ostracon Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/ostracon/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sat, 11 Jul 2026 23:36:23 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png ostracon Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/ostracon/ 32 32 136391722 Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/#respond Sun, 12 Oct 2025 14:02:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2718 De bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten

Ook in de Oudheid konden belastingbetalers zich beroepen op bewijsmateriaal: uit duizenden papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte blijkt dat belastingkwitanties een belangrijk middel vormden om burgers te beschermen tegen fraude en misbruik. Ze tonen aan dat onderdanen niet louter passieve slachtoffers waren van een zwaar belastingsysteem, maar ook rechten konden laten gelden. In dit artikel wordt geschetst hoe deze kwitanties functioneerden, van Ptolemaeïsch Egypte tot zelfs Bactrië en Babylonië, en wat ze onthullen over administratieve continuïteit en de ideologie van redelijkheid bij antieke heersers. Zelfs in een wereld zonder digitale archieven gold: wie zijn bonnetje bijhield, stond sterker.

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zomer brengt in België niet enkel vakantie, maar ook het moment waarop de belastingaangifte ingediend moest worden. Traditioneel gaat dat gepaard met heel wat papierwerk, wat al eens tot frustratie kan leiden. Maar die bureaucratie heeft ook een positieve kant: het papierwerk kan namelijk gebruikt worden om aan te tonen dat aan alle verplichtingen voldaan is. In de Oudheid was dat niet anders. We stellen ons de onderdanen van de antieke heersers al te makkelijk voor als hulpeloze slachtoffers van scrupuleuze belastinginners, die gebukt gingen onder zware fiscale verplichtingen. Dit was echter niet noodzakelijk het geval. Zeker, onze bronnen tonen dat ambtsmisbruik geen uitzondering was, maar er was op zijn minst een ideologie die de nadruk legde op redelijkheid, en individuen stonden niet machteloos. Het meest directe bewijs hiervoor wordt geleverd door de papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte. In het bijzonder de belastingkwitanties die aan de betalers werden uitgedeeld, wijzen op een zekere mate van bescherming.

Antieke belastingbetalers: onderdrukt en overbelast?

De Romeinse keizer Tiberius op een zilveren denarius

We moeten ons uiteraard geen illusies maken over de zwaarte van belastingen in de Oudheid, maar het blijft niettemin onduidelijk wat de belastingdruk was in antieke samenlevingen. In ieder geval erkenden de heersers over het algemeen het feit dat overdreven zware belastingen op lange termijn contraproductief werkten. Het bekendste voorbeeld zijn de woorden die Suetonius toeschrijft aan Tiberius. De keizer vermaande enkele van zijn gouverneurs als volgt: “een goede herder moet zijn schapen scheren, niet villen.” Meer dan een millennium eerder vinden we de redenering nog explicieter terug in Egypte, in de zogenaamde Loyalist Teaching:

Overweldig de boer niet met belastingen, laat hem het goed hebben en hij zal er het volgende jaar nog steeds voor je zijn.

Soortgelijke opvattingen zijn overal in de antieke wereld terug te vinden, van Babylonische wijsheidsliteratuur tot de Arthashâstra in het India van de 4de eeuw v.C. Dat dit niet alleen theoretische overwegingen waren, blijkt het duidelijkst uit de documentaire teksten uit Egypte, inclusief edicten en officiële correspondentie waarin werd vastgelegd wie wat moest bijdragen en waarin ambtenaren die misbruik maakten van hun positie met straffen werden bedreigd.

Belastingkwitanties als bescherming van betalers in Hellenistisch Egypte

Op 25 artabas na heeft Ptolemaios zoon van Harpsalis ons niets toegerekend voor de half-artaba belasting, omdat jij geen kwitantie genomen hebt, aangezien je niks serieus neemt. [P. Tebt. 3 768; TM 7848]

Misstanden tegenover belastingbetalers kwamen wel degelijk voor in Egypte, maar de situatie kon verholpen worden, althans als de betaler eraan gedacht had om een kwitantie mee naar huis te nemen. Met meer dan 2000 gepubliceerde exemplaren vormen belastingkwitanties het meest voorkomende type tekst uit de Ptolemaeïsche periode, en dat aantal neemt nog toe onder de Romeinen. De Ptolemaeïsche kwitanties komen grotendeels uit Opper-Egypte, waar ze op ostraca geschreven werden.

