Caesar Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/caesar/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 05 Feb 2023 23:17:00 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0.2 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png Caesar Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/caesar/ 32 32 136391722 “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/#respond Sun, 05 Feb 2023 18:24:53 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2379 Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren, onder andere als geboorteplaats van de “West-Vlaamse” keizer Carausius. Zijn de Menapii werkelijk een volk “van bij ons”? In dit artikel onderzoeken we wat we over deze volksstam en hun grondgebied in Gallia Belgica weten.

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Scène uit de één-reeks 'Het verhaal van Vlaanderen' met de uitroeping van de Menapiër Carausius als keizer

Wie tot voor kort nog nooit van de Menapiërs gehoord had, kan er nu niet meer omheen. In de Eén-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ noemt presentator Tom Waes hen meerdere keren. Hij besteedt ook veel aandacht aan “West-Vlaams” keizer Carausius, “iemand van bij ons”. Hoewel we die titel met een korrel zout moeten nemen, bewoonden de Menapiërs wel degelijk een deel van het huidige België. Maar wie waren die Menapiërs of Menapii precies en wat weten we over hun grondgebied?

Onderzoek

De voorbije decennia nam het aantal archeologische onderzoeken in Vlaanderen serieus toe. Dankzij de luchtfotografie en betere onderzoekstechnieken, kwamen meer en meer historische vindplaatsen aan het licht. De interesse voor de Menapiërs wakkerde aan. Het beeld van afgesloten gemeenschappen werd bijgesteld: de Menapische interactie met de Noordzee én het binnenland bleek veel uitgebreider dan tot nu toe gedacht.

Reconstructie van Gallische hoeve, mogelijk onderdeel van een Menapische nederzetting uit de tijd van Caesar

Eén element wordt in het nieuwe onderzoek echter nooit in vraag gesteld: de grenzen van het gebied van de Menapii, de civitas Menapiorum. De hypotheses hierover dateren uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Ze werden later vrijwel algemeen aanvaard, maar dat blijkt problematisch, want onderzoekers als Siegfried De Laet en Pierre Leman baseerden zich grotendeels op Middeleeuwse bronnen, die we niet zomaar op de Oudheid mogen projecteren. Terug naar het begin dan maar, waarbij we alle mogelijke bronnen over de Menapii samenbrengen en het historisch onderzoek combineren met de archeologie, toponymie en een literatuurstudie. Die synthese leidt tot enkele opvallende vaststellingen en nieuwe inzichten.

Situering

Over het gebied van de Menapii komen we het meest te weten bij de antieke auteurs. Geen beschrijvingen van strakke grenzen, maar wel aanwijzingen voor een geografische situering. Caesar merkt in zijn De Bello Gallico meerdere keren op dat de Menapiërs zich terugtrokken in bossen en moerassen. Hij beschrijft ook hun samenwerking met de Morini, Nervii, Atuatuci en Eburones, de Gallische stammen die de Menapii omringden. Nog belangrijker echter: Caesar leert ons dat de Menapii oorspronkelijk de oevers van de Rijn bewoonden. Door aanhoudende druk van de Usipetes en Tencteri, trokken ze zich terug op de linkeroever en verder naar het zuiden. De Menapii zijn dus immigranten in het Noordzeegebied.

De Gallische stammen en steden, met de buren van de Menapiërs, ten tijde van Julius Caesar

Verder vermelden onder andere Orosius, Strabo en Tacitus de Menapii. Uit hun beschrijvingen weten we dat het Menapisch gebied aan de kust gelegen was. In het westen deelde het een grens met de Morini. Plinius (de Oudere) spreekt ook over de Schelde, een interessante demarcatielijn die later nog aan bod komt. Vanaf de monding van de Schelde woonden volgens hem eerst de Texuandri, dan de Menapii. De bonte variatie aan genoemde stammen en regio’s bij de verschillende auteurs is opvallend. Het mag duidelijk zijn dat het bestaan en het territorium van volkeren dynamisch en veranderlijk was doorheen de oudheid. De Menapii kunnen we op dit moment grofweg situeren in het huidige Noord-Frankrijk, West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen ten westen van de Schelde.

Menapische varkens

Het Menapische varken wordt vandaag ook terug gekweekt, dankzij een samenwerking tussen slagerij ‘Menapii’ en onderzoekers en archeologen van UGent

Zoals vermeld in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ worden de Galliërs, en dan specifiek de Menapii, stevig gelinkt aan varkens. In de antieke bronnen vinden we die link terug bij Martialis (1e eeuw n.C.). Hij schrijft:

Cerretana mihi fiat vel missa licebit de Menapis: lauti de petasone vorent
“Laat ze me ham serveren uit het land van de Cerretani of stuur me ham van bij de Menapii: laat fijnproevers de ham verslinden” (Mart. XIII.54)

Blijkbaar was de Menapische ham een bekend product tot in de hoogste kringen en werd hij verhandeld naar Rome. Ook in het ‘Edict van Diocletianus‘ wordt ham van bij de Menapii vermeld. Het lijkt er zelfs op dat de benaming in de loop van de tijd een kwaliteitslabel is geworden. Varkens leven van nature in een bosrijk gebied, wat overeenkomt met de informatie die Caesar ons geeft. Om het vlees tot in Rome te krijgen, moet het goed bewaard kunnen worden én is een handelsnetwerk nodig. En laat dat nu net zijn wat we in een volgende bron lezen.

Zout en handelaars

Votiefaltaar uit Tongeren, waarop een inscriptie de Mun[icipium] Tung[rorum] vermeldt

In Tongeren werd een prachtig votiefaltaar met perfect bewaarde inscriptie opgegraven [TM 209480]. Daarop valt te lezen:

Aan de zeer goede en zeer grote Jupiter en aan de genius van de municipium van de Tungri, Catius Drusus, Menapisch salinator, heeft zijn belofte ingewilligd graag en wel verdiend.

Drusus noemt zichzelf een Menapische zouthandelaar (salinator Menapius), een titel  die we ook lezen in een grafinscriptie uit Rimini [TM 517527]. Naast varkensvlees, lijkt zout dus een belangrijk handelsproduct van de Menapiërs. Dat met die handel goed te verdienen was, bewijst het bewaarde votiefaltaar. Verder blijkt vooral uit de archeologische vondsten dat er een levendige handel bestond zowel tussen de Menapische nederzettingen onderling als met het grotere Romeinse Rijk.

Romeins kader

We weten nu dat de Menapii migreerden van de oevers van de Rijn naar zuidelijker gelegen gebied. Met de komst van Caesar werd de hele regio onder Romeins gezag geplaatst. Hoe sterk de Romeinse invloed lokaal was, is moeilijk te achterhalen. We zien wel dat Menapische handelaars binnen het Rijk rondtrekken met ham en zout en zich uitdrukken in Romeinse inscripties. En er is nog een manier waarop de Menapii zich in het Romeinse kader inpassen: het leger.

De oudste epigrafische vermelding van de Menapii is ook de oudste attestatie van een Menapiër  in het Romeinse leger. Het gaat om het grafopschrift van Adiutor, daterend uit de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. en gevonden in Aquileia. Het opschrift vermeldt expliciet de Menapische afkomst van Adiutor en zijn statuut als lid van de civitas Menapiorum. Adiutor maakte deel uit van de cohors I Pannoniorum.

Een militair diploma waarop de ‘cohors I Menapiorum’ vermeld staat

Militaire diploma’s wijzen ook op het bestaan van een Menapische cohorte. Op maar liefst drie exemplaren van zulke diplomata krijgen we een schriftelijk bewijs van de cohors I Menapiorum, gestationeerd in Britannia aan het begin van de 2de eeuw n.C. Daarnaast is er ook de Notitia dignitatum, een administratief werk opgesteld tussen 395 en 430 n.C. Die vermeldt militaire eenheden met het ethnicon ‘Menapii in Thracië en in het westen van het rijk.

Tot slot vinden we ook sporen van die militaire eenheid in het westen. In de ruime omgeving van de Rijn zijn op Romeinse gebakken dakpannen (tegula) militaire stempels teruggevonden die verwijzen naar de Menapii. Het gaat om stempels die allemaal geplaatst zijn in het jaar 369 n.C. in Tabernae, het huidige Rheinzabern, in de provincia Germania Superior. Tabernae viel in de Oudheid onder het gezag van de dux Mogontiacensis, net zoals de Menapische eenheid die vermeld wordt in de Notitia dignitatum.

Nederzettingen

De nederzettingen in het Menapisch gebied kunnen we langs twee wegen bestuderen: aan de hand van antieke reiskaarten enerzijds en op basis van de archeologie anderzijds. De antieke itineraria tonen ons duidelijk de belangrijkste steden en routes. Deze zijn later van belang in het bepalen van de grenzen van het Menapisch gebied.

Antieke wegenkaarten

Voor de Romeinse tijd kunnen we terugvallen op drie geschreven bronnen: het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, de Tabula Peutingeriana en de Notitia Galliarum. Elk afzonderlijk hier bespreken zou ons te ver leiden, daarom houden we het bij een korte samenvatting. In de routebeschrijvingen komen verschillende steden uit Gallia Belgica meermaals voor; die kunnen we als knooppunten beschouwen.

Castellum (Cassel), de hoofdstad van de Menapii, komt voor in drie routes in het Itinerarium:

  1. als tussenstop in de route van Gesoriacum (Boulogne-sur-mer) naar Bagacum (Bavay)
  2. als vertrekpunt van de route naar Turnacum (Tournai of Doornik)
  3. als vertrekpunt van de route naar Colonia (Keulen)

Het Menapisch gebied zoals afgebeeld op de Peutingerkaart

Andere duidelijk aanwezige nederzettingen zijn Viroviacum (Wervik), Pontes Caldis (Escautpont) en Minariacum (Estaires of Stegers). Het valt op dat de grote wegen zich vooral in het zuiden van Gallia Belgica bevinden. Noordelijker, in het huidige Vlaanderen, zullen lokale wegen en waterwegen de overhand gehad hebben. In elk geval is het duidelijk dat de nederzettingen, ook in het Menapisch gebied, wel degelijk met elkaar in contact stonden.

De ‘Mijlpaal van Tongeren’ of ‘Itinerarium van Tongeren’ met daarop de afstanden tussen plaatsen uit Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior

Een uitzonderlijk interessante epigrafische bron is de mijlpaal van Tongeren [TM 209478]. Deze achthoekige steen werd gevonden in Tongeren rond 1820 en was vermoedelijk opgesteld op het forum van Atuatuca Tungrorum. Ze is op drie zijden beschreven met plaatsnamen in Gallia Belgica, Germania Inferior en Germania Superior en de afstanden ertussen. Op basis van de taal en het gebruik van leugae als maateenheid dateert de steen vermoedelijk uit het eerste kwart van de 3de eeuw n.C. Interessant voor dit onderzoek is de vermelding van Castellum Menapiorum mét afstand tot ‘Fines Atrabatium’, de grens of het gebied van de Atrebates. Dit is de enige bekende antieke bron die mogelijk verwijst naar een grens tussen de Menapii en deze Keltische stam.

Maar waar ligt die grens nu? Helaas, daarover is onenigheid. Het is zelfs niet helemaal duidelijk of de vermelding naar een specifieke plaats of eerder naar een ruimer gebied verwijst. De bron, de mijlpaal van Tongeren, leert ons dat de ‘Fines Atrebatium‘ op 14 leugae (ca. 30,8 km) van Cassel ligt, in de richting van Nemetacum (Arras). Omdat een reiziger tussen beide steden wel degelijk een grens moet oversteken, hechtten historici toch enorm veel belang aan de vermelding van ‘Fines Atrebatium‘ als plaats.

Voor de locatie van die plaats zijn ook verschillende opties gegeven. Zo is de nederzetting Minariacum een veel beschreven mogelijkheid, hoewel deze plek slechts ongeveer 24 kilometer van Cassel verwijderd is. Een andere mogelijkheid zou Rouge-Croix (Neuve-Chapelle) zijn, gelegen op bijna exact 30 kilometer van Cassel langs een Romeinse weg. De Franse historicus Roland Delmaire verwijst naar een grenssteen die daar in 1123 gestaan zou hebben, maar dat kan onmogelijk iets zeggen over de Oudheid. Tot slot is er het gehucht Fins bij Lille. Het toponiem, mogelijk afgeleid van het Latijnse fines, wijst vermoedelijk op een antieke(?) grens, maar de locatie zelf ligt mogelijk te perifeer om geïdentificeerd te worden met de ‘Fines Atrebatium‘. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer opheldering brengen.

Archeologie

In zowat elke gemeente in België zijn vondsten gedaan uit de Romeinse tijd. Meestal gaat het echter om enkele losse sporen en zijn deze vondsten niet bepalend voor de conclusie van dit onderzoek. Daarom richten we ons op de grotere vindplaatsen die getuigen van bewoning, handel of militaire aanwezigheid. Door de antieke wegenkaarten te combineren met de Digital Atlas of the Roman Empire komen we tot 32 sites. Wat blijkt wanneer we deze sites op kaart uitzetten? Ze situeren zich grotendeels langs drie belangrijke waterlopen: de Noordzee, de Leie en de Schelde.

Overzichtskaart van de types sitesS. Demuynck (2020), p. 173.

Overzichtskaart van de types sites

Aan de kust blijken zich vooral castella te bevinden, zoals die van Oudenburg, Aardenburg en Maldegem-Vake. Deze militaire nederzettingen opgericht tegen invallende migranten waren hoofdzakelijk actief in het laatste kwart van de 2de eeuw en in de 3de eeuw n.C. Er zijn heel wat pottenbakkerstempels gevonden die duiden op contact met het hinterland. De kustregio was een belangrijke verdedigingslinie, maar ook de plek waar zout gewonnen werd. Naast de militaire aanwezigheid was er ook civiele bewoning in onder andere Wenduine en Brugge.

Andere nederzettingen concentreerden zich langs de Leie en de Schelde. Sommige daarvan, zoals Wervik, Kortrijk en Doornik, bestaan tot vandaag. Tegelijk is er een opvallende gelijkenis in het ontstaan en de ondergang van deze nederzettingen. Rond het midden van de 1ste eeuw n.C. en zeker vanaf de Flavische dynastie duiken langs de rivieren meer en meer vaste woonplaatsen op, zoals Ploegsteert, Harelbeke en Kruishoutem. Deze nederzettingen bloeien in de vroege 2de eeuw n.C. met duidelijke sporen van uitbreiding en handel.

Vanaf het jaar 170 n.C. tekent zich een korte periode van stagnatie of verval af, onder andere in Wervik, Kerkhove en Destelbergen. Naast de invallen van de Chauci zijn andere mogelijke oorzaken voor deze terugloop de pestepidemie in 166 n.C., de oorlogen met de Marcomanni (166-180 n.C.) en de opstand van de deserteur Maternus in Gallia in 185-186 n.C. Desalniettemin bleven de meeste nederzettingen een voorspoedig bestaan leiden tot in het midden van de 3de eeuw n.C, toen een crisis het Romeinse Rijk op vele vlakken trof.

Munt gevonden in Londen, geslagen door de Romeinse tegenkeizer Marcus Aurelius Mausaeus Carausius die uit het Menapische gebied afkomstig was

In deze context betreedt Carausius het toneel. De ‘Menapiër’, zoals de Romeinse geschiedschrijver Aurelius Victor hem noemt, liet zich opmerken tijdens de Gallische veldtocht van keizer Maximianus en riep zichzelf in 286 uit tot keizer (van Britannia – waar hij met zijn vloot en legioenen verbleef – en Noord-Gallië). Dat was minder spectaculair dan je misschien zou denken, want hij was lang niet de enige usurpator in de Romeinse Keizertijd en werd enkele jaren later al vermoord. Dat houdt hedendaagse stemmen (zoals te horen in de tweede aflevering van ‘Het verhaal van Vlaanderen’) niet tegen om naar hem te verwijzen als de “West-Vlaamse” keizer, hoewel het Menapische kerngebied (en Carausius dus ook) grotendeels geromaniseerd was in deze periode.

Ondanks de aangetroffen wegen speelde het water een niet te onderschatten rol. Grotere nederzettingen zoals Kerkhove en Tournai konden dankzij hun ligging uitgroeien tot handelscentra, draaiende gehouden door de omliggende villae. De productiecentra ten zuiden van Doornik droegen hier zonder twijfel ook aan bij. Een opsomming van de gevonden opschriften biedt inzicht in de handel in en verspreiding van aardewerk. In de 1ste eeuw n.C. kwam dit hoofdzakelijk uit La Graufesenque (Zuid-Frankrijk).

De daaropvolgende eeuw wordt gekenmerkt door aardewerk uit Lezoux (Centraal-Frankrijk). Vooral in Wervik en Waasmunster zijn deze productiecentra goed vertegenwoordigd. Vanaf het midden van de 2de eeuw n.C vond er een omslag plaats naar aardewerk uit Centraal-Gallië en Germanië. Pottenbakkerstempels uit deze regio’s zijn rijkelijk aanwezig in Wenduine en Brugge. Vondsten van dezelfde stempel op verschillende plaatsen geven duidelijk het contact tussen de nederzettingen weer. Verder onderzoek naar pottenbakkerstempels buiten de civitas Menapiorum zou interessante gegevens kunnen opleveren over het contact tussen de civitates.

