Galba Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/galba/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 14 Mar 2021 16:40:58 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.3 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Galba Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/galba/ 32 32 136391722 Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/#respond Tue, 08 Oct 2019 13:52:34 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1358

In onze reeks 'Quis est?' gaan we op zoek naar het levensverhaal van een markant figuur uit de Oudheid. In deze aflevering komen we uit bij Silbannacus, een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De lijst van bekende Romeinse keizers bevat vele namen, vanuit het principaat dat Augustus in 27 v.C. startte (en voortzette met de Julisch-Claudische dynastie) tot het dominaat waarbij het Keizerrijk door meerdere keizers (augusti en caesares) werd geregeerd. In heel deze lijst komen af en toe ook namen voor van keizers die deze titel opeisten en (meestal slechts voor een korte tijd) als usurpator over een gedeelte van het Romeinse Rijk regeerden, bijvoorbeeld Galba, Otho en Vitellius tijdens het beruchte vierkeizerjaar 69 n.C. Een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen, is die van Silbannacus. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Usurpatoren

Een 19de eeuwse illustratie van de overdracht van de keizerskroon door Romulus Augustus aan de Germaanse heerser Odoaker

De laatste keizer – althans van het West-Romeinse rijk – Romulus Augustulus, werd na een heel korte regeertermijn in 476 n.C. afgezet door de Germaanse aanvoerder Odoaker, die zich nadien ook tot koning kroonde en het keizerschap voor de schijn doorgaf aan de toenmalige Oost-Romeinse keizer Zeno. Hiermee eindigt traditioneel een periode die vier eeuwen overspant waarin talloze dynastieën de macht in Rome claimden, afgewisseld met perioden van chaos en anarchie waarin soms voor een heel korte periode een lokale of militaire leider de macht opeiste. Zo’n usurpator was vaak geen lang leven beschoren, aangezien het succes van de revoltes vaak afhing van de (militaire) back-up van de heerser in kwestie en de heersende of daaropvolgende keizer meestal geen medelijden toonde met zo’n overwonnen rebel.

Naast het reeds genoemde drietal van het vierkeizerjaar verging het bijvoorbeeld de beruchte Elagabalus net zo.  Hij heerste gedurende vier jaar, maar werd uiteindelijk ook door de Praetoriaanse Garde vermoord. Nog minder succesvol verging het Nymphidius Sabinus, de prefect van diezelfde garde, die na Nero’s dood de keizerstroon dacht te kunnen claimen als de niet-erkende zoon van Caligula. Hij werd namelijk jammerlijk door zijn eigen garde van het leven beroofd toen Galba Rome zou intreden.

Gravure in een medaillon van Julius Nepos, de laatste gelegitimeerde keizer van het West-Romeinse Rijk

Andere minder bekende figuren die in de plooien van de Romeinse keizergeschiedenis belandden waren bijvoorbeeld Avidius Cassius, de gouverneur van Syria, die in 175 n.C. zelfs nadat het gerucht dat hij had gehoord over de dood van keizer Marcus Aurelius niet waar bleek te zijn, toch zijn onsuccesvolle revolte voortzette. Sommige anderen werden nooit aanvaard door de Senaat als wettige keizer of slaagden er slechts in om een gedeelte van het rijk onder controle te krijgen, vaak dan nog voor een korte tijd. Tot slot probeerde Julius Nepos om als heerser in ballingschap in Dalmatia de keizertitel opnieuw op te eisen, nadat de eerder genoemde Odoaker de macht had gegrepen in Rome, maar ook die poging liep slecht af toen hij in 480 werd gedood door zijn eigen soldaten.

Bekende succesvolle en gelegitimeerde usurpatoren waren onder meer Septimius Severus en Constantijn de Grote die beiden door hun eigen leger tot keizer werden uitgeroepen. Een constante factor in hun greep naar de macht (naast de militaire ondersteuning) was het legitimeren van hun keizerschap. Dat gebeurde op verschillende manieren, bijvoorbeeld door bouwactiviteiten op te zetten of hun eigen munten te laten slaan, waarbij hun keizerschap via allerlei symbolen refereerde aan de Romeinse goden, hun voorgangers als keizers of hun vergoddelijkte status (na hun dood). Beiden regeerden respectievelijk 18 en 31 jaar over het rijk en werden opgevolgd door hun eigen dynastie.

De mysterieuze munten

De zilvermunt van Silbannacus uit het British Museum

Al deze voornoemde keizers zijn ons niet alleen bekend uit de literaire bronnen, maar ook uit opschriften, munten en andere archeologische overblijfselen. Toen in 1937 echter het British Museum in bezit kwam van een zilvermunt (een antoninianus), gekocht van een Zwitserse handelaar die beweerde dat de munt gevonden was in de Franse regio Lorraine, wisten onderzoekers niet wat ze zagen. Op de voorzijde van de munt was namelijk te lezen:

IMP MAR SILBANNACVS AVG

Deze keizer Mar() Silbannacus stelde de specialisten voor een raadsel. Geen keizer met deze naam is ons bekend uit de bronnen en gedacht werd dat het hier misschien om een verkeerde spelling van de naam Silvannacus of Silvaniacus zou kunnen gaan, maar zelfs in dat geval was er geen keizer met die naam gekend. De keerzijde, met daarop de goden Mercurius en Victoria (met een caduceus of olijfkroon en de begeleidende tekst “VICTORIA AUG”) afgebeeld, gaf geen verdere hints over de oorsprong van deze munt. Geopperd werd dat het om de muntslag van een usurpator, tussen de duistere jaren 238 en 260 n.C., zou kunnen gaan, maar zekerheid over de historiciteit van Silbannacus was er niet.

