gouverneur Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/gouverneur/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sat, 11 Jul 2026 23:36:23 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png gouverneur Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/gouverneur/ 32 32 136391722 Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/ https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/#respond Sun, 12 Oct 2025 14:02:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2718 De bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten

Ook in de Oudheid konden belastingbetalers zich beroepen op bewijsmateriaal: uit duizenden papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte blijkt dat belastingkwitanties een belangrijk middel vormden om burgers te beschermen tegen fraude en misbruik. Ze tonen aan dat onderdanen niet louter passieve slachtoffers waren van een zwaar belastingsysteem, maar ook rechten konden laten gelden. In dit artikel wordt geschetst hoe deze kwitanties functioneerden, van Ptolemaeïsch Egypte tot zelfs Bactrië en Babylonië, en wat ze onthullen over administratieve continuïteit en de ideologie van redelijkheid bij antieke heersers. Zelfs in een wereld zonder digitale archieven gold: wie zijn bonnetje bijhield, stond sterker.

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De zomer brengt in België niet enkel vakantie, maar ook het moment waarop de belastingaangifte ingediend moest worden. Traditioneel gaat dat gepaard met heel wat papierwerk, wat al eens tot frustratie kan leiden. Maar die bureaucratie heeft ook een positieve kant: het papierwerk kan namelijk gebruikt worden om aan te tonen dat aan alle verplichtingen voldaan is. In de Oudheid was dat niet anders. We stellen ons de onderdanen van de antieke heersers al te makkelijk voor als hulpeloze slachtoffers van scrupuleuze belastinginners, die gebukt gingen onder zware fiscale verplichtingen. Dit was echter niet noodzakelijk het geval. Zeker, onze bronnen tonen dat ambtsmisbruik geen uitzondering was, maar er was op zijn minst een ideologie die de nadruk legde op redelijkheid, en individuen stonden niet machteloos. Het meest directe bewijs hiervoor wordt geleverd door de papyri en ostraca uit Grieks-Romeins Egypte. In het bijzonder de belastingkwitanties die aan de betalers werden uitgedeeld, wijzen op een zekere mate van bescherming.

Antieke belastingbetalers: onderdrukt en overbelast?

De Romeinse keizer Tiberius op een zilveren denarius

We moeten ons uiteraard geen illusies maken over de zwaarte van belastingen in de Oudheid, maar het blijft niettemin onduidelijk wat de belastingdruk was in antieke samenlevingen. In ieder geval erkenden de heersers over het algemeen het feit dat overdreven zware belastingen op lange termijn contraproductief werkten. Het bekendste voorbeeld zijn de woorden die Suetonius toeschrijft aan Tiberius. De keizer vermaande enkele van zijn gouverneurs als volgt: “een goede herder moet zijn schapen scheren, niet villen.” Meer dan een millennium eerder vinden we de redenering nog explicieter terug in Egypte, in de zogenaamde Loyalist Teaching:

Overweldig de boer niet met belastingen, laat hem het goed hebben en hij zal er het volgende jaar nog steeds voor je zijn.

Soortgelijke opvattingen zijn overal in de antieke wereld terug te vinden, van Babylonische wijsheidsliteratuur tot de Arthashâstra in het India van de 4de eeuw v.C. Dat dit niet alleen theoretische overwegingen waren, blijkt het duidelijkst uit de documentaire teksten uit Egypte, inclusief edicten en officiële correspondentie waarin werd vastgelegd wie wat moest bijdragen en waarin ambtenaren die misbruik maakten van hun positie met straffen werden bedreigd.

Belastingkwitanties als bescherming van betalers in Hellenistisch Egypte

Op 25 artabas na heeft Ptolemaios zoon van Harpsalis ons niets toegerekend voor de half-artaba belasting, omdat jij geen kwitantie genomen hebt, aangezien je niks serieus neemt. [P. Tebt. 3 768; TM 7848]

Misstanden tegenover belastingbetalers kwamen wel degelijk voor in Egypte, maar de situatie kon verholpen worden, althans als de betaler eraan gedacht had om een kwitantie mee naar huis te nemen. Met meer dan 2000 gepubliceerde exemplaren vormen belastingkwitanties het meest voorkomende type tekst uit de Ptolemaeïsche periode, en dat aantal neemt nog toe onder de Romeinen. De Ptolemaeïsche kwitanties komen grotendeels uit Opper-Egypte, waar ze op ostraca geschreven werden.

Andere teksten maken echter duidelijk dat het om een algemeen gebruik ging; ook elders in Egypte deelden de autoriteiten zulke bewijsstukken uit. Aangezien er soms verschillende kwitanties op hetzelfde object aangebracht werden, was het waarschijnlijk de betaler zelf die een ostracon, papyrus of houten tabletje meebracht. De meeste betalers waren onderworpen aan een hele reeks belastingen, en in het gemiddelde huishouden zouden er dus verschillende kwitanties terug te vinden geweest zijn, wat interessante vragen oproept over de geletterdheid van de Egyptische bevolking.

Ptolemaeïsche kwitantie voor de belasting op wijngaarden

Kwitantie voor de oogstbelasting uit de 6de eeuw v.C.