De grenzen

De antieke wegenkaarten en de archeologie wijzen op een duidelijke samenhang van het Menapisch gebied. Jammer genoeg weten we op basis hiervan nog altijd weinig over de exacte grenzen van de regio. Daarom is het nodig om de hypotheses van archeologen en historici erbij te betrekken.

Over de westelijke en oostelijke grens, respectievelijk de Aa, de Leie en de Schelde, heerst algemeen consensus. Deze rivieren zouden zowel in de oudheid als in de middeleeuwen een duidelijke demarcatielijn gevormd hebben, hoewel niet onomstotelijk bewezen door de antieke bronnen. Herinner wel Plinius die de Schelde ziet als het begin van een nieuw gebied. De Aa vormt dan weer een van de weinige natuurlijke grenzen op een logische locatie tussen het gebied van de Morini en de Menapii. Het is belangrijk hierbij te beseffen dat waterwegen geen harde grens vormden, maar net een uitnodiging tot handel en uitwisseling.

De bepaling van de grens met de Atrebates in het zuiden ligt moeilijker. In de ruime regio tussen de Leie en de Schelde zijn heel wat kleinere waterlopen te vinden die als demarcatielijn kunnen dienen. Historicus Siegfried De Laet spreekt over de kleine rivier Courant des Coutiches als grens, maar kanalisering en aanleg van grachten zorgt ervoor dat we deze en andere waterlopen niet zonder meer op de Oudheid mogen projecteren. Ook geografische elementen zoals bossen en heuvels – vandaag verdwenen – kunnen een rol gespeeld hebben.

Daarnaast is er de problematiek rond ‘Fines Atrebatium’ op de mijlsteen van Tongeren, die eerder aan bod kwam. De Laet stelt op basis van zijn onderzoek Fins-Lille voor als locatie voor deze plaats, terwijl een andere onderzoeker, Pierre Leman, zich op Neuve-Chapelle richt. Een mogelijke route van de Romeinse weg Estaires-Tournai in dit gebied biedt verdere mogelijkheden om eventuele grenzen te tekenen. Maar we moeten eerlijk zijn: het blijft giswerk.

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en DerolezS. Demuynck (2020) op basis van Leman (1967), p. 736

De zuidelijke grens van de civitas Menapiorum volgens de hypotheses van De Laet, Leman en Derolez

Het recentere toponymisch onderzoek heeft tot enkele nieuwe argumenten geleid. Interessant zijn de plaatsnamen met het Latijnse element fines, zoals Fines Atrebatium en het gehucht Fins in Lille, eerder aangehaald. In de meest zuidelijke regio van het Menapisch gebied vinden we ook toponiemen zoals Templemars en Famars, en Flines-lez-Râches met een vermeend heiligdom. Deze plaatsnamen wijzen mogelijk op een religieuze zone die gelinkt kan worden aan een grensgebied.

Tot slot draagt het Keltische equoranda, met de betekenis ‘grens van water’ bij aan de bepaling van de grenzen. De plaatsnaam Guéronde-sous-Antoing zou teruggaan op equoranda. Guéronde bevindt zich ten zuidoosten van Doornik op ongeveer een kilometer van de rechteroever van de Schelde. Hier zag onder andere de Belgische archeologe Germaine Faider-Feytmans in het midden van vorige eeuw een bewijs voor de Schelde als grens. Net als bij de waterlopen is het jammer genoeg niet altijd bevestigd dat deze toponiemen tot de Oudheid teruggaan. Alle argumenten en hypotheses in acht genomen, toont onderstaande kaart de momenteel meest waarschijnlijke begrenzing van de civitas Menapiorum.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakeningS. Demuynck (2020), p. 196.

Vermoedelijke grenzen van de civitas Menapiorum op basis van het gevoerde onderzoek. De stippellijnen wijzen op een onzekere afbakening

Conclusie

De Menapiërs enkel omschrijven als de geboortestam van keizer Carausius doet hen onrecht aan. Dit onderzoek heeft getoond dat ze immigranten in het Noordzeegebied waren die zich vestigden tussen de rivier de Aa in het oosten en de Schelde in het westen. Tijdens de Romeinse overheersing bloeiden hun nederzettingen, productiecentra en handel. De Menapiërs werden al snel bekend als zouthandelaars en geroemd om hun voortreffelijke ham. Een kleine elite schreef zich snel in in het Romeinse kader, terwijl het grootste deel van de bevolking eerder geleidelijk elementen uit de Romeinse cultuur overnam. De archeologische resten leren ons veel over het leven “bij ons” in de Romeinse tijd. Maar de exacte grenzen van het Menapisch gebied? Die laten zich niet zomaar vastleggen. Het is wachten op de vondst van nieuw literair, documentair of archeologisch materiaal om de bestaande hypotheses te bevestigen of weerleggen.

Lees meer

Demuynck, S., De Menapii in Gallia Belgica. Onderzoek naar de grenzen van het Menapisch gebied in de keizertijd, onuitgegeven masterproef, KU Leuven, faculteit Letteren, 2020. (de masterproef is volledig te lezen op de Scriptiebank en een samenvatting en poster zijn te vinden op de website van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis)
Deru, X., La Gaule Belgique, Parijs, 2016.
De Clercq, W., Lokale gemeenschappen in het Imperium Romanum: transformaties in de rurale bewoningsstructuur en de materiële cultuur in de landschappen van het noordelijk deel van de civitas Menapiorum (Provincie Gallia-Belgica, ca. 100 v.Chr. – 400 n.Chr.), Onuitgegeven doctoraatsproefschrift, Universiteit Gent, departement Archeologie, 2009.
Dhaeze, W., ‘In het land van de Menapiërs’, Zeeuws Tijdschrift, 58 (2008), 35-44.
Delmaire, R. en Delmaire, B., ‘Les limites de la cité des Atrébates (nouvelle approche d’un vieux problème)’, Revue du Nord, 72 (1990), 697-735.
Delmaire, R., Etude archéologique de la partie orientale de la cité des Morins (civitas Morinorum) (Memoires de la Commission départementale des monuments historiques de Pas-de-Calais, 16), Arras, 1976.
Leman, P., ‘Aux confins méridionaux de la cité des Ménapiens’, Revue du Nord, 49 (1967), 721-739.
De Laet, S., ‘Les limites des Cités des Ménapiens et des Morins’, Helinium, 1 (1961), 20-34.
Derolez, A., ‘La Cité des Atrébates à l’époque romaine: documents et problèmes’, Revue du Nord, 40 (1958), 505-533.
Faider-Feytmans, G. ‘Les limites de la cité des Nerviens’, L’antiquité classique, 21 (1952), 338-358.

Luister verder

‘Over de vloer’: een (voorlopig) tweedelige podcastreeks door Sien Demuynck over de Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode “bij ons”. Op een luchtige en speelse, maar daardoor niet minder wetenschappelijke manier toont Sien dat geschiedenis helemaal niet saai hoeft te zijn. Voor jonge en iets oudere luisteraars, te vinden op SoundCloud.

Coverfoto: scène uit de één-reeks ‘Het verhaal van Vlaanderen’ waarin de Menapiër Carausius wordt uitgeroepen tot keizer (© VRT)

Het bericht “Een volk van bij ons?”: het grondgebied van de Menapii in Gallia Belgica van Sien Demuynck verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/02/2023/een-volk-van-bij-ons-het-grondgebied-van-de-menapii-in-gallia-belgica/feed/ 0 2379
Woord van de maand: aesar https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2018/woord-van-de-maand-aesar/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2018/woord-van-de-maand-aesar/#respond Fri, 20 Apr 2018 15:55:49 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=126 Woord_van_de_maand_aesar

Nomen est omen, zo wil een Latijns spreekwoord: "de naam is een voorteken". In één beroemd geval werd een eigennaam echter het voorwerp van een voorteken. De antieke biograaf Suetonius (69/70 – 140 n.C.) vermeldt in een dergelijke context immers het Etruskische woord voor 'god', dat aesar zou zijn. Lees meer over de herkomst hiervan in deze aflevering van 'Woord van de maand'.

Het bericht Woord van de maand: aesar van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Woord_van_de_maand_aesar

Nomen est omen, zo wil een Latijns spreekwoord: “de naam is een voorteken”. In één beroemd geval werd een eigennaam echter het voorwerp van een voorteken. De antieke biograaf Suetonius (69/70 – 140 n.C.) vermeldt in een dergelijke context immers het Etruskische woord voor ‘god’, dat aesar zou zijn.

Goddelijke blikseminslag

Suetonius vermeldt dit in zijn biografie van Augustus (Vita Divi Augusti, 97), wanneer hij het heeft over de voortekenen die de dood van keizer Augustus zouden aangekondigd hebben:

Sub idem tempus ictu fulminis ex inscriptione statuae eius prima nominis littera effluxit; responsum est, centum solos dies posthac victurum, quem numerum C littera notaret, futurumque ut inter deos referretur, quod aesar, id est reliqua pars e Caesaris nomine, Etrusca lingua deus vocaretur.

Rond dezelfde tijd sloeg een blikseminslag de eerste letter van zijn naam weg van een een inscriptie op een standbeeld van hem. Er werd verklaard [sc. door de waarzeggers] dat hij vanaf dan nog slechts honderd dagen te leven had, een aantal dat werd aangeduid met de letter C, en dat hij onder de goden zou worden opgenomen, omdat een god in het Etruskisch “aesar”, dat is het overblijvende deel van de naam Caesar, werd genoemd.

Het opvallendste voorteken was dus dat een blikseminslag tijdens hevig onweer de letter C (100 in Romeinse cijfers) van het woord Caesar wegsloeg. Na zijn dood zou Augustus officieel vergoddelijkt worden, volgens de Etruskische betekenis en interpretatie van het voorteken. Het feit dat waarzeggerij bij de Romeinen Etruskische wortels had en in het Latijn aangeduid wordt als de Etrusca disciplina, de ‘Etruskische kunst’, is hier waarschijnlijk niet vreemd aan.

De Griekse historicus Cassius Dio (ca. 155 – 235 n.C.) vermeldt dezelfde anekdote (Dio Cass. LVI, 29), waarschijnlijk gebruik makend van dezelfde bron als Suetonius:

Καὶ κεραυνὸς ἐς εἰκόνα αὐτοῦ ἐν τῷ Καπιτωλίῳ ἑστῶσαν ἐμπεσὼν τὸ γράμμα τὸ πρῶτον τοῦ ὀνόματος τοῦ Καίσαρος ἠφάνισεν, ὅθεν οἱ μάντεις ἑκατοστῇ μετὰ τοῦτο αὐτὸν ἡμέρᾳ θείας τινὸς μοίρας μεταλήψεσθαι ἔφασαν, τεκμαιρόμενοι ὅτι τό τε στοιχεῖον ἐκεῖνο τὸν τῶν ἑκατὸν ἀριθμὸν παρὰ τοῖς Λατίνοις καὶ τὸ λοιπὸν πᾶν ὄνομα θεὸν παρὰ τοῖς Τυρσηνοῖς νοεῖ.

En de bliksem die was ingeslagen op een standbeeld van hem dat op het Capitool stond opgesteld, sloeg de eerste letter van de naam Caesar weg, waaruit de zieners afleidden dat hij honderd dagen daarna een of andere goddelijke staat zou bereiken, terwijl ze er op wezen dat die letter bij de Romeinen het cijfer honderd aanduidde en de rest bij de Etrusken het volledige woord voor god was.

Etruskische inscriptie uit het Museo Archeologico Nazionale dell’Umbria

Etruskische etymologie

Of aesar in het Etruskisch effectief ‘god’ betekent, is moeilijk te achterhalen, aangezien het Etruskisch slechts zeer fragmentarisch bekend is (als zogenaamde Trümmersprache). We weten dat keizer Claudius (10 v.C. – 54 n.C) een historiografisch werk en een woordenboek Etruskisch geschreven heeft, maar die werken zijn jammer genoeg niet bewaard.

Voor onze kennis van het Etruskisch moeten we het dus hebben van Etruskische (graf)opschriften en een sporadische getuigenis in de literatuur zoals die van Suetonius, waarvan de betrouwbaarheid niet altijd even groot is. Waarschijnlijk is aesar of aisar zelfs een meervoudsvorm van de overgeleverde enkelvoudsvorm ais, want er zijn ook andere woorden in de meervoudsvorm op -ar overgeleverd. Dit zou eventueel kunnen wijzen op overeenstemming met de formule in numero deorum relatus (vrij vertaald: “opgenomen in de schare der goden”) die gebruikt werd in officiële decreten. Dit is echter niet helemaal hard te maken met de informatie die ons uit de Oudheid is overgeleverd. We moeten dus concluderen dat wat Suetonius ons vertelt, waar kan zijn volgens de gegevens waarover we beschikken, maar dat we moeten oppassen met conclusies trekken op basis van zijn informatie.

Coverfoto: remix van “standbeeld van de Romeinse keizer Augustus, Via dei Fori Imperiali” door Szilas (Wikimedia) & “Thunderstorm near Pritzerbe (Germany)” door Mathias Krumbholz (CC-BY SA 3.0)

Het bericht Woord van de maand: aesar van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2018/woord-van-de-maand-aesar/feed/ 0 126
Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/ https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/#comments Thu, 05 Apr 2018 16:08:52 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=779 schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
schilderij 'De kruisiging' door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447)

In de Goede Week die uitmondt in Paaszondag herdenken we niet alleen de verrijzenis van Jezus Christus uit het graf, maar ook zijn dood door kruisiging die eraan vooraf ging op Goede Vrijdag. Dat de zoon van God de bekendste historische figuur is die op deze manier werd terechtgesteld door de Romeinen is een understatement, maar hij was lang niet de enige. Toch heerst er nog veel controverse over deze gruwelijke vorm van terechtstelling in het Romeinse Rijk.

Kruisiging als pre-Romeinse executiemethode

Voor de Romeinse periode was een bepaalde vorm van kruisiging als executie al bekend bij andere antieke volkeren zoals de Assyriërs en de Egyptenaren. Al in de oudste wetteksten uit de Codex Hammurabi uit de 18de eeuw v.C. komt mogelijk de vroegste vermelding van een kruisiging voor, hoewel niet in de later bekende vorm: in het geval een vrouw overspel zou plegen en haar man en de echtgenote van haar minnaar zou vermoorden, worden zowel zij als haar minnaar aan een paal gespietst (Cod. Ham. 153).

Voor Egypte zijn er verschillende bronnen, waaronder inscripties op papyrus, met verschillende hiërogliefen die verwijzen naar het spietsen op een paal. Ook bij de veldtocht van de Assyrische heerser Šalmanassar III in de 9de eeuw v.C. werden Syriërs geëxecuteerd door hun onderste delen te spietsen met een paal, zo toont één van de reliëfs op de bronzen poorten van Balawat. Deze methode werd nadien ook nog door onder meer Darius I gebruikt om 3000 Babyloniërs terecht te stellen, zo blijkt uit de zogenaamde drietalige Behistuninscriptie en het relaas van Herodotus (III,159). Diezelfde Griekse geschiedschrijver vernoemt in zijn Historiai nog enkele keren de techniek van het spietsen, onder andere in zijn beschrijving van Astyages, de laatste koning van de Meden (I,128) en Oroetes, de gouverneur van Sardis die zijn tegenstander Polykrates, tiran van Samos (III,125) liet executeren. Bij deze laatste was het opvallend dat de man al dood was voor hij werd gespietst of gekruisigd. Herodotus gebruikt twee werkwoorden voor de terechtstelling, anaskolopizō (ἀνασκολοπίζω) en anastauroō (ἀνασταυρόω), die beide als ‘op een staak spietsen’ kunnen worden vertaald.

Afbeelding van gespietste Syrische gevangen tijdens de veldtocht van Šalmanassar III, te zien op de Balawat-poort

Ook bij de Grieken kwam kruisiging voor en wel in een vorm die nauwer aansluit bij wat de Romeinen deden. Nog bij Herodotus lezen we namelijk in zijn verslag over de Tweede Perzische Oorlog van Xerxes (IX,120) dat de Atheense generaal Xanthippus, de vader van Pericles, Artayctes, een gevangengenomen Perzische generaal, levend aan een plank liet nagelen. Alexander de Grote doodde volgens historiograaf Quintus Curtius Rufus 2000 inwoners van Tyrus door hen aan een kruis te hangen (crucibus adfixi) op een groot gedeelte het strand (Hist. Alex. IV,4,7).

Paal of kruis?