Dit duurde tot in 1996 een tweede munt met dezelfde keizersnaam opdook bij een Franse specialist. Ook deze zilvermunt zou uit Frankrijk afkomstig zijn en werd enkele jaren eerder gevonden in de buurt van Parijs. De voorzijde van deze munt was identiek aan de eerste, maar de keerzijde bevatte ditmaal de god Mars (en de tekst “MARTI PROPVGT”). Dit leidde de onderzoekers naar keizer Aemilianus die in 253 n.C. een drietal maanden regeerde en dezelfde achterzijde met de oorlogsgod (“de Verdediger”) voor een munt had gebruikt. Was het eindelijk duidelijk dat de Silbannacus vermeld op deze mysterieuze munten een usurpator was tijdens dat chaotische jaar waarin verschillende opstanden plaatsvonden en keizers regeerden?

Zilveren Antoninianus van Aemilianus, met op de achterzijde Marti Propugt (Propugnatori), Mars de Verdediger

Silbannacus, de onbekende keizer?

De naam Mar() Silbannacus zorgt nog voor wat meer mysterie. Zelfs als het hier om een verkeerde spelling zou gaan, lijkt er een mogelijke connectie te zijn met de god Silvanus, een Romeinse godheid van de bossen die mogelijk van een Etruskische godheid afstamt. Ook het suffix -acus, dat op een Keltische etymologie duidt, versterkt het vermoeden dat we de achtergrond van Silbannacus in Noord-Italië (waar Kelten en Etruskische invloeden overlapten) moeten zoeken. De andere afkorting MAR() kan een afkorting zijn van de naam ‘Marinus’, ‘Marius’ or ‘Marcius’, aangezien het minder gangbaar was om een praenomen – ‘Marcus‘ in dat geval – te gebruiken op de muntslag. Ook hier blijven we achter hangen bij vermoedens, aangezien geen van deze families uit de 3de eeuw ons bekend zijn uit andere bronnen.

De antoniniani of verzilverde munten (gedevalueerd tot brons tijdens de ‘Crisis van de derde eeuw’) waren gangbaar in deze periode en ook de afbeeldingen op voor- en keerzijde geven weinig hints over de datering ervan. In het midden van deze eeuw vinden we op zo goed als alle munten een afbeelding van de keizer met een gelijkaardige kroon, maar dit leidde niet tot een exactere datering.

Buste van keizer Philippus I Arabs

Buste van keizer Decius

Uiteindelijk blijft de theorie van een usurpator de meest gangbare, althans tot we mogelijk ooit meer bronmateriaal vinden. Twee mogelijkheden werden daarbij het vaakst geopperd. Ten eerste, dat Silbannacus opereerde als een militaire leider in Germania Superior nabij het Rijngebied. Eutropius (IX.4) beschrijft een burgeroorlog in Gallia, mogelijk tijdens de regering van keizer Philippus I Arabs (244-249 n.C.) of meer waarschijnlijk tijdens die van keizer Decius (249-251 n.C.), waarbij Silbannacus dan mogelijk kortstondig het keizerschap zou hebben geclaimd.

De ontdekking van de tweede munt en ook de alternatieve lezing van Eutropius’ burgeroorlog in Galatia maken de tweede theorie plausibeler: de munt van Silbannacus zou dan in Rome geslagen zijn na een korte periode van opstand tussen de strijd om de troon in 253 n.C. Die was al begonnen toen in 251 n.C. keizer Trebonianus Gallus Aemilianus als bevelhebber van de legertroepen naar de Donau stuurde om daar de Gothen te bevechten (Zosimus, I.28.3). Aemilianus won daar een belangrijke veldslag in de zomer van 253 n.C. en zijn soldaten riepen hem vervolgens uit tot keizer. Daaropvolgend stuurde Trebonianus een andere legerleider Valerianus – later bekend als keizer Valerianus I – erop uit om Aemilianus vanuit zijn provincie tegen te houden, maar dit gebeurde te laat, waardoor Aemilianus intussen al in Rome de macht had overgenomen. Valerianus had zich intussen ook aan de Rijn door tot keizer laten uitroepen, waardoor Aemilianus zich genoodzaakt zag met zijn soldaten tegen Valerianus op te trekken. Zoals eerdere voorbeelden werd Aemilianus door zijn eigen soldaten vermoord en kon Valerianus als nieuwe keizer naar Rome trekken. Tijdens deze gebeurtenissen zou onze Silbannacus de macht hebben overgenomen in de hoofdstad van het rijk, om uiteindelijk toch door de troepen van Valerianus te worden afgezet en waarschijnlijk vermoord. Hypothetisch zou Silbannacus zelfs een bevelhebber onder het commando van Aemilianus kunnen zijn geweest die dan zelf de macht in Rome opeiste tijdens diens afwezigheid of na diens dood.

