Hellenistische tijd Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/hellenistische-tijd/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sat, 20 Mar 2021 13:46:34 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Hellenistische tijd Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/hellenistische-tijd/ 32 32 136391722 In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/#respond Fri, 21 Feb 2020 16:37:58 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1434

Het toerisme in Egypte beleefde vooral hoogdagen na de verovering door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel "binnenlandse" als "buitenlandse" reizen. In dit artikel gaan we in het spoor van Herodotus op zoek naar de typische plaatsen die werden aangedaan door keizers, soldaten, ambassadeurs of andere beambten.

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Met de geplande opening van het Grand Egyptian Museum in het vooruitzicht prijkt Egypte bovenaan menig lijstje met “top # plaatsen om te bezoeken in 2020”. De toeristische sector is erg belangrijk voor het land, en na enkele moeilijke jaren neemt het aantal bezoekers weer gestaag toe. Het rijke Egyptische verleden spreekt al veel langer tot de verbeelding van reizigers. Deze fascinatie gaat al terug tot in de Oudheid. Het toerisme beleefde vooral hoogdagen na de verovering van Egypte door Alexander de Grote. Later maakte de uitbreiding van het Romeinse Rijk reizen nog eenvoudiger. Toerisme in Grieks-Romeins Egypte omvatte zowel “binnenlandse” als “buitenlandse” reizen. Verplaatsingen van de eerste soort behelsden vaak een bezoek aan een tempel in het kader van een pelgrimage. Uitheemse bezoekers waren doorgaans soldaten, ambassadeurs, of beambten die in staatsdienst in het land waren. Ook Romeinse keizers bezochten de provincie Aegyptus. De grootste keizerlijke toerist was zonder twijfel Hadrianus, die meer dan de helft van zijn regeerperiode onderweg was. Anderen reisden uit interesse: volgens Tacitus bezocht Germanicus Egypte “om de antiquiteiten te zien” (“cognoscendae antiquitatis“).

Naar aanleiding van zijn bezoek liet Hadrianus deze munt met verpersoonlijking van Egypte slaan. De figuur houdt een Egyptisch sistrum vast, en links ontwaren we een ibis, het heilige dier van Thoth.

Toerisme in Egypte: een lange geschiedenis

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in SaqqaraNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De eerste toeristengraffiti in Egypte, achtergelaten in Saqqara

Ook voor Egypte deel werd van de Grieks-Romeinse wereld werd er natuurlijk druk gereisd. Vanaf het Oude Rijk vinden we inscripties van passanten in de regio van het eerste cataract (het huidige Sehel-eiland). De eerste graffiti achtergelaten door ‘toeristen’ dateren uit de 18de en de 19de Dynastie: de kapellen rond de trappenpiramide van Djoser in Saqqara zijn bezaaid met inscripties van schrijvers die hun bewondering voor de site uitdrukken.

Vanaf de Late Tijd (664-332 v.C.) vonden meer en meer Grieken hun weg naar Egypte. Al in 591 v.C. kerfden Griekse huurlingen een boodschap in het linkerbeen van een beeld van Ramses II in Abu Simbel. Andere toeristen kwamen met vredelievendere bedoelingen: enkele illustere voorbeelden zijn de Atheense staatsman Solon, de wiskundigen Thales en Pythagoras en de filosoof Plato. De bekendste toerist was de historicus Herodotus, die zeer onder de indruk was: “Nergens zijn er zoveel wonderlijke zaken, noch zijn er ergens ter wereld zoveel werken van onbeschrijfelijke grootheid te zien.” Latere Grieks-Romeinse toeristen bekeken Egypte door de lens van deze voorgangers: ze hadden respect voor de oude Egyptische cultuur, maar tegelijk bleef het land ook exotisch en ‘barbaars’. Sommige graffiti van bezoekers gebruiken zo het woord “historeo“, “ik onderzoek”, een rechtstreekse verwijzing naar het werk van Herodotus.

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.Nico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Graffiti achtergelaten door Griekse huurlingen in 591 v.C.

De tempel van Abu SimbelNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De tempel van Abu Simbel

Bruisend Alexandrië

Halve drachme van de Romeinse keizer Antoninus Pius met de pharos en tetradrachme van de keizer Commodus met de pharos en een zeilschip

In de Grieks-Romeinse periode bereikten de meeste reizigers Egypte per boot, via de kosmopolitische havenstad Alexandrië. Bij het naderen van de kust werden ze begroet door een van de spectaculairste bouwwerken uit de oudheid: de pharos, een vuurtoren die meer dan 100 meter boven de zee oprees. De stad was niet alleen een belangrijk commercieel centrum, maar ook de intellectuele hoofdstad van het Middellandse Zeegebied. Bezoekers konden zich er vergapen aan spectaculaire sites die vandaag verdwenen zijn onder de moderne bebouwing. In het rijkversierde Mouseion en de bibliotheek kon men de grote geleerden van die tijd aan het werk zien. Het grote Serapeum, een van de beroemdste heidense tempels uit de Oudheid, was een andere populaire bezienswaardigheid. Gedistingeerde gasten werden ontvangen op het spectaculaire koninklijke paleis.

Alexandrië kende ook Egyptische elementen, zoals de “Cleopatra’s Needles” nu in Londen en New York

Het mausoleum van Alexander de Grote in de stad ontwikkelde zich tot een waar bedevaartsoord. In 48 v.C. kwam Julius Caesar het lichaam eer bewijzen, en hij werd daarin nagevolgd door talrijke latere keizers. Ook zijn adoptiefzoon Augustus bezocht het graf, en zou volgens kwatongen (Cassius Dio) een stukje van de neus van Alexander afgebroken hebben. Gevraagd of hij daarnaast de tombes van de Ptolemaeën wilde bezoeken, zou hij geantwoord hebben dat hij “een koning wilde zien, niet gewoon wat lijken”. De Hellenistische koningen zelf toonden zich ook niet altijd even respectvol tegenover de doden: aanvankelijk lag Alexander in een gouden sarcofaag, maar die werd door Ptolemaios X omgesmolten en vervangen door een glazen exemplaar.

De Grand Tour van het faraonische verleden

Veel reizigers trokken van Alexandrië naar het zuiden om met eigen ogen de monumenten uit de faraonische tijd te bekijken. De eerste attractie die men tegenkwam was Heliopolis. De lokale priesters genoten de reputatie bijzonder geleerd te zijn, en de stad trok dan ook veel filosofen aan. Vandaag blijft er van Heliopolis niet veel over: de monumenten zijn gebruikt als steengroeve voor de aanleg van Caïro. Hetzelfde lot viel de oorspronkelijke hoofdstad Memphis te beurt, een andere populaire stopplaats. Van de beroemde Ptah-tempel en het paleis van Apries zijn slechts schamele ruïnes overgebleven.