Gravure van een crux simplex ad infixionem met een gespietste terdoodveroordeelde, uit een boek van Justus Lipsius

Etymologisch gezien verwijzen de Griekse termen voor kruisiging naar een opgerichte paal of staak (stauros). Ons woord kruis daarentegen is afgeleid van het Latijnse crux, zoals kruisiging van crucifixio, letterlijk het fixeren/vasthangen (facere) aan een kruis. In de Romeinse periode waren er verschillende vormen van kruisigingen: aan een boom (infelix lignum), een opgerichte paal (crux simplex) of een samengesteld kruis (crux composita) dat bestond uit een opgerichte paal (stipes) en een dwarsbalk (patibulum). Naar vorm kwam dit laatste kruis voor als een X-vormig kruis (crux decussata), een Latijns kruis (crux immissa) of een T-vormige Tau-kruis (crux commissa). Het kruis kon ook hoog zijn (crux sublimis), maar in de meeste gevallen ging het om een laaghangend kruis (crux humilis). Naar afmetingen was de opstaande balk ongeveer tussen 1,8 en 2,4 meter hoog en de dwarsbalk tussen 1,5 en 1,8 meter lang. Kruisen konden meer dan 120 kilogram wegen, waarbij het patibulum soms al tot 60 kilogram zwaar kon zijn.

De Romeinse methode ging meestal als volgt: eerst werd de verticale paal in de grond geplaatst, waarna de dwarsbalk pas eraan werd bevestigd nadat de ter dood veroordeelde eraan was genageld of gebonden. Een inscriptie (titulus) werd soms ook nog bij aan de paal genageld boven het hoofd van het slachtoffer. Seneca bevestigt dit in zijn De Consolatione ad Marciam:

Video istic cruces non unius quidem generis sed aliter ab aliis fabricatas: capite quidam conversos in terram suspendere, alii per obscena stipitem egerunt, alii brachia patibulo explicuerunt. (VI,20,3)

Ik zie daar kruisen, niet slechts van een soort, maar gemaakt op veel verschillende manieren: sommige hebben hun slachtoffers met hun hoofd op de grond, anderen aan hun private delen gespietst, nog anderen strekken hun armen uit op de dwarsbalk.

De voornaamste doodsoorzaak bij de Romeinse vorm van kruisigen zou verstikking door zuurstoftekort of hartfalen zijn. Dit treedt bij een normale hangende positie aan het kruis al op na minder dan een uur, maar door de toevoeging van zogenaamde sediles, bankjes voor de voeten of het zitvlak om op te rusten, kon de lijdensweg die tot de dood leidde met enkele uren worden verlengd.

Kruisiging bij de Romeinen

Hoe de Romeinen met kruisiging als executiemethode in contact kwamen is niet zeker, maar een plausibele uitleg lijkt dat ze na de Tweede Punische Oorlog (218 v.C. – 201 v.C.) met de Carthagers -die kruisigingen gebruikten om zelfs hun generaals die faalden in de oorlog terecht te stellen- ook deze techniek begonnen toe te passen. Livius beschrijft in zijn Ab Urbe Condita de eerste keer dat de Romeinen 25 slaven kruisigden tijdens de campagne tegen Hannibal:

Per eosdem dies speculator Carthaginiensis, qui per biennium fefellerat, Romae deprensus praecisisque manibus dimissus, et servi quinque et viginti in crucem acti, quod in campo Martio coniurassent. (XXII,33)

Rond die tijd werd in Rome een Carthaagse spion opgepakt, die zich gedurende twee jaar aan de gevangenneming had onttrokken, en nadat zijn handen waren afgesneden, mocht hij gaan, en werden 25 slaven gekruisigd, op beschuldiging van samenzwering op het Marsveld.

In de daaropvolgende jaren raakten kruisigingen ook verder ingeburgerd in het Romeinse leger, bijvoorbeeld wanneer Scipio Africanus in 201 v.C. na de val van Carthago de perfugae of deserteurs uit zijn leger, allen Romeinen, dezelfde doodstraf oplegt. (Liv. XXX,43)

Kruisiging werd gebruikt als executiemiddel voor slaven, piraten en criminelen die geen Romeins burgerschap bezaten. Een uitzondering op die laatste regel vormden de deserteurs of burgers die beschuldigd werden van hoogverraad. Tijdens de Republiek kruisigde Crassus in de nasleep van de opstand van Spartacus, ook bekend als de Derde Slavenoorlog, 6000 van diens aanhangers en deze zorgden er volgens Appianus voor dat de volledige weg van Capua naar Rome vol stond met kruisen.

Kruisigingsscène uit de film Spartacus (1960) van Stanley Kubrick met Kirk Douglas in de hoofdrol

Ook de Cilicische piraten die Caesar ontvoerden in 75 v.C. kwamen volgens de biografie van Plutarchus op deze manier aan hun einde. In 70 v.C. trad Cicero op als advocaat tegen Verres, de gouverneur van Sicilië, die een Romeins burger met de naam Gavius liet kruisigen, ondanks zijn burgerschap. De redenaar beschouwt kruisiging als de meest wrede en onterende (crudelissimi taeterrimique) straf (In Verrem II,5,165). In dezelfde rechtszaak spreekt hij ook het volgende uit:

Facinus est vincire civem Romanum, scelus verberare, prope parricidium necare: quid dicam in crucem tollere? Verbo satis digno tam nefaria res appellari nullo modo potest. (In Verrem II,5,170)

Het is een misdaad om een Romeins burger te knevelen, hem geselen is een boosaardigheid, hem ter dood brengen is bijna vadermoord: en dan wat te zeggen over hem kruisigen? Dat is zo’n schuldige handeling die onmogelijk adequaat kan worden uitgedrukt met een term slecht genoeg ervoor.

In de keizertijd kwam het al wel eens voor dat een libertus, een vrijgelaten slaaf, niet aan de kruisiging ontsnapte. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Asiaticus, die nadat zijn meester Vitellius in het vierkeizerjaar 69 was verslagen, werd gekruisigd. (Tac. Hist. IV,11,10). Bij de massale kruisiging van slaven lijkt het niet onwaarschijnlijk dat af en toe ook vrouwen en kinderen niet aan deze doodstraf ontsnapten. Zo schreef Publius Cornelius Tacitus in zijn Annales (XIV,45) dat leeftijd noch geslacht een invloed had op de uitvoering van deze vorm van executie en dat onder de slaven die gekruisigd werden voor de moord door één van hen op hun meester Lucius Pedanius Secundus zich ook vele vrouwen en kinderen bevonden. Zo kennen we ook het voorbeeld van een vrouwelijke libertaIde, die werd gekruisigd op bevel van keizer Tiberius, en van wie het verhaal ons is overgeleverd door Flavius Josephus (Antiquitates Iudaicae, XVIII,3,4). De Joodse geschiedschrijver (en legerleider) vertelt in datzelfde boek ook over de koning en hogepriester van de Joodse Hasmonese staat, Alexander Iannaeus, die in 88 v.C. na een Farizeeënopstand 800 van zijn tegenstanders liet kruisigen (XIII,380). In de literaire bronnen uit de Romeinse periode lezen we dus steeds over kruisigingen door ophanging, met uitzondering van de Britse koningin Boudicca die in de revolte van 60/61 de gruwelijke methode van het op een staak spietsen nog toepaste op Romeinse matrones en Plutarchus die beide methoden nog beschrijft in zijn Moralia (499D). Tot slot kennen we natuurlijk nog de spietsing van Cicero’s handen en hoofd aan de Rostra, maar dat gebeurde na zijn executie en was meer bedoeld als afschrikking voor de andere politieke tegenstanders van het tweede triumviraat (uit Appianus‘ Bellum Civile 4,20).

Uit de spelen van Plautus, ook al zijn het komedies, en andere literaire bronnen zoals Plutarchus kunnen we al enkele details afleiden van hoe de kruisiging bij de Romeinen concreet werd uitgevoerd. Plautus (Carbonaria, fr. 2) vermeldt bijvoorbeeld dat de terdoodveroordeelde met het patibulum naar de plek waar de verticale balk van kruis was opgetrokken, moest wandelen en vervolgens eerst aan de dwarsbalk werd genageld, alvorens die balk horizontaal aan de opgerichte paal werd bevestigd. Ook Plutarchus (De Sera 554b) vermeldt dat de veroordeelde het kruis op zijn rug moest dragen (en waarschijnlijk gaat het hier ook enkel over de dwarsbalk).

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimillatekening door prof. Antonio Lombatti

Graffito uit Puteoli met afbeelding van een gekruisigde vrouw, Alkimilla

Diezelfde procedure blijkt ook uit een wettekst voor begrafenisondernemers (AE 1971, 88) die in de Italiaanse kuststad Puteoli is gevonden. De wet schrijft onder meer voor dat eigenaars die een slaaf willen laten kruisigen zelf moet opdraaien voor alle kosten zoals de houten palen (waaronder het patibulum), kettingen en koorden voor de zweepslagen. Ook de kosten voor diegenen die deze zaken naar de plaats van executie brengen en voor de beul zelf zijn ten laste van de eigenaar. In een andere sectie van de wet wordt ook gesproken over publieke executies, uitgesproken door magistraten (mogelijk voor het laten kruisigen van vreemdelingen en burgers uit de lagere klassen). Daarbij moeten de de aannemers van zulke opdrachten gratis het volgende voorzien: kruisen (cruces), nagels, pek, was en kaarsen. Die laatste drie zaken waren voor het martelen van de gevangen voor ze werden gekruisigd, een praktijk die gangbaar was in de Romeinse periode. De terdoodveroordeelde werd eveneens voor het kruisigen eerst van zijn kleding ontdaan en vervolgens vaak nog aan zweepslagen onderworpen.

Een graffito die eveneens uit Puteoli afkomstig is, daterend uit de tijd van Trajanus of Hadrianus, bevestigt dat de terdoodveroordeelde naakt aan het kruis werd gespijkerd. Op de afbeelding, gevonden op taberna 5, een gasthuis, is een naakte vrouw aan het kruis te zien. Het opschrift vermeldt nog haar naam, Alkimilla, die mogelijk op de titulus was geschreven (tenzij het hier eerder over een vervloeking dan over een echte representatie zou gaan).

Daarnaast hebben we nog archeologische bewijs. Het eerste daarvan komt uit Jeruzalem, waar in een graftombe de overblijfselen van een gekruisigde man samen met zijn kind zijn ontdekt. Een opschrift op de tombe geeft ons de naam van beiden: yhwḥann / yhwḥann bn ḥgqwl (Jehohanan, Jehohanan ben Hagkol). De overblijfselen van beide hielen van de man zijn doorspijkerd met een nagel, terwijl de handen en polsen van de man dit niet hebben, er waarschijnlijk op duidend dat zijn armen waren vastgebonden aan de dwarsbalk, in plaats van gespijkerd. Een tweede geval werd in 2007 opgegraven in het Italiaanse Gavello, zo’n 75 kilometer van Venetië. Het gaat hier opnieuw om een man, begraven in een geïsoleerd graf zonder grafgiften, wiens rechterhiel doorboord was. Na een multidisciplinair onderzoek concludeerden wetenschappers dat dit waarschijnlijk ook zal gebeurd zijn bij de kruising van deze man (mogelijk een slaaf of misdadiger) waarbij een nagel zou zijn gebruikt om hem in een open of rechtshangende positie te fixeren. Dat archeologen nog niet meer dergelijke voorbeelden hebben gevonden, kan verschillende oorzaken hebben. De de kostprijs van de nagels kan ervoor hebben gezorgd dat er een voorkeur werd gegeven aan het kruisigen met het gebruik touw, maar ook het hergebruik van de nagels en de sociale positie van de gekruisigden maken het aannemelijk dat er op dit moment niet meer materieel bewijs is gevonden.

Vondst van een skelet in Fenstanton met een spijker in de rechterhiel

Toch bracht een vondst uit 2017 uit het Britse graafschap Cambridgeshire mogelijk nieuw bewijs voor een kruisiging aan het licht. Op de site van een oude melkfabriek in Fenstanton, in het oosten van Engeland, werden toen de overblijfselen van een Romeinse nederzetting gevonden met daarbij ook enkele begraafplaatsen. In één daarvan troffen archeologen het skelet van een jonge man, tussen de 25 en 35 jaar oud, aan, maar pas toen het enige tijd later in het laboratorium werd schoongemaakt merkten onderzoekers op dat er een gat in zijn rechterhiel zat, doorboord door een 5 centimeter lange spijker. Koolstofdatering maakte duidelijk dat hij tussen 130 en 360 n.C. gestorven is en een DNA-analyse toonde aan dat hij geen familie was van andere overledenen uit de begraafplaatsen, maar dat hij wel tot de plaatselijke bevolking behoorde.

Naast de spijker in zijn hiel werden nog enkele belangrijke aanwijzingen gevonden voor een dood door kruisiging. Zo lag de man naast een houten constructie, vermoedelijk de plank waaraan hij was vastgebonden, had hij 6 gebroken ribben (misschien veroorzaakt door een zwaard) en een ontsteking aan zijn dunne benen, allemaal aanwijzingen dat hij waarschijnlijk vastgebonden was. Naast deze (impliciete) tekenen dat het hier mogelijk om een misdadiger gaat die eerst werd gemarteld en vervolgens aan het kruis genageld, werden in hetzelfde graf ook nog 12 andere ijzeren spijkers gevonden. Een ondiep gaatje in het rechterbot van de man, hetzelfde been waarin de dertiende nagel door zijn rechterhiel was geslagen, suggereert dat een eerste poging om het te kruisigen niet was gelukt. Volgens de onderzoekers maakt dit alles van het opgegraven skelet het eerste – en het best bewaarde – archeologische bewijs van een kruisdode in Noord-Europa.

De kruisiging van Jezus

Flavius Josephus geeft ons nog een breder beeld over het gebruik van kruisigingen bij Joden. In zijn De Bello Iudaico over de Joodse Oorlog tegen keizer Titus verhaalt hij (V,11) hoe Joodse opstandelingen werden gekruisigd langs de muur van Jeruzalem en hoe de Romeinse soldaten er genoegen in schepten om hun lijden te verlengen door hen in verschillende posities te kruisigen, zodat hun doodsstrijd langer zou duren. Daarnaast haalt hij ook aan dat in sommige gevallen Joden van goede afkomst werden gekruisigd, als het ware om te tonen dat zij door hun misdaad en bijhorende straf hun status waren kwijtgeraakt. Een ander voorbeeld van een massale kruisiging vinden we in zijn Antiquitates Iudaicae (XVII,10,295) waar Publius Quinctilius Varus – later bekend als de Romeinse generaal die in het Teutoburgerwoud met zijn troepen werd afgeslacht door de Germanen – 2000 Joodse rebellen kruisigde na de Joodse opstand van 4 v.C.

Ook in het Oude Testament leren we al iets over de herkomst van kruisiging als straf. Een passage in Deuteronomium (21:22-23) levert veel onzekerheid op bij bijbelonderzoekers. Waarbij vroeger werd gedacht dat een Joodse man kon worden veroordeeld tot de dood en nadien zou worden opgehangen, menen onderzoekers nu dat het woord talah mogelijk toch zou moeten worden geïnterpreteerd als gespietst aan een staak. Weliswaar gebeurde dit enkel met het hoofd van een veroordeelde nadat hij al was geëxecuteerd op een traditionele manier volgende de Joodse wet: door steniging, verbranding, wurging of onthoofding. In andere passages (Genesis 40:19 en Esther 7:10) wordt al gerefereerd aan de traditie van ophanging, kruisiging of spietsen, bij de oude Egyptenaren en de Perzen, maar ook hier zijn deze interpretaties niet onomstreden. Hoewel kruisiging dus waarschijnlijk niet tot het vroegste Joodse recht behoorde, lijkt het mogelijk dat door de Romeinse invloed deze doodstraf ook nadien werd toegepast bij misdaden waarbij de misdadiger op een zo beschamend mogelijke manier moest worden terechtgesteld.

Hoewel de historiciteit van Jezus intussen niet echt meer wordt betwijfeld, blijven er toch nog heel wat onzekerheden (o.a. over de datering in het jaar 30 of 33) bestaan over het kruisigingsverhaal dat ons voornamelijk is overgeleverd via de vier evangelisten. Wat betreft het waarom van zijn veroordeling tot het kruis door Pontius Pilatus, prefect van Judaea (praefectus Iudaeae) kunnen we vermoeden dat het hier om zogenaamde majesteitsschennis gaat. Kajafas, de hogepriester van de Joodse tempel in Jeruzalem, ondervroeg Jezus na zijn veroordeling door de Joodse raad of sanhedrin (die de wettelijke veroordeling tot de doodstraf overlieten aan de Romeinen) over zijn claim als messias of ‘Koning der Joden’. De bestraffing van deze vorm van hoogverraad (vroeger bekend als perduellio, maar in Jezus’ tijd waarschijnlijk al gekend onder de term maiestas) was tijdens de regering van Tiberius een gekende manier om politieke tegenstanders uit de weg te ruimen.

Over de prelude naar de executie kunnen we uit uit de evangelies (Matteüs 27:27, Marcus 15:15, Lucas 23:16, Johannes 19:1) en ook uit de Eerste brief van Petrus (2:24) afleiden dat ook Jezus naar Romeins gebruik eerst afgeranseld werd in het praetorium en mogelijk ontdaan werd van zijn kleding, waarschijnlijk met meer dan 39 zweepslagen zoals het Joods recht voorschrijft (Deuteronomium 25:3). Daarna werd hij nog bespot en geslagen door Romeinse soldaten en de vazalkoning van Galilea en en Perea, Herodes Antipas (Lucas 23:11), die hem tooiden met een rode (Matteüs 27:28) of purperen (Marcus 15:17) toga -een verwijzing naar zijn zogenaamde koningschap-, een houten staf als scepter en een doornenkroon. Vervolgens moest hij (al dan niet met hulp van Simon van Cyrene) het kruis – waarschijnlijk enkel met de patibulum of dwarsbalk zoals bleek uit Plautus – dragen naar de plaats van zijn executie buiten de muren van Jeruzalem, Golgotha.

