Caligula Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/caligula/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Fri, 17 Jan 2025 14:12:19 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Caligula Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/caligula/ 32 32 136391722 Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/ https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/#respond Sun, 17 Nov 2024 16:24:08 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2625 Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. In dit artikel bieden we een overzicht van het panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners.

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
In this world nothing can be said to be certain, except death and taxes”. De gevleugelde woorden van Benjamin Franklin worden bevestigd door documenten die in 1789 nog niemand kon lezen. Sumerische en Egyptische teksten uit het 3de millennium v.C. tonen hoe staten al bij het begin van de geschiedenis inkomsten verzamelden. Alle overheden, huidige en historische, staan op dat vlak voor gelijkaardige uitdagingen. De oplossingen kunnen echter sterk uiteenlopen.

Sumerische kwitantie voor stro uit de 21ste eeuw v.C.

Antieke fiscaliteit is een specialiteit van onze Leuvense onderzoekseenheid, en eerder kon u op deze blog al bijdragen lezen over belastingen op bier, olie, begrafenissen en prostitutie. Fiscale hervormingen vormen tevens het onderwerp van mijn nieuwe postdoctorale project ‘FARE‘. Naar aanleiding daarvan bied ik u graag een panorama van diverse antieke belastingen, hun inning en ontduiking, en wat ze ons vertellen over antieke staten en hun inwoners. Hopelijk maakt dat uw volgende aangifte net iets minder pijnlijk, of voelt u zich op zijn minst een beetje verbonden met uw antieke lotgenoten.

“The thunder of world history”

Fiscaliteit doet misschien niet spontaan veel harten sneller slaan (althans niet van degenen die braaf het verschuldigde betalen). Waarom zouden we ons moeten interesseren voor fiscale geschiedenis? Joseph Schumpeter, een van de meest invloedrijke economen uit de 20ste eeuw, verwoordde het als volgt:

“The spirit of a people, its cultural level, its social structure, the deeds its policy may prepare — all this and more is written in its fiscal history, stripped of all phrases. He who knows how to listen to its message here discerns the thunder of world history more clearly than anywhere else.” (Crisis of the Tax State, 1918)

Het “gedonder van de wereldgeschiedenis” dus! Dat klinkt behoorlijk dramatisch, maar belastingen en hun organisatie bieden inderdaad een schat aan informatie over sociale, economische en politieke geschiedenis. Omdat belastingen een constante zijn doorheen de geschiedenis is een historisch perspectief ook relevant voor de organisatie van onze fiscaliteit, en de antieken kunnen ons een en ander leren over hoe of misschien vooral hoe niet belastingen te organiseren.

Enkele misverstanden over belastingen in de Oudheid

Deze munt van keizer Caligula (37–41 n.C.) verwijst naar zijn afschaffing van een verkoopsbelasting. De voorzijde toont — misschien met enig gevoel voor ironie — de vrijheidsmuts

Antieke heersers worden al te gemakkelijk voorgesteld als hebzuchtige tirannen. Echter, zoals keizer Tiberius opmerkte, is het in het belang van een “herder” om zijn schapen te scheren en niet te villen. De documentaire bronnen uit veel gebieden tonen dat antieke staten op binnenlands vlak stabiele boven maximale inkomsten verkozen. Autocratische regimes beloven bovendien vaak een lager belastingtarief om te compenseren voor een gebrek aan vrijheid. Dat idee gaat al terug tot de Franse filosoof Montesquieu en lijkt haar bevestiging te vinden in de lagere belastingtarieven in het Perzische en Romeinse Rijk. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat deze staten minder in oorlogsvoering moesten investeren. Maar het is misschien geen toeval dat Finland met een van de hoogste belastingen ter wereld steevast op nummer 1 eindigt in het World Happiness Report.

Een ander misverstand is dat antieke economieën “primitief” waren en grotendeels gebaseerd op ruilhandel. Niets is minder waar, en antieke staten begonnen al vroeg belastingen te innen in edelmetaal. In Babylonië vinden we in de ‘Ur-III’-periode (late 3de millennium v.C.) al een belasting op vee in zilver, en in Egypte een gelijkaardige taks geïnd van vissers in het 2de millennium v.C. In de loop van het 1ste millennium v.C. wonnen belastingen in cash echt aan belang doorheen het hele Middellandse Zeegebied en Mesopotamië.

Een lappendeken aan verschillende belastingen

De basis van de meeste hedendaagse staatsfinanciën is de algemene inkomstenbelasting. Ondanks indrukwekkende bureaucratieën had geen enkele antieke staat daarvoor de infrastructuur en de informatie. Om die reden werd er ook vaak een beroep gedaan op lokale elites zoals priesters en op belastingpachters. Aangezien alle antieke beschavingen landbouwsamenlevingen waren, hadden de meeste staten een vorm van belasting op het land. Vaak ging het om 10% van de oogst, maar bijvoorbeeld in Ptolemaeïsch Egypte lag het (variabele) tarief veel hoger. Land dat toebehoorde aan invloedrijke tempels werd vaak minder belast, in Babylonië onder de Perzen bijvoorbeeld maar aan 3%. Degenen wiens hoofdberoep een ambacht of een dienst was, waren doorgaans onderworpen aan een professionele taks. Ook op dat vlak liepen de modaliteiten uiteen, maar de hoogst bekende belasting was die in de Griekse stad Byzantion, waar bepaalde groepen een derde van hun inkomsten moesten afdragen.

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honingNico Dogaer | OUDE GESCHIEDENIS

Scène uit het graf van de Egyptische vizier Rekhmire (ca. 1400 v.C.). Vertegenwoordigers van 80 Opper-Egyptische dorpen betalen belastingen in goud, zilver, vee, kleding en honing

In de Oudheid kende men geen algemene btw, maar wel verkoopstaksen, die uiteraard werden doorgerekend aan de klant. Die belastingen konden zowel algemene markt-taksen als specifieke belastingen zijn, bijvoorbeeld op de verkoop van gladiatoren in het Romeinse Rijk. Wie een huis kocht of een ander contract wilde laten registreren, betaalde op veel plaatsen een vorm van registratierechten. Zij die producten wilden invoeren of uitvoeren, een activiteit die makkelijk te controleren viel, waren quasi overal onderhevig aan douane- en tolheffingen. Dit soort taksen was in vredestijd de belangrijkste bron van inkomsten voor zowel de Griekse stadstaten als de vroeg-Romeinse Republiek. Zo vermeldt Strabo de spreekwoordelijke domheid van de inwoners van Cumae, die pas 300 jaar na de stichting van de stad douanerechten verpachtten:

[…] κατέσχεν οὖν δόξα ὡς ὀψὲ ᾐσθημένων ὅτι ἐπὶ θαλάττῃ πόλιν οἰκοῖεν. (Strabo XIII, 3, 6)
[…] aldus kregen ze de reputatie een volk te zijn dat pas laat doorhad in een stad bij de zee te wonen.

Een type taks dat vandaag omstreden is, en bijvoorbeeld een groot twistpunt vormt in de Belgische regeringsvorming, is de vermogensbelasting. In de Oudheid was het echter een courante praktijk om hogere defensie-uitgaven te compenseren door vermogens aan te spreken. Zo hieven vele Griekse steden in oorlogstijd de zogenaamde eisphora, en de Romeinen in de Republiek het tributum, beide enkel betaald door zij die een bepaald vermogen bezaten. Ook het antieke China kende in de 2de en 1ste eeuw v.C. een vermogensbelasting. Een gerelateerde praktijk is het innen van successierechten, zoals de vicesima hereditatum (“5% van de erfenis”) ingevoerd door keizer Augustus.

