Oxyrhynchus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/oxyrhynchus/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sat, 27 Feb 2021 15:51:09 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Oxyrhynchus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/oxyrhynchus/ 32 32 136391722 Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/#respond Sat, 23 Jan 2021 15:47:28 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1793

Rijke Grieken konden goed hun geld en roem verdienen met muziek, terwijl andere types muzikanten in Ptolemaeïsch en Romeins Egypte minder kans hadden om hun talenten in de verf te zetten, zoals de provinciale muzikanten. Dankzij bewaarde papyri is het toch mogelijk om een analyse te maken van het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte.

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Heel wat onderzoekers bogen zich de laatste decennia over muziek en muzikanten in de Oudheid, waarbij ze voornamelijk focusten op muzikanten in het antieke Griekenland en Rome. De faraonische periode in Egypte wordt in mindere mate bestudeerd, en Ptolemaeïsch en Romeins Egypte (Grieks-Romeins Egypte) zit al helemaal in het verdomhoekje. Nochtans bevatten een aantal Griekse papyri uit die periode informatie over de Oudheid die elders niet voorhanden is. Een studie naar muzikanten in Grieks-Romeins Egypte kan daarom onze kennis over de Griekse wereld aanvullen, maar is an sich ook een boeiend onderwerp.

Muzikanten vormden een specifieke beroepscategorie in Grieks-Romeins Egypte. De grote diversiteit in muzikanten en instrumenten in die periode wijst erop dat muziek alomtegenwoordig was in verschillende domeinen en lagen van de antieke samenleving. Zo werden offers voor de goden gebracht onder muzikale begeleiding, marcheerden infanteriesoldaten op het ritme van fluitmuziek, verlichtten andere muzikanten het werk van plukkers tijdens de druivenoogst, enzovoort. Muziek, vaak in combinatie met dans, kwam je uiteraard ook tegen op de talrijke dorpsfestivals in de Egyptische chora.

Scène uit een Romeinse mozaïek met twee druivenpletters en een fluitspeler (rechts) uit de 3de eeuw n.C.

Muziek in Ptolemaeïsch Egypte

Bepaalde mannelijke leden van de rijke Griekse elite lieten zich in Ptolemaeïsch Egypte in met muziek. Dat gebeurde al van kindsbeen af (ca. 12 jaar of jonger) en op een intensieve manier. Dergelijke jongens deden de “muziekmicrobe” waarschijnlijk op tijdens hun algemene vorming in de gymnasia, want dit vormde een belangrijk onderdeel van hun basisopleiding. Nadien zochten ze een muziekmeester (hoogstwaarschijnlijk zelf een ex-muzikant) die hen tijdens de vele trainingsuren kon begeleiden. Die vroege voorbereiding had als doel om op latere leeftijd uit te blinken op (inter)nationale muziekwedstrijden tijdens sacrale festivals in de toenmalige Griekse wereld. Muzikanten die schitterden tijdens die wedstrijden konden in sommige gevallen genieten van een grote naambekendheid in (een deel van) de antieke Griekse wereld, belastingprivileges verkrijgen en een fortuin verwerven.

De bekendste wedstrijden speelden zich af in Griekenland, met de Pythische Spelen in Delphi als absolute topper voor muzikanten. Koning Ptolemaios II riep in Egypte soortgelijke festivals in het leven (onder meer de Ptolemaia en Basileia) die gemodelleerd waren naar de oude Griekse festivals met sport- en muziekwedstrijden. Hij noemde ze ‘isolympische spelen’ en stuurde boodschappers naar verschillende Griekse steden om zijn spelen te promoten. De steden werden gevraagd om hun potentiële winnaars op dezelfde wijze te belonen en te behandelen als winnaars van de Olympische Spelen (in CID 4.40 [TM 813992]). Toch evenaarden de Ptolemaia nooit de grote Griekse spelen en zijn ze in Egypte voor de laatste keer in 211-210 v.C. geattesteerd.

Om de diversiteit tussen verschillende types muzikanten aan te tonen volgen hieronder twee casestudy’s. Ten eerste staan we even stil bij het leven van Herakleotes, een jonge Griekse kitharôde. Hij staat model voor het leven van een wedstrijdmuzikant die uit een rijker, Grieks milieu kwam. Dergelijke artiesten hadden soms een jarenlange voorbereiding achter de kiezen om zich klaar te stomen voor een belangrijke wedstrijd. Het niveau van professionalisering lag hoogstwaarschijnlijk bijzonder hoog. Het bestaan van ‘provinciale muzikanten’ toont aan dat het beroep muzikant niet enkel was weggelegd voor welgestelden in Romeins Egypte. Dit type muzikanten verenigde zich in groepen en bood entertainment aan op lokale dorpsfestivals in plaats van op te treden op grote muziekwedstrijden.

Herakleotes: tonnen ambitie, maar geen middelen

Roodfigurige vaas met afbeelding van een jongeman die de kithara bespeelt (ca. 490 v.C.)

In het bekende papyrusarchief van Zenon, komen drie teksten voor die een Griekse jongeman uit de 3de eeuw v.C. schreef (P. Cairo Zen. 3 59440 [TM 1080], PSI 9 1011 [TM 2448] en P. Lond. 7 2017 [TM 1579]). Zijn naam was Herakleotes en hij was een van de Griekse inwoners van het dorpje Philadelpheia in de Fajoem. Uit de drie verzoekschriften (hypomnèmata of memoranda) die hij richtte aan Zenon, zijn we deels ingelicht over de moeilijke situatie waarin hij verkeerde. Herakleotes zat namelijk midden in zijn opleiding tot professionele kitharôde (κιθαρῳδός) – een type muzikant dat liederen zong en zichzelf daarbij begeleidde op de kithara (κιθάρα), een hoogwaardig snaarinstrument – toen het noodlot voor hem toesloeg. Zijn muziekleerkracht Demeas, tevens hoofd van het lokale gymnasion, overleed terwijl hij Herakleotes nog twee jaar had moeten opleiden. Dat de band tussen leerling en leerkracht sterk was (misschien was Herakleotes zelfs geadopteerd door zijn muziekleerkracht), bewees Demeas’ testament waarin de jongeman opgenomen was. Het maakte van Herakleotes de erfgenaam van Demeas’ muziekinstrument, hoogstwaarschijnlijk een kithara van uitmuntende kwaliteit. In zijn memoranda kaartte de jonge muzikant aan dat hij als rechtmatige erfgenaam nog steeds niets gezien had van zijn beloofde erfenis. Sterker nog, de kithara was zelfs niet opgenomen in een inventaris van Demeas’ spullen die na zijn dood was opgesteld en leek dus spoorloos verdwenen. Herakleotes achterhaalde voor het schrijven van een volgend memorandum dat Demeas’ kithara zich bij een zekere Hiëron bevond. Het instrument diende als onderpand met een waarde van 105 drachmen. Daaruit kan afgeleid worden dat de kostprijs van een nieuwe kithara veel hoger lag en dus uitsluitend aangekocht kon worden door rijke Grieken uit de elite. Bijgevolg waren alleen de rijkste (Griekse) inwoners van Ptolemaeïsch Egypte, die de financiële middelen hadden, in staat om zich te professionaliseren op een hoogstaand niveau.

Hieronder volgt de vertaling van een van de drie memoranda (P. Lond. 7 2017 [TM 1579]) die Herakleotes aan zijn voogden Zenon en Nestos schreef en waarin hij op een beleefde, maar wel wanhopige toon, beterschap voor zijn toestand hoopte te verkrijgen.

Memorandum van Herakleotes aan Zenon en Nestos, mijn aangewezen voogden.
Ik heb u al drie memoranda bezorgd met de volgende vraag: mijn leraar Demeas heeft bij testament voor mij bepaald dat voor mijn onderhoud moet worden gezorgd en dat ik alles moet krijgen wat een gentleman (vrij man) nodig heeft om zich te oefenen in het citherspel, totdat ik kan optreden in de wedstrijd. U geeft me elke maand drie drachmen en vier en een halve obool voor vlees, drie drachmen en drie chalkoi voor olie, twee drachmen en een halve obool voor vis, zeven en een halve chous wijn. Ik heb u gezegd dat dit niet voldoende is voor mij om te oefenen en u gevraagd mij omwille van Demeas en uit eerlijkheid, een maandelijkse uitkering te geven van zeven drachmen en drie obolen voor vlees, zes drachmen en zes chalkoi voor olie, zeven drachmen en drie obolen voor vis en vijftien choës wijn. Maar u hebt helemaal niet gereageerd op mijn memoranda.
Daarom vraag ik u nog een keer om mijn instrument terug te geven, dat me bij testament werd nagelaten en dat nu in het bezit is van Hiëron, of om een ander evenwaardig instrument te kopen en het mij te geven. Zo zal ik kunnen oefenen en deelnemen aan de wedstrijd, anders zal ik achterstand oplopen omdat ik geen instrument heb. En ik vraag u ook mij al het nodige te geven, zoals ik het schrijf in mijn memorandum en zoals het testament bepaalt, tot ik kan optreden in de wedstrijd. Als u dat niet wilt doen, vraag ik u mij voor twee jaar de overeenkomstige maandelijkse som te geven, zodat ik voor mezelf kan zorgen, een manager kan vinden en kan deelnemen aan de wedstrijden die de koning uitschrijft. Zo zal ik hier niet verkommeren, maar in staat zijn mezelf te helpen.
Vaarwel. Jaar 6 van de maand […]

(CLARYSSE, W. en VANDORPE, K., Zenon: Grieks manager in de schaduw van de piramiden, Leuven, 1990, p. 60-61).