Tot de weinige overblijfselen die vandaag nog in Memphis zelf te bezichtigen vallen, behoort dit kolossale beeld van farao Ramses II

Andere trekpleisters in de buurt hebben de tand des tijds beter doorstaan. Een van de hoogtepunten van elke reis naar Egypte, toen zowel als nu, zijn de piramides van Gizeh. De antieke auteurs maakten daarbij dezelfde bedenkingen als menig moderne toerist; terwijl Diodorus zich verwondert over hun grootte en vakmanschap, veroordeelt Herodotus het morele karakter van mannen die zoveel middelen aanwendden ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Over Cheops beweert hij dat hij zelfs zijn eigen dochter prostitueerde om fondsen te werven. In de Romeinse periode werd ook de sfinx, die tot de regering van keizer Nero onder het zand begraven lag, drukbezocht. Ingekerfde gedichten vergelijken de vredige Egyptische sfinx met diens wrede Griekse tegenhanger uit het verhaal van Oedipus.

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bijNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag ligt de Sfinx er heel wat minder vredig bij

Alvorens te arriveren in de religieuze hoofdstad Thebe, deden sommige bezoekers Hermopolis aan. Ter hoogte van deze stad verdronk de onfortuinlijke Antinoüs, de minnaar van keizer Hadrianus, tijdens een boottocht op de Nijl. Anderen stopten bij de dodentempel van Seti I in Abydos, bij de Grieken bekend als het Memnoneion.  In de Romeinse periode trok de plaats veel pelgrims aan; de tempel huisvestte toen een gerenommeerd orakel van de god Bes.

De tempel van Seti I in Abydos

De grootste concentratie aan faraonische monumenten vond men toen ook al terug in Thebe, het moderne Luxor. Al in de Romeinse periode leefde het – enigszins overdreven – beeld van het honderd-poortige Thebe als één groot openluchtmuseum. Net als vandaag stroomden er vele bezoekers samen aan de tempels van Karnak en Luxor, maar de populairste trekpleisters bevonden zich op de westoever van de Nijl. De absolute topattractie waren twee standbeelden van farao Amenhotep III, de zogenaamde ‘Kolossen van Memnon’. Griekse en Romeinse bezoekers dachten dat de sculpturen de Ethiopische held Memnon uit de Trojaanse Oorlog afbeeldden. Als gevolg van een aardbeving produceerde een van de beelden geluid bij het opkomen van de zon. Dit werd geïnterpreteerd als het zingen van Memnon naar zijn moeder Eos, de godin van de dageraad. De beelden zijn bezaaid met graffiti, waaronder een gedicht van de dichteres Julia Balbilla, die keizer Hadrianus vergezelde. Sinds de 3de eeuw n.C. is het beeld opgehouden met zingen, maar de sculpturen staan er nog steeds. Sterker nog, bij recente opgravingen werden fragmenten van meer beelden teruggevonden!

De Kolossen van Memnon vandaagNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De Kolossen van Memnon vandaag

De moderne trekpleister Vallei der Koningen kreeg in de Oudheid eveneens veel bezoekers over de vloer. Grieken en Romeinen lieten meer dan 2000 graffiti achter in de tombes van de farao’s. Sommige bezoekers kennen we uit andere bronnen: papyrologen zijn bijvoorbeeld bijzonder enthousiast over de graffiti van Dryton, wiens levensloop goed gekend is via zijn papyrusarchief. Het is onduidelijk of de Grieks-Romeinse bezoekers begrepen wat ze zagen. De graffiti drukken in de eerste plaats bewondering uit. De populairste attractie was het graf van Ramses VI, waar we graffiti aantreffen van bezoekers uit het hele Middellandse Zeegebied. Uit sommige van deze inscripties blijkt dat de reizigers in kwestie dachten dat het de tombe van Memnon was, aan wie ook de Kolossen werden gelinkt. Deze obsessie voor de Homerische held Memnon (zie ook het ‘Memnoneion’ van Abydos) roept de vraag op in hoeverre de Grieks-Romeinse bezoekers echt in het faraonische verleden geïnteresseerd waren, dan wel vooral op zoek gingen naar echo’s van hun eigen tradities.

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VINico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De weinig subtiele graffito van papyrologische poster boy Dryton in het graf van Ramses V/VI

Echte fanatiekelingen zoals Strabo reisden na Thebe nog verder door naar het zuiden, naar het eiland Elephantine. Naast de grote Khnum-tempel oefende vooral de eerste cataract een grote aantrekkingskracht uit. Volgens Herodotus was dit de bron van de Nijl. Seneca en Strabo beschrijven het spektakel dat werd opgevoerd door de onverschrokken veermannen, die zich met boot en al in de stroomversnelling storten. De redenaar Aelius Aristides beweert er zelfs aan deelgenomen te hebben. Vandaag is het “oorverdovende gebrul” van de cataract evenwel het zwijgen opgelegd door de bouw van de nabijgelegen dam. Ook de Isis-tempel op het eiland Philae verwelkomde talrijke pelgrims en toeristen, die vele graffiti achterlieten.

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaarNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Vandaag is de Nijl bij Elephantine heel wat makkelijker bevaarbaar

Off the beaten track: krokodillen voederen in de Fayoem

Het Qarun-meer waarnaar de regio Fayoem genoemd is, via het Koptische phiom of “het meer”

Sommige reizigers bezochten naast de faraonische overblijfselen ook een meer recent ontwikkeld gebied: de Fayoem. Het droogleggen en in cultivatie brengen van grote delen van deze regio was een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de Ptolemaeïsche dynastie, die deze krachttoer ook graag etaleerde aan buitenlandse ambassadeurs. De papyri uit de Fayoem tonen dat zulke bezoeken nauwkeurig georkestreerd werden. Vooral Zenon, de manager van een groot landgoed, krijgt duidelijke instructies: hij moet de nederzettingen en de tempels voor de koning tonen, net als de wegen en de dijken, en bovenal benadrukken hoe nieuw alles is. In een andere brief wordt hem opgedragen om zo snel mogelijk strijdwagens en pakdieren in orde te maken voor ambassadeurs van Paerisades II, koning van Cimmerisch Bosporus, en uit Argos. Zenon wordt aangemaand om zich te haasten: op het moment dat de brief geschreven werd, was het schip net uitgevaren! Op het programma stond meestal ook een bezoek aan enkele faraonische overblijfselen, vooral het zogenaamde ‘Labyrint van Hawara’, het complex rond de dodentempel van Amenemhat III. Volgens Herodotus overtrof deze constructie zelfs de piramides.