Taksen: een heel karwei

Met 833 mogelijke codes lijkt het invullen van de Belgische belastingaangifte misschien veel werk. Maar het kan erger: in de Oudheid moesten veel inwoners fysiek werk verrichten voor de staat. Vooral in het oude nabije oosten en in Egypte vinden we diverse vormen van corvee (waar ons woord ‘karwei’ van afgeleid is), maar ook de Inca’s, Azteken en de oude Chinezen kenden deze praktijk. In België verdween elke vorm van verplichte arbeid met de opschorting van de militaire dienstplicht in 1992. Naast militaire dienst werd corvee vaak gebruikt voor de cultivatie van staatsland, voor publieke bouwwerken (zoals piramides), en vooral voor het onderhoud van het irrigatiesysteem, waar de hele bevolking baat bij had. Na verloop van tijd konden deze verplichtingen worden afgekocht met zilver of geld. In Mesopotamië werd dit al gangbaar in het 2de millennium v.C., wat suggereert dat deze regio al vroeg een echte arbeidsmarkt had.

Reliëf voor de bouw van een tempel in Lagash (ca. 2500 v.C.). Links houdt koning Ur-Nanshe een typische corveemand voor het dragen van aarde boven zijn hoofd

“No taxation without representation?”

Geen belasting zonder vertegenwoordiging was de slagzin van de Amerikaanse revolutie. Ook in de Oudheid speelden taksen vaak een rol in het uitbreken van opstanden, in het bijzonder wanneer de legitimiteit van de veroveraars om te belasten in twijfel getrokken werd. Voorbeelden zijn legio: de vele revoltes in het Perzische rijk, de grote Thebaanse opstand tegen de Ptolemaeën, de Makkabese opstand tegen de Seleuciden, revoltes tegen de Romeinse overheersing, enz. Sommige regimes, zoals het Perzische rijk of de Delisch-Attische Zeebond verbloemden tribuutbetalingen dan ook als “vrijwillige” giften.

Ionische Grieken brengen giften naar de Perzische koning in deze scène uit de Apadana in Persepolis (eerste helft 5de eeuw v.C.)

Taksen kunnen een teken van onderwerping en uitsluiting zijn, zoals ook het geval was bij de beruchte Joodse taks onder de Romeinen. Anderzijds kon het betalen van belastingen net bijdragen tot het vormen van een gemeenschap en lidmaatschap ervan uitdrukken. Dat wordt op pijnlijke wijze duidelijk voor slaven: zij betaalden nergens zelf belastingen, maar de opbrengst van hun arbeid werd belast. In het oude Rome werden sommige taksen, zoals successierechten, enkel van burgers geheven. Lange tijd dacht men dat de Grieken directe belastingen als een teken van tirannie zagen, maar intussen is het duidelijk dat de steden hun burgers wel degelijk belastten. Wel is het zo dat de Atheners publieke goederen in ruil verwachtten, en dat ze veel meer inspraak hadden dan de onderdanen van de grote rijken.

Belastingvrijstelling: een tweesnijdend zwaard

In andere gevallen was het belastingvrijstelling die bijdroeg tot het definiëren van de gemeenschap. In Sparta was er een onderscheid tussen de Spartaanse burgers die militaire dienst leverden en de heloten die belastingen betaalden. Volgens Herodotus waren de inwoners van het Perzische kerngebied vrijgesteld van belastingen. De Romeinse Republiek schafte in 167 v.C. het tributum af, waardoor de belastingdruk verschoof van de burgers in Italië naar de inwoners van de nieuwe provincies. Onderzoekers hebben recent gewezen op de schaduwkant van deze vrijstelling. Omdat de staat en de elites de bijdragen van de burgers niet langer nodig hadden, verloren deze ook hun onderhandelingspositie en na verloop van tijd hun politieke inspraak.

Na de overwinning op de Macedonische koning Perseus in 167 v.C. (hier afgebeeld door Jean-François Pierre Peyron) schafte Rome de voornaamste belasting voor haar burgers af

Andere vrijstellingen werden toegekend als beloning of om machtige groepen aan de staat te binden. Niet zelden ging het daarbij om priesters, en in onze contreien waren bijvoorbeeld druïden vrijgesteld van belastingen. Taksen en vrijstellingen worden vaak gebruikt om het gedrag van mensen te beïnvloeden (social engineering). In een wel heel driest voorbeeld betaalden ongehuwde vrouwen tussen de 15 en 30 jaar oud in het oude China een tijdlang het vijfvoudige voor de hoofdelijke belasting. Met hetzelfde doel had het Romeinse keizerrijk het ius trium liberorum, dat bepaalde vrijstellingen toekende aan ouders van 3 of meer kinderen. In Ptolemaeïsch Egypte waren er dan weer uitzonderingen voor leraars, winnaars in de spelen, sportcoaches en acteurs. Die groepen hadden allemaal een sterke band met de Griekse cultuur, maar Egyptische priesters genoten ook privileges. Winnaars in de spelen kregen ook elders in de Griekse wereld belastingvrijstelling.

Belastingontduiking: een antieke sport?

Papyrus met aangifte tegen de voller Leon voor het ontwijken van de beroepsbelasting (227 v.C.)

Er wordt wel eens gezegd dat belastingontwijking (legaal) of -ontduiking (illegaal) een nationale sport is in België. Hoewel Plato het betalen van belastingen als een kenmerk van de rechtvaardige man beschrijft, en Jezus aanried om de keizer te geven wat de keizer toekwam, proberen mensen al belastingen te ontwijken zo lang als ze geïnd worden, zoals de klacht van de belastingpachter Athenagoras tegen de voller Leon [TM 43303] aantoont. In het bijzonder de papyri uit Egypte staan bol van de listen om belastingen te ontwijken. De Ptolemaeïsche Hierokles, een serie-overtreder, vroeg bijvoorbeeld aan zijn connecties om “brieven te schrijven naar de douanepost, zodat ze hem genereus behandelen” [TM 2386] en de Romeinse wever Tryphon [TM Arch 249] bleef lustig weefgetouwen bijkopen jaren nadat hij omwille van zijn slechtziendheid van belastingen was vrijgesteld. Overtreders moesten wel oppassen voor informanten, die tot een derde van de boete konden opstrijken.

Het waren overigens niet alleen belastingbetalers die achterpoortjes zochten. Een brief van de Romeinse consuls aan de Griekse stad Oropos uit het jaar 73 v.C. toont hoe sommige belastingpachters wel erg creatief met de fiscale wetgeving omgingen. Enkele jaren voordien had de generaal Sulla tempelland in de omgeving van de stad vrijgesteld van belastingen. Toch probeerden de pachters taksen te innen van de tempel van Amphiaraus. Hun argument? Technisch gezien was Amphiaraus een held, en geen volwaardige god. In dit geval besliste de Romeinse staat, op advies van onder andere Cicero, in het voordeel van de priesters. Maar ook in de Oudheid was het dus belangrijk om de kleine lettertjes te kennen!

Lees meer

Girardin, M. (ed.), Fiscalités antiques. Aux origines de l’administration provinciale romaine, Rome, 2023.
Monson, M. and Scheidel, S. (eds.),  Fiscal Regimes and the Political Economy of Premodern States, Cambridge, 2015.
Valk, J. and Soto Marín, I. (eds.), Ancient Taxation: The Mechanics of Extraction in Comparative Perspective, New York, 2021.

Coverfoto: Reliëf van een Romeinse pachtbetaling van de Trierse bevolking uit het Rheinisches Landesmuseum Trier, afkomstig van Wikimedia [CC0 1.0]

Dit project is gefinancierd onder de Marie Skłodowska-Curie Actions (MSCA)

Het bericht Het gedonder van de wereldgeschiedenis, of wat we kunnen leren van antieke belastingen van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/17/11/2024/het-gedonder-van-de-wereldgeschiedenis-of-wat-we-kunnen-leren-van-antieke-belastingen/feed/ 0 2625
Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/#respond Tue, 08 Oct 2019 13:52:34 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1358

In onze reeks 'Quis est?' gaan we op zoek naar het levensverhaal van een markant figuur uit de Oudheid. In deze aflevering komen we uit bij Silbannacus, een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De lijst van bekende Romeinse keizers bevat vele namen, vanuit het principaat dat Augustus in 27 v.C. startte (en voortzette met de Julisch-Claudische dynastie) tot het dominaat waarbij het Keizerrijk door meerdere keizers (augusti en caesares) werd geregeerd. In heel deze lijst komen af en toe ook namen voor van keizers die deze titel opeisten en (meestal slechts voor een korte tijd) als usurpator over een gedeelte van het Romeinse Rijk regeerden, bijvoorbeeld Galba, Otho en Vitellius tijdens het beruchte vierkeizerjaar 69 n.C. Een naam die veel minder bekend is, wegens niet overgeleverd in literaire bronnen, is die van Silbannacus. Wie was deze onbekende Romein die mogelijk het keizerschap opeiste tijdens het midden van de 3de eeuw, een vrij obscure periode in de Romeinse geschiedenis?