Andere teksten maken echter duidelijk dat het om een algemeen gebruik ging; ook elders in Egypte deelden de autoriteiten zulke bewijsstukken uit. Aangezien er soms verschillende kwitanties op hetzelfde object aangebracht werden, was het waarschijnlijk de betaler zelf die een ostracon, papyrus of houten tabletje meebracht. De meeste betalers waren onderworpen aan een hele reeks belastingen, en in het gemiddelde huishouden zouden er dus verschillende kwitanties terug te vinden geweest zijn, wat interessante vragen oproept over de geletterdheid van de Egyptische bevolking.

Ptolemaeïsche kwitantie voor de belasting op wijngaarden

Kwitantie voor de oogstbelasting uit de 6de eeuw v.C.

Hoewel ze pas vanaf de Ptolemaeïsche periode in grote aantallen bewaard gebleven zijn, kende men in Egypte al eerder belastingkwitanties, ten laatste vanaf de 7de eeuw v.C. De Ptolemaeën namen in dit geval dus een bestaande praktijk over en ze breidden het gebruik ervan uit. Dit hoeft niet te verbazen: contact met de belastingbetalers was een zaak van de lokale administratie, en op dit niveau was de continuïteit het grootst. Kwitanties uit een archief dat toebehoorde aan een zekere Teos (een Thebaanse dodenpriester of choachiet) en diens vrouw Thabis, daterend uit de overgangsperiode tussen de Perzen en de Ptolemaeën (4de eeuw v.C.), tonen bovendien vormelijke continuïteit met de vorige periodes. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een specifieke Ptolemaeïsche vorm van belastingkwitanties, waaronder ook exemplaren die in het Grieks waren opgesteld.

Documenten ten dienste van de bevolking

Het citaat in de vorige sectie toonde reeds dat de kwitanties door de belastingbetalers werden bijgehouden als bewijsstukken. Zonder konden gewetenloze beambten hen twee keer laten betalen. Er zijn meerdere gevallen bekend waarin zulke functionarissen kwitanties aan de betalers probeerden te ontfutselen, hetzij onder valse voorwendselen, hetzij door ze gewoon te stelen, om zo meer geld af te kunnen troggelen van hun slachtoffers.

Takskwitantie in het Demotisch en het Aramees

Gelukkig schetsen andere teksten een positiever beeld van het gebruik van kwitanties. Eén betaler uit de vroeg-Romeinse periode verwijst nog terug naar kwitanties uit de tijd van Cleopatra VII, decennia eerder, en de kwitanties bleven dus zelfs geldig over de regimewissel heen. De meeste Ptolemaeïsche kwitanties werden geschreven in het Demotisch of het Grieks, maar er zijn ook een handvol Aramese exemplaren bewaard. Dit toont nog maar eens aan dat ze bedoeld waren om de belastingbetalers van dienst te zijn, aangezien het Aramees geen officiële taal was van de Ptolemaeïsche staat, maar een minderheidstaal van bepaalde gemeenschappen.

De Ptolemaeën boden deze dienst gratis aan, in tegenstelling tot de Romeinen, die de bevolking lieten betalen – mensen laten betalen voor het betalen van hun belastingen kan misschien nog een creatieve manier zijn om het gat in de begroting te verkleinen – voor hun belastingkwitanties.

Bescherming van belastingbetalers elders in de Hellenistische wereld

Het feit dat Ptolemaeïsche belastingkwitanties verder bouwden op een bestaand gebruik betekent daarom niet dat het om een exclusief Egyptisch fenomeen ging. Wel is het zo dat alledaagse documenten zoals kwitanties over het algemeen op vergankelijke materialen geschreven werden, die we voornamelijk nog in Egypte terugvinden, dankzij de bijzondere klimatologische omstandigheden.  Maar bij toeval is er een kwitantie uit de 2de eeuw v.C. op dierenhuid bewaard gebleven uit Bactrië, in het huidige Afghanistan. Verschillende van de vermelde formules en ambtenaren zijn ook bekend in Egypte, een illustratie van de verwevenheid van de Hellenistische wereld.

Bactrische belastingskwitantie op dierenhuid uit de 2de eeuw v.C.