Conclusie

Welke hypothese de juiste is, is moeilijk te bevestigen zonder bijkomend bronnenmateriaal. Het lijdt weinig twijfel dat indien Silbannacus zich tot keizer liet uitroepen – en daar duiden de twee munten toch op – dit waarschijnlijk slechts als usurpator voor een korte periode zal zijn geweest tijdens de turbulente crisisperiode in het midden van 3de eeuw. Dat hij dan meer dan waarschijnlijk op een niet al te vredevolle manier aan zijn einde zal zijn gekomen, hetzij door de troepen van Philips I Arabs, Decius, Valerianus I of misschien zelfs zijn eigen soldaten, lijkt eveneens een aannemelijk scenario. De rest blijft, net zoals zijn munten, voorlopig een mysterie…

Lees meer

Christol, M., L’Empire romain du IIIe siècle. Histoire politique, 192-325 après J.-C., Paris, 1997.

Estiot, S., ‘L’empereur Silbannacus. Un second antoninien,’ Revue numismatique 151, 1996, pp. 105-117.

Mattingly, H., Sutherland, C., Carson, R. (ed.), The Roman imperial coinage, vol. 4: Pertinax – Uranius Antonius, Londen, 1986.

BBC History Extra: https://www.historyextra.com/period/roman/silbannacus-the-roman-emperor-that-time-forgot/

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van het object ‘radiate coin of Silbannacus’ in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0) 

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/feed/ 0 1358
De visie van Verreth: de Eagle-reeks van Simon Scarrow https://www.oudegeschiedenis.be/08/06/2018/de-visie-van-verreth-de-eagle-reeks-van-simon-scarrow/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/06/2018/de-visie-van-verreth-de-eagle-reeks-van-simon-scarrow/#respond Fri, 08 Jun 2018 16:32:55 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=869

Enkele weken geleden verscheen de pocketversie van het zestiende deel (getiteld Day of the Caesars) van de onvolprezen romanreeks met de officieuze titel 'The Eagle' van Simon Scarrow, een Britse schrijver, maar in 1962 geboren in Nigeria. Onze huisrecensent Herbert Verreth kocht de nieuwe roman die gesitueerd is in de regering van keizer Claudius en het eerste jaar van keizer Nero en bespreekt de volledige reeks over de Romeinse militairen Quintus Licinius Cato en Lucius Cornelius Macro.

Het bericht De visie van Verreth: de Eagle-reeks van Simon Scarrow van Herbert Verreth verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Enkele weken geleden verscheen de pocketversie van het zestiende deel (getiteld Day of the Caesars) van de onvolprezen romanreeks met de officieuze titel ‘The Eagle‘ van Simon Scarrow, een Britse schrijver geboren in Nigeria in 1962. Ik heb ooit het eerste deel op goed geluk gekocht en sindsdien kijk ik vol spanning uit naar elke nieuwe roman over de Romeinse militairen Quintus Licinius Cato en Lucius Cornelius Macro gesitueerd in de regering van keizer Claudius en het eerste jaar van keizer Nero. De reeks is klaarblijkelijk een groot succes in de Angelsaksische wereld, maar in Nederlandse vertaling zijn sinds 2013 vooralsnog alleen de eerste zes delen uitgebracht.

Historische achtergrond

Auteur Simon Scarrow

Ik heb niet direct informatie gevonden over de (historische?) masteropleiding die Scarrow in zijn jonge jaren gevolgd heeft, maar ondertussen is hij in ieder geval een volleerd specialist op het gebied van het Romeinse leger, die er als geen ander in geslaagd is om de lezer dat leger van binnen uit te doen begrijpen. De training van legionairs om in een perfect gelid te vechten en alle mogelijke manoeuvres uit te voeren, de manier waarop Keltische oppida ingenomen en verwoest kunnen worden, de belegering van oosterse steden, de ondertunneling om een poortgebouw of verdedigingswal te laten instorten, de inname van een zwaar verdedigde doorwaadbare plaats of heuvel, de uitputtende marsen door de woestijn of door de barre koude en sneeuw, de werking van de Romeinse vloot en van de ruiterij van de auxilia, allemaal aspecten die we als lezer meemaken in de eerste linies van het krijgsgewoel en die zeer filmisch beschreven worden, waarbij elk detail tot in de puntjes uitgewerkt is. De historische insteek wordt steeds ondersteund door heel wat kaartjes en een organigram van de betrokken legereenheden. Elk boek kan afzonderlijk gelezen worden, maar – zoals wel vaker het geval is bij historische romanreeksen – groeien de personages mee met het verhaal en zijn bepaalde allusies dus beter te plaatsen indien de lezer ook de voorgaande boeken kent.

Synopsis

Het verhaal begint in 42 n.C. wanneer de jonge Cato, de zoon van een recent overleden keizerlijke vrijgelatene, van het keizerlijke hof overgebracht wordt naar Germania om daar een harde militaire opleiding te krijgen bij de Romeinse legioenen. Op voorspraak van de keizer krijgt Cato dadelijk de functie van optio of adjudant bij centurio Macro, die echter niet opgezet is met politieke benoemingen in het leger. Geleidelijk aan leren ze elkaar te appreciëren en de volgende dertien jaar worden ze elkaars steun en toeverlaat in de vele precaire situaties waarin ze terechtkomen. Omwille van zijn moed, zijn doorzettingsvermogen en zijn inzicht klimt Cato zeer snel op binnen de militaire rangen, zodat hij in de latere boeken als praefectus bij de auxilia en als tribunus van een cohors van de praetoriaanse wacht zelfs de meerdere wordt van Macro.

