bedelaar Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/bedelaar/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 02 Aug 2026 23:04:50 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.1.3 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png bedelaar Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/tag/bedelaar/ 32 32 136391722 De voorspellende kracht van een niesbui https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/ https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/#respond Sun, 02 Aug 2026 14:35:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2865

Wens jij iemand die niest automatisch "Gezondheid"? Dan deel je een gewoonte die al duizenden jaren oud is. In de Grieks-Romeinse Oudheid werd niezen niet alleen gezien als een lichamelijke reactie, maar ook als een goddelijk teken dat woorden kon bevestigen, voorspellingen kon aankondigen of belangrijke beslissingen kon beïnvloeden. Van Homerus en Xenophon tot Plutarchus en Augustinus: deze blogpost volgt de opmerkelijke geschiedenis van de niesbui en haar verrassende betekenis in de antieke wereld.

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Als kleuter bracht ik vele uren door in het werkhuisje van mijn grootvader, die schoenmaker was. Er stond daar ook een kleine kachel, die mijn nichtje en ik mochten “voederen” met papier en stukjes hout. Dat gaf veel stof natuurlijk en als we moesten niezen, dan zei mijn opa onvermijdelijk “God zegene je”, wat ik als kind begreep als “gods zegentje”. Niezen kon er immers op wijzen dat een verkoudheid of erger in aantocht was en dat moest je bezweren met een schietgebedje.

Een bekende Nederlandse tegelspreuk met een wens voor mooi weer bij het niezen
Een bekende Nederlandse tegelspreuk met een wens voor mooi weer bij het niezen Tegelspreuk.nl

Ook nu nog wenst men iemand die niest vaak “Gezondheid” toe. Bij de jongere generaties is de religieuze factor verdwenen, maar niezen lokt nog altijd een bezwerende reactie uit en van de voorspellende kracht van zo’n niesbui vinden we onder meer al in de Grieks-Romeinse Oudheid heel wat voorbeelden.

Schietgebedjes

Bij de Romeinen kon je hiervoor “salve” zeggen of “salus“, bij de Grieken Ζεῦ σῶσον “Zeus, red me”. “Salus” zegt bijvoorbeeld bij Apuleius (Metamorphoses IX.25.1) een bedrogen echtgenoot, die aanvankelijk niet door heeft dat de minnaar van zijn vrouw verstopt zit in een mand met wasgoed. Toen hij het geluid van de niesbui hoorde meende hij dat het van zijn vrouw kwam  en wenste haar met de gewone formule “salus” toe (ut acceperat sonum sternuationis solito sermone salutem ei fuerat imprecatus).

Zelfs keizer Tiberius, de “grootste misantroop onder de mensen” zei “salus” als iemand niesde in zijn wagen (Plinius, Nat. Hist. XXVIII 23). De Griekse variant vindt men in een gedichtje uit de Anthologia Palatina, dat grappig bedoeld is maar misschien toch over de schreef gaat.

Οὐ δύναται τῇ χειρὶ Πρόκλος τὴν ῥῖνα ἀπομύσσειν·
τῆς ῥινὸς γὰρ ἔχει τὴν χεῖρα μικροτέρην·
οὐδὲ λέγει Ζεῦ σῶσον ἐὰν πταρῇ; οὐ γὰρ ἀκούει
τῆς ῥινός· πολὺ γὰρ τῆς ἀκοῆς ἀπέχει. (Anth. Pal. XI 268)

Proclus kan zijn neus niet snuiten met zijn hand
want zijn arm is korter dan zijn neus.
Hij zegt ook niet “Zeus red me” als hij niest, want hij hoort
zijn neus niet : ze staat te ver van zijn oren.

Niezen bij antieke auteurs

Browserling Webcomic
Ook vandaag worden er nog veel comics en memes gemaakt over de symptomatische waarde van het niezen Browserling

In de Oudheid kende men wel de symptomatische waarde van het niezen. Zo vermeldt bijvoorbeeld Thucydides in een bekende passage het niezen als één van de symptomen van de pest in Athene (Hist. II.49.3 : πταρμὸς καὶ βράγχος). Maar meestal wordt niezen eerder als positief ervaren, in tegenstelling tot hoesten en kuchen, bijvoorbeeld in het 33ste boek van Aristoteles‘ Problemata.