Dit verzoekschrift behandelt opnieuw de vraag naar Demeas’ instrument, maar toont daarnaast aan dat Herakleotes maandelijkse voedseltoelagen ontving, maar er niet tevreden mee was. Het geld zou volgens de papyrus besteed worden aan olie, wijn, vlees en vis. Achter de keuze voor die specifieke voedingswaren kunnen we waarschijnlijk meer afleiden dan enkel het lievelingseten van de jonge Griek. Zo is geweten uit literaire bronnen dat bepaalde muzikanten in de Griekse wereld er een specifiek dieet op nahielden, omdat ze geloofden dat sommige voedingswaren een positief effect hadden op hun muziekspel. Zo komen vis (paling) en vlees bijvoorbeeld terug in de werken van Athenaeus van Naukratis (Deipnosophistae, 14.623C) en Plutarchus (De gloria Atheniensium, 6) als middeltjes die de adem konden versterken en de stem krachtiger konden maken. Uiteraard kwam dat goed van pas als kitharôde in opleiding. Dit memorandum is dus mogelijk de enige documentaire bron die dat gebruik uit literaire bronnen kan bevestigen.

De Romeinse geschiedschrijver Suetonius geeft in zijn keizersbiografieën een ander voorbeeld van een strikt dieet voor artiesten. In zijn beschrijving van keizer Nero vermeldde hij hoe Nero zelf de ambitie koesterde om een bekend artiest te worden en wat hij er voor over had om die droom te laten uitkomen. Hij zou zichzelf allerlei voedingsvoorschriften opgelegd hebben, dronk cocktails die het braken stimuleerden en liep een hele tijd rond met loden borstplaten die zijn longinhoud en zangstem moesten versterken (De vita Caesarum, Nero 20).

Hoewel Herakleotes met zijn acht drachmen en vijf obolen per maand over een groter budget beschikte om te spenderen aan voedsel dan toenmalige landarbeiders, hoopte hij via zijn verzoekschriften het maandelijkse bedrag ruim te verdubbelen.

Voeding

Gekregen toelage

Gewenste toelage

Vlees

3 drachmen, 4 obolen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Olie

[3] drachmen & 3 chalkoi

6 drachmen & 6 chalkoi

Ὄψον (vis)

2 drachmen & 4 chalkoi

7 drachmen & 3 obolen

Wijn

7,5 choës

15 choës

TOTAAL

8 drachmen, 5 obolen, 3 chalkoi & 7,5 choës

21 drachmen, 6 chalkoi & 15 choës

Tabel met overzicht van de maandelijkse toelagen van Herakleotes en zijn gewenste toelage voor vlees, olie, vis en wijn.

De reden waarom Herakleotes telkens opnieuw hamerde op het terugkrijgen van het instrument (of een nieuw instrument van dezelfde goede kwaliteit) en zichzelf hoogstwaarschijnlijk voedde met stemversterkende middeltjes lezen we in de voorlaatste regel van het verzoekschrift: “Zodat hij zou kunnen deelnemen aan de wedstrijd die de koning had uitgeschreven”. De jonge kitharôde was dus van plan om binnen twee jaar deel te nemen aan een grote muziekwedstrijd op een sacraal festival in Egypte. Het is helaas onduidelijk of het om de Basileia of Ptolemaia ging. Een van zijn grootste angsten lezen we ook in de papyrus, namelijk dat hij een achterstand zou oplopen op de andere deelnemers omdat hij niet beschikte over een instrument waarop hij dagelijks kon oefenen. Zijn dossier toont aan dat de voorbereidingen voor een dergelijke muziekwedstrijd al zeer vroeg aanvatten en verduidelijkt opnieuw het professionalisme dat door de artiesten aan de dag werd gelegd.

De afloop van het verhaal van de jonge muzikant is helaas niet overgeleverd. Of hij ooit uitgroeide tot een succesvol kitharôde en fortuin verwierf, weten we evenmin. Zijn verhaal is waarschijnlijk wel exemplarisch voor de inspanningen die jonge Grieken in Egypte moesten leveren om het te schoppen tot professionele muzikant. Ze hadden een flinke portie motivatie (om dagelijks te trainen), discipline (zich houden aan de juiste voedingsvoorwaarden), begeleiding (een goede leermeester die hen de kneepjes van het vak moest bijbrengen en een mentorfunctie vervulde) en vooral een groot budget nodig (om het dure concertinstrument, de levensmiddelen en het loon van hun trainer te financieren).

Provinciale muzikanten in Romeins Egypte

Niet alle muzikanten in Grieks-Romeins Egypte hadden de mogelijkheid om zich evenzeer te professionaliseren als de rijke Griekse elite en deel te nemen aan muziekwedstrijden. Dat wil daarom niet zeggen dat enkel rijke personen het beroep van muzikant konden uitoefenen. Het werd uitgeoefend door mensen uit verschillende sociale lagen van de antieke samenleving. Zo bestond er bijvoorbeeld een middenklasse onder de muzikanten waarover meerdere details bekend zijn. Die informatie hebben we te danken aan een twintigtal (deels) bewaarde juridische documentaire bronnen (contracten) die de muzikanten afsloten met particulieren (bijvoorbeeld P. Oxy. 10 1275 [TM 31729], P. Oxy. 74 5014 [TM 128320], P. L. Bat. 6 54 [TM 10761], P. Flor. 1 74 [TM 23578]).

Daarnaast bestaan er nog enkele gelijkaardige contracten die afgesloten werden door dansers of danseressen of andere types van artiesten (bijvoorbeeld P. Corn. 9 [TM 10609] en BGU 7 1648 [TM 27600]). De documenten laten zien dat bepaalde muzikanten zich verenigden in ensembles en rondtrokken in hun eigen gouw of provincie om lokale dorpsfestivals tegen betaling op te vrolijken met hun muziek. Dat gebeurde voornamelijk in de Romeinse periode, hoewel er mogelijk precedenten waren in de Ptolemaeïsche periode (P. Hib. 1 54 [TM 8204], P. Oxy. 4 731 [TM 20431] en CPR 18 1 [TM 7760]). Hun beperkte actieradius (voornamelijk binnen hun eigen gouw/provincie) leverde hen de bijnaam ‘provinciale muzikanten’ in het huidige onderzoek op.

De contracten bieden informatie over de werkgevers, de muzikanten zelf (auleten waren muzikanten die de aulos bespeelden, een typisch Grieks blaasinstrument, en dat type muzikanten komt in papyri het vaakst voor) en de interne hiërarchie, de duur van de voorziene arbeid, de uitbetaling van de artiesten (een krotalistria was bijvoorbeeld een vrouwelijke danseres die een soort castagnetten hanteerde terwijl ze danste), de regeling van hun transport naar het dorp, hun bezittingen, enzovoort. Onderstaande vertaling van een 3de-eeuwse papyrus uit Oxyrhynchus (P. Oxy. 34 2721 [TM 16593]) kan dienen als pars pro toto wegens de grote uniformiteit van de contracten:

Zijn onderling overeengekomen, Aurelios Ptollion, zoon van Barbaros, en Heras, zoon van Heras, beiden burgemeester van de mannen die feest vieren in het dorp Nesmeimis, en anderzijds Antinoos, zoon van Hermias, eerste auleet en aan het hoofd geplaatst van drie auleten en een krotalistria:
Ptollion en de anderen huurden Antinoos in met zijn volledige compagnie om op te treden voor de mannen die feesten op een festival van vier dagen vanaf de elfde van de volgende maand van Hathyr van dit jaar, voor een dagelijks salaris van 50 drachmen, 12 paren brood, twee kotylai radijsolie, behalve degene die voor verlichting dient, en een rantsoen, en de gebruikelijke diensten, en, voor alle dagen een keramion wijn, alle waren zijn puur.
In verband met hun salaris. Antinoos krijgt hier als voorschot 20 drachmen, en ze (Aurelios en Heras) zullen hem en de anderen transporteren met drie ezels, behalve bij overmacht, van de Oxyrhynchitische gouw. Ze zullen hen brengen naar het dorp en hen een veilige en stille accommodatie aanbieden, en na de vier dagen, nadat ze tevreden zijn met hun salarissen en de fooien, in totaal en verplicht, zullen ze hen transporteren op de vijftiende naar dezelfde Oxyrhynchites met eenzelfde aantal ezels, drie, gezond en wel.
Antinoos van zijn kant stemt in met alle vastgestelde bepalingen hierboven. De wederzijdse overeenkomst, opgemaakt in twee exemplaren is geldig.
Het veertiende jaar van de keizer Marcus Aurelius Severus Alexander, Pius, Felix, Augustus, de dertiende Phaophi.