De eerste verhaallijn (Eagle 1-5) speelt zich af in in 42-44 n.C., het begin van de verovering van Britannia op bevel van keizer Claudius. Het optreden van historische figuren als Vespasianus, Galba en Boudicca, die pas enkele decennia later echt belangrijk zullen worden, doet veronderstellen dat Scarrow langetermijnplannen heeft. De expeditie verloopt duidelijk niet zo vlot als de keizerlijke propaganda doet vermoeden, maar de pas aangestelde keizer heeft een militaire overwinning nodig om zich steviger in het zadel te zetten. In Rome zijn er immers nog steeds aristocraten die terug willen keren naar de republiek, toen zij het zelf voor het zeggen hadden, terwijl aan het keizerlijk hof vrijgelatenen als Narcissus en Pallas volop intriges uitwerken om hun eigen invloed te vergroten. Tot hun grote ergernis geraken Cato en Macro meer en meer betrokken bij deze onfrisse toestanden en worden ze later meer dan eens gechanteerd om opdrachten uit te voeren voor Narcissus.

Cato en Macro, de hoofdrolspelers van de reeks ‘The Eagle’

Zo geraken ze betrokken bij de strijd tegen Illyrische zeerovers (Eagle 6), moeten ze zich staande houden bij grensconflicten met de Parthen in Petra en in Palmyra (Eagle 7-8) en proberen ze een slavenopstand tegen te houden die zich van Kreta naar Egypte verplaatst heeft (Eagle 9-10). In 51 n.C. moeten ze in Rome undercover gaan bij de praetoriaanse wacht om een moordaanslag op de keizer te verijdelen (Eagle 11). Ze worden teruggestuurd naar Britannia, waar de strijd nog steeds in alle hevigheid voortwoedt, en overleven daar met moeite de zelfmoord-opdrachten die ze moeten uitvoeren. Zij zijn het die er uiteindelijk in slagen om de Britse rebel Caratacus te arresteren, maar het blijkt vooralsnog onmogelijk om het druïdeneiland Mona in te nemen. (Eagle 12-14). De (voorlopig) laatste twee romans spelen zich af in 54-55 n.C. Cato en Macro worden als helden gelauwerd in Rome, maar worden onmiddellijk daarna met een eenheid van de praetoriaanse wacht naar Spanje gestuurd om een lokale opstand te onderdrukken (Eagle 15). Onder het mom van deze expeditie worden vele loyale aanhangers van keizer Claudius uit Rome verwijderd, zodat ze bij hun terugkeer alleen maar kunnen constateren dat keizerin Agrippina en haar minnaar Pallas de keizer vergiftigd hebben en de jonge Nero op de troon hebben gezet. Een groep aristocraten beraamt evenwel een complot om Britannicus, de natuurlijke zoon van Claudius, op de troon te krijgen, zodat er binnen de muren van Rome een burgeroorlog uitgevochten wordt (Eagle 16).

Conclusie

De verhalen van Scarrow zijn een mooie mengeling van historische feiten en verzonnen gebeurtenissen. De grote lijnen van de periode 42-55 n.C. zijn goed gekend uit de werken van Tacitus, Suetonius, Cassius Dion en vele anderen, maar er zijn voldoende “gaten” in dat verhaal om Scarrow de mogelijkheid te geven om plausibele episoden te verzinnen waarin Cato en Macro zich kunnen bewijzen. Ik heb in ieder geval geen flagrante historische fouten gevonden in de reeks, zodat Scarrow zijn research klaarblijkelijk naar behoren heeft gedaan.

Cato en Macro zijn geen onoverwinnelijke helden, die maar op het toneel moeten verschijnen om de problemen op te lossen. Integendeel, elke keer opnieuw moeten ze voor hun leven vechten, en ze hebben daarbij vaak afscheid moeten nemen van velen van hun collega’s, vrienden en familieleden. Ook de Romeinse legioenen op zich waarin zij vechten, moeten regelmatig het onderspit delven in de strijd, terwijl Cato zich meer dan eens afvraagt wat Rome toch te zoeken heeft in die woeste uithoeken van de beschaafde wereld. Het merendeel van de verhalen is opgebouwd rond hun militaire exploten, maar de persoonlijke component ontbreekt niet: Cato wordt verliefd op de jonge vrouw Iulia Sempronia en ze krijgen een zoontje, terwijl Macro regelmatig in bed duikt met prostituees of andere vrouwen die zijn pad kruisen. De jonge jaren van Macro krijgen overigens ook aandacht in de vorm van enkele kortverhalen, waarvan er een aantal gebundeld zijn in het boek Arena. De bundeling Invader anderzijds beschrijft de lotgevallen van hun collega optio Horatius Figulus na het vertrek van Cato en Macro uit Britannia in 44 n.C.