Aangekomen op de plaats van executie werd een titulus met het opschrift ‘Jezus van Nazareth, Koning der Joden’ werd in drie talen (Hebreeuws, Latijn en Grieks) aangebracht volgens Johannes (19:20; de drie andere evangelisten vermelden een kortere variant op ‘Koning der Joden’). Over de concrete uitvoering van de kruisiging worden we weinig wijzer, buiten het feit dat dezelfde evangelist nog beschrijft dat een Romeinse soldaat met zijn lans een steekwonde aanbracht in de zij van Jezus (mogelijk de oorzaak van zijn dood). Zijn benen werden ook niet meer gebroken, omdat de soldaten merkten dat hij net daarvoor gestorven was, iets dat wel gebeurde met de twee misdadigers die naast hem waren gekruisigd (Johannes 19:30-34). Dat Christus gekruisigd werd met nagels lijkt aannemelijk, het archeologische bewijs -hoewel: testis unus testis nullus– ondersteunt op zijn minst het nagelen van de voeten aan het kruis en de armen gespreid. De stigmata aan zijn handen (Johannes 20:25) kunnen erop wijzen dat hetzelfde ook gebeurde met zijn handen. Dit alles zou ook betekenen dat Jezus aan een samengesteld kruis werd gekruisigd en niet simpelweg aan een rechtopstaand crux simplex, zoals sommige geleerden hebben proberen aantonen. De Alexamenos-grafitto, een mogelijke afbeelding van Jezus’ dood gevonden in de buurt van de Palatijnse heuvel in Rome en waarschijnlijk stammend uit de 3de eeuw n.C., lijkt dit te bevestigen, hoewel ook hierover de meningen uiteenlopen.

Kruisigingsscène uit de film ‘The Passion of the Christ’ (2004) van Mel Gibson

Volgens Marcus (15:25) gebeurde de kruisiging van Jezus tijdens het derde uur (om ongeveer 9 uur ’s ochtends) en duurde zijn doodstrijd zes uur. Dat zou extreem lang zijn, tenzij een voet- of zitbank zou zijn gebruikt zodat het zuurstoftekort pas na enkele uren zou optreden. Johannes (19:14) beschrijft de uitvoering van de doodstraf aan het kruis op het zesde uur (rond de middag). Dat Christus met zijn laatste adem nog enkele woorden kon uitspreken lijkt onwaarschijnlijk en past vooral binnen de religieuze context van het messiasverhaal.

Nadien werd het lichaam van Jezus nog opgevraagd bij Pilatus. Zowel bij Matteüs, Lucas als Marcus vinden we het verhaal dat Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam te mogen begraven en dat de Romeinse prefect dit toestond. Het vervolg van het verhaal en Christus’ verrijzenis die elk jaar nog wordt herdacht met Pasen kennen we.

Conclusie

De kruisiging van Jezus was zowel een logische als een onlogische straf in het historische perspectief van het gebruik van deze executiemethode. Hoewel de Romeinen kruisiging niet hebben uitgevonden, hebben ze deze gruwelijke vorm van terechtstelling wel afgeleid van de methode om terdoodveroordeelden of reeds geëxecuteerde personen aan een paal te spietsen en geperfectioneerd. Deze zware straf werd normaal gezien enkel uitgesproken tegen slaven, vreemdelingen, revolutionairen of zware criminelen die geen Romeins burgerrecht bezaten (enkele uitzonderingen zoals deserteurs niet te na gesproken). Ook na Jezus kennen we nog verschillende voorbeelden van gekruisigde christenen, van wie sommigen zoals de apostelen Petrus en Andreas later ook heilig werden verklaard.

Zoals uit de literaire bronnen blijkt, was kruisiging ook een manier om een veroordeelde te vernederen – een teken van schande – en zwaar te doen afzien tijdens het volledige proces. In de meeste gevallen zal een combinatie van zuurstoftekort, wonden opgelopen bij het martelen voor de executie en andere lichamelijke verschijnselen ten gevolge van het kruisigen tot de dood hebben geleid. In Jezus’ geval kunnen we ervan uitgaan dat hij een te grote politieke tegenstander (verzwaard door zijn voorstelling als ‘Koning der joden’) van zowel de heersende Joodse klasse als de Romeinen zal zijn geworden, waarna ook tegen hem de doodstraf door kruisiging werd uitgesproken. Over de details van de kruisiging, net zoals over de methode zelf, heerst nog veel controverse, gaande van het gebruikte materiaal tot de exacte omstandigheden.

Uiteindelijk zou het nog duren tot Constantijn de Grote aan het begin van de 4de eeuw n.C. kruisiging als executiemethode zou verbieden. Dit verbod, waarvan geen edict is teruggevonden, maar enkel een passage bij Sozomenus (Historia Ecclesiastica I,8,13), werd volgens de historiograaf Aurelius Victor (De Caesaribus, XLI,4) meer ingegeven door des keizers menselijkheid, dan door religieuze overtuigingen. De christelijke bekeerling, astroloog en schrijver Firmicus Maternus, een tijdgenoot van Constantijn die nog schreef onder diens opvolgers, gebruikt in zijn voorspellingen kruisiging als voorbeeld van een traditionele doodstraf (Mathesis VIII,7; VIII,25). De duidelijkste wettekst die een verbod instelt op kruisigingen is de codex van keizer Theodosius II (Codex Theodosianus), die werd uitgevaardigd in 438/439 n.C., meer dan een eeuw later dan keizer Constantijn, hoewel de doodstraf in gebruik bleef voor slaven die tegen hun meester samenzwoeren (IX,5,1,1). In sommige landen in het Midden-Oosten bestaat kruisiging als executiemethode ook nog vandaag de dag.

Lees meer

Cook, J. G. (2014), Crucifixion in the Mediterranean World, Tübingen.

Hengel, M. (1977), Crucifixion in the Ancient World and the Folly of the Message of the Cross, Philadelphia.

Kuhn, H.-W. (1982), “Die Kreuzesstrafe während der frühen Kaiserzeit. Ihre Wirklichkeit und Wertung in der Umwelt des Urchristentums” in ANRW II/25.1, pp. 648-793.

Robison, J. C. (2002). “Crucifixion in the Roman World: The Use of Nails at the Time of Christ.” Studia Antiqua 2.1.

Samuelsson, G., (2013), Crucifixion in Antiquity. An Inquiry into the Background of the New Testament Terminology of Crucifixion (2nd edition), Tübingen.

Coverfoto: schilderij ‘De kruisiging’ door Giovanni di Paolo di Grazia (ca. 1447), uit het Rijksmuseum

Update I: dit artikel werd begin 2020 aangevuld met het archeologisch bewijs uit Gavello na de wetenschappelijke publicatie in: Gualdi-Russo, E. et al. (2019), “A multidisciplinary study of calcaneal trauma in Roman Italy: a possible case of crucifixion?” in Archaeological and Anthropological Sciences 11, pp. 1783–1791.

Update II: dit artikel werd in december 2021 aangevuld met nieuw archeologisch bewijs uit Cambridgeshire dat werd gepubliceerd in: Ingham, D. & Duhig, C. (2021), “Crucifixion in the Fens: Life and Death in Roman Fenstanton” in British Archaeology Magazine, January | February 2022.

Het bericht Aan het kruis genageld: de kruisiging van Jezus in historisch perspectief van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/05/04/2018/aan-het-kruis-genageld-de-kruisiging-van-jezus-in-historisch-perspectief/feed/ 1 779
Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/#respond Thu, 08 Mar 2018 14:47:27 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=700 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Sinds 1908 en de staking van een groep vrouwen in New York staat 8 maart in het teken van Internationale Vrouwendag. Tijd om ook eens te kijken naar befaamde vrouwen uit de Oudheid, waar weinig antieke vrouwen zoveel politieke invloed hadden als Fulvia. Lees hier een uitgebreid portret van deze intrigerende dame.

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Svedomsky-Fulvia.jpg

Weinig antieke vrouwen hadden zoveel politieke invloed als Fulvia Flacca Bambula. Door haar drie huwelijken, telkens met een belangrijke politicus, was zij nauw betrokken bij de strijd om de macht in de woelige 1ste eeuw v.C. Fulvia is minder bekend – thanks, HBO – maar zeker niet minder fascinerend dan illustere tijdgenotes als Cleopatra of Octavia. Zo was ze de eerste sterfelijke vrouw die op een Romeinse munt opdook. Haar invloed was de toekomstige keizer Augustus zo’n doorn in het oog dat hij in zijn pen kroop om een vulgair epigram te schrijven om haar te belasteren. Later is ze dan ook vooral bekend geworden voor de scène waarin ze uit wraak haarspelden door Cicero’s tong gestoken zou hebben.

Fulvia en het hoofd van Cicero: vol verwachting houdt ze in dit schilderij van Maura y Montaner de haarspelden in de aanslag.

In moderne tijden groeide Fulvia als sterke vrouw uit tot een icoon van het feminisme. In de Oudheid werd haar politieke en vermeende militaire optreden haar echter niet in dank afgenomen door de geschiedschrijvers, niet toevallig mannen uit de gegoede klasse. Zij schetsen het beeld van een dominante, hebzuchtige en wrede ‘virago‘, een vrouw die alle gendergrenzen overschrijdt. Dit onfraaie beeld leert ons weliswaar veel over hoe hevig (mannelijke) Romeinen reageerden op vrouwen die zich in de publieke ruimte waagden, maar het betekent ook dat het moeilijk is om uitspraken te doen over de historische Fulvia, wat op zichzelf natuurlijk veelzeggend is. Laat ons toch een poging ondernemen.

Vrouwen in de Late Republiek

Net als ieder ander was Fulvia een kind van haar tijd, en haar lotgevallen kunnen niet los gezien worden van de uitzonderlijke omstandigheden waarin ze leefde. Traditioneel hadden Romeinse vrouwen weinig rechten. Ze mochten niet stemmen, hadden niet het recht in beroep te gaan en wettelijk gezien waren ze eeuwig minderjarig en dus onderhevig aan de voogdij van een mannelijke verwant. Ten gevolge van de burgeroorlogen van de 1ste eeuw v.C. kwam er verandering in de situatie van de Romeinse vrouw. Door de lange afwezigheid of zelfs de dood van vele mannelijke familieden was er op het thuisfront geen machtige pater familias meer. Bovendien waren er vaak meerdere generaties van mannen bij het krijgsgebeuren betrokken, waardoor vrouwen grote sommen geld erfden. Vooral vrouwen uit de hogere klassen, zoals Fulvia, maakten van deze situatie gebruik om zich meer te laten gelden in de publieke sfeer.

Voor Romeinse vrouwen was het devies sois belle et tais-toi

Het bewogen leven van Fulvia

We ontmoeten Fulvia voor het eerst in 60 v.C., bij haar eerste huwelijk met de beruchte demagoog Clodius, bekend van zijn bittere vete met Cicero. Haar eerste publieke optreden vond plaats op de begrafenis van Clodius, die tijdens een gewelddadige confrontatie – hoe kon het ook anders in de 1ste eeuw v.C. – vermoord was door de bodyguards van zijn politieke tegenstander Milo, een bekende scène voor wie in de middelbare school Latijn volgde. Minder bekend is dat Fulvia zijn lichaam door de straten van Rome droeg en zoveel misbaar maakte dat er rellen uitbraken en Clodius’ aanhangers hem prompt cremeerden, tezamen met het Romeinse senaatsgebouw. Fulvia slaagde er daarna in om de loyaliteit van Clodius’ medestanders vast te houden, en gecombineerd met haar aanzienlijk fortuin maakte dit haar tot een macht om rekening mee te houden. In 52 v.C. hertrouwde ze met Gaius Scribonius Curio, een andere vooraanstaande politicus uit de partij van Clodius en Caesar. Al snel kwam ook Curio echter op gewelddadige wijze aan zijn einde.

De Curia Iulia, de vervanger van de met Clodius in de vlammen opgegane Curia Cornelia

Het bekendst, of beruchtst, is Fulvia van haar derde huwelijk, met de triumvir Marcus Antonius. Gedurende de hele woelige periode 47-40 v.C. stond ze haar echtgenoot bij in diens strijd met Cicero en Octavianus, de toekomstige keizer Augustus. Vooral over deze periode zijn de bronnen heel negatief: zij zou uit eigenbelang haar man gedomineerd hebben, en hij zou met haar getrouwd zijn omwille van haar geld. Het koppel zou “provincies en koninkrijken bij opbod verkocht hebben”. Daarnaast zouden ze in grote mate verantwoordelijk geweest zijn voor de bloederige proscripties, waarbij vijanden van het triumviraat ter dood veroordeeld werden en hun bezit geconfisqueerd. Zo zou Fulvia volgens één bron haar buurman op de proscriptielijst geplaatst hebben, omdat die zijn huis niet aan haar had willen verkopen. Ook Cicero werd het slachtoffer van deze praktijk. Verder bemiddelde Fulvia meermaals direct bij de senaat wanneer die Antonius tot staatsvijand wilde uitroepen. Volgens Cassius Dio was zij de echte consul wanneer Antonius en Octavianus niet in Rome waren, eerder dan de verkozenen. Kortom, Fulvia was een bezige bij.

Het sluitstuk van Fulvia’s publieke carrière was de zogenaamde Perusinische Oorlog. In 41 v.C., toen Marcus Antonius zelf in het oosten was – en voor het eerst kennismaakte met Cleopatra! – verdedigde ze de belangen van haar echtgenoot, samen met diens broer Lucius, bij de verdeling van gronden aan veteranen in Italië. Dit leidde tot spanningen met Octavianus, die deze belangrijke groep ook aan zich wilde binden. Uiteindelijk mondden deze spanningen uit in een gewapend conflict. Volgens sommige latere bronnen voerde Fulvia in eigen persoon de troepen aan. Na enkele maanden moesten Lucius en Fulvia zich terugtrekken in Perusia, het huidige Perugia, dat daarop belegerd werd. Uitgehongerd gaven ze zich na een tijd over en Fulvia vluchtte naar Griekenland, waar ze door Antonius in de steek gelaten werd. Niet veel later stierf ze. Dit kwam goed uit voor Antonius en Octavianus, die de schuld voor hun conflict op Fulvia afschoven en aldus (voor even) vrede sloten.

Munt geslagen door Marcus Antonius. De voorzijde toont de gevleugelde godin Victoria, naar verluidt met de gelaatstrekken van Fulvia, maar de toeschrijving is onzeker

Een vernietigend portret

Hoe groot Fulvia’s rol in deze gebeurtenissen echt was, is moeilijk te bepalen. Dat heeft alles te maken met de bronnen die over haar schrijven. De bewaarde werken zijn namelijk zo goed als allemaal van de hand van auteurs die Fulvia en haar echtgenoten vijandig gezind waren. Tijdens haar leven schreef vooral Cicero over Fulvia. Cicero vocht bittere vetes uit met zowel Clodius als Marcus Antonius. Aan die laatste wijdde Cicero zijn Philippicae, een reeks beschadigende redevoeringen, en het is in deze teksten dat hij Fulvia opvoert als een wrede, hebzuchtige en dominante vrouw om de zwakte van Antonius te benadrukken. Anderzijds zag hij in Fulvia mogelijk ook de opvolgster van zijn rivaal Clodius.

Octavianus: niet zo deugdzaam als hij liet uitschijnen, maar wel een meesterlijk propagandist

Ook de propagandamachine van Octavianus werkte in die tijd op volle toeren. Via Martialis is er een epigram van Octavianus zelf overgeleverd waarin die refereert aan de affaire tussen Marcus Antonius en Glaphyra, de koningin van Cappadocië. De toekomstige keizer schrijft dat Fulvia hem dan voor de keuze stelde: eveneens ontucht plegen, of vechten. Octavianus laat ons daarop weten dat “zijn lul hem dierbaarder is dan zijn leven” en dat hij daarom het gevecht aangaat. De toekomstige keizer van Rome lijkt hier dus niet ver boven het niveau van de gemiddelde ‘online troll’ verheven geweest te zijn.

