dief Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/dief/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 02 Aug 2026 23:04:50 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png dief Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/dief/ 32 32 136391722 De voorspellende kracht van een niesbui https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/#respond Sun, 02 Aug 2026 14:35:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2865

Wens jij iemand die niest automatisch "Gezondheid"? Dan deel je een gewoonte die al duizenden jaren oud is. In de Grieks-Romeinse Oudheid werd niezen niet alleen gezien als een lichamelijke reactie, maar ook als een goddelijk teken dat woorden kon bevestigen, voorspellingen kon aankondigen of belangrijke beslissingen kon beïnvloeden. Van Homerus en Xenophon tot Plutarchus en Augustinus: deze blogpost volgt de opmerkelijke geschiedenis van de niesbui en haar verrassende betekenis in de antieke wereld.

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Als kleuter bracht ik vele uren door in het werkhuisje van mijn grootvader, die schoenmaker was. Er stond daar ook een kleine kachel, die mijn nichtje en ik mochten “voederen” met papier en stukjes hout. Dat gaf veel stof natuurlijk en als we moesten niezen, dan zei mijn opa onvermijdelijk “God zegene je”, wat ik als kind begreep als “gods zegentje”. Niezen kon er immers op wijzen dat een verkoudheid of erger in aantocht was en dat moest je bezweren met een schietgebedje.

Een bekende Nederlandse tegelspreuk met een wens voor mooi weer bij het niezen

Ook nu nog wenst men iemand die niest vaak “Gezondheid” toe. Bij de jongere generaties is de religieuze factor verdwenen, maar niezen lokt nog altijd een bezwerende reactie uit en van de voorspellende kracht van zo’n niesbui vinden we onder meer al in de Grieks-Romeinse Oudheid heel wat voorbeelden.

Schietgebedjes

Bij de Romeinen kon je hiervoor “salve” zeggen of “salus“, bij de Grieken Ζεῦ σῶσον “Zeus, red me”. “Salus” zegt bijvoorbeeld bij Apuleius (Metamorphoses IX.25.1) een bedrogen echtgenoot, die aanvankelijk niet door heeft dat de minnaar van zijn vrouw verstopt zit in een mand met wasgoed. Toen hij het geluid van de niesbui hoorde meende hij dat het van zijn vrouw kwam  en wenste haar met de gewone formule “salus” toe (ut acceperat sonum sternuationis solito sermone salutem ei fuerat imprecatus).

Zelfs keizer Tiberius, de “grootste misantroop onder de mensen” zei “salus” als iemand niesde in zijn wagen (Plinius, Nat. Hist. XXVIII 23). De Griekse variant vindt men in een gedichtje uit de Anthologia Palatina, dat grappig bedoeld is maar misschien toch over de schreef gaat.

Οὐ δύναται τῇ χειρὶ Πρόκλος τὴν ῥῖνα ἀπομύσσειν·
τῆς ῥινὸς γὰρ ἔχει τὴν χεῖρα μικροτέρην·
οὐδὲ λέγει Ζεῦ σῶσον ἐὰν πταρῇ; οὐ γὰρ ἀκούει
τῆς ῥινός· πολὺ γὰρ τῆς ἀκοῆς ἀπέχει. (Anth. Pal. XI 268)

Proclus kan zijn neus niet snuiten met zijn hand
want zijn arm is korter dan zijn neus.
Hij zegt ook niet “Zeus red me” als hij niest, want hij hoort
zijn neus niet : ze staat te ver van zijn oren.

Niezen bij antieke auteurs

Ook vandaag worden er nog veel comics en memes gemaakt over de symptomatische waarde van het niezen

In de Oudheid kende men wel de symptomatische waarde van het niezen. Zo vermeldt bijvoorbeeld Thucydides in een bekende passage het niezen als één van de symptomen van de pest in Athene (Hist. II.49.3 : πταρμὸς καὶ βράγχος). Maar meestal wordt niezen eerder als positief ervaren, in tegenstelling tot hoesten en kuchen, bijvoorbeeld in het 33ste boek van AristotelesProblemata.

