hoer Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/hoer/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 02 Jan 2026 15:57:08 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png hoer Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/hoer/ 32 32 136391722 Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/ https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/#respond Sun, 28 Dec 2025 18:36:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2770 De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Het Katharinaklooster in Sinaï kent een rijke manuscriptentraditie met teksten zoals de Codex Sinaiticus. Centraal in deze blogpost staan de Schotse tweelingzussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson, die eind 19de eeuw baanbrekend werk verrichtten in de ontdekking, documentatie en publicatie van vroege Syrische en Aramese bijbelhandschriften.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zussen Agnes Smith Lewis en Margaret Dunlop Gibson in Sinaï

Kort na 550 n.C. liet keizer Justinianus een klooster bouwen in de buurt van de berg Horeb in Sinaï, waar Mozes meer dan 2000 jaar eerder van Jahweh in het brandend braambos de Wet der Tien Tafelen (de 10 geboden) had ontvangen. De plaats was toen al een paar eeuwen heilig en werd bewoond door tientallen eremijten, die vaak door de Bedoeïenen werden lastig gevallen en daarom de keizer hadden verzocht om een versterkte woonplaats voor hen te bouwen. Dit klooster, heden UNESCO Werelderfgoed, is zo goed als ongeschonden bewaard en wordt vandaag nog steeds bewoond door Griekse monniken. In de 10de eeuw werden de relikwieën van de heilige Katharina, die in Alexandrië was terechtgesteld tijdens de grote vervolging van keizer Diocletianus in 307 n.C., naar dit klooster overgebracht, en hiervan getuigt de naam Katharinaklooster (ook wel gekend als het Sinaï-klooster of Sint-Catharinaklooster).

Het Katharinaklooster

Het Katharinaklooster in Sinaï

Al vanaf de 4de eeuw n.C. was de heilige berg van Mozes een aantrekkingspunt voor pelgrims die van Jeruzalem naar Egypte gingen en de 3000 treden van de boeteweg tot boven de berg wilden beklimmen. Bij hun tocht konden ze ook de rots bezoeken waaruit Mozes water had doen ontspringen en de kapel op het plateau waar Jahweh was verschenen aan Elias. In latere tijden kwamen ook Syrische, Arabische en Georgische monniken zich hier vestigen. Het ging wel steeds om orthodoxen, voor wie Christus twee naturen bezit, een goddelijke en een menselijke, die op mysterieuze wijze met mekaar vermengd zijn, niet om miafysieten, voor wie Christus maar één god-menselijke natuur heeft, die op mysterieuze wijze is samengesteld. Het Katharinaklooster was een orthodoxe Griekse enclave in het miafysitische, Koptische en later Islamitische en Arabische Egypte. Wel is er in de 11de eeuw ook een kleine moskee gebouwd binnen de kloostermuren. Van de 17de tot de 19de eeuw werd het klooster vaak door de Russische tsaar begiftigd met geschenken.

Icoon ‘De geestelijke ladder’ uit het Katharinaklooster, gemaakt in de 12de eeuw

Het klooster bevat heel wat prachtige mozaïeken, fresco’s en iconen, verspreid over vele eeuwen, maar is toch vooral beroemd om zijn bibliotheek met honderden handschriften in het Grieks (meer dan 2000), Syrisch (300), christelijk Arabisch (700), Georgisch (100) en Slavisch (40), sommige rijkelijk verlucht. Het beroemdste manuscript van de bibliotheek is ongetwijfeld de ‘Codex Sinaiticus’ [TM 62315], met een volledige tekst van het Oude en het Nieuwe Testament, uit de 4de eeuw n.C., één van de drie basisteksten voor onze kennis van de Griekse bijbel.

De meer dan 400 perkamentbladen van 34 op 38 centimeter zijn telkens beschreven in vier kolommen in zeer regelmatige hoofdletters, alle woorden zonder spatie aan mekaar (scriptio continua). Het grootste deel van de codex werd door de Duitse geleerde Konstantin von Tischendorf in de periode 1844-1859 “geleend” en meegenomen naar Duitsland. Een veertigtal folio’s bleven in Leipzig, maar het grootste deel bood hij aan als geschenk aan de Russische tsaar Alexander II, één van de sponsors van het klooster. De lening werd een schenking en de codex bleef achter in Sint-Petersburg.