Dit negatieve beeld oefende een grote fascinatie en tegelijk ook afkeer uit op latere geschiedschrijvers, steevast mannen die tot de hogere klassen behoorden. Plutarchus, die in het algemeen al een vrij negatief vrouwbeeld had, noemt haar “een vrouwtje dat niet gaf om spinnen of huishoudelijk werk”, zij wilde “niet enkel regeren over een gewoon burger, maar heersen over een heerser en een commandant commanderen”. Volgens Paterculus “had zij niets van een vrouw, behalve het lichaam”. Cassius Dio gaat het verst in zijn negatieve typering, en het is aan hem dat we de scène met het hoofd van Cicero te danken hebben. Hij schrijft hierover:

Fulvia nam het hoofd in haar handen voor het werd weggehaald en begon er vreselijk tegen uit te varen. Ze zette het op haar knieën, maakte de mond open, trok de tong naar buiten en stak daar een van haar haarpinnen doorheen. Daarbij maakte ze ook nog allerlei smerige, sarcastische opmerkingen. (vertaling G. De Vries)

Fulvia: een “gevaarlijke” vrouw

Wat moeten we nu met de overgeleverde informatie? De bronnen zijn duidelijk gekleurd, en de auteurs gebruikten Fulvia elk voor hun eigen doeleinden. Haar dominante rol moest voor Cicero en Plutarchus in de eerste plaats de zwakte van Antonius in de verf zetten. Haar wreedheid vinden we dan weer terug in de passages over de proscripties. Door de rol van Octavianus’ tegenstanders uit te vergroten, wilden diens propagandisten, zoals Cassius Dio, de verantwoordelijkheid van de toekomstige keizer in deze pijnlijke gebeurtenissen verdoezelen. Bovendien komen vrouwen zelden toevallig voor bij de antieke auteurs. Zij waren moralistisch geïnspireerd en de vrouwen die ze opvoerden, fungeerden als voorbeelden van hoe het wel of – in dit geval – niet moest. Dit maakt het heel moeilijk om Fulvia’s ware rol in de gebeurtenissen te achterhalen.

Romeinse slingerkogel met inscriptie

Haar prominente aanwezigheid in de bronnen wijst er op zijn minst op dat Fulvia een bekend en invloedrijk figuur was. Dat ze zeker een rol gespeeld heeft, wordt ook aangetoond door archeologische bronnen. In de buurt van Perugia zijn slingerprojectielen opgegraven met obscene boodschappen – om de lezer gerust te stellen: af en toe schreven de Romeinen ook nog niet-obscene boodschappen – aan haar adres. Dit bewijst dat de vijandige soldaten haar goed genoeg kenden om zich rechtstreeks tot haar te richten. Stond zij werkelijk bevelen te roepen vanop de muren van Perugia, met het zwaard in de hand? Waarschijnlijk niet, maar het is wel aannemelijk dat zij haar politieke invloed aanwendde in de publieke ruimte.

 

Dat verklaart waarschijnlijk de hevige reactie van de antieke auteurs. Politieke en zeker militaire activiteiten waren typisch mannelijke prerogatieven, die de positie van de man in de maatschappij moesten legitimeren. Ook het publiek spreken was een belangrijk element van de mannelijke identiteit. Het beeld van een vrouw met te veel macht ondermijnde de sociale structuren en duidde op een maatschappij in crisis, wat de Romeinse mannen angst aanjoeg. Augustus’ agressieve epigram kan trouwens ook gelezen worden als een poging om zijn eigen mannelijkheid te bevestigen. Deze opvattingen leidden zeker bij de latere auteurs, die Fulvia’s werkelijke rol niet meer konden onderscheiden van de propaganda, tot uitingen van afkeer en tot het beeld van een dominant manwijf. In die latere tijden was er overigens geen ruimte meer voor zulke directe vrouwelijke invloed, een erfenis van Augustus’ hervormingen. De geschiedenis is dus geen lineaire vooruitgang naar een betere wereld voor iedereen. Dat besef is ook vandaag nog relevant, want er zijn nog steeds mannelijke stemmen die de vrouwelijke het liefst het zwijgen zouden opleggen.

Coverfoto: schilderij ‘Fulvia with the head of Cicero’ van Pavel Svedomsky (1849-1904) op Wikimedia (Public Domain)

Het bericht Fulvia, de vrouw die niets voor het huishouden voelde van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/03/2018/fulvia-de-vrouw-die-niets-voor-het-huishouden-voelde/feed/ 0 700
À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/ https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/#respond Wed, 14 Feb 2018 16:00:59 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=635 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Turner_Ovid_Banished_from_Rome.jpg

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk De kunst der vrijage, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17n.C.), namelijk ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949). In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Meihuizen-De kunst der vrijage

Titelpagina van De kunst der vrijage

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk – of ondeugend? – om een lijst te geven van de weggelaten passages:

“Onvertaald bleven de versregels I 182-204, 283-288, 327-340, 407-408, 681-704, 741-744. II 217, 401-406, 684, 690-692, 703-733. III 11-12, 769-788, 793-808.”

Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding van zijn vertaling van de Amores:

“De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.”

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages uit de Ars Amatoria op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische en/of historische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Ars Amatoria I, 181b-204

Deze passage maakt deel uit van een uitweiding bij één van de tips die Ovidius geeft over plaatsen waar je als vrijgezel “op jacht” kan gaan. Eén mogelijke gelegenheid is een triomftocht. Bij triomftochten is een link met de politiek nooit ver weg en Ovidius grijpt de gelegenheid dan ook aan om een lofzang op af te steken. Het is in deze lofzang dat Meihuizen een stuk weglaat. Zijn vertaling gaat als volgt:

“Ziet, Keizer Augustus maakt zich gereed, het deel, dat nog aan de veroverde wereld ontbreekt, aan zijn heerschappij toe te voegen. Nu zal het uiterste Oosten ons worden! Parthen, gij zult boeten! Gij Romeinen, die met Crassus sneuveldet, verheugt U in Uwe graven en eveneens gij, veldteekens, die de barbaarsche handen, waarin ge vielt, niet kondt uitstaan! Uw wreker komt!”

Om deze passage als leek te begrijpen, hoeft men in principe niet te weten dat Ovidius hier doelt op het recupereren van de veldtekens van de Romeinse legioenen die onder leiding van Crassus in 53 v.C. bij Carrhae verslagen werden door de Parthen. Augustus kon ze in 20 v.C. na onderhandelingen terug naar Rome halen en stelde ze op in de tempel van Mars Ultor, ‘Mars de Wreker’, hetgeen meteen ook de woordspeling met wreker in de tekst verklaart. Op die manier kregen de Romeinen eerherstel, want het verlies van de legioensadelaar was een erezaak en men deed er dan ook alles aan om de veldtekens te recupereren. Een mooi voorbeeld hiervan wordt uitgewerkt in de film The Eagle uit 2011.

Eén element is wel belangrijk om in het achterhoofd te houden: in Meihuizens vertaling staat ‘Augustus’, maar de Latijnse tekst heeft ‘Caesar’. Het kan dus ook om iemand anders van de keizerlijke familie gaan. Dit wordt duidelijk in het weggelaten vervolg. Om de volgende passage te begrijpen, is echter een betere achtergrondkennis vereist.

Ars Amatoria I, 181b-204

Ultor adest primisque ducem profitetur in annis
Bellaque non puero tractat agenda puer.
Parcite natales timidi numerare deorum:
Caesaribus virtus contigit ante diem.
Ingenium caeleste suis velocius annis
Surgit, et ignavae fert male damna morae.
Parvus erat, manibusque duos Tirynthius angues
Pressit, et in cunis iam Iove dignus erat.
Nunc quoque qui puer es, quantus tum, Bacche, fuisti,
Cum timuit thyrsos India victa tuos?
Auspiciis annisque patris, puer, arma movebis,
Et vinces annis auspiciisque patris:
Tale rudimentum tanto sub nomine debes,
Nunc iuvenum princeps, deinde future senum;
Cum tibi sint fratres, fratres ulciscere laesos:
Cumque pater tibi sit, iura tuere patris.
Induit arma tibi genitor patriaeque tuusque:
Hostis ab invito regna parente rapit;
Tu pia tela feres, sceleratas ille sagittas:
Stabit pro signis iusque piumque tuis.
Vincuntur causa Parthi: vincantur et armis;
Eoas Latio dux meus addat opes.
Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti:
Nam deus e vobis alter es, alter eris.
De wreker komt en laat reeds op vroege leeftijd de leider zien

Vertaling

En als jongen voert hij oorlogen die niet door een jongen gevoerd zouden moeten worden.
Zie ervan af angstvallig de levensjaren van goden te tellen:
Leiderskwaliteiten komen bij de Caesares voor hun tijd.
Hun hemelse inborst toont zich sneller dan hun jaren
En verdraagt de vloek van passief uitstel slecht.
De Tirynthiër was nog klein toen hij met zijn handen twee slangen wurgde
En hij was in de wieg reeds Jupiter waard.
En jij, Bacchus, die ook nu nog een jongen bent, zoals ook toen,
Toen het overwonnen India jouw thyrsus vreesde?
Met goede voortekens en de geesteskracht van je vader zal je, jongen, de oorlog beëindigen,
En je zal overwinnen door de geesteskracht en de goede voortekens van je vader.
Een dergelijke jeugd ben je aan een dergelijke naam verschuldigd,
Jij die nu de keizer van de jongeren bent en later die van de oude senatoren zal zijn;
Aangezien je broeders hebt: wreek je gekrenkte broeders,
En aangezien je een vader hebt: heb aandacht voor de wetten van je vader.
Je vader voorzag je van wapens, die vader des vaderlands en ook de jouwe:
De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.
Jij draagt rechtschapen speren, de vijand misdadige pijlen.
Het recht en elk rechtschapen man staan bij jouw veldtekens.
De Parthen worden moreel overwonnen, mogen ze ook met de wapens overwonnen worden
En moge mijn leider de oosterse rijkdommen in Latium binnenbrengen.
Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat,
Want van u is de ene een god en zal de ander het worden.

Gaius Caesar, kleinzoon van keizer Augustus

De uitweiding over leeftijden in het begin van deze passage heeft meerdere betekenissen. Ten eerste kreeg Augustus zelf in 43 v.C. – op twintigjarige leeftijd – van de Senaat de toestemming om alle politieke ambten van de cursus honorum tien jaar voor de door de ‘Lex Villia Annalis’ vastgestelde leeftijd op te nemen. Deze passage kan dus gelezen worden als een verantwoording van deze maatregel, die zeer moeilijk verteerbaar was voor de anders zo behoudsgezinde Romeinen. Ten tweede – en dat is in de context van de oorlog tegen de Parthen- kan het meervoud ‘Caesaribus‘, hoewel Augustus hier waarschijnlijk inbegrepen is, slaan op Augustus’ kleinzonen Gaius en Lucius, die beiden op vijftienjarige leeftijd – respectievelijk in 5 en 2 v.C. – van de Senaat de toestemming kregen om vijf jaar nadien op hun twintigste consul te worden. Daarbij werden ze ook beiden benoemd tot princeps iuventutis, leider van de jeugd, en het is duidelijk dat Ovidius daarop alludeert met de formulering iuvenum princeps, hier vertaald met keizer van de jongeren, omdat princeps ook de titel was van de keizer. De hele passage is daardoor ook een verdediging van een opkomende dynastieke opvolging op basis van geboorte, die geleidelijk de republikeinse instellingen buitenspel zette, zonder ze echter formeel af te schaffen. Daar komt nog bij dat Gaius op zijn twintigste het bevel had over de strijdmacht die in het oosten tegen de Parthen moest strijden, in opdracht van Augustus. Het was ook hij die met de Parthische koning Phraates V de onderhandelingen voerde voor het teruggeven van de legioensadelaar van Crassus. Het spreekt voor zich dat deze achtergrondkennis voor een groot deel zo niet geheel ontbreekt bij Meihuizens beoogde doelpubliek, de “hedendaagsche mensch”, die minder in detail of zelfs helemaal niet op de hoogte is van het bovenstaande.

Caravaggio’s interpretatie van de god Bacchus

De ingenomen stellingen over de keizer en zijn familie worden vervolgens gestaafd met mythologische voorbeelden, die, zoals zo vaak in antieke teksten, tamelijk cryptisch zijn. Zo is de Tirynthiër waarvan hier sprake is, niemand minder dan Hercules, die volgens de mythologie inderdaad in Tiryns geboren werd. Omdat hij een buitenechtelijk kind van Jupiter en Alcmene was, stuurde Jupiters vrouw Juno twee slangen op hem af om hem in de wieg te doden. Hercules wurgde deze echter.

Een bacchante weert een sater die ongewenste avances maakt af met haar thyrsus. Attische roodfigurige kylix, ca. 480 v.C.

De god Bacchus die vervolgens vernoemd wordt, was volgens de klassieke mythologie inderdaad afkomstig uit het oosten en in die context wordt India vaak specifiek genoemd. In de iconografie wordt hij traditioneel voorgesteld als een jongeman, met zelfs androgyne kenmerken. Beide vergelijkingen hebben ook nog een extra lading: zowel Hercules als Bacchus waren halfgoden, zonen van Jupiter en een sterfelijke moeder, die beiden vergoddelijkt werden. Een parallel met de vergoddelijking van de Romeinse keizers is uiteraard niet ver te zoeken. In de context van de cultus van Bacchus – of in het Grieks: Dionysos – duikt ook de θύρσος (thyrsos) op, waarbij de lezer geacht wordt te weten dat het hier gaat om de met klimop- en wijnranken versierde staf die een traditioneel attribuut was van elke vereerder van Bacchus.

Wanneer we verder lezen, komen we ook het volgende zinnetje tegen: “De vijand heeft een onwillige vader de heerschappij ontnomen.” (Hostis ab invito regna parente rapit.) Meihuizens vertaling van ‘Caesar’ door ‘Augustus’ zorgt ervoor dat we bij dit zinnetje meteen denken aan de moord op Augustus’ adoptiefvader, Gaius Julius Caesar (100 v.C. – 44 v.C.). In de context van de oorlog tegen de Parthen is dit echter onmogelijk en het is dan ook waarschijnlijker dat het hier gaat om de moord op de Parthische koning Phraates IV door diens zoon Phraates V, met medewerking van Musa, één van de vrouwen van Phraates IV en de moeder van Phraates V.

Munt met rechts Phraates V en links zijn moeder Musa

Een laatste element dat voor de niet-gespecialiseerde lezer waarschijnlijk te veel uitleg behoefde – althans naar de zin van Meihuizen – is te vinden in de laatste regels: “Vader Mars en Vader Caesar, geeft uw goddelijke instemming aan hem die gaat, want van u is de ene een god en zal de ander het worden.” (Marsque pater Caesarque pater, date numen eunti: nam deus e vobis alter es, alter eris.) Naast het feit dat de praktijk van de vergoddelijking van keizers misschien niet algemeen bekend is bij het lezerspubliek, is er ook hier een ‘Caesar die in theorie verschillende interpretaties kan hebben. In de lijn van Meihuizens vertaling van de eerste ‘Caesarin de tekst (Augustus), zou dit dan de vergoddelijkte Julius Caesar moeten zijn, waarbij ‘pater’ zowel als godentitel gebruikt wordt als in de letterlijke betekenis vader. De passage gaat echter over Gaius, dus moet hier Gaius’ grootvader, Augustus, bedoeld worden. In dit geval kan ‘pater’ enkel als godentitel opgevat worden. Aangezien de keizers pas na hun dood officieel vergoddelijkt werden, gaat het hier dus om een voorbarige – maar wel vleiende – toekenning van de titel. Ovidius hakt voor ons de knoop door in de laatste regel: Caesar zal een god zijn, dus de Caesar die hier bedoeld wordt, moet nog vergoddelijkt worden en is dus Augustus.

Wanneer we al het voorgaande in beschouwing nemen, is deze passage dus een perfecte illustratie van Meihuizens redenering: passages die te veel voorkennis veronderstellen, worden geschrapt. In dit geval wordt de Caesar die vernoemd wordt als wreker geïdentificeerd met Augustus en niet met de voor een breed publiek onbekende Gaius. De passage die geschrapt wordt zou deze vertaling tegenspreken en deze weglating komt Meihuizen dus zeer goed uit.

Ars Amatoria I, 283-288

“Is bij ons mannen alom gebruikelijk niet zoo maar om liefde te verzoeken; de vrouw zal, als ze eenmaal door liefde bevangen is, gaarne een smeekende rol vervullen. In de weiden loeien de koeien immers om den stier en hinneken (sic) de merries om den hengst. Bij ons mannen is de hartstocht niet zoo hevig, noch leidt ze tot onzinnige dingen. Maar bij de vrouwen! De oude mythen kennen er tal van afschuwelijke voorbeelden van.”

De laatste zin is Meihuizens parafrase van de volgende weggelaten regels, die een paar korte voorbeelden geven van de voorgaande stelling, alvorens over te gaan naar het veel langer uitgesponnen verhaal van Pasiphaë dat ook als illustratie dient. De weggelaten regels zijn de volgende:

Ars Amatoria I, 283-288

Byblida quid referam, vetito quae fratris amore
Arsit et est laqueo fortiter ulta nefas?
Myrrha patrem, sed non qua filia debet, amavit,
Et nunc obducto cortice pressa latet:
Illius lacrimis, quas arbore fundit odora,
Unguimur, et dominae nomina gutta tenet.

Vertaling

Waarom zou ik Byblis vermelden, die van een verboden liefde voor haar broer
Brandde en met de strop dapper wraak nam voor deze misdaad?
Myrrha hield van haar vader, maar niet op de manier waarop het een dochter betaamt
En nu is ze verborgen, neergedrukt door een bast die over haar heen is getrokken:
Door haar tranen, die ze vanuit de geurige boom plengt,
Worden wij geparfumeerd, en de druppel draagt de naam van zijn meesteres.

