mythografie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/mythografie/ Blog van de onderzoeksgroep Oude Geschiedenis (KU Leuven) Sun, 25 Jan 2026 17:20:17 +0000 nl-NL hourly 1 https://wordpress.org/?v=7.0 https://www.oudegeschiedenis.be/wp-content/uploads/2017/09/logo_oudegeschiedenis-e1509732999548.png mythografie Archieven - OUDE GESCHIEDENIS https://www.oudegeschiedenis.be/category/mythografie/ 32 32 136391722 De vergeten dichters van Alexander de Grote https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/#respond Sun, 25 Jan 2026 17:20:17 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2800 Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

Tijdens zijn veldtocht omringde Alexander de Grote zich doelbewust met dichters, in de hoop zijn daden literair te laten vereeuwigen. Helaas blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over, al zijn er gelukkig nog de namen van enkele van deze auteurs overgeleverd, zodat ze niet helemaal vergeten worden.

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Het schilderij 'Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero' van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze

In de Griekse geschiedenis – en eigenlijk ook daarbuiten – behoort de onderneming van Alexander de Grote ongetwijfeld tot de meest epische daden. In de geschiedschrijving heeft Alexander dan ook een blijvende indruk nagelaten, maar zijn naam is, merkwaardig genoeg, aan geen enkel epos verbonden. En dat terwijl Alexander zelf wel degelijk moeite deed om te verzekeren dat zijn daden bezongen zouden worden. Verschillende bronnen vermelden namelijk dat hij een groep dichters meenam op zijn expeditie naar het Oosten, die hij bovendien rijkelijk beloonde. Sommigen van hen zijn nauwelijks bekend (Choerilos van Iasos, Agis van Argos, Pranikos of Pierion) maar Alexander wist ook beroemde figuren aan te trekken, zoals de redenaar Anaximenes van Lampsakos en de filosoof Pyrrho van Elis. Opmerkelijk genoeg blijft van al die poëzie vandaag bijna niets meer over.

Choerilus van Iasos

Van de dichters die Alexander op zijn tocht naar het Oosten vergezelden, is Choerilos van Iasos ongetwijfeld de bekendste. Hij wordt genoemd door Horatius en vele andere auteurs, maar zijn reputatie is ronduit slecht: Choerilos geldt als de slechtste dichter uit de Griekse Oudheid. Van zijn werk is bijna niets bewaard gebleven, maar er circuleren tal van anekdotes over hem.

Detail van het beroemde Alexandermozaïek uit de 2de -1ste eeuw v.C., afkomstig uit de exedra van de ‘Casa del Fauno’ in Pompeï

Volgens Horatius (Brief aan Augustus, vv. 232-234) zou Alexander hem met een gouden munt hebben beloond voor elke vers die hij over hem schreef. Andere bronnen vertellen echter een ander verhaal: Alexander beloofde een munt voor elke goede vers, maar een klap voor elke slechte vers – en omdat de slechte verzen talrijker waren, zou Choerilos zijn dood hebben gevonden onder de slagen van de koning.

Deze laatste versie van het verhaal is waarschijnlijk een later verzinsel, want Choerilos lijkt Alexander te hebben overleefd: hij schreef namelijk een werk met de titel Lamiaka. Van dat gedicht is alleen de titel overgeleverd, maar het moet een epos zijn geweest over de Lamische Oorlog (322 v.C.), waarin de Atheners zich tegen de Macedoniërs keerden om hun onafhankelijkheid te herwinnen. Mogelijk componeerde Choerilos het gedicht om de daden van de Macedonische generaal Antipater te verheerlijken, zoals hij eerder voor Alexander had gedaan.

Anaximenes van Lampsakos

Er wordt ook een gedicht over Alexander toegeschreven aan Anaximenes van Lampsakos, de beroemde redenaar en geschiedschrijver van Philippos II en Alexander. Ook over hem is een amusante anekdote overgeleverd. Toen Alexander Troje bezocht en het graf van Achilles zag, greep hij de gelegenheid aan om de roem van Achilles en van zijn dichter, Homerus, te prijzen. Anaximenes was daarbij aanwezig en riep, om hem te vleien, dat hij ook Alexanders glorie onsterfelijk zou maken. Maar Alexander kapte hem meteen af met de woorden:

Ik zou liever Homerus’ Thersites zijn dan jouw Achilles!

Een soortgelijk verhaal wordt trouwens ook over Choerilos van Iasos verteld. De geograaf Pausanias (2de eeuw n.C.) twijfelde of Anaximenes werkelijk zo’n werk had geschreven, maar daar is waarschijnlijk geen reden toe.

Agis van Argos

Twee van de belangrijkste geschiedschrijvers van Alexander, Curtius Rufus en Arrianus, noemen nog een andere dichter: Agis van Argos. Agis wordt beschreven als een van Alexanders meest schaamteloze vleiers. Volgens de bronnen steunde hij de koning vooral tijdens het debat over de proskynesis (προσκύνησις) – een Perzisch gebruik waarbij men zich diep voor de heerser boog. Voor de meeste Grieken was dit ondenkbaar, omdat het neerkwam op de vergoddelijking van een levende vorst. De bronnen zijn dan ook zeer kritisch over Alexanders overname van dit gebruik, dat vaak wordt gezien als het begin van de ontsporing van zijn macht.

Titelpagina voor een 17de eeuwse uitgave van Curtius Rufus’ ‘Historia(e) Alexandri Magni’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Curtius Rufus bijzonder harde woorden heeft voor Agis: hij noemt hem een “slecht dichter”, die alleen nog wordt overtroffen door Choerilos – of beter gezegd, Choerilos is de enige die voor hem moet onderdoen. Blijkbaar speelde Agis gretig in op Alexanders grootheidswaanzin, door in zijn gedicht te beschrijven hoe Herakles, Dionysos en de Dioskouren (Castor en Pollux) Alexander opwachtten om hun plaats aan hem af te staan.

Agis was bovendien buitengewoon jaloers. Volgens Plutarchus (1ste-2de eeuw n.C.) zou hij, toen hij zag hoe Alexander een hofnar rijkelijk beloond had, hebben uitgeroepen:

Ik vind het verachtelijk om te zien hoe de zonen van Zeus zulke onwaardige vleiers waarderen: zoals Herakles bepaalde Kekropen waardeert, en Dionysos zich omringt met Silenen, zo laat ook jij je vleien door dit soort narren!

Die uitval bevat natuurlijk ook verborgen lof, want ze gaat ervan uit dat Alexander een rechtstreekse afstammeling van Zeus was, en bijgevolg gelijk aan Herakles of Dionysos. Toch is het beeld van Agis bijna grotesk: hij bekritiseert Alexanders slechte smaak en gebrek aan oordeel, zonder te beseffen dat hij zelf het meest aan vleierij schuldig is.

Pranikos of Pierion en andere dichters

Plutarchus vertelt ook een anekdote over nog een andere dichter die Alexander vergezelde, wiens naam in twee vormen is overgeleverd: Pranikos of Pierion. Het verhaal speelt zich af tijdens het banket waarop Alexander zijn vriend en bevelhebber Clitus (de Zwarte, Κλεῖτος ὁ Μέλας) doodde. Toen iedereen al dronken was, werden enkele verzen van deze dichter voorgedragen. De verzen in kwestie waren geschreven om generaals te bespotten die door de “barbaren” waren verslagen. Alexander – en natuurlijk ook zijn vleiers – leek deze verzen bijzonder geestig te vinden, maar de oudere gasten voelden zich beledigd door zo’n gebrek aan respect. Vooral Clitus verhief zijn stem tegen Alexander en, aangewakkerd door de wijn, liep de situatie al snel uit de hand, tot Alexander hem uiteindelijk met eigen hand doodde.

De bronnen noemen ook andere dichters, onder wie een obscure Aischrion van Samos (of van Mytilene). Tot Alexanders vleiers behoorde ook een zekere Cleon van Sicilië, die mogelijk een dichter was. Sommige auteurs vermelden zelfs dat de sceptische filosoof Pyrrho van Elis door Alexander zou zijn beloond voor een gedicht dat hij ter ere van hem schreef.

Het verdwijnen van poëzie over Alexander

Uit de bronnen blijkt duidelijk dat Alexander veel aandacht en middelen besteedde om zichzelf te omringen met dichters die zijn onderneming konden vereeuwigen. Zijn doel was wellicht een dichter te vinden die hem kon bezingen zoals Homerus Achilles had bezongen. Misschien wilde hij zich ook laten vergelijken met Herakles, de stamvader van de Macedonische dynastie, met wie hij ook in de kunst vaak wordt geassocieerd. Daarnaast identificeerde Alexander zich met Dionysos, in wie hij een soort voorganger zag van omwille van zijn eigen veldtochten, vooral van die naar Azië.

Alexander de Grote met de leeuwenhuid van Herakles, detail van de zogenaamde “Alexander-sarcofaag”; afkomstig uit Sidon uit de late 4de eeuw v.C.

Toch bereikte Alexander zijn doel niet. Niets van de poëzie die voor hem werd geschreven, is bewaard gebleven. Misschien had hij niet de juiste dichters gekozen door een tekort aan persoonlijk inzicht – of had hij gewoon pech. De omstandigheden van zijn korte leven bieden echter een geloofwaardige verklaring voor dit gemis. In tegenstelling tot wat later gebeurde bij keizer Augustus of bij de Ptolemeïsche dynastie, stierf Alexander op het hoogtepunt van zijn succes, zonder de kans om een periode van vrede mee te maken. In zo’n rustigere tijd had hij misschien een literaire kring kunnen vormen die hem passend zou verheerlijken. De anekdote over Pranikos of Pierion suggereert dat dit soort poëzie soms ook tijdens veldtochten zelf werd gecomponeerd en vervolgens voorgedragen werd tijdens banketten.

Het volledig verdwijnen van deze poëzie lijkt samen te hangen met het overwegend negatieve oordeel dat de antieke bronnen over deze dichters delen. Choerilos geldt als de slechtste dichter van Griekenland, Agis komt vlak na hem, en ook in de anekdotes over Anaximenes en Pranikos of Pierion klinkt eenzelfde oordeel. Maar waren Alexanders dichters werkelijk zo slecht? Helaas kunnen we, zonder ook maar enig overgeleverd fragment, dit oordeel van de Antieken noch bevestigen, noch weerleggen. We kunnen alleen maar hopen dat ze zich niet hebben vergist.

Verder lezen

Het materiaal over Alexander de Grote in de Hellenistische poëzie wordt uitvoerig besproken door Silvia Barbantani, “‘His σῆμα are both continents’. Alexander the Great in Hellenistic Poetry”, in Studi ellenistici 31 (2017), 51–127.

De fragmenten van Choerilus van Iasos zijn verzameld en geanalyseerd door Marco Pelucchi, Cherilo di Iaso, Testimonianze, frammenti, fortuna, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022.

Over de zogenaamde “slechtste dichters” uit de oudheid zie Marco Pelucchi, “Pessimi poetae: On Philodemus, Ancient Tradition, and Selection Criteria”, in N. Bruno, M. Filosa, G. Marinelli (red.), Fragmented Memory: Omission, Selection, and Loss in Ancient and Medieval Literature and History, De Gruyter: Berlijn/Boston 2022, 27–54.

Coverfoto: Het schilderij ‘Alessandro Magno nella sua tenda legge le opere di Omero’ van Ferri Ciro (17de eeuw) bewaard in de Galleria degli Uffizi in Firenze (CC BY 4.0)

[De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn bijdrage en Sam Hox voor het proeflezen.]

Het bericht De vergeten dichters van Alexander de Grote van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/01/2026/de-vergeten-dichters-van-alexander-de-grote/feed/ 0 2800
Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/ https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/#respond Sun, 07 Jan 2024 15:30:50 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2580 Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Van de peripateticus Hieronymus van Rhodos zijn weinig biografische gegevens bewaard, maar de 70 van hem overgeleverde fragmenten geven een verrassende versie van de mythe van Tithonus en een alternatieve beschrijving van het uiterlijk van Herakles.

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Fresco van 'De school van Aristoteles' in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg van de hand van Gustav Adolph Spangenberg (1883-1888)

Iedereen weet wie Aristoteles was, maar de geschiedenis van zijn Peripatetische School, na zijn dood, is minder bekend. Zoals ook het geval was met Plato en zijn Academie, lijkt geen van Aristoteles’ leerlingen – denk bijvoorbeeld aan Theophrastus, Eudemus of Strato – dezelfde talenten te hebben gehad als de meester of een vergelijkbare invloed te hebben uitgeoefend op de latere traditie. Het zou echter onterecht zijn deze figuren te onderschatten. Hun onderzoek zette dat van Aristoteles immers voort op verschillende kennisgebieden, van de filosofie tot de filosofie en van de zoölogie tot de biografie.

Wie was Hieronymus?

Hieronymus, over wie het hier zal gaan, is een van de vele obscure peripatetici die leefden in de Hellenistische periode. Hij was afkomstig uit Rhodos en leefde in de 3de eeuw v.C., voornamelijk in Athene. Er is weinig geweten over zijn leven en bovendien is zijn werk verloren gegaan met uitzondering van zo’n 70 ‘fragmenten’: letterlijke citaten en parafrases uit zijn literaire productie in de werken van latere auteurs van wie de werken wel bewaard zijn gebleven in de Middeleeuwse manuscripten of antieke papyri. Hoewel vandaag nauwelijks nog iemand hem kent, was Hieronymus toch een van de meest illustere peripatetische filosofen van zijn tijd en bleef zijn faam zelfs na zijn dood doorleven: Strabo (1ste eeuw v.C.- 1ste eeuw n.C.) rekende hem nog steeds tot de beroemde burgers van Rhodos; Cicero en Plutarchus vermeldden hem met appreciatie als filosoof; Dionysius van Halicarnassus (1ste eeuw v.C.) waardeerde hem als literair criticus.

Van Hieronymus zijn, in tegenstelling tot de grondlegger van de Peripatetische School, deze Aristoteles, geen afbeeldingen bewaard

In de fragmenten van Hieronymus vinden we de uitgebreide interesses weerspiegeld die de Peripatetische School al sinds Aristoteles kenmerkten. Zo zijn er heel wat filosofische fragmenten, waarin Hieronymus zich bezighoudt met de definitie van het hoogste goed en een theorie van de woede presenteert (lang voor de Stoïcijnse filosoof Seneca dit deed in zijn De ira). De meeste fragmenten gaan echter over andere onderwerpen: biografie, geschiedenis, mythologie, literatuur, filologie, eruditie, … Opvallend vaak neemt Hieronymus bepaalde standpunten in, die we elders in de traditie niet terugvinden. Van opmerkelijk belang zijn hierbij de mythologische fragmenten en de historisch-biografische fragmenten. Drie hiervan, die me bijzonder interessant lijken, wil ik hier onder de aandacht brengen.

De mythe van Tithonus

Een fragment van Hieronymus (F 46 White, in enkele commentaren op de ‘Ilias’ bewaard) gaat over de mythe van Eos (de godin van de dageraad) en Tithonus (een Trojaanse prins). De bekendste versie van de mythe, die heel waarschijnlijk ook de oorspronkelijke is en die al geattesteerd is in de Homerische ‘Hymne aan Aphrodite’, alsook bij Mimnermus en Sappho, gaat als volgt: Eos werd zo verliefd op Tithonus dat ze aan Zeus de onsterfelijkheid voor haar geliefde vroeg en verkreeg. Alles ging goed totdat Tithonus oud begon te worden. Eos was namelijk vergeten om naast onsterfelijkheid ook eeuwige jeugd aan Zeus te vragen. In het begin verjoeg Eos Tithonus uit het huwelijksbed, maar ze bleef voor hem zorgen. Toen Tithonus echter steeds ouder en zwakker werd, walgde Eos van hem en sloot hem op in een grot.

De mythe van Eos en Tithonus afgebeeld op een Attische roodfigurige ‘kylix’

Bij Hieronymus vinden we echter een ander einde van het verhaal. Toen Tithonus zo oud en zwak was geworden dat het leven voor hem ondraaglijk was geworden, vroeg hij Eos hem te doden om hem verdere pijn te besparen. De godin bedacht echter een list: ze veranderde hem in een cicade, zodat zij voor altijd zijn stem kon blijven horen. Deze versie van de mythe, met wat we een happy ending zouden kunnen beschouwen, is duidelijk het resultaat van een latere adaptatie en modificatie. In het begin gaf de mythe vooral uitdrukking aan de angst voor ouderdom en maakte het de onmogelijkheid voor een mens duidelijk om te kunnen genieten van de goddelijke privileges zoals eeuwige gezondheid en onsterfelijkheid. Een heel triest verhaal dus. In de door Hieronymus overgeleverde versie verklaart de mythe van Tithonus in plaats daarvan de oorsprong van het prachtige lied van de cicaden, waarin voor hem de stem van Tithonos en de liefde van Eos eeuwig voortleven. Het werd zo één van de vele etiologische verhalen die voornamelijk in de Hellenistische tijd heel populair waren, die vaak op traditionele mythes gebaseerd waren en deze op een aangename manier herwerkten.

Het uiterlijk van Herakles 

Het verhaal van Tithonus is niet het enige geval waarin Hieronymus een bijzondere versie van een mythe bewaard heeft. In een ander fragment (F 44A White, overgeleverd door Clemens van Alexandrië, een christelijke auteur die leefde in de 2de eeuw .C.) geeft hij een zeer buitengewone beschrijving van Herakles, die wordt beschreven als “kort, met warrig haar en sterk”. Deze versie is erg vreemd, omdat Herakles over het algemeen heel anders wordt beschreven. Een collega van Hieronymus, de peripateticus Dicaearchus, noemde Herakles bijvoorbeeld “lang en slank” en “met lang haar”.

Herakles tegen Antaios op de Euphronius-krater uit het Louvre

Ook in andere bronnen werd Herakles helemaal niet als “kort” beschreven. Pythagoras had zijn lichaamslengte zelfs als uitzonderlijk lang berekend op basis van het feit dat zijn voeten, waarmee hij het stadion van Olympia had afgemeten, veel groter waren dan die van een gewone man. De enige parallel voor het verhaal van Hieronymus is te vinden bij de dichter Pindarus, waar Herakles wordt beschreven als “klein van gestalte” maar wel “onverwoestbaar van geest”. Ook het detail van het “warrige haar” is erg vreemd. Op vazen wordt Herakles meestal afgebeeld met heel net haar, in tegenstelling tot zijn barbaarse tegenstanders, zoals bijvoorbeeld op de beroemde Euphronius-krater in het Louvre.

Tegen de algemene traditie in zou Herakles, de zoon van Zeus van Alkmene, de held van de twaalf werken, volgens Hieronymus dus … een kort, gedrongen mannetje met ongekamd haar zijn geweest! Hieronymus’ beschrijving lijkt best negatief. Hoe kunnen we dit verklaren? Misschien heeft dit te maken met het ‘euhemerisme’, een stroming in de interpretatie van mythes die in de Hellenistische tijd wijdverspreid was en vooral door Euhemerus van Messene (4de eeuw v.C.) toegepast werd: volgens hem waren de goden slechts mensen die later vergoddelijkt werden. Als er dus een verband was tussen deze stroming en ons fragment, dan was de functie van de benadrukking van Herakles’ gebreken (of, als we het voorzichtiger willen formuleren, in ieder geval zijn onvolkomenheden) wellicht om zijn menselijke en sterfelijke oorsprong te onderstrepen en te “bewijzen”.