De lezer wordt in elk boek opnieuw meegesleept in een intense rollercoaster van actie en intrige, waarbij alleen de rauwe soldatenhumor voor een lichtere noot zorgt. Ik heb steeds meegeleefd met de sympathieke hoofdpersonages Cato en Macro en kijk dan ook vol spanning uit hoe het hen zal vergaan in het oosten wanneer ze onder bevel van generaal Corbulo de problemen in Armenia gaan aanpakken (Eagle 17 is gepland).

Coverfoto: remix van de foto ‘Forum Romanum van Carla Tavares op Wikimedia (CC BY-SA 3.0) & simonscarrow.co.uk

Overzicht van de titels

  • Scarrow, Simon, [Eagle 1] Under the eagle, 2000 [Onder de adelaar]
    42-43 n.C. – Britannia; Germania; Durocortorum – Gesoriacum, Gallia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 2] The eagle’s conquest, 2001 [De overwinning van de adelaar]
    43 n.C. – Rutupiae – Camulodunum, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 3] When the eagle hunts, 2002 [Als de adelaar jaagt]
    44 n.C. – Camulodunum – Calleva – Noviomagus – Maiden Castle, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 4] The eagle and the wolves, 2003 [De adelaar en de wolven]
    44 n.C. – Calleva, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 5] The eagle’s prey, 2004 [De prooi van de adelaar]
    44 n.C. – Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 6] The eagle’s prophecy, 2005 [De voorspelling van de adelaar]
    45 n.C. – Roma – Ravenna, Italia; Illyricum
  • Scarrow, Simon, [Eagle 7] The eagle in the sand, 2006
    46 n.C. – Jerusalem – Heshaba – Bushir, Iudaea; Petra – Wadi Rum, Nabataea; Roma, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 8] Centurion, 2007
    48? n.C. – Antiocheia – Chalkis – Palmyra, Syria
  • Scarrow, Simon, [Eagle 9] The gladiator, 2009
    49 n.C. – Matala – Gortyna – Ciprana – Lyttis – Olous, Creta, Greece; Alexandreia, Egypt
  • Scarrow, Simon, [Eagle 10] The legion, 2010
    50 n.C. – Epichos – Alexandreia – Memphis – Dios Polis Magna (Thebai), Egypt; Capreae, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 11] Praetorian, 2011
    51 n.C. – Picenum – Ostia – Roma – Albanus Lacus, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 12] The Blood Crows, 2013
    51 n.C. – Londinium – Avibarius – Glevum – Isca – Gobannium – Bruccium, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 13] Brothers in blood – The red sail, 2014
    52 n.C. – Roma, Italia; Isurium, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 14] Britannia, 2015
    52 n.C. – Mediolanum – Mona, Wales, Britannia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 15] Invictus – A dish to die for, 2016
    54 n.C. – Asturica – Tarraco – Argentium – Augusta, Hispania; Ostia – Roma, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 16] Day of the Caesars, 2017
    54-55 n.C. – Roma – Ostia – Capreae, Italia
  • Scarrow, Simon, [Eagle 0.1 (short story)] Blood debt, 2009
    30-31? n.C. – Roma, Italia
  • Scarrow, Simon – Andrews, T. J., [Eagle 0.2] Arena [1. Barbarian; 2. Challenger; 3. First sword; 4. Revenge; 5. Champion], 2013
    41-42 n.C. – Roma – Paestum – Capua, Italia; Germania
  • Scarrow, Simon – Andrews, T. J., [Optio Horatius Figulus 1] Invader [1. Death beach; 2. Blood enemy; 3. Invader: dark blade; 4. Imperial agent; 5. Sacrifice], 2016 [2014-2015]
    44-45 n.C. – Calleva – Vectis – Noviomagus Regnorum – Lindinis, Britannia

Hieronder kan je alvast de eerste 8 pagina’s van Day of the Caesars lezen:


Naast de ‘Eagle’-reeks heeft Simon Scarrow ook de jongerenreeks Gladiator geschreven (4 delen, 2011-2014, ook vertaald in het Nederlands), die zich afspeelt in Italië en Griekenland in de jaren 61-58 v.C. Tussendoor verkent hij ook andere perioden dan de oudheid, want zijn reeks Revolution (4 delen, 2006-2010) gaat over Wellington en Napoleon, The sword and the scimitar (2012) over de belegering van Malta in 1565, en Hearts of stone (2015) over de Tweede Wereldoorlog.

Daarnaast bestaat er zelfs een mobiele applicatie waar je avonturen beleeft terwijl je in de huid kruipt van Cato en Macro.

Het bericht De visie van Verreth: de Eagle-reeks van Simon Scarrow van Herbert Verreth verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/06/2018/de-visie-van-verreth-de-eagle-reeks-van-simon-scarrow/feed/ 0 869
Waren de Romeinen koppensnellers? https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/#comments Fri, 09 Feb 2018 15:48:10 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=506 051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de "beschaafde" wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de “beschaafde” wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Decebalus en Trajanus

Grafstèle Tiberius Claudius Maximus waarop tweemaal een halsring (torquis) en een militaire armband (armilla) zijn afgebeeld

In 89 n.C. sloot keizer Domitianus een vredesverdrag met Decebalus, de nieuwe koning van Dacië, na een oorlog die vier jaar had geduurd. Decebalus werd een socius et amicus, een cliëntkoning van Rome. Als Trajanus in 101 n.C. keizer wordt, ontbrandt een nieuwe oorlog, waarbij de Romeinen voor het eerst de Donau oversteken. Decebalus wordt verslagen, zijn soldaten plegen collectief zelfmoord als de hoofdstad Sarmizegatusa wordt ingenomen. Decebalus ontsnapt eerst nog, maar wordt dan in het nauw gedreven en pleegt op zijn beurt zelfmoord.