Het gaat hier om een geval van wat men in de retoriek praeteritio noemt, een vermelding van iets door te zeggen dat men het niet gaat vermelden. Dat het hier in beide gevallen gaat om gevallen van incest, is waarschijnlijk niet de reden dat Meihuizen de passages laat wegvallen, want het verhaal van hoe de stier van Poseidon bij Pasiphaë de Minotaurus verwekte, wordt wel verteld. De oorzaak ligt eerder bij de niet geëxpliciteerde achtergrondkennis die nodig is om de verwijzingen te begrijpen. Omdat de mythen wat meer uitleg verdienen dan deze korte vermelding, geven we deze graag in kort bestek.

Byblis en Caunus

Byblis, dochter van de nimf Ciane en Miletus, de mythische stichter van de Klein-Aziatische stad Milete, werd verliefd op haar broer Caunus en bekende hem haar liefde in een lange brief, ondanks het feit dat ze besefte dat deze gevoelens verkeerd waren. In de brief geeft ze talrijke voorbeelden van incestueuze relaties tussen goden om zich te verantwoorden. Vol walging vlucht Caunus weg. Byblis wordt gek van verdriet en in een poging om Caunus alsnog te verleiden, achtervolgt ze hem doorheen heel Griekenland en Klein-Azië. Volgens de versie die Ovidius ons zelf geeft in zijn Metamorphoses (IX, 446-665) bezwijkt ze vervolgens aan uitputting en verandert ze in een bron, omdat ze zoveel weent. In een andere versie van de mythe probeert ze zelfmoord te plegen door van een klif te springen, waarbij ze door Hamadryaden, boomnimfen, in een boom(nimf) veranderd werd. In nog een andere versie, waarnaar in ons geval verwezen wordt, hangt ze zich simpelweg op aan haar gordel, net zoals Jocaste doet in Sophocles’ tragedie Oedipus Rex, wanneer ze verneemt dat ze met haar zoon getrouwd is. Ovidius geeft ons dus twee verschillende versies van het verhaal, uiteraard in functie van de aard van het werk: voor de Metamorphoses kiest hij uiteraard de versie waarin wel degelijk een metamorfose voorkomt.

Ook het verhaal van Myrrha wordt door Ovidius in de Metamorphoses (X, 294-559 en 708-739) uitgebreider verteld. Myrrha – in andere versies van de mythe wordt ze Smyrna genoemd – was de dochter van Cinyras van Cyprus en Cenchreis. Toen Cenchreis opschepte dat haar dochter mooiere haren had dan Aphrodite zelf – een klassiek geval van hybris – kon een straf van Aphrodite niet uitblijven: ze wekte in Myrrha een incestueus verlangen naar Cinyras, haar eigen vader. Na zich lange tijd ingehouden te hebben, weet ze haar voedster te overhalen Cinyras dronken te voeren. Wanneer Cinyras dronken gaat slapen, wacht Myrrha hem op -dit heeft veel weg van de manier waarop Lot verleid wordt door zijn dochters in Genesis 19– en weet ze hem te verleiden. Nadat dit zo een paar nachten doorgaat, wil Cinyras toch te weten komen met welke mysterieuze vrouw hij het bed deelt. Wanneer hij bij toortslicht ziet dat het zijn eigen dochter is, wil hij de schande uitwissen door haar met zijn zwaard te doden. Ze vlucht echter naar Arabië, waar de goden haar uit medelijden in een boom veranderden. Haar tranen druppelen uit de schors in de vorm van geurige hars. De boom werd naar haar ‘mirreboom’ genoemd en leverde de bekende kostbare reukstof waarnaar Ovidius in deze passage verwijst. Omdat Myrrha zwanger was van haar vader, barstte de boom na negen maanden open en werd een zoon geboren: Adonis. Toen hij het hoorde, stortte Cinyras zich op zijn eigen zwaard.

De geboorte van Adonis (schilderij van Franceschini)

Het is duidelijk dat alle mythologische toespelingen die in deze weinige regels opeengepakt zijn, de minder ervaren lezer ontgaan en door Meihuizen geheel in overeenstemming met zijn vooropgestelde principe weggelaten worden om meteen over te gaan naar het uitgewerkte verhaal van Pasiphaë, dat veel minder beroep doet op eventuele voorkennis.

Ars Amatoria I, 327-340

Vlak na het afronden van het verhaal van Pasiphaë, wordt alweer een opsomming van verschillende mythen geparafraseerd. Het eerste deel is de parafrase, wat volgt is een vertaling van de verzen 341-342:

En zulke tragedies zijn er meer: alle veroorzaakt door vrouwelijke hartstocht, die heviger en veel razender is dan de onze.

In de oorspronkelijke versie klinkt de parafrase zo:

Ars Amatoria I, 327-340

Cressa Thyesteo si se abstinuisset amore
(Et quantum est uno posse carere viro?),
Non medium rupisset iter, curruque retorto
Auroram versis Phoebus adisset equis.
Filia purpureos Niso furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes.
Qui Martem terra, Neptunum effugit in undis,
Coniugis Atrides victima dira fuit.
Cui non defleta est Ephyraeae flamma Creusae,
Et nece natorum sanguinolenta parens?
Flevit Amyntorides per inania lumina Phoenix:
Hippolytum pavidi diripuistis equi.
Quid fodis inmeritis, Phineu, sua lumina natis?
Poena reversura est in caput ista tuum.

Vertaling

Als de Kretenzische zich had onthouden van de liefde van Thyestes
(En hoe belangrijk is het één man te kunnen missen?),
Dan zou Phoebus zijn tocht niet halfweg onderbroken hebben en met gekeerde wagen
En gekeerde paarden naar de dageraad teruggekeerd zijn.
Nadat Nisus’ purperen haren gestolen waren door zijn dochter
Draagt ze razende honden aan haar middel en onderbuik.
De zoon van Atreus, die op aarde aan Mars, op zee aan Neptunus ontsnapte,
Was het ijzingwekkende slachtoffer van zijn vrouw.
Door wie werd de vlam van de Ephyreïsche Creüsa niet beweend,
En de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder?
De zoon van Amyntor, Phoenix, weende uit lege oogkassen:
Angstige paarden, jullie rukten Hippolytus weg.
Phineus, waarom steek je je onschuldige kinderen de ogen uit?
Deze straf zal op je eigen hoofd neervallen.

De Kretenzische waarvan sprake is Aerope, vrouw van Atreus en moeder van Agamemnon en Menelaos. Atreus zou volgens een orakel over de stad Mycene regeren zolang hij in het bezit was van een lam met een gouden vacht. Aerope stal het lam en gaf het aan haar minnaar Thyestes, de broer van Atreus, zodat hij de troon kon opeisen. Vervolgens lopen de versies uiteen. Volgens de meeste Griekse versies van de mythe beloofde Thyestes Atreus dat hij het koningschap opnieuw zou afstaan “wanneer de zon zou opkomen in het oosten”, hetgeen vervolgens ook gebeurde door toedoen van Zeus en ook nu nog het geval is. Volgens de versie die door de meeste Romeinse auteurs gevolgd wordt, veranderde de koers van de zon echter als rechtstreeks gevolg van de wraak die Atreus nam op Thyestes: hij zette hem zijn eigen zonen als maaltijd voor. In elk geval verwijst Ovidius naar één van beide versies met de vermelding van de zonnewagen van Phoebus (Apollo).

Het verhaal van Scylla, de dochter van Nisus die hier niet met naam genoemd wordt, wordt door Ovidius uitgebreider verteld in Metamorphoses VIII, 6-151. Nisus, de koning van de stad Megara, had volgens de mythe tussen zijn gewone hoofdhaar een magische, purperen streng haar, waardoor hij onoverwinnelijk was. Een orakel had voorspeld dat hij zou sterven en het koninkrijk ten val zou worden gebracht wanneer dat haar werd uitgetrokken. Er brak oorlog uit en de stad werd maandenlang belegerd door koning Minos van Kreta. Scylla merkte Minos op vanaf de stadswallen, werd verliefd op hem en besloot de voorspelling uit eigenbelang te doen uitkomen. Ze trok ’s nachts haar vaders purperen haarlok uit. Haar bedoeling was dat Minos op zijn beurt verliefd zou worden wanneer ze hem de haarlok zou aanbieden, maar het tegenovergestelde gebeurde: Minos verafschuwde het geschenk en veroordeelde haar verraad. Tijdens de daarop volgende strijd stierf Nisus en de Megara viel. Minos was echter niet trots op deze door verraad behaalde overwinning en keerde snel terug naar Kreta. Scylla zwom hem achterna (volgens Ovidius) of werd door Minos met een touw om haar benen door het water gesleept (volgens een andere versie van het verhaal). Toen ze dreigde te verdrinken, veranderde ze opeens in een zeevogel. De gedaanteverandering, bedoeld als bevrijding, bleek toch een straf te zijn toen ze werd aangevallen door een visarend. Op aansturen van Jupiter was Nisus immers teruggekeerd in die gedaante om haar te straffen.

De reden dat Ovidius Scylla hier associeert met honden, is dat hij Scylla, dochter van Nisus, verwart met de nimf Scylla. Toen de zeegod Glaucus haar zijn liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe – bekend uit Homerus Odyssee –  haar uit jaloezie in een zeemonster met de romp en het hoofd van een vrouw, maar uit haar middel groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Zij maakte samen met Charybdis aan de andere kant de Zeestraat van Messina, tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig. Deze zeestraat staat overigens echt bekend als een gevaarlijke zeestraat door de sterke stromingen.

Voorstelling van Scylla op een roodfigurige vaas

Vervolgens keert Ovidius terug naar Mycene: de zoon van Atreus, Agamemnon, werd immers door zijn vrouw Clytaemnestra vermoord toen hij na de Trojaanse Oorlog terug thuis aankwam. Zij nam zo wraak omdat hij hun dochter Iphigenia had geofferd om naar Troje te kunnen varen.

De Ephyreïsche Creüsa‘ was de vrouw met wie Jason wilde trouwen, ten koste van Medea met wie hij reeds getrouwd was. Op die manier kon hij aanspraak maken op de troon van Korinthe (waarvan de oude naam Ephyra was). Medea, de door de moord op haar kinderen van bloed doordrenkte moeder, vermoordde uit wraak Creüsa en haar eigen kinderen die ze met Jason had. Creüsa werd vermoord door een mantel die haar levend verbrandde toen ze hem aantrok, vandaar de vermelding van de vlam in de tekst. Dit verhaal wordt uitgebreid beschreven door de Griekse tragicus Euripides (ca. 480 v.C. – 406 v.C.) in zijn tragedie Medea en Ovidius schreef ook zelf een – jammer genoeg verloren gegane- tragedie met dezelfde titel.

Phoenix, het volgende voorbeeld in de reeks, verleidde op aangeven van zijn moeder de minnares van zijn vader Amyntor, de koning van Ormenium in Thracië. Amyntor nam daarvoor wraak door Phoenix blind te maken. Volgens een andere versie vervloekte hij hem zodat Phoenix geen kinderen zou kunnen verwekken. Ovidius kiest hier duidelijk voor de eerste versie.

Hippolytus, die er door zijn stiefmoeder Phaedra valselijk van beschuldigd werd haar te willen verleiden terwijl het omgekeerde het geval was, stierf in een ongeluk met zijn strijdwagen. Dat werd veroorzaakt door Poseidon op vraag van Hippolytus’ vader Theseus, die zijn zoon wou straffen voor zijn vermeende misdaad.

Phineus, tot slot van dit stukje, was de koning van Salmydessus in Thracië. Op instigatie van zijn tweede vrouw Idaea liet hij zijn twee zonen uit zijn eerste huwelijk blind maken. Zij beschuldigde hen ervan haar geslagen te hebben. Phineus werd vervolgens zelf met blindheid geslagen door de goden, maar verkreeg tegelijk ook profetische gaven.

Het spreekt voor zich dat deze zeer lange opsomming van soms weinig bekende mythen slecht past in het populariserende kraam van Meihuizen. Ook hier is de verklaring voor de weglating van de passage niet ver te zoeken.

Ars Amatoria I, 406-408

Het zijn niet altijd lange passages die door Meihuizen weggelaten worden in zijn vertaling. Korte stukjes zoals dit komen ook in aanmerking voor censuur. In dit deel gaat het over het gunstige moment om een vrouw te verleiden. De vertaling van Meihuizen luidt als volgt:

“Als haar verjaardag nadert, of Maart en April in ’t land zijn, stel Uw poging dan uit.”

Het advies om de verjaardag te vermijden, dat op het eerste zicht wat merkwaardig overkomt, wordt even verder verklaard:

“Ontwijk met bijgeloovige vrees den verjaardag van Uw meisje en beschouw dien dag, waarop ge met een cadeau moet komen, als een ongeluksdag. Hoe ge ook zult trachten eraf te komen, zij zal toch wat van U weten los te krijgen, want de vrouw heeft de kunst uitgevonden aan verliefde vrienden dure dingen te ontrukken.”

We kennen ze allemaal wel: de vlotte schone die iedereen om haar vinger windt…

De vermelding van maart en april behoeft wat meer uitleg. Hiervoor hebben we de volgende weggelaten verzen nodig.

Ars Amatoria I, 406-408

[Sive dies suberit natalis sive Kalendae]
Quas Venerem Marti continuasse iuvat,
Sive erit ornatus non, ut fuit ante, sigillis,
Sed regum positas Circus habebit opes
[Differ opus.]

Vertaling

[Wanneer haar verjaardag nadert, of de Kalenden]
Waarvan het Venus verheugt dat ze aan de maand van Mars grenzen,
Of wanneer de Circus niet, zoals het vroeger was, versierd zal zijn met kleine standbeelden,
Maar nu neergelegde rijkdommen van koningen zal hebben,
[Stel de onderneming dan uit.]

De kalendae waren in de Romeinse kalender de eerste dag van de maand. In dit geval gaat het om de Kalenden die aan de maand van Mars, de maand maart dus, grenzen. Het gaat hier bijgevolg om de eerste dag van de maand april. De maand april was bij de Romeinen de maand van Venus en op de eerste dag van die maand werd Venus gevierd. Ovidius raadt de vrijgezel die op zoek is naar een meisje dus af om een poging te wagen op de dag die het Romeinse equivalent van Valentijnsdag is.

Met de regels die dan volgen, doelt Ovidius op een soort markt rond de Circus Maximus ter gelegenheid van de Sigillaria, een feest dat na de Saturnalia – kort door de bocht: het Romeinse Carnaval – plaatsvond. Tijdens de Sigillaria werden – oorspronkelijk kleine en eenvoudige – standbeelden, sigilla, verkocht om als geschenkje te geven. Deze standbeelden waren ten tijde van Ovidius een pak luxueuzer uitgevoerd en dus veel duurder geworden, zo duur dat ze konden worden bestempeld als “rijkdommen van koningen”. Ook deze dag is dus een zwarte dag voor een minnaar die zijn geldbuidel wat wil sparen.

Ars Amatoria I, 681-704

Deze weggelaten passage is een illustratie bij een verleidingstechniek die we tegenwoordig zouden omschrijven als grensoverschrijdend gedrag:

“Welk verstandig man zal zijn minnetaal niet willen doorspekken met kussen? Mogelijk, dat zij ze niet wil geven, doch dan moet ge maar stelen wat ze niet geeft. Misschien zal ze zich eerst verzetten en “deugniet” tegen U zeggen, maar dan zal ze toch gaarne door Uw gestoei overwonnen worden.”

Er is echter wel zin voor nuance aanwezig:

“Maar, pas op, dat ge met bruut geroofde zoenen haar teedere lippen niet kwetst en dat ze niet kan klagen, dat ge te ruw waart!”

Een uitgebreide illustratie bij het principe van “stelen wat ze niet geeftis de volgende weggelaten passage:

Ars Amatoria I, 681-704

Fabula nota quidem, sed non indigna referri,
Scyrias Haemonio iuncta puella viro.
Iam dea laudatae dederat mala praemia formae
Colle sub Idaeo vincere digna duas:
Iam nurus ad Priamum diverso venerat orbe,
Graiaque in Iliacis moenibus uxor erat:
Iurabant omnes in laesi verba mariti:
Nam dolor unius publica causa fuit.
Turpe, nisi hoc matris precibus tribuisset, Achilles
Veste virum longa dissimulatus erat.
Quid facis, Aeacide? non sunt tua munera lanae;
Tu titulos alia Palladis arte petas.
Quid tibi cum calathis? clipeo manus apta ferendo est:
Pensa quid in dextra, qua cadet Hector, habes?
Reice succinctos operoso stamine fusos!
Quassanda est ista Pelias hasta manu.
Forte erat in thalamo virgo regalis eodem;
Haec illum stupro comperit esse virum.
Viribus illa quidem victa est, ita credere oportet:
Sed voluit vinci viribus illa tamen.
Saepe ‘mane!’ dixit, cum iam properaret Achilles;
Fortia nam posita sumpserat arma colo.
Vis ubi nunc illa est? Quid blanda voce moraris
Auctorem stupri, Deidamia, tui?