Hier bespreekt Aristoteles (of een navolger) problemen die te maken hebben met de neus, zoals de behandeling van een bloedneus of het verband tussen krulhaar en een platte neus. Maar de meeste hoofdstukjes gaan over niezen. “Waarom niezen mensen meer dan andere dieren en ruiken ze minder?” vraagt hij zich af. “Waarom niest men als men in de zon kijkt? Waarom niest men nooit in zijn slaap? Waarom niest men meestal twee keer na mekaar (wellicht omdat er twee neusgaten zijn?)”.

De lezer vindt in dat hoofdstuk heel veel vragen, maar weinig zinnige antwoorden. Zo vraagt de auteur zich verder ook af waarom niezen beschouwd wordt als iets goddelijks, maar hoesten of een druipneus of oprisping van de maag niet (“wellicht omdat niezen voortkomt uit het hoofd, het meest edele deel van de mens?”). Niezen van middernacht tot de middag is een goed voorteken, maar niezen na de middag tot middernacht niet (33.11) Wellicht, zegt de auteur, omdat niezen bij het begin van een activiteit, ons ervan afhoudt ermee verder te gaan (en de periode van middernacht tot de middag is ook een soort begin). In zijn Historia Animalium (I 8) definieert Aristoteles niezen kernachtig als πνεύματος ἀθρόου ἔξοδος (“het naar buiten komen van een plotse ademstoot”) en voegt eraan toe dat het de enige adem is die “profetisch is en heilig” (οἰωνιστικόν καὶ ἱερόν).

Bepaalde voorspellingen bij niezen, bijvoorbeeld bij Chinese waarzeggers, gebeuren aan de hand van het tijdstip van de niesbui

De voorspellende kracht van het niezen gaat terug tot het verre verleden. Het oudste voorbeeld vinden we bij Homerus in het 17de boek van de Odyssee, waar Penelope aan de varkenshoeder Eumaios vraagt om de bedelaar (die ze niet heeft herkend) aan haar voor te stellen, en eindigt met de wens dat Odysseus zou terugkeren en met zijn zoon de vrijers zou straffen voor hun wangedrag.

ὣς φάτο, Τηλέμαχος δὲ μέγʼ ἔπταρεν, ἀμφὶ δὲ δῶμα
σμερδαλέον κονάβησε· γέλασσε δὲ Πηνελόπεια,
αἶψα δʼ ἄρʼ Εὔμαιον ἔπεα πτερόεντα προσηύδα·
ἔρχεό μοι, τὸν ξεῖνον ἐναντίον ὧδε κάλεσσον.
οὐχ ὁράᾳς ὅ μοι υἱὸς ἐπέπταρε πᾶσιν ἔπεσσι;
τῷ κε καὶ οὐκ ἀτελὴς θάνατος μνηστῆρσι γένοιτο
πᾶσι μάλʼ, οὐδέ κέ τις θάνατον καὶ κῆρας ἀλύξει. (Od. XVII, 541-547)

“Toen zij die woorden gesproken had, niesde Telemachos luid, waardoor het huis geweldig galmde. Penelope lachte, richtte zich dus tot Eumaios en sprak de gevleugelde woorden: “Maar ga nu toch en roep de vreemdeling nu meteen bij mij! Zie je dan niet dat mijn zoon heeft geniesd bij al wat ik net zei? Dus zal de dood voor de vrijers nu zeker een realiteit zijn, niemand uitgezonderd: geen man zal zijn doodslot ontlopen!” (vertaling G.W.J.Janssen)

Afbeelding op een Attische vaas van Penelope bij haar zoon Telemachos
Afbeelding op een Attische vaas van Penelope bij haar zoon Telemachos Wikimedia

Ook in de Homerische hymne voor Hermes wordt Apollo’s karakterising van de kleine dief, die zijn runderen heeft gestolen, bevestigd, eerst door een flinke wind (“een dienaar van zijn buik” zegt Homerus eufemistisch) en dan door een niesbui.

Een vergelijkbare situatie vindt men in Xenophons Anabasis (III.2.9). Xenophon raadt in een speech de soldaten aan om zich terug te trekken. Op dat moment gaat iemand aan het niezen. Als de soldaten dit goede voorteken horen, knielen ze als één man neer en vereren ze Zeus Sôtêr, die dit goede voorteken gestuurd had. Hier komt het Ζεῦ σῶσον uit het begin terug, want dat is natuurlijk waarop “Zeus Sôtêr” hier alludeert.