Usurpatoren

Een 19de eeuwse illustratie van de overdracht van de keizerskroon door Romulus Augustus aan de Germaanse heerser Odoaker

De laatste keizer – althans van het West-Romeinse rijk – Romulus Augustulus, werd na een heel korte regeertermijn in 476 n.C. afgezet door de Germaanse aanvoerder Odoaker, die zich nadien ook tot koning kroonde en het keizerschap voor de schijn doorgaf aan de toenmalige Oost-Romeinse keizer Zeno. Hiermee eindigt traditioneel een periode die vier eeuwen overspant waarin talloze dynastieën de macht in Rome claimden, afgewisseld met perioden van chaos en anarchie waarin soms voor een heel korte periode een lokale of militaire leider de macht opeiste. Zo’n usurpator was vaak geen lang leven beschoren, aangezien het succes van de revoltes vaak afhing van de (militaire) back-up van de heerser in kwestie en de heersende of daaropvolgende keizer meestal geen medelijden toonde met zo’n overwonnen rebel.

Naast het reeds genoemde drietal van het vierkeizerjaar verging het bijvoorbeeld de beruchte Elagabalus net zo.  Hij heerste gedurende vier jaar, maar werd uiteindelijk ook door de Praetoriaanse Garde vermoord. Nog minder succesvol verging het Nymphidius Sabinus, de prefect van diezelfde garde, die na Nero’s dood de keizerstroon dacht te kunnen claimen als de niet-erkende zoon van Caligula. Hij werd namelijk jammerlijk door zijn eigen garde van het leven beroofd toen Galba Rome zou intreden.

Gravure in een medaillon van Julius Nepos, de laatste gelegitimeerde keizer van het West-Romeinse Rijk

Andere minder bekende figuren die in de plooien van de Romeinse keizergeschiedenis belandden waren bijvoorbeeld Avidius Cassius, de gouverneur van Syria, die in 175 n.C. zelfs nadat het gerucht dat hij had gehoord over de dood van keizer Marcus Aurelius niet waar bleek te zijn, toch zijn onsuccesvolle revolte voortzette. Sommige anderen werden nooit aanvaard door de Senaat als wettige keizer of slaagden er slechts in om een gedeelte van het rijk onder controle te krijgen, vaak dan nog voor een korte tijd. Tot slot probeerde Julius Nepos om als heerser in ballingschap in Dalmatia de keizertitel opnieuw op te eisen, nadat de eerder genoemde Odoaker de macht had gegrepen in Rome, maar ook die poging liep slecht af toen hij in 480 werd gedood door zijn eigen soldaten.

Bekende succesvolle en gelegitimeerde usurpatoren waren onder meer Septimius Severus en Constantijn de Grote die beiden door hun eigen leger tot keizer werden uitgeroepen. Een constante factor in hun greep naar de macht (naast de militaire ondersteuning) was het legitimeren van hun keizerschap. Dat gebeurde op verschillende manieren, bijvoorbeeld door bouwactiviteiten op te zetten of hun eigen munten te laten slaan, waarbij hun keizerschap via allerlei symbolen refereerde aan de Romeinse goden, hun voorgangers als keizers of hun vergoddelijkte status (na hun dood). Beiden regeerden respectievelijk 18 en 31 jaar over het rijk en werden opgevolgd door hun eigen dynastie.

De mysterieuze munten

De zilvermunt van Silbannacus uit het British Museum

Al deze voornoemde keizers zijn ons niet alleen bekend uit de literaire bronnen, maar ook uit opschriften, munten en andere archeologische overblijfselen. Toen in 1937 echter het British Museum in bezit kwam van een zilvermunt (een antoninianus), gekocht van een Zwitserse handelaar die beweerde dat de munt gevonden was in de Franse regio Lorraine, wisten onderzoekers niet wat ze zagen. Op de voorzijde van de munt was namelijk te lezen:

IMP MAR SILBANNACVS AVG

Deze keizer Mar() Silbannacus stelde de specialisten voor een raadsel. Geen keizer met deze naam is ons bekend uit de bronnen en gedacht werd dat het hier misschien om een verkeerde spelling van de naam Silvannacus of Silvaniacus zou kunnen gaan, maar zelfs in dat geval was er geen keizer met die naam gekend. De keerzijde, met daarop de goden Mercurius en Victoria (met een caduceus of olijfkroon en de begeleidende tekst “VICTORIA AUG”) afgebeeld, gaf geen verdere hints over de oorsprong van deze munt. Geopperd werd dat het om de muntslag van een usurpator, tussen de duistere jaren 238 en 260 n.C., zou kunnen gaan, maar zekerheid over de historiciteit van Silbannacus was er niet.

Dit duurde tot in 1996 een tweede munt met dezelfde keizersnaam opdook bij een Franse specialist. Ook deze zilvermunt zou uit Frankrijk afkomstig zijn en werd enkele jaren eerder gevonden in de buurt van Parijs. De voorzijde van deze munt was identiek aan de eerste, maar de keerzijde bevatte ditmaal de god Mars (en de tekst “MARTI PROPVGT”). Dit leidde de onderzoekers naar keizer Aemilianus die in 253 n.C. een drietal maanden regeerde en dezelfde achterzijde met de oorlogsgod (“de Verdediger”) voor een munt had gebruikt. Was het eindelijk duidelijk dat de Silbannacus vermeld op deze mysterieuze munten een usurpator was tijdens dat chaotische jaar waarin verschillende opstanden plaatsvonden en keizers regeerden?

Zilveren Antoninianus van Aemilianus, met op de achterzijde Marti Propugt (Propugnatori), Mars de Verdediger

Silbannacus, de onbekende keizer?

De naam Mar() Silbannacus zorgt nog voor wat meer mysterie. Zelfs als het hier om een verkeerde spelling zou gaan, lijkt er een mogelijke connectie te zijn met de god Silvanus, een Romeinse godheid van de bossen die mogelijk van een Etruskische godheid afstamt. Ook het suffix -acus, dat op een Keltische etymologie duidt, versterkt het vermoeden dat we de achtergrond van Silbannacus in Noord-Italië (waar Kelten en Etruskische invloeden overlapten) moeten zoeken. De andere afkorting MAR() kan een afkorting zijn van de naam ‘Marinus’, ‘Marius’ or ‘Marcius’, aangezien het minder gangbaar was om een praenomen – ‘Marcus‘ in dat geval – te gebruiken op de muntslag. Ook hier blijven we achter hangen bij vermoedens, aangezien geen van deze families uit de 3de eeuw ons bekend zijn uit andere bronnen.

De antoniniani of verzilverde munten (gedevalueerd tot brons tijdens de ‘Crisis van de derde eeuw’) waren gangbaar in deze periode en ook de afbeeldingen op voor- en keerzijde geven weinig hints over de datering ervan. In het midden van deze eeuw vinden we op zo goed als alle munten een afbeelding van de keizer met een gelijkaardige kroon, maar dit leidde niet tot een exactere datering.