Het seksleven van Alexander de Grote

Hieronymus toonde dezelfde belangstelling voor uitzonderlijke en nauwelijks geattesteerde tradities ook in niet-mythologische fragmenten. Opmerkelijk is hier een fragment (F 30 White, bewaard door Athenaeus, een auteur die in de 2de eeuw n.C. leefde) over Alexander de Grote, waarin zonder enig bijkomend detail wordt beweerd dat Alexander er niet toe in staat was om seksuele relaties te hebben.

Deze bijzonderheid wordt voor het eerst vermeld in Hieronymus en heeft zo goed als geen invloed gehad op de overlevering over de koning. Nergens anders vinden we immers hetzelfde detail. Andere bronnen vermoeden dat Alexander wel eens homoseksueel zou kunnen zijn geweest. De daardoor veroorzaakte onmogelijkheid om kinderen te verwekken zou bijgevolg de basis kunnen vormen van ons verhaal. Zo staat bijvoorbeeld in een andere anekdote te lezen hoe Alexanders moeder Olympias zelfs probeerde de jonge Alexander naar bed te krijgen met de mooie Thessalische hetaere Kallixena, maar ze slaagde er niet in. Hieronymus’ kritiek lijkt echter van een andere strekking te zijn geweest. Hij zinspeelde misschien op erectiestoornissen die Alexander door overmatig wijngebruik af en toe gehad zou kunnen hebben. Hieronymus schreef namelijk ook een traktaat over dronkenschap en buitensporig drankgebruik, thema’s die vaak worden aangetroffen in de historiografie over Alexander. Het lijkt daarom een plausibele verklaring te zijn dat hij een verband legde tussen deze twee problemen van de koning.

De bekendste afbeelding van Alexander de Grote, een detail uit de Slag bij Issus, op een mozaïekvloer die momenteel in het museum van Napels te bezichtigen is

Het belang van Hieronymus’ overlevering

Hieronymus’ belangstelling voor zowel mythe als geschiedenis is op zich niet verrassend, ook omdat het onderscheid tussen mythe en geschiedenis in het Griekse denken niet zo vastomlijnd was. Wat wel opvalt, is het feit dat zijn naam in verband wordt gebracht met mythische en historische verhalen die zeer zeldzaam zijn in de overlevering. Dit kan deels te wijten zijn aan de latere overlevering, die zich toegespitst kan hebben op de meest uitzonderlijke aspecten in zijn werk. Dit lijkt echter niet de enige verklaring te zijn. Dergelijke obscure varianten van verhalen moeten inderdaad een rol hebben gespeeld in het werk van Hieronymus, ook al kunnen we niet meer achterhalen in welke mate.

We kunnen slechts betreuren dat Hieronymus’ werk bijna volledig verloren is gegaan en alleen bewaard is gebleven in fragmenten, die vaak obscuur, dubbelzinnig en moeilijk te begrijpen zijn. Toch geven deze fragmenten ons een idee van zijn mythologisch-historische studies. Zijn vaak bizarre en buitengewone versies verschaffen ons inzicht in wetenschappelijke en literaire debatten die we anders misschien niet zouden verwachten en waarvan ons de achterliggende redenen en de tendensen bij een eerste lectuur meestal ontgaan. Die zullen er echter wel vaak geweest zijn. Alleen de zorgvuldige studie van de fragmenten, de context waarin ze worden geciteerd of geparafraseerd en de parallelle traditie over elk onderwerp maken het mogelijk Hieronymus’ verhalen in hun context te plaatsen en hun betekenis te begrijpen, of op zijn minst enkele plausibele interpretaties te kunnen formuleren.

Verder lezen

De testimonia en fragmenten van Hieronymus van Rhodos zijn verzameld, vertaald en becommentarieerd door S.A. White in W.W. Fortenbaugh - S.A. White (reds.), Lyco of Troas and Hieronymus of Rhodes. Text, Translation, and Discussion, Londen/New York 2004. In dezelfde bundel kan men een aantal essays vinden die belangrijke aspecten van Hieronymus’ biografie, filosofie en werk bespreken.

Voor de haardracht van Herakles, vooral in de figuratieve kunsten, is nuttige lectuur E.A. Mackay, “The Hairstyle of Herakles,” in A.J. Clark - J. Gaunt (reds.), Essays in Honor of Dietrich von Bothmer, Amsterdam 2002, pp. 203-210.

Over het seksleven van Alexander de Grote en de bronnen hierover kan men de volgende studies lezen: D. Ogden, “Alexander’s Sex Life,” in W. Heckel – L. A. Tritle (eds.). Alexander the Great. A New History, Malden (Mass.)/Oxford/Chichester 2009, pp. 203–217 en S. Müller, “The Sexuality of the Argeads,” in K.R. Moore (red.), The Routledge Companion to the Reception of Ancient Greek and Roman Sexuality, Londen/New York 2023, pp. 212-228.

Coverafbeelding: de fresco ‘The School of Aristotle’, geschilderd door Gustav Adolph Spangenberg in de Maarten Luther Universiteit in Halle-Wittenberg, vanop Wikimedia (Public Domain)

[Deze tekst werd oorspronkelijk in het Italiaans geschreven. Een eerste Nederlandse versie werd door DeepL gemaakt die dan grondig herwerkt werd. De auteur wil Stefan Schorn bedanken voor zijn hulp en Ide François voor het proeflezen.] 

Het bericht Hieronymus van Rhodos: een peripateticus tussen mythe en geschiedenis van Marco Pelucchi verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/07/01/2024/hieronymus-van-rhodos-een-peripateticus-tussen-mythe-en-geschiedenis/feed/ 0 2580
Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/ https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/#respond Sun, 08 Oct 2023 16:25:24 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2472

In onze reeks 'Quis est?' beschrijven we minder bekende figuren uit de Oudheid, zoals deze Sostratos van Aegina? Is deze handelaar, die zowel bij Herodotus als in teksten uit Italië en Egypte wordt vermeld, de rijkste aller Grieken?

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Vorige week pakte de krant De Standaard uit met de test “bent u rijk?”, en voegde daar de boude bewering aan toe dat je “met 2 miljoen tegenwoordig niets bent”. Zorgen over de groeiende ongelijkheid klinken steeds luider, maar tegelijk blijven lijstjes van rijke mensen populair, en kunnen we de capriolen van ’s werelds meest welvarende persoon, Elon Musk, bijna in real time volgen. Hoewel hun invloed misschien wel groter is dan ooit, zijn superrijken niet alleen een hedendaags fenomeen, en ook over hun historische voorgangers doen vaak allerlei straffe verhalen de ronde, waaronder ook over een zeker Sostratos van Aegina.

Het lot van Crassus, in de zestiende-eeuwse verbeelding

Een andere persoon die wel eens omschreven wordt als de rijkste man in de wereldgeschiedenis is Mansa Musa, de veertiende-eeuwse heerser over het koninkrijk Mali. Op bedevaart naar Mekka zou hij in Caïro zoveel goud uitgedeeld hebben, dat de goudprijs en daarmee de hele economie crashte. In Rome was er de fabelachtige rijkdom van Marcus Licinius Crassus, de triumvir die een groot fortuin vergaarde via speculatie op de vastgoedmarkt. De Parthen waren zich welbewust van ’s mans reputatie, en nadat hij sneuvelde in de slag bij Carrhae (53 v.C.) goten ze volgens de overlevering gesmolten goud in zijn mond. De Griekse steden waren meer egalitair, en het is minder duidelijk wie de rijkste aller Hellenen geweest zou kunnen zijn. Eén man heeft echter een sterke claim, als we tenminste Herodotus mogen geloven. En andere bronnen voor die Sostratos van Aegina suggereren inderdaad dat zijn beschrijving op waargebeurde feiten gebaseerd is.

De reputatie van Sostratos (en die van Herodotus)

Haast terloops, als deel van een verhaal over de Samiërs, merkt de geschiedschrijver Herodotus op dat geen enkele handelaar ooit meer inkomsten vergaarde dan een zekere Sostratos uit Aegina, de zoon van Laodamas:

“ἀπονοστήσαντες οὗτοι ὀπίσω μέγιστα δὴ Ἑλλήνων πάντων τῶν ἡμεῖς ἀτρεκείην ἴδμεν ἐκ φορτίων ἐκέρδησαν, μετά γε Σώστρατον τὸν Λαοδάμαντος Αἰγινήτην: τούτῳ γὰρ οὐκ οἷά τε ἐστὶ ἐρίσαι ἄλλον.”

“Naar huis teruggekeerd, haalden zij [sc. de Samiërs] de meeste winst uit hun vracht van alle Grieken waarover we zekerheid hebben, behalve dan Sostratos, zoon van Laodamas, uit Aegina: met hem kan geen enkel ander wedijveren.” (Historiae 4, 152)

Herodotus, de Griekse geschiedschrijver

Aldus vervoegde Sostratos de selecte groep van Griekse handelaars die bij naam vereeuwigd werden in de literaire bronnen. De Griekse upper class had, net als de Romeinse senatoriale elite, namelijk geen al te hoge pet op van handelaars, en voelde niet vaak de behoefte om hun verwezenlijkingen te vereeuwigen. Desalniettemin suggereert Herodotus’ opmerking dat zijn publiek goed genoeg wist over wie hij het had, aangezien hij geen enkel detail over Sostratos’ activiteiten vermeldt. Gelukkig voor ons is Sostratos (of zijn familie) een van die gevallen waar de literaire en documentaire bronnen elkaar aanvullen. Uit die laatste categorie blijkt een uitgebreid handelsnetwerk, dat zich uitstrekte doorheen het Middellandse Zeegebied. Tegelijk bevestigen deze teksten de geloofwaardigheid van de “vader van de geschiedschrijving”, waar zowel antieke als moderne historici wel eens aan durven twijfelen.

Aegina in de 6de eeuw v.C.

Zesde-eeuwse stater van Aegina met de schilpad

Sostratos’ thuisregio Aegina was een eiland in de Saronische golf, tussen Attica en de Peloponnesos, een strategische locatie om aan handel te doen. Het was dan ook een welvarende gemeenschap, die in de 6de eeuw v.C. belangrijker was dan het nabijgelegen Athene. De Aeginese stater met de bekende schildpad was een van de eerste munten in de Griekse wereld, en andere steden volgden de muntstandaard van Aegina voor het slaan van hun eigen munten. Handelaars als Sostratos speelden hierin een aanzienlijke rol. Aan het einde van de 6de eeuw v.C. bouwde de stad een monumentale tempel voor Aphaea, nog steeds een populaire bezienswaardigheid, en een heiligdom voor Apollo. Sommige onderzoekers willen hier ook de hand van Sostratos in zien, en twee sokkels voor standbeelden dragen inderdaad een inscriptie die verwijst naar iemand met die naam. Na de Perzische oorlogen verloor Aegina aan belang ten voordele van grote rivaal Athene.

Sostratos in Italië

Sostratos zou misschien voor altijd een semi-legendarische figuur gebleven zijn, als de ontdekking van een intrigerende inscriptie in het Etruskische Gravisca daar geen verandering in had gebracht. Het gaat om een stenen anker, gewijd aan een godheid, zoals dat wel vaker gebeurde onder zeelieden als dank voor een veilige zeereis. De tekst is simpel en slechts gedeeltelijk bewaard, maar in al zijn kortheid bijzonder significant:

ΑΠΟΛΟΝΟΣ ΑΙΓΙΝΑΤΑ ΕΜΙ ΣΟΣΤΡΑΤΟΣ ΕΠΟΙΗΣΕ ΗΟ

“Ik behoor toe aan Apollo van Aegina. Sostratos, zoon van … heeft mij gemaakt”

Het anker van SostratosWikimedia

Het anker van Sostratos

De tekst dateert naar alle waarschijnlijkheid uit de late 6de eeuw v.C., en de combinatie van de naam Sostratos met de godheid uit Aegina maken het zeer waarschijnlijk dat het hier om de handelaar van Herodotus gaat. Bovendien liep het in Gravisca, de haven van de welvarende stad Tarquinia, vol met handelaars. De Etruskische steden waren belangrijke handelspartners voor de Grieken en hun havens waren levendige en kosmopolitische plaatsen met ruimte voor vreemde, niet-Etruskische goden.

Ook in Pyrgi, de haven van dat andere Etruskische centrum Caere, werd een dedicatie gevonden die mogelijk aan Sostratos toegeschreven kan worden. Met welke producten Sostratos zijn fortuin vergaarde, weten we niet zeker, maar tientallen beschilderde Attische vazen met het merkteken “So” (= So(stratos)?) suggereren dat hij de grootste invoerder van aardewerk van zijn tijd was. Belangrijker nog was hun inhoud: Griekse wijn. Hoewel de Etrusken zelf aan viticultuur deden, en hun wijn zelfs exporteerden naar Gallië, verkoos de elite het Griekse product van hogere kwaliteit. Dat ligt vandaag wel even anders: grote delen van Etrurië maken nu deel uit van Toscane, wereldberoemd voor haar Chianti en Brunello. De Etrusken importeerden verder olijfolie, allerlei metalen, luxeproducten zoals ivoor, en slaven. Mogelijk handelde Sostratos ook in sommige van deze goederen.

Sostratos in Egypte?

Sostratos’ activiteiten in Etrurië zouden op zichzelf al indrukwekkend geweest zijn, maar enkele vondsten uit het Egyptische Naukratis zouden er op kunnen wijzen dat zijn netwerk echt het hele Middellandse zeegebied omspande. Naukratis was een belangrijke handelspost in het noorden van Egypte, op dat moment deel van het Perzische rijk (we schrijven enkele decennia vòòr de grote confrontatie tussen dat rijk en de Griekse steden). Net als Gravisca was het een multicultureel emporium, maar Naukratis had een meer uitgesproken Grieks karakter. Het was geen kolonie van een enkele polis, maar een gemeenschap onderhouden met de steun van twaalf verschillende Griekse steden, waaronder Aegina, Sostratos’ thuisstad.

Schaal gewijd door een Sostratos in Naukratis

Enkele dedicaties die op de site teruggevonden zijn, zouden kunnen wijzen op de betrokkenheid van Sostratos en zijn familie: verschillende potten dragen er wijdingen aan Aphrodite Aphrodite van een Sostratos en een Leodamas (een variant van de naam van Sostratos’ vader bij Herodotus, Laodamas). Aphrodite had geen corresponderende tempel op Aegina zoals Apollo, maar speelde in het algemeen een belangrijke rol als beschermster van zeereizigers. Als Aphrodite Euploia kon ze de golven bedwingen en haar adepten een veilige vaart garanderen, en handelaars schreven soms hun commerciële successen aan haar tussenkomst toe.

Ook in Egypte importeerden Grieken hun veelgeprezen wijn, maar het grote geld viel eerder te rapen met het doorverkopen van Egyptische producten zoals graan, linnen en papyrus in de Griekse wereld. Er zijn echter enkele bezwaren tegen de interpretatie dat het hier om de Sostratos van Herodotus zou gaan: Leodamas wordt geïdentificeerd als zijnde afkomstig van de stad Teos, en de dedicatie door Sostratos gebruikt het alfabet van het eiland Chios. Het zou natuurlijk om een bijzonder internationale familie kunnen gaan, en misschien heeft Sostratos zijn graffiti niet zelf geschreven, maar voorzichtigheid is hier toch geboden.

Eén steenrijke Sostratos, of toch meerdere Sostratoi?

Sostratos was geen zeldzame naam in de Oudheid, en sommige onderzoekers betwijfelen dat al deze bronnen verwijzen naar een en dezelfde man, de Sostratos van Herodotus. Anderen kiezen een middenweg, en reconstrueren een familie van handelaars eerder dan één individu. Zowel beroepen als namen werden inderdaad vaak doorgegeven van vader (of grootvader) op zoon. Het blijft moeilijk om alle elementen hard te maken, in het bijzonder de Egyptische connectie, maar zeker het anker voor Apollo van Aegina uit Gravisca spreekt in het voordeel van de betrouwbaarheid van Herodotus. Bovendien kennen we andere handelaars, met veel ongebruikelijkere namen, die sporen achterlieten in zowel Etrurië als Naukratis, zoals een zekere Lethaios en een meneer Hyblesios. We kunnen dus terecht spreken van een geconnecteerde en mobiele wereld, waarin internationale handelaars aanzienlijke fortuinen verdienden. En de terloopse manier waarop Herodotus Sostratos van Aegina vermeldt, leert ons dat zijn succes fabelachtig geweest moet zijn.

Lees meer

Gill, D.W.J., ‘Positivism, Pots and Long-Distance Trade’, in I. Morris (ed.), Classical Greece: Ancient Histories and Modern Archaeologies, Cambridge, 1994, 99–107.
Hornblower, S., ‘Personal Names and the Study of the Ancient Historians’, Proceedings of the British Academy 104 (2000), 129–143.
Johnston, A., ‘Trading Families?’, in R.W.V. Catling and F. Marchand (eds.), Onomatologos. Studies in Greek Personal Names presented to Elaine Matthews, Oxford, 2010, 470–478.
Schweizer, B., ‘Zwischen Naukratis und Gravisca: Händler im Mittelmeerraum des 7. und 6. Jhs. v. Chr.’, in M. Fitzenreiter (ed.), Das Heilige und die Ware: Zum Spannungsfeld von Religion und Ökonomie, London, 2007, 307–324.

Coverafbeelding: adaptatie van een foto van een zwartfigurige vaas (kylix) uit de 6de eeuw v.C. met daarop Dionysus op een schip tussen de druiven en dolfijnen, via de afbeelding ‘Kylix Dionysus on a ship between dolphins’ vanop Wikimedia (CC BY-SA 4.0 DEED).

Het bericht Quis est? Sostratos van Aegina: de rijkste aller Grieken? van Nico Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/08/10/2023/quis-est-sostratos-van-aegina-de-rijkste-aller-grieken/feed/ 0 2472
Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/#respond Fri, 06 Jan 2023 13:55:55 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2337 De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

De talrijke Egyptische festivals kennen we vooral uit het Midden- en Nieuwe Rijk, maar bloeiden ook voort tot in de Grieks-Romeinse periode. Sommige feesten werden enkel lokaal georganiseerd, andere vonden plaats doorheen het hele land. In dit artikel gaan we na, op basis van enkele attestaties van bekende voorbeelden zoals het Thebaanse Dalfeest en het Min-feest hoe priesters betrokken waren bij de organisatie van zulke festiviteiten, bijvoorbeeld met offers en rituelen.

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
De bark van Amon arriveert op de Westoever van Thebe

In het oude Egypte bestonden er enorm veel festivals. Deze konden zowel lokaal als op grootschalige manier in het hele land plaatsvinden. Bij deze “nationale” feesten waren er vaak lokale varianten terug te vinden. Alhoewel een Egyptisch festival doorgaans wordt voorgesteld als een processie van de ene tempel naar de andere, kwam er nog veel meer bij kijken. Een dergelijk feestgebeuren bestond ook uit verschillende rituelen, zoals het aanbrengen van offers of het uitvoeren van allerlei cultushandelingen. Priesters speelden hierin een belangrijke rol. Alhoewel we zulke feesten vooral kennen uit het Midden- en Nieuwe Rijk, floreerden verschillende Egyptische festivals nog steeds in de Grieks-Romeinse periode, wanneer eerst de Ptolemaeën en later de Romeinen het land regeerden.

