Perzen Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/perzen/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 12 Oct 2025 14:03:51 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=6.9.4 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Perzen Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/perzen/ 32 32 136391722 Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/#respond Sun, 12 Oct 2025 14:02:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2718 De bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten

Ook in de Oudheid konden belastingbetalers zich beroepen op bewijsmateriaal: uit duizenden papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte blijkt dat belastingkwitanties een belangrijk middel vormden om burgers te beschermen tegen fraude en misbruik. Ze tonen aan dat onderdanen niet louter passieve slachtoffers waren van een zwaar belastingsysteem, maar ook rechten konden laten gelden. In dit artikel wordt geschetst hoe deze kwitanties functioneerden, van Ptolemaeïsch Egypte tot zelfs Bactrië en Babylonië, en wat ze onthullen over administratieve continuïteit en de ideologie van redelijkheid bij antieke heersers. Zelfs in een wereld zonder digitale archieven gold: wie zijn bonnetje bijhield, stond sterker.

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zomer brengt in België niet enkel vakantie, maar ook het moment waarop de belastingaangifte ingediend moest worden. Traditioneel gaat dat gepaard met heel wat papierwerk, wat al eens tot frustratie kan leiden. Maar die bureaucratie heeft ook een positieve kant: het papierwerk kan namelijk gebruikt worden om aan te tonen dat aan alle verplichtingen voldaan is. In de Oudheid was dat niet anders. We stellen ons de onderdanen van de antieke heersers al te makkelijk voor als hulpeloze slachtoffers van scrupuleuze belastinginners, die gebukt gingen onder zware fiscale verplichtingen. Dit was echter niet noodzakelijk het geval. Zeker, onze bronnen tonen dat ambtsmisbruik geen uitzondering was, maar er was op zijn minst een ideologie die de nadruk legde op redelijkheid, en individuen stonden niet machteloos. Het meest directe bewijs hiervoor wordt geleverd door de papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte. In het bijzonder de belastingkwitanties die aan de betalers werden uitgedeeld, wijzen op een zekere mate van bescherming.

Antieke belastingbetalers: onderdrukt en overbelast?

De Romeinse keizer Tiberius op een zilveren denarius

We moeten ons uiteraard geen illusies maken over de zwaarte van belastingen in de Oudheid, maar het blijft niettemin onduidelijk wat de belastingdruk was in antieke samenlevingen. In ieder geval erkenden de heersers over het algemeen het feit dat overdreven zware belastingen op lange termijn contraproductief werkten. Het bekendste voorbeeld zijn de woorden die Suetonius toeschrijft aan Tiberius. De keizer vermaande enkele van zijn gouverneurs als volgt: “een goede herder moet zijn schapen scheren, niet villen.” Meer dan een millennium eerder vinden we de redenering nog explicieter terug in Egypte, in de zogenaamde Loyalist Teaching:

Overweldig de boer niet met belastingen, laat hem het goed hebben en hij zal er het volgende jaar nog steeds voor je zijn.

Soortgelijke opvattingen zijn overal in de antieke wereld terug te vinden, van Babylonische wijsheidsliteratuur tot de Arthashâstra in het India van de 4de eeuw v.C. Dat dit niet alleen theoretische overwegingen waren, blijkt het duidelijkst uit de documentaire teksten uit Egypte, inclusief edicten en officiële correspondentie waarin werd vastgelegd wie wat moest bijdragen en waarin ambtenaren die misbruik maakten van hun positie met straffen werden bedreigd.

Belastingkwitanties als bescherming van betalers in Hellenistisch Egypte

Op 25 artabas na heeft Ptolemaios zoon van Harpsalis ons niets toegerekend voor de half-artaba belasting, omdat jij geen kwitantie genomen hebt, aangezien je niks serieus neemt. [P. Tebt. 3 768; TM 7848]

Misstanden tegenover belastingbetalers kwamen wel degelijk voor in Egypte, maar de situatie kon verholpen worden, althans als de betaler eraan gedacht had om een kwitantie mee naar huis te nemen. Met meer dan 2000 gepubliceerde exemplaren vormen belastingkwitanties het meest voorkomende type tekst uit de Ptolemaeïsche periode, en dat aantal neemt nog toe onder de Romeinen. De Ptolemaeïsche kwitanties komen grotendeels uit Opper-Egypte, waar ze op ostraca geschreven werden.

Andere teksten maken echter duidelijk dat het om een algemeen gebruik ging; ook elders in Egypte deelden de autoriteiten zulke bewijsstukken uit. Aangezien er soms verschillende kwitanties op hetzelfde object aangebracht werden, was het waarschijnlijk de betaler zelf die een ostracon, papyrus of houten tabletje meebracht. De meeste betalers waren onderworpen aan een hele reeks belastingen, en in het gemiddelde huishouden zouden er dus verschillende kwitanties terug te vinden geweest zijn, wat interessante vragen oproept over de geletterdheid van de Egyptische bevolking.

Ptolemaeïsche kwitantie voor de belasting op wijngaarden

Kwitantie voor de oogstbelasting uit de 6de eeuw v.C.

Hoewel ze pas vanaf de Ptolemaeïsche periode in grote aantallen bewaard gebleven zijn, kende men in Egypte al eerder belastingkwitanties, ten laatste vanaf de 7de eeuw v.C. De Ptolemaeën namen in dit geval dus een bestaande praktijk over en ze breidden het gebruik ervan uit. Dit hoeft niet te verbazen: contact met de belastingbetalers was een zaak van de lokale administratie, en op dit niveau was de continuïteit het grootst. Kwitanties uit een archief dat toebehoorde aan een zekere Teos (een Thebaanse dodenpriester of choachiet) en diens vrouw Thabis, daterend uit de overgangsperiode tussen de Perzen en de Ptolemaeën (4de eeuw v.C.), tonen bovendien vormelijke continuïteit met de vorige periodes. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een specifieke Ptolemaeïsche vorm van belastingkwitanties, waaronder ook exemplaren die in het Grieks waren opgesteld.

Documenten ten dienste van de bevolking

Het citaat in de vorige sectie toonde reeds dat de kwitanties door de belastingbetalers werden bijgehouden als bewijsstukken. Zonder konden gewetenloze beambten hen twee keer laten betalen. Er zijn meerdere gevallen bekend waarin zulke functionarissen kwitanties aan de betalers probeerden te ontfutselen, hetzij onder valse voorwendselen, hetzij door ze gewoon te stelen, om zo meer geld af te kunnen troggelen van hun slachtoffers.