De feiten kennen we uit Cassius Dio (68.14.3) en uit de inscriptie van Tiberius Claudius Maximus, de onderofficier (‘duplicarius) die Decebalus had gevangengenomen. Als beloning “quod cepisset Decebalum et caput eius pertulisset ei Ranisstoro” wordt Maximus bevorderd tot decurio en ontvangt hij twee torques et twee armillae. Die laat hij afbeelden op de stele, onder een scène waarin hij te paard toestormt op de stervende Decebalus (herkenbaar aan zijn typisch Thracische helm en zeshoekig schild), die zijn zwaard laat vallen.

De gevangenname van de koning wordt ook afgebeeld op de beroemde zuil van Trajanus in Rome (scène 145).

Decebalus, omsingeld door Romeinse soldaten, staat op het punt zich de keel over te snijden met zijn Dacische kromzwaard (‘falx’).

Maximus preciseert in zijn inscriptie dat hij het hoofd van Decebalus naar Ranisstorum heeft gebracht, waar de keizer ongetwijfeld verbleef; volgens Dio werd het hoofd zelfs naar Rome overgebracht. In 107 n.C. viert Trajanus daar zijn grote triomf, met 123 dagen spektakels, waarbij 11000 dieren en 10000 gladiatoren betrokken waren (Cassius Dio 68.15.1). Bij die gelegenheid ontvangt hij de eretitel ‘Dacicus’, overwinnaar op de Daciërs.

Onthoofding van de vijand en uitstalling van zijn hoofd als trofee is niet alleen een bewijs dat hij fysiek is geëlimineerd, maar ook een symbool van de totale overwinning. Het werd door de Romeinen niet gezien als een barbaars gebruik -zoals wij dat nu aanvoelen bij de gruweldaden van IS– maar als een uitzonderlijke bestraffing (denken we maar aan Catilina of aan de proscripties), zeker in oorlogsomstandigheden. Op de zuil van Trajanus, bijvoorbeeld, tonen niet minder dan zes scènes hoofden van vijanden. Gewoonlijk worden deze hoofden gepresenteerd aan de overwinnaar-opperbevelhebber, in het geval van Decebalus eerst in Dacië zelf, in aanwezigheid van de troepen (scène 147 op de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten[1]), en later nog eens in Rome. Daar werd het, volgens een later Byzantijns historicus, op een piek geplaatst in het midden van de stad, om te eindigen op de ‘scalae Gemoniae’ (in 106 n.C.), de trappen bij de Tarpeïsche rots en het Capitool[2]. Dit was alleen maar mogelijk als het hoofd eerst behandeld was om het te bewaren[3].

Scène 147 van de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten

Cicero en Marcus Antonius

19de eeuwse voorstelling op een folio van de moord op Cicero

In 43 v.C. grijpen Marcus Antonius, Octavianus en Lepidus de macht in Rome met het zogenoemde tweede triumviraat, dat officieel wordt bekrachtigd door de ‘Lex Titia’ op 27 oktober. Onmiddellijk worden de voornaamste tegenstanders, niet alleen de Caesarmoordenaars Brutus en Cassius, maar ook een driehonderd vooraanstaande politici die in Rome waren gebleven, buiten de wet geplaatst, en een premie van 25000 drachmen wordt op hun hoofd gezet. Op aandringen van Marcus Antonius komen ook Cicero en zijn broer Quintus en diens zoon op de lijst te staan. Cicero, die op dit moment in Tusculum verblijft, probeert nog te ontsnappen naar Brutus in Macedonië maar wordt op 7 december gevat door een detachement onder leiding van Popilius Laenas en gedood. De episode wordt uitvoerig beschreven door Plutarchus (Cicero 47-49) en Appianus (Historiae 4.19-20). Als Cicero de centurio Herennius ziet naderen, geeft hij zijn slaven bevel zijn draagstoel neer te zetten en steekt zelf zijn nek uit de draagstoel. Als hoofd en hand van Cicero in Rome aan Antonius worden getoond, zegt hij: “laat de proscripties nu maar ophouden”. Het hoofd en de handen (of, volgens andere bronnen, de rechterhand), laat hij op de tribune leggen boven de rostra, een schouwspel dat de Romeinen angst moet aanjagen.

Waren de Romeinen koppensnellers?

