquity, Londen en New York, 2017.

G. Vogelsang-Eastwood, De kleren van de farao, Amsterdam, 1994.

Coverfoto: adaptatie van een scan uit het boek ‘The New Student’s Reference Work, 5 volumes, Chicago, 1914′, gepubliceerd op Wikimedia (Public Domain)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1704
Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/#respond Wed, 23 Jan 2019 15:44:19 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1211 Osiris-Apis processie

Het papyrusarchief van Ptolemaios, de katochos van het Serapeum van Memphis, bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Daaronder bevinden zich ook enkele verzoekschriften vanwege de tweelingzussen Thaues en Taous die, nadat hun vader vermoord werd door de minnaar van hun moeder, daar konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Lees in dit artikel alles over deze tweeling en hun speciale functie als priesteres in dienst van de cultus voor de Apisstier en de god Sarapis.

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Osiris-Apis processie

De tweelingzussen Thaues en Taous behoorden tot de gegoede Egyptische klasse in de tijd van de Ptolemaeïsche koningen (332-30 v.C.). In 164 v.C. werden de meisjes door hun moeder Nephorys verjaagd, nadat haar minnaar Philippos de vader van de tweeling had vermoord. De meisjes zochten hun toevlucht bij Ptolemaios, een Macedoniër die als katochos (zie verder) verbleef in het grote Serapeum van Memphis en bovendien een vriend van hun vermoorde vader was. Ptolemaios ving de meisjes op en zorgde ervoor dat ze konden dienen als priesteressen in de Apiscultus. Het papyrusarchief van Ptolemaios bevat iets meer dan 120 teksten en stamt uit de periode van 164 tot 152 v.C. Vandaag is het versnipperd over verschillende musea in Europa, waaronder Parijs, Leiden en Bologna. Een 42-tal teksten uit dit archief hebben betrekking op de tweeling, wat duidt op hun zeer belangrijke rol in het leven van Ptolemaios.

Het verzoekschrift UPZ 1.18

UPZ 1.18 (Wilcken, Urkunden der Ptolemäerzeit I) is een verzoekschrift en staat ons toe het leven van de Egyptische zusjes Thaues en Taous voor een groot deel te volgen. Deze tweeling was met hun moeder, vader en stiefbroer Pachratesp woonachtig in Memphis. In de bron wordt verteld dat hun moeder Nephorys hun vader had bedrogen met de Griekse soldaat Philippos. Deze Philippos had de vader van de tweeling vermoord en hen uit huis verdreven. De papyrus vertelt ons dat Ptolemaios de tweeling redde ‘op bevel van de god’. De inhoud van de papyrus gaat als volgt:

“Van Thaues en Taous, de tweelingen uit het grote Serapeum in Memphis. Wij lijden onrecht door onze moeder Nephorys. Ze heeft onze vader laten vertrekken en ze woonde samen met Philippos, zoon van Sogenes, een soldaat uit de troepen van Py…ros, maar Philippos, omdat zij vol ontrouw zat en ze hem had opgedragen, onze vader – …. γυν… (Hargynouti?) –  te vermoorden, trok hij zijn zwaard en liep achter hem aan. Het huis van onze vader is dicht bij de rivier, hij stortte zich in de rivier en dook onder tot hij het eiland in de stroom bereikte, een boot pikte hem op, bracht hem naar Herakleopolis, waar hij stierf van een gebroken hart. Zijn broers gingen hem halen, ze brachten hem naar de necropool waar ze hem gedeponeerd hebben, en hij is nog steeds zonder graf. Zijn bezittingen heeft zij genomen en zij ontvangt elke maand 1400 bronzen drachmen. Ze gooide ons buiten, en wij, stervend van de honger, gingen naar het Serapeum naar Ptolemaios, een van degenen, die in zich in des gods hechtenis bevindt. Deze Ptolemaios was een vriend van onze vader, hij nam ons binnen en gaf ons eten. Wanneer het ochtend was, namen ze ons mee naar beneden om te rouwen voor de god. De kennissen van onze moeder overtuigden ons om haar zoon Pachratesp te nemen als beschermheer. We stuurden hem om te verzamelen wat ons verschuldigd was uit de koninklijke schatkist voor jaar 17. En hij stal wat we hadden in het Serapeum en wat hij op onze naam uit de schatkist verzameld had, namelijk één metreet olie (± 40 liter), hij ging terug naar zijn moeder. Ptolemaios die in gevangenschap was in de tempel, redde ons, op bevel van god.