Xenophon gaat hierop in en zegt “Aangezien er, juist toen we het woord “redding” uitspraken, een voorteken van Zeus is verschenen stel ik voor dat dat we een gelofte afleggen dat we aan Zeus de redder dankoffers zullen brengen zodra we zijn aangekomen in een bevriend land.” Iedereen is akkoord met dit voorstel. In beide gevallen, in de Odyssee en bij Xenophon, geldt het motto “het is beniesd, dus is het waar”. Niezen als bevestiging van wat iemand gezegd heeft, is goed geattesteerd in het Nederlands en in het Duits.

Plutarchus beschrijft een gelijkaardig voorval in zijn vita van Themistokles (13.2) : drie zonen van Xerxes‘ zuster Sandauke werden voorgeleid als krijgsgevangenen. Op dat moment schoot een groot schitterend vuur omhoog uit de offerdieren en tegelijk hoorde men genies van rechts. De ziener Euphrantides greep Themistokles bij de hand en verplichtte hem, tegen zijn zin, maar met steun van het leger, om de drie te offeren aan Dionysos Omestes “de rauw-vlees-eter”. Want zo zou Griekenland worden gered en de overwinning worden verzekerd. Wat dan ook effectief gebeurde in Salamis op diezelfde dag.

20ste eeuwse tekening van de Atheense generaal Themistocles die een mensenoffer brengt vlak voor de Slag bij Salamis
20ste eeuwse tekening van de Atheense generaal Themistocles die een mensenoffer brengt vlak voor de Slag bij Salamis Wikimedia Commons

Niezen als positief en negatief teken

In een gedicht van Catullus (XLV) bevestigt Amor de liefdesverklaring van Septimius en Acme door te niezen van links en van rechts (sinistra ut ante dextra sternuit approbationem) voor elk van de twee geliefden. Zo niest Amor ook bij de geboorte van Propertius‘ latere geliefde, een argutum omen (Elegiae II 3.24). In Theocritus‘ zevende idylle zijn het de erôtes die door te niezen de liefde van Simichidas voor Myrtô bevestigen.

Eerder uitzonderlijk kan niezen ook een negatief voorteken zijn, bijvoorbeeld als men niest op het kerkhof, zoals in dit gedichtje (Anthologia Palatina XI 375), waarbij de wens van de dichter, die zijn vrouw beu is, wegwaait in de wind :

Ἔπταρον ἄγχι τάφοιο καὶ ἤθελον αὐτόθ᾿ ἀκοῦσαι
οἷαπερ ὠισάμην, μοῖραν ἐμῆς ἀλόχου.
῎Επταρον εἰς ἀνέμους· ἄλοχον δέ μοι οὔ τι κιχάνει
λυγρὸν ἐν ἀνθρώποις, οὐ νόσος, οὐ θάνατος.

Ik niesde bij een graf. En ik wilde onmiddellijk horen
wat ik aan het bedenken was, de dood van mijn vrouw.
Maar ik heb in de wind geniesd. Mijn vrouw werd niet getroffen
door iets ergs onder de mensen, geen ziekte en geen dood.

De twee mogelijke interpretaties worden beschreven door Plutarchus in diens De genio Socratis (581B). Volgens sommigen, aldus Plutarchus, was het fameuze daimonion van Socrates eigenlijk een niesbui. Als iemand voor of achter hem niesde van rechts, dan schoot hij in actie (ὁρμᾶν ἐπὶ τῆν πρᾶξιν), als het geluid van links kwam, dan bleef hij af (ἀποτρέπεσθαι). Als hijzelf niesde, dan bevestigde de niesbui zijn beslissing, maar als hij niesde als zijn actie begonnen was, dan was dat een slecht teken en hield hij ermee op. Positief en negatief vallen hier (natuurlijk) samen met rechts en links.

Deze goddelijke inspiratie van het niezen was ook nog bekend aan Origenes in de 3de eeuw n.C.. In zijn Contra Celsum (4.94) commentarieert hij de beroemde passage uit de Odyssee als volgt “Als wij mensen niezen, dan niezen we omdat er in onze ziel een goddelijk en profetisch element aanwezig is”. Maar (vanzelfsprekend) staan de kerkvaders kritisch tegenover dit soort superstities. Zo vindt Augustinus (De doctrina christiana II 21 (78)) het maar niks dat sommige mensen terug in bed kruipen als ze moeten niezen bij het aantrekken van hun schoenen. Geloof in de voorspellende kracht van niezen wordt zelfs expliciet veroordeeld op het Concilie van Lestines in 743 n.C.