Buste van keizer Philippus I Arabs

Buste van keizer Decius

Uiteindelijk blijft de theorie van een usurpator de meest gangbare, althans tot we mogelijk ooit meer bronmateriaal vinden. Twee mogelijkheden werden daarbij het vaakst geopperd. Ten eerste, dat Silbannacus opereerde als een militaire leider in Germania Superior nabij het Rijngebied. Eutropius (IX.4) beschrijft een burgeroorlog in Gallia, mogelijk tijdens de regering van keizer Philippus I Arabs (244-249 n.C.) of meer waarschijnlijk tijdens die van keizer Decius (249-251 n.C.), waarbij Silbannacus dan mogelijk kortstondig het keizerschap zou hebben geclaimd.

De ontdekking van de tweede munt en ook de alternatieve lezing van Eutropius’ burgeroorlog in Galatia maken de tweede theorie plausibeler: de munt van Silbannacus zou dan in Rome geslagen zijn na een korte periode van opstand tussen de strijd om de troon in 253 n.C. Die was al begonnen toen in 251 n.C. keizer Trebonianus Gallus Aemilianus als bevelhebber van de legertroepen naar de Donau stuurde om daar de Gothen te bevechten (Zosimus, I.28.3). Aemilianus won daar een belangrijke veldslag in de zomer van 253 n.C. en zijn soldaten riepen hem vervolgens uit tot keizer. Daaropvolgend stuurde Trebonianus een andere legerleider Valerianus – later bekend als keizer Valerianus I – erop uit om Aemilianus vanuit zijn provincie tegen te houden, maar dit gebeurde te laat, waardoor Aemilianus intussen al in Rome de macht had overgenomen. Valerianus had zich intussen ook aan de Rijn door tot keizer laten uitroepen, waardoor Aemilianus zich genoodzaakt zag met zijn soldaten tegen Valerianus op te trekken. Zoals eerdere voorbeelden werd Aemilianus door zijn eigen soldaten vermoord en kon Valerianus als nieuwe keizer naar Rome trekken. Tijdens deze gebeurtenissen zou onze Silbannacus de macht hebben overgenomen in de hoofdstad van het rijk, om uiteindelijk toch door de troepen van Valerianus te worden afgezet en waarschijnlijk vermoord. Hypothetisch zou Silbannacus zelfs een bevelhebber onder het commando van Aemilianus kunnen zijn geweest die dan zelf de macht in Rome opeiste tijdens diens afwezigheid of na diens dood.

Conclusie

Welke hypothese de juiste is, is moeilijk te bevestigen zonder bijkomend bronnenmateriaal. Het lijdt weinig twijfel dat indien Silbannacus zich tot keizer liet uitroepen – en daar duiden de twee munten toch op – dit waarschijnlijk slechts als usurpator voor een korte periode zal zijn geweest tijdens de turbulente crisisperiode in het midden van 3de eeuw. Dat hij dan meer dan waarschijnlijk op een niet al te vredevolle manier aan zijn einde zal zijn gekomen, hetzij door de troepen van Philips I Arabs, Decius, Valerianus I of misschien zelfs zijn eigen soldaten, lijkt eveneens een aannemelijk scenario. De rest blijft, net zoals zijn munten, voorlopig een mysterie…

Lees meer

Christol, M., L’Empire romain du IIIe siècle. Histoire politique, 192-325 après J.-C., Paris, 1997.

Estiot, S., ‘L’empereur Silbannacus. Un second antoninien,’ Revue numismatique 151, 1996, pp. 105-117.

Mattingly, H., Sutherland, C., Carson, R. (ed.), The Roman imperial coinage, vol. 4: Pertinax – Uranius Antonius, Londen, 1986.

BBC History Extra: https://www.historyextra.com/period/roman/silbannacus-the-roman-emperor-that-time-forgot/

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van het object ‘radiate coin of Silbannacus’ in het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0) 

Het bericht Quis est? Silbannacus, een onbekende Romeinse keizer of usurpator? van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2019/quis-est-silbannacus-een-onbekende-romeinse-keizer-of-usurpator/feed/ 0 1358
Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/ https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/#respond Fri, 13 Jul 2018 15:35:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=945 "Ball Players" in het National Archeological Museum in Athene.

Waar en wanneer is voetbal eigenlijk ontstaan? Voor zover bekend kwam het voetbal zoals wij dat kennen pas door de standaardisering van de spelregels in de tweede helft van de 19de eeuw in Groot-Brittannië tot stand. In het oude China, Griekenland en Rome zouden echter reeds vroege vormen van voetbal bestaan hebben. Voetbal in de Oudheid: feit of fabel?

Het bericht Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
"Ball Players" in het National Archeological Museum in Athene.

Het WK voetbal in Rusland nadert stilaan zijn hoogtepunt, al is voor ons Belgen de kans verkeken op de wereldtitel. De Fransen bleken in de halve finale met 1-0 net te sterk voor onze Rode Duivels. Spijtig, al staat zaterdag wel nog de kleine finale op het programma, met de derde plaats als inzet. Met de overwinning op Brazilië schreef onze nationale ploeg trouwens alvast voetbalgeschiedenis, daar is iedereen het over eens. Maar over geschiedenis gesproken: waar en wanneer is voetbal eigenlijk ontstaan? Voor zover bekend kwam het voetbal zoals wij dat kennen pas door de standaardisering van de spelregels in de tweede helft van de 19de eeuw in Groot-Brittannië tot stand. In het oude China, Griekenland en Rome zouden echter reeds vroege vormen van voetbal bestaan hebben, zo is onder meer te lezen op de website van de FIFA, de wereldvoetbalbond. Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? Tijd om de geschiedenis van het voetbal in te duiken en ons te verdiepen in deze populaire sport, die ook de inspiratie vormde voor één van de bekendste wetenschappelijke artikels over de Oudheid.

De vroegste geschiedenis: het oude China

Over de oorsprong van het voetbal heerst heel wat onduidelijkheid, maar de eerste balspelen dateren al van 3000 jaar geleden. Met name in China bestond reeds vanaf de 3de eeuw v.C. een balspel, Tsu-chu of cuju -letterlijk: “met de voet tegen een bal schieten”- genaamd, waarbij een leren, met veren of haren gevulde bal in een doel getrapt moest worden. Dit behendigheidsspel, dat in 2004 door de FIFA officieel erkend werd als de bakermat van het moderne voetbal, maakte oorspronkelijk deel uit van de training van soldaten, maar werd al snel opgepikt als tijdverdrijf door zowel de hogere als lagere klassen. Het werd gespeeld op een rechthoekig veld, met twee teams bestaande uit zes spelers en met aan weerszijden zes putten. Tijdens de Han-dynastie (206 v.C.-222 n.C., dus ongeveer ten tijde van het hellenisme en de vroege Keizertijd) verspreidde het spelletje zich over heel China en tijdens de daaropvolgende eeuwen groeide cuju zelfs uit tot een professionele sport, waarbij voortaan gespeeld werd met een met lucht gevulde bal en twee netten als doel.

Schilderij van Du Jin uit de Ming-dynastie, waarop te zien is hoe dames in elegante gewaden Cuju spelen

Vanaf de 10de eeuw ontstonden in de grote steden ook clubs, waar cuju onderricht werd, en werd een jaarlijks nationaal kampioenschap (Shan Yue Zheng Sai) georganiseerd. In het keizerlijk paleis werden ook geregeld wedstrijden gehouden tussen professioneel getrainde spelers op speciaal daarvoor voorziene speelvelden (Zhu Qiu). Deze vonden niet enkel plaats om de keizer en zijn entourage te vermaken, maar ook om belangrijke gelegenheden zoals de verjaardag van de keizer luister bij te zetten. Ook vrouwen namen overigens deel aan het spel, want op een schilderij daterend uit de Ming-dynastie (circa 1400-1500) zien we enkele hofdames, gekleed in elegante gewaden, een bal heen en weer trappen.