Takskwitantie in het Demotisch en het Aramees

Gelukkig schetsen andere teksten een positiever beeld van het gebruik van kwitanties. Eén betaler uit de vroeg-Romeinse periode verwijst nog terug naar kwitanties uit de tijd van Cleopatra VII, decennia eerder, en de kwitanties bleven dus zelfs geldig over de regimewissel heen. De meeste Ptolemaeïsche kwitanties werden geschreven in het Demotisch of het Grieks, maar er zijn ook een handvol Aramese exemplaren bewaard. Dit toont nog maar eens aan dat ze bedoeld waren om de belastingbetalers van dienst te zijn, aangezien het Aramees geen officiële taal was van de Ptolemaeïsche staat, maar een minderheidstaal van bepaalde gemeenschappen.

De Ptolemaeën boden deze dienst gratis aan, in tegenstelling tot de Romeinen, die de bevolking lieten betalen – mensen laten betalen voor het betalen van hun belastingen kan misschien nog een creatieve manier zijn om het gat in de begroting te verkleinen – voor hun belastingkwitanties.

Bescherming van belastingbetalers elders in de Hellenistische wereld

Het feit dat Ptolemaeïsche belastingkwitanties verder bouwden op een bestaand gebruik betekent daarom niet dat het om een exclusief Egyptisch fenomeen ging. Wel is het zo dat alledaagse documenten zoals kwitanties over het algemeen op vergankelijke materialen geschreven werden, die we voornamelijk nog in Egypte terugvinden, dankzij de bijzondere klimatologische omstandigheden.  Maar bij toeval is er een kwitantie uit de 2de eeuw v.C. op dierenhuid bewaard gebleven uit Bactrië, in het huidige Afghanistan. Verschillende van de vermelde formules en ambtenaren zijn ook bekend in Egypte, een illustratie van de verwevenheid van de Hellenistische wereld.

Bactrische belastingskwitantie op dierenhuid uit de 2de eeuw v.C.

Uit het Hellenistische Babylonië zijn weliswaar geen kwitanties bewaard gebleven, maar er zijn wel grote hoeveelheden zegels gevonden met daarop vermeldingen van belastingen. De documenten waaraan ze ooit waren bevestigd, zijn verloren gegaan. Sommige daarvan waren mogelijk belastingkwitanties, en net als in Egypte zijn er voorbeelden van zulke teksten bekend uit de Neobabylonische en Perzische periodes, maar dit is geenszins zeker. In ieder geval dienden de zegels op zichzelf ook als bewijs van de vervulling van bepaalde verplichtingen. Dit illustreert dat er in verschillende antieke samenlevingen verschillende methoden konden worden gebruikt om belastingbetalers te beschermen. Die laatsten waren dus geenszins passieve en uitgebuite onderdanen die weerloos waren tegen misbruik door staatsambtenaren.

Lees meer

Depauw, M., The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes, Turnhout, 2000.
Muhs, B., Tax Receipts, Taxpayers and Taxes in Early Ptolemaic Thebes, Chicago, 2005.
Jakobsson, J. and Glenn, S., ‘New Research on the Bactrian Tax-receipt’, Ancient History Bulletin 32 (2018), 61–71.
van Oppen de Ruiter, B. F. and Wallenfels, R. (eds.), Hellenistic Sealings & Archives: Proceedings of the Edfu Connection, an International Conference, Turnhout, 2021.

Coverafbeelding: adaptatie van een beschilderd tafereel van een veekeuring door Nebamoen (een klerk en graanteller in het befaamde tempelcomplex van Thebe rond 1350 v.C.) uit diens grafcomplex, bewaard in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

 

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/feed/ 0 2718
Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/#comments Thu, 05 Apr 2018 16:08:52 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=779 schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Kruisiging als pre-Romeinse executiemethode

Voor de Romeinse periode was een bepaalde vorm van kruisiging als executie al bekend bij andere antieke volkeren zoals de Assyriërs en de Egyptenaren. Al in de oudste wetteksten uit de Codex Hammurabi uit de 18de eeuw v.C. komt mogelijk de vroegste vermelding van een kruisiging voor, hoewel niet in de later bekende vorm: in het geval een vrouw overspel zou plegen en haar man en de echtgenote van haar minnaar zou vermoorden, worden zowel zij als haar minnaar aan een paal gespietst (Cod. Ham. 153).

Voor Egypte zijn er verschillende bronnen, waaronder inscripties op papyrus, met verschillende hiërogliefen die verwijzen naar het spietsen op een paal. Ook bij de veldtocht van de Assyrische heerser Šalmanassar III in de 9de eeuw v.C. werden Syriërs geëxecuteerd door hun onderste delen te spietsen met een paal, zo toont één van de reliëfs op de bronzen poorten van Balawat. Deze methode werd nadien ook nog door onder meer Darius I gebruikt om 3000 Babyloniërs terecht te stellen, zo blijkt uit de zogenaamde drietalige Behistuninscriptie en het relaas van Herodotus (III,159). Diezelfde Griekse geschiedschrijver vernoemt in zijn Historiai nog enkele keren de techniek van het spietsen, onder andere in zijn beschrijving van Astyages, de laatste koning van de Meden (I,128) en Oroetes, de gouverneur van Sardis die zijn tegenstander Polykrates, tiran van Samos (III,125) liet executeren. Bij deze laatste was het opvallend dat de man al dood was voor hij werd gespietst of gekruisigd. Herodotus gebruikt twee werkwoorden voor de terechtstelling, anaskolopizō (ἀνασκολοπίζω) en anastauroō (ἀνασταυρόω), die beide als ‘op een staak spietsen’ kunnen worden vertaald.

Afbeelding van gespietste Syrische gevangen tijdens de veldtocht van Šalmanassar III, te zien op de Balawat-poort

Ook bij de Grieken kwam kruisiging voor en wel in een vorm die nauwer aansluit bij wat de Romeinen deden. Nog bij Herodotus lezen we namelijk in zijn verslag over de Tweede Perzische Oorlog van Xerxes (IX,120) dat de Atheense generaal Xanthippus, de vader van Pericles, Artayctes, een gevangengenomen Perzische generaal, levend aan een plank liet nagelen. Alexander de Grote doodde volgens historiograaf Quintus Curtius Rufus 2000 inwoners van Tyrus door hen aan een kruis te hangen (crucibus adfixi) op een groot gedeelte het strand (Hist. Alex. IV,4,7).