Niezende lampen

Niet alleen mensen kunnen niezen, maar ook een lamp. Het Grieks gebruikt inderdaad hetzelfde werkwoord πταίρω voor een lamp of kaars die sputtert In een epigram van de verder onbekende dichter Marcus Argentarius (Anthologia Palatina VI 633) is dit ook een gunstig voorteken voor de geliefden.

ἤδη, φίλτατε λύχνε, τρὶς ἔπταρες. ἦ τάχα τερπνὴν
εἰς θαλάμους ἥξειν Ἀντιγόνην προλέγεις·
εἰ γάρ, ἄναξ, εἴη τόδ᾿ ἐτήτυμον, οἷος Ἀπόλλων
θνητοῖς μάντις ἔσῃ καὶ σὺ παρὰ τρίποδι

Liefste lamp, je hebt nu al drie keer geniesd. Voorspel je
misschien dat de verrukkelijke Antigone naar de bruidskamer zal komen?
En als dat, meneer, waar zou zijn, dan zal ook jij zoals Apollo
naast de drievoet staan en een ziener zijn voor de mensen.

europeisnotdead
Europese kaart van “Hatsjoe” europeisnotdead

Tot slot biedt niezen vandaag de dag nog heel wat inspiratie om creatief met historisch onderzoek om te gaan. Zo zijn er kaartenmakers die de fonetische manier waarop niezen in verschillende landen (en dus talen) gebeurt op een kaart afbeelden, maar evengoed wordt op sociale media, bijvoorbeeld Instagram, met de hulp van artificiële intelligentie, de betekenis van het niezen als religieus teken in het oude Griekenland in een filmpje gegoten.

Lees meer

Aronson, Stanley, “The Origins of the Sneeze: Divine Gift or Mere Goldenrod Pollen?”, Rhode Island medical journal 96 (2013), pp. 10-11.
Mayhew, Robert, “Sacred Sneezes in Aristotle, Historia animalium I 11 and [Aristotle], Problemata physica XXXIII 7 & 9”, Erga-Logoi. Rivista di storia, letteratura, diritto e culture dell’antichità 11.1 (2023). https://doi.org/10.7358/erga-2023-001-mayr
Pease, Arthur Stanley, “The Omen of Sneezing”, Classical Philology 6.4 (1911), pp. 429–43.
van der Horst, Pieter W., “The Omen of Sneezing” Ancient Society 43 (2013), pp. 213–21.

Coverafbeelding: adaptatie van een tekening (een afbeelding van een Attische rode-figuur skyphos uit het Museo Archeologico Nazionale, Chiusi, inv. 62705) van Penelope bij haar zoon Telemachos bij het weefgetouw, uit A. Furtwangler & K. Reichhold, Griechische Vasenmalerei: Auswahl hervorragender Vasenbilder, München 1921, pl. 142 (Public Domain)

Het bericht De voorspellende kracht van een niesbui van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/02/08/2026/de-voorspellende-kracht-van-een-niesbui/feed/ 0 2865
Horrorverhalen uit de Oudheid https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/ https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/#comments Sat, 31 Oct 2020 16:05:11 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1739 Theatermaskers Myra

Halloween is het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror en een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo kennen we scènes uit de 'Mostellaria', een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, met geesten en komen (verboden) geestoproepingen ook voor in het Oude Testament en bij Ammianus Marcellinus. In deze blogpost gaan we dieper in op twee horrorverhalen uit de antieke literatuur: de 'Gouden Ezel' van Apuleius en een spookverhaal uit een brief van Plinius de Jongere.

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Theatermaskers Myra

“De meest barmhartige zaak ter wereld”, aldus 20ste-eeuws fictieschrijver H. P. Lovecraft, “is het onvermogen van de menselijke geest om al zijn inhoud met elkaar te verbinden. We leven op een vredig eiland van onwetendheid te midden van de zwarte zeeën van de oneindigheid, en het is nooit zo bedoeld dat we ver zouden reizen.”