Deze juridische documenten laten zien dat het contract vaak onderhandeld werd tussen twee partijen. De eerste partij was die van de werkgever, die de muzikanten inhuurde. In sommige gevallen was dat een van de prostatai (προστάται: dorpsautoriteiten) van de kleine kômai (κῶμαι: dorpjes) op het Egyptische platteland. Toch konden het ook gewoon (rijke) particulieren of leden van een lokale dorpsvereniging zijn die een beroep deden op de kunsten van de muzikanten. De andere partij in de contracten, die de muzikanten of artiesten vertegenwoordigde, was vaak de prôtaulès (πρωταύλης: eerste auleet of fluitspeler, hoofdauleet) en/of proestôs (προεστώς: leidinggevende of letterlijk “aan het hoofd geplaatste”). In sommige papyri ontving de hoofdauleet ook een voorschot, dat hij waarschijnlijk volledig in eigen zak kon steken.

Roodfigurige vaas met afbeelding van een vrouwelijke auleet (ca. 480 v.C.)

De betaling voor het hele orkest was steeds tweeledig. Naast een goed salaris, uitbetaald in drachmen, ontvingen ze levensmiddelen (olie, wijn en brood) voor de tijd die ze spendeerden in het dorp. Vaak kregen ze daar ook een verblijfplaats aangeboden. Helaas zwijgen de papyri over hoe het geld nadien verdeeld werd. Kregen alle leden van de compagnie hetzelfde salaris, of hadden bepaalde muzikanten recht op meer vergoeding dan anderen? Een aparte clausule in het contract toont dat de werkgevers ezels (en waarschijnlijk een soort escorte) ter beschikking stelden om de muzikanten te helpen met hun transport (van en) naar het dorp. Dat was geen overbodige luxe, want de dure instrumenten en de goede uitbetaling van hun loon maakten hen hoogstwaarschijnlijk tot een geliefd doelwit voor dieven.

Helaas roepen de contracten meer vragen op dan dat ze ons antwoorden verschaffen. Het blijft bijvoorbeeld onduidelijk hoe de rekrutering van dergelijke artiesten gebeurde en of ze een formele opleiding hadden genoten. Daarnaast is er het hierboven besproken probleem van de betaling. Wie kreeg welk deel van de uitbetaling en verdeelde de prôtaulès het geld? De ambulante ensembles leken dus op korte termijn heel wat geld te kunnen verdienen, maar het is onduidelijk of dit een fulltime bezigheid was.

Lees meer

Bélis, A., ‘Les termes grecs et latins désignant des spécialités musicales’, Revue de Philologie de Litterature et d’Histoire anciennes 62 (1988), p. 227-250.
Bélis, A., Les musiciens dans l’antiquité, Parijs, 1999.
Bélis, A., ‘Contrats et engagements de musiciens et d’artistes transmis par des papyrus grecs’, p. 149-157 in Emerit (ed.), Le statut du musician dans la méditerranée ancienne: Égypte, Mésopotamie, Grèce, Rome, Parijs, 2013.
Manniche, L., Music and musicians in ancient Egypt, Londen, 1991.
Power, T., The culture of kitharôidia, Cambridge, Massachusetts en Londen, 2010.
Vandoni, M., Feste pubbliche e private nei documenti greci, Milaan, 1964, n° 14-27.

Coverafbeelding: adaptatie van de flyer van de tentoonstelling ‘Sounds of Roman Egypt’ in het UCL Petrie Museum (22 januari-22 april 2019) (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Eerste viool spelen of toch maar een toontje lager zingen? Het beroep van muzikant in de maatschappij van Grieks-Romeins Egypte van Andrés Rea verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/23/01/2021/eerste-viool-spelen-of-toch-maar-een-toontje-lager-zingen-het-beroep-van-muzikant-in-de-maatschappij-van-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1793
Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/#respond Wed, 21 Oct 2020 15:46:52 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1704

Kledij was zeer belangrijk in de Oudheid: als bescherming tegen de elementen, om een identiteit uit te drukken of door hun groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren. Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Stuur ons alsjeblieft het nodige, zodat we niet in schaamte hoeven te leven. Laat hen ons niet bespotten telkens als we binnenkomen, omdat we naakt zijn. Als een versleten mantel voor ons je te duur is, laat ons dan op zijn minst een stuk linnen bezorgen.

‘Koptische’ kindertuniek uit het Metropolitan Museum of Art

Deze smeekbede uit de 3de eeuw v.C. toont hoe belangrijk kledij al was in de Oudheid. Kleren bieden bescherming tegen de elementen, laten ons toe onze identiteit uit te drukken, en hebben in elke historische periode een groot economisch belang. Het maken en dragen van textiel is een uniek menselijke eigenschap, die ons onderscheidt van andere dieren.

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in CaïroNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Papyrusbrief over sokken en ondergoed in het Egyptisch Museum in Caïro

Kleren vergezellen ons van het kraambed tot in het graf, en het is dan ook niet verwonderlijk dat ook de menselijke taal doorspekt is met woorden en uitdrukkingen die hun oorsprong vinden in de textielproductie. Wat antieke kledij en mode betreft, zijn we vooral goed geïnformeerd over Grieks-Romeins Egypte. Dankzij het woestijnklimaat zijn daar namelijk zowel geschreven bronnen uit het dagelijkse leven, als volledige kledingstukken bewaard gebleven.

Een blik in de Grieks-Romeins-Egyptische kleerkast

De koffer van Zenon:

  • een gewassen linnen gewaad (periblema),
  • een gewassen aardkleurige wintermantel (chlamys),
  • een gedragen mantel,
  • een halfgedragen zomermantel,
  • een gewassen naturel wintermantel,
  • een gedragen naturel wintermantel,
  • een nieuwe wikke-kleurige zomermantel,
  • een gewassen witte wintertuniek (chiton) met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek met mouwen,
  • een gedragen naturel wintertuniek,
  • twee gewassen witte wintertunieken,
  • een halfgedragen tuniek,
  • drie nieuwe witte zomertunieken,
  • een ongevolde tuniek,
  • een half-gedragen tuniek,
  • een gewassen wit bovenkleed voor de winter (himation),
  • een ruwe mantel (tribôn),
  • een gewassen wit zomergewaad (theristron),
  • een halfgedragen zomergewaad,
  • een paar Sardische hoofdkussens,
  • twee nieuwe paren aardkleurige sokken,
  • twee paar nieuwe witte sokken,
  • twee nieuwe witte gordels.

Deze papyrus geeft ons een momentopname van de kleerkist van Zenon, een manager van een groot landgoed uit de 3de eeuw v.C. Door zijn maatschappelijke positie had Zenon ‘s ochtends allicht iets meer keuzestress voor de spiegel dan de gemiddelde Griek of Egyptenaar, maar de gewaden in zijn koffer zijn min of meer representatief. Het basiskledingstuk, zowel voor Egyptenaren als voor Grieken, was de tuniek (in het Grieks chiton, in het Demotisch Egyptisch gtn). De chiton kon tot op de grond komen, tot aan de knieën, of tot aan de middel – in de meeste gevallen zijn zulke details ons niet bekend. We kennen zowel tunieken met als zonder mouwen.

Laat-antieke tuniek met mouwen, in tegenstelling tot de kindertuniek hierboven

Mummieportret van een vrouw met roze himation over haar chiton gedrapeerd

Boven de tuniek droeg men soms een tweede stuk, dat over het onderkleed heen gedrapeerd werd: de himation. Beide kledingstukken bestonden in essentie uit rechthoekige stukken stof. De himation kon op verschillende manieren gedrapeerd worden, al dan niet met behulp van gordels. Soldaten en andere personen die grote afstanden moesten afleggen, vervingen de himation als overkleed al eens door een chlamys, een reismantel die met een gesp aan de schouder werd vastgemaakt.