Het Dalfeest

Omdat het onmogelijk zou zijn om alle Egyptische festivals uit de doeken te doen, focust dit artikel op enkele belangrijke religieuze festiviteiten. Een voorbeeld hiervan is het Thebaanse Dalfeest of het ‘Mooie Feest van de Vallei’. Dit feest vond jaarlijks plaats in Thebe (het moderne Luxor) ter ere van de god Amon. Er vond een processie plaats van de tempel van Karnak naar de tempel van Deir el-Bahari. Daarbij werd het godenbeeld van Amon uit zijn kapel in Karnak gehaald (oorspronkelijk de Rode Kapel van koningin Hatsjepsoet) en op een draagbare bark geplaatst. Vervolgens droegen priesters dat heilige schip, de Oeserhat, op hun schouders doorheen de tempel tot aan de Nijl, waarna ze het op een grote vaarbare boot plaatsten.

Overzicht van het Thebaanse gebied met de tempels van Karnak en Luxor ende Thebaanse necropool. De tempels van Medinet Habu, Merenptah, Thoetmosis IV, het Ramesseum en Deir el-Bahari zijn voorbeelden van Huizen van Miljoenen Jaren

Na de overtocht over de Nijl hield de god Amon halt bij verschillende tempels, de zogenaamde ‘Huizen van Miljoenen Jaren’. Opeenvolgende koningen lieten deze dodentempels, die zich op één rij bevonden, bouwen om er na hun overlijden miljoenen jaren te kunnen verblijven. Een van de meest bekende is de tempel van Deir el-Bahari, het eindpunt van de tocht van Amon. Het belangrijkste ritueel vond in deze tempel plaats en stond bekend als ‘Doven van de Fakkels in Melk’. Daarbij  bracht Amon de nacht door in het centrale heiligdom, omringd door vier melkbassins en fakkels.

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-BahariS. Schott (1937), p. 15

De opstelling van de bark (f), de melkbassins (d) en fakkels (e) in de tempel van Deir el-Bahari

De volgende ochtend werden deze fakkels gedoofd in de melk. Deze melkbassins werden vanuit Karnak meegedragen en bij elke halte, elk ‘Huis van Miljoenen Jaren, onder de boeg van de processiebark geplaatst. Het echte ritueel vond pas plaats in Deir el-Bahari zelf. Deze cultushandeling had als doel om Amon te verjongen, zodat zijn regeneratie over de hele necropool verspreid raakte, tot bij de overledenen daar. Dat het hier gebeurde en niet in de andere ‘Huizen van Miljoenen Jaren’ zorgde ervoor dat deze tempel een essentiële functie kreeg in het geheel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’.

Het volksfeest

Naast de tempelprocessie van de ene naar de andere tempel, vond er ook een echt volksfeest plaats waarbij de bevolking feest vierde in de graven van hun overleden voorouders. Met dit onderdeel van het festival was een hele reeks van rituelen verbonden. Er werd eerst een vuuroffer gebracht voor de god Amon-Ra in de voorhof van het graf. Dit was meteen ook het belangrijkste aangeboden offer, gevolgd door de zogenaamde Stundenwachen, waarbij elk uur verschillende priesters een bepaalde taak uitvoerden. Deze taken konden bestaan uit het voorlezen van rituele teksten, maar ook opnieuw uit het aanbrengen van offers.

S. Schott (1952), p. 43

Het bespelen van een sistrum (TT 69) en het aanreiken van een Menat-halsketting (TT 82)

Verder kwamen zangeressen afkomstig uit de tempel van Karnak langs de graven in de necropool. Deze zangeressen schudden met menats (halskettingen met een contragewicht) en sistra (rituele muziekinstrumenten). Beide zijn rituele attributen van de godin Hathor. Doordat de priesteressen met deze rituele objecten langs de graven in de necropool voorbijkwamen, konden de grafeigenaren in contact komen met de magisch geladen voorwerpen van de godin. Ook de haremdames van de godin Hathor kwamen langs de graven terwijl ze een gouden palmblad uitstrekten naar het graf. Vervolgens werden er boeketten van de god Amon, die afkomstig waren uit de verschillende tempels waar halt was gehouden, gepresenteerd aan de overleden grafeigenaren.

Ter afsluiting vond er in het graf het eigenlijke feestmaal plaats voor de familieleden van de overledene, met veel muziek, dans en drank. Al deze rituelen, zoals het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, maar tevens ook de offers, zoals het vuuroffer voor Amon-Ra, vormen samen een geheel. Ze zorgden ervoor dat het doel van het ‘Mooie Feest van de Vallei’ tot een goed einde kon gebracht worden: de regeneratie van de god Amon en alle overledenen in de necropool.

Het Dalfeest in de Grieks-Romeinse periode

Onze kennis over het Dalfeest dateert voornamelijk uit het Nieuwe Rijk, alhoewel het feest zeker en vast nog werd gevierd in de Grieks-Romeinse periode. Enkele Griekse papyri (zie verder) vermelden namelijk het festival, maar dat komt verder ook nog voor op cultusbeelden van privépersonen, enzovoort. Onze exacte kennis over de verschillende rituele handelingen is echter beperkter. Priesters voerden zeker en vast nog verscheidene rituelen of offers uit, maar de specifieke omstandigheden zijn moeilijker te achterhalen. De functie van de danseressen en zangeressen van Amon is echter wel nog geattesteerd tot in de Romeinse periode. Alhoewel een verdere uitleg ontbreekt, kunnen we er alleen maar van uitgaan dat ze nog een rol speelden tijdens de Thebaanse festiviteiten, waaronder het Dalfeest.

Ook voor de belangrijkste rituele handeling, het ‘Doven van de Fakkels in Melk’, hebben we geen concrete aanwijzingen dat het nog plaatsvond in de Grieks-Romeinse periode. Het heiligdom waarin de handeling zich afspeelde, werd echter nog vernieuwd onder de regering van PtolemaiosVIII (in de 2de eeuw v.C.). Verder is de functie van melkdragers nog geattesteerd, maar of we deze zomaar in verband mogen brengen met het ritueel dat ons voornamelijk uit het Nieuwe Rijk bekend is, is twijfelachtig. Het dragen van melk was nodig tijdens de Dalfeest-processie van het ene ‘Huis van Miljoenen Jaren’ naar het andere, maar melk werd eveneens gebruikt voor veel andere rituelen en offers. Het staat bijgevolg vast dat het ‘Mooie Feest van de Vallei’ nog een enorm belangrijke rol speelde in de Grieks-Romeinse periode, maar hoe dit zich dan vertaalde in de praktische uitvoering van rituelen en offers is minder duidelijk.

Het Min-feest

We hebben wel een duidelijker beeld over de exacte uitvoering van een ander feest, dat ter ere van de god Min, in de Grieks-Romeinse periode. De reeks van rituelen die bij dit feest hoorde, is namelijk afgebeeld op de Ptolemaeïsche en vroeg-Romeinse tempels van Edfu en Dendera. De meeste bronnen voor dit feest dateren zelfs uit de Grieks-Romeinse periode, alhoewel het feest en de bijhorende rituelen hun oorsprong kenden in de faraonische periode. Het belangrijkste ritueel tijdens het Min-feest was ‘Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel’ en was een soort “klim-ceremonie”. Het Min-feest was niet verbonden aan een specifieke tempel en het ritueel kende een lange geschiedenis, waarvan we de eerste attestatie uit Saqqara kennen (uit de dodentempel van farao Pepi II).

Voor het Nieuwe Rijk komen de meeste attestaties uit de tempels van Karnak en Luxor. Tijdens het ritueel werd een tent opgezet voor de Min-stier. Zoals vermeld, gaat het om een “klim-ceremonie”, waarbij de klimmers afkomstig zouden geweest zijn uit Nubië, ten zuiden van Egypte. Er waren verscheidene facetten verbonden aan het ritueel en ook hier kunnen we een “vaste” volgorde reconstrueren.

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijnÉmile Chassinat - Le temple d'Edfou 9 (1929), pl. XXXIb

Variant van de ‘klim-ceremonie’ tijdens het Min-feest in de tempel van Horus in Edfu waarbij er 10 klimmers te zien zijn

Ten eerste bracht de koning (of in ieder geval een hogepriester in naam van de koning) er een offer voor het stiersymbool ka, dat al sinds het Nieuwe Rijk gelijkgesteld stond aan de cultuskapel (sehenet). Vervolgens werd het stiersymbool opgericht en werden er 4 steunen of pilaren toegevoegd. 8 mannen, met veren getooid, beklommen deze steunen die waarschijnlijk georiënteerd waren naar de 4 windrichtingen. Terwijl zij klommen, hielden de koning en andere aanwezigen, vermoedelijk priesters, 16 touwen vast. Vervolgens sloeg de koning viermaal met een hedj-scepter in de 4 windrichtingen voor de inzegening, een ritueel dat is afgebeeld op enkele tempels. In de tempel van Edfu zijn er zelfs 5 van dergelijke scènes te vinden, waaronder een variant: daarop staan 10 klimmers in plaats van 8.

Waarom hielden de Egyptenaren een dergelijke ceremonie voor Min? Deze god was niet alleen een vruchtbaarheidsgod (makkelijk te herkennen aan de stijve fallus in het merendeel van de afbeeldingen), maar de Egyptische bevolking zag Min ook als de god van de woestijn en bejubelde hem als ‘bedwinger van de vreemde landen’. De deelnemers, de klimmers, droegen veren op hun hoofd, vermoedelijk als voorstelling van een volk uit het zuiden. De 4 steunen, geplaatst in de verschillende windrichtingen, stelden op hun beurt de vreemde volkeren rondom Egypte voor. Door het uitvoeren van dit ritueel werd de god Min opnieuw ingezegend in alle richtingen en als god van de woestijn moest hij ervoor zorgen dat niemand de grenzen van Egypte zou oversteken.

Egyptische festivals: offer of ritueel?

De hierboven aangehaalde voorbeelden tonen de complexiteit van Egyptische festivals. Tijdens één festival voerden priesters er vaak verscheidene rituelen uit in verschillende volgordes. Ook waren sommige rituelen aan meerdere festivals verbonden. Zo maakten offers deel uit van elk festival, maar daarentegen waren het Doven van de Fakkels in Melk en Het Opstellen van de Ka in de Cultuskapel alleen aan respectievelijk het Dalfeest en het Min-feest verbonden.

De rol van priesters in de festivals

Terwijl de praktische uitvoering van rituelen in de Grieks-Romeinse periode duidelijker was vastgelegd voor het Min-feest dan voor het Dalfeest, is het bij de organisatie en de rol van priesters het omgekeerde. Voor het Min-feest hebben we geen papyri met verwijzingen naar de priesters die erbij betrokken waren. De enige informatie waarover we beschikken, valt af te leiden van de afbeeldingen op tempelmuren.

Bij het Thebaanse Dalfeest is dit anders. Onder meer de Thebaanse hoge clerus, en meer bepaald de priesters van Amonrasonther, waren betrokken bij de financiering van het feest. Op een Griekse papyrus uit de koninklijke bank van Thebe (UPZ 2 199; [TM 3601]) lezen we immers het volgende:

“het heilige schip voor (de feesten van) Phaophi en Pauni”

Deze en andere teksten uit hetzelfde archief maken duidelijk dat het heilige schip een reparatie moest ondergaan. De twee maanden Phaophi en Pauni komen overeen met de periodes waarin respectievelijk het Opet-feest (een jaarlijkse processie van Karnak naar Luxor) en het Dalfeest werden gevierd. De Ptolemaeïsche regering stortte het geld op een rekening van de Koninklijke Bank van Thebe, zodat de priesters van Amonrasonther het konden gebruiken om herstellingen aan het heilige schip, de reeds vermelde Oeserhat, uit te voeren in functie van de jaarlijkse oversteken van de Nijl.

De rol van de choachieten

Een andere Griekse papyrustekst (P. Survey 48; [TM 3563]), die dateert uit ongeveer dezelfde periode en afkomstig is uit een archief van dodenpriesters, toont aan dat deze groep priesters ook betrokken waren bij hetzelfde festival. Deze dodenpriesters, choachieten genaamd, waren verantwoordelijk voor de libatie-offers voor de overledenen in de necropool. Ze leidden ook de begrafenissen van de overledenen. P. Survey 48 vertelt ons dat ze ook meededen aan het Dalfeest. Ze mochten namelijk vooraan lopen tijdens de jaarlijkse overtochten van de grote god Amon naar de Memnoneia (de Thebaanse westoever) en de dromoi van Amon en Moet klaarmaken door ze te bestrooien met zand.

Deze dromoi zijn de processiewegen die vanuit de tempel van Karnak vertrokken: de dromos van Amon tijdens het Dalfeest, de dromos van Moet tijdens het Opet-festival. Dit maakt duidelijk dat verschillende priestergroepen betrokken waren bij een festival: de hogepriesters van Amon-Ra moesten ervoor zorgen dat het geld (gestort door de overheid) ging naar de herstelling van het heilige schip, de Oeserhat, terwijl de dodenpriesters vooraan mochten lopen tijdens de processie van het Dalfeest en de dromoi moesten klaarmaken voor zowel het Dal als het Opet-feest.

Het Dekadenfeest

Bij een ander Thebaans festival waren dezelfde priesters betrokken. De choachieten functioneerden niet alleen als dodenpriesters, maar namen ook deel aan het wekelijkse Dekadenfeest, dat om de 10 dagen (= de lengte van een Egyptische week; deka is 10 in het Oudgrieks) werd gevierd. Hierbij brachten ze plengoffers in de necropool. Bij dit feest ging de god Amenophis van de tempel in Luxor op bezoek bij de tempel van Medinet Habu aan de overzijde van de Nijl.

Ook een ander type priesters was betrokken bij hetzelfde festival. De eigenaar van de funeraire papyrus P. Denon [TM 57737], een ‘Document van het Ademen’ (= een papyrus die in de tombe van de overledene werd meegegeven als grafgift) was namelijk een ‘Dienaar van Horus, Dienaar van de Witte Kroon’. Priesters die deze titel droegen, speelden een belangrijke rol in het Dekadenfeest. Terwijl de choachieten plengoffers brachten in de necropool, speelde deze priester met de naam Nespaoetitawi de liturgische rol van ‘uitstekende erfgenaam’. Hierbij voerde hij rituelen uit voor de overleden voorouders in de tempel van Medinet Habu in naam van de god Amenophis. De eigenaar van deze papyrus was tijdens zijn leven niet alleen werkzaam in dit festival, maar hij was ook een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’. Bijgevolg hoorde hij tot dezelfde klasse priesters die de financiering voor de herstelling van de heilige boot van Amon verkregen.

De funeraire papyrus P. Denon waarvan de eigenaar vermoedelijk een functie had in het Dekadenfeest

Bronnen voor de Egyptische festivals?

Het bronnenmateriaal met beschrijvingen van priesterfuncties in Egyptische feesten is jammer genoeg eerder beperkt. Het is daardoor niet altijd duidelijk welke priesters bij welke festiviteiten betrokken waren en wat hun functie precies was. De tekstuele verwijzingen naar titels en festivals zitten dan ook verscholen in verschillende teksttypes, zoals funeraire of documentaire papyri. Die gebeurden verschillende talen of schriften, zoals in de verschillende schriftvarianten van de Egyptische taal (hiëratisch, hiëroglyfisch, Demotisch) of Griekse inscripties. Alhoewel ze moeilijk te vinden zijn, verwijzen enkele teksten letterlijk naar feesten. Een Demotische graffito achtergelaten in de tempel van Medinet Habu (Graff. Med. Habu 47 [TM 48569]) is geschreven door een ‘godsvader en profeet van Amon-Ra, de manager van de bark van Amon’. Meer informatie geeft het graffito ons niet, maar het toont aan dat dergelijke functies wel degelijk bestonden.

Nog iets meer informatie hebben we dankzij een ostracon uit Thebe (O. Theb. Dem. D31 [TM 50654]). Hierin verhuurt de ene priester aan een andere een maand tempeldienst. De priester die de tempelmaand huurde, moest “de bijhorende diensten en het reinigingsoffer uitvoeren, alsook de processiefeesten”. Een verdere specificatie over welk feest het hier ging, vinden we in de tekst echter niet terug.

Conclusie?

We kunnen bijgevolg in zekere mate reconstrueren welke offers en rituelen plaatsvonden tijdens Egyptische festivals in de Grieks-Romeinse periode, maar een exacte reconstructie is echter niet voor elke festival tot in detail te achterhalen. Verder zijn ook de tekstuele bronnen over Egyptische priesters niet altijd even gedetailleerd. Doorgaans betreft het eerder vage omschrijvingen en is het niet eenvoudig te achterhalen welke priesters welke functies uitoefenden. Het lijkt echter wel duidelijk dat ook de taken in Egyptische festivals verdeeld werden onder verschillende types priesters, die zowel in de tempels als de necropool werkzaam waren.

Lees meer

Birk, R.M., Türöffner des Himmels: prosopographische Studien zur thebanischen Hohepriesterschaft der Ptolemäerzeit, Wiesbaden, 2020.
Bogaert, R. ‘Un cas de faux en écriture à la Banque Royale thébaine en 131 avant J.-C.’, Chronique d’Égypte (CdÉ) 63, 1988, 145-154.
Dogaer, L., ‘The Beautiful Festival of the Valley in the Graeco-Roman Period: a Revised Perspective’, Journal of Egyptian Archaeology (JEA) 106, 2020, 205-214.
Rochholz, M. & R. Gundlach, Feste im Tempel, Wiesbaden, 1998.
Schott, S., ‘Das Löschen von Fackeln in Milch’, Zeitschrift für Ägyptische Sprache (ZÄS) 73, 1937, 1-25.
Schott, S., Altägyptische Festdaten, Wiesbaden, 1950.
Schott, S., Das Schöne Fest von Wüstentale: Festbräuche einer Totenstadt (Akademie der Wissenschaften und der Literatur Mainz. Abhandlungen der Geistes- und Sozialwissenschaftlichen Klasse, 11), Wiesbaden, 1952.

Coverafbeelding: adaptatie van schilderij ‘The Barque of Amun Arriving at the West Bank of Thebes’ van Charles K. Wilkinson uit The Met (Public Domain)

Het bericht Over offers, rituelen en priesters: enkele facetten van de Egyptische festivals ontrafeld van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2023/over-offers-rituelen-en-priesters-enkele-facetten-van-de-egyptische-festivals-ontrafeld/feed/ 0 2337
De drie koningen en hun namen https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/#respond Thu, 06 Jan 2022 15:53:45 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2163

In het Nieuwe Testament ontmoet Jezus heel wat figuren van wie de naam is overgeleverd, maar dat is niet bij iedereen het geval. De drie koningen worden in het evangelie volgens Matteüs enkel aangeduid als magi of magiërs en krijgen hun traditionele namen (Balthasar, Melchior en Caspar) pas in (apocriefe) tradities. Dat leidde tot heel wat variaties in hun naamgeving die in dit artikel worden onderzocht.

