Judea Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/judea/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Judea Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/judea/ 32 32 136391722 ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/ https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/#respond Sun, 30 Nov 2025 21:09:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2747 Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Meertaligheid toont de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. In dit artikel wordt een kwantitatieve masterproef over identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties gebruikt om dit te onderzoeken voor de Hellenistische en Romeinse periode.

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098]

Taal is meer dan een communicatiemiddel; het is een symbool van culturele eigenheid. In een land als België, en een regio als Vlaanderen, behoeft dit geen verdere uitleg. Ook tweetaligheid is, en was, een identitair kenmerk. Meertaligheid toont namelijk de verbondenheid met twee of meer culturen en in de Klassieke Oudheid was dit niet anders. Er zijn echter geen mondelinge getuigenissen uit die periode, waardoor we ons moeten richten op geschreven bronnen. Grafschriften vormen de ideale bronnen om hier meer over te weten, aangezien ze bij uitstek de identiteit van de overledenen uitdrukten. Het was immers datgene waarmee zij herinnerd zouden worden.

Leemte in het onderzoek

De voorbije decennia is het onderzoek naar antieke tweetalige grafinscripties nogal beperkt van aard gebleken. Binnen het onderzoeksveld heeft men zich voornamelijk op de Latijnse tweetaligheid gefocust. Om deze reden heb ik in het academiejaar 2023-2024 in mijn masterproef onderzoek gedaan naar de Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften.[1] Ik heb meer bepaald onderzocht op welke manier taal, tekst en onomastiek de identiteitsbeleving van de overledenen bepaalden. Ik heb onder meer gekeken naar posities van de talen op de grafschriften, alsook hun lengte en inhoud om zo meer te weten te komen over de identiteit van de overledenen. Daarnaast heb ik ook de etymologie van de eigennamen onderzocht. Zo wordt er antwoord geboden op een vraag als “Hadden de overledenen voornamelijk Griekse namen of niet?”. Dit vertelt ons meer over de identiteitsbeleving van de overledenen.

Van Palmyra tot Egypte

De antieke grafinscripties die hier in de schijnwerpers zullen staan zijn voornamelijk afkomstig uit het Griekstalige oosten. Het grootste deel hiervan zijn Grieks-Palmyreens, uit de bekende Syrische karavaanstad Palmyra. Zij worden kwantitatief op de voet gevolgd door de Grieks-Hebreeuwse grafschriften. Zij komen zowel uit het antieke Judea als uit de Joodse catacomben van Rome en Italië. Daarna volgen de Grieks-Frygische epitafen, afkomstig uit Centraal-Anatolië. De Grieks-Koptische en Grieks-Demotische grafschriften sluiten de top 5 af, allebei uit Egypte, zij het geschreven in een ander stadium van de Egyptische taal. We spreken hier over 305 grafinscripties in totaal. Er zijn nog tal van andere Griekse, niet-Latijnse tweetalige grafschriften, maar hun aantallen zijn te klein en ze zijn te slecht gedocumenteerd om er betekenisvol onderzoek naar te doen. Chronologisch zijn de 305 tweetalige grafinscripties voornamelijk te situeren in de 3de eeuw v.C. en in de 2de eeuw n.C.

Schijfdiagram van het aantal Griekse tweetalige grafinscripties, opgedeeld per taal

Grieks boven!

De keuze van welke taal eerst kwam, alsook de lengte van de teksten en de inhoud ervan bepalen welke identiteit de overledenen of hun nabestaanden wilden uitdrukken via de grafschriften. Daarom heb ik de relatieve positie van de teksten/talen, de lengte en inhoud van elke tekst onderzocht, per grafschrift.

Ik heb een eigen databank gemaakt op basis van de Trismegistos-database, waarin ik voor elk grafschrift drie dingen heb vastgelegd: de positie van de tekst, hoe lang de tekst is, en wat erin staat. De gegevens zijn per taal gegroepeerd. Om het overzicht te bewaren is alles in tabellen gegoten.[2]

[1. Positie – Grieks met:]

Grieks Boven Grieks Onder Naast Elkaar Grieks

Midden

Andere Taal Midden Onbepaald
Palmyreens 80,6% 11,1% 8,3% 0,0% 0,0% 0,0%
Hebreeuws 52,2% 23,2% 5,8% 2,9% 2,9% 13,0%
Frygisch 81,8% 7,6% 1,5% 0,0% 9,1% 0,0%
Koptisch 47,5% 22,0% 5,1% 10,2% 8,5% 3,4%
Demotisch 15,4% 43,6% 7,7% 5,1% 0,0% 28,2%
Totaal % 59,7% 20,0% 6,2% 3,3% 4,3% 7,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 20.