Paal of kruis?

Gravure van een crux simplex ad infixionem met een gespietste terdoodveroordeelde, uit een boek van Justus Lipsius

Etymologisch gezien verwijzen de Griekse termen voor kruisiging naar een opgerichte paal of staak (stauros). Ons woord kruis daarentegen is afgeleid van het Latijnse crux, zoals kruisiging van crucifixio, letterlijk het fixeren/vasthangen (facere) aan een kruis. In de Romeinse periode waren er verschillende vormen van kruisigingen: aan een boom (infelix lignum), een opgerichte paal (crux simplex) of een samengesteld kruis (crux composita) dat bestond uit een opgerichte paal (stipes) en een dwarsbalk (patibulum). Naar vorm kwam dit laatste kruis voor als een X-vormig kruis (crux decussata), een Latijns kruis (crux immissa) of een T-vormige Tau-kruis (crux commissa). Het kruis kon ook hoog zijn (crux sublimis), maar in de meeste gevallen ging het om een laaghangend kruis (crux humilis). Naar afmetingen was de opstaande balk ongeveer tussen 1,8 en 2,4 meter hoog en de dwarsbalk tussen 1,5 en 1,8 meter lang. Kruisen konden meer dan 120 kilogram wegen, waarbij het patibulum soms al tot 60 kilogram zwaar kon zijn.

De Romeinse methode ging meestal als volgt: eerst werd de verticale paal in de grond geplaatst, waarna de dwarsbalk pas eraan werd bevestigd nadat de ter dood veroordeelde eraan was genageld of gebonden. Een inscriptie (titulus) werd soms ook nog bij aan de paal genageld boven het hoofd van het slachtoffer. Seneca bevestigt dit in zijn De Consolatione ad Marciam:

Video istic cruces non unius quidem generis sed aliter ab aliis fabricatas: capite quidam conversos in terram suspendere, alii per obscena stipitem egerunt, alii brachia patibulo explicuerunt. (VI,20,3)

Ik zie daar kruisen, niet slechts van een soort, maar gemaakt op veel verschillende manieren: sommige hebben hun slachtoffers met hun hoofd op de grond, anderen aan hun private delen gespietst, nog anderen strekken hun armen uit op de dwarsbalk.

De voornaamste doodsoorzaak bij de Romeinse vorm van kruisigen zou verstikking door zuurstoftekort of hartfalen zijn. Dit treedt bij een normale hangende positie aan het kruis al op na minder dan een uur, maar door de toevoeging van zogenaamde sediles, bankjes voor de voeten of het zitvlak om op te rusten, kon de lijdensweg die tot de dood leidde met enkele uren worden verlengd.

Kruisiging bij de Romeinen

Hoe de Romeinen met kruisiging als executiemethode in contact kwamen is niet zeker, maar een plausibele uitleg lijkt dat ze na de Tweede Punische Oorlog (218 v.C. – 201 v.C.) met de Carthagers -die kruisigingen gebruikten om zelfs hun generaals die faalden in de oorlog terecht te stellen- ook deze techniek begonnen toe te passen. Livius beschrijft in zijn Ab Urbe Condita de eerste keer dat de Romeinen 25 slaven kruisigden tijdens de campagne tegen Hannibal:

Per eosdem dies speculator Carthaginiensis, qui per biennium fefellerat, Romae deprensus praecisisque manibus dimissus, et servi quinque et viginti in crucem acti, quod in campo Martio coniurassent. (XXII,33)

Rond die tijd werd in Rome een Carthaagse spion opgepakt, die zich gedurende twee jaar aan de gevangenneming had onttrokken, en nadat zijn handen waren afgesneden, mocht hij gaan, en werden 25 slaven gekruisigd, op beschuldiging van samenzwering op het Marsveld.

In de daaropvolgende jaren raakten kruisigingen ook verder ingeburgerd in het Romeinse leger, bijvoorbeeld wanneer Scipio Africanus in 201 v.C. na de val van Carthago de perfugae of deserteurs uit zijn leger, allen Romeinen, dezelfde doodstraf oplegt. (Liv. XXX,43)

Kruisiging werd gebruikt als executiemiddel voor slaven, piraten en criminelen die geen Romeins burgerschap bezaten. Een uitzondering op die laatste regel vormden de deserteurs of burgers die beschuldigd werden van hoogverraad. Tijdens de Republiek kruisigde Crassus in de nasleep van de opstand van Spartacus, ook bekend als de Derde Slavenoorlog, 6000 van diens aanhangers en deze zorgden er volgens Appianus voor dat de volledige weg van Capua naar Rome vol stond met kruisen.

Kruisigingsscène uit de film Spartacus (1960) van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol

Ook de Cilicische piraten die Caesar ontvoerden in 75 v.C. kwamen volgens de biografie van Plutarchus op deze manier aan hun einde. In 70 v.C. trad Cicero op als advocaat tegen Verres, de gouverneur van Sicilië, die een Romeins burger met de naam Gavius liet kruisigen, ondanks zijn burgerschap. De redenaar beschouwt kruisiging als de meest wrede en onterende (crudelissimi taeterrimique) straf (In Verrem II,5,165). In dezelfde rechtszaak spreekt hij ook het volgende uit:

Facinus est vincire civem Romanum, scelus verberare, prope parricidium necare: quid dicam in crucem tollere? Verbo satis digno tam nefaria res appellari nullo modo potest. (In Verrem II,5,170)

Het is een misdaad om een Romeins burger te knevelen, hem geselen is een boosaardigheid, hem ter dood brengen is bijna vadermoord: en dan wat te zeggen over hem kruisigen? Dat is zo’n schuldige handeling die onmogelijk adequaat kan worden uitgedrukt met een term slecht genoeg ervoor.