Hier bespreekt Aristoteles (of een navolger) problemen die te maken hebben met de neus, zoals de behandeling van een bloedneus of het verband tussen krulhaar en een platte neus. Maar de meeste hoofdstukjes gaan over niezen. “Waarom niezen mensen meer dan andere dieren en ruiken ze minder?” vraagt hij zich af. “Waarom niest men als men in de zon kijkt? Waarom niest men nooit in zijn slaap? Waarom niest men meestal twee keer na mekaar (wellicht omdat er twee neusgaten zijn?)”.

De lezer vindt in dat hoofdstuk heel veel vragen, maar weinig zinnige antwoorden. Zo vraagt de auteur zich verder ook af waarom niezen beschouwd wordt als iets goddelijks, maar hoesten of een druipneus of oprisping van de maag niet (“wellicht omdat niezen voortkomt uit het hoofd, het meest edele deel van de mens?”). Niezen van middernacht tot de middag is een goed voorteken, maar niezen na de middag tot middernacht niet (33.11) Wellicht, zegt de auteur, omdat niezen bij het begin van een activiteit, ons ervan afhoudt ermee verder te gaan (en de periode van middernacht tot de middag is ook een soort begin). In zijn Historia Animalium (I 8) definieert Aristoteles niezen kernachtig als πνεύματος ἀθρόου ἔξοδος (“het naar buiten komen van een plotse ademstoot”) en voegt eraan toe dat het de enige adem is die “profetisch is en heilig” (οἰωνιστικόν καὶ ἱερόν).

Bepaalde voorspellingen bij niezen, bijvoorbeeld bij Chinese waarzeggers, gebeuren aan de hand van het tijdstip van de niesbui

De voorspellende kracht van het niezen gaat terug tot het verre verleden. Het oudste voorbeeld vinden we bij Homerus in het 17de boek van de Odyssee, waar Penelope aan de varkenshoeder Eumaios vraagt om de bedelaar (die ze niet heeft herkend) aan haar voor te stellen, en eindigt met de wens dat Odysseus zou terugkeren en met zijn zoon de vrijers zou straffen voor hun wangedrag.

ὣς φάτο, Τηλέμαχος δὲ μέγʼ ἔπταρεν, ἀμφὶ δὲ δῶμα
σμερδαλέον κονάβησε· γέλασσε δὲ Πηνελόπεια,
αἶψα δʼ ἄρʼ Εὔμαιον ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ἔρχεό μοι, τὸν ξεῖνον ἐναντίον ὧδε κάλεσσον.
οὐχ ὁράᾳς ὅ μοι υἱὸς ἐπέπταρε πᾶσιν ἔπεσσι;
τῷ κε καὶ οὐκ ἀτελὴς θάνατος μνηστῆρσι γένοιτο
πᾶσι μάλʼ, οὐδέ κέ τις θάνατον καὶ κῆρας ἀλύξει. (Od. XVII, 541-547)

“Toen zij die woorden gesproken had, niesde Telemachos luid, waardoor het huis geweldig galmde. Penelope lachte, richtte zich dus tot Eumaios en sprak de gevleugelde woorden: “Maar ga nu toch en roep de vreemdeling nu meteen bij mij! Zie je dan niet dat mijn zoon heeft geniesd bij al wat ik net zei? Dus zal de dood voor de vrijers nu zeker een realiteit zijn, niemand uitgezonderd: geen man zal zijn doodslot ontlopen!” (vertaling G.W.J.Janssen)

Afbeelding op een Attische vaas van Penelope bij haar zoon Telemachos

Ook in de Homerische hymne voor Hermes wordt Apollo’s karakterising van de kleine dief, die zijn runderen heeft gestolen, bevestigd, eerst door een flinke wind (“een dienaar van zijn buik” zegt Homerus eufemistisch) en dan door een niesbui.