Bovenstaande tabel toont aan dat in een meerderheid van de gevallen het Grieks boven de andere taal staat geschreven op een grafschrift. De Grieks-Demotische grafschriften vormen de uitzondering die de regel bevestigen. Dit lijkt er dus op te wijzen dat het Grieks een belangrijkere status aannam dan de lokale taal. Er zijn wel onderlinge verschillen op te merken: zo staat het Grieks zéér vaak bovenaan een Grieks-Frygische inscriptie, maar is dat bij de Grieks-Koptische grafinscripties veel minder het geval. Soms is het echter niet duidelijk wat de positie van de talen juist is, vandaar de laatste kolom genaamd “Onbepaald”. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met de slechte staat van de inscriptie of een onduidelijke teksteditie, waarbij de positie van de teksten niet wordt aangegeven.

Alle talen zijn gelijk, maar sommige…

[2. Hoeveelheid – Grieks met:]

Evenveel lijnen Grieks > Andere taal Grieks < Andere taal Onbepaald
Palmyreens 48,6% 25,0% 12,5% 13,9%
Hebreeuws 24,6% 56,5% 14,5% 4,3%
Frygisch 33,3% 34,8% 12,1% 19,7%
Koptisch 28,8% 23,7% 42,4% 5,1%
Demotisch 18% 7,7% 51,3% 23,1%
Totaal % 32,1% 31,8% 23,9% 12,1%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 21

Ongeveer 1/3de van de grafschriften in de tabel combineert evenveel Grieks met een andere taal, bijna evenveel grafschriften bevatten meer Grieks. Minder dan een kwart van de grafinscripties bevat meer niet-Griekse tekst dan Griekse tekst. Opnieuw zijn het de Grieks-Demotische en in dit geval ook de Grieks-Koptische grafschriften die hier de uitzondering vormen op de rest. Vanwege de slechte staat van sommige grafinscripties, of omwille van andere redenen, is het in 12% van de gevallen niet duidelijk welke taal nu dominant is.

Wat wordt er precies gezegd?

[3. Inhoud – Taal:]

ID in Grieks ID in andere taal Religieuze inhoud in Grieks[3] Religieuze inhoud in and. taal[4] Spreuk in Grieks Spreuk in and. taal
Gr.-Palmyr. 95,8% 97,2% 0,0% 0,0% 5,6% 11,1%
Gr.-Hebr. 95,7% 56,5% 0,0% 0,0% 7,2% 42,0%
Gr.-Fryg. 97,0% 1,5% 4,6% 0,0% 12,1% 100,0%
Gr.-Kopt. 11,9% 66,1% 22,0% 23,7% 66,1% 10,2%
Gr.-Demot. 89,7% 64,1% 0,0% 43,6% 2,6% 10,3%
Tot. 241 174 16 31 57 113

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 22

Dankzij de tabel hierboven kunnen we ook zien dat de Griekse taal vaak de overledene identificeert. Dat is in de niet-Griekse talen toch minder het geval. Deze talen worden eerder gebruikt om bepaalde (funeraire) spreuken, formules of religieuze inhoud over te brengen. De Grieks-Koptische grafschriften vormen hierop een uitzondering. De percentages overlappen hier omdat een tekst uiteraard meerdere inhoudelijke zaken kan bevatten.

Op basis van deze drie factoren kunnen we stellen dat de Griekse taal toch een zekere overmacht had op tweetalige grafschriften ten opzichte van de lokale talen. Al zijn er hier en daar uitzonderingen, voornamelijk terug te vinden op de Egyptische grafschriften.

Beroepstrots tot in de kist

Een tweetalige Grieks-Palmyreens funerair reliëf van Marcus (een kolonist uit Berytos)

James Noel Adams toont aan in zijn Bilingualism and the Latin Language dat in Latijnse tweetalige grafschriften de beroepsidentiteit van de overledene wordt benadrukt door middel van de taal. Hetzelfde is terug te vinden bij de Griekse tegenhangers. Zo is er een hiërogliefensnijder genaamd Besas die, naast Grieks, ook hiërogliefen op zijn grafschrift heeft staan [TM 52806]. Ongetwijfeld heeft Besas deze hiërogliefen er op laten zetten omwille van zijn beroep.

Het omgekeerde zien we echter ook: zo zijn er de grafschriften van een Grieks-Hebreeuwse leraar [TM 876393] en een Grieks-Palmyreense dokter [TM 829352] die de respectievelijke beroepen expliciet in het Grieks vermelden, maar niet in de lokale taal. Misschien was de leerkracht gespecialiseerd in Grieks onderricht? Adams merkte op dat ook Grieks-Latijnse grafschriften het beroep van dokter vermelden in de Griekse taal.