In de keizertijd kwam het al wel eens voor dat een libertus, een vrijgelaten slaaf, niet aan de kruisiging ontsnapte. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Asiaticus, die nadat zijn meester Vitellius in het vierkeizerjaar 69 was verslagen, werd gekruisigd. (Tac. Hist. IV,11,10). Bij de massale kruisiging van slaven lijkt het niet onwaarschijnlijk dat af en toe ook vrouwen en kinderen niet aan deze doodstraf ontsnapten. Zo schreef Publius Cornelius Tacitus in zijn Annales (XIV,45) dat leeftijd noch geslacht een invloed had op de uitvoering van deze vorm van executie en dat onder de slaven die gekruisigd werden voor de moord door één van hen op hun meester Lucius Pedanius Secundus zich ook vele vrouwen en kinderen bevonden. Zo kennen we ook het voorbeeld van een vrouwelijke libertaIde, die werd gekruisigd op bevel van keizer Tiberius, en van wie het verhaal ons is overgeleverd door Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae, XVIII,3,4). De Joodse geschiedschrijver (en legerleider) vertelt in datzelfde boek ook over de koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat, Alexander Iannaeus, die in 88 v.C. na een Farizeeënopstand 800 van zijn tegenstanders liet kruisigen (XIII,380). In de literaire bronnen uit de Romeinse periode lezen we dus steeds over kruisigingen door ophanging, met uitzondering van de Britse koningin Boudicca die in de revolte van 60/61 de gruwelijke methode van het op een staak spietsen nog toepaste op Romeinse matrones en Plutarchus die beide methoden nog beschrijft in zijn Moralia (499D). Tot slot kennen we natuurlijk nog de spietsing van Cicero’s handen en hoofd aan de Rostra, maar dat gebeurde na zijn executie en was meer bedoeld als afschrikking voor de andere politieke tegenstanders van het tweede triumviraat (uit Appianus‘ Bellum Civile 4,20).

Uit de spelen van Plautus, ook al zijn het komedies, en andere literaire bronnen zoals Plutarchus kunnen we al enkele details afleiden van hoe de kruisiging bij de Romeinen concreet werd uitgevoerd. Plautus (Carbonaria, fr. 2) vermeldt bijvoorbeeld dat de terdoodveroordeelde met het patibulum naar de plek waar de verticale balk van kruis was opgetrokken, moest wandelen en vervolgens eerst aan de dwarsbalk werd genageld, alvorens die balk horizontaal aan de opgerichte paal werd bevestigd. Ook Plutarchus (De Sera 554b) vermeldt dat de veroordeelde het kruis op zijn rug moest dragen (en waarschijnlijk gaat het hier ook enkel over de dwarsbalk).

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimillatekening door prof. Antonio Lombatti

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimilla

Diezelfde procedure blijkt ook uit een wettekst voor begrafenisondernemers (AE 1971, 88) die in de Italiaanse kuststad Puteoli is gevonden. De wet schrijft onder meer voor dat eigenaars die een slaaf willen laten kruisigen zelf moet opdraaien voor alle kosten zoals de houten palen (waaronder het patibulum), kettingen en koorden voor de zweepslagen. Ook de kosten voor diegenen die deze zaken naar de plaats van executie brengen en voor de beul zelf zijn ten laste van de eigenaar. In een andere sectie van de wet wordt ook gesproken over publieke executies, uitgesproken door magistraten (mogelijk voor het laten kruisigen van vreemdelingen en burgers uit de lagere klassen). Daarbij moeten de de aannemers van zulke opdrachten gratis het volgende voorzien: kruisen (cruces), nagels, pek, was en kaarsen. Die laatste drie zaken waren voor het martelen van de gevangen voor ze werden gekruisigd, een praktijk die gangbaar was in de Romeinse periode. De terdoodveroordeelde werd eveneens voor het kruisigen eerst van zijn kleding ontdaan en vervolgens vaak nog aan zweepslagen onderworpen.

Een graffito die eveneens uit Puteoli afkomstig is, daterend uit de tijd van Trajanus of Hadrianus, bevestigt dat de terdoodveroordeelde naakt aan het kruis werd gespijkerd. Op de afbeelding, gevonden op taberna 5, een gasthuis, is een naakte vrouw aan het kruis te zien. Het opschrift vermeldt nog haar naam, Alkimilla, die mogelijk op de titulus was geschreven (tenzij het hier eerder over een vervloeking dan over een echte representatie zou gaan).

Daarnaast hebben we nog archeologische bewijs. Het eerste daarvan komt uit Jeruzalem, waar in een graftombe de overblijfselen van een gekruisigde man samen met zijn kind zijn ontdekt. Een opschrift op de tombe geeft ons de naam van beiden: yhwḥann / yhwḥann bn ḥgqwl (Jehohanan, Jehohanan ben Hagkol). De overblijfselen van beide hielen van de man zijn doorspijkerd met een nagel, terwijl de handen en polsen van de man dit niet hebben, er waarschijnlijk op duidend dat zijn armen waren vastgebonden aan de dwarsbalk, in plaats van gespijkerd. Een tweede geval werd in 2007 opgegraven in het Italiaanse Gavello, zo’n 75 kilometer van Venetië. Het gaat hier opnieuw om een man, begraven in een geïsoleerd graf zonder grafgiften, wiens rechterhiel doorboord was. Na een multidisciplinair onderzoek concludeerden wetenschappers dat dit waarschijnlijk ook zal gebeurd zijn bij de kruising van deze man (mogelijk een slaaf of misdadiger) waarbij een nagel zou zijn gebruikt om hem in een open of rechtshangende positie te fixeren. Dat archeologen nog niet meer dergelijke voorbeelden hebben gevonden, kan verschillende oorzaken hebben. De de kostprijs van de nagels kan ervoor hebben gezorgd dat er een voorkeur werd gegeven aan het kruisigen met het gebruik touw, maar ook het hergebruik van de nagels en de sociale positie van de gekruisigden maken het aannemelijk dat er op dit moment niet meer materieel bewijs is gevonden.