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom OmboNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

De krokodillengod Sobek op de muur van de tempel van Kom Ombo

Ook toeristen die op zoek waren naar een bijzondere ervaring kwamen in de Fayoem aan hun trekken. In Krokodilopolis werd de god Sobek vereerd in de vorm van een heilige krokodil. De lokale priesters voederden het dier met brood, vlees en wijn meegebracht door bezoekers. Strabo’s beschrijving doet haast denken aan een malafide dolfinarium: nauwelijks heeft de krokodil het voedsel naar binnen gewerkt, of er staat al een nieuwe bezoeker klaar; de priesters snellen ernaartoe, vangen het dier, en stoppen hem opnieuw offers toe. Een brief bewaard op papyrus bevestigt dat deze praktijk een vast deel uitmaakte van de tour voor buitenlandse bezoekers: een beambte wordt opgedragen alles in gereedheid te brengen voor het bezoek van een Romeinse senator, inclusief “de gebruikelijke hapjes voor de krokodillen”. Een andere Romeinse ambassadeur kwam op een minder aangename manier in aanraking met de Egyptische dierenculten. Diodorus verhaalt hoe hij met eigen ogen aanschouwde hoe een menigte de doodstraf eiste voor een Romein die per ongeluk een kat had gedood. Ook toen loonde het dus om reisadvies in te winnen over de lokale gewoonten!

Lees meer

Casson, L., Travel in the Ancient World, Baltimore, 1994.

Meeus, A., ‘Life Portraits: Royals and People in a Globalizing World’, in K. Vandorpe (ed.), A Companion to Greco-Roman and Late Antique Egypt, Medford, 2019, 89-99.

Rosenmeyer, P. A., The Language of Ruins: Greek and Latin Inscriptions on the Memnon Colossus (2018).

Rutherford, I. C., ‘Travel and Pilgrimage’, in C. Riggs (ed.), The Oxford Handbook of Roman Egypt, Oxford, 2012, 701-716.

Van ‘t Dack, E., Reizen, expedities en emigratie uit Italië naar Ptolemaeïsch Egypte, Brussel, 1980.

Coverfoto: adaptatie van afbeelding ‘Le Sphynx apres les déblaiements et les deux grandes pyramides / Bonfils’ op Wikimedia (Public Domain) & ‘buste beroemde Griekse Herodotus’ op Pixabay

Het bericht In het spoor van Herodotus: toerisme in Grieks-Romeins Egypte van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/02/2020/in-het-spoor-van-herodotus-toerisme-in-grieks-romeins-egypte/feed/ 0 1434
Quis est? Seneb, meester der dwergen https://www.oudegeschiedenis.be/17/01/2019/quis-est-seneb-meester-der-dwergen/ https://www.oudegeschiedenis.be/17/01/2019/quis-est-seneb-meester-der-dwergen/#respond Thu, 17 Jan 2019 09:02:56 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1181 Seneb

In onze nieuwe rubriek 'Quis est?' gaan we op zoek naar minder bekende figuren uit de Oudheid die het toch verdienen om enige biografische bekendheid te genieten. Als eerste markante figuur bespreken we de Egyptenaar Seneb, meester der dwergen.

Het bericht Quis est? Seneb, meester der dwergen van Valérie Wyns verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Seneb

Tyrion Lannister, Mini-Me, Willow en nog vele andere fantasy-personages van kleine gestalte zijn geliefde verschijningen in moderne films en tv-series. De fascinatie voor personen met dwerggroei is echter niet nieuw, en lijkt al eeuwen ingebed te zijn in culturen over de hele wereld. De narren uit de middeleeuwen zegt u? Inderdaad, maar probeer nog maar eens een paar millennia vroeger. Reeds in de vroegste dynastische tijden van Egypte kennen we attestaties van dwergen die speciale aandacht kregen omwille van hun lengte. Hoewel deze aandacht in het oude Egypte meestal (zeer) positief van aard was, evolueerde de mentaliteit van de rest van de Middellandse Zee-wereld naar een fascinatie die in het beste geval zorgde voor marginalisering, en in het slechtste geval voor vernedering en pijn. De rol die dwergen aan middeleeuwse hoven zouden spelen, is een reflectie van de grote aantallen dwerg-entertainers die (al dan niet vrijwillig) te gast waren bij de Hellenistische koningen. Deze periode zullen we misschien een andere keer belichten, maar vandaag zullen we het hebben over een tijd waarin het goed was om dwerg te zijn, het Egyptische Oude Rijk. Hier komen we Seneb tegen, een dwerg met een hoge rang, die de nogal mysterieuze titel ‘Meester der dwergen’ draagt.


Trailer van Ron Howards’ film ‘Willow’ (1988) met Warwick Davis die de hoofdrol van de gelijknamige dwerg vertolkt

De mastaba van Seneb

Kalkstenen beeld van Seneb en zijn vrouw Senetites

Seneb is een oude bekende van de egyptologen, zijn graf werd al in 1926 ontdekt door Hermann Junker, archeoloog van het Duits Archeologisch Instituut in Caïro. Hoewel de tombe jammer genoeg ontdaan was van de meeste kostbaarheden, inclusief het lichaam van de eigenaar, bleven er genoeg aanwijzingen achter om het leven van Seneb voor een groot stuk te reconstrueren. Het allerbekendste stuk uit het graf is het kalkstenen beeld van Seneb, zijn vrouw Senetites, en twee van hun drie kinderen. Hier valt meteen op hoe de kunstenaar de compositie heeft uitgebalanceerd zonder de dwerggroei van zijn onderwerp te karikaturiseren. De Egyptische kunst kende immers een hang naar symmetrie, die in dit geval moeilijk te bereiken was door de verschillende proporties van man en vrouw. De beeldhouwer had hier echter een elegante oplossing voor: Seneb wordt afgebeeld in de houding van een schrijver, zittend naast zijn vrouw die eveneens rechtop zit. Als de echtgenoten dezelfde houding zouden hebben aangenomen, zouden Seneb’s benen over de rand van het blok gebungeld hebben, bepaald niet waardig voor een hoffunctionaris. In de plaats daarvan zit de dwerg in kleermakerszit, en staan twee van zijn kinderen waar zijn benen zouden zijn als hij een doorsnee lengte had gehad. Op deze manier wordt de compositie weer evenwichtig, en dit levert een mooi familietafereel op. Een tweede beeld van Seneb zou uit elkaar gevallen zijn toen de tombe geopend werd, maar Junker attesteerde dat het de dwerg afbeeldde met een wandelstaf en scepter in zijn handen. Verder zijn gelukkig een groot deel van de muurschilderingen eveneens bewaard, die Seneb afbeelden terwijl hij zijn dagelijkse bezigheden verricht.