Van Ptolemaios, zoon van Glaukias, een Macedoniër, in ‘gevangenschap’ voor het elfde jaar.”

(eigen vertaling, gebaseerd op Wilcken, UPZ I)

De tekst is geschreven door Apollonios, de jongere broer van Ptolemaios, in naam van de tweeling en was gericht aan de koning. Hierin vroeg men om een beter leven voor de tweeling en een bestraffing van de moeder en Philippos. Het is een petitie of klaagschrift van de tweeling tegen hun moeder Nephorus. In dergelijke tekst vroeg men om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de beklaagde.

Verzoekschrift UPZ 1.20, net zoals 1.18, vanwege Thaues en Taous

Het Serapeum van Memphis

Een Serapeum of Sarapieion is een tempel voor de god Sarapis (of Serapis). Deze god, die eigenschappen van zowel Griekse als Egyptische goden had gekregen, werd zowel vereerd door de Griekse als de Egyptische bevolking. Qua uiterlijk leek hij op de Griekse oppergod Zeus en zijn naam gaat wellicht terug op Osorapis oftewel Osiris-Apis, de dode Apisstier. Sarapis was een laat-Egyptische god die door Alexander de Grote of Ptolemaios I werd gecreëerd. Hij werd in Sarapieia-tempels vereerd. Zijn tempel in Memphis werd gebouwd op de resten van een oudere tempel gewijd aan de vergoddelijkte architect Imhotep. In het Serapeum in Memphis werden de Apisstieren al sinds de 14de eeuw v.C. (Nieuwe Rijk) begraven. Hun catacomben bevinden zich in een ondergronds gangencomplex. Bovengronds was er een tempelcomplex, waar ook de tempel van Sarapis lag. Er bevonden zich bovengronds ook tempels voor andere godheden, zoals Isis, Horus, Amon, Thoth en Astarte. Binnen de tempelmuren waren er winkels, huizen en herbergen voor de bezoekers van de tempel. Het Serapeum van Memphis was dus eigenlijk een kleine stad op zichzelf. Het bevindt zich net buiten het Nijldal, niet zo heel ver van de trappenpiramide van Djoser. Vandaag blijven er enkel nog de fundamenten van het Serapeum over en de ondergrondse catacomben.

Schets van de ondergrondse gang in het Serapeum (van Saqqara)

Ptolemaios en Apollonios, twee κάτοχοι in het Serapeum

Ptolemaios leefde in het Serapeum van ongeveer 172 tot 152 v.C. en was verbonden aan het heiligdom van de Fenicische godin Astarte. Hij was ἐν κατοχῇ in een pastophorion, een verblijfplaats voor priesters van lage rang, maar het is niet zeker of hij zelf ook een pastophoros was. Hij woonde er samen met zijn kamergenoot en vriend Harmais. Ptolemaios was de zoon van Glaukias, een Macedonische soldaat-kolonist, die naar Egypte was geëmigreerd. De familie woonde oorspronkelijk in Psichis, een dorpje in de Herakleopolitische gouw in Midden-Egypte. Ptolemaios had minstens drie broers: Hippalos, Sarapion en Apollonios en mogelijk ook een zus Berenike. Ptolemaios zou op de leeftijd van dertig jaar κάτοχος geworden zijn. Over wat de term κάτοχος nu precies inhoudt is enorm veel discussie. Het zou zowel over een kluizenaar, een tempelslaaf of zelfs een asielzoeker kunnen gaan. Het betekent letterlijk ‘door de god gegrepen’ en impliceerde dat Ptolemaios de tempel niet mocht verlaten. Hij voerde een deel van de tempeladministratie uit, waarvoor hij een zekere toelage ontving. Ptolemaios werd vooral verantwoordelijk geacht voor de cultusinkopen van de tempel, maar tekende ook een hele reeks dromen op van zichzelf, van zijn broer Apollonios en van een andere κάτοχος Nektembes. Deze dromen hadden bijna altijd betrekking op de tweelingzussen Thaues en Taous, die door Ptolemaios in de tempel waren opgevangen. Hij probeerde de dromen te verklaren en dacht vermoedelijk dat ze een voorspellende waarde hadden. Het zou eventueel kunnen dat één van zijn priesterlijke functies droomuitlegging was, maar waarschijnlijk is dit toch niet correct. Hij zou ze eerder verzameld hebben om ze vervolgens aan een droomuitlegger voor te leggen. Een ander personage uit het archief is Apollonios, de jongste broer van Ptolemaios, die maar liefst dertig jaar jonger zou geweest zijn. Aangezien Apollonios Grieks schreef met een Egyptisch “accent” en daarnaast ook het Demotische schrift gebruikte, zou het eventueel kunnen dat hij de halfbroer was van Ptolemaios, eerder dan de broer. Hij heeft een groot aantal documenten geschreven voor Ptolemaios, die in het archief bewaard zijn, zoals het eerder besproken verzoekschrift UPZ 1.18.