Uit het Hellenistische Babylonië zijn weliswaar geen kwitanties bewaard gebleven, maar er zijn wel grote hoeveelheden zegels gevonden met daarop vermeldingen van belastingen. De documenten waaraan ze ooit waren bevestigd, zijn verloren gegaan. Sommige daarvan waren mogelijk belastingkwitanties, en net als in Egypte zijn er voorbeelden van zulke teksten bekend uit de Neobabylonische en Perzische periodes, maar dit is geenszins zeker. In ieder geval dienden de zegels op zichzelf ook als bewijs van de vervulling van bepaalde verplichtingen. Dit illustreert dat er in verschillende antieke samenlevingen verschillende methoden konden worden gebruikt om belastingbetalers te beschermen. Die laatsten waren dus geenszins passieve en uitgebuite onderdanen die weerloos waren tegen misbruik door staatsambtenaren.

Lees meer

Depauw, M., The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes, Turnhout, 2000.
Muhs, B., Tax Receipts, Taxpayers and Taxes in Early Ptolemaic Thebes, Chicago, 2005.
Jakobsson, J. and Glenn, S., ‘New Research on the Bactrian Tax-receipt’, Ancient History Bulletin 32 (2018), 61–71.
van Oppen de Ruiter, B. F. and Wallenfels, R. (eds.), Hellenistic Sealings & Archives: Proceedings of the Edfu Connection, an International Conference, Turnhout, 2021.

Coverafbeelding: adaptatie van een beschilderd tafereel van een veekeuring door Nebamoen (een klerk en graanteller in het befaamde tempelcomplex van Thebe rond 1350 v.C.) uit diens grafcomplex, bewaard in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/feed/ 0 2718
Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/#respond Fri, 06 Jan 2023 13:55:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2337 De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

De talrijke Egyptische festivals kennen we vooral uit het Midden- en Nieuwe Rijk, maar bloeiden ook voort tot in de Grieks-Romeinse periode. Sommige feesten werden enkel lokaal georganiseerd, andere vonden plaats doorheen het hele land. In dit artikel gaan we na, op basis van enkele attestaties van bekende voorbeelden zoals het Thebaanse Dalfeest en het Min-feest hoe priesters betrokken waren bij de organisatie van zulke festiviteiten, bijvoorbeeld met offers en rituelen.

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

In het oude Egypte bestonden er enorm veel festivals. Deze konden zowel lokaal als op grootschalige manier in het hele land plaatsvinden. Bij deze “nationale” feesten waren er vaak lokale varianten terug te vinden. Alhoewel een Egyptisch festival doorgaans wordt voorgesteld als een processie van de ene tempel naar de andere, kwam er nog veel meer bij kijken. Een dergelijk feestgebeuren bestond ook uit verschillende rituelen, zoals het aanbrengen van offers of het uitvoeren van allerlei cultushandelingen. Priesters speelden hierin een belangrijke rol. Alhoewel we zulke feesten vooral kennen uit het Midden- en Nieuwe Rijk, floreerden verschillende Egyptische festivals nog steeds in de Grieks-Romeinse periode, wanneer eerst de Ptolemaeën en later de Romeinen het land regeerden.

Het Dalfeest

Omdat het onmogelijk zou zijn om alle Egyptische festivals uit de doeken te doen, focust dit artikel op enkele belangrijke religieuze festiviteiten. Een voorbeeld hiervan is het Thebaanse Dalfeest of het ‘Mooie Feest van de Vallei’. Dit feest vond jaarlijks plaats in Thebe (het moderne Luxor) ter ere van de god Amon. Er vond een processie plaats van de tempel van Karnak naar de tempel van Deir el-Bahari. Daarbij werd het godenbeeld van Amon uit zijn kapel in Karnak gehaald (oorspronkelijk de Rode Kapel van koningin Hatsjepsoet) en op een draagbare bark geplaatst. Vervolgens droegen priesters dat heilige schip, de Oeserhat, op hun schouders doorheen de tempel tot aan de Nijl, waarna ze het op een grote vaarbare boot plaatsten.