Vondst van een skelet in Fenstanton met een spijker in de rechterhiel

Toch bracht een vondst uit 2017 uit het Britse graafschap Cambridgeshire mogelijk nieuw bewijs voor een kruisiging aan het licht. Op de site van een oude melkfabriek in Fenstanton, in het oosten van Engeland, werden toen de overblijfselen van een Romeinse nederzetting gevonden met daarbij ook enkele begraafplaatsen. In één daarvan troffen archeologen het skelet van een jonge man, tussen de 25 en 35 jaar oud, aan, maar pas toen het enige tijd later in het laboratorium werd schoongemaakt merkten onderzoekers op dat er een gat in zijn rechterhiel zat, doorboord door een 5 centimeter lange spijker. Koolstofdatering maakte duidelijk dat hij tussen 130 en 360 n.C. gestorven is en een DNA-analyse toonde aan dat hij geen familie was van andere overledenen uit de begraafplaatsen, maar dat hij wel tot de plaatselijke bevolking behoorde.

Naast de spijker in zijn hiel werden nog enkele belangrijke aanwijzingen gevonden voor een dood door kruisiging. Zo lag de man naast een houten constructie, vermoedelijk de plank waaraan hij was vastgebonden, had hij 6 gebroken ribben (misschien veroorzaakt door een zwaard) en een ontsteking aan zijn dunne benen, allemaal aanwijzingen dat hij waarschijnlijk vastgebonden was. Naast deze (impliciete) tekenen dat het hier mogelijk om een misdadiger gaat die eerst werd gemarteld en vervolgens aan het kruis genageld, werden in hetzelfde graf ook nog 12 andere ijzeren spijkers gevonden. Een ondiep gaatje in het rechterbot van de man, hetzelfde been waarin de dertiende nagel door zijn rechterhiel was geslagen, suggereert dat een eerste poging om het te kruisigen niet was gelukt. Volgens de onderzoekers maakt dit alles van het opgegraven skelet het eerste – en het best bewaarde – archeologische bewijs van een kruisdode in Noord-Europa.

De kruisiging van Jezus

Flavius Josephus geeft ons nog een breder beeld over het gebruik van kruisigingen bij Joden. In zijn De Bello Iudaico over de Joodse Oorlog tegen keizer Titus verhaalt hij (V,11) hoe Joodse opstandelingen werden gekruisigd langs de muur van Jeruzalem en hoe de Romeinse soldaten er genoegen in schepten om hun lijden te verlengen door hen in verschillende posities te kruisigen, zodat hun doodsstrijd langer zou duren. Daarnaast haalt hij ook aan dat in sommige gevallen Joden van goede afkomst werden gekruisigd, als het ware om te tonen dat zij door hun misdaad en bijhorende straf hun status waren kwijtgeraakt. Een ander voorbeeld van een massale kruisiging vinden we in zijn Antiquitates Iudaicae (XVII,10,295) waar Publius Quinctilius Varus – later bekend als de Romeinse generaal die in het Teutoburgerwoud met zijn troepen werd afgeslacht door de Germanen – 2000 Joodse rebellen kruisigde na de Joodse opstand van 4 v.C.

Ook in het Oude Testament leren we al iets over de herkomst van kruisiging als straf. Een passage in Deuteronomium (21:22-23) levert veel onzekerheid op bij bijbelonderzoekers. Waarbij vroeger werd gedacht dat een Joodse man kon worden veroordeeld tot de dood en nadien zou worden opgehangen, menen onderzoekers nu dat het woord talah mogelijk toch zou moeten worden geïnterpreteerd als gespietst aan een staak. Weliswaar gebeurde dit enkel met het hoofd van een veroordeelde nadat hij al was geëxecuteerd op een traditionele manier volgende de Joodse wet: door steniging, verbranding, wurging of onthoofding. In andere passages (Genesis 40:19 en Esther 7:10) wordt al gerefereerd aan de traditie van ophanging, kruisiging of spietsen, bij de oude Egyptenaren en de Perzen, maar ook hier zijn deze interpretaties niet onomstreden. Hoewel kruisiging dus waarschijnlijk niet tot het vroegste Joodse recht behoorde, lijkt het mogelijk dat door de Romeinse invloed deze doodstraf ook nadien werd toegepast bij misdaden waarbij de misdadiger op een zo beschamend mogelijke manier moest worden terechtgesteld.

Hoewel de historiciteit van Jezus intussen niet echt meer wordt betwijfeld, blijven er toch nog heel wat onzekerheden (o.a. over de datering in het jaar 30 of 33) bestaan over het kruisigingsverhaal dat ons voornamelijk is overgeleverd via de vier evangelisten. Wat betreft het waarom van zijn veroordeling tot het kruis door Pontius Pilatus, prefect van Judaea (praefectus Iudaeae) kunnen we vermoeden dat het hier om zogenaamde majesteitsschennis gaat. Kajafas, de hogepriester van de Joodse tempel in Jeruzalem, ondervroeg Jezus na zijn veroordeling door de Joodse raad of sanhedrin (die de wettelijke veroordeling tot de doodstraf overlieten aan de Romeinen) over zijn claim als messias of ‘Koning der Joden’. De bestraffing van deze vorm van hoogverraad (vroeger bekend als perduellio, maar in Jezus’ tijd waarschijnlijk al gekend onder de term maiestas) was tijdens de regering van Tiberius een gekende manier om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen.

Over de prelude naar de executie kunnen we uit uit de evangelies (Matteüs 27:27, Marcus 15:15, Lucas 23:16, Johannes 19:1) en ook uit de Eerste brief van Petrus (2:24) afleiden dat ook Jezus naar Romeins gebruik eerst afgeranseld werd in het praetorium en mogelijk ontdaan werd van zijn kleding, waarschijnlijk met meer dan 39 zweepslagen zoals het Joods recht voorschrijft (Deuteronomium 25:3). Daarna werd hij nog bespot en geslagen door Romeinse soldaten en de vazalkoning van Galilea en en Perea, Herodes Antipas (Lucas 23:11), die hem tooiden met een rode (Matteüs 27:28) of purperen (Marcus 15:17) toga -een verwijzing naar zijn zogenaamde koningschap-, een houten staf als scepter en een doornenkroon. Vervolgens moest hij (al dan niet met hulp van Simon van Cyrene) het kruis – waarschijnlijk enkel met de patibulum of dwarsbalk zoals bleek uit Plautus – dragen naar de plaats van zijn executie buiten de muren van Jeruzalem, Golgotha.