Het graf zelf bevindt zich in de westelijke begraafplaats van de necropolis in Gizeh, en zou gebouwd zijn tijdens de regering van farao Djedefre (4de dynastie, ca. 2520 v.C.) of van farao Shepseskaf (5de dynastie). De mastaba bevindt zich dus niet ver van de piramide van Cheops. In de buurt van Senebs tombe ligt een graf van een andere dwerg met hoge hoftitels, Perniankhu, van wie men vermoedt dat hij de vader van Seneb zou kunnen zijn.

De mastaba van Seneb werd ontdekt in de westelijke begraafplaats van de necropolis in Gizeh

Nu we weten waar we onze informatie halen en over welke tijd we eigenlijk spreken, kunnen we overgaan naar de hamvraag: wie was Seneb eigenlijk? Waarom was hij zo belangrijk? En is dat uitzonderlijk op deze plaats en in deze periode?

De officiële titels van Seneb vormen een goed vertrekpunt, twintig in totaal. De titel “Meester der dwergen” haalden we al eens aan, maar hij was ook “Opzichter van de jwḥw” (waarschijnlijk de verzorgers van de dieren van de koninklijke hofhouding), “Opzichter van de wevers van het paleis”, evenals de priesterlijke functies “Priester van Wadjet” en “Priester van de grote stier die aan het hoofd staat van Sṯpt en van de stier Mrḥw”. Het totaalbeeld dat naar voren komt is dat Seneb stevig ingebed was in de werking van het koninklijke paleis, met taken die vooral betrekking hadden tot het koninklijk linnen en de koninklijke huisdieren. Zijn titel “Meester van de dwergen” suggereert dat er wel meer dwergen werkzaam waren in het paleis, die waarschijnlijk moesten rapporteren aan Seneb.

Het belang van de meester der dwergen aan het hof lijkt behoorlijk groot te zijn. Hij wordt afgebeeld terwijl hij deelneemt aan de begrafenissen van (waarschijnlijk) Cheops en zijn opvolger Djedefre. Deze functies hadden de dwerg klaarblijkelijk ook geen windeieren gelegd, want de muren van zijn mastaba vertellen ons dat hij enkele duizenden stuks vee bezat en verschillende paleizen. We zien Seneb dan ook afgebeeld terwijl hij zijn bezittingen inspecteert, en de kasboeken ontvangt. Naast zijn functies aan het hof was Seneb dus ook een zakenman in eigen naam, die een landgoed bestuurde met een behoorlijke omvang. Het succes van de dwerg wordt eveneens weerspiegeld in zijn huwelijk met een vrouw uit een familie van hoge rang, die zelf het priesterschap van Neith en Hathor bekleedde.

Bes wordt vaak afgebeeld als een schrikwekkende dwerg

Het geprivilegieerde leven van Seneb is fijn om te lezen, maar verrassend voor de meeste historici. De meeste periodes uit de menselijke geschiedenis kenden bepaald geen mildheid voor personen met dwerggroei, en het oude Egypte vormt duidelijk een uitzondering op deze regel. Dit kan verklaard worden door verschillende factoren, waarvan de vermeende link tussen dwergen en goden de belangrijkste is. Dwerggoden maakten deel uit van het Egyptische pantheon sinds pre-dynastische tijden, en onder hen was Bes degene die het uitdrukkelijkst met de vermeende magische krachten van dwergen verbonden was.

Bes kent waarschijnlijk zijn wortels in pre-dynastische tijden, en is verbonden met oerkrachten die een grote invloed hebben op elk menselijk leven, zoals seks, geboorte en vruchtbaarheid. Hij is naar Egyptische normen een zeer ondubbelzinnige god, die instaat voor de bescherming van vrouwen wanneer ze op hun kwetsbaarst zijn, tijdens de geboorte. Met zijn opzettelijk lelijke uiterlijk joeg de dwerggod kwade demonen weg die aangetrokken werden door de strijd op leven en dood die de bevallende vrouw moest leveren. Duizenden kleine Bes-amuletjes werden al opgegraven in funeraire contexten, en werden vaak door vrouwen gedragen. De populariteit van Bes groeide vooral tijdens het Middenrijk, met een absolute piek in de Ptolemeïsche periode. Ook in het Oude Rijk, de periode waarin Seneb leefde, werden dwergen in verband gebracht met Bes. Hen werden krachten toegedicht die gelijkaardig waren aan die van de god, en men dacht dat hun aanwezigheid geluk bracht.

Deksteen van Djeho

Deksteen van Djeho (Cairo CG 29307)

Seneb was niet de enige dwerg die een mooi leven leidde in het Oude Rijk. Al in de de 1ste dynastie verkozen farao’s om dwergen dicht bij hun eigen tombe te laten begraven, in graven waar belangrijke leden uit de koninklijke hofhouding begraven werden. Tijdens de regering van koning Cheops wordt in een document uit het recent ontdekte Wadi el-Jarf gewag gemaakt van een dwerg, die waarschijnlijk een voorganger van Seneb was en ten minste deels dezelfde titels droeg. Uit de 6de dynastie kennen we Chnoemhotep, die de eer had om te dansen bij de begrafenissen van de Apis- en Mnevisstieren. We kennen nauwelijks namen van mannelijke religieuze dansers uit drieduizend jaar Egyptische geschiedenis, maar Chnoemhotep kennen we wel bij naam, net als Djeho (30ste dynastie), die 2000 jaar na zijn voorganger nog steeds danste voor de heilige stieren. Djeho kennen we vooral van de prachtige deksteen van zijn sarcofaag, die gekenmerkt wordt door een verbluffend realisme.

Eveneens in de 6de dynastie wordt gewag gemaakt van een dwerg uit Punt door koning Pepi II in een brief aan zijn zoon Harchoef, die naar Elephantine wordt gestuurd om de “dansende dwerg” te gaan ophalen. Pepi benadrukt in zijn brief dat zijn zoon er absoluut op moet letten dat de dwerg niets overkomt, want hij wil niets liever dan hem ontmoeten.