In 1933 verkocht de Sovjet-regering van Stalin de codex aan het British Museum voor 100 000 pond. Later, in 1975, ontdekte men in het klooster een geheime bergplaats, met daarin onder andere een twintigtal folio’s van de codex, zodat de monniken toch nog een stukje van het manuscript hebben. Een reconstructie van de hele codex , waarbij de verschillende instituten voorbeeldig hebben samengewerkt, kan je nu gelukkig online consulteren.

Een ingebonden versie van de Codex Sinaiticus uit de British Library

De Schotse tweelingzussen Smith

In 1866 sterft onverwacht de Schotse miljonair John Smith. Hij laat een tweeling achter, Agnes (later Smith Lewis) en Margaret (later Dunlop Gibson), twee dochters van 23 jaar. De meisjes hadden onderricht gekregen van hun vader (want hun moeder stierf kort na de geboorte). Ze zijn gelovige presbyterianen (calvinisten) en trots op hun Schotse afkomst en accent. Ze spreken wel vloeiend Frans, Duits en Italiaans en hebben met hun vader een flink deel van Europa gezien. In het spoor van hun overleden vader plannen ze een grote reis, naar Egypte en het Heilige Land, zonder mannelijke begeleider, wat nogal wat wenkbrauwen doet rijzen. Ze varen de Nijl op, over de cataract van Aswan – er was toen nog geen dam – helemaal tot Aboe Simbel, enkele maanden voor de opening van het Suezkanaal. Daarna bezoeken ze ook nog Jeruzalem, een tegenvaller wegens al die orthodoxe en katholieke rituelen. Ze vertrekken in december 1868 en blijven een heel jaar in het Nabije Oosten.

De gezamenlijke woonst van de twee zussen Smith, Castlebrae in Cambridge

Bij hun terugkeer vestigen ze zich in Londen. Agnes publiceert in 1870 een reisverslag, dat goed wordt ontvangen, en ook twee romans. Ze studeren ook Grieks, oud en modern, en in 1883 ondernemen ze een reis naar Griekenland, opnieuw met hun tweetjes. Margaret huwt nog datzelfde jaar, en Agnes gaat voor het eerst alleen op stap, naar Cyprus en Caïro, waar ondertussen de Engelsen de controle hebben verworven. Drie jaar later sterft Margarets man en de zussen worden herenigd. Het huwelijk van Agnes met de rijke en energieke Samuel Lewis in 1887 maakt hieraan geen einde, want na de wittebroodsweken trekt Margaret in bij het echtpaar in Cambridge, waar ze een imposant huis laten bouwen en belangrijke gasten ontvangen, want professor Lewis was een socialite (een man uit de Britse bovenklasse of society).

Door de onverwachte dood van Lewis in 1891 zijn de zusters echter weer op elkaar aangewezen, voor de rest van hun leven. Dankzij Lewis is Agnes nu ook geïnteresseerd in antieke kunstobjecten en manuscripten en heeft ze ook Syrisch gestudeerd – “niet zo moeilijk als je Hebreeuws en Arabisch kent” – want in die taal zijn bijbelvertalingen bewaard uit een heel vroege tijd. Hier speelt de kennismaking met Rendell Harris, een Quaker, een rol. Deze geleerde, eerst hoogleraar in wiskunde, later in Hebreeuws en Syrisch, had namelijk in het Katharinaklooster een Syrisch manuscript ontdekt met de apologie van Aristides, een Atheense auteur – en later heilige – die zich in de 2de eeuw n.C. tot het christendom had bekeerd [TM 115189]. Het werk wordt vermeld in de kerkgeschiedenis van Eusebius (eerste helft 4de eeuw), maar de echtheid ervan werd betwijfeld tot Rendell Harris deze Syrische vertaling publiceerde.

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)© Westminster College, Cambridge

Agnes Smith Lewis (links) en haar tweelingzus Margaret Dunlop Gibson (rechts)

Syrische manuscripten

In 1892 trekken de zussen dus naar Sinaï met als doel de vele Syrische manuscripten die Rendell Harris niet had kunnen inkijken te bestuderen en te fotograferen. Ze sleuren een enorm fototoestel mee op hun tocht, waarvan het laatste deel op kamelen, en kunnen aanbevelingsbrieven voorleggen van de universiteit van Cambridge (voor de bisschop die permissie moet geven voor hun bezoek) en van Rendell Harris, die in het klooster vrienden had gemaakt onder de monniken. Weinig mensen geloofden dat twee vrouwen tot het klooster zouden worden toegelaten waar von Tisschendorf de boel verpest had door zijn optreden 25 jaar voordien. Maar ze slagen erin het vertrouwen te winnen van vader Galakteon, de bibliothecaris, en inzage te krijgen in de oude Syrische manuscripten.