Aangekomen op de plaats van executie werd een titulus met het opschrift ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’ werd in drie talen (Hebreeuws, Latijn en Grieks) aangebracht volgens Johannes (19:20; de drie andere evangelisten vermelden een kortere variant op ‘Koning der Joden’). Over de concrete uitvoering van de kruisiging worden we weinig wijzer, buiten het feit dat dezelfde evangelist nog beschrijft dat een Romeinse soldaat met zijn lans een steekwonde aanbracht in de zij van Jezus (mogelijk de oorzaak van zijn dood). Zijn benen werden ook niet meer gebroken, omdat de soldaten merkten dat hij net daarvoor gestorven was, iets dat wel gebeurde met de twee misdadigers die naast hem waren gekruisigd (Johannes 19:30-34). Dat Christus gekruisigd werd met nagels lijkt aannemelijk, het archeologische bewijs -hoewel: testis unus testis nullus– ondersteunt op zijn minst het nagelen van de voeten aan het kruis en de armen gespreid. De stigmata aan zijn handen (Johannes 20:25) kunnen erop wijzen dat hetzelfde ook gebeurde met zijn handen. Dit alles zou ook betekenen dat Jezus aan een samengesteld kruis werd gekruisigd en niet simpelweg aan een rechtopstaand crux simplex, zoals sommige geleerden hebben proberen aantonen. De Alexamenos-grafitto, een mogelijke afbeelding van Jezus’ dood gevonden in de buurt van de Palatijnse heuvel in Rome en waarschijnlijk stammend uit de 3de eeuw n.C., lijkt dit te bevestigen, hoewel ook hierover de meningen uiteenlopen.

Kruisigingsscène uit de film ‘The Passion of the Christ’ (2004) van Mel Gibson

Volgens Marcus (15:25) gebeurde de kruisiging van Jezus tijdens het derde uur (om ongeveer 9 uur ’s ochtends) en duurde zijn doodstrijd zes uur. Dat zou extreem lang zijn, tenzij een voet- of zitbank zou zijn gebruikt zodat het zuurstoftekort pas na enkele uren zou optreden. Johannes (19:14) beschrijft de uitvoering van de doodstraf aan het kruis op het zesde uur (rond de middag). Dat Christus met zijn laatste adem nog enkele woorden kon uitspreken lijkt onwaarschijnlijk en past vooral binnen de religieuze context van het messiasverhaal.

Nadien werd het lichaam van Jezus nog opgevraagd bij Pilatus. Zowel bij Matteüs, Lucas als Marcus vinden we het verhaal dat Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam te mogen begraven en dat de Romeinse prefect dit toestond. Het vervolg van het verhaal en Christus’ verrijzenis die elk jaar nog wordt herdacht met Pasen kennen we.

Conclusie

De kruisiging van Jezus was zowel een logische als een onlogische straf in het historische perspectief van het gebruik van deze executiemethode. Hoewel de Romeinen kruisiging niet hebben uitgevonden, hebben ze deze gruwelijke vorm van terechtstelling wel afgeleid van de methode om terdoodveroordeelden of reeds geëxecuteerde personen aan een paal te spietsen en geperfectioneerd. Deze zware straf werd normaal gezien enkel uitgesproken tegen slaven, vreemdelingen, revolutionairen of zware criminelen die geen Romeins burgerrecht bezaten (enkele uitzonderingen zoals deserteurs niet te na gesproken). Ook na Jezus kennen we nog verschillende voorbeelden van gekruisigde christenen, van wie sommigen zoals de apostelen Petrus en Andreas later ook heilig werden verklaard.

Zoals uit de literaire bronnen blijkt, was kruisiging ook een manier om een veroordeelde te vernederen – een teken van schande – en zwaar te doen afzien tijdens het volledige proces. In de meeste gevallen zal een combinatie van zuurstoftekort, wonden opgelopen bij het martelen voor de executie en andere lichamelijke verschijnselen ten gevolge van het kruisigen tot de dood hebben geleid. In Jezus’ geval kunnen we ervan uitgaan dat hij een te grote politieke tegenstander (verzwaard door zijn voorstelling als ‘Koning der joden’) van zowel de heersende Joodse klasse als de Romeinen zal zijn geworden, waarna ook tegen hem de doodstraf door kruisiging werd uitgesproken. Over de details van de kruisiging, net zoals over de methode zelf, heerst nog veel controverse, gaande van het gebruikte materiaal tot de exacte omstandigheden.

Uiteindelijk zou het nog duren tot Constantijn de Grote aan het begin van de 4de eeuw n.C. kruisiging als executiemethode zou verbieden. Dit verbod, waarvan geen edict is teruggevonden, maar enkel een passage bij Sozomenus (Historia Ecclesiastica I,8,13), werd volgens de historiograaf Aurelius Victor (De Caesaribus, XLI,4) meer ingegeven door des keizers menselijkheid, dan door religieuze overtuigingen. De christelijke bekeerling, astroloog en schrijver Firmicus Maternus, een tijdgenoot van Constantijn die nog schreef onder diens opvolgers, gebruikt in zijn voorspellingen kruisiging als voorbeeld van een traditionele doodstraf (Mathesis VIII,7; VIII,25). De duidelijkste wettekst die een verbod instelt op kruisigingen is de codex van keizer Theodosius II (Codex Theodosianus), die werd uitgevaardigd in 438/439 n.C., meer dan een eeuw later dan keizer Constantijn, hoewel de doodstraf in gebruik bleef voor slaven die tegen hun meester samenzwoeren (IX,5,1,1). In sommige landen in het Midden-Oosten bestaat kruisiging als executiemethode ook nog vandaag de dag.

Lees meer

Cook, J. G. (2014), Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen.

Hengel, M. (1977), Crucifixion in the Ancient World and the Folly of the Message of the Cross, Philadelphia.

Kuhn, H.-W. (1982), “Die Kreuzesstrafe während der frühen Kaiserzeit. Ihre Wirklichkeit und Wertung in der Umwelt des Urchristentums” in ANRW II/25.1, pp. 648-793.

Robison, J. C. (2002). “Crucifixion in the Roman World: The Use of Nails at the Time of Christ.” Studia Antiqua 2.1.

Samuelsson, G., (2013), Crucifixion in Antiquity. An Inquiry into the Background of the New Testament Terminology of Crucifixion (2nd edition), Tübingen.

Coverfoto: schilderij ‘De kruisiging’ door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447), uit het Rijksmuseum

Update I: dit artikel werd begin 2020 aangevuld met het archeologisch bewijs uit Gavello na de wetenschappelijke publicatie in: Gualdi-Russo, E. et al. (2019), “A multidisciplinary study of calcaneal trauma in Roman Italy: a possible case of crucifixion?” in Archaeological and Anthropological Sciences 11, pp. 1783–1791.