En nadien?

De (zeer) geprivilegieerde positie van dwergen aan het hof van de Egyptische farao taande vanaf het Middenrijk, maar de reputatie als geluksbrenger verloren dwergen nog lang niet. Tot ver in de Hellenistische periode bleven dwergen, net als hun goddelijke tegenhanger Bes, graag geziene gasten. Dwergen evolueerden naar een functie als entertainer, en specialiseerden zich als boksers, dansers, worstelaars, en andere takken van het publieke entertainment. De Romeinse keizers, die maar wat graag met de luxe van het oosten concurreerden, zochten ook actief naar dwergen om aan het hof te komen werken als professionele entertainers, een gebruik dat zich zou doorzetten tot ver in de Nieuwe tijd aan de Europese hoven.

Coverfoto: adaptatie van foto ‘Seneb, a dwarf with his family. Reproduction, 1934, of a pho Wellcome V0007440.jpg’ door Wellcome Images op Wikimedia (CC BY 4.0)

Het bericht Quis est? Seneb, meester der dwergen van Valérie Wyns verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/17/01/2019/quis-est-seneb-meester-der-dwergen/feed/ 0 1181
Het cijfer theta en ons getal 13 https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/ https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/#comments Tue, 04 Dec 2018 13:54:21 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1115 jachtscène Colosseum met theta nigrum

De letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος ("dood"), in de administratie van het Romeinse leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de "zwarte theta" (theta nigrum). In dit artikel gaan we na waar dit teken vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
jachtscène Colosseum met theta nigrum

Op het beroemde mozaïek van Torrenova uit de 4e eeuw n.C. (dat zich nu in de Galleria Borghese, een museum in Rome, bevindt), meer dan 20 meter lang, worden verschillende gladiatoren afgebeeld met hun typische wapenrusting, in gevechten van man tegen man. De strijders worden geïdentificeerd met hun namen in het Latijn, maar bij enkele gesneuvelden, zoals Astivus en Rodanus op de foto van deze mozaïek hieronder (en van een andere mozaïek uit het Colosseum hierboven), staat een cirkel doorkruist met een horizontale lijn, een Griekse theta, als afkorting voor θ(άνατος), de dood. In dit artikel gaan we na waar dit teken, ook bekend als de ‘zwarte theta’ (theta nigrum), vandaan komt en of het te vergelijken is met ons ongeluksgetal 13.

Gladiatorengevecht op gedeelte van mozaïek uit het museum in de Villa Borghese

Het teken θ of de theta nigrum

Hetzelfde teken wordt ook gebruikt voor gesneuvelden in het Romeinse leger. Dit weten we uit de christelijke auteur Rufinus (Apologia adversus Hieronymum 2.40) die zich nogal omslachtig uitdrukt:

Accepto breviculo in quo militum nomina continentur, nitatur inspicere quanti ex militibus supersint, quanti in bello ceciderint; et requirens qui inspicere missus est, propriam notam, verbi causa, ut dici solet, theta, ad uniuscuiusque defuncti nomen adscribat.

Toen hij een breviculum had ontvangen, waarin de namen stonden van de soldaten, deed hij zijn best om te controleren hoeveel soldaten er nog in leven waren en hoeveel er in de oorlog waren gesneuveld; hij eiste dat de man die erop uit was gestuurd om te controleren, de notitie die, zoals men pleegt te zeggen,  omwille van het woord (nl. θάνατος) passend was, namelijk een theta, zou schrijven bij de naam van elke gesneuvelde).

pridianum met een theta naast de overleden soldaatP. Brooklyn Gr. 24

pridianum met een theta naast de overleden soldaat

Rufinus’ uitspraak wordt bevestigd door Latijnse papyri van de militaire administratie, zoals in aanwezigheidslijsten van soldaten (pridiana), die we kennen uit Egypte en uit Dura Europos aan de Eufraat. Een theta naast de naam van een soldaat duidt aan dat hij is gesneuveld of gestorven (zie de grote theta in de marge naast regel 4 op de afbeelding hiernaast).

In één pridianum worden gestorven soldaten onderscheiden naar gelang van de manier waarop ze zijn omgekomen “perit in aqua”, “occisus a latronibus” (“verloren gegaan in water”, d.w.z. verdronken, “gedood door rovers”) en “θetati” (“gesneuvelden”). De laatste groep, met een Griekse theta in een Latijns leenwoord, waren ongetwijfeld soldaten “killed in action”:

translatus in exercitum pannoni[cum
perit in aqua
.occisus. a latron[i]bus                        eq(ues) [
θetati                [in] is equites I[
summa decesserunt in is [

militaire lijstR.O. Fink, Roman military records, 1971, nr. 63 r.11= New Pal. Soc. II.2 pl. 186

De militaire lijst of pridianum met de Griekse theta in een Latijns leenwoord

Nochtans vindt men in Rome deze theta ook op grafsteles voor gewone burgers, al vanaf de Late Republiek, soms vergezeld van een V – voor Vivus natuurlijk – voor levende personen die de grafstele hebben besteld (ZPE 136 (2001), pp. 267-276).

Deze theta wordt kort besproken in de Etymologiae van Isidoros van Sevilla (Etymologiae iii 7.9 en Origenes I.3.8), die zegt dat in “militaire rapporten van de ouden” een theta werd geplaatst bij de naam van elke gesneuvelde (theta ad uniuscuiusque defuncti nomen adponebatur) en dat het teken Θ staat voor “dood” (mors, in het Grieks θάνατος), omdat de rechters deze letter plaatsten naast de naam van de veroordeelden:

Iudices litteram θ adponebant ad eorum nomina quos supplicio afficiebant. Et dicitur theta ἀπὸ θανάτου, id est a morte.

Hij citeert hierbij een hexameter van een onbekende auteur, die het heeft over de “infelix littera theta“, “de ongelukkige letter theta”.

In de klassieke Latijnse auteurs wordt op de ‘zwarte theta’ of theta nigrum gealludeerd door de dichters Persius en Martialis. Persius heeft het in zijn vierde satyre over “nigrum uitio praefigere theta”,  “de deugd merken met een zwarte theta” (l.13), en Martialis wijdt een epigram (VII 37) aan een rechter (de quaestor Castricus) die ervan hield willekeurig doodvonnissen uit te spreken (telkens hij zijn neus snoot), maar door zijn collega’s wordt belet zijn neus te snuiten!