“Koppensnellen is het afsnijden en meenemen van iemands hoofd na die persoon te hebben gedood. Dit proces werd in oude tijden in veel culturen toegepast, waaronder China, India, Nigeria, Nurestan, Myanmar, Borneo, Indonesia, de Filipijnen, Taiwan, Japan, Micronesië, Melanesië, Nieuw-Zeeland en het Amazonebekken. Het behoort tot de oudste rituelen ter wereld. (Wikipedia)

Voor de Oudheid wordt dit gebruik zoals gedefinieerd door Wikipedia vaak toegeschreven aan de Kelten, door antieke auteurs, maar ook door moderne geleerden[4]. Dit gaat zover dat passages in Latijnse teksten waar Romeinse soldaten de hoofden van vijanden als trofee meenemen vaak worden toegeschreven aan “hulptroepen” of aan de barbaarse omgeving waarin de militairen verbleven. Wanneer Caesar in 46 v.C. de hoofden van soldaten die een te groot deel van de buit opeisten laat vastspijkeren op de poort van het kamp, beoordeelt Rambaud dit in zijn boek ‘César als “rude maintien de la discipline, utile avec des légionnaires que je crois Gaulois et habitués à chasser des têtes.”

Munt van Marcus Sergius Silus uit de late 2de eeuw v.C.

Maar ook bij de Romeinen was onthoofding van tegenstanders welbekend en in bepaalde situaties wijd verspreid. In 1964 verzamelde J.-L. Voisin een vijftigtal voorbeelden uit literaire teksten (met uitsluiting van onthoofding op basis van een gerechtelijk vonnis), een tiental archeologische getuigenissen, zoals de zuil van Trajanus of de triomfboog van Orange en enkele grafmonumenten van soldaten, en zelfs een munt uit de late tweede eeuw v.C., waar een ruiter zwaait met een afgehouwen hoofd[5].

Het doden van een vijand en het afhouwen van zijn hoofd zijn twee verschillende zaken. Denken we bijvoorbeeld aan David, die Goliath doodt met zijn slinger, en dan pas zijn hoofd afhakt. Iemands hoofd afhakken is geen simpele taak, zelfs niet als die persoon gebonden is en zijn hoofd op een kapblok ligt. Meer dan eens moest de beul zijn bloedig handwerk in meerdere keren voltooien; in die zin was de guillotine eigenlijk humaner dan de bijl. Met een zwaard is het nog moeilijker om in één houw een hoofd af te hakken, zeker als de tegenstander rechtop staat[6]. Uiteindelijk lukt dit alleen in de oudste half-mythologische voorbeelden of met medewerking van het slachtoffer, zoals Caius Cassius, die na de slag bij Philippi “een capuchon over zijn hoofd trok en zonder vrees zijn nek voorhield aan een vrijgelatene” (Vell. Pat. 70, 2).

In de vroege republiek (tot de Punische oorlogen) zijn het bijna uitsluitend buitenlandse vijanden die worden onthoofd, meestal na een tweegevecht. In die periode zijn de killers ook leden van voorname Romeinse families (te beginnen met Romulus): het doden van een vijand brengt roem voor de soldaat en voor zijn familie. Vanaf de tweede eeuw zijn het vooral naamloze soldaten die hoofden afhakken. Dit blijft zo wanneer ten gevolge van de Burgeroorlogen voornamelijk Romeinse burgers slachtoffer worden van die praktijk. De afgehakte hoofden leveren een flinke premie op voor diegene die ze meebrengt (niet altijd de moordenaar) en kan laten zien aan Sulla, Antonius, Caligula of Nero. Galba werd in 69 n.C. vermoord, maar men had zijn lijk laten liggen. Een passerend soldaat hakte het hoofd af en incasseerde de premie[7]. In het geval van Caius Gracchus (121 v.C.) werd als prijs zelfs het gewicht van zijn hoofd in goud uitgeloofd. De moordenaar, Septimuleius, vond er dan niets beter op dan de hersenen uit het hoofd te verwijderen en de schedel op te vullen met lood[8]. Bij zijn campagne tegen de Germanen (278 n.C.) loofde, volgens de ‘Historia Augusta‘ (Probus 14) keizer Probus één goudstuk uit voor elk afgehouwen hoofd.

De hoofden waren belangrijk als bewijs dat een tegenstander wel degelijk was geëlimineerd. Ze waren een symbool van de totale overwinning, waarbij de vijanden werden gedemotiveerd (zoals in het geval van Decebalus of bij de proscripties). Zo liet Caesar bij het beleg van Munda rond de stad een palissade oprichten met de hoofden van de gedode vijanden gericht naar de stad, waar de aanhangers van Pompeius zich hadden verschanst, “zoals de Galliërs dat doen” (Bell. Hisp. 32, 2). In 38 v.C. wordt het hoofd van de Parthische koning Pacorus geshowd in alle steden die van Rome waren afgevallen en zo wordt het gebied zonder strijd heroverd (Florus, Epitome 2, 19, 7). Na Nero’s dood werd hij op eigen verzoek verbrand; daarna stonden nog drie valse Nero’s op; als men zijn hoofd had laten zien, zou dit niet zijn gebeurd. Ook daarvoor dienden de hoofden van usurpatoren wier poging mislukt was, zoals Pescennius Niger (voor de muren van Byzantium door Septimius Severus). Nog in 313 n.C. laat Constantijn het hoofd van Maxentius meevoeren in zijn triomftocht, als een van de grote attracties (Paneg., 10, 31, 4).