Een vergelijkbare situatie vindt men in Xenophons Anabasis (III.2.9). Xenophon raadt in een speech de soldaten aan om zich terug te trekken. Op dat moment gaat iemand aan het niezen. Als de soldaten dit goede voorteken horen, knielen ze als één man neer en vereren ze Zeus Sôtêr, die dit goede voorteken gestuurd had. Hier komt het Ζεῦ σῶσον uit het begin terug, want dat is natuurlijk waarop “Zeus Sôtêr” hier alludeert.

Xenophon gaat hierop in en zegt “Aangezien er, juist toen we het woord “redding” uitspraken, een voorteken van Zeus is verschenen stel ik voor dat dat we een gelofte afleggen dat we aan Zeus de redder dankoffers zullen brengen zodra we zijn aangekomen in een bevriend land.” Iedereen is akkoord met dit voorstel. In beide gevallen, in de Odyssee en bij Xenophon, geldt het motto “het is beniesd, dus is het waar”. Niezen als bevestiging van wat iemand gezegd heeft, is goed geattesteerd in het Nederlands en in het Duits.

Plutarchus beschrijft een gelijkaardig voorval in zijn vita van Themistokles (13.2) : drie zonen van Xerxes‘ zuster Sandauke werden voorgeleid als krijgsgevangenen. Op dat moment schoot een groot schitterend vuur omhoog uit de offerdieren en tegelijk hoorde men genies van rechts. De ziener Euphrantides greep Themistokles bij de hand en verplichtte hem, tegen zijn zin, maar met steun van het leger, om de drie te offeren aan Dionysos Omestes “de rauw-vlees-eter”. Want zo zou Griekenland worden gered en de overwinning worden verzekerd. Wat dan ook effectief gebeurde in Salamis op diezelfde dag.

20ste eeuwse tekening van de Atheense generaal Themistocles die een mensenoffer brengt vlak voor de Slag bij Salamis

Niezen als positief en negatief teken

In een gedicht van Catullus (XLV) bevestigt Amor de liefdesverklaring van Septimius en Acme door te niezen van links en van rechts (sinistra ut ante dextra sternuit approbationem) voor elk van de twee geliefden. Zo niest Amor ook bij de geboorte van Propertius‘ latere geliefde, een argutum omen (Elegiae II 3.24). In Theocritus‘ zevende idylle zijn het de erôtes die door te niezen de liefde van Simichidas voor Myrtô bevestigen.

Eerder uitzonderlijk kan niezen ook een negatief voorteken zijn, bijvoorbeeld als men niest op het kerkhof, zoals in dit gedichtje (Anthologia Palatina XI 375), waarbij de wens van de dichter, die zijn vrouw beu is, wegwaait in de wind :

Ἔπταρον ἄγχι τάφοιο καὶ ἤθελον αὐτόθ᾿ ἀκοῦσαι
οἷαπερ ὠισάμην, μοῖραν ἐμῆς ἀλόχου.
῎Επταρον εἰς ἀνέμους· ἄλοχον δέ μοι οὔ τι κιχάνει
λυγρὸν ἐν ἀνθρώποις, οὐ νόσος, οὐ θάνατος.

Ik niesde bij een graf. En ik wilde onmiddellijk horen
wat ik aan het bedenken was, de dood van mijn vrouw.
Maar ik heb in de wind geniesd. Mijn vrouw werd niet getroffen
door iets ergs onder de mensen, geen ziekte en geen dood.

De twee mogelijke interpretaties worden beschreven door Plutarchus in diens De genio Socratis (581B). Volgens sommigen, aldus Plutarchus, was het fameuze daimonion van Socrates eigenlijk een niesbui. Als iemand voor of achter hem niesde van rechts, dan schoot hij in actie (ὁρμᾶν ἐπὶ τῆν πρᾶξιν), als het geluid van links kwam, dan bleef hij af (ἀποτρέπεσθαι). Als hijzelf niesde, dan bevestigde de niesbui zijn beslissing, maar als hij niesde als zijn actie begonnen was, dan was dat een slecht teken en hield hij ermee op. Positief en negatief vallen hier (natuurlijk) samen met rechts en links.