Nosti mortiferum quaestoris, Castrice, signum?
Est operae pretium discere theta nouum:
exprimeret quotiens rorantem frigore nasum,
letalem iuguli iusserat esse notam.

Ken je het teken des doods van de quaestor Castricus? Het loont de moeite die nieuwe theta te leren kennen. Telkens hij zijn neus snoot die droop van de kou, had hij bevolen dat dit moest worden genoteerd als een doodvonnis.

De θ als cijfer 9

In de Griekse wereld staat de letter theta ook voor het cijfer 9. Zo vindt men in Griekse inscripties uit de Hellenistische tijd datums als ἔτους θ Φαρμουθι θ, wat betekent 9 Pharmouthi (een Egyptische maand) van jaar 9. In de periode van de tetrarchie (van 285 tot 324 n.C.) was het de gewoonte om te dateren met de regeringsdata van de Augusti en de Caesares. Zo wordt het jaar 295/296 in officiële documenten aangeduid als (ἔτους) ιβ καὶ (ἔτους) ια καὶ (ἔτους) δ τῶν κυρίων ἡμῶν Διοκλητιανοῦ καὶ Μαξιμιανοῦ Σεβαστῶν καὶ Κωνσταντίου καὶ Γαλερίου ἐπιφανεστάτων Καισάρων, wat men kan vertalen als “jaar 12 en jaar 11 en jaar 4 van onze heren Diocletianus en Maximianus Augusti en Constantinus en Galerius Caesares”. Slechts zelden worden de jaartallen voluit geschreven, op één uitzondering na : het jaar 9 wordt in bijna de helft van de gevallen niet aangeduid door het cijfer θ, maar voluit geschreven als ἐνάτου. Zo schrijft in 324 n.C. één scriba zelfs κ (ἔτους) καὶ ἔννεα καὶ ι (ἔτους) καὶ ιβ (ἔτους) : jaar 20 en jaar negen-10 en jaar 12. Het is evident dat sommige scribae de negatieve letter theta vermeden in dateringen.

P. Oxy. 36 2765 l.2P. Oxy. 36 2765 l.2

Het vermijden van de letter theta bij een datering op een papyrus, gevonden op de vuilnisbelt van Oxyrhynchus

Ditzelfde fenomeen kan men ook zien op munten. Onze voorbeelden komen vooral uit Alexandrië, omdat alleen in Egypte consequent wordt gedateerd met keizersjaren. De tekst op munten uit Egypte bevat vooral de naam/namen van de keizer, en een jaaraanduiding aangeduid met het teken L. Omdat de plaats beperkt is, worden de jaartallen op enkele uitzonderingen na meestal in cijfervorm gegeven. Tot de voornaamste uitzonderingen behoren opnieuw de jaren 9, waar in plaats van het cijfer 9 (θ) het woord ἐνάτου voluit wordt geschreven, vanaf Nero tot Diocletianus. Op 461 bewaarde munten uit Alexandrië telt men 387 uitgeschreven negens tegenover slechts 74 keer het cijfer 9. Alleen de munten van Septimius Severus en Severus Alexander gebruiken systematisch het cijferteken.

[Jaar 9 op Alexandrijnse munten van Nero tot Maximianus]

Keizer Jaar negen voluit Jaar 9 met cijfer
Nero 22 0
Vespasianus 33 2
Domitianus 18 0
Traianus 0 4
Hadrianus 95 22
Antoninus Pius 103 1
Marcus Aurelius 18 16
Septimius Severus 0 10
Severus Alexander 0 7
Gallienus 28 16
Diocletianus 36 0
Maximianus 30 0

(uit Chiron 10, 1980, p. 543)

Op de munten van Diocletianus bijvoorbeeld worden achtste en tiende jaar in cijfers geschreven (H en I), terwijl men voor een gelijkaardige munt van het negende jaar ENATOY gebruikt voluit schrijft.

 

 

 

 

Drie munten van keizer Diocletianus voor jaar 8, negen en 10

munt GallienusNick Vaneerdewegh | OUDE GESCHIEDENIS

munt Gallienus

In Antiochië bedenkt men een andere oplossing. Enkele munten uit het negende jaar van keizer Gallienus dragen als datum ΕΔ en ΗΑ, waarbij het cijfer 9 wordt omschreven als 5+4 en 8+1.

Op munten uit Rome staat vanaf Philippus I Arabs (251 n.C.) vaak een cijfer met aanduiding van één van de 12 officinae (workshops) waar de munten werden geslagen: A Β Γ Δ Ε S Ζ Η Ν X XI XII : de lagere getallen worden weergegeven door Griekse cijfers (A-H met een S voor het Griekse cijfer sti = 6), de hogere getallen door Latijnse cijfers (X -XII). Voor de weergave van de 9e officina wordt het cijfer Θ = 9 soms vervangen door N = nona of ook (in Antiochië) door ΔΕ = 4+5. Er komt pas een eind aan dit gebruik na de dood van de christelijke keizer Constantijn in 337 n.C.

 

Munt uit Alexandrië met afbeelding van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.); op de keerzijde, onder de staande keizer: SMALN = S(acra) M(oneta) AL(exandria) 9e (officina)

Munt uit Antiochië met afbeelding van keizerin Helena (327-329 n.C.); op de keerzijde leest men onder de staande figuur SMANT = S(acra) M(oneta) ANT(iochia), maar rechts naast de figuur leest men ΔE = 4+5, voor de 9e officina.

Munt uit Kyzikos, met dezelfde afbeeldingen van Constantijn (postuum geslagen in 347-348 n.C.). Hier is de 9e officina wel door een theta weergeveven : SMKΘ = S(acra) M(oneta) K(yzikos) 9e (officina)

Ongeluksgetal?

Kort samengevat : de letter theta werd gebruikt als afkorting van θάνατος (“dood”), in de administratie van het leger, in het gerecht en meer algemeen, zoals op mozaïeken met gladiatoren. Hierdoor krijgt de letter een negatieve kleur, men spreekt van de “zwarte theta” (theta nigrum). Om die reden wordt theta soms vermeden, bijvoorbeeld bij de telling van de officinae in Rome wordt hij vervangen door Latijnse N (voor nona = negende). Vooral in verband met de naam van de keizer (9e jaar van keizer zo-en-zo) vermijden schrijvers in Egypte (papyri) en ontwerpers van munten (Alexandrië en Antiochië) de letter en schrijven het jaartal voluit of door een combinatie van 8 + 1. Het gaat niet om een officieel verbod, maar om een tendens, die men statistisch kan vaststellen, want men vindt naast elkaar op munten en papyri ἐνάτου, H+A (= 8 + 1) en Θ (= 9). Αan dit gebruik komt een einde na de dood van Constantijn, hoewel op Latijnse grafinscripties het symbool O met schuine streep nog wordt gebruikt tot in de Middeleeuwen. Het wordt dan wel geïnterpreteerd als obiit, maar stamt wel af van de theta nigrum.