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex© Westminster College, Cambridge

Palimpsest uit de Sinaïtisch-Syrische codex

Eén manuscript bevatte de levens van vrouwelijke heiligen [TM 117947], maar was geschreven op perkamentbladen die waren afgewassen. Onder de heiligenlevens, waarvan sommige – bijvoorbeeld over hoe een vrouwelijke heilige erin slaagt haar maagdelijkheid te bewaren tussen de hoeren – nogal pikant, herkende Agnes een evangelietekst in twee kolommen [TM 117850]. Deze palimpsest was duidelijk heel oud, want de heiligenlevens zijn gedateerd in 698 n.C. en de onderliggende evangelies waren duidelijk eeuwen ouder. Ze fotografeerde meer dan 300 pagina’s van dit manuscript en op de foto’s was, bij hun terugkeer in Cambridge, de onderliggende tekst behoorlijk goed te lezen. Het ging om een heel vroege Syrische vertaling, waarvan tot dan toe slechts één kopie was bewaard.

Alle andere Syrische evangelies bevatten de zogenaamde Pesjitta-vertaling, die pas later tot stand kwam. Zo ontbreekt in het Sinaï-manuscript het einde van het Marcusevangelie met de verschijning van de verrezen Jezus aan Maria Magdalena, zoals ook in twee heel oude Griekse vertalingen. Marcus eindigt met de vrouwen die verbijsterd bij het graf staan. Wellicht zijn die laatste woorden in Marcus een latere toevoeging aan het oudste evangelie, maar voor de diepgelovige zussen was de afwezigheid geen probleem (de andere evangelies vulden dit wel aan), maar vooral een bewijs voor de vroege datum van hun vondst.

In 1893 zijn ze terug in Sinaï, in het gezelschap van Rendell Harris en twee professoren die gespecialiseerd zijn in het Syrisch (vrouwen kunnen in Cambridge nog geen academische posities krijgen en zelfs geen universitair diploma behalen) om het origineel helemaal te ontcijferen en te fotograferen. Deze expeditie eindigt in geruzie, maar toch slagen ze erin om gezamenlijk de tekst te publiceren eind 1894. Het wordt een succes, ook al omdat er voor de journalisten een mooi verhaal aan vasthangt over de vrouwelijke ontdekkers van het manuscript.

Meer manuscripten en palimpsesten

Tijdens hun vele reizen kochten de zussen ook her en der manuscripten. In 1896 kwamen ze terug met een aantal Hebreeuwse teksten, die ze aanvankelijk niet als bijzonder belangwekkend beschouwden. Ze toonden ze aan Solomon Schechter, een orthodoxe Jood maar toch ook een vriend des huizes, en die identificeerde één fragment als het Hebreeuwse origineel van de Wijsheid van Jezus Sirach (ook bekend als Ecclesiasticus). Dit boek was tot dan toe alleen in het Grieks bewaard en daarom als niet authentiek afgewezen door de Joodse en protestantse theologen. Dit zette Schechter ertoe aan om in Caïro te zoeken naar de herkomst van die Hebreeuwse fragmenten. Hierbij stootte hij op de genizah in de synagoge van Oud-Caïro, een bewaarplaats van oude manuscripten die niet mochten worden vernietigd omdat de naam van Jahweh erin voorkwam (of kon voorkomen). Schechter verkreeg de hele collectie, meer dan 400 000 handschriften en gedrukte boeken, en nam die mee naar Cambridge, waar ze nu nog druk bezocht en bestudeerd wordt door Joodse geleerden. De helft van de teksten is nu trouwens online beschikbaar en biedt een ongelooflijk inzicht in het Middeleeuwse Caïro, en niet alleen de Joodse gemeenschap in de stad.

De Codex Climaci Rescriptus

Tijdens zo’n reis kochten de zussen in Caïro nog een ander manuscript, dat achteraf ook uit het Katharinaklooster afkomstig bleek, de ‘Codex Climaci Rescriptus’ [TM 140662]. In dit werk beschrijft Johannes, een abt van het klooster, hoe de menselijke ziel door ascese opgaat naar God, langs een ladder (klimax in het Grieks, scala in het Latijn, vandaar de titel van het werk ‘Scala Paradisi’) van de aarde naar de hemel. Heel wat gelovigen slagen niet en worden door de duivels naar de hel gesleept, zoals afgebeeld op het beroemde icoon uit het Katharinaklooster [zie afbeelding hierboven]. De codex bevat een Syrische vertaling van de Griekse tekst, die men kan dateren in de 9de of 10de eeuw, en werd in 1909 door Agnes Smith-Lewis uitgegeven.

