Leviticus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/leviticus/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Mon, 26 Dec 2022 10:20:49 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Leviticus Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/leviticus/ 32 32 136391722 Woord met een historie: sartago https://www.oudegeschiedenis.be/09/10/2021/woord-met-een-historie-sartago/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/10/2021/woord-met-een-historie-sartago/#respond Sat, 09 Oct 2021 15:50:53 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=124

In onze reeks 'Woorden met een Historie' gaan we op zoek naar de geschiedenis van een antiek woord. Het Latijnse 'sartago' is zo'n term die in de Oudheid werd gebruikt in verschillende betekenissen, de meeste verbonden aan de oorspronkelijke betekenis van het keukengerei. Toch leefde dit woord nog verder in verschillende werelden: van een (christelijke) interpretatie bij de kerkvaders tot een lokale legende van een Portugees dorp.

Het bericht Woord met een historie: sartago van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Nu de herfst is begonnen en het weer wat kouder is, kan een lekker stoofpotje wel eens smaken. Stoofvlees met een Belgisch bier, Gentse waterzooi of een stoofpotje van wintergroenten, allemaal gerechten die de moeite zijn om je braadpan boven te halen, iets wat de Grieken en Romeinen ook al deden. Onder andere de Latijnse term ‘sartago‘ werd gebruikt om zo’n koekenpan aan te duiden, maar dat was niet de enige betekenis van dat historische woord.

Geschiedenis en betekenissen

Al in Mesopotamië werden koperen braadpannen gebruikt, en dat keukengerei verspreidde zich nadien ook naar de Egyptenaren, Grieken en Romeinen. Bij de oude Grieken werden deze koekenpannen aangeduid met het woord tagènon, de Romeinen gebruikten de termen patella of sartago. Zulke braadpannen werden gebruikt in heel het Romeinse Rijk (zoals het voorbeeld van de coverafbeelding, daterend uit de 3de uit een opgraving in het Welshe Caerleon, waar een Romeins fort lag) en leken ook uitermate geschikt voor gebruik tijdens een militaire campagne, hoewel daarvoor het archeologische bewijs ontbreekt.

Een Cycladische “koekenpan” met spiraalvormige decoratie van sterren, gemaakt omstreeks 2800-2500 v.C. en bewaard in het Archeologisch Museum van Naxos

Letterlijk betekent sartago dus ‘braadpan’, maar in de uitdrukking “sartago loquendi”, die we bij de Romeinse satirendichter Aules Persius Flaccus (34 – 62 n.C.) aantreffen, betekent het “een hutsepot van spreken” en dus “wartaal”. In Persius eerste satire (vers 79 e.v.) lezen we immers het volgende:

Hos pueris monitus patres infundere lippos
cum videas, quaerisne unde haec sartago loquendi
venerit in linguas, […]?

Wanneer je vaders deze raadgevingen in de oren van hun kinderen ziet gieten, vraag je je dan af vanwaar die hutsepot van taal op hun tong komt?

Koperen braadpan uit de 5de-4de eeuw v.C., gevonden in Thessaloniki

De term wordt ook gebruikt in de eigenlijke betekenis van braadpan. Een voorbeeld daarvan is te vinden in de Vulgaatvertaling van Leviticus 7:9:

Et omne sacrificium similae quod coquitur in clibano et quicquid in craticula vel in sartagine praeparatur eius erit sacerdotis a quo offertur.

En elk graanoffer dat wordt gebakken in een oven en al wat wordt bereid op een rooster of in een pan zal toebehoren aan de priester door wie het geofferd wordt.

Martelinstrument

Deze braadpannen werden blijkbaar ook gebruikt als martelinstrumenten (een verhitte pan en wat verbeelding van de lezer behoeven geen verdere uitleg). Daarom is het ook niet verwonderlijk dat we de sartago, zij het niet als martelwerktuig, ook tegenkomen in de volgende passage uit de Satiren van Decimus Iunius Iuvenalis (ca. 60 – tussen 133 en 140 n.C.), nota bene in dezelfde tiende satire waaruit ook de fameuze uitspraken “panem et circenses” (“brood en spelen”) en “mens sana in corpore sano” (“een gezonde geest in een gezond lichaam”) te vinden zijn. In deze passage heeft Juvenalis het over de ijdelheid van macht en status en gebruikt hij Lucius Aelius Seianus als voorbeeld. Tijdens de regeerperiode van keizer Tiberius had die immers een grote invloed, zeker toen Tiberius zich vanaf 26 n.C. op het eiland Capri terugtrok. Sejanus vervulde de facto enige jaren de rol van heerser over het gehele Romeinse rijk. In 31 n.C. viel hij echter plotseling in ongenade, net op het moment dat hij tot consul was verkozen:

iam strident ignes, iam follibus atque caminis
ardet adoratum populo caput et crepat ingens
Seianus, deinde ex facie toto orbe secunda
fiunt urceoli pelves sartago matellae.
pone domi laurus, duc in Capitolia magnum
cretatumque bovem! Seianus ducitur unco
spectandus, gaudent omnes: ‘quae labra, quis illi
vultus erat! numquam, si quid mihi credis, amavi
hunc hominem.’ ‘Sed quo cecidit sub crimine? quisnam
delator? quibus indicibus, quo teste probavit?’
‘ nil horum; verbosa et grandis epistula venit
a Capreis.’ ‘bene habet, nil plus interrogo.’ […]

(Juvenalis, Sat. X, 63)