Thaues en Taous, twee priesteressen in het Serapeum

Zoals hierboven vermeld, was de vader van de tweeling, Hargynuti of Argnoûtes, vermoord door Philippos. De tweelingzusjes hadden uiteraard recht op een deel van de erfenis van hun vader, maar hun moeder wilde evenmin de begrafeniskosten betalen. Ook om deze redenen klaagde de tweeling over hun moeder in UPZ 1.18. De meisjes werden bijgestaan door Apollonios en Demetrios. Deze laatste was hun rechtsvertegenwoordiger zolang ze in het Serapeum verbleven. Waarschijnlijk konden de meisjes geen Egyptisch schrijven en spraken ze helemaal geen Grieks, aangezien de petities door anderen geschreven werden in hun naam.

Een sarcofaag van een Apisstier uit het Serapeum van Saqqara

Op 6 april 164 v.C. stierf de Apisstier Ta-Renenutet II. Na de dood van deze heilige stier werden er 70 dagen van rouw afgekondigd. De stier werd bij zijn dood gelijkgesteld aan Osiris, de god van de onderwereld. Bij de dood van Osiris rouwden de goddelijke tweelingzussen Isis en Nephtys om zijn dood. In navolging van deze rouwperiode was er bij de dood van een Apisstier ook een tweeling nodig die rouwde om hem. Thaues en Taous namen deze rol op zich. Maagdelijkheid was een voorwaarde voor het priesterschap van de tweeling. Na deze 70 dagen bleven ze hun functie van priesteressen behouden in het Serapeum. Na de dood van de stier gingen de meisjes naar Memphis.

De mannen die de mummificatie van de stier uitvoerden, moesten zich wassen en scheren en andere kleren aantrekken. De voorwerpen die gebruikt werden voor de mummificatie mochten niet op de grond liggen, maar lagen op een mat. De Apisstier zelf lag op een berg zand. Bij de mummificatie verwijderde men eerst de ogen, vervolgens de hersenen en tenslotte de ingewanden.

Een beeld van een Apisstier uit de Ptolemaeïsche periode

Na de mummificatie werd het lichaam gewikkeld in linnen en in een kist gelegd. Op de 69ste dag werd de stier naar buiten gebracht en in een schrijn geplaatst, waarna hij naar het meer Mareotis werd gedragen. Daarnaast werd er een draagstoel met Isis en Nephtys gedragen, die in dit geval vertegenwoordigd werden door Thaues en Taous. Vervolgens vond er een boottocht plaats op het meer. De Apisstier werd daarna naar een reinigingstent gebracht. Hier werd het mondopeningsritueel, dat er voor zorgde dat de mummie kon functioneren als symbool van Osiris, uitgevoerd. Deze handeling was een rite de passage waarbij de dode naar de onderwereld ging en waarbij men een beitel gebruikte om de rijen tanden te openen. Tenslotte vond op de 70ste dag de begrafenis plaats. De stier werd in een processie naar het Serapeum gedragen en daar begraven in de ondergrondse gangen.

Thaues en Taous werden beloond voor hun diensten in de Apiscultus. Ze waren dé tweeling die de godinnen Isis en Nephthys ‘speelden’ tijdens de rouwperiode voor de stier. De tweeling kreeg acht artabas graan per maand, wat gelijkstond met vier sneetjes brood per dag. Ze kregen ook dagelijks olyra (een graansoort) en jaarlijks een portie sesamolie en een portie castorolie, een hoge toelage. Hun beloofde uitkeringen werden echter keer op keer niet uitbetaald. Ptolemaios zond in naam van de tweeling verschillende petities naar de koning en hoge functionarissen. Het niet uitbetalen van hun beloning had in de eerste plaats betrekking op olie en brood. Hun allereerste uitkering werd ook gestolen door hun stiefbroer Pachratesp.