Deze goddelijke inspiratie van het niezen was ook nog bekend aan Origenes in de 3de eeuw n.C.. In zijn Contra Celsum (4.94) commentarieert hij de beroemde passage uit de Odyssee als volgt “Als wij mensen niezen, dan niezen we omdat er in onze ziel een goddelijk en profetisch element aanwezig is”. Maar (vanzelfsprekend) staan de kerkvaders kritisch tegenover dit soort superstities. Zo vindt Augustinus (De doctrina christiana II 21 (78)) het maar niks dat sommige mensen terug in bed kruipen als ze moeten niezen bij het aantrekken van hun schoenen. Geloof in de voorspellende kracht van niezen wordt zelfs expliciet veroordeeld op het Concilie van Lestines in 743 n.C.

Niezende lampen

Niet alleen mensen kunnen niezen, maar ook een lamp. Het Grieks gebruikt inderdaad hetzelfde werkwoord πταίρω voor een lamp of kaars die sputtert In een epigram van de verder onbekende dichter Marcus Argentarius (Anthologia Palatina VI 633) is dit ook een gunstig voorteken voor de geliefden.

ἤδη, φίλτατε λύχνε, τρὶς ἔπταρες. ἦ τάχα τερπνὴν
εἰς θαλάμους ἥξειν Ἀντιγόνην προλέγεις·
εἰ γάρ, ἄναξ, εἴη τόδ᾿ ἐτήτυμον, οἷος Ἀπόλλων
θνητοῖς μάντις ἔσῃ καὶ σὺ παρὰ τρίποδι

Liefste lamp, je hebt nu al drie keer geniesd. Voorspel je
misschien dat de verrukkelijke Antigone naar de bruidskamer zal komen?
En als dat, meneer, waar zou zijn, dan zal ook jij zoals Apollo
naast de drievoet staan en een ziener zijn voor de mensen.

Europese kaart van “Hatsjoe”

Tot slot biedt niezen vandaag de dag nog heel wat inspiratie om creatief met historisch onderzoek om te gaan. Zo zijn er kaartenmakers die de fonetische manier waarop niezen in verschillende landen (en dus talen) gebeurt op een kaart afbeelden, maar evengoed wordt op sociale media, bijvoorbeeld Instagram, met de hulp van artificiële intelligentie, de betekenis van het niezen als religieus teken in het oude Griekenland in een filmpje gegoten.

Lees meer

Aronson, Stanley, “The Origins of the Sneeze: Divine Gift or Mere Goldenrod Pollen?”, Rhode Island medical journal 96 (2013), pp. 10-11.
Mayhew, Robert, “Sacred Sneezes in Aristotle, Historia animalium I 11 and [Aristotle], Problemata physica XXXIII 7 & 9”, Erga-Logoi. Rivista di storia, letteratura, diritto e culture dell’antichità 11.1 (2023). https://doi.org/10.7358/erga-2023-001-mayr
Pease, Arthur Stanley, “The Omen of Sneezing”, Classical Philology 6.4 (1911), pp. 429–43.
van der Horst, Pieter W., “The Omen of Sneezing” Ancient Society 43 (2013), pp. 213–21.

Coverafbeelding: adaptatie van een tekening (een afbeelding van een Attische rode-figuur skyphos uit het Museo Archeologico Nazionale, Chiusi, inv. 62705) van Penelope bij haar zoon Telemachos bij het weefgetouw, uit A. Furtwangler & K. Reichhold, Griechische Vasenmalerei: Auswahl hervorragender Vasenbilder, München 1921, pl. 142 (Public Domain)

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/feed/ 0 2865
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163