Hoewel ze pas vanaf de Ptolemaeïsche periode in grote aantallen bewaard gebleven zijn, kende men in Egypte al eerder belastingkwitanties, ten laatste vanaf de 7de eeuw v.C. De Ptolemaeën namen in dit geval dus een bestaande praktijk over en ze breidden het gebruik ervan uit. Dit hoeft niet te verbazen: contact met de belastingbetalers was een zaak van de lokale administratie, en op dit niveau was de continuïteit het grootst. Kwitanties uit een archief dat toebehoorde aan een zekere Teos (een Thebaanse dodenpriester of choachiet) en diens vrouw Thabis, daterend uit de overgangsperiode tussen de Perzen en de Ptolemaeën (4de eeuw v.C.), tonen bovendien vormelijke continuïteit met de vorige periodes. Na verloop van tijd ontwikkelde zich een specifieke Ptolemaeïsche vorm van belastingkwitanties, waaronder ook exemplaren die in het Grieks waren opgesteld.

Documenten ten dienste van de bevolking

Het citaat in de vorige sectie toonde reeds dat de kwitanties door de belastingbetalers werden bijgehouden als bewijsstukken. Zonder konden gewetenloze beambten hen twee keer laten betalen. Er zijn meerdere gevallen bekend waarin zulke functionarissen kwitanties aan de betalers probeerden te ontfutselen, hetzij onder valse voorwendselen, hetzij door ze gewoon te stelen, om zo meer geld af te kunnen troggelen van hun slachtoffers.

Takskwitantie in het Demotisch en het Aramees

Gelukkig schetsen andere teksten een positiever beeld van het gebruik van kwitanties. Eén betaler uit de vroeg-Romeinse periode verwijst nog terug naar kwitanties uit de tijd van Cleopatra VII, decennia eerder, en de kwitanties bleven dus zelfs geldig over de regimewissel heen. De meeste Ptolemaeïsche kwitanties werden geschreven in het Demotisch of het Grieks, maar er zijn ook een handvol Aramese exemplaren bewaard. Dit toont nog maar eens aan dat ze bedoeld waren om de belastingbetalers van dienst te zijn, aangezien het Aramees geen officiële taal was van de Ptolemaeïsche staat, maar een minderheidstaal van bepaalde gemeenschappen.

De Ptolemaeën boden deze dienst gratis aan, in tegenstelling tot de Romeinen, die de bevolking lieten betalen – mensen laten betalen voor het betalen van hun belastingen kan misschien nog een creatieve manier zijn om het gat in de begroting te verkleinen – voor hun belastingkwitanties.

Bescherming van belastingbetalers elders in de Hellenistische wereld

Het feit dat Ptolemaeïsche belastingkwitanties verder bouwden op een bestaand gebruik betekent daarom niet dat het om een exclusief Egyptisch fenomeen ging. Wel is het zo dat alledaagse documenten zoals kwitanties over het algemeen op vergankelijke materialen geschreven werden, die we voornamelijk nog in Egypte terugvinden, dankzij de bijzondere klimatologische omstandigheden.  Maar bij toeval is er een kwitantie uit de 2de eeuw v.C. op dierenhuid bewaard gebleven uit Bactrië, in het huidige Afghanistan. Verschillende van de vermelde formules en ambtenaren zijn ook bekend in Egypte, een illustratie van de verwevenheid van de Hellenistische wereld.

Bactrische belastingskwitantie op dierenhuid uit de 2de eeuw v.C.

Uit het Hellenistische Babylonië zijn weliswaar geen kwitanties bewaard gebleven, maar er zijn wel grote hoeveelheden zegels gevonden met daarop vermeldingen van belastingen. De documenten waaraan ze ooit waren bevestigd, zijn verloren gegaan. Sommige daarvan waren mogelijk belastingkwitanties, en net als in Egypte zijn er voorbeelden van zulke teksten bekend uit de Neobabylonische en Perzische periodes, maar dit is geenszins zeker. In ieder geval dienden de zegels op zichzelf ook als bewijs van de vervulling van bepaalde verplichtingen. Dit illustreert dat er in verschillende antieke samenlevingen verschillende methoden konden worden gebruikt om belastingbetalers te beschermen. Die laatsten waren dus geenszins passieve en uitgebuite onderdanen die weerloos waren tegen misbruik door staatsambtenaren.

Lees meer

Depauw, M., The Archive of Teos and Thabis from Early Ptolemaic Thebes, Turnhout, 2000.
Muhs, B., Tax Receipts, Taxpayers and Taxes in Early Ptolemaic Thebes, Chicago, 2005.
Jakobsson, J. and Glenn, S., ‘New Research on the Bactrian Tax-receipt’, Ancient History Bulletin 32 (2018), 61–71.
van Oppen de Ruiter, B. F. and Wallenfels, R. (eds.), Hellenistic Sealings & Archives: Proceedings of the Edfu Connection, an International Conference, Turnhout, 2021.

Coverafbeelding: adaptatie van een beschilderd tafereel van een veekeuring door Nebamoen (een klerk en graanteller in het befaamde tempelcomplex van Thebe rond 1350 v.C.) uit diens grafcomplex, bewaard in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Een Engelstalige versie van deze blogpost werd eerder gepubliceerd op de website van het project FARE (FiscAl Reform in Egypt: From the Achaemenids to the Ptolemies)]

Het bericht Niet vergeten een bonnetje te vragen: de bescherming van belastingbetalers in Hellenistisch Egypte en daarbuiten  van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/12/10/2025/niet-vergeten-een-bonnetje-te-vragen-de-bescherming-van-belastingbetalers-in-hellenistisch-egypte-en-daarbuiten/feed/ 0 2718
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739