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De evangeliën staan vol namen van personen die met de centrale figuur, Jezus van Nazareth, in contact zijn geweest: zijn voorouders tot Abraham (Mt. 1); zijn broers Jacobus, Jozef, Judas en Simon (Mc. 6.3); verdere familieleden, zoals Joachim en Elisabet en haar zoon, de latere Johannes de Doper; zijn apostelen, waarvan meerderen met de naam van hun vaders; gezagsdragers zoals Herodes en zijn opvolger Archelaüs, de gouverneur Pontius Pilatus, de hogepriesters Annas en Kajafas; Simon van Cyrene, die het kruis helpt dragen en tal van mensen die door hem zijn genezen of waarmee hij in gesprek kwam. Zelfs de eigenaar van het graf waarin hij te ruste werd gelegd wordt met name genoemd, Jozef van Arimathea, “een voornaam raadsheer” (Mc. 15.43). Hierdoor wordt Jezus’ leven weergegeven als een historisch verslag, niet als een mythisch verhaal. Zo dateert Lucas 2.2 de geboorte in de tijd van keizer Augustus “toen Quirinius gouverneur was van Syrië”. Ook indien dit misschien historisch niet klopt, de bedoeling is duidelijk historiserend. Vrouwen worden ook met hun namen geïdentificeerd, Elisabet, Marta, en verschillende Maria’s, terwijl in de Griekse historische traditie de namen van vrouwen veelal worden verzwegen: zelfs Plutarchus kon de moeders van Demosthenes of Alcibiades niet achterhalen.

Op dit schilderij van Ioannis Moskos (1711) biedt een engel Dismas de krans der martelaren

Toch zijn er ook veel naamloze personen die Jezus ontmoet, zoals de honderdman, de Samaritaanse vrouw, de melaatse, de lamme, het bruidspaar van Kanaän of de twee moordenaars die naast hem werden gekruisigd. In de apocriefe traditie, die zich uitstrekt tot ver na de Middeleeuwen (zowel in het oosten als in het westen, zijn voor de meesten van deze personen namen voorgesteld, waarvan slechts enkele algemeen bekend werden en de eeuwen hebben overleefd. Zo heet de “goede moordenaar”, aan wie Christus op het kruis belooft “heden nog zal je met mij zijn in het paradijs” (Lc. 23.43) in de westerse traditie Dysmas (Dismas), bij de Kopten Demas en bij de Russen Rakh. Hij is zelfs heilig verklaard en hij is de patroon van gevangenen, de berouwvolle dieven en de begrafenisondernemers. In de Katholieke Kerk wordt zijn naamdag gevierd op 25 maart.

Drie Koningen

Uit het Nieuwe Testament zijn toch wel de bekendste anonieme figuren de “drie koningen”, ook soms de “drie wijzen” of de “drie magiërs”/magi (afgeleid van het Griekse magoi). Matteüs, de enige evangelist die de episode vermeldt, presenteert hen als volgt:

Nadat Jezus geboren was in Bethlehem in Judea in de tijd van koning Herodes, kwamen magi uit het oosten naar Jeruzalem en zeiden “Waar is de zoon van de pasgeboren koning van de Joden?”

Geleid door de ster gaan de magi naar het huis – niet naar de stal, want blijkbaar is de familie ondertussen in Bethlehem gevestigd – waar het kind zich bevindt met zijn moeder Maria. Ze vereren hem en bieden hun geschenken aan: goud, wierook en mirre. Dan gaan ze terug naar huis en Jozef vertrekt na een droom met vrouw en kind naar Egypte (zonder zich veel zorgen te maken over wat er verder in Bethlehem gebeurt).

De aanbidding van de magi, afgebeeld op een sarcofaag in Rome

De oudste afbeeldingen van de drie magi stellen hen voor als jongemannen met een Perzische muts, met hun geschenken en vergezeld van kamelen. Namen voor de wijzen verschijnen voor het eerst in de 6de eeuw n.C. in de Syrische traditie, waar de drie meteen ook “koningen” worden genoemd: Hormizdad, koning van Perzië, Izdegerd, koning van Sabha en Perozad, koning van Shaba in het Oosten. In andere Syrische apocriefe verhalen zijn er 10, 12 of 13 magi – Matteüs geeft geen getal, alleen drie geschenken! – soms vergezeld van 1000 soldaten. Ook deze magi worden geïdentificeerd met allerlei namen (en zelfs met de namen van hun vaders). In de Armeense kerk keren de twaalf koningen terug, met weer andere namen en andere landen.

Naamgeving

De ons welbekende namen Balthasar, Melchior en Caspar/Gaspar komen voor het eerst voor in een Latijns manuscript uit circa 700 n.C. (nu in Parijs), waar ze verschijnen als Bithisarea, Melchior en Gathaspa. De huidige orthografie ligt vast in de Liber pontificalis Ecclesiae Ravennatis II.2 (vroege 9de eeuw; kritische uitgave in het Corpus Christianorum Continuatio Mediaevalis 199, 2006), waar de auteur Agnellus een beschrijving biedt van een tafereel in de Martinuskerk:

Gaspar biedt goud aan in een blauw gewaad, symbool van het huwelijk, Balthasar biedt wierook aan in een geel gewaad, symbool van maagdelijkheid, Melchior biedt wierook aan in een gewaad met meerdere kleuren, symbool van boete. De drie figuren samen symboliseren de perfectie van de Drievuldigheid.

De drie magi met hun namen in de Cappadocische rotskerk van Ağaçaltı

Satorvierkant uit Oppède

In één van de rotskerken van Ağaçaltı in Cappadocië (9de of 10de eeuw) verschijnen de drie als Melchion, Gaspar en Baltasar. In nog enkele andere Cappadocische rotskerken zijn ook de herders van namen voorzien (onder andere Sator en Arepo), die men geplukt heeft uit het ‘Satorvierkant’ (een lang palindroom, met de woorden SATOR, AREPO, TENET, OPERA en ROTAS), dat bekend was tot ver in de Middeleeuwen.

 

 

De drie magi zoals afgebeeld volgens de Ethiopische traditie op een fresco in de kerk van Debre Berhan met de eerste letter van hun namen

Codex Egberti

Ook andere namen blijven in omloop, zoals Hor, Karsudan en Basanater in Ethiopië, Caspar, Melchias en Pudizar in de Codex Egberti van Trier (eind 10de eeuw) of Ator, Sator en Peratoras bij Casaubon (1655; opnieuw het ‘Sator Arepo’-thema). Op een ostracon uit de 7de of 8ste eeuw, gevonden in het Koptisch stadje Djeme, dat gebouwd was binnen de tempel van Ramses III op de westelijke Nijloever tegenover Thebe, worden ze als volgt voorgesteld:

Dit zijn de namen van de magi, zij die kwamen uit het oosten: Bathezora was diegene die het goud bracht, Melchior bracht de wierook en Thaddias bracht de myrrhe.

Afkomst, voorkomen en etymologie

De drie wijzen in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo in Ravenna

Mozaïek in de kerk van San Vitale met de naamloze drie magi, op de mantel van keizerin Theodora

Een beroemde scène in de Basilica Sant’Apollinare Nuovo van Ravenna toont de drie, met kleurrijke klederdracht (maar niet de kleuren van Agnellus) en Perzische broek en muts, terwijl ze hun geschenken aanbieden. Reeds hier, in de 6de eeuw n.C., symboliseren ze de drie leeftijden: Caspar heeft een grijze baard, de jonge Melchior is baardloos en Balthassar (sic) is een man van middelbare leeftijd met zwarte baard. De namen boven hun hoofd zijn evenwel pas eeuwen later aan het 6de eeuws mozaïek toegevoegd. In de San Vitale kerk even verderop staan de drie, met hetzelfde hoofddeksel, afgebeeld op de mantel van keizerin Theodora, zonder namen. In de Matteüscommentaar van Beda (eerste helft 8ste eeuw) staan ze al model voor de drie continenten, Azië, Afrika en Europa, dat wil zeggen het ganse mensdom, dat afstamt van de drie zonen van Noah.

Een Bolognese beeldengroep

Matteüs noemt de drie mannen “magoi“, een titel voor de Perzische kaste van priesters van het zoroastrisme (genoemd naar de profeet Zoroaster/Zarathustra). Die priesters hadden de Babylonische traditie van de sterrenkunde overgenomen en waren dus de ideale personen om de bewegingen van de ster te volgen. Reeds rond 500 n.C. worden ze geïdentificeerd met koningen op basis van een passus uit Jesaja 60.3 en Psalm 72, die zegt dat “alle koningen zullen neerknielen voor de messias”. Zo worden ze afgebeeld, met hun geschenken op een beeldengroep uit de 13de eeuw in Bologna. Dit stootte op scherpe kritiek van Calvijn, die het in zijn commentaar op Matteüs “een belachelijk verzinsel van de papisten” noemt. In de Renaissance en Barok worden de thema’s van de drie leeftijden en de drie werelddelen op verschillende manieren gecombineerd.

Het schilderij ‘Aanbidding der Koningen’ (1510-15), van Jan Gossaert (National Gallery, Londen)

Een van de schilderijen met de titel ‘Aanbidding door de Koningen’ (1633-34), van Peter Paul Rubens (King’s College Chapel, Cambridge)

 

De naam Melchior bevat duidelijk de Semitische stam mlk (koning), misschien het Hebreeuws melek awr (koning van het licht); Balthasar was de naam van Daniël aan het Babylonische hof in de Septuagint en men herkent Baal in zijn naam; Caspar is wellicht een verbastering van de Indische naam Godaphar (Gundaphoros).

Goud, wierook en mirre zijn in de loop der eeuwen op allerlei manieren geïnterpreteerd. De kerkvader Irenaeus van Lyon (circa 200 n.C.) vat de traditionele interpretatie kort samen: goud voor de koning, wierook voor de priester (of voor God) en mirre voor diegene die door zijn dood verlossing zou brengen. De eerste twee producten komen ook voor in een profetie van Jesaja 60:6, die zegt “alle mensen van Shaba zullen komen met goud en wierook”. Moderne commentatoren verwijzen ook steevast naar een Griekse inscriptie uit Didyma bij Milete, waar koning Seleucus I aan de tempel van Apollo in 288 v.C. gouden en zilveren vaatwerk aanbiedt, 10 talenten wierook en 1 talent mirre, maar ook 1000 schapen en 12 runderen (OGIS 214 = I. Didyma 19 [TM 642015]).

In 490 n.C. bracht keizer Zenon de relieken van de magi over van Perzië naar Constantinopel. Of, volgens een ander verhaal, was het Helena (de moeder van keizer Constantijn) die de relieken vanuit India mee bracht. In elk geval werden ze op het eind van de 6de eeuw overgebracht naar Milaan, waar ze bleven tot keizer Frederik Barbarossa ze in 1164 schonk aan de aartsbisschop van Keulen. Daar worden ze nu nog bewaard in een magnifiek schrijn dat de vorm heeft van drie sarcofagen.

De Driekoningenschrijn in de Keulense Dom waar de relikwieën van de koningen zich zouden bevinden

Creatieve apocriefe traditie

Behalve de creatie van namen voor de naamloze personages streefde de apocriefe traditie er ook naar om de verschillende gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament met mekaar te verbinden. Een prachtig voorbeeld van de creatieve omgang met het Bijbelmateriaal vindt men in het volksboek van een zekere Johannes van Hildesheim (de Historia Trium Regum, verschenen in het Latijn en nadien meermaals vertaald in het Middelnederlands). Het heeft betrekking op het goud dat Melchior aanbood aan het Christuskind:

Toen de heilige familie naar Egypte vluchtte, stopte Maria de drie geschenken in een doek, maar verloor die onderweg. Een herder vond het en zorgde ervoor tot hij hoorde van Jezus’ mirakels in Judaea. Hij was toen ziek en werd door Jezus’ genezen. Hij wilde hem het doek als dank geven maar Jezus liet de geschenken offeren op het altaar van de tempel. De wierook werd verbrand door de dienstdoende priester; van de mirre maakte men een bittere drank, waarvan Jezus nog dronk op het kruis en de rest werd door Nikodemos gebruikt voor Jezus’ begrafenis; de goudstukken werden door de hogepriester aan Judas geschonken voor zijn verraad. Toen Judas spijt kreeg en het geld voor de voeten van de hogepriester gooide, werden vijftien goudstukken gegeven aan de soldaten die het graf bewaakten en met de rest werd een veld gekocht dat diende als begraafplaats voor pelgrims.

Lees meer

Bludau, A., ‘Namen der Namenlosen in den Evangelien’, Theologie und Glaube 22 (1929), p. 273-293.
Metzger, B.M., ‘Names for the nameless in the New Testament. A study in the growth of Christian tradition’, Kyriakon. Festschrift J. Quasten, Münster 1970, p. 79-85.
Schaps, D., ‘The woman least mentioned: etiquette and women’s names’, Classical Quarterly 27 (1977), p. 323-330.

Coverafbeelding: adaptatie van het ‘Altar frontal from Mosoll‘ vanop de Website of the Museu Nacional d’Art de Catalunya of Barcelona,  www.museunacional.cat (CC BY-NC-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht De drie koningen en hun namen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/01/2022/de-drie-koningen-en-hun-namen/feed/ 0 2163
Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/ https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/#respond Wed, 29 Dec 2021 16:42:16 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2145

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte, van de piramideteksten bij farao Oenas tot sarcofaagteksten in het Middenrijk en papyrusteksten zoals het Dodenboek in het Nieuwe Rijk. Ook in de Grieks-Romeinse periode waren er nog zulke funeraire teksten in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de 'Documenten van het Ademen'.

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

De funeraire literatuur kende een lange geschiedenis in het Oude Egypte. Deze teksten, die ervoor moesten zorgen dat je na de dood kon verder leven in het hiernamaals, werden eerst geschreven op de binnenkant van de piramides uit het Oude Rijk. Vervolgens kregen ze een nieuwe drager, want vanaf het Middenrijk kwamen ze voor op sarcofagen en vanaf het Nieuwe Rijk op papyri, als het zogenaamde Dodenboek. Voor de meeste onderzoekers stopt deze lange geschiedenis van de funeraire teksten met het Dodenboek, maar ook in de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) waren de teksten nog in circulatie en ontstond er zelfs een nieuw corpus, de ‘Documenten van het Ademen’.

De evolutie in een paar woorden

Het startpunt ligt bij farao Oenas (ca. 2367-2347 v.C.) in de 5de dynastie. Zijn piramide in Saqqara bevat het oudste corpus van funeraire en religieuze teksten en de wanden van zijn grafkamer staan vol met hiëroglyfische teksten, de zogenaamde piramideteksten. Het zijn spreuken die Oenas moesten helpen om goed in het hiernamaals te kunnen leven. Aangezien de teksten vol typische “kopieerfouten” staan, wordt er doorgaans van uitgegaan dat het om reeds bestaande teksten gaat, die op de wanden van de piramide gekopieerd werden. De belangrijkste functie van de teksten was om de niet-materiële elementen van de mens samen te brengen. Naast het fysieke lichaam, bevatte de mens volgens de Egyptenaren een ba (de individuele levenskracht) en een ka (de persoonlijkheid of de ziel). De ka maakte het verschil tussen een levend en een dood lichaam, terwijl de ba iemand tot een individu maakte. Wanneer iemand stierf werden de ba en de ka van het lichaam gescheiden. Als deze persoon wilde verder leven in het hiernamaals moesten zijn ba en ka herenigd worden tot een akh. De piramideteksten hadden tot doel deze vereniging te vereenvoudigen. Dankzij de teksten in zijn grafkamer kon Oenas dus een akh worden. De piramideteksten komen voor in 10 koninklijke graven uit het Oude Rijk. Naast de piramide van Oenas bevatten ook de volgende piramides deze funeraire teksten: Teti, Pepi I, Ankhesenpepi II (een vrouw van Pepi I), Merenre, Pepi II, Neith (een vrouw van Pepi II), Iput II (een vrouw van Pepi II), Wedjebetni (een vrouw van Pepi II) uit de 6de dynastie (ca. 2347-2216 v.C.) en Ibi uit de 8ste dynastie (ca. 2216-2134 v.C.).

De binnenkant van de piramida van farao Oenas

Vanaf het Middenrijk (ca. 2040-1783 v.C.) werden de teksten niet meer op piramides geschreven maar kwamen ze voor op sarcofagen. Ook de naam van de funeraire literatuur veranderde naar sarcofaagteksten. Deze evolutie begon al op het einde van het Oude Rijk en in de Eerste Tussentijd (ca. 2216-2040 v.C.) maar kende zijn hoogtepunt in het Middenrijk. Aangezien de teksten nu op lijkkisten geschreven werden, bevonden ze zich al dichter bij het lichaam. Hierdoor ging de vereniging van de ba en de ka in een akh nog vlotter. De sarcofaagspreuken zijn afgeleid en gekopieerd van de piramideteksten, maar er ontstonden ook nieuwe composities. Het belangrijkste verschil met de piramideteksten is dat de sarcofaagteksten ook voor privépersonen konden gebruikt worden, terwijl de piramideteksten alleen voor koningen waren.

Voorbeeld van een sarcofaagtekst op de doodskist van Khnumnakht uit het Middenrijk

De derde fase van de evolutie voltrok zich in het Nieuwe Rijk (ca. 1550-1070 v.C.), wanneer de funeraire literatuur op papyrusrollen werd geschreven. De naam voor de literatuur in het Nieuwe Rijk is het Dodenboek. Ook hier werden de spreuken afgeleid van piramide- en sarcofaagteksten, maar daarnaast werden er nieuwe composities geschreven. De term ‘Dodenboek’ is eigenlijk heel misleidend, want de Dodenboekteksten konden ook in graven voorkomen. Zo zijn de meeste graven in de Vallei der Koningen gedecoreerd met Dodenboekteksten om de farao te helpen in het hiernamaals te geraken. Het gaat ook niet om een standaardversie die gekopieerd werd. Het is een corpus van spreuken die in verschillende combinaties konden voorkomen, waarbij soms vignetten werden toegevoegd die bij een bepaalde spreuk hoorden. Het Dodenboek bleef in omloop tot in de Grieks-Romeinse periode en betreft bijgevolg het genre van funeraire literatuur dat het langste in gebruik was.

Documenten van het Ademen

In de Grieks-Romeinse periode (332 v.C.-285 n.C.) ontstond er een nieuw genre funeraire literatuur, de ‘Documenten van het Ademen’. Ze verschenen in verschillende vormen in de multiculturele samenleving van Grieks-Romeins Thebe en vervingen geleidelijk aan het Dodenboek. Ze kunnen gezien worden als de opvolgers van de piramideteksten, de sarcofaagteksten en het Dodenboek. De teksten werden aan de overledene meegegeven als grafgift. Ze werden mee ingezwachteld met de mummie en ook hier hebben de teksten als functie een soort aanbevelingsbrief te zijn voor de overledene in het hiernamaals. Ze moesten de overledenen een tweede leven “vrij van zorgen” geven en ervoor zorgen dat de overledene voor eeuwig en altijd kon ademen. De funeraire teksten uit de Grieks-Romeinse tijd kenden een grote diversiteit en verschillende soorten teksten konden op één papyrus gecombineerd worden. De composities zijn geschreven in het hiëratisch, een cursieve vorm van hiërogliefen. De taal van de documenten is gebaseerd op het klassieke Middelegyptisch met invloed van het Laat-Egyptisch en het Demotisch.

Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft (P. Louvre N. 3284)

Ze zullen Osiris naar het binnenste van het grote meer van Chonsoe brengen. Nadat hij zijn hart heeft gegrepen, zullen ze het document van het ademen, dat aan de binnen- en buitenkant is beschreven, omzwachtelen met koninklijk linnen, geplaatst zijnde onder zijn linkerarm in de buurt van zijn hart. Het overige van de omzwachteling zal erbuiten worden gedaan. Indien deze papyrusrol voor hem wordt gebruikt, dan zal hij samen met de ba’s en de goden voor eeuwig en altijd ademen.

Tweede Document van het Ademen (BM EA10110)

Deze tekst bevat de laatste paragraaf van het zogenaamde ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ en toont aan dat het in de buurt van het hart moest ingezwachteld worden. Dit in tegenstelling tot het ‘Eerste’ en ‘Tweede Document van het Ademen’ die respectievelijk onder het hoofd en onder de voeten van de mummie geplaatst moesten worden. Er bestaan bijgevolg drie verschillende ‘Documenten van het Ademen’ en allen hebben ze een andere inhoud. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ lijkt iets ouder te zijn (Ptolemaeïsch tot Vroeg-Romeins) dan de andere twee composities die eerder in de Late Ptolemaeïentijd verschenen en nog voorkwamen tot in de Romeinse periode. Vanaf de eerste eeuw na Christus ontstonden er ook Demotische ‘Documenten van het Ademen’, de zogenaamde “paspoorten voor het hiernamaals”. Deze teksten waren doorgaans korter dan hun hiëratische tegenhangers. Deze papyri werden ook op de mummie geplaatst, maar daarnaast werden ze ook teruggevonden op tempelmuren, sarcofagen, lijkkisten, ostraca, linnen, enzovoort.

Het slotvignet met de Hathor-koe op het graf

Naast de drie soorten ‘Documenten van het Ademen’ waren er ook verkorte versies in omloop. Verder konden de verscheidene paragrafen in de teksten weggelaten of omgewisseld worden en konden er extra paragrafen aan toegevoegd worden. Sommige documenten bevatten ook iconografie, alhoewel dit geen vereiste was. De iconografie van het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ is in de meeste gevallen redelijk gestandaardiseerd. De meeste teksten bevatten meerdere vignetten of afbeeldingen. Het openingsvignet geeft doorgaans de introductie van de overledene aan de god Osiris weer. Een ander veel voorkomend type vignet is het ‘wegen van het hart’. Deze iconografie stamt af van hoofdstuk 125 van het Dodenboek, de zogenaamde ‘negatieve confessie’ en toont hoe het hart van de overledene op een weegschaal wordt gelegd en wordt afgewogen tegen de Maät-veer (de rechtvaardigheid). Als de weegschaal in balans is, heeft de overledene een goed leven geleid en mag hij of zij de onderwereld betreden. Als dit niet het geval is, wordt de overledene verscheurd door de verslindster, een monster dat doorgaans aanwezig is op het vignet. Het eindvignet toont de Hathor-koe op het graf van de overledene. Meestal wordt er wierook geofferd aan de godin Hathor. Er was geen directe relatie tussen de iconografie en de inhoud van de tekst. De afbeeldingen op de papyri voegen iets toe aan de compositie, eerder dan de inhoud van de tekst te illustreren.

Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd geschreven door de god Thoth in naam van Isis. De inhoud van de tekst legt de nadruk op de toegang van de overledene tot de onderwereld en de mogelijkheid om voor eeuwig en altijd vrij te kunnen ademen.

Introductie van de overledene aan de god Osiris (BM EA9995,1)

Een heel interessant gegeven aan deze documenten is dat ze steeds geschreven zijn voor een overledene en dat de naam en titels van deze eigenaar op het document werden geschreven. Hierdoor kunnen we reconstrueren wie zo een document meekreeg en welke functie deze persoon had. De eigenaren behoorden tot tempelpersoneel werkzaam in verschillende Thebaanse culten. Het ‘Document van het Ademen dat Isis gemaakt heeft’ werd voornamelijk meegegeven aan overledenen die tot de hoge clerus van Amon-Ra behoorden en dus tijdens hun leven werkzaam waren in de tempel van Karnak. Een bekend voorbeeld betreft de priester Horos, eigenaar van de ‘Joseph Smith papyri’. De twee meest voorkomende titels zijn ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ en ‘sistrum-speelster van Amon-Ra’. De eigenaren van deze teksten konden niet alleen verbonden worden aan de cultus van Amon-Ra, maar bijvoorbeeld ook aan de cultussen van Montoe van Hermonthis (Armant) en de god Chonsoe, die een tempel had binnen het Karnak-complex. De meeste priesters waren niet verbonden aan één cultus, maar konden verschillende goden tegelijkertijd dienen. De weergave van de verscheidene priestertitels in de documenten toont aan dat in dezelfde funeraire papyrus verschillende combinaties van titels kunnen voorkomen. Zo kan iemand in de eerste lijn van de papyrus ‘godsvader en profeet van Amon-Ra’ zijn en enkele lijnen verderop alleen ‘godsvader’. Daarnaast konden er later in de tekst titels voorkomen die niet in de introductie van de overledene aanwezig waren. Naast de titels, werd de filiatie van de overledene doorgaans meegegeven. Vaak werden zowel de moeder als de vader weergegeven, en in enkele uitzonderlijke gevallen zien we een hele stamboom. In andere gevallen hebben we alleen de naam van de moeder of de vader, en soms helemaal geen filiatie. De vader van de overledene kan geïntroduceerd worden door de titel ‘mi nn‘, oftewel van dezelfde rang. Hiermee wordt bedoeld dat de vader tot dezelfde priesterklasse behoorde en dus naar alle waarschijnlijkheid ook een heleboel titels bezat, maar dat in het funeraire document ervoor gekozen werd om enkel de rang van de priester aan te duiden.

Funeraire composities in de Grieks-Romeinse periode

Zoals vaak het geval is met papyri kennen we van de meeste funeraire teksten die vandaag in verscheidene musea verspreid zijn, geen oorspronkelijke archeologische context. Eén graf in de Thebaanse necropool vormt de grote uitzondering, de zogenaamde Soter-tombe. Dit graf, beter bekend als Thebaanse Tombe 33, ligt in de al-Khukha necropool, net naast het Assasif in de buurt van de dodentempel van koningin Hatsjepsoet (Deir el-Bahari). Het graf werd net zoals zovele graven in de Thebaanse necropool hergebruikt in de Grieks-Romeinse periode. Eén van de mensen die hier in een later stadium in begraven werd was Soter, vandaar de naam van de tombe. Hij en zijn familieleden kregen enkele ‘Documenten van het Ademen’ mee. Waarschijnlijk zijn er een twintigtal documenten afkomstig uit dit graf. Naast het ‘Eerste Document van het Ademen’ en het ‘Tweede Document van het Ademen’ verkregen de overledenen, die hier begraven werden, ook late versies van het Dodenboek en een versie van het ‘Boek van het Doorlopen van de Eeuwigheid’, een andere funeraire compositie uit de Grieks-Romeinse tijd. De funeraire literatuur uit deze periode is wel degelijk nog heel bruisend. Vaak wordt het afgedaan als minderwaardig omdat de composities vergeleken worden met de Dodenboeken uit het Nieuw Rijk, die doorgaans als veel kwalitatiever en gedetailleerder beschouwd worden. Hoewel de ‘Documenten van het Ademen’ dan stilistisch minder mooi mogen zijn, vormen ze wel het bewijs dat een typische faraonische traditie nog steeds gevolgd werd en dat er zelfs nieuwe composities werden geschreven in verschillende vormen en combinaties. De creativiteit van de Thebaanse clerus die deze documenten ontwikkelde, vierde dus hoogtij tot ver in de Romeinse periode.

Meer lezen

Coenen, M. & J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek 5, Leuven, 1995.
Coenen, M., ‘Owners of Documents of Breathing Made by Isis’, Chronique d’Egypte 79: 157-158, 2004, 59-72.
Herbin, F.R., Books of Breathing and Related Texts, London, 2008.
Herbin, F.R., Le livre de parcourir l’éternité, OLA 58, Leuven, 1994.
Mosher, M., ‘Theban and Memphite Book of the Dead Traditions in the Late Period’, Journal of the American Research Center in Egypt 29, 1992, p. 143-172.
Smith, M., Traversing Eternity: Texts for the afterlife from Ptolemaic and Roman Egypt, Oxford, 2009.

Coverafbeelding: Adaptatie van een funeraire papyrus met daarop het ‘Boek van het Ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris’ uit het British Museum (CC BY-NC-SA 4.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Voor eeuwig en altijd ademen: funeraire literatuur uit de Grieks-Romeinse periode van Lauren Dogaer verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/29/12/2021/voor-eeuwig-en-altijd-ademen-funeraire-literatuur-uit-de-grieks-romeinse-periode/feed/ 0 2145
Mummies en Mormonen https://www.oudegeschiedenis.be/06/11/2021/mummies-en-mormonen/ https://www.oudegeschiedenis.be/06/11/2021/mummies-en-mormonen/#respond Sat, 06 Nov 2021 18:39:57 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2113

De link tussen de Mormonen en het antieke Egypte is er van in het begin geweest, via de collectie mummies en papyri van stichter Joseph Smith. Hij vertaalde ook zelf verschillende fragmenten van deze funeraire papyri uit Thebe en meende daarin verschillende bijbelse thema's te herkennen, onder andere uit de boeken van Abraham en Jozef. Egyptologen waren al meteen vernietigend in hun oordeel over deze interpretaties, maar pas toen na de dood van Smith de verloren gewaande papyri opdoken in het New Yorkse Metropolitan Museum konden ze de hiëratische tekst en de hiëroglyfische vignetten zelf bestuderen. Dat onderzoek leverde enkele verrassende vaststellingen op.

Het bericht Mummies en Mormonen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Op 21 september 1823 verscheen de engel Moroni aan de 17-jarige Joseph Smith en onthulde hem dat een collectie gouden platen, geschreven door profeten van het Oude Testament, verborgen was onder een heuvel in de buurt van New York. De tekst op de platen was geschreven in een “hervormd Egyptisch schrift”. Pas vier jaar later krijgt Smith toestemming om de platen mee te nemen om ze ontcijferen en te vertalen. Hij dicteert zijn vertaling aan zijn discipelen in 1828 en 1829, en na heel wat moeilijkheden verschijnt een eerste druk in 1830. De eerste oplage bestaat uit 5000 exemplaren. Het manuscript van die eerste druk is gedeeltelijk bewaard en online beschikbaar. Ondertussen zijn er 200 miljoen exemplaren geproduceerd!

Boek van Mormon

Joseph Smith (1805-1844), de stichter van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen en grondlegger van het Mormoonse geloof

Het ‘Boek van Mormon’ is “een verslag geschreven door de hand van Mormon, op platen genomen van de platen van Nephi“. Mormon was een profeet, generaal van de Nephieten en historicus, die leefde in Amerika omstreeks 400 n.C. en vader was van Moroni, die zelf ook een deel van het werk redigeerde en na zijn dood en verrijzenis het boek aan Joseph Smith liet zien. Het boek bevat een profetisch verslag over gebeurtenissen die zich afspelen vanaf de val van Adam en Eva, over de vlucht van enkele Joden juist voor de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs tot de verschijning van de verrezen Christus in Amerika. Het wordt door de Mormonen gezien als een aanvulling op de Bijbel. Behalve Smith zelf hebben elf medewerkers de platen (even) gezien voor hij ze teruggaf aan de engel Moroni. Voor zijn volgelingen bevat het boek een authentieke historische beschrijving, maar het speelt geen rol in de professionele geschiedschrijving. In de Mormoonse kerk is het boek van Mormon “een ander testament van Jezus Christus”, een standaardwerk voor theologie en liturgie, hoewel het niet overal even enthousiast is onthaald, ook niet binnen de Mormoonse gemeenschap.

Mummies en papyri

Begin juli 1835 presenteerde M.H. Chandler in Kirkland, Ohio, een rondreizende tentoonstelling met vier Egyptische mummies en enkele papyri, afkomstig uit de opgravingen van de Italiaanse archeoloog Antonio Lebolo in Gebel Gurnah (op de westelijke Nijloever recht over Luxor) tussen 1818 en 1822. Smith, die via het boek van Mormon kennis had van het “hervormd Egyptisch schrift”, was geïnteresseerd en stelde zijn voorlopige vertalingen ter beschikking van Chandler.

The Huntington Library

Kirtland, July 6,1835.
This is to make known to all who may be desirous, concerning the knowledge of Mr. Joseph Smith, Jr., in deciphering the ancient Egyptian hieroglyphic characters in my possession, which I have, in many eminent cities, showed to the most learned; and, from the information that I could ever learn, or meet with, I find that of Mr. Joseph Smith, Jr., to correspond in the most minute matters.
“Michael H. Chandler.
Traveling with, and proprietor of, Egyptian mummies’

Nog dezelfde maand kochten enkele leden van zijn jonge kerk de hele tentoonstelling voor 2400 dollar. Smith herkende in deze teksten verschillende bijbelse thema’s, onder andere een boek van Abraham, een boek van Jozef (de patriarch) en een verhaal van een Egyptische prinses Katumin. Alleen zijn vertaling van het boek van Abraham werd ook uitgegeven in 1842. Jean-François Champollions ontcijfering van het hiërogliefenschrift – Champollions brief aan de Franse historicus Bon-Joseph Dacier dateert van 1822) was toen in Amerika nog niet bekend en Smith vertaalt in de traditie van de 18de eeuw, die aannam dat de hiërogliefen begrippen en zelfs hele zinnen uitdrukten.

Na de dood van Smith, die in 1844 gelyncht werd terwijl hij in Carthago, Illinois in de gevangenis zat, trokken de Mormonen onder leiding van Brigham Young westwaarts, om zich uiteindelijk te vestigen in Salt Lake City, Utah. De mummies en de papyri bleven bezit van Smith’s familie en gingen nadien verloren. Men dacht dat ze waren vernietigd in de grote brand van Chicago in 1871, tot ze in 1967 plots opdoken in het Metropolitan Museum van New York, dat ze in 1947 had gekocht van een bediende van Smiths familie. Nu zijn ze in handen van de Mormoonse kerk in Salt Lake City.

Joseph Smith papyri

Terwijl professionele egyptologen tot hiertoe enkel een paar platen in de uitgave van het boek van Abraham konden vergelijken met de vertalingen van Smith (en hierover een vernietigend oordeel uitspraken), was nu plots de hele papyrus beschikbaar, met meerdere kolommen hiëratische tekst en de hiëroglyfische vignetten. Vijf objecten kunnen nu worden geïdentificeerd met de papyri die ooit in het bezit waren van Joseph Smith. Van het dodenboek van Nainoub (3) en de hypokephalos van Sesongosis (5) is alleen een facsimile bewaard.

 type object

 beschrijving door Smith

 identificatie

 TM nummer(*)

 1

 papyrus

 boek van Abraham

 boek van ademen voor de priester Horos

 48570

 2

 papyrus

 boek van Jozef

 dodenboek van Senminis

 56951

 3

 papyrus

 niet vermeld bij Smith

 vignet van dodenboek van Nai-noub

 56952

 4

 papyrus

 verhaal van prinses Katumin dochter van farao Onitas

 funeraire papyrus van Amenothes

 133517

 5

 hypokephalos

 facsimile 2 in het boek van ademen

 hypokephalos van Sesongosis

 117796

(*) De TM nummers verwijzen naar de Leuvense database Trismegistos [https://www.trismegistos.org/] , waar men alle metadata (plaats, tijd, bewaarplaats etc.) en bibliografische referenties kan vinden, alsook links met de foto's die online beschikbaar zijn.

Het boek van Abraham “translated from the papyrus translated by Joseph Smith” bevat, volgens de editie “een vertaling van enkele antieke geschriften die in onze handen zijn gevallen van de catacomben van Egypte, de geschriften van Abraham toen hij in Egypte was, geschreven in zijn eigen hand op papyrus”. De vertaling begint als volgt :

In het land van de Chaldeeërs, in de verblijfplaats van mijn vader, zag ik, Abraham, dat het nodig was voor mij een andere verblijfplaats te vinden. Die vondst bracht voor mij groter geluk en vrede en rust. Ik zocht naar de zegeningen van de vaders en het recht waardoor ik zou worden gewijd om datzelfde te beheren.” De vertaling is duidelijk afhankelijk van de Engelse bijbelvertaling (de King James bible) en vele hoofdstukken zetten de bijbeltekst om van de derde naar de eerste persoon. Volgens Smyth gebruikte Mozes het boek van Abraham toen hij het boek Genesis redigeerde. Omdat de papyrus door Abraham zelf geschreven is, staat alles in de eerste persoon.

Joseph Smith Papyri Fragment XI

Boek van het Ademen

Voor egyptologen bevat de papyrus een kopie van het hiëratische ‘Boek van het Ademen’ voor de Thebaanse priester Horos. Boeken van het Ademen zijn welbekend in de Ptolemaeïsche en vroeg-Romeinse periode, waar ze het bekende dodenboek vervangen of aanvullen. Ze garanderen een gelukkig hiernamaals voor de overledene (“gerechtvaardigd” voor de rechter Osiris) en geven hem “de adem van het leven” terug. Ze vergezelden de mummie in het graf, wellicht één van de mummies die door Chandler werden tentoongesteld, zoals blijkt uit een beschrijving in de Painesville Telegraph van 1835 (nog voor Smith de papyri kocht). De papyrus van Horos is een “boek van het ademen gemaakt door Isis voor haar broer Osiris”, waardoor de dode, één met de gestorven en herrezen Osiris, al zijn mogelijkheden terugkrijgt in het hiernamaals.

We beschikken over een twintigtal gelijkaardige funeraire papyri, die alleen verschillen door de naam en titels van de gestorvene en door enkele varianten. De papyrus, oorspronkelijk ongeveer anderhalve meter lang, is beschadigd, maar kan dankzij die parallellen gemakkelijk worden aangevuld. De tekst begint met de identificatie van de dode:

[Osiris godsvader en] profeet van Amon-Re koning der goden, dienaar van Min die zijn vijanden slacht, dienaar van Chonsou die macht heeft in Thebe, Horos (gerechtvaardigd) zoon van de man met dezelfde titels, directeur van de geheimen en reiniger van de god Osoroeris (gerechtvaardigd), en van de muzikante van [Amon-]Re Chibois (gerechtvaardigd).

Dan volgen spreuken die aan Horos het eeuwig leven garanderen, beginnend met:

Moge uw ba leven onder hen en moge je begraven worden in het westen [van Thebe]. [O Anubis, moge jij hem] een mooie schitterende begrafenis geven in het westen van Thebe in het gebergte van Manoe.