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naamWilly Clarysse | OUDE GESCHIEDENIS

grafsteen van aartsbisschop Bruno van Trier (1124 n.C.) met een theta achter zijn naam

In tegenstelling tot ons getal 13, waar de schrijfwijze er niet toe doet (ook “dertien” heeft een negatieve klank), is er geen taboe tegen het getal negen, maar alleen tegen het cijfer Θ. Terwijl 13 een ongeluksgetal is (de dertien deelnemers aan het laatste avondmaal, waaronder Judas), is θ enkel een ongelukscijfer; met het getal 9 is niets fout.

Meer lezen

G.R. Watson, Theta Nigrum, Journal of Roman Studies 42 (1952) pp. 56-62
Margherita Guarducci, Dal gioco letterare alla crittografia mistica, in: Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II 16.2 (1978), pp. 1754-1755
Iveta Mednikarova, The use of Θ in Latin funerary inscriptions, Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik 136 (2001), pp. 267-276
L. Rocchetti, Il mosaico con scene di anfiteatro al museo Borghese, Rivista Istituto Nazionale di Archeologia e Storia dell’Arte, anno 19.10, 1961
Armin U. Stylow und J. David Thomas, Zur Vermeidung von Theta in Datierungen nach kaiserlichen Regierungsjahren und in verwandten Zusammenhängen, Chiron 10 (1980) pp. 537-551

Coverfoto: adaptatie van foto ‘Hunting Scene Colosseo’ door Jastrow op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Het cijfer theta en ons getal 13 van Willy Clarysse & Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/04/12/2018/het-cijfer-theta-en-ons-getal-13/feed/ 2 1115
Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros https://www.oudegeschiedenis.be/21/08/2018/geschopt-geslagen-en-gepluimd-de-onfortuinlijke-oliehandelaar-apollodoros/ https://www.oudegeschiedenis.be/21/08/2018/geschopt-geslagen-en-gepluimd-de-onfortuinlijke-oliehandelaar-apollodoros/#comments Tue, 21 Aug 2018 14:51:31 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1000 olielampen

De onfortuinlijke Apollodoros, een oliehandelaar in het Egyptische dorp Kerkeosiris, is bij ons bekend dankzij enkele overgeleverde papyri. De olie in kwestie was geen petroleum, maar plantaardige olie, vooral gewonnen uit het zaad van de sesam- en de castorplant. In een tijd zonder elektriciteit waren deze oliën van levensbelang voor verlichting, en ook in de keuken waren ze onontbeerlijk. De vele overgeleverde papyri over olie bieden ons belangrijke informatie over de economie van Egypte in de Oudheid, en in sommige gevallen geven ze ons ook een inkijk in het dagelijkse dorpsleven.

Het bericht Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
olielampen

“Ze wierpen zich op ons en overmanden ons. Met de knuppels die ze bij zich hadden, rosten ze ons af. Niet alleen ik, maar ook mijn vrouw werd verwond, en mijn zaak leed hierdoor een verlies van 10 bronzen talenten.” Geen passage uit een misdaadroman, maar een citaat uit een papyrus uit het jaar 114 v.C. De auteur van deze aangifte was de onfortuinlijke Apollodoros, die van de staat een contract geleaset had om olie te verkopen in het Egyptische dorp Kerkeosiris. De olie in kwestie was geen petroleum, maar plantaardige olie, vooral gewonnen uit het zaad van de sesam- en de castorplant. In een tijd zonder elektriciteit waren deze oliën van levensbelang voor verlichting, en ook in de keuken waren ze onontbeerlijk. De vele overgeleverde papyri over olie bieden ons belangrijke informatie over de economie van Egypte in de Oudheid, en in sommige gevallen geven ze ons ook een inkijk in het dagelijkse dorpsleven. Helemaal geweldig wordt het wanneer meerdere papyri over dezelfde persoon bewaard gebleven zijn, zoals in het geval van Apollodoros, wiens lotgevallen we over een langere periode kunnen volgen.

Olieverkoper, een gevaarlijk beroep

Papyrus waarin Apollodoros het relaas van een aanval door oliesmokkelaars doet

We ontmoeten Apollodoros voor het eerst laat in 114 v.C., wanneer hij een aangifte doet bij de komogrammateus of dorpsschrijver Menches over het onrecht dat hem aangedaan werd. Niet alleen waren er illegale olieverkopers actief die zijn exclusieve concessie probeerden te omzeilen, maar deze heren bleken ook nog eens bijzonder agressief. Zijn relaas (P. Tebt. I 39) gaat als volgt:

“Ik vond gesmokkelde olie in het huis van Sisois. Onmiddellijk wendde ik me tot de bevoegde beambte en nam hem mee naar het huis in kwestie. Daarop vielen de genoemde Sisois en zijn vrouw Tausiris ons aan en ze brachten me vele slagen toe. Ze dreven ons uit het huis en sloegen de deur achter ons dicht.”

Apollodoros was echter niet geneigd om snel op te geven, en enkele dagen later probeerde hij opnieuw:

“Ik kwam Sisois tegen bij de tempel van Zeus en probeerde hem te arresteren, in het bijzijn van de bevoegde beambte en een ‘zwaarddrager’. Maar Pausiris, de broer van Sisois, en enkele anderen wierpen zich op ons en overmanden ons. Met de knuppels die ze bijhadden, rosten ze ons af. Niet alleen ik, maar ook mijn vrouw werd verwond, en mijn zaak leed hierdoor een verlies van 10 bronzen talenten.”

Ondanks zijn gewapende escorte haalden de pogingen van die arme Apollodoros dus niets uit.