Beeld van Ptolemaios III als Hermes met chlamys

Zoals blijkt uit de Zenon-papyrus, konden die gewaden naturel of geverfd zijn (over kleuren later meer). Belangrijk was wel dat de kleren gewassen waren, en in het geval van wol behandeld door een voller. Hoewel in de papyri specifieke mannen- en vrouwenversies van kleren voorkomen, droegen beide geslachten in essentie dezelfde kledingstukken.

De meest gebruikte grondstof voor textiel was linnen, gemaakt van de vlasplant. Het materiaal is zeer sterk en absorberend, en het droogt snel. Deze eigenschappen maken de stof ideaal voor een warm woestijnklimaat. ’s Winters en ’s avonds koelt het echter ook in Egypte af, en voor zulke omstandigheden was wol geschikter. Lange tijd werd aangenomen dat er in Egypte geen wol gedragen werd, omdat het volgens Herodotus tegen de religieuze gebruiken inging om begraven te worden of de tempel te betreden met wollen kleren. Als er al zo’n taboe was, gold dat waarschijnlijk alleen voor priesters. Archeologische opgravingen bevestigen dat wol en wollen kledij al voorkwamen in de predynastische periode. In Zenons lijst, net als in andere papyri, vinden we daarnaast winter- en zomervarianten van sommige kledingstukken. Voor de echte koukleumen waren er ook sokken. Tot afschuw van moderne fashionista’s werden deze kousen schaamteloos in de sandalen gedragen. Sterker nog: ze waren er speciaal voor gefabriceerd. De sandalen zelf waren meestal van leer of papyrus.

Een paar sokken uit Romeins Oxyrhynchus, met inkeping aan de tenen voor een sandaalriem

Een textiel-gerelateerde vraag die historici vaak te horen krijgen, is of mensen vroeger ook al ondergoed droegen. Er zijn wel degelijk enkele papyri bewaard die meer licht werpen op deze kwestie. Ongetwijfeld de meest mysterieuze is volgend fragment:

“Verklaring van Harchebis over de clandestien geweven beha’s die gevonden zijn in de tempel”

De verklaring zelf is helaas verloren gegaan. De illegaliteit van de beha’s had waarschijnlijk niets te maken met een algemeen verbod op ondergoed, maar eerder met de specifieke omstandigheden waarin deze exemplaren geproduceerd waren. Zulke tempelwerkplaatsen waren immers in de eerste plaats bedoeld voor het vervaardigen van kledij voor de godenbeelden. Het Griekse woord voor beha betekent letterlijk ‘borstband’, en de antieke exemplaren waren heel wat minder complex dan hun moderne tegenhangers. Waarschijnlijk gaat het om een soort doek, zoals afgebeeld in de Villa del Casale in Sicilië. Het is onduidelijk hoe wijdverspreid ze werkelijk waren. Hetzelfde geldt voor de lendendoek, die vaak afgebeeld werd in de faraonische periode. In de Grieks-Romeinse periode vinden we die vooral terug bij atleten.

De zogenaamde ‘bikini-mozaïek’ met atletes in de Villa del Casale (Sicilië, 4de eeuw n.C.)

De nieuwe kleren van de keizer: mode en innovatie

Vandaag is de textielindustrie een echte mode-industrie, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor fast fashion met snel veranderende trends en relatief lage prijzen. Voor de industriële revolutie was zo’n organisatie onmogelijk. Het produceren van kledij was een veel trager en arbeidsintensiever proces, en een kledingstuk was een substantiële investering, die de meeste mensen maximaal eenmaal per jaar deden. Toch veranderden smaken ook in de Oudheid al, en werden die trends ook overgenomen door anderen, zij het aan een veel trager ritme. Het volgen van de laatste mode was ook sterk vervlochten met sociale status, en was alleen weggelegd voor de elite. Het gaat daarbij niet zozeer om de vorm van kledingstukken, maar eerder over materiaal en versiering. Een ander opvallend verschil was de status van de de kleermakers. Uit de Oudheid is ons geen enkele beroemde ontwerper bekend; de opkomst van internationaal bekende modehuizen is een relatief recent fenomeen.

Munten en standbeelden zijn belangrijke bronnen voor modeverschijnselen. In het bijzonder de kapsels van Romeinse keizerinnen, zoals deze Sabina, vonden navolging bij de elite

De slakkensoort Murex waaruit purperverf gewonnen werd

Een onderscheidend kenmerk van textiel was bijvoorbeeld de kleur. In de papyri vinden we talrijke gekleurde kledingstukken terug, in zowat alle kleuren van de regenboog. Er was ook aandacht voor de juiste tint binnen dezelfde kleur: zo gaven sommigen de voorkeur aan “gras-groen”, waar anderen voor “prei-groen” of “appel-groen” kozen. Verf had meestal een plantaardige of minerale basis, maar sommige formules waren van dierlijke oorsprong. Zo werden insecten gebruikt voor het bekomen van een scharlakenrode kleur.

Mummieportret van een vrouw gehuld in verschillende tinten purper; het Tyrisch purper was een diep purperrood

Een bijzondere rol was weggelegd voor purper. Het maken van purperverf was een zeer tijdrovend en duur proces. Dit had alles te maken met de grondstof, die werd gewonnen uit de schelp van de murex (brandhoren, een soort zeeslak), in het bijzonder in Tyrus, in het huidige Libanon. Volgens experimenten zouden 12 000 slakken niet meer dan 1,4 gram verf opleveren, al moet het wel gezegd worden dat het exacte procedé onbekend is. Purperen kleding was dus een echt statussymbool, en in de laat-Romeinse periode was het recht om de kleur te dragen zelfs exclusief voorbehouden aan de keizer.

Mogelijk leek de kostbare tuniek op deze met figuren versierde mantel uit Hellenistisch Etrurië

Slakken-uitscheiding is natuurlijk niet de enige bron van purperen kleurstoffen. In de papyri vinden we ook goedkopere oplossingen, zoals het mengen van blauwe en rode verf, of het gebruik van planten. Zulke praktijken waren schering en inslag, en om het hoogwaardige slakkenpurper van deze imitaties te onderscheiden, spraken ververs van “echt purper” of “zeepurper”, in tegenstelling tot het goedkopere “lokale purper” of “wortelpurper”. Wie zijn welvaart wilde tentoonspreiden kon dat ook op andere manieren, die moeilijker te imiteren vielen. Een petitie uit 244 v.C. licht ons bijvoorbeeld in over de aankoop van een tuniek waarop figuren geborduurd waren. Het stuk kostte 1270 drachmen, het honderdvoudige van de gemiddelde prijs van een chiton in die periode, wat overeenkomt met 15 à 20 jaarlonen voor een modale Egyptenaar. Echte haute couture dus.

Tijdens de Romeinse periode deed katoen zijn intrede in Egypte

Net zoals bepaalde steden en regio’s vandaag bekend staan om hun verfijnde of modieuze textielproductie, kende Grieks-Romeins Egypte ook regionale specialiteiten. Het beste vlas en linnen kwamen bijvoorbeeld uit de noordelijke Nijldelta, in het bijzonder uit Mendes. Andere specialiteiten werden ingevoerd van elders. Zo stond Milete, in het huidige Turkije, bekend om haar bijzonder fijne wol. Griekse ondernemers importeerden daarom het Milesische schapenras in Egypte. De wol was zo kostbaar dat de dieren een leren dekkleed droegen om ze te beschermen. Klein-Aziatische producten in het algemeen waren goed vertegenwoordigd in de Egyptische textielindustrie. Zo werden de tarsikarioi een belangrijke beroepsgroep in de Romeinse periode. Deze wevers maakten kleding die oorspronkelijk een specialiteit van de stad Tarsus was. Ook de Sardische kussens die we eerder in Zenons garderobe tegenkwamen, stamden uit Klein-Azië.