Een bijzondere archeologische vondst

Cover van FIFA News met de grafsteen van Gaius Laberius

Ook bij de Grieken en Romeinen waren balspelen populair, vooral in latere tijden. De oudste afbeelding van een voetbalspeler zou zelfs te vinden zijn op een Romeinse grafsteen uit de 1ste of 2de eeuw n.C., die gevonden werd in het Kroatische dorpje Sinj, niet ver van Split. In 1969 haalde deze grafsteen zelfs de voorpagina van het ‘FIFA News’-magazine met de kop ‘Archaeology and football‘. Volgens het bijhorend artikel, dat zich baseerde op de bevindingen van Josip Britvić, een lokale amateurarcheoloog, zou de grafsteen het bewijs zijn dat een vroege vorm van voetbal reeds van oudsher gespeeld werd in Dalmatië, het huidige Kroatië. Op de grafsteen is inderdaad een jongen afgebeeld met een bal met zeshoekige vlakken in zijn handen. Volgens het bijhorende opschrift stierf het jongetje, dat Gaius Laberius heette, reeds op zevenjarige leeftijd, tot groot verdriet van zijn moeder (TM 185762). Of dit betekent dat de oorsprong van het voetbal inderdaad in Kroatië moet worden gezocht, zoals Britvić beweert, laat het artikel in het midden, maar de grafsteen is om deze reden wel één van de attracties van Sinj en heeft zelfs een eigen Twitter-account (@GaiusLaberius).

Gezien de grootte van de bal wordt de grafsteen door onderzoekers echter eerder in verband gebracht met harpastum, een balspel dat bijzonder populair was in het hele Romeinse Rijk en zich vermoedelijk ontwikkelde uit phaininda of episkyros, twee Griekse balsporten die in ploeg gespeeld werden. Ook deze werden in het verleden overigens beschouwd als voorlopers van het moderne voetbal, voornamelijk op grond van de afbeelding van een episkyros-speler op een Attische vaas uit de 4de eeuw v.C. Het gaat hier om een jonge atleet, die als onderdeel van zijn training een bal laat balanceren op zijn opgetrokken rechterdijbeen, een houding die doet denken aan die van een voetbalspeler. Geen wonder dus dat deze “Maradona” in 1994 op Griekse postzegels prijkte als voorouder van een moderne voetbalspeler.

Griekse postzegel gemaakt voor het WK 1994 met afbeelding van de Episkyros-speler

Balspelen, goed voor de gezondheid?

De Grieks-Romeinse arts Galenus schreef een volledig werk over oefeningen met de kleine bal: De parvae pilae exercitu

Al waren balspelen dus wel degelijk populair in de Griekse wereld, niet enkel bij kinderen (zowel jongens als meisjes), maar ook bij atleten als onderdeel van hun training, toch tonen de schaarse geschreven bronnen aan dat de bal bij dergelijke spelen niet werd getrapt, maar gegooid. Sterker nog, de bekende Grieks-Romeinse arts Galenus raadde in de 2de eeuw n.C. in zijn werk ‘Oefeningen met de kleine bal’ balspelen zelfs aan als de ideale sport voor een gezond lichaam, want “het harde gooien van een bal over een vrij lange afstand, waarbij de benen weinig of zelfs helemaal niet gebruikt worden, oefent het bovenste gedeelte van het lichaam. Het zo ver mogelijk gooien van een bal na een lange, snelle loop, waarvoor weinig worpen nodig zijn, oefent het onderlichaam” (De parvae pilae exercitu 4).

In de Romeinse wereld genoten balspelen overigens een bijzonder grote populariteit, niet alleen bij de gewone bevolking, maar ook bij vooraanstaande politici en keizers zoals Caligula. Onder de ruim 10 000 teksten die werden teruggevonden in Pompeï, de stad die in 79 n.C. bedolven werd door de uitbarsting van de Vesuvius, vinden we onder meer het volgende opschrift: Epaphra philicrepus non est (“Epaphra is niet goed in balspelen”; TM 524723). Niet alleen op straat, maar ook in de publieke badhuizen werd overigens geregeld gebald, zoals blijkt uit archeologische vondsten in Pompeï en Herculaneum en uit de geschreven bronnen. Daarbij kon het er hevig aan toegaan: in de Digesta, een verzameling geschriften van Romeinse rechtsgeleerden, wordt melding gemaakt van een jonge slaaf die door één van de spelers ruw uit de weg werd geduwd en daarbij zijn been brak (9.2.52.4). Een andere slaaf had nog minder geluk: hij kwam om het leven tijdens een scheerbeurt omdat de barbier getroffen werd door een verdwaalde bal (9.2.11). Cave pilam, “Pas op voor de bal!”, het weerklonk ongetwijfeld regelmatig in de straten van Rome…

Apopudobalia – apo-wat?

Toen in 1996 het eerste deel verscheen van Der Neue Pauly, Enzyklopädie der Antike (één van de belangrijkste naslagwerken voor de Klassieke Oudheid), stelden heel wat historici zich vragen bij de bijdrage ‘Apopudobalia’, geschreven door de jonge Duitse academicus Mischa Meier. Hierin wordt immers een antieke vorm van voetbal, gekend uit de Grieks-Romeinse Oudheid, beschreven, evenals de bronnen waarin deze sport vermeld wordt. Bestond voetbal in de Oudheid dan toch? Het duurde echter niet lang voordat een artikel verscheen in The Petronian Society Newsletter 28 (1998), waarin niet minder dan zes fouten geïdentificeerd werden door de auteurs, waaronder de spelling van de Griekse auteur Achilles Tatius als Achilleus Taktikos en de datering van enkele bronnen. Een vervolgartikel van de hand van Werner Hübner in de volgende editie van The Petronian Society Newsletter maakte echter snel duidelijk dat Meier de naam van de Griekse auteur met opzet verkeerd had geschreven, want het artikel was als grapje bedoeld en dus van begin tot eind verzonnen (tot zelfs de twee bibliografische referenties toe: “A. Pila” verwijst naar bal in het Latijn en “B. Pedes” naar voeten, samen dus voetbal). Door tijdsnood en publicatiedruk was het fictieve artikel (in het Duits ‘U-Boot’) echter onopgemerkt gebleven en in druk verschenen. Gevraagd naar de reden waarom hij het artikel had verzonnen, zei Meier in een online interview in 2010:

Es war ein spontaner Einfall.

Al snel kwam aan het licht dat het artikel “nur ein lustiger Scherz war”, maar het grapje had Meier duur te staan kunnen komen: de uitgeverij dreigde er in eerste instantie mee alle drukken terug te laten roepen en de kosten op hem te verhalen, maar zag hier vanaf toen bleek dat de meeste onderzoekers het grapje wel konden waarderen. Voor wie het zich trouwens afvraagt: het artikel is ondertussen beroemd geworden en de auteur, Mischa Meier, is professor oude geschiedenis aan de universiteit van Tübingen. Eind goed, al goed!

Meer lezen?

W. Behringer, Kulturgeschichte des Sports: vom antiken Olympia bis ins 21. Jahrhundert, München 2012.
H.A. Harris, Sport in Greece and Rome, New York 1972, p. 75-111.
M. Meier, “Scherzeinträge in Lexika: Von Steinläusen und Kurschatten“, spiegel.de, 7 maart 2010.
S. Remijsen en W. Clarysse, “Balspelen” en “Sport in het oude China”, http://ancientolympics.arts.kuleuven.be.

Coverfoto: “Ball Players”, een marmeren reliëf uit het National Archeological Museum in Athene, foto genomen door Giovanni (CC-SA 2.0) op Wikimedia.

Het bericht Voetbal in de Oudheid: feit of fabel? van Sofie Waebens verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/13/07/2018/voetbal-in-de-oudheid-feit-of-fabel/feed/ 0 945
Waren de Romeinen koppensnellers? https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/#comments Fri, 09 Feb 2018 15:48:10 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=506 051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de "beschaafde" wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
051_Conrad_Cichorius,_Die_Reliefs_der_Traianssäule,_Tafel_LI

Verhalen over rituele, politieke of zelfs kannibalistische onthoofdingen vullen de verslagen van historiografen uit het verleden, waarbij ze het vaak hebben over volkeren ver weg, die niets te maken hebben met het ontwikkelde doelpubliek waarvoor ze hun verhalen schreven. Onthoofdingen kwamen echter vaker voor in de “beschaafde” wereld dan we soms denken, maar waren de Romeinen echte koppensnellers?