Het “oliemonopolie”

Castor- of wonderbonen, waaruit olie wordt geperst

De achtergrond waartegen het verhaal van Apollodoros zich afspeelt, is het zogenaamde staatsmonopolie in de Ptolemaeïsche oliesector. De Ptolemaeïsche staat oefende een uitzonderlijk grote controle uit over het kweken van oliehoudende gewassen, over de productie van olie in door de staat bevoorrade olieslagerijen en over de verkoop van het eindproduct door geconcessioneerde olieverkopers. Hiervoor werd intensief samengewerkt met privépersonen die via een veiling het recht op de inkomsten uit de oliesector verwierven, en op die manier het geld voorschoten aan de staat en het risico op zich namen. Als de inkomsten hoger uitvielen dan zijn of haar bod, maakte deze persoon winst, anders moest hij of zij het verlies bijpassen. De staat legde ook de prijzen van de verschillende soorten olie vast en beschermde de inkomsten van de private partners via hoge invoerheffingen op buitenlandse (olijf)olie. Illegale productie en verkoop werden bijzonder zwaar bestraft, met boetes tot 30 000 drachmen, wat voor een gewone Ptolemaeïsche dagloner 300 jaar werk betekende. Zelfs de verkoop van dierlijk vet, een mogelijke vervanger voor olie, werd aan banden gelegd. Dit was tenminste de theorie. In de praktijk bleken zulke uitgebreide regelingen zeer moeilijk af te dwingen door een antieke staat, die veel beperktere mogelijkheden had dan onze moderne regeringen.

De Thraciër

Papyrus met daarop onder andere een petitie waarin Apollodoros zijn ontdekking van oliesmokkel meedeelt

Dit wordt pijnlijk duidelijk in het geval van Apollodoros. Zijn verkooprecht, dat in theorie exclusief was, bleek namelijk zo lek als een zeef. Uit het voorjaar van 113 v.C. kennen we een tweede papyrus (P. Tebtunis I 38) die over gesmokkelde olie in Kerkeosiris handelt:

“Vanwege Apollodoros, de verantwoordelijke voor de distributie van en belasting op olie in Kerkeosiris voor het vierde jaar. Mijn onderneming is een complete mislukking geworden door de smokkel en illegale verkoop van sesam- en castorolie in het dorp. Vandaar dat, wanneer het nieuws me bereikte dat een zekere Thraciër wiens naam ik niet ken, olie smokkelde naar het huis van Petesouchos de leerverkoper en deze verkocht, ik de burgemeester en de vertegenwoordiger van de politiecommissaris meenam naar het huis, waar ik weliswaar de Thraciër aantrof, maar de gesmokkelde goederen waren al verwijderd. Na een zoektocht vond ik de olie toch, verstopt in huiden en schapenvellen van de leerverkoper. De Thraciër kon echter ontkomen…”

Apollodoros de tollenaar?

Uit de voorgaande petitie leren we niet alleen dat het zoeken naar smokkelaars een voltijdse job was voor Apollodoros, maar ook dat hij naast de concessie voor olieverkoop een belasting op olie pachtte. Belastingpacht was een praktijk die heel vaak werd toegepast in de Oudheid, zowel bij de klassieke Grieken, als bij de Romeinen, als in de hellenistische koninkrijken. Het principe is hetzelfde als voor de inkomsten uit de oliesector: de pachter doet een bod en garandeert de staat een bepaalde som. Zijn inkomsten hangen dan af van hoeveel belastingen er effectief geïnd werden. Deze pachters waren soms heuse financiële ondernemers, die tegelijkertijd belastingen in uiteenlopende sectoren pachtten. Andere, meer bescheiden, pachters kwamen vaak uit de sector zelf die belast werd. Zulke personen hadden immers kostbare informatie die nuttig was voor de staat. Het lijkt erop dat Apollodoros een voorbeeld van dat laatste fenomeen was. Uit onder meer het Nieuwe Testament weten we dat zulke pachters of ‘tollenaars’ heel onpopulair waren bij de plaatselijke bevolking. Misschien verklaart dit ook wel waarom Apollodoros niet bepaald vriendelijk bejegend werd…

Zacheüs, de Joodse oppertollenaar van Jericho ten tijde van Jezus (naar een schilderij van James Tissot)

Smokkel: een terugkerend probleem

Hoe dan ook, Apollodoros’ lijdensweg was nog niet ten einde. In een derde en laatste papyrus klaagt hij tegenover de dorpsschrijver dat hij “in buitengewone armoede” terechtgekomen is door degenen die illegaal olie smokkelen en verkopen. Apollodoros was niet de enige wiens contract met de staat schade ondervond door smokkel. De papyri verhalen over tal van gevallen van oliesmokkel. Ongeveer een eeuw voor de avonturen van Apollodoros werd er in het dorp Oxyrhyncha zelfs een informant vermoord. Dit hoeft niet te verbazen, gezien er grof geld verdiend kon worden, de boetes zeer hoog waren, en de smokkelnetwerken soms de indruk van georganiseerde misdaad geven. Ook in andere sectoren was de staat nauw betrokken, en waren er vormen van privaat-publieke samenwerking die aanleiding gaven tot “illegale” activiteiten en smokkel. Zo horen we onder meer over illegaal zout, gesmokkelde ezelhuiden, jeneverbesextract en linnen.

Een nieuw hoofdstuk

Een scarabee of mestkever

De drie papyri die ons het verhaal van Apollodoros leren kennen, zijn reeds 100 jaar gepubliceerd en bekend bij onderzoekers. Historisch onderzoek staat echter niet stil, en er duiken voortdurend nieuwe teksten op die ons dwingen om het heersende beeld bij te stellen. In het geval van Apollodoros is er nog een vierde, weliswaar fragmentarische, ongepubliceerde papyrus die ons meer leert over zijn oliehandel. Deze tekst wordt momenteel bestudeerd en klaargemaakt voor publicatie door ondergetekende, dus speciaal voor onze lezers volgt hier een sneak peek van lopend Leuvens onderzoek. De tekst dateert van 2 augustus 113 v.C., en is dus jonger dan de tot nu toe bekende papyri. Uit het document blijkt dat Apollodoros’ problemen nog niet ten einde waren. Ditmaal speelt de vuilnisbelt van het dorp Kerkeosiris een prominente rol. De tekst leert ons dat er iets verstopt is op de vuilnisbelt, maar het is niet duidelijk wat. Illegale olie? Smokkelaars? Of toch nog iets helemaal anders? Wordt vervolgd…

Coverfoto: adaptatie van foto ‘AncienLamps’ door Combirom2 op Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

Het bericht Geschopt, geslagen en gepluimd: de onfortuinlijke oliehandelaar Apollodoros van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/21/08/2018/geschopt-geslagen-en-gepluimd-de-onfortuinlijke-oliehandelaar-apollodoros/feed/ 1 1000