Naam en faam

Om meer te weten te komen over de identiteitsbeleving van overledenen moet er natuurlijk ook naar de namen en identificatie van die mensen gekeken worden. De etymologie van de naam van de overledene is natuurlijk een belangrijke factor om meer te weten te komen over de achtergrond en identiteit van de persoon. Iemand met een Griekse naam zal misschien wel eerder een band hebben met de Griekse cultuur dan met de lokale cultuur.

Deze dataset is groter dan die van het eerste deel, aangezien eigennamen vaak duidelijker zijn terug te vinden in de tekstedities dan de exacte positie van teksten of de exacte lengte van die teksten. Daarom worden ook Grieks-Nabatese, -Aramese, en -Fenicische grafschriften gebruikt voor dit onderdeel. Die opschriften komen voornamelijk uit het huidige Libanon en Israël/Palestina.

Deze resultaten werden opnieuw per taal gesorteerd en vervolgens in overzichtelijke tabellen gegoten.

[4. Etymologie – Grieks met:]

Grieks Andere Latijn Beide Onbekend
Palmyreens 13,9% 68,4% 16,1% 0% 1,5%
Frygisch 46,4% 28,9% 17,5% 0% 7,2%
Hebreeuws 27,3% 58,5% 13% 0% 1,3%
Koptisch 36,1% 61,1% 0% 0% 2,8%
Demotisch 37,5% 50% 0% 6,3% 6,3%
Hiërogliefisch 40% 50% 0% 10% 0%
Nabatees 16,7% 66,7% 0% 8,3% 8,3%
Aramees 9,1% 81,8% 9,1% 0% 0%
Fenicisch 47,4% 52,6% 0% 0% 0%
Totaal % 29,5% 54,9% 11,3% 1,1% 3,2%

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 47

Deze tabel toont de linguïstische etymologie van de namen op de grafschriften. In totaal beschikken we over 432 namen. Op sommige grafinscripties staan namelijk meerdere namen, hetzij omdat er meerdere personen in één graf waren begraven, hetzij omdat de persoon in kwestie met meerdere namen bekend was. De categorie ‘Andere’ slaat op een niet-Griekse, niet-Latijnse naam vaak afkomstig uit de lokale taal van het grafschrift, maar niet altijd. ‘Beide’ wilt zeggen dat de naam bestaat uit twee onderdelen, elk afkomstig uit een andere taal. Het is duidelijk dat over het algemeen één soort etymologie overheerst, namelijk die van de lokale taal. De Grieks-Frygische grafschriften uit Centraal-Anatolië vormen echter de uitzondering: bijna de helft van die namen zijn van Griekse origine. De verdeling die te zien is tussen de verschillende regio’s is heel interessant. Meer dan 2/3de van de grafschriften uit Palmyra draagt een Palmyreense naam, terwijl slechts de helft van de Egyptische grafschriften een Egyptische naam bevat. De etymologie van een naam is uiteraard niet altijd bekend.

Identiteit achter de naam

Tweetalig grafschrift Latijn-Palmyreens van een vrijgelatene met meer identificatie-elementen (zoals de naam van haar echtgenoot) enkel in het Latijn

Naast namen vermelden de grafschriften ook vaak andere identificatie-elementen. In de Oudheid bestonden er namelijk geen achternamen zoals wij die kennen. Op een grafschrift moest men zich dus op andere manieren differentiëren van mensen met dezelfde voornaam. Daarom werd vaak de naam van de vader toegevoegd achter die van de dode, als patroniem (bijvoorbeeld Thaimarsas, zoon van Zabdaathes [TM 831060], zie ook de website van Virtual Museum of Syria voor een afbeelding en meer context). In sommige gevallen was dit de naam van de moeder, een metroniem. Om iemand nog specifieker te identificeren werd vaak ook de naam van de grootvader, overgrootvader, enzovoort toegevoegd. Daarbovenop werden nog andere identificatie-elementen gebruikt: woonplaats, echtgeno(o)t(e), clan of beroep.

Ik heb niet in kaart gebracht welke identificatie-elementen er werden gebruikt, maar wel hoeveel, en of die hoeveelheid dezelfde was in beide talen. Iemand die immers heel uitgebreid geïdentificeerd wordt in de lokale taal en slechts zeer kort in het Grieks, voelde zich waarschijnlijk eerder verbonden met de lokale cultuur dan de Griekse.