Halloween staat voor de deur, het hoogfeest voor alle liefhebbers van horror. Of het nu gaat om een bloedstollende roman van Stephen King, een slasher-film waarin de ingewanden en de ledematen lustig in het rond vliegen, of meer psychologische horrorfilms en -series zoals ‘Paranormal Activity‘ (2007) of ‘The Haunting of Bly Manor’ (2020), velen onder ons genieten toch minstens één avond van een potje lekker griezelen. Een goed spookverhaal is iets wat de antieken schijnbaar ook konden waarderen. Zo bevat de ‘Mostellaria‘, een toneelstuk van de Romeinse komedieschrijver Plautus, een amusante scène waarin de slaaf Tranio probeert zijn meester van diens huis na wanbeheer weg te houden door te beweren dat het huis vervloekt is en een geest nu door het gebouw rondwaart.

Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord
Het ouijabord zoals wij het kennen. Dit exemplaar werd omstreeks 1890 gemaakt door de Kennard Novelty Company in Baltimore, de bedenkers van het moderne ouijabord Wikimedia

Bij Plautus gaat het duidelijk om een fictief verhaal, maar hekserij, geesten en necromantie (het opwekken van de doden) werden in de Oudheid wel degelijk au sérieux genomen. Het Oude Testament veroordeelt nadrukkelijk het ondervragen van geesten en het oproepen van doden (Deuteronomium 18:11). De straf voor necromantie is steniging (Leviticus 20:27). De Romeinen voorzagen in de Late Oudheid eveneens de doodstraf voor diegenen die op kerkhoven lijken onteerden of geesten opriepen, zo leren we bij Ammianus Marcellinus (9.12.14). De historicus verhaalt verder (29.1.29-38) hoe een groep samenzweerders keizer Valens (364-378 n.C.) ten val wilde brengen. Om zich te vergewissen van het succes van hun complot, besloten ze beroep te doen op een ouijabord avant la lettre, dat bediend werd met een soort pendel. Net zoals het vandaag gebeurt, diende een vraag gesteld te worden aan het bord. Een hogere macht – bij ons gaat het veelal om geesten of demonen – zou de vraag dan beantwoorden door de pendel te laten bewegen over bepaalde letters. In dit geval werkte het bord echter misleidend: de samenzweerders zagen de letters “Theod” verschijnen en kraaiden victorie, gezien hun kandidaat Theodorus heette. Helaas voor hen zou het Theodosius zijn die Valens opvolgde en moesten ze na het uitlekken van het complot voor de rechtbank gaan uitleggen wat ze precies mispeuterd hadden. Ze werden quasi allen gewurgd.

In de volgende secties zullen we dieper ingaan op twee opvallende horrorverhalen uit de antieke literatuur.

Heksen en zombies in Apuleius

De ‘Gouden Ezel‘ van Apuleius, een roman over de onfortuinlijke Lucius die door magie in een ezel veranderd wordt, bevat heel wat horrormateriaal. Neem nu het verhaal van de handelaar Aristomenes. Op een dag liep Aristomenes een dorpsgenoot en vriend van hem, Sokrates genaamd, in het stadje Hypata in Thessalië tegen het lijf. De arme Sokrates zag er niet uit: bleek, graatmager en slechts bedekt door een schamele mantel zat hij erbij als een bedelaar. Aristomenes informeerde hem dat iedereen thuis in Aigion ervan uitging dat hij overleden was; de begrafenis was al achter de rug en de ouders van zijn vrouw waren reeds op zoek naar een nieuwe partner. De man kon aanvankelijk alleen maar jammeren hoe wreed het lot hem behandeld had en weigerde te bewegen, maar uiteindelijk wist Aristomenes hem mee naar een badhuis te loodsen en vestigde hij zich met hem in een herberg. Daar vertelde Sokrates na een goed glas wijn wat hem overkomen was.
Hij was onderweg nabij Larissa overvallen door struikrovers. Beroofd van zijn hebben en houden, stopte hij bij de herberg van een zekere Meroë, omschreven als “oud, maar zéér aantrekkelijk”. Meroë behandelde hem met de grootste vriendelijkheid, en voor Sokrates het wist, lag hij met de vrouw in bed, niet in staat haar avances te weerstaan. Deze ene schanddaad zou zijn lot echter bezegelen, want hij raakte niet weg van Meroë. Hij gaf haar uiteindelijk zijn kleren, zijn beetje resterende geld, zowat alles tot hij eruit zag als het zielige creatuur dat Aristomenes in Hypata tegen het lijf gelopen was. Verontwaardigd beschuldigde die hem ervan dat hij de avances van “een lederachtige hoer” verkoos boven zijn eigen haard en kinderen, maar bij deze woorden maande Sokrates hem aan tot stilte. Meroë was immers een heks, die zeker wraak zou nemen voor dergelijke beledigingen.