Overzicht van het Thebaanse gebied met de tempels van Karnak en Luxor ende Thebaanse necropool. De tempels van Medinet Habu, Merenptah, Thoetmosis IV, het Ramesseum en Deir el-Bahari zijn voorbeelden van Huizen van Miljoenen Jaren

Na de overtocht over de Nijl hield de god Amon halt bij verschillende tempels, de zogenaamde ‘Huizen van Miljoenen Jaren’. Opeenvolgende koningen lieten deze dodentempels, die zich op één rij bevonden, bouwen om er na hun overlijden miljoenen jaren te kunnen verblijven. Een van de meest bekende is de tempel van Deir el-Bahari, het eindpunt van de tocht van Amon. Het belangrijkste ritueel vond in deze tempel plaats en stond bekend als ‘Doven van de Fakkels in Melk’. Daarbij  bracht Amon de nacht door in het centrale heiligdom, omringd door vier melkbassins en fakkels.

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-BahariS. Schott (1937), p. 15

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-Bahari

De volgende ochtend werden deze fakkels gedoofd in de melk. Deze melkbassins werden vanuit Karnak meegedragen en bij elke halte, elk ‘Huis van Miljoenen Jaren, onder de boeg van de processiebark geplaatst. Het echte ritueel vond pas plaats in Deir el-Bahari zelf. Deze cultushandeling had als doel om Amon te verjongen, zodat zijn regeneratie over de hele necropool verspreid raakte, tot bij de overledenen daar. Dat het hier gebeurde en niet in de andere ‘Huizen van Miljoenen Jaren’ zorgde ervoor dat deze tempel een essentiële functie kreeg in het geheel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’.

Het volksfeest

Naast de tempelprocessie van de ene naar de andere tempel, vond er ook een echt volksfeest plaats waarbij de bevolking feest vierde in de graven van hun overleden voorouders. Met dit onderdeel van het festival was een hele reeks van rituelen verbonden. Er werd eerst een vuuroffer gebracht voor de god Amon-Ra in de voorhof van het graf. Dit was meteen ook het belangrijkste aangeboden offer, gevolgd door de zogenaamde Stundenwachen, waarbij elk uur verschillende priesters een bepaalde taak uitvoerden. Deze taken konden bestaan uit het voorlezen van rituele teksten, maar ook opnieuw uit het aanbrengen van offers.

S. Schott (1952), p. 43

Het bespelen van een sistrum (TT 69) en het aanreiken van een Menat-halsketting (TT 82)

Verder kwamen zangeressen afkomstig uit de tempel van Karnak langs de graven in de necropool. Deze zangeressen schudden met menats (halskettingen met een contragewicht) en sistra (rituele muziekinstrumenten). Beide zijn rituele attributen van de godin Hathor. Doordat de priesteressen met deze rituele objecten langs de graven in de necropool voorbijkwamen, konden de grafeigenaren in contact komen met de magisch geladen voorwerpen van de godin. Ook de haremdames van de godin Hathor kwamen langs de graven terwijl ze een gouden palmblad uitstrekten naar het graf. Vervolgens werden er boeketten van de god Amon, die afkomstig waren uit de verschillende tempels waar halt was gehouden, gepresenteerd aan de overleden grafeigenaren.

Ter afsluiting vond er in het graf het eigenlijke feestmaal plaats voor de familieleden van de overledene, met veel muziek, dans en drank. Al deze rituelen, zoals het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, maar tevens ook de offers, zoals het vuuroffer voor Amon-Ra, vormen samen een geheel. Ze zorgden ervoor dat het doel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’ tot een goed einde kon gebracht worden: de regeneratie van de god Amon en alle overledenen in de necropool.

Het Dalfeest in de Grieks-Romeinse periode

Onze kennis over het Dalfeest dateert voornamelijk uit het Nieuwe Rijk, alhoewel het feest zeker en vast nog werd gevierd in de Grieks-Romeinse periode. Enkele Griekse papyri (zie verder) vermelden namelijk het festival, maar dat komt verder ook nog voor op cultusbeelden van privépersonen, enzovoort. Onze exacte kennis over de verschillende rituele handelingen is echter beperkter. Priesters voerden zeker en vast nog verscheidene rituelen of offers uit, maar de specifieke omstandigheden zijn moeilijker te achterhalen. De functie van de danseressen en zangeressen van Amon is echter wel nog geattesteerd tot in de Romeinse periode. Alhoewel een verdere uitleg ontbreekt, kunnen we er alleen maar van uitgaan dat ze nog een rol speelden tijdens de Thebaanse festiviteiten, waaronder het Dalfeest.