Enkele jaren later leken de zussen er weer bovenop want ze waren in staat Ptolemaios 5000 drachmen te lenen. Mogelijk was hun moeder Nephorys gedwongen hun het rechtmatige deel van de erfenis af te staan. Nadat de tweeling hun functie had uitgeoefend in de Apiscultus, mochten ze als priesteressen blijven dienen in het Serapeum. Van 159 tot 158 v.C. woonden ze de rituelen bij voor de begrafenis van de overleden Mnevisstier, die in Heliopolis begraven werd. Ze voerden eveneens in het Serapeum het dagelijkse libatie-offer uit voor de god Asklepios die met de architect-god Imhotep werd gelijkgesteld. Ze ontvingen ook de offerandes voor de god. Imhotep was de vizier van farao Djoser uit de derde dynastie. Hij werd later vergoddelijkt en aanbeden en ging deel uitmaken van de grote triade van Memphis: Ptah, zijn vrouw Sechhmet en hun zoon Imhotep.

De Apiscultus

De god Sarapis

De Apisstier werd al vereerd vanaf de vroege periode van de Egyptische geschiedenis in Memphis. De stier symboliseerde de cyclus van het leven, van geboorte tot de dood, van Apis tot Osiris-Apis of Osorapis. De Hellenistische of gesyncretiseerde god Sarapis is afgeleid van de god Apis. Of het bij deze afleiding enkel gaat om de naam of om het totale beeld van de god is niet zeker. De god Sarapis werd afgebeeld als een man met gekruld haar en een baard. Hij droeg alsook een modius (een afgevlakte cilindrische kroon) op zijn hoofd. De Apisstieren waren niet zomaar gewone stieren, ze werden uitgekozen omwille van enkele bijzondere kenmerken. Ze moeste drie specifieke witte vlekken hebben op hun lichaam: (1) een witte driehoek op hun voorhoofd, (2) een witte vlek in de vorm van een gier op hun rug en (3) een witte vlek in de vorm van een maan op hun rechterzijde. Verder moesten ze ook een scarabeeteken onder hun tong hebben en een gespleten staart.

De mummificatieceremonies duurden van 7 april tot 15 juni 164 v.C. Tijdens de 70 dagen rouw droegen de aanbidders van de Apisstier specifieke gewaden, lieten hun haar groeien en wasten zich niet. Ze aten geen voedsel dat afkomstig was van dieren, maar hielden zich aan een dieet van brood en groenten, en dronken alleen water. Na zijn dood werd de stier naar het ‘huis van de reiniging’ gebracht. Hier werd de stier gewassen en ingewreven met natron. Vervolgens werd hij naar het ‘huis van de balseming’ of de wˁb.t (wabet) gebracht. Op deze plek vond de verrijzenis van de stier plaats, waarbij Apis gelijkgesteld werd aan Osiris.

In dit filmpje wordt het leven van de tweeling voorgesteld a.d.h.v. UPZ 1.18.

Meer lezen

Hoogendijk, F.A.J. ‘Ptolemaios: een Griek die leeft en droomt in een Egyptische tempel’, in P.W. Pestman (Ed.), Familiearchieven in het land van de Pharao, Zutphen, 1989, 46-69 en 165-167.

Scheerlinck, E. Klachten en verzoeken uit Ptolemeïsch Memphis, Vrouwelijke onderdanen schrijven aan de overheid, Onuitgegeven masterthesis, Universiteit Gent, departement Geschiedenis, 2008.

Stevens, M. Het katochoi-archief en de acculturatie tussen Egyptenaren en Grieken in Ptolemaeïsch Memphis, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Gent, departement Geschiedenis, 2006-2007.

Vos, R.L. The Apis embalming ritual: P. Vindob. 3873 (Orientalia Lovaniensia Analecta, 50), Leuven, 1993.

Wilcken, U., Urkunden der Ptolemäerzeit I (UPZ I), 199-201.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘The sacred procession of Apis Osiris by F.A. Bridgman’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Thaues en Taous: Egyptische tweelingzusjes in het Serapeum van Memphis van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2019/thaues-en-taous-egyptische-tweelingzusjes-in-het-serapeum-van-memphis/feed/ 0 1211