De opsomming van haar misdaden begint relatief onschuldig. Een aantal buren waar ze ruzie mee had, veranderde ze in dieren. Eén gruwelijk detail: een minnaar die overspel pleegde, transformeerde ze in een bever, gezien de bever wanneer hij uit angst probeert weg te vluchten “zich bevrijdt door het afsnijden van zijn eigen genitaliën”. Toen de dorpelingen de heks wilden stenigen, voerde ze “necromantische rituelen uit in een gracht” en sloot ze hen allen op in hun eigen huizen – zelfs door de muren breken lukte niet – tot ze zwoeren haar niet te vervolgen en dat ze haar zouden beschermen tegen eenieder die zou proberen haar kwaad te berokkenen. De leider teleporteerde ze echter naar een andere stad, met huis en al. Aristomenes begon nu wel wat bezorgd te raken. Als de heks bovennatuurlijke gaven bezat, zou ze hen misschien kunnen horen. De mannen besloten dus naar bed te gaan. Aristomenes sloot de deur, vergrendelde die en schoof uit voorzorg ook zijn bed tegen de deur. Lang staarde hij in angst naar de deur, maar uiteindelijk, zo rond middernacht, overmande slaap hem.

Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii
Twee gemaskerde vrouwen op bezoek bij een heks op een Romeinse mozaïek uit de Villa del Cicerone in Pompeii Wikimedia

Zodra hij indommelde, werd de deur met een enorm geweld ingebeukt. Het bed waar Aristomenes op lag, begaf het, landde op hem, en terwijl hij daar – zo dacht hij – verstopt lag, zag hij twee oude vrouwtjes de kamer binnentreden, één met een lamp in de hand, de ander met een spons en een getrokken zwaard. Degene met het zwaard bleek Meroë te zijn, die haar zus Panthia vertelde hoe Sokrates haar had proberen ontvluchten. Daarna richtte ze haar ogen op Artistomenes. Ook hij moest eraan geloven: hij zou spijt krijgen van zijn gebrek aan respect tegenover haar en zijn nieuwsgierigheid. Panthia stelde voor hem te verscheuren zoals de Bacchanten hun prooi of op zijn minst zijn genitaliën af te hakken. Meroë besloot hem voorlopig echter te sparen, iemand moest Sokrates immers kunnen begraven. Met die woorden draaide Meroë Sokrates’ hoofd opzij en stak ze het zwaard tot aan het handvat door zijn nek. Het bloed ving ze op in een leren flacon. Daarna reikte ze met haar hand in de gapende wonde en voelde ze rond tot ze het hart van de man te pakken had. Ze rukte het uit zijn lichaam waarna de laatste ademteug van Sokrates uit de afzichtelijke nekwonde opborrelde. Panthia duwde daarna een spons tegen de wonde en sprak een cryptische spreuk uit die de spons oplegde via een rivier terug te keren. De dames keerden zich nu naar Aristomenes. Ze wierpen het bed van hem af, trokken hun rokken op en urineerden op zijn gezicht terwijl hij naakt op de grond lag.

De zussen stapten daarna de deur uit. Als bij wonder vloog die terug in zijn hengsels en zat het slot er opnieuw op, alsof er niets gebeurd was. Aristomenes bleef echter verstijfd op de grond liggen. Wat zou men immers denken, wanneer ze Sokrates daar vonden, de keel overgesneden? De verdenking zou onmiddellijk op hem vallen. De straf voor een dergelijke moord was kruisiging. De handelaar besloot het dus op een lopen te zetten. Hij raapte zijn spullen bijeen, wist na veel moeite de deur te ontgrendelen en benaderde de portier van de herberg om de deur voor hem te openen. Deze weigerde echter gezien het nog nacht was en hij vroeg zich daarnaast af waarom Aristomenes in zo’n haast op dit uur wilde vertrekken. Hij had de keel van zijn reisgezel toch niet overgesneden en zocht nu toch niet snel te vluchten? Bij het horen van die woorden, vluchtte Aristomenes in paniek terug naar zijn kamer. Ten einde raad en zonder uitweg besloot hij de hand aan zichzelf te leggen. Hij maakte een touw los dat in de frame van zijn bed gedraaid zat, hing het vast aan een balk, stak zijn hoofd door de strop en sprong van zijn bed. Het touw, oud en doorrot, brak echter en hij viel neer op de levenloze lichaam van zijn vriend.