Vertaling

Het verhaal is zeker gekend, maar vermelding niet onwaardig,
Een meisje van Scyrus werd verbonden aan de Haemonische man.
Reeds had de godin met de veelgeprezen schoonheid een vergiftigde beloning gegeven,
Zij die het waard was haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida.
Reeds was een schoondochter van een ver continent bij Priamus aangekomen,
En was er een Griekse echtgenote binnen de muren van Ilium:
Allen zwoeren bij de bevelen van de gekrenkte echtgenoot:
Want het leed van één was een openbare zaak.
Op schandelijke wijze, als dit niet aan de smeekbeden van de moeder te wijten was,
Verborg Achilles zijn mannelijkheid onder lange kledij.
Wat doe je, kleinzoon van Aeacus? De wol [spinnen] is jouw werk niet;
Jij moet de eerbewijzen van een andere kunst van Pallas nastreven.
Wat moet je aanvangen met manden? Jouw hand is geschikt om een schild te dragen:
Waarom heb je wol in de rechterhand, waaronder Hector vallen zal?
Gooi dat met veel tijdrovend werk omwikkelde spinrokken weg!
Jouw hand moet de speer van de Pelion drillen.
Door toeval lag een koninklijke maagd in hetzelfde bed;
Zij bemerkte door haar ontering dat hij een man was.
Door geweld werd zij overwonnen, dit moeten we althans geloven:
Maar toch wilde ze door geweld overwonnen worden.
Dikwijls zei ze ‘blijf!’ terwijl Achilles zich al weghaastte;
Want nadat hij de ketel had weggezet nam hij reeds zijn sterke wapens op.
Waar is dat geweld nu? Waarom houd je met een vleiende stem
De dader van jouw ontering tegen, Deidamia?

Deze episode speelt zich af wanneer Achilles op bevel van zijn moeder Thetis als vrouw vermomd onderduikt op Scyrus, om te ontsnappen aan een mobilisatie voor de Trojaanse Oorlog. Hij zou immers een grote aanwinst zijn voor het Griekse leger, maar volgens een orakel zou de oorlog hem het leven kosten, hetgeen Thetis wilde vermijden. Uiteindelijk wordt Achilles ontmaskerd door een list van Odysseus: wanneer hij aankomt op Scyrus spreidt hij een hoop geschenken, waaronder een wapenrusting, tentoon waaruit hij de vrouwen laat kiezen. Op dat moment laat hij echter een alarmsein geven. Achilles, die denkt dat er echt een aanval op komst is, grijpt in een reflex naar de wapens en wordt op die manier ontmaskerd. Het “meisje van Scyrus“, is hier de prinses Deidamia. De “Haemonische manis Achilles, die afkomstig is uit Phthia, dat als oude naam Haemonia draagt. De godin “die het waard was te haar twee rivales te overwinnen op de bergrug van de Ida“, is Venus die het Parisoordeel won op de Idaberg bij Troje. Ook bij deze passage is er veel veronderstelde kennis, hoewel het hier gaat om een overbekende held als Achilles. Meihuizen opteert dus ook hier geheel volgens zijn principe voor het weglaten van de anekdote.

Ars Amatoria I, 741-744

De volgende weggelaten regels zijn een tegenwerping bij een goede raad die Ovidius geeft. Hij raadt immers aan niet te veel op te scheppen over de dame die je op het oog hebt, anders zou een “vriend” wel eens onder je duiven kunnen schieten. Hij geeft vervolgens mythologische tegenvoorbeelden die hij vervolgens weerlegt (een zogenaamde occupatio). Het zijn deze tegenvoorbeelden die door Meihuizen weggelaten worden, alweer omwille van de veelheid aan mythologische informatie die erin samengebald is.

Ars Amatoria I, 741-744

At non Actorides lectum temeravit Achillis:
Quantum ad Pirithoum, Phaedra pudica fuit.
Hermionam Pylades quo Pallada Phoebus, amabat,
Quodque tibi geminus, Tyndari, Castor, erat.

Vertaling

Maar de kleinzoon van Actor heeft het bed van Achilles toch niet onteerd:
Wat Pirithoüs betreft, was Phaedra kuis.
Pylades hield van Hermione zoals Phoebus van Pallas,
en zoals je tweelingbroer Castor voor jou was, dochter van Tyndareus.

De kleinzoon van Actor is Patroclus, de trouwe vriend – en volgens sommige theorieën ook minnaar – van Achilles. Pirithoüs was de vriend van Theseus, die met Phaedra getrouwd was. Dat Phaedra wel plannen tot overspel had, wordt hier subtiel duidelijk:  “Wat Pirithoüs betreft, was ze kuis“, maar niet wanneer het Hippolytus betreft… Pylades, vriend van Orestes, maakte volgens de mythologie geen avances bij diens vrouw Hermione, net zoals Phoebus (Apollo) dat niet deed bij Pallas (Athena), die overigens haar maagdelijkheid wilde bewaren. De dochter van Tyndareus is Helena, de zus van Castor en Pollux. In deze vier verzen worden dus in razende vaart zeer veel mythologische personages geciteerd, soms zelfs enkel met hun vadersnaam, wat het tekstbegrip voor niet-specialisten uiteraard erg bemoeilijkt. Meihuizen lost dit in zijn vertaling alweer op met een parafrase:

“Maar” – zult ge zeggen – “verschillende helden in onze mythen hebben zich toch niet op die wijze misdragen!”

Deze veralgemening is uiteraard makkelijker te verteren dan de uitgebreide mythologische verhalen, maar haalt ook de rijkdom van de tekst weg. De redenering blijft echter duidelijk: vertrouw je vrienden maar niet te veel wanneer het gaat over je amoureuze plannen.

Ars Amatoria II, 216-219

Ook een andere korte weglating wordt opgelost met een parafrase:

“Men meent te weten, dat Hercules te midden van Ionische slavinnen de werkmand ophield en grove wol heeft gekamd.”

Voorafgaand aan dit stukje heeft Ovidius de lezer de raad gegeven er niet voor terug te deinzen kleine werkjes te doen voor je geliefde, ook al zijn het taken die normaal door slaven gedaan worden. Deze passage, die alweer als illustratie dient bij een raadgeving, ziet er in de oorspronkelijke versie zo uit:

Ars Amatoria II, 216-219

Ille, fatigata praebendo monstra noverca
Qui meruit caelum, quod prior ipse tulit,
Inter Ioniacas calathum tenuisse puellas
Creditur, et lanas excoluisse rudes.

Vertaling

Hij die, nadat hij zijn stiefmoeder vermoeid had met monsters op hem af te sturen,
De hemel verdiende, die hij eerder zelf gedragen had,
Droeg tussen de Ionische meisjes een mand,
Zo gelooft men, en kamde grove wol.

Het gaat hier inderdaad over Hercules, maar dat weten we in de oorspronkelijke versie alleen door de mythologische verwijzingen: Juno, die hier ironisch zijn stiefmoeder genoemd wordt, zorgde er indirect voor dat Hercules verplicht werd zijn twaalf werken uit te voeren, nadat een eerste moordpoging met twee slangen mislukt was. Hercules verdiende inderdaad de hemel: hij werd vergoddelijkt na zijn dood. Die hemel had hij tijdens zijn leven zelf gedragen, toen hij Atlas afloste bij deze taak, zodat Atlas de gouden appels van de Hesperiden in zijn plaats kon plukken. De slavendienst van Hercules is een verwijzing naar zijn dienst bij Omphale, de koningin van Lydië. Hercules moest een jaar lang haar slaaf zijn en vrouwenwerk doen, als straf voor een moord. Daarbij droeg hijzelf vrouwenkleren, terwijl Omphale zijn leeuwenhuid en knots droeg. Na afloop van zijn dienstjaar was Omphale blijkbaar zo tevreden over het rollenspel, dat ze met hem trouwde.

Ars Amatoria II, 401-406

In deze weggelaten passage worden Clytaemnestra’s beweegredenen voor de moord op haar man Agamemnon uiteengezet. Meihuizen laat deze in zijn vertaling weg, maar vermeldt het voorbeeld van haar overspelige relatie met Aegisthus, de zoon van Thyestes, wel:

Verontwaardigd door wat ze ondervond, liet zij den zoon van Thyestes toe in haar hart en haar armen en strafte zoodoende ter dege haar zondigen man.

“Wat ze ondervond”, was het volgende:

Ars Amatoria II, 401-406

Audierat laurumque manu vittasque ferentem
Pro nata Chrysen non valuisse sua:
Audierat, Lyrnesi, tuos, abducta, dolores,
Bellaque per turpis longius isse moras.
Haec tamen audierat: Priameida viderat ipsa:
Victor erat praedae praeda pudenda suae.

Vertaling

Ze had gehooord dat Chryses, die de laurier in zijn hand en de hoofdband droeg,
Niets kon doen voor zijn dochter.
Ze had gehoord, Lyrnessische, over jouw pijnen nadat je ontvoerd was,
En dat de oorlog langer doorging door schandelijk oponthoud.
Deze dingen had ze gehoord. Maar de dochter van Priamus zag ze zelf:
De overwinnaar was een schandelijke prooi van zijn prooi.

Hier wordt verwezen naar het conflict dat de aanleiding is van alle gebeurtenissen in Homerus’ Ilias: een ruzie tussen Agamemnon en Achilles, met Chryseïs, de dochter van Chryses en afkomstig van Lyrnessa, als inzet, liep uit de hand. Chryses was een priester van Apollo, vandaar dat hij de laurier, symbool van Apollo, en de hoofdband droeg. Hij vroeg de vrijlating van zijn dochter, die ontvoerd was door Agamemnon. Agamemnon weigerde dit eerst, maar moest uiteindelijk toch toegeven wanneer Achilles zijn steun aan Chryses verleende. Uit wraak eiste hij wel Achilles’ buit, de slavin Briseïs, op. Achilles werd op zijn beurt verplicht toe te geven en was zo woedend, dat hij de Grieken nog weigerde te steunen in hun strijd tegen de Trojanen. Dit zorgde voor een “schandelijk oponthouden deed de oorlog nog langer aanslepen.

Na de oorlog keerde Agamemnon terug, met de dochter van Priamus, Cassandra, als gevangene. Hij pleegde overspel met haar en dit was nog een reden tot moorden voor Clytaemnestra. Ook Cassandra zou het moeten ontgelden.

Ars Amatoria III 11-24

Aan het begin van dit derde boek boek, waarin Ovidius nu de vrouwen verleidingstips geeft, verantwoordt hij zijn aanpak:

“Het was niet billijk de meisjes ongewapend tegen de welvoorziene mannen te doen optrekken en zoo te overwinnen, was ook voor U mannen, alles behalve eervol.”

Hierop volgt een occupatio:

“Mogelijk zal iemand van mijn vele lezers zeggen: “Waartoe verschaft ge een slang nog meer venijn en levert ge een schaapskooi aan de wreede wolvin over?” Ge moet de ondeugdelijkheid van sommige vrouwen niet allen aanwrijven. Ieder meisje worde naar haar eigen verdiensten beoordeeld.”

Deze occupatio is te vergelijken met die van I, 741-744, maar dit keer valt het antwoord duidelijk positief uit. Hierop volgt een weggelaten tekstdeel dat door Meihuizen als volgt samengevat wordt:

“Al noemen de mythen eenige vrouwen, die zich misdroegen, vertellen zij ons niet van andere heldinnen, die voor hun mannen alles overhadden?”

Dit is een verantwoording bij het antwoord op de occupatio. In de oorspronkelijke versie stond het volgende te lezen:

Ars Amatoria III 11-24

Si minor Atrides Helenen, Helenesque sororem
Quo premat Atrides crimine maior habet,
Si scelere Oeclides Talaioniae Eriphylae
Vivus et in vivis ad Styga venit equis,
Est pia Penelope lustris errante duobus
Et totidem lustris bella gerente viro.
Respice Phylaciden et quae comes isse marito
Fertur et ante annos occubuisse suos.
Fata Pheretiadae coniunx Pagasaea redemit:
Proque viro est uxor funere lata viri.
‘Accipe me, Capaneu! cineres miscebimus’ inquit
Iphias, in medios desiluitque rogos.

Vertaling

Indien de jongere zoon van Atreus Helena heeft om te beschuldigen van een misdrijf
En de oudere zoon van Atreus de zuster van Helena,
Indien de zoon van Oecles door de misdaad van Eriphyle, dochter van Talaüs
Levend en op levende paarden bij de Styx aankomt,
Is Penelope toch trouw, hoewel haar man gedurende twee lustra rondzwierf
En evenveel lustra oorlog voerde.
Kijk naar de kleinzoon van Phylacus en naar haar die haar echtgenoot vergezelde
– zo zegt men – en voor haar tijd het leven liet.
De Pagasische echtgenote kocht het doodslot van de zoon van Pheres af:
En in de plaats van haar man werd de vrouw in de begrafenisstoet van haar man gedragen.
‘Neem me aan, Capaneus! Als asse zullen we ons mengen!’ zei
De dochter van Iphis en ze sprong in het midden van de brandstapel.

De jongere zoon van Atreus is Menelaos, die door zijn vrouw Helena met Paris bedrogen werd, zijn broer Agamemnon werd, zoals reeds vermeld, vermoord door Clytaemnestra, Helena’s zuster.

De zoon van Oecles is Amphiaraüs. Toen die door Polynices werd aangesproken om mee oorlog te voeren tegen Polynices’ broer Eteocles, met de Thebaanse troon als inzet, weigerde Amphiaraüs, omdat hij door zijn zienersgave wist dat iedereen de zich bij Polynices aansloot hierbij zou omkomen. Hij verborg zich, maar zijn vrouw Eriphyle verraadt hem aan Polynices in ruil voor de halsketting die had toebehoord aan Harmonia, de vrouw van Cadmus, de stichter van Thebe. Na de nederlaag tegen Eteocles sloeg Amphiaraüs op de vlucht in zijn strijdwagen, maar Jupiter opende de aarde met zijn bliksem, om te voorkomen dat Amphiaraüs in zijn rug gestoken zou worden door zijn achtervolgers. Zo kwam hij “levend en op levende paarden bij de Styxaan. Hierna werd hij vergoddelijkt.

Na deze negatieve voorbeelden, volgen vier positieve voorbeelden. Het eerste is Penelope, de vrouw van Odysseus die gedurende twintig jaar trouw bleef aan haar doodgewaande man en niet trouwde met één van de talrijke en opdringerige kandidaten die zich aanboden.

Het tweede voorbeeld is Laodamia, de vrouw van Protesilaüs, de kleinzoon van Phylacus, die zoveel verdriet had om het overlijden van haar man in de Trojaanse Oorlog, dat ze zelfmoord pleegde.

Het derde positieve voorbeeld van vrouwelijke toewijding aan de echtgenoot is Alkestis, die in de plaats van haar echtgenoot Admetus, zoon van Pheres, stierf. Admetus had immers van Apollo de gave gekregen om zijn leven te verlengen, indien iemand bereid was in zijn plaats te sterven. In de bloei van zijn leven werd Admetus ziek en zijn dood naderde. Hoe hij ook zocht, niemand, zelfs een slaaf niet, wilde in zijn plaats sterven. Uiteindelijk bood Alkestis zich aan, want ze zou toch zonder hem niet kunnen verder leven, zo zei ze zelf. Admetus moest wel beloven goed voor hun kinderen te zorgen en na haar dood niet met een andere vrouw te trouwen. Admetus beloofde het en genas, terwijl Alkestis stierf. Achteraf kreeg hij echter spijt en hij wilde samen met Alkestis sterven, maar hij was gebonden aan de eed die hij gezworen had om voor de kinderen te zorgen en bleef dus in leven. Vervolgens werd Alkestis echter uit de onderwereld teruggehaald door Hercules of teruggestuurd door Persephone, de vrouw van Pluto, die ontroerd was door het offer dat Alkestis gebracht had. Alkestis was afkomstig van Pagasae, een havenstad in Thessalië, vandaar dat Ovidius haar “de Pagasischenoemt.

Het vierde en laatste voorbeeld in deze reeks is Euadne, de dochter van Iphis, wier man Capaneus net als Amphiaraüs stierf in de oorlog die Polynices uitvocht tegen Eteocles. Zij gooide zich van verdriet op de brandstapel die voor hem bedoeld was.

Geschrapte libertijnsche passages

De passages die we hier laten volgen, zijn om verschillende redenen te onzedig om in 1941 integraal vertaald te worden voor een breed publiek. Het gaat hier om delen uit het tweede en derde boek van de Ars Amatoria. Dit is een logisch gevolg van de structuur van het werk, die de chronologische volgorde van het verleidingsproces volgt. Het spreekt dus voor zich dat de “consummatie” van dit proces op het einde van de tips voor mannen (boeken één en twee) en op het einde van de reeks tips voor vrouwen (boek drie) gesitueerd is.

Ars Amatoria II, 684

In een passage waarin Ovidius zegt dat hij het niet heeft voor bedactiviteiten waar slechts één betrokken partij plezier aan beleeft, zegt hij het volgende:

Hoc est, cur pueri tangar amore minus.

Dit is de reden, waarom ik minder wordt getroffen door de liefde van of voor een jongen.