Decebalus en Trajanus

Grafstèle Tiberius Claudius Maximus waarop tweemaal een halsring (torquis) en een militaire armband (armilla) zijn afgebeeld

In 89 n.C. sloot keizer Domitianus een vredesverdrag met Decebalus, de nieuwe koning van Dacië, na een oorlog die vier jaar had geduurd. Decebalus werd een socius et amicus, een cliëntkoning van Rome. Als Trajanus in 101 n.C. keizer wordt, ontbrandt een nieuwe oorlog, waarbij de Romeinen voor het eerst de Donau oversteken. Decebalus wordt verslagen, zijn soldaten plegen collectief zelfmoord als de hoofdstad Sarmizegatusa wordt ingenomen. Decebalus ontsnapt eerst nog, maar wordt dan in het nauw gedreven en pleegt op zijn beurt zelfmoord.

De feiten kennen we uit Cassius Dio (68.14.3) en uit de inscriptie van Tiberius Claudius Maximus, de onderofficier (‘duplicarius) die Decebalus had gevangengenomen. Als beloning “quod cepisset Decebalum et caput eius pertulisset ei Ranisstoro” wordt Maximus bevorderd tot decurio en ontvangt hij twee torques et twee armillae. Die laat hij afbeelden op de stele, onder een scène waarin hij te paard toestormt op de stervende Decebalus (herkenbaar aan zijn typisch Thracische helm en zeshoekig schild), die zijn zwaard laat vallen.

De gevangenname van de koning wordt ook afgebeeld op de beroemde zuil van Trajanus in Rome (scène 145).

Decebalus, omsingeld door Romeinse soldaten, staat op het punt zich de keel over te snijden met zijn Dacische kromzwaard (‘falx’).

Maximus preciseert in zijn inscriptie dat hij het hoofd van Decebalus naar Ranisstorum heeft gebracht, waar de keizer ongetwijfeld verbleef; volgens Dio werd het hoofd zelfs naar Rome overgebracht. In 107 n.C. viert Trajanus daar zijn grote triomf, met 123 dagen spektakels, waarbij 11000 dieren en 10000 gladiatoren betrokken waren (Cassius Dio 68.15.1). Bij die gelegenheid ontvangt hij de eretitel ‘Dacicus’, overwinnaar op de Daciërs.

Onthoofding van de vijand en uitstalling van zijn hoofd als trofee is niet alleen een bewijs dat hij fysiek is geëlimineerd, maar ook een symbool van de totale overwinning. Het werd door de Romeinen niet gezien als een barbaars gebruik -zoals wij dat nu aanvoelen bij de gruweldaden van IS– maar als een uitzonderlijke bestraffing (denken we maar aan Catilina of aan de proscripties), zeker in oorlogsomstandigheden. Op de zuil van Trajanus, bijvoorbeeld, tonen niet minder dan zes scènes hoofden van vijanden. Gewoonlijk worden deze hoofden gepresenteerd aan de overwinnaar-opperbevelhebber, in het geval van Decebalus eerst in Dacië zelf, in aanwezigheid van de troepen (scène 147 op de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten[1]), en later nog eens in Rome. Daar werd het, volgens een later Byzantijns historicus, op een piek geplaatst in het midden van de stad, om te eindigen op de ‘scalae Gemoniae’ (in 106 n.C.), de trappen bij de Tarpeïsche rots en het Capitool[2]. Dit was alleen maar mogelijk als het hoofd eerst behandeld was om het te bewaren[3].

Scène 147 van de zuil van Trajanus, waarop het hoofd en de rechterhand van de dode vijand op een schaal worden getoond aan de soldaten

Cicero en Marcus Antonius

19de eeuwse voorstelling op een folio van de moord op Cicero

In 43 v.C. grijpen Marcus Antonius, Octavianus en Lepidus de macht in Rome met het zogenoemde tweede triumviraat, dat officieel wordt bekrachtigd door de ‘Lex Titia’ op 27 oktober. Onmiddellijk worden de voornaamste tegenstanders, niet alleen de Caesarmoordenaars Brutus en Cassius, maar ook een driehonderd vooraanstaande politici die in Rome waren gebleven, buiten de wet geplaatst, en een premie van 25000 drachmen wordt op hun hoofd gezet. Op aandringen van Marcus Antonius komen ook Cicero en zijn broer Quintus en diens zoon op de lijst te staan. Cicero, die op dit moment in Tusculum verblijft, probeert nog te ontsnappen naar Brutus in Macedonië maar wordt op 7 december gevat door een detachement onder leiding van Popilius Laenas en gedood. De episode wordt uitvoerig beschreven door Plutarchus (Cicero 47-49) en Appianus (Historiae 4.19-20). Als Cicero de centurio Herennius ziet naderen, geeft hij zijn slaven bevel zijn draagstoel neer te zetten en steekt zelf zijn nek uit de draagstoel. Als hoofd en hand van Cicero in Rome aan Antonius worden getoond, zegt hij: “laat de proscripties nu maar ophouden”. Het hoofd en de handen (of, volgens andere bronnen, de rechterhand), laat hij op de tribune leggen boven de rostra, een schouwspel dat de Romeinen angst moet aanjagen.

Waren de Romeinen koppensnellers?

“Koppensnellen is het afsnijden en meenemen van iemands hoofd na die persoon te hebben gedood. Dit proces werd in oude tijden in veel culturen toegepast, waaronder China, India, Nigeria, Nurestan, Myanmar, Borneo, Indonesia, de Filipijnen, Taiwan, Japan, Micronesië, Melanesië, Nieuw-Zeeland en het Amazonebekken. Het behoort tot de oudste rituelen ter wereld. (Wikipedia)

Voor de Oudheid wordt dit gebruik zoals gedefinieerd door Wikipedia vaak toegeschreven aan de Kelten, door antieke auteurs, maar ook door moderne geleerden[4]. Dit gaat zover dat passages in Latijnse teksten waar Romeinse soldaten de hoofden van vijanden als trofee meenemen vaak worden toegeschreven aan “hulptroepen” of aan de barbaarse omgeving waarin de militairen verbleven. Wanneer Caesar in 46 v.C. de hoofden van soldaten die een te groot deel van de buit opeisten laat vastspijkeren op de poort van het kamp, beoordeelt Rambaud dit in zijn boek ‘César als “rude maintien de la discipline, utile avec des légionnaires que je crois Gaulois et habitués à chasser des têtes.”

Munt van Marcus Sergius Silus uit de late 2de eeuw v.C.

Maar ook bij de Romeinen was onthoofding van tegenstanders welbekend en in bepaalde situaties wijd verspreid. In 1964 verzamelde J.-L. Voisin een vijftigtal voorbeelden uit literaire teksten (met uitsluiting van onthoofding op basis van een gerechtelijk vonnis), een tiental archeologische getuigenissen, zoals de zuil van Trajanus of de triomfboog van Orange en enkele grafmonumenten van soldaten, en zelfs een munt uit de late tweede eeuw v.C., waar een ruiter zwaait met een afgehouwen hoofd[5].

Het doden van een vijand en het afhouwen van zijn hoofd zijn twee verschillende zaken. Denken we bijvoorbeeld aan David, die Goliath doodt met zijn slinger, en dan pas zijn hoofd afhakt. Iemands hoofd afhakken is geen simpele taak, zelfs niet als die persoon gebonden is en zijn hoofd op een kapblok ligt. Meer dan eens moest de beul zijn bloedig handwerk in meerdere keren voltooien; in die zin was de guillotine eigenlijk humaner dan de bijl. Met een zwaard is het nog moeilijker om in één houw een hoofd af te hakken, zeker als de tegenstander rechtop staat[6]. Uiteindelijk lukt dit alleen in de oudste half-mythologische voorbeelden of met medewerking van het slachtoffer, zoals Caius Cassius, die na de slag bij Philippi “een capuchon over zijn hoofd trok en zonder vrees zijn nek voorhield aan een vrijgelatene” (Vell. Pat. 70, 2).