Pacorus (voor zijn onthoofding)

Soms wordt het hoofd ook postuum nog mishandeld. Hierbij speelt wraak een rol. Een bekend voorbeeld is Galba, wiens hoofd in 69 n.C. door de knechten en staljongens op de punt van een lans werd rondgedragen in het kamp, terwijl ze riepen “Galba, mijn hartedief, geniet toch van je jeugd.” (Suetonius, Galba 20) De vrijgelatene Patronius kocht het hoofd om het te plaatsen waar zijn patronus eerder door Galba was terechtgesteld.

 

Galba (voor zijn onthoofding)

Onthoofding had ook een religieuze dimensie. Bij een juridische executie kreeg de familie het lichaam en het hoofd terug en kon een normale begrafenis plaatshebben, maar niet bij een onthoofding ter plekke: de dode kan nergens rust vinden.

Koppensnellen was dus wel degelijk een geaccepteerde en zelfs geïnstitutionaliseerde praktijk in het antieke Rome, ook al was ze beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden (burgeroorlog en buitenlandse oorlogen) en gericht tegen leiders van de oppositie, niet tegen alle vijanden (zoals blijkbaar bij de Kelten). Wanneer ze toch wordt veroordeeld als een vorm van crudelitas, dan is het omwille van passionele overdrijvingen tegenover de dode. Zo wordt Marcus Aurelius geprezen omdat hij het hoofd van Avidius Cassius, door hem geëist, niet wil zien, terwijl Marius, die in 87 v.C. met overdreven genoegen het hoofd van Marcus Antonius – de grootvader van de gelijknamige triumvir – had beledigd, gebrek aan zelfbeheersing wordt verweten. Hier speelt het motief van het afgehouwen hoofd op de feesttafel een rol: niet alleen bij Herodes met het hoofd van Johannes de Doper of heer Halewijn (“en het hoofd werd op de tafel gezet”), maar ook bij de triumvir Marcus Antonius. Sommigen linken dit zelfs aan kannibalisme. Ook grapjes ten koste van de overleden vijand worden niet geapprecieerd, zoals in het geval van Nero, die lacht met de lange neus van Rubelius Plautus, of Fulvia, de echtgenote van Marcus Antonius, die een speld steekt door de tong van de dode Cicero. Augustus daarentegen laat het hoofd van Brutus, die zelfmoord pleegde na de slag bij Philippi, naar Rome brengen en voor het beeld van de vergoddelijkte Caesar leggen, en dit leek wel aanvaardbaar voor antieke bronnen.

Svedomsky: Fulvia met het hoofd van Cicero

[1] De rechterhand werd ongetwijfeld afgehakt als getuigenis van de trouweloosheid (‘perfidia) van Decebalus, die zijn verbond met Rome had geschonden. Ook in Xenophons ‘Anabasis’ worden hoofd en rechterhand van Kyros na zijn dood in Kynaxa afgehakt (Anabasis 1 10.1).

[2] Dit is waarschijnlijk zelfs overgeleverd op een fragmentje van de ‘Fasti Ostienses’, Inscr. Ital. XIII.1, pp. 198-199 : [caput] Decibali [- –  in sca]lis Gemoni[is iacuit].

[3] En vrij gedetailleerde beschrijving vind men bij Lucanus, Pharsalia, 687-691, betreffende het hoofd van Pompeius, gedood bij zijn landing in Egypte, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“Met een gruwzame ingreep heeft men het bloed uit het hoofd verwijderd en tevens de hersens, de huid wordt gedroogd, men laat rottend vocht uit de binnenste holtes wegstromen en het gezicht maakt men met een inspuiting duurzaam.”

[4] Bv. P. Lambrechts, L’exaltation de la tête dans la pensée et dans l’art  des Celtes, Brugge, 1954.

[5] J.-L. Voisin, Les Romains, chasseurs de têtes, in: Du chatiment dans la cité. Supplices corporels et peines de mort dans le monde antique, Rome 1984, pp. 241-292.

[6] Een gruwelijke illustratie hiervan vindt men bij Lucanus, Pharsalia, 670-674, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“De woeste Septimius ontdekte bij de uitvoering van zijn misdaad (de moord op Pompeius) een nog grotere misdaad:  hij scheurde de toga open, ontblootte het eerbiedwaardig gezicht van de stervende Magnus, grijpt diens nog ademend hoofd en legt de verslappende nek op de zijwaarts geplaatste roeibank. Dan snijdt hij de spieren en aderen door, geruime tijd breekt hij nek en gewichten; er bestond geen kunst van onthoofding met één slag”.

[7] Suetonius, Galba 20: “Galba werd vermoord bij de Curtiusvijver en men liet hem liggen zoals hij lag. Een gewone soldaat, die toevallig terugkwam van de graanbedeling, zette zijn rantsoen op de grond en hakte het hoofd af van het lijk. Omdat er geen haar op stond om het vast te houden, borg hij het hoofd eerst in een plooi van zijn mantel; daarna stak hij zijn duim in de mond en droeg het zo naar Otho.”

[8] Men kan dit in detail lezen bij Plutarchus, C. Gracchus, 17, 5.

Coverfoto: afbeelding ‘Die Reliefs der Traianssäule, Tafel LI’ van Conrad Cichorius (1896) op Wikimedia

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/feed/ 1 506