Update II: dit artikel werd in december 2021 aangevuld met nieuw archeologisch bewijs uit Cambridgeshire dat werd gepubliceerd in: Ingham, D. & Duhig, C. (2021), “Crucifixion in the Fens: Life and Death in Roman Fenstanton” in British Archaeology Magazine, January | February 2022.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/feed/ 1 779
Munt van de maand: IJzeren harten, zilveren munten https://www.oudegeschiedenis.be/29/11/2017/munt-maand-ijzeren-harten-zilveren-munten/ https://www.oudegeschiedenis.be/29/11/2017/munt-maand-ijzeren-harten-zilveren-munten/#respond Wed, 29 Nov 2017 14:17:18 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=404 Munt van de maand II

Na onze eerste munt van de maand is onze huisnumismaticus terug met een volgende interessant antiek geldstuk. De zilveren tetradrachme van Kleomenes III is een van de weinige munten die Sparta ooit liet slaan.

Het bericht Munt van de maand: IJzeren harten, zilveren munten van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Munt van de maand II

Toen een Athener aan een Spartaan zei dat de Spartanen het minst geleerd waren onder de Grieken, antwoordde deze: “Van jullie slechtheid hebben wij als enige volk alleszins niets geleerd!”. Sparta, bij het brede publiek zeker bekend door de film300‘ (2006), waarin driehonderd krachtpatsers op bloedige wijze hele hordes Perzen afslachten, spreekt al sinds de Oudheid tot de verbeelding. In deze “modelstaat”, uitgetekend door de befaamde wetgever Lycurgus (8ste eeuw v.C.), werden jongens én meisjes door de staat opgevoed, kregen vrouwen die stierven in het kraambed een militair eerbetoon en sloeg men geen munten. Toch kennen we enkele uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld de zilveren tetradrachme van Kleomenes III.

Sparta in crisis

In 3de eeuw v.C. ging het echter niet goed met Sparta. Lang na haar hoogtepunt in de late 5de eeuw v.C. (toen ze haar aartsrivaal Athene versloeg), hadden militaire conflicten en sociale ontwikkelingen de Spartaanse staat danig uitgeput. De basis van het systeem bestond uit een kleine groep burgers die volle politieke rechten bezaten en militaire dienst leverden. Om lid te mogen zijn van het clubje Homoioi (letterlijk ‘Gelijkaardigen’) moest een Spartaan de strenge Spartaanse opvoeding doorlopen hebben (de zogenaamde agogè) en voldoende middelen kunnen bijdragen aan de gemeenschappelijke maaltijden. Veel Spartanen waren hier echter niet meer toe in staat en herhaaldelijke oorlogsvoering maakte dat verloren Homoioi door de strikte voorwaarden maar moeilijk vervangen konden worden.

Een aantal “progressieve” vorsten probeerde de Spartaanse samenleving grondig te hervormen, hoofdzakelijk door terug te grijpen naar de geïdealiseerde instellingen van Lycurgus. Herverdelingen van de grond, militaire hervormingen en het op peil brengen van het burgerkorps door nieuwe toelatingen dienden de Spartaanse zaak nieuw leven in te blazen. Voor het eerst in hun geschiedenis gingen de Spartanen ook over tot muntslag. Dit was revolutionair: een orakel had immers voorspeld dat geldlust Sparta ten val zou brengen. De accumulatie van goud en zilver werden gezien als verdacht en slecht voor het karakter. Om de eigen tekorten op te vangen, schakelden de Spartanen in de strijd echter regelmatig huurlingen in, en die wilden natuurlijk in klinkende munt betaald worden.

Zilveren tetradrachme van Kleomenes III (235-222 v.C.), geslagen ca. 227-222 v.C. (Triton VIII, lot 337)

Zilveren tetradrachme Kleomenes III

Één zo’n munt is de bovenstaande tetradrachme, geslagen door Kleomenes III (235-222 v.C.), de laatste telg van de Agiaden, het koninklijke huis waar ook Leonidas I – die van de film én de pralines – toe behoorde. Kleomenes was een rasechte ‘roi réformateur‘ en richtte zich onder andere voor zijn muntslag naar het model van de andere Hellenistische koningen van dat moment. Op de voorzijde prijkt het hoofd van de koning met diadeem, op de keerzijde staat Artemis Orthia met een hert en de legende ‘ΛΑ’, een afkorting voor ‘ΛΑΚΕΔΑΙΜΟNΙΩΝ’, oftewel ‘Van de Spartanen’. Artemis Orthia kende een bijzondere verering in Sparta. Een eigenaardig ritueel was de diamastigosis, waarbij jongens moesten proberen kaas te stelen van haar altaar, dat bewaakt werd door mannen met zwepen. In de Romeinse periode werd dit een populaire toeristenattractie, waar het bloed rijkelijk bij vloeide.

Bronnen en literatuur:

Cicero, Tusculanae Disputationes.

Grunauer-von Hoerschelmann, S., Die Münzprägung der Lakedaimonier, Berlijn, 1978.

Lonis, R., La cité dans le monde grec, Parijs, 1994.

Plutarchus, Apophthegmata Laconica.

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Spartan Silver Tetradrachm’ door Mark Cartwright van Ancient History Encyclopedia (CC BY-NC-SA 3.0)

Het bericht Munt van de maand: IJzeren harten, zilveren munten van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/29/11/2017/munt-maand-ijzeren-harten-zilveren-munten/feed/ 0 404
Woord van de maand: historia https://www.oudegeschiedenis.be/14/11/2017/woord-van-de-maand-historia/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/11/2017/woord-van-de-maand-historia/#comments Tue, 14 Nov 2017 14:42:58 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=121 schilderij 'Die Seeschlacht bei Salamis' van Wilhelm Von Kaulbach (1868)

Elke maand bespreekt oudegeschiedenis.be een woord uit de oudheid, bijvoorbeeld uit het Grieks of het Latijn. Het Latijnse leenwoord 'historia' is in de meeste moderne Europese talen hét woord om het begrip 'geschiedenis' uit te drukken. Ontdek hier de herkomst van dit woord.