In een tijd dat homoseksualiteit nog verre van aanvaard en in de meeste westerse landen zelfs nog voor juridische vervolging vatbaar was, kon deze regel niet bewaard blijven in de vertaling. Ter illustratie: homoseksualiteit werd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) pas in 1990 uit de lijst van psychische ziekten geschrapt. Daarbij moeten we echter bedenken dat de klassering als ziekte, die haar wortels vindt in de 19de eeuw, oorspronkelijk een vooruitgang was: de definitie als ziekte in plaats van als zonde nam immers de schuld weg bij het individu. Deze problematiek kende men in de oudheid echter totaal niet, omdat seksualiteit überhaupt niet als zondig werd gezien, vandaar dat Ovidius er ook zo openlijk en zelfs ‘en passant’ over kan spreken.

Ars Amatoria II, 690-692

Een paar regels verder zijn er alweer verzen die voor censuur vatbaar zijn: na de stelling dat “het hem verheugt uit haar stem te hooren hoe gelukkig ze is en den kwijnenden blik van zijn lief op te vangen”, gaat Ovidius volgens Meihuizen een stap te ver:

Quaeque morer me, me sustineamque rogent.
Aspiciam dominae victos amentis ocellos:
Langueat, et tangi se vetet illa diu.

[Haar stem] die me vraagt trager te gaan en me in te houden.
Ik zal kijken naar de overwonnen ogen van mijn uitzinnige meesteres:
moge zij murw zijn en zich er lange tijd van weerhouden aangeraakt te worden.

Elke vorm van commentaar is hier volstrekt overbodig.

Ars Amatoria II, 703-733

Na een korte lofzang op de rijpere vrouw, die Ovidius’ voorkeur wegdraagt, laat Meihuizen opnieuw een passage weg. In dit geval gaat het zelfs om het “hoogtepunt” van de eerste twee boeken van de Ars Amatoria: ook hier spreken de tekst en de vertaling voor zich.

Ars Amatoria II, 703-733

Conscius, ecce, duos accepit lectus amantes:
Ad thalami clausas, Musa, resiste fores.
Sponte sua sine te celeberrima verba loquentur,
Nec manus in lecto laeva iacebit iners.
Invenient digiti, quod agant in partibus illis,
In quibus occulte spicula tingit Amor.
Fecit in Andromache prius hoc fortissimus Hector,
Nec solum bellis utilis ille fuit.
Fecit et in capta Lyrneside magnus Achilles,
Cum premeret mollem lassus ab hoste torum.
Illis te manibus tangi, Brisei, sinebas,
Imbutae Phrygia quae nece semper erant.
An fuit hoc ipsum, quod te, lasciva, iuvaret,
Ad tua victrices membra venire manus?
Crede mihi, non est veneris properanda voluptas,
Sed sensim tarda prolicienda mora.
Cum loca reppereris, quae tangi femina gaudet,
Non obstet, tangas quo minus illa, pudor.
Aspicies oculos tremulo fulgore micantes,
Ut sol a liquida saepe refulget aqua.
Accedent questus, accedet amabile murmur,
Et dulces gemitus aptaque verba ioco.
Sed neque tu dominam velis maioribus usus
Desere, nec cursus anteat illa tuos;
Ad metam properate simul: tum plena voluptas,
Cum pariter victi femina virque iacent.
Hic tibi versandus tenor est, cum libera dantur
Otia, furtivum nec timor urget opus.
Cum mora non tuta est, totis incumbere remis
Utile, et admisso subdere calcar equo.

Parthische ruiter van Abraham de Bruyn

Vertaling

Kijk, het medeplichtige bed ontvangt twee minnaars :
Muze, blijf achter bij de gesloten deuren van de slaapkamer.
Beroemde woorden zullen ook zonder jou uit zichzelf spreken
En de linkerhand zal evenmin werkeloos in het bed liggen.
De vingers zullen vinden wat ze moeten doen in die lichaamsdelen,
Waarin Cupido heimelijk zijn pijlpunten drenkt.
De dappere Hector deed dit in het verleden voor Andromache:
Hij was niet enkel nuttig voor de oorlog…
De grote Achilles deed dit ook bij de gevangen Lyrnessische,
Toen hij, vermoeid door de vijand, het zachte bed indrukte.
Jij, Briseïs, stond toe aangeraakt te worden met die handen,
Die in Phrygië steeds van moord doordrenkt waren.
Of was het misschien net dát dat jou, wellustelinge, opwond,
Dat die overwinnaarshanden naar jouw lichaam kwamen?
Geloof me, de voldoening van Venus moet niet overhaast worden,
Maar moet geleidelijk en met lang uitstel worden opgehitst.
Wanneer je de plaatsen gevonden hebt, waar een vrouw graag aangeraakt wordt,
Laat de schaamte dan niet verhinderen dat je haar daar aanraakt.
Je zal zien dat haar ogen heen en weer schieten met een sidderende flits,
Zoals de zon glinstert op stromend water.
Daarbij komen nog gesteun en beminnelijk gekreun
En zoete zuchten en woorden die geschikt zijn voor grapjes.
Maar vaar je meesteres niet voorbij door grotere zeilen te gebruiken
Noch moet zij je voorgaan op deze weg;
Haast jullie samen naar de eindmeet: dan pas is de voldoening volmaakt,
Wanneer man én vrouw tegelijk uitgeput neerzijgen.
Deze koers moet je aanhouden, wanneer het je niet ontbreekt
Aan tijd en de angst de vluchtige daad niet verhaast.
Maar wanneer uitstel niet veilig is, dan alle zeilen bij te zetten
En het paard, dat de vrije teugel heeft, de sporen te geven, dat is nuttig.

Ars Amatoria III, 769-788

Ook voor de vrouwen heeft Ovidius bepaalde tips, zodat ze zich van hun mooiste kan kunnen laten zien. Deze volgen vlak na de goede raad “een beetje te drinken, maar ook niet te veel.”

Ars Amatoria III, 769-788

Ulteriora pudet docuisse: sed alma Dione
‘Praecipue nostrum est, quod pudet’ inquit ‘opus.’
Nota sibi sit quaeque: modos a corpore certos
Sumite: non omnes una figura decet.
Quae facie praesignis erit, resupina iaceto:
Spectentur tergo, quis sua terga placent.
Milanion umeris Atalantes crura ferebat:
Si bona sunt, hoc sunt accipienda modo.
Parva vehatur equo: quod erat longissima, numquam
Thebais Hectoreo nupta resedit equo.
Strata premat genibus, paulum cervice reflexa,
Femina per longum conspicienda latus.
Cui femur est iuvenale, carent quoque pectora menda,
Stet vir, in obliquo fusa sit ipsa toro.
Nec tibi turpe puta crinem, ut Phylleia mater,
Solvere, et effusis colla reflecte comis.
Tu quoque, cui rugis uterum Lucina notavit,
Ut celer aversis utere Parthus equis.
Mille modi veneris; simplex minimique laboris,
Cum iacet in dextrum semisupina latus.

Vertaling

Ik schaam me ervoor verder onderricht te geven: maar de voedster Dione
Zegt: ‘Uitgerekend datgene waarvoor we ons schamen, is mijn werk.’
Elke vrouw moet zichzelf kennen: de maat die voor jouw lichaam past,
Die moet je aannemen: dezelfde houding past niet bij iedereen.
Wie een mooi gezicht heeft, moet achterover liggen:
Wie een mooie rug heeft, moet die laten zien.
Milanion droeg de benen van Atalanta op zijn schouders:
Als ze mooi zijn, moeten ze op die manier aangewend worden.
Een kleine vrouw moet rijden als op een paard: omdat ze zeer groot was,
Zat de Thebaanse eega nooit op het paard Hector.
Een vrouw die haar hele flank wil laten bewonderen,
Moet zich op haar knieën plaatsen, met de nek een beetje gebogen.
Als de vrouw jeugdige dijen heeft en ook mooie borsten heeft,
Moet de man rechtstaan, maar zijzelf moet schuin op het bed liggen.
En reken het jezelf niet als een schande aan om, zoals Laodamia,
Je haar los te laten, en leg je nek achterover met je losse haren.
Ook jij, bij wie een geboortegodin Lucina de buik met striemen heeft getekend,
Maak er gebruik van, zoals de snelle Parthen averechts te paard zitten.
Er zijn duizend manieren om de liefde te bedrijven: een eenvoudige en weinig vermoeiende is,
Wanneer zij half achterovergebogen op de rechterzij ligt.

De Dione waarvan sprake aan het begin van dit stukje, is de moeder van Venus, maar de naam wordt ook vaak gebruikt als synoniem voor Venus. In dit geval geniet de laatste interpretatie om evidente redenen de voorkeur. Een gelijkaardig geval doet zich voor bij de naam Milanion: dit is een andere naam voor Hippomenes. De Thebaanse echtgenote van Hector was Andromache, die volgens Homerus inderdaad van Thebe afkomstig was.

Ars Amatoria III, 793-808

Na vier regels die Meihuizen wel vertaalt en waarin Ovidius verklaart dat zijn tips “omwille van zijn ervaring” meer waarheid bevatten “dan de orakels van Apollo en Ammon samen“, volgt opnieuw een lange passage die weggelaten wordt: het hoogtepunt volgt immers nu pas:

Ars Amatoria III, 793-808

Sentiat ex imis venerem resoluta medullis
Femina, et ex aequo res iuvet illa duos.
Nec blandae voces iucundaque murmura cessent,
Nec taceant mediis improba verba iocis.
Tu quoque, cui veneris sensum natura negavit,
Dulcia mendaci gaudia finge sono.
Infelix, cui torpet hebes locus ille, puella,
Quo pariter debent femina virque frui.
Tantum, cum finges, ne sis manifesta, caveto:
Effice per motum luminaque ipsa fidem.
Quam iuvet, et voces et anhelitus arguat oris;
A! pudet, arcanas pars habet ista notas.
Gaudia post Veneris quae poscet munus amantem,
Illa suas nolet pondus habere preces.
Nec lucem in thalamos totis admitte fenestris;
Aptius in vestro corpore multa latent.

Vertaling

Moge een ontketende vrouw een genot voelen
Dat door merg en been gaat, en mogen beide geliefden daar op gelijke wijze van genieten.
En de liefkozende woorden moeten niet ophouden, noch het aangename gekreun,
Noch de stoute woordjes vergezeld van grapjes.
Ook jij, aan wie de natuur het gevoel van genot heeft ontzegd,
Moet de zoete genoegens met leugenachtig geluid nabootsen.
Ongelukkig het meisje, bij wie die plaats van de jeugd gevoelloos is,
Waar man en vrouw op dezelfde manier moeten genieten.
Maar, wanneer je doet alsof, wees dan niet te duidelijk, let op:
Maak het geloofwaardig door bewegingen en met je ogen.
Wie dat wil, kan het ook duidelijk maken met de stem en met gehijg.
Ah! Ik ben beschaamd: dit deel bevat geheime kennis.
Wie na de geneugten van Venus een geschenk vraagt aan haar minnaar,
Die wil niet dat haar smeekbeden enige waarde hebben.
Laat het licht niet uit wijd geopende vensters toe in de slaapkamer:
Zo verberg je makkelijker vele dingen op je lichaam.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnschzijn, zijn inderdaad zeer expliciet, zonder echter, naar onze mening althans, vunzig of plat te zijn. Het bovenstaande kan dan ook enkel een illustratie zijn van een reeds lang gekende waarheid: traduttore traditore, een vertaler – al dan niet gecensureerd – is altijd een beetje een verrader.

Korte bibliografie

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Coverfoto: schilderij ‘Ancient Italy – Ovid Banished from Rome’ van Joseph Mallord William Turner op Wikimedia via The Athenaeum (CC BY-SA 3.0)

Het bericht À la recherche des vers perdus: censuur in de vertaling van Ovidius’ Ars Amatoria van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/14/02/2018/a-la-recherche-des-vers-perdus-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-ars-amatoria/feed/ 0 635
Accipere quam facere praestat iniuriam https://www.oudegeschiedenis.be/03/12/2017/accipere-quam-facere-praestat-iniuriam/ https://www.oudegeschiedenis.be/03/12/2017/accipere-quam-facere-praestat-iniuriam/#respond Sun, 03 Dec 2017 00:31:31 +0000 http://www.oudegeschiedenis.be/?p=258 uitspraak_Bart_De_Wever

Afgelopen week gebruikte Bart De Wever de Latijnse uitspraak "accipere quam facere praestat iniuriam" (het is beter onrecht te ondergaan dan te plegen), maar in welke antieke context werd deze quote de eerste keer gebruikt?

Het bericht Accipere quam facere praestat iniuriam van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
uitspraak_Bart_De_Wever

Af en toe duikt eens een andere Latijnse spreuk dan “Carpe Diem” op in het dagelijkse taalgebruik van onze politici. Afgelopen week was het weer zover: de burgervader van Antwerpen, Bart De Wever, haalde – zoals beloofd in onze openingsblogpost – de volgende uitspraak boven als reactie op een nieuwe peiling na de recente schandaalsfeer die in de Scheldestad rond zijn partij N-VA was ontstaan: “Accipere quam facere praestat iniuriam“.

Ciceroniaanse conversaties

De uitspraak kan makkelijk worden toegeschreven aan Cicero en komt uit diens Tusculanae Disputationes (Tusc.), een filosofisch traktaat waarin de Romeinse redenaar fictieve gesprekken houdt op zijn landgoed in Tusculum. In deze stad, gelegen aan de Albaanse heuvels in de Italiaanse regio Latium, bezat hij net als vele consulaire families een villa niet zo ver van Rome, waar hij regelmatig heen trok om nieuwe traktaten te schrijven. Boek V van deze conversaties over ethische problemen handelt over de stelling van de stoïcijnen dat de deugd alleen volstaat om een gelukkig leven te leiden.

Overblijfselen van waar zich mogelijk de villa van Cicero in Tusculum bevond

In dit gesprek met Marcus Brutus – die van de moord op Caesar en schrijver van een verloren gegaan boek De virtute (Over de deugd), dat aan Cicero was opgedragen – komt de passage voor in de beschrijving van de deugdzaamheid van enkele consuls. Zo plaatst hij in Tusc. V, 56 het gedrag van Gaius Marius tegenover de gedwongen zelfmoord van zijn collega Quintus Lutatius Catulus, die nadat hij samen met Marius de Germaanse stam van de Cimbri versloeg in de slag bij Vercellae van 101 v.C., diens politieke tegenstander Sulla besloot te steunen in de burgeroorlog van 88-87 v.C.

“[…] Nam cum accipere quam facere praestat iniuriam, tum morti iam ipsi adventanti paullum procedere ob viam, quod fecit Catulus, quam quod Marius, talis viri interitu sex suos obruere consulatus et contaminare extremum tempus aetatis.”

“Want het is immers beter om zich te onderwerpen aan onrecht dan het te plegen, maar ook om een kleine stap vooruit te zetten naar de dood die op zich al dichterbij komt, zoals Catulus deed, dan zoals Marius deed door de moord op zo’n man, en zo de roem van zijn zes consulaten te overschaduwen en de laatste periode van zijn leven te besmeuren.”

Gorgias van Leontini

Oorsprong

Toch haalde ook Cicero al de mosterd voor de uitspraak over onrecht bij een voorganger, namelijk Socrates in Plato’s Gorgias. In deze dialoog plaatst de Griekse filosoof zijn leermeester tegenover Gorgias, een sofist uit Leontini, een stad in Sicilië. Socrates valt hem en zijn filosofische medestanders aan over hun sofistische opvattingen. In Gorgias 469C-475D (en herhaald in 483A) twist Socrates met Polos, een leerling van Gorgias, over het recht om retoriek te gebruiken om aan een terechte veroordeling te ontsnappen. Na een lange argumentatie slaagt hij erin om de sofist te overtuigen van het feit dat het slechter is om onrecht te begaan dan onrecht te ondergaan (“Τὸ ἀδικεῖν τοῦ ἀδικεῖσθαι κάκιον) en dus ook om retoriek te misbruiken voor eigen gewin.

Na deze twee voorbeelden komt deze uitspraak in allerlei variaties nog voor bij Plato zelf (als mogelijke auteur van zijn zevende brief, Epist. VII, 335A), latere heidense auteurs zoals Seneca (Phoenissae 494) en Simplicius van Cilicië (in zijn commentaar op AristotelesDe Caelo) en christelijke kerkvaders zoals Augustinus en Gregorius van Nazianze.

Het lijkt dus duidelijk dat Bart De Wever zich met zijn quote in een antieke filosofische traditie plaatst, waarin de uitspraak vooral wordt gelinkt aan het concept van de deugd (bij Cicero) en dat van de retoriek (bij Plato), en probeert de Vlaamse politicus hiermee vooral aan te tonen dat boontje om zijn loontje komt (in dit geval in de vorm van een positieve peiling voor zijn partij).

Meer lezen

E.R. Dodds, Plato. Gorgias (1959)

C. H. Tarnopolsky, Prudes, Perverts, and Tyrants: Plato’s Gorgias and the Politics of Shame (2010)

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Bart De Wever’ van Miel Pieters op Wikimedia (CC BY-SA 2.0)

Het bericht Accipere quam facere praestat iniuriam van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/03/12/2017/accipere-quam-facere-praestat-iniuriam/feed/ 0 258