Na de overwinning van Octavianus op Cleopatra VII deelden de Romeinen de lakens uit in Egypte. In hun kielzog brachten zij rijks-brede trends met zich mee. Naast de Tarsische gewaden of stoffen, deed na verloop van tijd bijvoorbeeld ook de dalmatikè haar intrede: een brede tuniek, oorspronkelijk afkomstig uit Dalmatië, die net als vele andere gewaden uit de Oudheid nog verder leeft in de christelijke liturgie. De verovering leidde echter niet tot een volledige vernieuwing van de garderobe. Zo vinden we in Egypte weinig sporen terug van de toga, het archetypische kledingstuk van de gegoede Romeinse burger. Andere ontwikkelingen in Romeins Egypte hadden niets met de Romeinse cultuur te maken. Waar de chiton in de Hellenistische periode doorgaans mouwloos was, kwam in de Romeinse periode bijvoorbeeld de tuniek met mouwen in zwang. Ook katoen werd in de vroege Romeinse periode geïntroduceerd, maar die nieuwe vezel kwam evenmin vanuit het westen. Vandaag is het de belangrijkste textielvezel in Egypte en de rest van de wereld.

Waar de welgestelde inwoners van Grieks-Romeins Egypte dus zeer bezorgd waren over hun voorkomen en het volgen van de laatste nieuwe mode, kende de regio langs de andere kant ook een bloeiende markt in tweedehands textiel. Kledij werd ook gerecycleerd voor begrafenissen, denk bijvoorbeeld maar aan de zogenaamde ‘mummie van Zagreb’, wier windsels oorspronkelijk dienstdeden als Etruskische rituele kalender. Veel mummietextiel vertoont daarnaast sporen van herstelwerk, een duidelijk teken van hergebruik. In sommige gevallen werden nieuwe stukken textiel vervaardigd uit oude kledij. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de productie van luxueuze tapijten, een praktijk die men vandaag als upcycling zou aanduiden.

De windsels met Etruskische tekst van de ‘mummie van Zagreb’ zijn een duidelijk bewijs voor het hergebruik van textiel in een funeraire context

Er wordt wel eens gezegd dat in de mode “alles terugkomt”. We kijken dan ook reikhalzend uit naar het eerste modehuis dat modellen met een chiton en himation de catwalk op stuurt!

Lees meer

Droß-Krüpe, K., Wolle – Weber – Wirtschaft. Die Textilproduktion der römischen Kaiserzeit im Spiegel der papyrologischen Überlieferung, Wiesbaden, 2011.

Dunand, F., ‘L’artisanat du textile dans l’Égypte lagide’, Ktèma 4 (1979), 47-69.

M. Harlow (ed.), A cultural history of dress and fashion in antiquity, Londen en New York, 2017.

G. Vogelsang-Eastwood, De kleren van de farao, Amsterdam, 1994.

Coverfoto: adaptatie van een scan uit het boek ‘The New Student’s Reference Work, 5 volumes, Chicago, 1914′, gepubliceerd op Wikimedia (Public Domain)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Sokken in sandalen en clandestien ondergoed: kledij en mode in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/10/2020/sokken-in-sandalen-en-clandestien-ondergoed-kledij-en-mode-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1704
Euripides’ Archelaos: een “Trümmertragödie” https://www.oudegeschiedenis.be/27/01/2020/euripides-archelaos-een-trummertragodie/ https://www.oudegeschiedenis.be/27/01/2020/euripides-archelaos-een-trummertragodie/#respond Mon, 27 Jan 2020 08:18:39 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1405 Theater van Aigai & Euripides

Hoewel er van de Griekse tragicus Euripides 19 stukken bewaard zijn, overleefden sommige van zijn andere werken de tand des tijds in een fragmentarische staat, zoals zijn Archelaos, een stuk dat we kunnen benoemen als Trümmertragödie. Fragmenten ervan zijn niet bewaard doordat ze werden overgeschreven tijdens de Middeleeuwen (zoals vaak het geval bij werken uit de Oudheid), maar doordat ze op papyrus bewaard zijn in de Egyptische woestijn. Een voorbeeld van een dergelijk fragment is P. Oxy. III 419, gevonden in een antieke vuilnisbelt in de stad Oxyrhynchus in Egypte, en overgebracht naar de Leuvense Universiteitsbibliotheek.

Het bericht Euripides’ Archelaos: een “Trümmertragödie” van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theater van Aigai & Euripides

Hoewel er van de Griekse tragicus Euripides (ca. 480 v.C. – 406 v.C.), één van de grote drie tragici van het klassieke Athene (naast Aeschylus en Sophocles), 19 stukken bewaard zijn (plus één stuk waarvan het auteurschap betwijfeld wordt), overleefden sommige van zijn andere werken de tand des tijds in een fragmentarische staat. Vandaar de keuze voor het Duitse neologisme Trümmertragödie in de titel: het is een tragedie (Tragödie) waarvan enkel brokstukken (Trümmer) bewaard zijn. De meer taalkundig georiënteerde zielen onder ons herkennen hierin ook de term Trümmersprache, die gebruikt wordt voor talen die enkel bewaard zijn via inscripties, maar niet in literaire bronnen of manuscripten. Deze fragmenten zijn niet bewaard doordat ze werden overgeschreven tijdens de Middeleeuwen (zoals vaak het geval bij werken uit de Oudheid), maar doordat ze op papyrus bewaard zijn in de Egyptische woestijn. Een voorbeeld van een dergelijk fragment is P. Oxy. III 419, gevonden in een antieke vuilnisbelt in de stad Oxyrhynchus in Egypte, en overgebracht naar de Leuvense Universiteitsbibliotheek.

Zicht op de verwoeste Lakenhal, met daarin de universiteitsbibliotheek, in Leuven in 1915

Het fragment [TM 59840]  kan met zekerheid worden beschouwd als een deel van een stuk met de titel Archelaos. Twee regels in de zwaar beschadigde papyrus komen immers overeen met een paar verzen die bewaard zijn in het Anthologion (“Bloemlezing”) van Joannes Stobaeus (5de eeuw n.C.). Hij wijst ze expliciet toe aan Euripides’ Archelaos (Stob. III, 7, 4). Hoewel het stuk niet bewaard is, kennen we de inhoud uit de Fabulae van Hyginus, een verder niet bekende auteur uit de 2de eeuw n.C. Dat werk bestaat uit 220 Latijnse samenvattingen – in het Latijn fabulae, vandaar de titel – van antieke stukken. Fabula 219 is de samenvatting van Archelaos.

Inhoud van het stuk

Het stuk begint wanneer Archelaos, nadat hij door zijn broers is verbannen, asiel vraagt bij de Thracische koning Kisseus. Deze staat hem dat toe, op voorwaarde dat Archelaos helpt de oorlog te winnen tegen invallers (die verder niet met naam genoemd worden). Als beloning zou Archelaos met Kisseus’ dochter mogen trouwen. Archelaos weet de vijand snel te verdrijven en vraagt dan ook de beloofde beloning. Kisseus’ entourage raadt hem echter af zijn belofte na te komen en de koning volgt dit advies. Hij probeert vervolgens Archelaos te vermoorden door hem in een kuil met brandende houtskool te doen vallen. Een slaaf verraadt het plan echter aan Archelaos. Deze vraagt om een gesprek onder vier ogen met Kisseus en daarbij gooit hij de koning in de put die deze laatste voor een ander gegraven had. Vervolgens vlucht Archelaos op aanraden van Apollo naar Macedonië. Hij krijgt de opdracht een geit te volgen en een stad te stichten op de plaats waar de geit halt houdt. Deze stad zal Aigai heten, naar het Griekse woord voor geit (αἶξ). Hiermee eindigt het stuk.

Context van het stuk

Op het einde van zijn leven woonde en werkte Euripides aan het Macedonische hof en niet meer in Athene. De toenmalige koning van Macedonië was Archelaos I. Deze overeenkomst met de naam is waarschijnlijk niet toevallig, aangezien Euripides een protégé was van de koning, die ook andere Griekse kunstenaars naar zijn hof had gehaald. In het stuk wordt de mythologische Archelaos een afstammeling van Herakles en deze afstamming verhoogde ook het prestige van het Macedonische koningshuis. Mogelijk werd het stuk in 407 v.C. opgevoerd in het kader van een door Archelaos georganiseerd festival in Dion ter ere van Zeus en de Muzen, maar dit is niet zeker.

Didrachme van Archelaos I, koning van Macedonië

De papyrus

Bernard Pyne Grenfell en Arthur Surridge Hunt, de archeologen die de Oxyrhynchuspapyri ontdekten en uitgaven

De papyrus waarop een aantal verzen van de Archelaos bewaard zijn, is jammer genoeg het slachtoffer van de geschiedenis geworden: hij ging verloren in de brand van de Leuvense Universiteitsbibliotheek in 1914, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Er is geen enkele foto van bewaard en daardoor moet deze papyrus zeer indirect bestudeerd worden, op basis van tekstuitgaven, vooral de eerste uitgave van Grenfell en Hunt uit 1903. Zij dateren de papyrus op basis van het gebruikte unciaalschrift in de 2de of 3de eeuw n.C. Een tentatieve vertaling van de zeer slecht bewaarde 16 regels is de volgende. Dit is bij mijn weten ook de eerste poging tot een vertaling in het Nederlands van deze papyrus.

gedachte (?)

hij die doodt

hij zou

Heer Apollo, zet neer

kind, gooi weg (?)