Joseph Smith Papyri Fragment I

Facsimile van de papyrus in het Mormoonse heilige boek ‘De Parel van Grote Waarde’

Bij de ‘Hor papyrus’ hoort ook bovenstaand vignet met hiëroglyfische tekst dat door Smith uitvoerig wordt becommentarieerd en waarvan een facsimile is opgenomen in de publicatie van het boek van Abraham. De scène komt alleen hier voor op een papyrus, maar ze is bekend uit scènes op de muren van de tempels: Osiris ligt op een dodenbed, en wordt tot leven gewekt door Anubis, de dodengod met de hondenkop; symbool van dit leven is zijn erecte penis, waarmee hij zijn postume zoon de god Horus (toevallig draagt de bezitter van de tekst dezelfde naam) tot leven zal wekken. Onder hem staan de vier kruiken of canopen voor de gemummificeerde ingewanden van de overledene. Daaronder ziet men de Nijl met daarin een krokodil, het dier dat hielp bij het bijeenbrengen van de ledematen van de vermoorde Osiris, die door zijn broer Seth in 50 stukken was gehakt. Smith heeft deze scène helemaal anders geïnterpreteerd en ingebed in zijn verhaal over Abraham in Egypte: op een altaar ligt Abraham vastgebonden, terwijl de heidense priester Elkenah op het punt staat hem te offeren. De ba-vogel (de ziel of individualiteit van de dode) is bij hem een engel des heren en de Nijl wordt de pijlers van de hemel, met daarin de afgod van farao (de krokodil). Op het facsimile wordt dit netjes getoond door middel van cijfers, zodat er geen twijfel kan bestaan over hoe de lezer van Smith dit moet begrijpen.

Hypokephalos van Sheshonq

De hypokephalos van Sheshonq

Ook de hypokephalos van Sheshonq werd door Smith geïnterpreteerd als een deel van het boek van Abraham. Een hypokephalos is een cirkelvormig amulet, dat onder het hoofd van de afgestorvene werd gelegd en meestal een hoofdstuk bevat van kapittel 162 van het dodenboek. De tekst is geschreven in cursieve hiërogliefen, en de beschadigde stukken zijn in de gedrukt editie “hersteld” met tekens uit andere teksten (een oudere kopie van Smith laat zien waar de tekst toen al verloren was). De hypokephalos zelf is niet bewaard en de egyptologen moeten het dus doen met de twee facsimiles. Maar de tekst kan gemakkelijk gereconstrueerd worden op basis van tientallen parallellen, en de naam van de bezitter, een zekere Sheshonq (Sesongosis), is bewaard zonder titels.

De gereconstrueerde hypokephalos van Joseph Smith

Smiths nummering en interpretatie van de scènes laat zien dat hij niet had begrepen dat je van rechts naar links moet lezen en dat sommige scènes binnen de cirkel 180° gedraaid zijn. Voor Smith had de hypokephalos betrekking op Egyptische astronomie. Hij geeft 21 nummers, tekst en vignetten dooreen. Scène 5 bijvoorbeeld toont de Hathor-koe in het midden en de vier mummificatiekruiken (de vier Horos-zonen, dezelfde als in het vignet van onze eerste tekst) voor haar. Zo interpreteert hij de hemelkoe (zonder de tekst) als volgt “Dit is in het Egyptisch Enish-go-on-dosh. Dit is ook één van de leidende planeten. De Egyptenaren zeggen dat het de zon is en dat hij zijn licht ontvangt van Kolob via het medium van Kae-e-vanrash, die andere vaste planeten of sterren bestuurt.” De namen zijn gewoon verzonnen. De vier mummificatiekruiken worden bij hem de vier windstreken. Vier korte hiëroglyfische teksten (zijn nummers 8-11), die een gebed met de naam van de overledene bevatten, bevatten voor hem “geschriften die nog niet aan de wereld mogen worden geopenbaard, maar die men zal verkrijgen in de tempel van god.”

Horos, de Thebaanse priester

De overleden Horos, zoon van Osoroeris, is een priester van de grote tempel van Karnak, een “profeet van Amon-Re koning der goden”, maar hij draagt ook de zeldzame titel “dienaar van Min die zijn vijanden slacht”. Deze titel komt eigenlijk maar voor bij één familie, waarvan de gecompliceerde stamboom door de Leuvense onderzoeker Mark Coenen tussen 1995 en 2003 werd gereconstrueerd op grond van tien funeraire papyri, één standbeeld en een mummiewindsel in Europese en Amerikaanse musea (Tübingen, Wenen, Parijs, Genève, Oxford en Baltimore). De papyri stammen wellicht alle uit dezelfde opgraving als de ‘Joseph Smith papyrus’ en bieden informatie over zeven generaties priesters in de 2de en 1ste eeuw v.C. In zes daarvan verschijnt de priester Horos, die naast het ‘Boek van het Ademen’ (de ‘Joseph Smith papyrus’) ook nog een dodenboek meenam in zijn graf (nu in het Louvre).

Tom Gheldof | OUDE GESCHIEDENIS

Stamboom van de priester Horos

Opinie van de egyptologen

Voor de Mormoonse theologen is de restitutie van de papyri tegelijk een godsgeschenk en een reuzegroot probleem. In 1861 al had Théodule Devéria, een erkend specialist van funeraire schriften die onder andere de cataloog van de Louvre papyri had gepubliceerd, gewezen op absurditeiten en anachronismen in de vertalingen van Joseph Smith. Abraham leefde, als hij al bestond, meer dan duizend jaar voor de papyri door hem werden geschreven. In 1912 vroeg F.S. Spalding, de Anglicaanse bisschop van Utah, een tiental bekende geleerden hun mening over Smiths vertaling; de antwoorden waren vernietigend.

Nadat in 1967 de geschriften publiek werden gemaakt, met foto’s die toelieten de lezingen te controleren, was het onmogelijk om de eensgezinde opinie van de egyptologen te negeren. Behalve enkele replieken ad hominem, waarbij de persoon van meerdere geleerden werd in vraag gesteld (“a jury of Gentiles, prejudiced, ill-tempered, and mad with pride of human learning“), hebben ze twee uitwegen. Volgens sommigen gebruikte Smith de ‘Hor papyrus’ enkel als een “mnemonic device” om de goddelijke inspiratie in de juiste banen te gidsen, maar dit is in tegenspraak met Smiths eigen nadruk op de wetenschappelijke waarde van zijn “vertalingen” (een studie met alfabet en grammatica van zijn hand is bewaard). Anderen wijzen erop dat Egyptische hiërogliefen verschillende interpretaties toelaten, op verschillende niveaus. Hier kunnen ze zich beroepen op de profeet, die zelf verschillende niveaus onderscheidde bij zijn vertaalwerk (doch die sloten wel vrij dicht bij elkaar aan). Of, zoals een Mormoonse egyptoloog het uitdrukte bij zijn uitgave van de tekst: “Wat ik hier bied, is een letterlijke egyptologische vertaling van de papyrus, maar die kan natuurlijk niet tippen aan de geïnspireerde vertaling van Joseph Smith”. Of hoe de “multiplicity of approaches” het geloof toch nog kan redden. Maar ik heb niet kunnen vinden hoe de theologen verklaren dat er tientallen nagenoeg identieke kopieën zijn van het boek van het ademen. Die kunnen toch niet allemaal door Abraham zijn geschreven?

Bibliografie

R.K. Ritner, The Joseph Smith Egyptian papyri. A complete edition, Salt Lake City, 2013

M. Coenen – J. Quaegebeur, ‘De papyrus Denon in het Museum Meermanno-Westreenianum, Den Haag, of Het boek van ademen van Isis’, Monografieën van het Museum van het Boek nr. 5, Leuven, 1995

Coverfoto: adaptatie van het schilderij ‘The Hill Cumorah by C.C.A. Christensen’ van Wikimedia (Public Domain), de ‘Only Known Depiction From Michael Chandler Mummy Collection By Samuel Morton Crania Aegyptica’ van Wikipedia (Public Domain) en de ‘Joseph Smith Papyrus V’ van Wikimedia (Public Domain)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Mummies en Mormonen van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/06/11/2021/mummies-en-mormonen/feed/ 0 2113
Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/ https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/#respond Sun, 25 Jul 2021 17:50:29 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=2001

Naar aanleiding van de start van de Olympische Spelen in Tokio (verplaatst van 2020 naar 2021) gaan we in een nieuwe aflevering van onze 'Quis est?'-reeks op zoek naar het levensverhaal van één van de beroemdste atleten uit de Oudheid, Diagoras van Rhodos. In Rhodos zelf zijn er nog veel sporen te vinden van deze Olympiër en zijn nazaten, maar hoe succesvol was Diagoras tijdens en na zijn sportieve carrière?

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Toeristen op weg naar het strand in Rhodos, het Griekse eiland in de Egeïsche Zee, kijken wel eens vreemd op wanneer ze in het midden van één van de drukste rotondes de – hierboven afgebeelde – standbeeldengroep van drie mannen zien. Je komt er voorbij wanneer je vanaf het noordelijkste punt van de havenstad (de zogenaamde speerpunt vanuit bovenaanzicht) de kustweg neemt in zuidoostelijke richting naar de Acropolis en het daar vlakbij gelegen stadion (waar de lokale Spelen werden gehouden). In dat uiterste noorden van het eiland ligt nog een andere publieke trekpleister: het publieke aquarium. In tegenstelling tot het miezerige moderne beeld dat zich voor dat gebouw bevindt en dat de locatie van de beroemde Kolossus van Rhodos zou moeten aanduiden – een andere verkeerde moderne interpretatie beschreef de plaatsing ervan als wijdbeens over de haveningang, waar nu twee zuilen met herten erop staan – springt de standbeeldengroep van de drie figuren meteen in het oog. Erop afgebeeld staat immers de bekende Diagoras van Rhodos, die door twee van zijn zonen wordt gedragen. Als je dichterbij gaat lees je op de sokkel een inscriptie in het (moderne) Grieks: ΤΟ ΣΥΜΠΛΕΓΜΑ ΤΟΥ ΘΡΙΑΜΒΟΥ ΤΟΥ ΔΙΑΓΟΡΑ (“De beeldengroep van de triomf van Diagoras”). Maar wie was deze bekende inwoner van het antieke Rhodos en van welke triomf is dit beeld ook nog in onze tijd het symbool?

Afkomst

Topografische kaart van Rhodos, de hoofdstad van de eilandengroep Dodekanesos (letterlijk: de twaalf eilanden), met Ialysos aan de noordwestkust van het eiland

Dankzij verschillende (geschreven) bronnen kunnen we de levensloop van Diagoras vrij nauwkeurig reconstrueren, al doen er soms verschillende interpretaties over zijn leven de ronde. Hij werd vermoedelijk geboren rond de eeuwwisseling van de 6de naar de 5de eeuw v.C. Zoals zoveel van de ons uit de (literaire) teksten bekende personen uit de Oudheid behoorde hij tot een aristocratische familie, afkomstig van Ialysos, één van de drie Dorische poleis (de andere zijn Lindos en Kamiros) aan de noordwestkust van Rhodos. Zijn vader Damagetos behoorde tot het geslacht van de Eratidai, teruggaand op een koninklijke afstamming, namelijk die van koning Eratos van Argos (en eveneens via zijn overgrootmoeder van Aristomenes van Messene). Vermoedelijk was hij een lokale heerser (of machtige magistraat) in dit gebied van het eiland, wiens gelijknamige grootvader door Pausanias in zijn ‘Beschrijving van Griekenland’ (Hellados Periegesis) als Basileus van Ialysos wordt omschreven (Paus. 4.24.2-3).

Tom Gheldof | OUDE GESCHIEDENIS

Gereconstrueerde stamboom van Diagoras van Rhodos

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een machtige en invloedrijke familie zoals die van de Eratiden of Diagoriden naast een koninklijke, ook nog een mythologische afkomst claimt. Voor de mythische stamvader worden zowel de Griekse god Hermes (in de scholia: Schol. ad Pind. Ol. 7, inscr. a + c) als Herakles – die dan ook meteen teruggaat op diens vader, de oppergod Zeus – genoemd. De Heraklidische afstamming via diens zoon Tlepolemos (in Homerusʼ Ilias de leider die de drie Rhodische gebieden had samengebracht en de fiere Rhodiërs aanvoerde in de Trojaanse Oorlog) wordt uitgebreid beschreven in één van de vele Pindarische Oden, namelijk de Zevende Olympische, geschreven voor Diagoras van Rhodos.

Zevende Olympische Ode

Buste van de Griekse dichter Pindarus

Pindarus was een Griekse dichter uit de buurt van Thebe die zich in de 5de eeuw v.C. specialiseerde in Epinikia, overwinningsliederen op bestelling ter ere van een winnaar van de Panhelleense Spelen (de grand slam van de vier grootste Griekse Spelen, ook wel de Kransspelen genoemd naar de prijs voor de winnaar). Van de 45 bewaarde Pindarische Oden zijn er 14 voor winnaars van de Olympische Spelen (naast 12 Pythische, 11 Nemeïsche en 8 Isthmische Oden). In deze lofzangen prijst de dichter niet alleen de overwinning van een atleet en diens palmares, maar linkt hij dit ook aan mythologische, religieuze en historische gebeurtenissen uit het verleden en het heden.

De Zevende Olympische Ode werd gecomponeerd na de overwinning van Diagoras in het boksen (pygmachia of de vuistkamp) op de 79ste Olympiade in 464 v.C. Naast de hierboven reeds aangehaalde (mythologische) afstamming van Diagoras en nog enkele andere uitwijdingen, somt Pindarus ook op poëtische wijze de eerder behaalde overwinningen van de periodonikes (een eretitel voor een atleet die erin slaagden in een vierjaarlijkse cyclus of periodos alle vier de Panhelleense Spelen te winnen) op (Pind. O. 7.15-17 & 80-86):

εὐθυμάχαν ὄφρα πελώριον ἄνδρα παρ’ Ἀλφεῷ στεφανωσάμενον
αἰνέσω πυγμᾶς ἄποινα
καὶ παρὰ Κασταλίᾳ

τῶν ἄνθεσι Διαγόρας
ἐστεφανώσατο δίς, κλεινᾷ τ’ ἐν Ἰσθμῷ τετράκις εὐτυχέων,
Νεμέᾳ τ’ ἄλλαν ἐπ’ ἄλλα, καὶ κρανααῖς ἐν Ἀθάναις.
ὅ τ’ ἐνἌργει χαλκὸς ἔγνω νιν, τά τ’ ἐν Ἀρκαδίᾳ
ἔργα καὶ Θήβαις, ἀγῶνές τ’ ἔννομοι
Βοιωτίων,
Πέλλανα τ’ Αἴγινά τε νικῶνθ’ ἑξάκις. ἐν Μεγάροισίν τ’ οὐχ ἕτερον λιθίνα
ψᾶφος ἔχει λόγον.

Een reus in open gevecht wil ik prijzen. Hij won
de krans bij Alpheios’ oevers,
kampprijs in het boksen, en
bij Kastalia

Hier werd Diagoras
tweemaal bekranst met lover, op de beroemde
Isthmos won hij viermaal,
eenmaal in Nemea en later nog eens, en ook in het rotsige Athene.
Het bronzen schild van Argos kent hem, hem kennen de trofeeën
van Arkadië en Thebe, de spelen die bij wet geregeld zijn,
bij de Boiotiërs
en ook Pellene. In Aigina won hij
zesmaal. De stenen zegetafels
spreken in Megara geen andere taal. (vertaling P. Lateur)

Deze ode zou volgens een ander scholion (FGrH 515 F 18), een fragment toegeschreven aan de lokale kroniekschrijver Gorgon van Rhodos, in gouden letters zijn aangebracht op de tempel van Athena in Lindos.

Sportieve carrière

We kunnen dus in grote lijnen de sportieve carrière van deze professionele bokser uit een aristocratische familie reconstrueren. Diagoras werd waarschijnlijk al van jongs af aan getraind in deze gevaarlijke gevechtssport. Het boksen gebeurde (net zoals de andere sporten op de Griekse Spelen) naakt, maar de boksers bonden wel leren banden, later gewatteerd met wol, verschillende keren rond hun vuisten om hun knokkels te beschermen bij het slaan. Aangezien er nog geen gewichtsklassen bestonden, kunnen we vermoeden dat Diagoras fors gebouwd en zeer krachtig moet zijn geweest. Pindarus noemt hem in zijn Olympische Ode ook een εὐθυμάχης, mogelijk verwijzend naar zijn open, rechtopstaande en eerlijke stijl van boksen waarbij hij geen slagen zou hebben ontweken.

Griekse boksers afgebeeld op een zwartfigurige terracotta amfoor

Zijn palmares als bokser met zegekransen in de Panhelleense Spelen en overwinningen bij lokale spelen, waarschijnlijk tussen 480 en 464 v.C., ziet eruit als volgt:

  • 1 x Olympische Spelen
  • 1 x Pythische Spelen
  • 4 x Isthmische Spelen
  • Meerdere x Nemeïsche Spelen
  • 1 x Panathenaeën in Athene
  • + overwinningen in lokale spelen van Argos, Arcadië, Thebe, Boeotië, Pellana, 6 x in Aegina en 6 x in Megara

Nageslacht

Diagoras beroemde zich niet alleen op de (politieke) faam van zijn voorvaderen, maar hij was zelf ook een progenitor of stamvader die een roemrijk nageslacht van Olympiërs stichtte. Zonen die in de (sportieve) voetsporen van hun vader treden is natuurlijk van alle tijden en ook in onze moderne tijd kennen we verschillende voorbeelden van dynastieën in de sport, denk maar aan onze eigen Eddy en zoon Axel Merckx in het wielrennen, nationale en internationale voetballers die hun vader volgen (de Italiaanse Maldini-familie zit intussen al aan drie generaties) of succesvolle broers en zussen (bijvoorbeeld de Williams-zussen in het tennis).

Standbeeld van twee pankratiasten

Geen van allen komt echter in de buurt van de Diagoriden: alledrie de zonen van Diagoras wonnen een Olympische olijfkrans. Damagetos in het pankration (een combinatie van worstelen en boksen), Akousilaos in het worstelen en de jongste, Dorieus in zowel het boksen als het pankration. Qua overwinningen overtrof deze veelzijdige vechtsporter zijn vader zelfs nog, want hij was meervoudig periodonikes. Op de Olympische Spelen won hij het pankration in 432, 428 en 424 v.C. Daarnaast won hij ook meerdere malen op de Pythische Spelen en maar liefst 7 maal op de Nemeïsche en 8 maal op de Isthmische Spelen (zijn volledige palmares werd aangetroffen op een inscriptie in Olympia: IvO 153).