[5. ID-elementen: – Grieks met:]

ID-elementen in Grieks ID-elementen in Andere taal Langer?
Palmyreens 3,08 3,41 Andere taal
Frygisch 1,23 / /
Hebreeuws 1,84 1,39 Grieks
Koptisch 2,89 1,5 Grieks
Demotisch 2,06 2,36 Andere taal
Hiërogliefisch 2,69 2,75 Andere taal
Nabatees 1,91 2,33 Andere taal
Aramees 2,67 2,6 Grieks
Fenicisch 2,6 3,1 Andere taal
Totaalgemiddelde 2,19 2,62 Andere taal

Nathan Van Hoof Hoefnagels, Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024, 48

Deze tabel toont het gemiddeld aantal identificatie-elementen per overledene per taal. Voor het Grieks is hier gekeken naar de 241 Griekse teksten die iemand identificeren en voor de lokale taal naar de 174 teksten (zie tabel 3). Het betreft hier dus niet grafschriften waarbij beide teksten de overledene identificeren. Het totaal toont aan dat de overledenen in het algemeen uitgebreider in de lokale taal werden bekendgemaakt dan in het Grieks. Er zijn wel uitzonderingen, namelijk de Grieks-Hebreeuwse, -Koptische, en -Aramese teksten. Daarnaast is het ook interessant om de verschillen te zien tussen de talen. Over het algemeen identificeren de Grieks-Palmyreense grafinscripties de overledene uitvoeriger, met gemiddeld meer dan drie elementen, dan hun Grieks-Hebreeuwse tegenhangers, met gemiddeld minder dan twee elementen.

Genderongelijkheid tot de dood

Er zijn ook opvallende verschillen op te merken tussen de identificatie van mannen en van vrouwen op de grafstenen. Mannen werden over het algemeen uitgebreider genoemd dan vrouwen, met meer elementen. Vrouwen moesten zich vaak tevredenstellen met twee identificatie-elementen of minder, terwijl de mannen er vaak meer dan twee hadden. De talige afkomst van de vrouwennamen en de mannennamen verschilt echter weinig van elkaar. In de helft van de gevallen worden de namen van de vrouwen enkel genoemd in de Griekse tekst. Mannen worden dan weer in 2/3de van de gevallen in beide talen bekendgemaakt.

Conclusie

Er kan besloten worden dat het beeld niet éénduidig is inzake de identiteitsbeleving van overledenen met tweetalige grafschriften. Op basis van de positie van de teksten, de lengte en de inhoud zou je denken dat over het algemeen de Griekse identiteit de overhand heeft. Als we echter kijken naar de namen en de lengte van identificatie van de overledenen zien we een dominantie van de lokale talen. Dit is net het mooie aan deze grafinscripties, namelijk dat de twee culturen en talen, lokaal én Grieks, hand in hand gaan. Het is dus duidelijk dat deze overledenen een hybride identiteitsbeleving hadden, waarbij hun lokale wortels werden gecombineerd met de dominante Griekse cultuur.

Meer lezen

Adams, James Noel. Bilingualism and the Latin language. Cambridge: Cambridge University Press, 2003.

Adams, James Noel en Janse, Mark en Simon Swain, reds. Bilingualism in Ancient Society: Language Contact and the Written Text: 1-23. Oxford: Oxford University Press, 2002.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. ‘ἐν םולש ἡ κοίμησις: Een studie naar identiteitsbeleving o.b.v. Griekse tweetalige grafinscripties’. Onuitgegeven masterproef, KU Leuven, 2024.

Van Hoof Hoefnagels, Nathan. “ἐν שלום ἡ κοίμησις. Identiteit van overledenen in Griekse tweetalige grafinscripties.” Poster gepresenteerd op de Masterproefpresentaties 2023-2024.

[1] Enkele drietalige inscripties met aanwezigheid van Latijn (naast het Grieks en een andere taal) werden ook onderzocht, maar de Latijnse teksten werden genegeerd voor dit onderzoek.

[2] Bij alle tabellen wijkt het opgetelde totaalpercentage af van 100% vanwege afrondingen

[3] Exclusief religieuze spreuken

[4] Exclusief religieuze spreuken

Coverafbeelding: Een drietalig grafschrift (Latijn-Grieks-Hebreeuws) uit Tortosa, Spanje, 6de-7de eeuw n.C. Interessant detail is de gravering van een menora en een Davidster [TM 233098], afkomstig uit de databank Hesperia (CC BY-NC 3.0)

[De auteur wil Michiel D’huyvetters en Stef Janssens bedanken voor het proeflezen.]

Het bericht ἐν שלום ἡ κοίμησις: identiteitsbeleving op basis van Griekse tweetalige grafinscripties van Nathan Van Hoof Hoefnagels verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/30/11/2025/%e1%bc%90%ce%bd-%d7%a9%d7%9c%d7%95%d7%9d-%e1%bc%a1-%ce%ba%ce%bf%ce%af%ce%bc%ce%b7%cf%83%ce%b9%cf%82-identiteitsbeleving-op-basis-van-griekse-tweetalige-grafinscripties/feed/ 0 2747
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163