Enkel dit vraag ik je: dat je nooit in slavernij

Leeft uit vrije wil, wanneer je de mogelijkheid hebt te sterven als een vrij man

naar binnen

als ze slagen

voortaan

een man moet

dag

want het lot

rennend (?)

Lees meer

Austin, C. 1968. Nova fragmenta Euripidea in papyris reperta. Berlijn : De Gruyter.

Collard, C. en Cropp, M. Euripides. Fragments. Aegeus. Meleager. Cambridge/Londen : Harvard University Press.

Donovan B. E. 1969. “Euripides Papyri. I : Texts from Oxyrhynchus.” In: American Studies in Papyrology. Volume 5. New Haven/Toronto: The American Society of Papyrologists.

Harder, A. 1985. Euripides’ Kresphontes and Archelaos. Introduction, Text and Commentary. Leiden: Brill.

Jouan, F. en Van Looy, H. 1998. Euripide. Tome VIII. Fragments 1re partie. Aigeus. Autolykos. Parijs : Les Belles Lettres.

Noot: de inhoud van dit stuk werd door de auteur samengesteld in het kader van het mastervak Papyrologie en de multiculturele samenleving in Egypte, gedoceerd door prof. dr. Katelijn Vandorpe. Wij danken haar dan ook voor de begeleiding hierbij.

Coverafbeelding: adaptatie van de afbeelding ‘Aegae, Vergina theater’ van yiannis mitos op Vici.org (CC BY-SA 3.0) en de afbeelding ‘Euripides, Nordisk familjebok’ op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Euripides’ Archelaos: een “Trümmertragödie” van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/27/01/2020/euripides-archelaos-een-trummertragodie/feed/ 0 1405
Het cijfer theta en ons getal 13 https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/ https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/#comments Tue, 04 Dec 2018 13:54:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1115 jachtscène Colosseum met theta nigrum

De letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος ("dood"), in de administratie van het Romeinse leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de "zwarte theta" (theta nigrum). In dit artikel gaan we na waar dit teken vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
jachtscène Colosseum met theta nigrum

Op het beroemde mozaïek van Torrenova uit de 4e eeuw n.C. (dat zich nu in de Galleria Borghese, een museum in Rome, bevindt), meer dan 20 meter lang, worden verschillende gladiatoren afgebeeld met hun typische wapenrusting, in gevechten van man tegen man. De strijders worden geïdentificeerd met hun namen in het Latijn, maar bij enkele gesneuvelden, zoals Astivus en Rodanus op de foto van deze mozaïek hieronder (en van een andere mozaïek uit het Colosseum hierboven), staat een cirkel doorkruist met een horizontale lijn, een Griekse theta, als afkorting voor θ(άνατος), de dood. In dit artikel gaan we na waar dit teken, ook bekend als de ‘zwarte theta’ (theta nigrum), vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Gladiatorengevecht op gedeelte van mozaïek uit het museum in de Villa Borghese

Het teken θ of de theta nigrum

Hetzelfde teken wordt ook gebruikt voor gesneuvelden in het Romeinse leger. Dit weten we uit de christelijke auteur Rufinus (Apologia adversus Hieronymum 2.40) die zich nogal omslachtig uitdrukt:

Accepto breviculo in quo militum nomina continentur, nitatur inspicere quanti ex militibus supersint, quanti in bello ceciderint; et requirens qui inspicere missus est, propriam notam, verbi causa, ut dici solet, theta, ad uniuscuiusque defuncti nomen adscribat.

Toen hij een breviculum had ontvangen, waarin de namen stonden van de soldaten, deed hij zijn best om te controleren hoeveel soldaten er nog in leven waren en hoeveel er in de oorlog waren gesneuveld; hij eiste dat de man die erop uit was gestuurd om te controleren, de notitie die, zoals men pleegt te zeggen,  omwille van het woord (nl. θάνατος) passend was, namelijk een theta, zou schrijven bij de naam van elke gesneuvelde).

pridianum met een theta naast de overleden soldaatP. Brooklyn Gr. 24

pridianum met een theta naast de overleden soldaat

Rufinus’ uitspraak wordt bevestigd door Latijnse papyri van de militaire administratie, zoals in aanwezigheidslijsten van soldaten (pridiana), die we kennen uit Egypte en uit Dura Europos aan de Eufraat. Een theta naast de naam van een soldaat duidt aan dat hij is gesneuveld of gestorven (zie de grote theta in de marge naast regel 4 op de afbeelding hiernaast).

In één pridianum worden gestorven soldaten onderscheiden naar gelang van de manier waarop ze zijn omgekomen “perit in aqua”, “occisus a latronibus” (“verloren gegaan in water”, d.w.z. verdronken, “gedood door rovers”) en “θetati” (“gesneuvelden”). De laatste groep, met een Griekse theta in een Latijns leenwoord, waren ongetwijfeld soldaten “killed in action”:

translatus in exercitum pannoni[cum
perit in aqua
.occisus. a latron[i]bus                        eq(ues) [
θetati                [in] is equites I[
summa decesserunt in is [

militaire lijstR.O. Fink, Roman military records, 1971, nr. 63 r.11= New Pal. Soc. II.2 pl. 186

De militaire lijst of pridianum met de Griekse theta in een Latijns leenwoord

Nochtans vindt men in Rome deze theta ook op grafsteles voor gewone burgers, al vanaf de Late Republiek, soms vergezeld van een V – voor Vivus natuurlijk – voor levende personen die de grafstele hebben besteld (ZPE 136 (2001), pp. 267-276).

Deze theta wordt kort besproken in de Etymologiae van Isidoros van Sevilla (Etymologiae iii 7.9 en Origenes I.3.8), die zegt dat in “militaire rapporten van de ouden” een theta werd geplaatst bij de naam van elke gesneuvelde (theta ad uniuscuiusque defuncti nomen adponebatur) en dat het teken Θ staat voor “dood” (mors, in het Grieks θάνατος), omdat de rechters deze letter plaatsten naast de naam van de veroordeelden:

Iudices litteram θ adponebant ad eorum nomina quos supplicio afficiebant. Et dicitur theta ἀπὸ θανάτου, id est a morte.

Hij citeert hierbij een hexameter van een onbekende auteur, die het heeft over de “infelix littera theta“, “de ongelukkige letter theta”.

In de klassieke Latijnse auteurs wordt op de ‘zwarte theta’ of theta nigrum gealludeerd door de dichters Persius en Martialis. Persius heeft het in zijn vierde satyre over “nigrum uitio praefigere theta”,  “de deugd merken met een zwarte theta” (l.13), en Martialis wijdt een epigram (VII 37) aan een rechter (de quaestor Castricus) die ervan hield willekeurig doodvonnissen uit te spreken (telkens hij zijn neus snoot), maar door zijn collega’s wordt belet zijn neus te snuiten!

Nosti mortiferum quaestoris, Castrice, signum?
Est operae pretium discere theta nouum:
exprimeret quotiens rorantem frigore nasum,
letalem iuguli iusserat esse notam.

Ken je het teken des doods van de quaestor Castricus? Het loont de moeite die nieuwe theta te leren kennen. Telkens hij zijn neus snoot die droop van de kou, had hij bevolen dat dit moest worden genoteerd als een doodvonnis.

De θ als cijfer 9

In de Griekse wereld staat de letter theta ook voor het cijfer 9. Zo vindt men in Griekse inscripties uit de Hellenistische tijd datums als ἔτους θ Φαρμουθι θ, wat betekent 9 Pharmouthi (een Egyptische maand) van jaar 9. In de periode van de tetrarchie (van 285 tot 324 n.C.) was het de gewoonte om te dateren met de regeringsdata van de Augusti en de Caesares. Zo wordt het jaar 295/296 in officiële documenten aangeduid als (ἔτους) ιβ καὶ (ἔτους) ια καὶ (ἔτους) δ τῶν κυρίων ἡμῶν Διοκλητιανοῦ καὶ Μαξιμιανοῦ Σεβαστῶν καὶ Κωνσταντίου καὶ Γαλερίου ἐπιφανεστάτων Καισάρων, wat men kan vertalen als “jaar 12 en jaar 11 en jaar 4 van onze heren Diocletianus en Maximianus Augusti en Constantinus en Galerius Caesares”. Slechts zelden worden de jaartallen voluit geschreven, op één uitzondering na : het jaar 9 wordt in bijna de helft van de gevallen niet aangeduid door het cijfer θ, maar voluit geschreven als ἐνάτου. Zo schrijft in 324 n.C. één scriba zelfs κ (ἔτους) καὶ ἔννεα καὶ ι (ἔτους) καὶ ιβ (ἔτους) : jaar 20 en jaar negen-10 en jaar 12. Het is evident dat sommige scribae de negatieve letter theta vermeden in dateringen.