Ook twee kleinzonen van Diagoras triomfeerden in Olympia. Peisirodos, de zoon van Diagoras’ dochter Pherenike en zijn neef Eukles, zoon van Kallipateira (de andere dochter van Diagoras) traden allebei in de voetsporen van hun grootvader met een overwinning in het Olympische boksen. Pausanias vertelt hierover een bekende anecdote waarin Kallipateira (of Pherenike vanwege de verwarring door de waarschijnlijk gelijktijdige overwinningen van beide neven bij de mannen- en jongenscategorie) bij deze overwinning aanwezig was naast de ring, verkleed als mannelijke trainer. Dat was namelijk verboden – net zoals er andere (religieuze) regels golden in Olympia – voor getrouwde vrouwen. Nadat ze werd betrapt toen ze hierbij haar kleren verloor, werd ze niet gestraft, uit respect voor haar familie met zovele Olympische winnaars. Nadien werd wel ingevoerd dat ook de trainers enkel nog naakt de kampen mochten bijwonen (Paus. 5.6.7-8):

κατὰ δὲ τὴν ἐς Ὀλυμπίαν ὁδόν, πρὶν ἢ διαβῆναι τὸν Ἀλφειόν, ἔστιν ὄρος ἐκ Σκιλλοῦντος ἐρχομένῳ πέτραις ὑψηλαῖς ἀπότομον: ὀνομάζεται δὲ Τυπαῖον τὸ ὄρος. κατὰ τούτου τὰς γυναῖκας Ἠλείοις ἐστὶν ὠθεῖν νόμος, ἢν φωραθῶσιν ἐς τὸν ἀγῶνα ἐλθοῦσαι τὸν Ὀλυμπικὸν ἢ καὶ ὅλως ἐν ταῖς ἀπειρημέναις σφίσιν ἡμέραις διαβᾶσαι τὸν Ἀλφειόν. οὐ μὴν οὐδὲ ἁλῶναι λέγουσιν οὐδεμίαν, ὅτι μὴ Καλλιπάτειραν μόνην: εἰσὶ δὲ οἳ τὴν αὐτὴν ταύτην Φερενίκην καὶ οὐ Καλλιπάτειραν καλοῦσιν. αὕτη προαποθανόντος αὐτῇ τοῦ ἀνδρός, ἐξεικάσασα αὑτὴν τὰ πάντα ἀνδρὶ γυμναστῇ, ἤγαγεν ἐς Ὀλυμπίαν τὸν υἱὸν μαχούμενον: νικῶντος δὲ τοῦ Πεισιρόδου, τὸ ἔρυμα ἐν ᾧ τοὺς γυμναστὰς ἔχουσιν ἀπειλημμένους, τοῦτο ὑπερπηδῶσα ἡ Καλλιπάτειρα ἐγυμνώθη. φωραθείσης δὲ ὅτι εἴη γυνή, ταύτην ἀφιᾶσιν ἀζήμιον καὶ τῷ πατρὶ καὶ ἀδελφοῖς αὐτῆς καὶ τῷ παιδὶ αἰδῶ νέμοντες -ὑπῆρχον δὴ ἅπασιν αὐτοῖς Ὀλυμπικαὶ νῖκαι-, ἐποίησαν δὲ νόμον ἐς τὸ ἔπειτα ἐπὶ τοῖς γυμνασταῖς γυμνοὺς σφᾶς ἐς τὸν ἀγῶνα ἐσέρχεσθαι.

Als je vanaf Skillous de weg naar Olympia neemt, komt, voordat je de Alpheios oversteekt, een steile berg met hoge rotsen. Die berg heet Typaion. Er is een wet bij de Eliërs dat daar vrouwen vanaf gegooid worden die betrapt zijn op een bezoek aan de Olympische spelen of zelfs op dagen dat het hen verboden is de Alpheios hebben overgestoken. Er zou echter geen enkele vrouw betrapt zijn behalve Kallipateira. Anderen noemen haar niet Kallipateira, maar Pherenike. Na de dood van haar echtgenoot had zij zich helemaal als trainer vermomd en bracht ze haar zoon naar Olympia om aan de wedstrijden mee te doen. Toen Kallipateira bij de overwinning van Peisidoros over de omheining sprong, waarbinnen de trainers afgezonderd werden gehouden, raakte ze ontbloot. Zo werd ontdekt dat ze een vrouw was, maar uit respect voor haar vader, broers en zoon, die allemaal Olympische winnaars waren, lieten ze haar ongestraft gaan. Wel werd een wet gemaakt dat gymnasten voortaan naakt het strijdperk moesten betreden. (vertaling P. Burgersdijk)

Print van James Barry (omstreeks 1800) met de overwinning van de Diagoriden

Diezelfde Pausanias bezocht op zijn tocht door Griekenland ook de site van Olympia in Elis en zag daar in de Altis, het ommuurde heilige domein gewijd aan Zeus, standbeelden voor Diagoras en zijn nageslacht naast die van andere Olympische winnaars staan. Het beeld van de pater familias zelf was gemaakt door de bekende beeldhouwer Kallikles, die ook het beeld van Zeus in Megara heeft gemaakt (Paus. 6.7.2).

© Alienor.org, Le Musée d'Angoulême

Reliëfsculptuur van de Franse beeldhouwer Raoul Verlet die de dood van Diagoras afbeeldde (1883)

En zo komen we opnieuw bij de beeldvorming waarvan het standbeeld in Rhodos de moderne interpretatie is. Ook die gaat terug op een verhaal dat door Pausanias, maar ook door andere auteurs zoals Plutarchus en zelfs Cicero (in diens Tusculanae Disputationes) wordt gedeeld. Na de overwinning van Diagoras’ zonen Akousilaos en Damagetos (waarschijnlijk tijdens de 83ste Olympiade in 448 v.C.) werd hij door zonen gedragen, toegejuicht door de Griekse toeschouwers en kreeg hij van een Spartaan te horen (Cic. Tusc. 1.46.111): “Morere, Diagora, non enim in caelum ascensurus es” (Sterf nu maar, Diagoras, want je zal immers niet verder opstijgen naar de hemel). Hiermee bedoelde hij dat Diagoras het hoogtepunt van zijn leven al had meegemaakt, al zouden later natuurlijk nog zijn kleinzonen voor nieuwe overwinningen zorgen. Of Diagoras die nog heeft meegemaakt is niet bekend. In sommige versies van dit verhaal, bijvoorbeeld bij Aulus Gellius, sterft hij namelijk meteen na het horen van deze woorden (NA, 3.15.3). Het beeld van Diagoras die in de lucht wordt getild door zijn beide zonen bood kunstenaars in latere tijden dan ook genoeg inspiratie om de familie van de Diagoriden als Olympische winnaars te vereeuwigen.

Sport en Politiek

De verwevenheid tussen sport en politiek is er altijd al geweest, van de Griekse vorsten en Homerische helden die deelnamen aan de lijkspelen voor Patroklos in de Ilias tot de deelname van tirannen en keizers (waaronder keizer Nero) aan de Olympische en andere Panhelleense Spelen. Een overwinning kon daarbij dienen als goede propaganda, zeker wanneer de winnaar ook nog eens in een besteld epinikion uitvoerig werd opgehemeld. Daarvoor hoefden sommige aristocraten (zoals de Sicilische tirannen en Alcibiades) niet eens zelf deel te nemen. In de wagenrennen konden ze als eigenaar een menner inhuren, maar kregen zij toch de krans bij een overwinning. Later werden ook de steeds professionelere atleten (die niet alleen aan de Panhelleense Spelen deelnamen, maar vaak een heel circuit van festivals afschuimden) vorstelijk beloond wanneer ze voor hun geboorteplaats een overwinning behaalden of kregen ze zelfs het ereburgerschap van een andere stad aangeboden.

In tegenstelling tot enkele andere illustere atleten weten we niet of Diagoras – in navolging van zijn (koninklijke) voorvaderen – ook een politieke functie uitoefende in Rhodos. Een voorbeeld hiervan was Milo van Croton, een succesvol worstelaar die na zijn carrière een belangrijke politieke rol speelde in zijn geboortestad en met succes zijn leger aanvoerde in de oorlog tegen Sybaris op het einde van de 6de eeuw v.C. Andere succesvolle atleten uit deze periode werden na hun dood dan weer geheroïseerd en leefden op die manier voort. In latere perioden (mogelijk door de toenemende professionalisering) werden de eerbewijzen aan zulke atleten vaker tijdens hun carrière uitgedeeld, bijvoorbeeld in de vorm van burgerrecht of het lidmaatschap van de boulè of stadsraad. Toch kennen we ook een heleboel atleten waarvan we geen gegevens hebben over een publieke carrière. De misschien wel beste Olympiër uit de Oudheid en afkomstig uit dezelfde stad als Diagoras illustreert dit. Leonidas van Rhodos won zo maar even 12 individuele Olympische titels door in vier opeenvolgende Olympiades (164-152 v.C.) telkens de drie loopnummers te winnen. Toch kennen we Leonidas uitsluitend dankzij een vermelding bij Pausanias die hem als beroemdste loper betitelt.

De zonen van Diagoras namen wel een actievere rol binnen de politiek van Rhodos op zich. Vooral Dorieus kennen we uit verschillende bronnen (Thuc. 8.39.1-43.2) als één van de leidende figuren in de politieke gebeurtenissen op het einde van de 5de eeuw v.C. Hij en zijn familie keerden zich tegen de Atheense invloed op Rhodos (in de achtergrond van de Peloponnesische Oorlog) en na zijn verbanning vluchtte Dorieus naar de Griekse kolonie Thourioi in Italië. Daar kreeg hij in 412 v.C. als nauarchos het bevel over enkele schepen en vervoegde hij daarmee de Spartaanse vloot. Het daaropvolgende jaar kon hij terugkeren naar Rhodos waar hij met behulp van de Spartanen een oligarchisch regime instelde. Toch was zijn lijdensweg nog niet ten einde toen hij door de Atheners gevangen werd genomen, maar – opnieuw – dankzij zijn roem als atleet en zijn afkomst werd hij vrijgelaten zonder losgeld (Paus. 6.7.4-6). In 395 v.C. werden de Diagoriden en hun aanhangers uiteindelijk verdreven van de controle over Rhodos door een nieuwe staatsgreep, nadat ook de Spartanen zich tegen hen hadden gekeerd (Hell.Oxy. 15.2-3). Dat ook de kleinzoon van Diagoras, Peisirodos, mogelijk een politieke rol – hij kreeg net zoals zijn oom het burgerrecht van Thourioi – speelde, blijkt mogelijk uit zijn naamgeving waarin de aspiratie om Rhodos opnieuw te verenigen (voltooid na de samenvoeging van de drie steden tot een stadstaat Rhodos bij het synoikisme van 408 v.C.) zou zitten vervat.

Schilderij ‘Diagoras porté en triomphe par ses fils’ van de Franse kunstschilder Auguste Vinchon (1814)

Receptie

Logo van voetbalclub Diagoras F.C.

Dat Diagoras nog niet is vergeten in Rhodos blijkt niet alleen uit het standbeeld dat van hem en zijn twee zonen opgetrokken is. Ook de lokale luchthaven en een plaatselijke voetbalclub, Diagoras FC (opgericht in 1905), werden naar de beroemde atleet genoemd. Het logo van de club refereert eveneens naar de iconografie van de opgetilde vader en zijn zonen als Olympische winnaars. In tegenstelling tot bij andere atleten is Diagoras’ faam vooral terug te brengen op het grootbrengen van een even roemrijk nageslacht van Olympiërs. Of hij dat bewust deed of niet – trainde hij bijvoorbeeld zijn eigen (klein)zonen – kunnen we niet direct afleiden, maar het indirecte bewijs zoals de mondelinge traditie en de standbeelden in Olympia, doen vermoeden van wel. Zijn eigen roem (en die van zijn vaderstad Rhodos) straalde af op zijn nageslacht, maar de overwinningen van hen versterkten evenzeer zijn beeld als stamvader van de succesvolle atletendynastie van de Diagoriden.

Toch is het verhaal van Diagoras nog niet helemaal ten einde. In 2018 dook in de Griekse en Turkse media ineens het verhaal op van de graftombe van Diagoras. De piramidevormige tombe was al eerder gevonden in het Turkse Turgut (vlak bij de badplaats Marmaris in de provincie Muğla) en werd door lokale inwoners beschouwd als de rustplaats van een lokale heilige.

Er is wel een connectie tussen deze plaats in het uiterste zuidwesten van Turkije en Rhodos, want in vogelvlucht is het uiterste noorden van het Griekse eiland slechts ongeveer 50 kilometer verwijderd van de Turkse vindplaats. Daarnaast werden er ook enkele inscripties gevonden die verwijzen naar inwoners van Rhodos, waaronder één [TM 868213] die in de jaren 50 door het bekende Franse epigrafistenkoppel Jeanne en Louis Robert werd uitgegeven (Bullétin épigraphique 212a in de Revue des Études Grecques 68). In het funeraire epigram wordt gesproken over een mannelijke krijger met de naam Diagoras en zijn vrouw Aristomacha. Zij dateren de inscriptie ten vroegste in de Hellenistische periode, dus het lijkt twijfelachtig of het hier effectief over het graf van de beroemde bokser gaat. Tenzij het hier natuurlijk over de zoveelste nazaat (genoemd naar de beroemde stamvader) van het roemrijke geslacht zou gaan…

Lees meer

Burgersdijk, P. (2011), Pausanias: Beschrijving van Griekenland, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Lateur, P. (1999), Pindaros: Zegezangen, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam
Nicholson, N. (2018), ‘When Athletic Victory and Fatherhood Did Mix: The Commemoration of Diagoras of Rhodes’, Bulletin of the Institute of Classical Studies 61, p. 42–63
Pouilloux, J. (1970), ‘Callianax, gendre de Diagoras de Rhodes, à propos de la VIIe. Olympique de Pindare’, Revue de philologie 44, p. 206-214
Remijsen, S. & Clarysse, W., Ancient Olympics [http://ancientolympics.arts.kuleuven.be/]
Van Nijf, O. &  Williamson, C., Connected Contests, Ancient Athletes Online database [https://connectedcontests.webhosting.rug.nl/]

Coverfoto: adaptatie van de foto ‘Statue Diagoras Monument’ van Texas1980 op Wikimapia (CC BY-SA 3.0)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Quis est? Diagoras van Rhodos, stamvader van een roemrijk geslacht van Olympiërs van Tom Gheldof verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/25/07/2021/quis-est-diagoras-van-rhodos-stamvader-van-een-roemrijk-geslacht-van-olympiers/feed/ 0 2001
Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/ https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/#respond Tue, 20 Apr 2021 14:30:12 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1949

Op 20 april 202 v.C. gebeurde er iets met de kittens in het huis van Onnophris, een lokale begrafenisondernemer uit het Fajoem-dorpje Tanis. Hij getuigt daarover in een petitie aan de politiechef Machatas. In deze blogpost kom je te weten waarom Onnophris zo verveeld was met wat er in zijn huis gebeurde en hoezeer heilige katten van levensbelang waren in Egypte.

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>

Waarom zijn heilige katten een zaak van levensbelang in Egypte? Om op die vraag te kunnen antwoorden keren we terug naar  20 april 202 v.C., een dag waarop er iets gebeurde met de kittens in het huis van Onnophris. Deze begrafenisondernemer uit het dorpje Tanis in de Fajoem-oase schreef die dag namelijk de volgende petitie aan de politiechef Machatas:

Toen er enkele katjes werden geboren in mijn huis en toen hun moeder ze niet kwam opzoeken ging ik naar de tempel van Boubastis en ik vroeg de sompheis om te komen en ze mee te nemen naar de Boubastistempel. Maar ze kwamen niet en trokken zich er niets van aan. De katjes werden door mij grootgebracht met melk in mijn huis. Toen gebeurde het dat ze werden meegesleurd door een kater, die ze uit mijn huis meenam tot op de avenue. Ik snelde erheen en riep de mensen die erbij stonden en het hoorden om hulp. We stonden er rond en konden met moeite één katje afpakken met hulp van de omstaanders, onder wie Phasis de dorpssecretaris, aan wie ik een getuigenverslag gaf over wat er was gebeurd. Ik wist niet wat gedaan omdat ik vernam dat u afwezig was en ik kon me in het dorp niet laten zien wegens mijn beroep. Op de 22ste van de huidige maand bracht ik dan het poesje tot aan de poort van de Boubastistempel en ik schonk het met de bede dat de sompheis het zouden binnenbrengen. Want ik mag de tempel niet binnengaan. Opdat ik niet later valselijk zou worden beschuldigd door mensen met kwade bedoelingen, vraag ik met aandrang dat u uw handtekening zou zetten onder alles wat hieronder geschreven staat. Als dat gebeurt, dan zal ik genieten van uw hulp. (P. Köln 15 594)

De Egyptische kattengodin Bastet

Onnophris voelt zich duidelijk verantwoordelijk voor de katjes die in zijn huis geboren zijn en wil het overlevende katje snel een thuis bezorgen in de tempel van de kattengodin Bastet, Boubastis in het Grieks. Somphis is een Egyptisch woord voor “danser” en deze dansers zijn nauw verbonden met de cultus van de godin. Onnophris mag de tempel niet binnen, dat is het voorrecht van de priesters; en begrafenisondernemers zijn zeker onrein en mogen zeker niet door de poort. Onnophris is duidelijk niet gerust in de zaak: hij doet een beroep op het getuigenis van de dorpssecretaris en wil nu ook nog een handtekening van de politiechef. Wat er ondertussen van het katje geworden is, blijft in het ongewisse.

Egyptenaren en hun katten

Dit gebeuren lijkt als twee druppels water op wat Herodotus drie eeuwen vroeger schreef over de Egyptenaren en hun katten:

Vele dieren leven en eten met de mensen samen en hun aantal zou veel groter zijn, als niet het volgende de katten overkwam. Wanneer de vrouwtjes jongen hebben gekregen, zoeken ze de katers niet langer op. De katers willen met de poezen paren, maar krijgen de kans niet. Hierop bedenken ze het volgende: ze halen op gewelddadige of geniepige wijze de jongen bij de poezen weg en doden die, maar peuzelen ze daarna niet op. Wanneer de poezen hun jongen kwijt zijn, verlangen ze naar andere en zoeken ze de katers weer op. Dit dier wil nu eenmaal graag jongen. (Hist. II.66).

Artemis, de Griekse godin van de jacht

In het volgende hoofdstukje vertelt Herodotus dat “de katten na hun dood naar heilige kamers in de stad Boubastis worden overgebracht, waar ze worden gebalsemd en begraven”. Boubastis, de stad in de Delta die aan de kattengodin is gewijd, is volgens Herodotus ook de stad met het grootste carnaval in Egypte, ter ere van Artemis, de Griekse godin die door hem met Bastet wordt geïdentificeerd. Hij beschrijft dit feest als volgt:

“Wanneer ze nu naar de stad Boubastis afreizen, gaat dat ongeveer als volgt. Mannen varen samen met vrouwen en er is een massa volk van beiderlei kunne in iedere boot. Sommige vrouwen hebben ratels bij zich waarmee ze kabaal maken, sommige mannen blazen gedurende de hele boottocht op fluiten. De rest van de vrouwen en mannen zingt en klapt in de handen. Als ze op hun tocht langs een andere stad aankomen, trekken ze de boot aan land en dan gebeurt het volgende: sommige vrouwen doen zoals ik heb gezegd, anderen roepen naar de vrouwen in die stad en maken grapjes met hen, nog anderen dansen en staan recht terwijl ze hun kleed opheffen. Dat doen ze bij elke stad die aan de rivier ligt. Wanneer ze Boubastis hebben bereikt, vieren ze feest en brengen ze grote offers. Tijdens dat feest wordt er meer wijn geconsumeerd dan in heel de rest van het jaar. Tot wel zevenhonderdduizend mensen, mannen en vrouwen, kinderen niet meegerekend, komen er samen, naar de inwoners zeggen. (Hist. II.60)

De verering van katten

Katten afgebeeld op en onder de stoel van grafeigenaar Ipuy en diens vrouw

Katten werden in het Nabije Oosten wellicht al getemd rond 5000 v.C., maar in Egypte blijven tamme katten zeldzaam tot in het Middenrijk (ca. 2000 v.C.). Vanaf het Nieuwe Rijk (ca. 1500 v.C.) zijn er talrijke afbeeldingen van katten als helpers bij de jacht op watervogels en als huisdier onder de stoel van de grafeigenaar. Vanaf de 18de dynastie worden de dieren ook vereerd en die verering neemt een enorme vlucht in de laat-faraonische en Grieks-Romeinse tijd. Getuigen hiervan zijn de kattenkerkhoven en de honderden bronzen beeldjes die over heel Egypte zijn gevonden.