Ook voor de belangrijkste rituele handeling, het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, hebben we geen concrete aanwijzingen dat het nog plaatsvond in de Grieks-Romeinse periode. Het heiligdom waarin de handeling zich afspeelde, werd echter nog vernieuwd onder de regering van PtolemaiosVIII (in de 2de eeuw v.C.). Verder is de functie van melkdragers nog geattesteerd, maar of we deze zomaar in verband mogen brengen met het ritueel dat ons voornamelijk uit het Nieuwe Rijk bekend is, is twijfelachtig. Het dragen van melk was nodig tijdens de Dalfeest-processie van het ene ‘Huis van Miljoenen Jaren’ naar het andere, maar melk werd eveneens gebruikt voor veel andere rituelen en offers. Het staat bijgevolg vast dat het ‘Mooie Feest van de Vallei’ nog een enorm belangrijke rol speelde in de Grieks-Romeinse periode, maar hoe dit zich dan vertaalde in de praktische uitvoering van rituelen en offers is minder duidelijk.

Het Min-feest

We hebben wel een duidelijker beeld over de exacte uitvoering van een ander feest, dat ter ere van de god Min, in de Grieks-Romeinse periode. De reeks van rituelen die bij dit feest hoorde, is namelijk afgebeeld op de Ptolemaeïsche en vroeg-Romeinse tempels van Edfu en Dendera. De meeste bronnen voor dit feest dateren zelfs uit de Grieks-Romeinse periode, alhoewel het feest en de bijhorende rituelen hun oorsprong kenden in de faraonische periode. Het belangrijkste ritueel tijdens het Min-feest was ‘Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel’ en was een soort “klim-ceremonie”. Het Min-feest was niet verbonden aan een specifieke tempel en het ritueel kende een lange geschiedenis, waarvan we de eerste attestatie uit Saqqara kennen (uit de dodentempel van farao Pepi II).

Voor het Nieuwe Rijk komen de meeste attestaties uit de tempels van Karnak en Luxor. Tijdens het ritueel werd een tent opgezet voor de Min-stier. Zoals vermeld, gaat het om een “klim-ceremonie”, waarbij de klimmers afkomstig zouden geweest zijn uit Nubië, ten zuiden van Egypte. Er waren verscheidene facetten verbonden aan het ritueel en ook hier kunnen we een “vaste” volgorde reconstrueren.

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijnÉmile Chassinat - Le temple d'Edfou 9 (1929), pl. XXXIb

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijn

Ten eerste bracht de koning (of in ieder geval een hogepriester in naam van de koning) er een offer voor het stiersymbool ka, dat al sinds het Nieuwe Rijk gelijkgesteld stond aan de cultuskapel (sehenet). Vervolgens werd het stiersymbool opgericht en werden er 4 steunen of pilaren toegevoegd. 8 mannen, met veren getooid, beklommen deze steunen die waarschijnlijk georiënteerd waren naar de 4 windrichtingen. Terwijl zij klommen, hielden de koning en andere aanwezigen, vermoedelijk priesters, 16 touwen vast. Vervolgens sloeg de koning viermaal met een hedj-scepter in de 4 windrichtingen voor de inzegening, een ritueel dat is afgebeeld op enkele tempels. In de tempel van Edfu zijn er zelfs 5 van dergelijke scènes te vinden, waaronder een variant: daarop staan 10 klimmers in plaats van 8.

Waarom hielden de Egyptenaren een dergelijke ceremonie voor Min? Deze god was niet alleen een vruchtbaarheidsgod (makkelijk te herkennen aan de stijve fallus in het merendeel van de afbeeldingen), maar de Egyptische bevolking zag Min ook als de god van de woestijn en bejubelde hem als ‘bedwinger van de vreemde landen’. De deelnemers, de klimmers, droegen veren op hun hoofd, vermoedelijk als voorstelling van een volk uit het zuiden. De 4 steunen, geplaatst in de verschillende windrichtingen, stelden op hun beurt de vreemde volkeren rondom Egypte voor. Door het uitvoeren van dit ritueel werd de god Min opnieuw ingezegend in alle richtingen en als god van de woestijn moest hij ervoor zorgen dat niemand de grenzen van Egypte zou oversteken.

Egyptische festivals: offer of ritueel?