P. Oxy. 36 2765 l.2P. Oxy. 36 2765 l.2

Het vermijden van de letter theta bij een datering op een papyrus, gevonden op de vuilnisbelt van Oxyrhynchus

Ditzelfde fenomeen kan men ook zien op munten. Onze voorbeelden komen vooral uit Alexandrië, omdat alleen in Egypte consequent wordt gedateerd met keizersjaren. De tekst op munten uit Egypte bevat vooral de naam/namen van de keizer, en een jaaraanduiding aangeduid met het teken L. Omdat de plaats beperkt is, worden de jaartallen op enkele uitzonderingen na meestal in cijfervorm gegeven. Tot de voornaamste uitzonderingen behoren opnieuw de jaren 9, waar in plaats van het cijfer 9 (θ) het woord ἐνάτου voluit wordt geschreven, vanaf Nero tot Diocletianus. Op 461 bewaarde munten uit Alexandrië telt men 387 uitgeschreven negens tegenover slechts 74 keer het cijfer 9. Alleen de munten van Septimius Severus en Severus Alexander gebruiken systematisch het cijferteken.

[Jaar 9 op Alexandrijnse munten van Nero tot Maximianus]

Keizer Jaar negen voluit Jaar 9 met cijfer
Nero 22 0
Vespasianus 33 2
Domitianus 18 0
Traianus 0 4
Hadrianus 95 22
Antoninus Pius 103 1
Marcus Aurelius 18 16
Septimius Severus 0 10
Severus Alexander 0 7
Gallienus 28 16
Diocletianus 36 0
Maximianus 30 0

(uit Chiron 10, 1980, p. 543)

Op de munten van Diocletianus bijvoorbeeld worden achtste en tiende jaar in cijfers geschreven (H en I), terwijl men voor een gelijkaardige munt van het negende jaar ENATOY gebruikt voluit schrijft.

 

 

 

 

Drie munten van keizer Diocletianus voor jaar 8, negen en 10

munt GallienusNick Vaneerdewegh | OUDE GESCHIEDENIS

munt Gallienus

In Antiochië bedenkt men een andere oplossing. Enkele munten uit het negende jaar van keizer Gallienus dragen als datum ΕΔ en ΗΑ, waarbij het cijfer 9 wordt omschreven als 5+4 en 8+1.

Op munten uit Rome staat vanaf Philippus I Arabs (251 n.C.) vaak een cijfer met aanduiding van één van de 12 officinae (workshops) waar de munten werden geslagen: A Β Γ Δ Ε S Ζ Η Ν X XI XII : de lagere getallen worden weergegeven door Griekse cijfers (A-H met een S voor het Griekse cijfer sti = 6), de hogere getallen door Latijnse cijfers (X -XII). Voor de weergave van de 9e officina wordt het cijfer Θ = 9 soms vervangen door N = nona of ook (in Antiochië) door ΔΕ = 4+5. Er komt pas een eind aan dit gebruik na de dood van de christelijke keizer Constantijn in 337 n.C.

 

Munt uit Alexandrië met afbeelding van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.); op de keerzijde, onder de staande keizer: SMALN = S(acra) M(oneta) AL(exandria) 9e (officina)

Munt uit Antiochië met afbeelding van keizerin Helena (327-329 n.C.); op de keerzijde leest men onder de staande figuur SMANT = S(acra) M(oneta) ANT(iochia), maar rechts naast de figuur leest men ΔE = 4+5, voor de 9e officina.

Munt uit Kyzikos, met dezelfde afbeeldingen van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.). Hier is de 9e officina wel door een theta weergeveven : SMKΘ = S(acra) M(oneta) K(yzikos) 9e (officina)

Ongeluksgetal?

Kort samengevat : de letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος (“dood”), in de administratie van het leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de “zwarte theta” (theta nigrum). Om die reden wordt theta soms vermeden, bijvoorbeeld bij de telling van de officinae in Rome wordt hij vervangen door Latijnse N (voor nona = negende). Vooral in verband met de naam van de keizer (9e jaar van keizer zo-en-zo) vermijden schrijvers in Egypte (papyri) en ontwerpers van munten (Alexandrië en Antiochië) de letter en schrijven het jaartal voluit of door een combinatie van 8 + 1. Het gaat niet om een officieel verbod, maar om een tendens, die men statistisch kan vaststellen, want men vindt naast elkaar op munten en papyri ἐνάτου, H+A (= 8 + 1) en Θ (= 9). Αan dit gebruik komt een einde na de dood van Constantijn, hoewel op Latijnse grafinscripties het symbool O met schuine streep nog wordt gebruikt tot in de Middeleeuwen. Het wordt dan wel geïnterpreteerd als obiit, maar stamt wel af van de theta nigrum.

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naamWilly Clarysse | OUDE GESCHIEDENIS

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naam

In tegenstelling tot ons getal 13, waar de schrijfwijze er niet toe doet (ook “dertien” heeft een negatieve klank), is er geen taboe tegen het getal negen, maar alleen tegen het cijfer Θ. Terwijl 13 een ongeluksgetal is (de dertien deelnemers aan het laatste avondmaal, waaronder Judas), is θ enkel een ongelukscijfer; met het getal 9 is niets fout.

Meer lezen

G.R. Watson, Theta Nigrum, Journal of Roman Studies 42 (1952) pp. 56-62
Margherita Guarducci, Dal gioco letterare alla crittografia mistica, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II 16.2 (1978), pp. 1754-1755
Iveta Mednikarova, The use of Θ in Latin funerary inscriptions, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 136 (2001), pp. 267-276
L. Rocchetti, Il mosaico con scene di anfiteatro al museo Borghese, Rivista Istituto Nazionale di Archeologia e Storia dell’Arte, anno 19.10, 1961
Armin U. Stylow und J. David Thomas, Zur Vermeidung von Theta in Datierungen nach kaiserlichen Regierungsjahren und in verwandten Zusammenhängen, Chiron 10 (1980) pp. 537-551

Coverfoto: adaptatie van foto ‘Hunting Scene Colosseo’ door Jastrow op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/feed/ 2 1115
The Killing of a Sacred Deer en de deconstructie van de Iphigenia-mythe https://www.oudegeschiedenis.be/21/12/2017/the-killing-a-sacred-deer-en-deconstructie-iphigenia-mythe/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/12/2017/the-killing-a-sacred-deer-en-deconstructie-iphigenia-mythe/#respond Thu, 21 Dec 2017 14:45:35 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=515 The Killing of a Sacred Deer

Het gebruik van Griekse mythologie in de film dateert uit alle tijden, zo ook in een film die eind dit jaar uitkwam, The Killing of a Sacred Deer. Op welke manier de Griekse regisseur Yorgos Lanthimos de tragediecultuur van zijn voorvaderen in zijn film verwerkte, proberen we hier te deconstrueren. Opgelet, deze blogpost bevat spoilers!

Het bericht The Killing of a Sacred Deer en de deconstructie van de Iphigenia-mythe van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
The Killing of a Sacred Deer

Het gebruik van Griekse mythologie in de film dateert uit alle tijden, van één van de vroegste stille Méliès-films L’Île de Calypso: Ulysse et le géant Polyphème uit 1905 tot de meer recente superheldenfilms zoals de remake van Wonder Woman uit het voorjaar van 2017 (waarin de heldin als moderne Amazone het moet opnemen tegen Ares, de god van de oorlog). Een andere film die eind dit jaar uitkwam, The Killing of a Sacred Deer, refereerde al met de titel naar de antieke Griekse mythe van Iphigenia. Op welke manier de Griekse regisseur Yorgos Lanthimos de tragediecultuur van zijn voorvaderen in zijn film verwerkte, proberen we hier te deconstrueren. Opgelet: deze blogpost (voornamelijk de laatste paragraaf over de verwijzingen naar de tragedies) bevat spoilers die het einde van de film kunnen verklappen!