Op dat moment stormde de portier binnen. “Waar ben je, jij die zich in het midden van de nacht zo enorm hard haastte, en nu snurkend in je dekens gewikkeld ligt!” Aristomenes lag helemaal niet op Sokrates, maar gewoon in zijn eigen bed! Daarnaast sprong bij het helse lawaai niemand minder op dan Sokrates. “Geen wonder dat gasten dergelijke herbergiers verachten”, zei hij. Blijkbaar was hij rustig aan het slapen, tot de kerel hun kamer binnenbrak, wellicht – zo dacht hij – om hen te bestelen. Opgelucht stond ook Aristomenes op. “Kijk, mijn meest betrouwbare portier, dit is de gezel, mijn vader, mijn broeder, waarvan jij mij gisteren valselijk beticht hebt dat ik hem vermoord zou hebben!” Hij omhelsde Sokrates, maar die deinsde terug door de stank van urine op Aristomenes’ gezicht. Met een kwinkslag maakte de handelaar zich ervan af en hij stelde voor dat ze maar best gauw op pad gingen.

Op de weg keek Aristomenes nog eens goed naar zijn vriend. “Je bent gek”, zei hij tegen zichzelf, “na je in bekers wijn begraven te hebben, had je een zware nachtmerrie. Zie, Sokrates is gezond en wel, ongedeerd. Waar is de wonde, de spons? En waar is uiteindelijk dat litteken, zo diep en zo vers?” Hij keerde zich vervolgens naar zijn vriend en beaamde de medische wijsheid dat buitensporig eten en drinken leidt tot kwade dromen. Hij kon het bloed nog op zijn huid voelen! Sokrates lachte hem uit. Het was uiteindelijk geen bloed maar urine die Aristomenes gevoeld had. Toch had Sokrates zelf ook bizar gedroomd; zijn keel was overgesneden en zijn hart was eruit getrokken, en ja, zelfs nu voelde hij zich nog slap en stond hij onvast op zijn benen. Wat hij nodig had, was een goede maaltijd. Sokrates at z’n eten met een bijzondere gulzigheid op en zijn reisgenoot merkte hoe de man bleker en magerder leek te worden. Na het eten klaagde Sokrates dat hij een ondraaglijke dorst leed. Gelukkig was nabij een riviertje. De mannen begaven zich naar de stroom, Sokrates zette zich klaar om te drinken. Maar nog voor zijn lippen het water raakten, ging de afschuwelijke wonde in zijn nek open en rolde de spons eruit met een beetje bloed, recht de rivier in. Het lijk dreigde mee in het water te tuimelen, maar nog net kon Aristomenes een voet vastgrijpen en zijn vriend wegsleuren. In shock begroef hij hem daarna zo goed als hij kon. De handelaar besluit zijn verhaal met de volgende woorden:

“Ikzelf, in paniek en extreem bevreesd voor mijn leven, ben weggevlucht door afgelegen en verlaten wildernissen, en alsof een moord op mijn geweten drukte, na mijn thuisland en mijn huis in de steek gelaten te hebben, woon ik nu in Aetolië en ben ik hertrouwd”.

Het spookt in Athene

Hoewel het voorgaande verhaal zeer waarschijnlijk gebaseerd is op andere verhalen die circuleerden in de Romeinse samenleving, blijft het literaire fictie. Het volgende verhaal is des te opvallender omdat de auteur, Plinius de Jongere, het voorstelt als een waargebeurd verhaal. Plinius was niet de minste: hij kwam uit een gegoede familie, werd gepromoveerd tot de senatorenstand en zou het schoppen tot gouverneur van Bithynië en Pontus. In een brief aan een collega-senator vertelt hij het volgende:

Er stond in Athene een villa met een slechte reputatie. Al wie erin ging wonen, was immers gedoemd om binnen de kortste keren te sterven. Het gerucht ging dat er ’s nachts vreemde dingen gebeurden. Eerst kon in de verte het geklingel van ijzer gehoord worden. Daarna volgde het rammelen van kettingen. Dichter en dichter kwam het geluid, tot de geest van een oude man verscheen, een afgrijselijke, uitgemergelde gedaante met lang haar en lange baard en met ketens rond zijn armen en benen gewikkeld, waar hij opnieuw en opnieuw mee bleef schudden. Dit beangstigende schouwspel bracht de inwoners vele slapeloze nachten, en ook op andere momenten van de dag konden ze de herinnering aan de geest niet loslaten. Uiteindelijk werden ze ziek door uitputting en vonden ze al snel een ellendige dood. Het huis werd verlaten en de autoriteiten besloten dat het huis niet langer verkocht mocht worden, niet wetende wat voor vloek er op het pand lag.

Op een dag bezocht een zekere Athenodoros, een filosoof, de stad en zag hij dat het huis verhuurd werd aan een erg lage prijs. Verwonderd over de lage huur kreeg hij uiteindelijk het verhaal te horen van wat er in het huis plaatsgevonden had. Dat maakte de man bijzonder nieuwsgierig. Hij besloot dus het huis in te trekken om te zien of de geruchten klopten. Hij liet zijn personeel een kamer voor hem klaarmaken in de voorkant van het huis en droeg hen op zich naar de binnenste kamers terug te trekken. Zelf zette hij zich in de kamer aan tafel met wat schrijftafeltjes, een pen en een olielamp. Hij was immers vastbesloten wakker te blijven en zocht afleiding om de gedachte aan de verschijning niet te veel door zijn hoofd te laten spoken. Aanvankelijk was het stil. Na verloop van tijd klonk in de verte echter het geklingel van ijzer en het gerammel van ketens. De filosoof hield zijn ogen op zijn werk gericht en stopte zijn oren toe. Het geluid werd luider en luider, tot het niet langer van buiten klonk, maar in de kamer zelf. Athenodoros draaide het hoofd en zag daar inderdaad de geest van de oude man staan.

Het huis “De Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren
Het huis “Den Noodt Gods”, een voormalig nonnenklooster te Brugge waar de geesten van twee jonge geliefden zouden rondwaren Twitter Stad Brugge

De geest wenkte hem, maar Athendoros hield zijn hand omhoog alsof hij hem wilde vragen even te wachten, en richtte zich weer op zijn schrijfwerk. Nu begon de geest met zijn ketens vlak boven het hoofd van de filosoof te rammelen. Athenodoros keek op en zag de geest hem opnieuw wenken. Ditmaal nam hij zijn olielamp en volgde hij de oude man. Langzaam stappend, alsof het gewicht van de ketens hem tegenhield, strompelde de geest richting de binnenkoer van de villa. Daar aangekomen, verdween hij, even plots als hij verschenen was. De filosoof markeerde de plaats waar de geest gestopt was en ging slapen. De volgende dag lichtte hij de autoriteiten in en vroeg hij hen de binnenkoer om te spitten. Zij stuurden een ploeg en inderdaad, in de aarde werd een geraamte gevonden met ketens errond gewikkeld. De beenderen werden uitgegraven en kregen een publieke begrafenis. De geest werd niet meer gezien.

Opvallend aan dit verhaal is hoe hard het gelijkt op het soort horrorverhalen dat nog steeds circuleert in onze samenleving. Een vervloekt huis, een geest die geen rust kan vinden, de inwoners die tot waanzin gedreven worden. Laat ons echter hopen dat het inderdaad slechts om hersenspinsels gaat van onze overactieve geesten. En kijkt u deze avond misschien toch maar eerst eens onder bed voor het slapengaan. Gewoon, voor de zekerheid.

Meer lezen:

Felton, D., Haunted Greece and Rome: Ghost Stories from Classical Antiquity, Austin, 1999.
Frangoulidis, S. A., ‘Cui Videbor Veri Similia Dicere Proferens Vera?: Aristomenes and the Witches in Apuleius’ Tale of Aristomenes’, The Classical Journal 94.4 (1999), p. 375-391.
Ogden, D., Greek and Roman Necromancy, Princeton, 2001.

Cover: adaptatie van afbeelding ‘Myra Theater Masks’ op Vici.org door © Livius.org (CC BY-SA 3.0)

Het bericht Horrorverhalen uit de Oudheid van Nick Vaneerdewegh verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/31/10/2020/horrorverhalen-uit-de-oudheid/feed/ 1 1739