In de vroege republiek (tot de Punische oorlogen) zijn het bijna uitsluitend buitenlandse vijanden die worden onthoofd, meestal na een tweegevecht. In die periode zijn de killers ook leden van voorname Romeinse families (te beginnen met Romulus): het doden van een vijand brengt roem voor de soldaat en voor zijn familie. Vanaf de tweede eeuw zijn het vooral naamloze soldaten die hoofden afhakken. Dit blijft zo wanneer ten gevolge van de Burgeroorlogen voornamelijk Romeinse burgers slachtoffer worden van die praktijk. De afgehakte hoofden leveren een flinke premie op voor diegene die ze meebrengt (niet altijd de moordenaar) en kan laten zien aan Sulla, Antonius, Caligula of Nero. Galba werd in 69 n.C. vermoord, maar men had zijn lijk laten liggen. Een passerend soldaat hakte het hoofd af en incasseerde de premie[7]. In het geval van Caius Gracchus (121 v.C.) werd als prijs zelfs het gewicht van zijn hoofd in goud uitgeloofd. De moordenaar, Septimuleius, vond er dan niets beter op dan de hersenen uit het hoofd te verwijderen en de schedel op te vullen met lood[8]. Bij zijn campagne tegen de Germanen (278 n.C.) loofde, volgens de ‘Historia Augusta‘ (Probus 14) keizer Probus één goudstuk uit voor elk afgehouwen hoofd.

De hoofden waren belangrijk als bewijs dat een tegenstander wel degelijk was geëlimineerd. Ze waren een symbool van de totale overwinning, waarbij de vijanden werden gedemotiveerd (zoals in het geval van Decebalus of bij de proscripties). Zo liet Caesar bij het beleg van Munda rond de stad een palissade oprichten met de hoofden van de gedode vijanden gericht naar de stad, waar de aanhangers van Pompeius zich hadden verschanst, “zoals de Galliërs dat doen” (Bell. Hisp. 32, 2). In 38 v.C. wordt het hoofd van de Parthische koning Pacorus geshowd in alle steden die van Rome waren afgevallen en zo wordt het gebied zonder strijd heroverd (Florus, Epitome 2, 19, 7). Na Nero’s dood werd hij op eigen verzoek verbrand; daarna stonden nog drie valse Nero’s op; als men zijn hoofd had laten zien, zou dit niet zijn gebeurd. Ook daarvoor dienden de hoofden van usurpatoren wier poging mislukt was, zoals Pescennius Niger (voor de muren van Byzantium door Septimius Severus). Nog in 313 n.C. laat Constantijn het hoofd van Maxentius meevoeren in zijn triomftocht, als een van de grote attracties (Paneg., 10, 31, 4).

Pacorus (voor zijn onthoofding)

Soms wordt het hoofd ook postuum nog mishandeld. Hierbij speelt wraak een rol. Een bekend voorbeeld is Galba, wiens hoofd in 69 n.C. door de knechten en staljongens op de punt van een lans werd rondgedragen in het kamp, terwijl ze riepen “Galba, mijn hartedief, geniet toch van je jeugd.” (Suetonius, Galba 20) De vrijgelatene Patronius kocht het hoofd om het te plaatsen waar zijn patronus eerder door Galba was terechtgesteld.

 

Galba (voor zijn onthoofding)

Onthoofding had ook een religieuze dimensie. Bij een juridische executie kreeg de familie het lichaam en het hoofd terug en kon een normale begrafenis plaatshebben, maar niet bij een onthoofding ter plekke: de dode kan nergens rust vinden.

Koppensnellen was dus wel degelijk een geaccepteerde en zelfs geïnstitutionaliseerde praktijk in het antieke Rome, ook al was ze beperkt tot uitzonderlijke omstandigheden (burgeroorlog en buitenlandse oorlogen) en gericht tegen leiders van de oppositie, niet tegen alle vijanden (zoals blijkbaar bij de Kelten). Wanneer ze toch wordt veroordeeld als een vorm van crudelitas, dan is het omwille van passionele overdrijvingen tegenover de dode. Zo wordt Marcus Aurelius geprezen omdat hij het hoofd van Avidius Cassius, door hem geëist, niet wil zien, terwijl Marius, die in 87 v.C. met overdreven genoegen het hoofd van Marcus Antonius – de grootvader van de gelijknamige triumvir – had beledigd, gebrek aan zelfbeheersing wordt verweten. Hier speelt het motief van het afgehouwen hoofd op de feesttafel een rol: niet alleen bij Herodes met het hoofd van Johannes de Doper of heer Halewijn (“en het hoofd werd op de tafel gezet”), maar ook bij de triumvir Marcus Antonius. Sommigen linken dit zelfs aan kannibalisme. Ook grapjes ten koste van de overleden vijand worden niet geapprecieerd, zoals in het geval van Nero, die lacht met de lange neus van Rubelius Plautus, of Fulvia, de echtgenote van Marcus Antonius, die een speld steekt door de tong van de dode Cicero. Augustus daarentegen laat het hoofd van Brutus, die zelfmoord pleegde na de slag bij Philippi, naar Rome brengen en voor het beeld van de vergoddelijkte Caesar leggen, en dit leek wel aanvaardbaar voor antieke bronnen.

Svedomsky: Fulvia met het hoofd van Cicero

[1] De rechterhand werd ongetwijfeld afgehakt als getuigenis van de trouweloosheid (‘perfidia) van Decebalus, die zijn verbond met Rome had geschonden. Ook in Xenophons ‘Anabasis’ worden hoofd en rechterhand van Kyros na zijn dood in Kynaxa afgehakt (Anabasis 1 10.1).

[2] Dit is waarschijnlijk zelfs overgeleverd op een fragmentje van de ‘Fasti Ostienses’, Inscr. Ital. XIII.1, pp. 198-199 : [caput] Decibali [- –  in sca]lis Gemoni[is iacuit].

[3] En vrij gedetailleerde beschrijving vind men bij Lucanus, Pharsalia, 687-691, betreffende het hoofd van Pompeius, gedood bij zijn landing in Egypte, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“Met een gruwzame ingreep heeft men het bloed uit het hoofd verwijderd en tevens de hersens, de huid wordt gedroogd, men laat rottend vocht uit de binnenste holtes wegstromen en het gezicht maakt men met een inspuiting duurzaam.”

[4] Bv. P. Lambrechts, L’exaltation de la tête dans la pensée et dans l’art  des Celtes, Brugge, 1954.

[5] J.-L. Voisin, Les Romains, chasseurs de têtes, in: Du chatiment dans la cité. Supplices corporels et peines de mort dans le monde antique, Rome 1984, pp. 241-292.

[6] Een gruwelijke illustratie hiervan vindt men bij Lucanus, Pharsalia, 670-674, in de vertaling van P.H. Schrijvers:

“De woeste Septimius ontdekte bij de uitvoering van zijn misdaad (de moord op Pompeius) een nog grotere misdaad:  hij scheurde de toga open, ontblootte het eerbiedwaardig gezicht van de stervende Magnus, grijpt diens nog ademend hoofd en legt de verslappende nek op de zijwaarts geplaatste roeibank. Dan snijdt hij de spieren en aderen door, geruime tijd breekt hij nek en gewichten; er bestond geen kunst van onthoofding met één slag”.