De hierboven aangehaalde voorbeelden tonen de complexiteit van Egyptische festivals. Tijdens één festival voerden priesters er vaak verscheidene rituelen uit in verschillende volgordes. Ook waren sommige rituelen aan meerdere festivals verbonden. Zo maakten offers deel uit van elk festival, maar daarentegen waren het Doven van de Fakkels in Melk en Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel alleen aan respectievelijk het Dalfeest en het Min-feest verbonden.

De rol van priesters in de festivals

Terwijl de praktische uitvoering van rituelen in de Grieks-Romeinse periode duidelijker was vastgelegd voor het Min-feest dan voor het Dalfeest, is het bij de organisatie en de rol van priesters het omgekeerde. Voor het Min-feest hebben we geen papyri met verwijzingen naar de priesters die erbij betrokken waren. De enige informatie waarover we beschikken, valt af te leiden van de afbeeldingen op tempelmuren.

Bij het Thebaanse Dalfeest is dit anders. Onder meer de Thebaanse hoge clerus, en meer bepaald de priesters van Amonrasonther, waren betrokken bij de financiering van het feest. Op een Griekse papyrus uit de koninklijke bank van Thebe (UPZ 2 199; [TM 3601]) lezen we immers het volgende:

“het heilige schip voor (de feesten van) Phaophi en Pauni”

Deze en andere teksten uit hetzelfde archief maken duidelijk dat het heilige schip een reparatie moest ondergaan. De twee maanden Phaophi en Pauni komen overeen met de periodes waarin respectievelijk het Opet-feest (een jaarlijkse processie van Karnak naar Luxor) en het Dalfeest werden gevierd. De Ptolemaeïsche regering stortte het geld op een rekening van de Koninklijke Bank van Thebe, zodat de priesters van Amonrasonther het konden gebruiken om herstellingen aan het heilige schip, de reeds vermelde Oeserhat, uit te voeren in functie van de jaarlijkse oversteken van de Nijl.

De rol van de choachieten

Een andere Griekse papyrustekst (P. Survey 48; [TM 3563]), die dateert uit ongeveer dezelfde periode en afkomstig is uit een archief van dodenpriesters, toont aan dat deze groep priesters ook betrokken waren bij hetzelfde festival. Deze dodenpriesters, choachieten genaamd, waren verantwoordelijk voor de libatie-offers voor de overledenen in de necropool. Ze leidden ook de begrafenissen van de overledenen. P. Survey 48 vertelt ons dat ze ook meededen aan het Dalfeest. Ze mochten namelijk vooraan lopen tijdens de jaarlijkse overtochten van de grote god Amon naar de Memnoneia (de Thebaanse westoever) en de dromoi van Amon en Moet klaarmaken door ze te bestrooien met zand.

Deze dromoi zijn de processiewegen die vanuit de tempel van Karnak vertrokken: de dromos van Amon tijdens het Dalfeest, de dromos van Moet tijdens het Opet-festival. Dit maakt duidelijk dat verschillende priestergroepen betrokken waren bij een festival: de hogepriesters van Amon-Ra moesten ervoor zorgen dat het geld (gestort door de overheid) ging naar de herstelling van het heilige schip, de Oeserhat, terwijl de dodenpriesters vooraan mochten lopen tijdens de processie van het Dalfeest en de dromoi moesten klaarmaken voor zowel het Dal als het Opet-feest.

Het Dekadenfeest

Bij een ander Thebaans festival waren dezelfde priesters betrokken. De choachieten functioneerden niet alleen als dodenpriesters, maar namen ook deel aan het wekelijkse Dekadenfeest, dat om de 10 dagen (= de lengte van een Egyptische week; deka is 10 in het Oudgrieks) werd gevierd. Hierbij brachten ze plengoffers in de necropool. Bij dit feest ging de god Amenophis van de tempel in Luxor op bezoek bij de tempel van Medinet Habu aan de overzijde van de Nijl.