Het bericht Woord van de maand: historia van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'Die Seeschlacht bei Salamis' van Wilhelm Von Kaulbach (1868)

Het Latijnse leenwoord ‘historia‘ is in de meeste moderne Europese talen hét woord om het begrip ‘geschiedenis’ uit te drukken. In het Nederlands en Duits hebben we ‘historisch’ (‘geschiedenis’ en ‘Geschichte‘ zijn Germaanse woorden), in het Engels ‘history‘ én ‘story‘, in het Frans ‘histoire‘, in het Italiaans ‘storia‘, in het Spaans ‘historia‘, in het Russisch ‘История’, enzovoort. Dit woord betekent in het Grieks oorspronkelijk ‘een onderzoek’ of ‘een schriftelijke neerslag van observaties’. De Griekse historicus (daar hebben we de term al) Herodotus (ca. 485 – 425/420 v.C.), die dankzij de Romeinse politicus Marcus Tullius Cicero (106 – 43 v.C.) vaak de eretitel ‘vader van de geschiedschrijving’ krijgt, gebruikte de term voor het eerst om zijn eigen werk mee aan te duiden. Zo begint hij zijn werk, dat later net om die reden ‘Historiën’ (Ἱστορίαι) genoemd zou worden, met de woorden “Dit is het verslag van het onderzoek van Herodotus van Halicarnassus”, of in het Grieks “Ἡροδότου Ἁλικαρνησσέος ἱστορίης ἀπόδεξις ἥδε“. Vele Griekse en Romeinse historici zouden hem navolgen door hun geschiedwerken ook ‘Ἱστορίαι’/’Historiae‘ te gaan noemen. In wat volgt bespreken we kort hoe terecht die bijnaam van Herodotus eigenlijk is.

Vader van de geschiedschrijving

Het staat vast dat Herodotus de “vader van de geschiedschrijving” is in de zin dat hij het is die als eerste een groot historisch werk in proza geschreven heeft over wereldgeschiedenis en dat is ook de reden dat Cicero hem de titel toekent. Daarbij moet echter opgemerkt worden dat ‘de eerste zijn om iets te doen’ in de oudheid vaak betekende dat men ‘de eerste was om iets op een uitmuntende wijze te doen’.  Dat betekent dat de titel van ‘vader van de geschiedschrijving’ niet gaat naar degene die als eerste een poging ondernam om aan (een soort van) historiografie te doen. Zo wordt Homerus in de Oudheid beschouwd als de eerste en belangrijkste dichter van de Griekse literatuur, maar uit onderzoek is geweten dat hij voorlopers had. Iets gelijkaardigs kan gezegd worden van Herodotus.

Romeinse kopie van een Grieks bronzen beeld van het hoofd van Herodotus uit het Metropolitan Museum of Art

Historiografische traditie

Het idee om het verleden te bewaren voor het nageslacht was al veel ouder dan Herodotus. Zo hadden de Sumeriërs al kronieken en zijn er ook Egyptische, Hettitische, Assyrische, Babylonische en Perzische koningsannalen en -kronieken bekend. Daarnaast zijn ook de historische boeken van het Oude Testament het vermelden waard in dit overzicht. Wat Herodotus echter onderscheidt van al deze geschriften, is dat hij zoveel mogelijk objectief probeert te zijn, terwijl de genoemde voorgaande geschriften vaak een ideologisch karakter hebben. Bovendien is het weinig waarschijnlijk dat Herodotus als Griek deze tradities gekend heeft.

Een tweede categorie voorgangers lag voor Herodotus (geografisch) dichter bij huis: in de Griekse dichtkunst zijn immers al bepaalde trekken van de latere historiografische traditie terug te vinden. Homerus (alweer hij) geeft immers al blijk van een historisch bewustzijn. Het is niet toevallig dat de ‘Ilias‘, het oudst bewaarde dichtwerk in het Grieks, een onderwerp heeft dat historisch is, of ten minste als historisch beschouwd werd. Bovendien heeft Homerus ook aandacht voor de oorzakelijke samenhang van de gebeurtenissen (een belangrijk kenmerk van historiografie), en valt het op dat de Trojanen niet gediaboliseerd worden[1], hoewel dat niet onlogisch zou zijn voor een Griekse dichter die schrijft over een oorlog die de Grieken wonnen tegen een buitenlands volk. Een ander kenmerk van historiografie, namelijk de systematisering en rationalisering van “wat verteld wordt”, is te vinden bij de dichter Hesiodus (midden 8ste eeuw v.C.). Hij probeert uit vele tegengestelde tradities een eenduidige godenstamboom op te stellen in zijn ‘Theogonie’. Verder kan de tragicus Aeschylus (ca. 525– 456 v.C.) ook als een voorganger van Herodotus worden beschouwd: zijn tragedie ‘Perzen’ (opgevoerd in 472 v.C.) behandelde immers een historisch thema en dat zelfs zeer kort nadat de feiten plaatsgevonden hadden.

Herodotos en Thucydides

Een derde categorie voorgangers ligt niet alleen geografisch, maar ook qua genre dichter in Herodotus’ buurt: het gaat om de zogenaamde logografen, een groep prozaschrijvers uit de tweede helft van de 6de en de 5de eeuw v.C. In de Oudheid kregen ze wel al kritiek van de historicus Thucydides (ca. 460 – 400 v.C.), die vond dat ze de zaken vaak te overdreven voorstelden, maar aangezien van hun werken slechts fragmenten bewaard zijn gebleven, is hun waarde moeilijk te bepalen. Over het algemeen wordt aangenomen dat Thucydides ze iets te veel over dezelfde kam schoor, maar dat zijn kritiek wel gegrond is.

Alles bij elkaar kan men dus stellen dat Herodotus’ titel pater historiae wel verdiend is, met dien verstande dat het idee voor zijn werk niet uit het niets ontstond.

[1] Hector is als jonge vader zelfs sympathieker dan de woesteling Achilles, naar de mening van de schrijver.

Lees meer

G. Schepens (2010), Historiografie in de oudheid.

Coverfoto: adaptatie van schilderij ‘Die Seeschlacht bei Salamis’ van Wilhelm Von Kaulbach (1868) op Wikimedia

Het bericht Woord van de maand: historia van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/11/2017/woord-van-de-maand-historia/feed/ 1 121