[7] Suetonius, Galba 20: “Galba werd vermoord bij de Curtiusvijver en men liet hem liggen zoals hij lag. Een gewone soldaat, die toevallig terugkwam van de graanbedeling, zette zijn rantsoen op de grond en hakte het hoofd af van het lijk. Omdat er geen haar op stond om het vast te houden, borg hij het hoofd eerst in een plooi van zijn mantel; daarna stak hij zijn duim in de mond en droeg het zo naar Otho.”

[8] Men kan dit in detail lezen bij Plutarchus, C. Gracchus, 17, 5.

Coverfoto: afbeelding ‘Die Reliefs der Traianssäule, Tafel LI’ van Conrad Cichorius (1896) op Wikimedia

Het bericht Waren de Romeinen koppensnellers? van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/02/2018/waren-romeinen-koppensnellers/feed/ 1 506
Welkom op onze blog over Oude Geschiedenis https://www.oudegeschiedenis.be/09/10/2017/welkom-op-onze-blog-over-oude-geschiedenis/ https://www.oudegeschiedenis.be/09/10/2017/welkom-op-onze-blog-over-oude-geschiedenis/#comments Mon, 09 Oct 2017 11:34:58 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=47 © Katelijn Vandorpe

Welkom, welkom, welkom! Deze eerste blogpost is onze uitnodiging naar het brede publiek toe, dat wij met veel plezier verwelkomen in onze wereld, die van de Oudheid. De Oudheid is ook vandaag nooit ver weg, van een computergame zoals de nieuwe Assassin’s Creed tot het Latijn van Bart De Wever.

Het bericht Welkom op onze blog over Oude Geschiedenis van Valérie Wyns verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Beste lezer,

Welkom, welkom, welkom! Deze eerste blogpost is onze uitnodiging naar het brede publiek toe, dat wij met veel plezier verwelkomen in onze wereld, die van de Oudheid.

De Oudheid is ook vandaag nooit ver weg, van een computergame zoals de nieuwe Assassin’s Creed tot het Latijn van Bart De Wever. Net daarom is correcte informatie over deze fascinerende periode van groot belang. Wij, onderzoekers van de Onderzoeksgroep Oude Geschiedenis van KU Leuven, willen jullie daarom ook op de hoogte houden van het meest recente onderzoek in een inzichtelijk en vlot leesbaar formaat.

Nog niet overtuigd, of wil je graag al meer weten? We hebben nog enkele argumenten om zowel het belang als de entertainmentwaarde van ons tijdvak te belichten.

De Oudheid is gekker dan de verhalen

De antieke mythologie met de sfinxen, Hercules en de goden van de Olympus is dan ook wel heel erg interessant, maar de bewoners van ons favoriete tijdvak slaagden er soms in om zelfs die verhaaltjes te overtreffen. Wat denk je van Empedocles (een filosoof uit de 5de eeuw voor Christus) die in een vulkaan zou zijn gesprongen om te bewijzen dat de dood niet bestond? Of keizer Caligula die de zee zou hebben gestraft met zweepslagen, omdat hij het kanaal niet kon oversteken met zijn soldaten om het eiland Britannia in te nemen?

Niet alleen publieke figuren die vandaag nog steeds in onze geschiedenisboeken staan maakten de gekste dingen mee. Wie een beetje sportfanaat is, weet misschien dat vandaag de dag er heel wat problemen ontstaan wanneer een atleet een valse start maakt. Wordt hij uitgesloten of mag hij nog één keer deelnemen? In de Oudheid had men daar een heel eenvoudig antwoord op: wie bij een van de heilige spelen (zoals de Olympische Spelen) een valse start maakte, werd uit de wedstrijd genomen en kreeg er dan nog een flinke portie stokslagen bij. Probleem opgelost.

De Oudheid is verbazend actueel

Leken de mensen in de Oudheid een beetje op ons? Waar hielden ze zich mee bezig en maakten ze zich dezelfde zorgen als wij? Waren er fenomenen als mode, internationale politiek en sociale zorg?

We kunnen gerust stellen dat de gemiddelde Griek, Romein of Egyptenaar vaak dezelfde kopzorgen had als de modale bewoner van de 21ste eeuw. Nee, de wifi was er niet zo goed en roamingkosten maakten niet zo veel uit, maar voor de rest zien we in brieven, archieven en inscripties dezelfde beslommeringen die we vandaag in onze eigen huishoudens zien. We hebben een brief van kleine Dryton wiens vader lang op reis is voor zijn werk en zich afvraagt wanneer papa weer naar huis komt. Een archiefstuk van een Egyptische rechtbank toont de klacht van een vrouw die zegt het slachtoffer te zijn van racisme, omdat ze Egyptisch is. De andere partij is Grieks. Cicero vertelt dat hij en zijn vrienden studeerden aan de universiteit van Athene, waar ook een studentendoop plaatsvond. Hierbij sprongen de eerstejaars in de haven van Piraeus in het water. Een briefje van een Romeinse officiersvrouw werd teruggevonden in het verre Vindolanda -vandaag op de grens tussen Engeland en Schotland- waarin ze een vriendin uitnodigt voor haar verjaardagsfeest.

De documenten en andere overblijfselen die onze voorgangers meer dan tweeduizend jaar geleden achterlieten, blijven moderne historici verbazen, niet in het minst door de tijdloze emoties en zorgen die ze ons nog steeds vertellen. We kunnen net zo goed een spiegel voorhouden.

De Oudheid blijft steeds verrassen

Koelkasten deden hun intrede in de eerste helft van de twintigste eeuw, daarvoor werden echte ‘ijskasten’ gebruikt, waar regelmatig verse blokken ijs aan moesten worden toegevoegd om het vlees en zuivelproducten voldoende koel te bewaren. Juist? Wel, niet helemaal. Rond 400 voor Christus slaagden Perzische ingenieurs er al in om grote koelhuizen (yakchals genaamd) te bouwen -midden in de woestijn!- die windtechnologie gebruikten om zelfs in de warmste zomers voedsel fris te bewaren.

Nog een voorbeeld? We kennen Cleopatra, de gedoemde laatste koningin van Egypte, die na tientallen jaren manipuleren en vechten uiteindelijk toch het onderspit moest delven tegen Octavianus (de latere keizer Augustus) en zijn Romeinse legers. Cleopatra was echter nummer zeven in haar dynastie om haar naam te dragen en die zes andere Cleo’s waren ook geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken. Een van de meest spraakmakende voorouders van Cleopatra VII was Arsinoë II, zo’n beetje de stammoeder van de hele dynastie. Geboren als dochter van Ptolemaios I, eerste in een reeks van vijftien (!) koningen met dezelfde naam om over Egypte te regeren, werd ze eerst koningin door haar huwelijk met de koning van Thracië. Toen deze overleed, huwde ze haar halfbroer (nog een Ptolemaios) en werd zo koningin van zowel Thracië als Macedonië. Het huwelijk was echter vijandig en Arsinoë smeedde een complot om van Ptolemaios af te raken. Dit mislukte echter en Arsinoë ontsnapte ternauwernood aan de greep van haar halfbroer. Ze vluchtte dan maar naar haar jongste broer, Ptolemaios II van Egypte, en kreeg hem zover om te scheiden van zijn eerste vrouw en met haar te trouwen. Zo werd Arsinoë II voor de derde keer koningin en ze bleef gelukkig getrouwd tot aan haar dood. Koning Ptolemaios II richtte een cultus voor zijn overleden zuster-vrouw in en zette zo de toon voor bijna 300 jaar broer-zus-huwelijken in de Ptolemeïsche dynastie.

Elizabeth Taylor als Cleopatra uit de gelijknamige film (1963)

Krijg je nog steeds niet genoeg van de Oudheid? Dan ben je hier op de juiste plaats! We zullen je regelmatig voorzien van interessante artikels, weetjes, filmpjes en links naar interessante websites. Tot snel!

Coverfoto: adaptatie van foto van Katelijn Vandorpe

Het bericht Welkom op onze blog over Oude Geschiedenis van Valérie Wyns verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/09/10/2017/welkom-op-onze-blog-over-oude-geschiedenis/feed/ 1 47