Ook een ander type priesters was betrokken bij hetzelfde festival. De eigenaar van de funeraire papyrus P. Denon [TM 57737], een ‘Document van het Ademen’ (= een papyrus die in de tombe van de overledene werd meegegeven als grafgift) was namelijk een ‘Dienaar van Horus, Dienaar van de Witte Kroon’. Priesters die deze titel droegen, speelden een belangrijke rol in het Dekadenfeest. Terwijl de choachieten plengoffers brachten in de necropool, speelde deze priester met de naam Nespaoetitawi de liturgische rol van ‘uitstekende erfgenaam’. Hierbij voerde hij rituelen uit voor de overleden voorouders in de tempel van Medinet Habu in naam van de god Amenophis. De eigenaar van deze papyrus was tijdens zijn leven niet alleen werkzaam in dit festival, maar hij was ook een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’. Bijgevolg hoorde hij tot dezelfde klasse priesters die de financiering voor de herstelling van de heilige boot van Amon verkregen.

De funeraire papyrus P. Denon waarvan de eigenaar vermoedelijk een functie had in het Dekadenfeest

Bronnen voor de Egyptische festivals?

Het bronnenmateriaal met beschrijvingen van priesterfuncties in Egyptische feesten is jammer genoeg eerder beperkt. Het is daardoor niet altijd duidelijk welke priesters bij welke festiviteiten betrokken waren en wat hun functie precies was. De tekstuele verwijzingen naar titels en festivals zitten dan ook verscholen in verschillende teksttypes, zoals funeraire of documentaire papyri. Die gebeurden verschillende talen of schriften, zoals in de verschillende schriftvarianten van de Egyptische taal (hiëratisch, hiëroglyfisch, Demotisch) of Griekse inscripties. Alhoewel ze moeilijk te vinden zijn, verwijzen enkele teksten letterlijk naar feesten. Een Demotische graffito achtergelaten in de tempel van Medinet Habu (Graff. Med. Habu 47 [TM 48569]) is geschreven door een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra, de manager van de bark van Amon’. Meer informatie geeft het graffito ons niet, maar het toont aan dat dergelijke functies wel degelijk bestonden.

Nog iets meer informatie hebben we dankzij een ostracon uit Thebe (O. Theb. Dem. D31 [TM 50654]). Hierin verhuurt de ene priester aan een andere een maand tempeldienst. De priester die de tempelmaand huurde, moest “de bijhorende diensten en het reinigingsoffer uitvoeren, alsook de processiefeesten”. Een verdere specificatie over welk feest het hier ging, vinden we in de tekst echter niet terug.

Conclusie?

We kunnen bijgevolg in zekere mate reconstrueren welke offers en rituelen plaatsvonden tijdens Egyptische festivals in de Grieks-Romeinse periode, maar een exacte reconstructie is echter niet voor elke festival tot in detail te achterhalen. Verder zijn ook de tekstuele bronnen over Egyptische priesters niet altijd even gedetailleerd. Doorgaans betreft het eerder vage omschrijvingen en is het niet eenvoudig te achterhalen welke priesters welke functies uitoefenden. Het lijkt echter wel duidelijk dat ook de taken in Egyptische festivals verdeeld werden onder verschillende types priesters, die zowel in de tempels als de necropool werkzaam waren.

Lees meer

Birk, R.M., Türöffner des Himmels: prosopographische Studien zur thebanischen Hohepriesterschaft der Ptolemäerzeit, Wiesbaden, 2020.
Bogaert, R. ‘Un cas de faux en écriture à la Banque Royale thébaine en 131 avant J.-C.’, Chronique d’Égypte (CdÉ) 63, 1988, 145-154.
Dogaer, L., ‘The Beautiful Festival of the Valley in the Graeco-Roman Period: a Revised Perspective’, Journal of Egyptian Archaeology (JEA) 106, 2020, 205-214.
Rochholz, M. & R. Gundlach, Feste im Tempel, Wiesbaden, 1998.
Schott, S., ‘Das Löschen von Fackeln in Milch’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache (ZÄS) 73, 1937, 1-25.
Schott, S., Altägyptische Festdaten, Wiesbaden, 1950.
Schott, S., Das Schöne Fest von Wüstentale: Festbräuche einer Totenstadt (Akademie der Wissenschaften und der Literatur Mainz. Abhandlungen der Geistes- und Sozialwissenschaftlichen Klasse, 11), Wiesbaden, 1952.

Coverafbeelding: adaptatie van schilderij ‘The Barque of Amun Arriving at the West Bank of Thebes’ van Charles K. Wilkinson uit The Met (Public Domain)

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/feed/ 0 2337
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163