De 146 folio’s van de codex zijn nagenoeg allemaal geschreven over een tiental uitgewiste oudere teksten, deels in het Grieks, maar vooral in het christelijk Palestijns Aramees. Deze vorm van Aramees-Syrisch was een later stadium van de taal (of het dialect) die door Christus zelf gesproken werd. De oudere teksten dateren uit de 5de of 6de eeuw en werden dus drie of vier eeuwen later herbruikt voor het ascetisch traktaat van Johannes. Agnes had vlug ook dat schrift en die taal geleerd en zorgde voor een eerste uitgave van deze voor haar bijzonder belangwekkende evangelies in de taal van de heiland zelf (hoewel ze wel realiseerde dat het ging om vertalingen van de Griekse basistekst).

Een palimpsest lezen is niet eenvoudig omdat het onderliggende schrift grotendeels is uitgewist en dan, na eeuwen, toch weer gedeeltelijk zichtbaar wordt. De paleografen uit de 19de en vroege 20ste eeuw gebruikten chemische stoffen om het schrift beter zichtbaar te maken en die beschadigden vaak het perkament, in dit geval echter zonder veel erg.

De manuscripten vandaag

Het door de zussen Smith gestichte Westminster College in Cambridge

Na de dood van de zussen in 1920 (Margaret) en 1926 (Agnes) werden ze begraven bij hun kortstondige echtgenoten. Hun manuscripten hadden ze nagelaten aan het door hen gestichte Westminster College, een college speciaal bedoeld voor de opleiding van presbyteriaanse geestelijken. Hoewel de zussen in Cambridge nooit een diploma – vrouwen waren uitgesloten tot 1948 – konden behalen, kregen ze wel eredoctoraten aan de universiteiten van Halle, Heidelberg, Dublin en St Andrews.

Tot verbijstering van mijn collega’s uit Cambridge heeft het college in 2009 het manuscript van de Codex Climaci Rescriptus laten veilen bij Sotheby’s. Voor ongeveer een half miljoen pond kwam het zo in handen van de familie Green, die het schonk aan het door hen opgerichte Museum of the Bible in Washington. Daar kan het nu bewonderd worden, en is het ook online gedeeltelijk beschikbaar. In een voorbeeldige internationale samenwerking tussen Cambridge, Washington en Sinaï worden nu de christelijke Palestijnse teksten stilaan opnieuw uitgegeven. Met de fotografische middelen waarover men heden beschikt, komt men, een eeuw na de pioniersarbeid van Agnes Smith Lewis – die dit zeker zou hebben geapprecieerd – toch weer een stukje verder. Het Latijnse motto boven de deur van het huis van de tweelingzussen Smith, Castlebrae in Cambridge, luidde niet voor niets: lampada tradam (“ik zal de fakkel doorgeven”).

Meer lezen

Dunlop Gibson, Margaret, How the Codex was Found: A Narrative of Two Visits to Sinai, from Mrs. Lewis’s Journals 1892-1893, Cambridge, 1893.

Soskice, Janet. The Sisters of Sinai: How Two Lady Adventurers Discovered the Hidden Gospels, New York, 2009.

Smith Lewis, Agnes. Apocrypha Syriaca. The Protevangelium Jacobi and transitus Mariae, with texts from the Septuagint, the Corân, the Peshiṭta, and from a Syriac hymn in a Syro-Arabic palimpsest of the fifth and other centuries, Londen, 1902.

Whigham Price, Alan. The Ladies of Castlebrae, Gloucester, 1985.

De bijzondere reisfoto’s van de zussen Smith zijn te bekijken op de website van de Cambridge Digital Library.

Coverafbeelding: Adaptatie van een dia waarop de zussen Smith met hun gezelschap uit Cambridge (en een lokale gids?) aan het rusten zijn tijdens hun reis in de Sinaï-woestijn, gedigitaliseerd door de Cambridge University Library Special Collections.

Het bericht Twee Schotse zussen op jacht naar manuscripten in Sinaï van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/28/12/2025/twee-schotse-zussen-op-jacht-naar-manuscripten-in-sinai/feed/ 0 2770
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739