Plot

De met prijzen overladen film speelt zich, net zoals de vorige film van de maker, The Lobster, af op een onbestemde plaats waarin enkele vreemde gebeurtenissen plaatsvinden. De succesvolle hartchirurg Steven Murphy (een rol van Colin Farrell) wordt steeds meer lastiggevallen door de jonge tiener Martin, een wees. Gaandeweg leren we dat Steven, onder invloed van alcohol, verantwoordelijk was voor de operatie waarin Martins vader het leven liet. De merkwaardige jongeling infiltreert steeds meer in het leven van Steven en zijn familie -zo verleidt hij dochter Kim– tot diens zoon Bob plots verlamd wordt opgenomen in het ziekenhuis. Daarop stelt Martin hem voor de keuze: Steven moet ofwel zijn vrouw Anna (gespeeld door Nicole Kidman) of één van zijn beide kinderen doden, ofwel zullen zij alledrie geleidelijk door hetzelfde aftakelingsproces – verlamde ledematen, het weigeren van eten, bloedende ogen – gaan tot hun dood erop volgt. Wanneer vervolgens ook Kim verlamd geraakt, beseft Steven dat hij een hartverscheurende beslissing zal moeten nemen.

Barry Keoghan als Martin, een personage naar analogie met de wraakgodin Artemis

Mythe

De mythe over het doden van een heilig hert komt voor in een aantal antieke Griekse bronnen waarvan de versies wel op meer dan één punt van elkaar verschillen. De bekendste cyclus van het verhaal begint met de Myceense koning Agamemnon (van het huis van Atreus) die voorafgaand aan de Trojaanse Oorlog in de havenstad Aulis landde en op jacht besloot te gaan. In het bos dat gewijd was aan Artemis, de Griekse godin van de jacht, schoot hij een hert. Daarop ontstak de godin in toorn en zorgde ze ervoor dat de noordenwind steeds in het nadeel blies van de Grieken, zodoende hen verhinderend hun weg richting Troje te vervolgen. De ziener Calchas, die de dood van Agamemnons dochter Iphigenia al had voorspeld, werd geconsulteerd en raadde de Griekse koning aan zijn dochter te offeren in de hoop de godin opnieuw gunstig te stemmen. Pas nadat Odysseus op pad werd gestuurd naar Mycene (en daar Iphigenia’s moeder Clytaemnestra met een list over een nakend huwelijk om te tuin leidde), offerde Agamemnon zijn dochter op een altaar gewijd aan Artemis. Nadat de offerpriester haar de keel had overgesneden, verdween haar lichaam en werd haar plaats ingenomen door een hert.

Een scholiast – iemand die in latere tijden commentaar in de kantlijn schreef van werken uit de antieke Oudheid – merkte al op dat de Ilias van Homerus geen duidelijke verwijzing bevat naar deze mythe over Ἰφιγένεια of Ἰφιάνασσα (Iphianassa), zoals ze bij de Griekse poëet voorkomt (Il. IX 145). De oudste attestatie van de mythe vinden we in de Cypria, een episch gedicht dat vermoedelijk uit de 7de eeuw v.C. dateert en over de gebeurtenissen voorafgaand aan de Trojaanse Oorlog vertelt. Hierin wordt onder andere de huwelijkslist aangehaald en eindigt het verhaal over Iphigenia met Artemis die haar naar Tauris transporteert en in ruil een mannetjeshert op het offerblok plaatst.

Iphigenia bij Aeschylus

De meest uitgebreide verhalen vinden we bij de Griekse tragici, waaronder Aeschylus en Euripides. Van eerstgenoemde is jammer genoeg slechts één fragment van zijn Iphigenia bewaard gebleven, maar in zijn Agamemnon refereert hij meermaals naar het offeren van de dochter als één van de motieven waarom Clytaemnestra en haar minaar plannen Agamemnon te vermoorden. Later komt ook Iphigenia’s broer Orestes aan bod, die als wraak voor de moord op hun vader, hun moeder en haar minnaar ombrengt. Ook de profetie van Calchas haalt Aeschylus aan in dit stuk, maar dan wel in een aangepaste versie: de ziener voorspelt op het moment dat hij twee arenden een zwangere haas ziet opeten dat Agamemnon zijn dochter zal moeten offeren om Artemis gunstig te stemmen, want de godin is dan al ontstemd over de toekomstige slachting van de Trojanen.

Latere auteurs, zoals Ovidius in zijn ‘Metamorfosen’, de reisverslaggever Pausanias en de mythograaf Pseudo-Apollodorus uit de tweede eeuw, hernemen de mythe met enkele verschillen, zoals Artemis die een hinde in haar plaats op het altaar legt. Een andere opmerkelijke bron is de Γυναικῶν κατάλογος (Cataloog van vrouwen), een papyrus uit Oxyrhynchus (aan Hesiodus toegeschreven), waarin een episch gedicht over godinnen in 5 boeken fragmentarisch is overgeleverd. Hierin stond vermeld  – volgens diezelfde Pausanias die deze verloren passage aanhaalt – dat Artemis Iphigenia in de godin Hekate veranderde.

Iphigenia bij Euripides

Euripides

De meest uitgebreide vertelling van de mythe komt uit twee spelen van de Griekse tragedieschrijver Euripides (5de eeuw v.C.): Iphigenia in Aulis en Iphigenia in Tauris. Het eerste stuk (waarschijnlijk geschreven ergens vlak voor de dood van de tragicus in 406 v.C. en opgevoerd in Athene) vertelt over de innerlijke tweestrijd van Agamemnon waarbij hij een keuze moet maken tussen het leven van zijn dochter en de belangen van zijn Griekse manschappen op weg naar de strijd in Troje. Iphigenia in Tauris – hoewel eerder gedateerd tussen 412 en 411 v.C – vertelt over het vervolg van Iphigenia’s leven, waarbij ze door Artemis naar Tauris werd gezonden en daar verder leefde als priesteres.

Euripides’ versie werd later aanzien als een standaardversie van de mythe, waarin ook extra informatie over bijvoorbeeld de rol van Odysseus aan bod kwam. Een ander voorbeeld is de belofte van Agamemnon die hij aan Artemis deed vlak voor de geboorte van zijn dochter om aan haar het mooiste schepsel dat datzelfde jaar voortgebracht werd te offeren: “ὅ τι γὰρ ἐνιαυτὸς τέκοι κάλλιστον, ηὔξω φωσφόρῳ θύσειν θεᾷ” (Iph. T. 20).

Verwijzingen

Hoewel regisseur Lanthimos naar eigen zeggen pas tijdens het schrijven de gelijkenis met de Iphigenia-mythe herkende, valt al uit de titel van de film op te maken dat de Griekse tragedie toch een belangrijke rol heeft gespeeld tijdens de opnames. In de film zelf is er slechts één directe verwijzing naar de mythe: zo vertelt de schooldirecteur in een scène aan Steven dat zijn dochter een essay over Iphigenia schreef, waarvoor ze niet alleen een A kreeg, maar dat ook nog luidop voorgelezen werd in de klas.

De indirecte verwijzingen zijn veel talrijker. Het begint al met het personage van Martin, dat makkelijk als een substituut van de godin Artemis kan worden gezien. Zijn vader is gestorven door de schuld van de al dan niet dronken hartchirurg Steven en deze zal daarvoor moeten boeten door een naast familielid te offeren, hetzij zijn vrouw, hetzij één van zijn kinderen. Wanneer Steven uiteindelijk een beslissing neemt en in een blinde shoot-off uiteindelijk zijn zoon Bob dodelijk treft. Meer nog dan bij Euripides, waarin Iphigenia uiteindelijk ontsnapt aan haar dodelijk lot, sluit Lanthimos zich aan bij Aeschylus en de dodelijke cyclus waarin het huis van Atreus (de voorvader van Agamemnon) belandt: de moord op Iphigenia wordt door haar moeder vergolden door haar vader te vermoorden, op haar beurt wordt Clytaemnestra dan weer vermoord door haar zoon Orestes.

De laatste scène uit The Killing of a Sacred Deer is misschien wel tekenend voor de visie van de Griekse regisseur: de overblijvende familieleden Murphy zitten in een diner te eten, berustend in hun lot en hun levensstijl als nouveaux riches – net zoals vroeger -, terwijl Martin als goddelijke winnaar komt binnenwandelen en zich aan de toog zet. Wanneer de familie vervolgens naar buiten wandelt, geeft Lanthimos nog een laatste knipoog door dochter Kim op een vreemde manier naar Martin te laten kijken. Een blik van berusting of eerder een blik om aan te geven dat het einde van de wraakoefening nog niet in zicht is, naar analogie met de bijna eeuwigdurende moordcycli in de familie van Iphigenia?

Het bericht The Killing of a Sacred Deer en de deconstructie van de Iphigenia-mythe van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/12/2017/the-killing-a-sacred-deer-en-deconstructie-iphigenia-mythe/feed/ 0 515