Het vuur loeit al, door blaasbalgen en ovens brandt dat door het volk zo beminde hoofd al en knettert de grote Seianus, en vervolgens wordt dat gezicht, dat in de hele wereld op de tweede plaats kwam (sc. na de keizer) veranderd in kruikjes en schalen en potten en pannen. Versier je huis met laurier, leid een grote witgekrijte stier naar het Capitool! Seianus wordt in het openbaar aan een haak voortgetrokken, iedereen viert feest: ‘Zie zijn lippen, zie zijn gezicht! Nooit, geloof me maar, vond ik die vent sympathiek.’ ‘Maar door welke misdaad kwam hij ten val? Wie was de aanbrenger? Met welke bewijzen, door welke getuige werd hij veroordeeld?’ ‘Niets van dat alles: er kwam een lange en pompeuze brief uit Capri.’ ‘Dan is het goed, dan vraag ik niets meer.’ […]

Braadpannen en bisschoppen

Nog een voorbeeld van een (slechts gedeeltelijk) bewaarde Romeinse koperen braadpan zonder handgreep, gevonden in het Britse Colchester

Voor een meer “wetenschappelijke” benadering wenden we ons tot Isidorus van Sevilla (560 – 636 n.C.), de aartsbisschop van Sevilla en auteur van de Etymologiae, een soort van encyclopedie avant la lettre. Om die reden geldt hij ook als de beschermheilige van het internet. Hij vermeldt de sartago in een passage die gaat over keukengerei en potten en pannen (vasa coquinaria) en in dit geval waagt hij zich aan een etymologie in de hedendaagse betekenis van het woord: hij verklaart het als een klanknabootsing of onomatopee.

Sartago ab strepitu sonus vocata quando ardet in ea oleum.

(Isidorus Hispalensis, Etymologiae XX, VIII)

De “sartago” wordt zo genoemd door het geluid die ze maakt wanneer er olie in brandt.

Het bekendste – en figuurlijke – gebruik van het woord sartago vinden we echter in de Confessiones (Belijdenissen) van de kerkvader Augustinus van Hippo (354 – 430 n.C.). Hij begint het derde boek van de Belijdenissen als volgt, met een woordspel op Carthago – sartago: “Veni Carthaginem, et circumstrepebat me undique sartago flagitiosorum amorum”. Of vrij vertaald: “Ik ging naar Carthago [om er te studeren] en langs alle kanten omringde me een heksenketel van losbandige liefdesavontuurtjes.” Niet exact wat we als moderne lezer verwachten van iemand die later bisschop zou worden en zelfs heiligverklaard werd, maar de normen van de Kerk waren toen anders. Vóór zijn priesterwijding had Augustinus immers een langdurige vaste relatie met een slavin en ze hadden zelfs een kind samen. Een huwelijk was uitgesloten, omdat een vrijgeborene zoals Augustinus niet kon trouwen met een slavin, maar de Kerk keurde dit soort relaties niet af zolang ze maar monogaam waren. Ten tijde van Augustinus moest een priester bovendien pas na zijn wijding celibatair leven. Als hij daarvoor al getrouwd was, werd er verwacht dat man en vrouw voortaan “als broeder en zuster” zouden samenleven.

Sartago en de legende van Sertã

Wapenschild van Sertã met Latijnse spreuk

Een andere opvallende en veel minder bekende tekst waarin onze koekenpan opduikt, is in de wapenspreuk van het Portugese dorp Sertã (of in het Latijn: Sartago). Het – allitererende – opschrift is het volgende:

Sartago Sternit Sartagine Hostes.

Serta vloert zijn vijanden met een koekenpan.

Dit is een verwijzing naar een legende rond de stichting van Sertã. Die legende schrijft de bouw van het kasteel van Sertã toe aan een historische Romeinse figuur en dateert uit de 1ste eeuw v.C. Quintus Sertorius, een Romeinse politicus en generaal die in 83 v.C. verbannen was om politieke redenen, ontketende een opstand waarbij hij de volkeren van het Iberisch schiereiland leidde tegen de legers van de Romeinse Republiek, onder leiding van Pompeius. Omstreeks 80 v.C. vluchtte Sertorius naar het Iberisch schiereiland en sloot zich aan bij Lusitaniërs, een volk dat grofweg het grondgebied van het huidige Portugal bewoonde.

Volgens de legende was er tijdens de strijd die plaatsvond voor de verovering van Lusitania, een Romeinse aanval op het kasteel, waarbij de leider omkwam. Toen ze het nieuws hoorde en zich realiseerde dat de vijand de muren bereikte, beklom diens vrouw Celinda de kantelen met een enorme pan, gevuld met kokende olie en goot die op de aanstormende vijand. Zo kon ze de Romeinen iets langer tegenhouden en kregen de verdedigers de tijd om versterkingen uit de dichtstbijzijnde plaatsen aan te laten komen. Zo zou de naam Sartago (en later het daarvan afgeleide Sertã) aan de plaats zijn gegeven.

Het mocht Sertorius echter niet baten, ondanks zijn initiële militaire successen tegen de Romeinen, die in hem een nieuwe Hannibal zagen: in 72 v.C. werd hij door een jaloerse officier, Perperna Vento, vermoord tijdens een banket en kwam het Iberische schiereiland opnieuw onder Romeins gezag. Wat overblijft, is een heroïsch verhaal met een koekenpan.

houtsculpturen, gebaseerd op vondsten van keukengerei, waaronder braadpannen, in Pompeï

Coverafbeelding: ‘Roman iron frying pan’ uit het National Museum Wales (© Amgueddfa Cymru – National Museum Wales)

De auteur wenst Tom Gheldof te bedanken voor zijn suggesties bij het schrijven van dit stukje.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Woord met een historie: sartago van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/10/2021/woord-met-een-historie-sartago/feed/ 0 124
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739