Kattenmummies uit het British Museum

Zo werd ca. 1880-1890 in Beni Hasan in Midden-Egypte een kerkhof gevonden met meer dan 200 000 gemummificeerde katten, die de kinderen aan toeristen verkochten. Een duizendtal werd naar Liverpool gebracht, de meeste hiervan werden verwerkt tot meststof, maar enkele zijn nu te bewonderen in het zoölogisch museum. Ook op veel andere plaatsen vond men kattenmummies, onder andere in Boubastis – natuurlijk – en in Saqqara, de begraafplaats van Memphis. Het graf van de vizier Aperel (18de dynastie) werd later hergebruikt als begraafplaats voor katten (men vond er 200 kattenmummies), maar de meeste mummies dateren uit de Grieks-Romeinse tijd. In 2011 werd een kerkhof bloot gelegd met 600 gemummificeerde katten en enkele honden vlakbij Berenike, een nederzetting aan de Rode Zee van waaruit de handelsroute naar Jemen en India vertrok. Het gaat hier klaarblijkelijk om huisdieren, vaak voorzien van een bronzen halsband. Maar in veel gevallen zijn de dieren met opzet gedood, zoals blijkt uit röntgenfoto’s. Ze werden gekweekt om te worden geofferd aan de godin; ze stierven door wurging of werden doodgeslagen, vaak op erg jonge leeftijd.

© P. Osypińska

Skelet van een kat uit de dierenbegraafplaats in Berenike

Bastet, de Egyptische kattengodin

De leeuwengodin Sachmet

De godin Bastet was oorspronkelijk een leeuwin, maar wordt “getemd” tot kat en zo de tegenpool van de woeste leeuwin Sachmet . Deze metamorfose wordt verteld in de mythe van de verre godin. Tefnout, de dochter van de zonnegod Re, verlaat het hof van haar vader in Heliopolis (de “zonnestad”) en trekt naar Nubische woestijn. Daar geeft ze als bloeddorstige godin (onder de naam Sachmet) vrije loop aan haar woeste karakter. Maar Re wil dat ze terug naar huis komt en stuurt haar broer Shou, de god van de wind, en Thoth, de god van schrift en taal, om haar terug te halen. Met heel wat moeite slagen ze in hun opdracht door zich om te toveren in twee onschuldige aapjes en haar leuke verhalen te vertellen, onder andere de parabel van de leeuw en de muis. Ze beschrijven het verdriet van haar vader Re en van alle mensen om haar afwezigheid en beloven dat de mensen voor haar tempels zullen bouwen en feesten organiseren bij haar terugkeer. Als ze uiteindelijk ja zegt, danst Shou van vreugde – vandaar die priesters-dansers uit onze petitie! – maar Thoth, die een nieuwe woedeuitbarsting wil voorkomen, giet rode wijn in het water van de Nijl in Philae en als de godin daarvan drinkt, denkend dat het bloed is, wordt ze dronken en valt in slaap. Als ze weer wakker wordt is ze gekalmeerd en is de leeuwin veranderd in een brave poes, Sachmet wordt weer Bastet. Bij haar terugkeer is heel het land in feest en vooral natuurlijk haar stad Boubastis en iedereen mag zoveel wijn drinken als hij kan. Bastet is dus de getemde versie van de vreselijke Sachmet, maar ook van de Nijl die na de woeste stroomversnelling van Philae elk jaar Egypte overstroomt en vruchtbaar maakt.

Hoe de Grieken ertoe gekomen zijn om de sexy Egyptische kattengodin te identificeren met de maagdelijke Artemis, de godin van de jacht en van de maan, is niet helemaal duidelijk. Beide waren helpsters bij de geboorte (katten hebben veel jongen en baren gemakkelijk) en dit heeft zeker een rol gespeeld. Dit wordt treffend geïllustreerd door een recente opgraving (in 2009) van een tempel in het centrum van Alexandrië (Kom el-Dikke). Hierbij kwamen honderden beeldjes van katten (vaak met jongen) en kinderen in kalksteen (met sporen van de oorspronkelijke beschildering en verguldsel), brons en faience te voorschijn, die aan de godin Boubastis/Artemis waren gewijd. De tempel was opgericht kort na de stichting van Alexandrië (misschien al in de 4de eeuw v.C.) en de beeldjes ook uit de vroege Ptolemaeïsche tijd zijn gewijd aan de Egyptische Boubastis. Maar op de funderingsplaatjes van de tempel werd deze gewijd aan Artemis door koningin Berenike omstreeks 244 v.C. Heel wat beeldjes, meestal in Griekse stijl, waren gewijd door vrouwen met originele Griekse namen, zoals Philixo, Phormion, Theano, Galateia en de zusjes Asteria en Timarion, ongetwijfeld om een voorspoedige bevalling te verkrijgen of hiervoor te danken. De Egyptische godin was dus al vroeg populair bij de Griekse burgers van de wereldstad.

© C. Méla & F. Mori, Alexandrie la Divine. Volume I

Kattenbeeldjes, gewijd aan de godin Boubastis/Artemis

Conclusie

De heilige dieren waren beschermd, zoals we al horen bij Herodotus: “Wanneer iemand een van die dieren doodt, krijgt hij bij opzettelijk handelen de doodstraf. Is er geen opzet in het spel, wordt hem een straf door de priesters opgelegd. Wie echter een ibis of havik doodt, met of zonder opzet, moet in elk geval sterven” (Hist. II.65).  Diodorus vertelt hoe een Romeins ambassadeur per ongeluk een kat doodreed en hierom door de Alexandrijnen ter plekke werd gelyncht, hoewel koning Ptolemaios (de vader van Cleopatra) juist op dat moment er alles aan deed om de Romeinen te vriend te houden. De episode wordt zelfs vermeld door Cicero en helpt ons om te begrijpen waarom Onnophris zo verveeld zit met wat er in zijn huis is gebeurd met de kittens op 20 april 202 v.C.

Lees meer

De katten van de farao’s. “4000 jaar goddelijke gratie”, catalogus van een tentoonstelling in het Museum voor Natuurwetenschappen, 1990.

Jean-Yves Carrez, ‘Le Boubasteion (Artémision) d’Alexandrie’, in : Charles Méla & Frédéric Möri (eds.), Alexandrie la Divine. Volume I, Genève, 2014, pp. 268-273.

P.Köln 15 594 [TM 704850]

Coverfoto: afbeelding ‘Cat Coffin with Mummy’ van de collectie uit het Brooklyn Museum (CC-BY)

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Het bericht Heilige katten, een zaak van levensbelang in Egypte van Willy Clarysse verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/20/04/2021/heilige-katten-een-zaak-van-levensbelang-in-egypte/feed/ 0 1949
À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/ https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/#respond Sat, 13 Feb 2021 15:08:36 +0000 https://www.oudegeschiedenis.be/?p=1234 Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het - zeer toepasselijk met Valentijn - om de vertaling van een werk van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17n.C.), namelijk Het boek der liefdeszangen', een vertaling van de Amores uit 1941. In deze longread gaan we op zoek naar de passages die in de vertaling gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de Nederlandse vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten.

Het bericht À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
Waterhouse,_John_William_-_The_Awakening_of_Adonis

Soms vindt men in tweedehandsboekenwinkels echte pareltjes uit vervlogen tijden. In dit geval gaat het – zeer toepasselijk met Valentijn – om twee vertalingen van werken van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.C. – 17 n.C.). De eerste is ‘De kunst der vrijage’, een vertaling van de Ars Amatoria uit 1941 (heruitgave 1949) en de tweede ‘Het boek der liefdeszangen’, een vertaling van de Amores, eveneens uit 1941, maar daterend van na ‘De kunst der vrijage’, zo blijkt uit het voorwoord. In wat volgt gaan we op zoek naar de passages die in de Amores gecensureerd zijn en bekijken we welke redenen de vertaler, Jan Meihuizen, had om ze weg te laten. In een vorige blog gingen we dit ook al na voor de Ars Amatoria.

Het boek der liefdeszangen

Titelpagina – Het boek der liefdeszangen (vertaling Jan Meihuizen)

Programmatische voorwoorden

De vertaler maakt het ons tamelijk makkelijk om zijn motieven voor het weglaten te achterhalen. In zijn voorwoord op de Ars Amatoria (p. 9) merkt hij immers het volgende op:

Ik waagde het derhalve deze verzen der Oudheid over te zetten in hedendaagsch proza […] Dit leek mij de beste wijze om het doel: trouw weer te geven, wat Ovidius ons schonk, te benaderen. Toch moest een paar malen tegen die trouw worden gezondigd. De dichters dier dagen waren gewoon hun producten met mythologische ontboezemingen en gelijkenissen te doorspekken. Dat eischte de smaak des tijds, maar staat de lectuur van den hedendaagschen mensch – vooral van hem, die minder op de hoogte is van die soms zeer gecompliceerde mythen – in den weg. Derhalve zijn ter wille van de leesbaarheid de mythologische uitweidingen hier en daar beknot.”

Een eerste reden is dus dat de mythologische uitweidingen te lang zijn en tekstbegrip bemoeilijken. In wat volgt zullen we proberen nagaan waaruit deze beknotting dan precies bestaat, want Meihuizen geeft verder niet aan om welke specifieke passages het gaat. Dat doet hij wel wanneer hij het meteen daarna heeft over passages die hij om een andere – en in het geval van Ovidius ook meer evidente – reden weglaat:

“En dan moesten eenige regels vervallen, omdat zij ook voor de ruimste hedendaagsche opvattingen te libertijnsch zijn.”

Immers, zo merkt hij reeds op pagina 7 van zijn voorwoord op:

“[…] ofschoon Ovidius gaarne moraliseert, moet men het fatsoen van het Romeinsche leven ten tijde van Keizer Augustus natuurlijk niet toetsen aan de hemelhooge moraal van het huidige menschdom!”

In een voetnoot op pagina 9 is Meihuizen echter wel zo vriendelijk (of ondeugend?) om een lijst te geven van de weggelaten passages. Over de Amores merkt Meihuizen hetzelfde op, daarbij zichzelf citerend op pagina 5 van de inleiding:

De verdiensten van het werk zijn velerlei. Men wordt getroffen door ’s dichters psychologische kennis, zijn schilderachtige vergelijkingen, zijn lyrische ontboezemingen en eveneens door zijn schalksche, dikwijls rake opmerkingen, zijn gewaagde en ondeugende sneren. […] Soms maakt deze Romein het echter te bont, althans voor onze opvattingen; ik meende goed te doen den lezer aanstootelijke passages te besparen. Ook de mythologische uitweidingen zijn hier en daar beknot, t.w. daar, waar ze de lectuur – vooral van hen, die minder goed op de hoogte zijn van die soms zeer gecompliceerde mythen – te zeer in den weg zouden staan.

Ook hier is Meihuizen zo vriendelijk ons in een voetnoot te vertellen welke passages onvertaald bleven. Soms gaat het om slechts één vers, maar in andere gevallen worden ook hele gedichten weggelaten.

“Onvertaald bleven: gezang XV van het 1ste Boek; XIII en XIV van het 2de Boek en VII en IX van het 3de Boek. Voorts de navolgende versregels: 1ste Boek: VIII vs. 47-48; IX vs. 33-40; X vs. 49-52; 2de Boek: V vs. 38-40; VI vs. 36; XVII vs.18; XVIII vs. 23-26, 30-31, 33-34; 3e Boek: III vs. 17-18; 37-40; V vs. 28; VI vs. 13-16, 25-45, 101-104; X vs. 45-46; XII vs. 21-40.”

Een lezer kan zich terecht de vraag stellen wat er nog overblijft van Meihuizens doel, namelijk: “[…] trouw weer te geven, wat Ovidius ons in zijn Amores schonk […]”

Geschrapte libertijnsche passages

De passages, of liever volledige gedichten, die in de Amores worden weggelaten wegens “te libertijnsch”, zijn in tegenstelling tot de weglatingen in de Ars Amatoria wel erg donker van aard. Twee van de weggelaten gedichten behandelen immers abortus en het laatste gaat over erectieproblemen van de verteller. Beide thema’s waren in 1941 blijkbaar zo met taboe bezwaard dat Meihuizen het niet waagde een vertaling van deze gedichten te publiceren, hoewel het laatste gedicht aan de moderne lezer misschien wel een ironische glimlach weet te ontlokken door de omzwachtelde formuleringen die het bevat. We laten de teksten hier verder voor zich spreken.

Amores II, 13

Amores II, 13

Dum labefactat onus gravidi temeraria ventris,
in dubio vitae lassa Corinna iacet.
illa quidem clam me tantum molita pericli
ira digna mea; sed cadit ira metu.
sed tamen aut ex me conceperat—aut ego credo;
est mihi pro facto saepe, quod esse potest.
Isi, Paraetonium genialiaque arva Canopi
quae colis et Memphin palmiferamque Pharon,
quaque celer Nilus lato delapsus in alveo
per septem portus in maris exit aquas,
per tua sistra precor, per Anubidis ora verendi—
sic tua sacra pius semper Osiris amet,
pigraque labatur circa donaria serpens,
et comes in pompa corniger Apis eat!
huc adhibe vultus, et in una parce duobus!
nam vitam dominae tu dabis, illa mihi.
saepe tibi sedit certis operata diebus,
qua cingit laurus Gallica turma tuas.
Tuque laborantes utero miserata puellas,
quarum tarda latens corpora tendit onus,
lenis ades precibusque meis fave, Ilithyia!
digna est, quam iubeas muneris esse tui.
ipse ego tura dabo fumosis candidus aris,
ipse feram ante tuos munera vota pedes.
adiciam titulum: ‘servata Naso Corinna!’
tu modo fac titulo muneribusque locum.
Si tamen in tanto fas est monuisse timore,
hac tibi sit pugna dimicuisse satis!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Abortus 1 »
Omdat ze roekeloos haar zwangerschap wou breken,
worstelt Corinna nu wanhopig met de dood.
Buiten mij om lijdt zij gevaar, en lijdt zo erg dat
ik eerder bang dan boos ben – ook al deed ze dom.
Ik was het toch door wie ze zwanger werd, althans
dat denk ik zo, en wat ik denk is meestal waar…
O Isis! Meesteres over Canopus’ velden!
Vrouwe van Memphis en van Pharos’ palmenzoom,
daar waar de snelle Nijl zijn brede bedding spreidt en
in zeven monden uitstroomt, o! ik smeek u bij
uw ratelklanken, bij de hondskop van Anubis,
zo waar als u bemind zult worden door Osiris,
zo waar een slang zich kronkelt rond uw altaar en
de Apis-stier uw stoet mag begeleiden, sméék ik:
zie op ons neer en spaar, o spaar ons beiden, want
als ú mijn meesteres wilt redden, redt zíj mij!
Hoe vaak niet knielde zij op vaste tijden bij
uw beeld, werd zij gezegend door uw priesterschaar!
Ook Eilithuia, u, godin die vrouwen bijstaat
bij ’t baren, als de last hun angstig lichaam spant:
ik smeek u: wees genadig, hoor naar mijn gebeden,
geef haar het voorrecht van uw gunst, zij is het waard!
Zelf zal ik in witlinnen kleren wierook branden,
zelf aan uw voeten mijn offerande leggen met
het opschrift: ‘Naso’s dank, Corinna iss gespaard’,
mits u mij reden geeft voor opschrift en voor dank…
En als ik iets mag zeggen in dit uur van angst:
laat dit gevecht voorgoed voorbij zijn, leer ervan!

Amores II, 14

Amores II, 14

Quid iuvat inmunes belli cessare puellas,
nec fera peltatas agmina velle sequi,
si sine Marte suis patiuntur vulnera telis,
et caecas armant in sua fata manus?
Quae prima instituit teneros convellere fetus,
militia fuerat digna perire sua.
scilicet, ut careat rugarum crimine venter,
sternetur pugnae tristis harena tuae?
si mos antiquis placuisset matribus idem,
gens hominum vitio deperitura fuit,
quique iterum iaceret generis primordia nostri
in vacuo lapides orbe, parandus erat.
quis Priami fregisset opes, si numen aquarum
iusta recusasset pondera ferre Thetis?
Ilia si tumido geminos in ventre necasset,
casurus dominae conditor Urbis erat;
si Venus Aenean gravida temerasset in alvo,
Caesaribus tellus orba futura fuit.
tu quoque, cum posses nasci formosa, perisses,
temptasset, quod tu, si tua mater opus;
ipse ego, cum fuerim melius periturus amando,
vidissem nullos matre negante dies.
Quid plenam fraudas vitem crescentibus uvis,
pomaque crudeli vellis acerba manu?
sponte fluant matura sua—sine crescere nata;
est pretium parvae non leve vita morae.
vestra quid effoditis subiectis viscera telis,
et nondum natis dira venena datis?
Colchida respersam puerorum sanguine culpant
aque sua caesum matre queruntur Ityn;
utraque saeva parens, sed tristibus utraque causis
iactura socii sanguinis ulta virum.
dicite, quis Tereus, quis vos inritet Iason
figere sollicita corpora vestra manu?
hoc neque in Armeniis tigres fecere latebris,
perdere nec fetus ausa leaena suos.
at tenerae faciunt, sed non inpune, puellae;
saepe, suos utero quae necat, ipsa perit.
ipsa perit, ferturque rogo resoluta capillos,
et clamant ‘merito!’ qui modo cumque vident.
Ista sed aetherias vanescant dicta per auras,
et sint ominibus pondera nulla meis!
di faciles, peccasse semel concedite tuto,
et satis est; poenam culpa secunda ferat!

Vertaling: John Nagelkerken

Wat helpt het dat de meisjes vrijgesteld van krijgsdienst blijven
en niet als schilddraagsters de woeste strijd in willen gaan,
als ze door eigen wapens zonder Mars hun wonden lijden
en blinde handen wapenen tot eigen ondergang?
Zij die als eerste leerde tere vruchten af te drijven
had het verdiend zelf om te komen door haar eigen strijd.
Moet dan, opdat de schoonheid van de buik niet lijdt aan rimpels,
een strijdperk zich ontplooien voor jouw treurige gevecht?
Als moeders zich vanouds hadden gehecht aan die gewoonte,
zou het geslacht der mensen door die wandaad zijn vergaan.
Dan was er weer behoefte aan degene die de stenen
als kiemen van ons volk in een verlaten wereld wierp.
Wie had Priamus’ macht gebroken, als zeegodin Thetis
geweigerd had de last te dragen die ze dragen moest?
Als Ilia de tweeling, toen haar buik nog zwol, gedood had,
dan had de stichter niet bestaan van Rome, heersersstad.
Als Venus in haar zwangerschap Aeneas had geschonden,
dan was de aarde van haar Caesarkinderen beroofd.
Ook jij, al kon je mooi ter wereld komen, was gestorven,
wanneer je moeder had gepoogd wat jij nu hebt gedaan.
Ikzelf, die toch gelukkiger kon sterven, door de liefde,
zou, had mijn moeder mij gedood, geen dag hebben gezien.
Waarom roof je de wijnstok leeg terwijld de druiven groeien,
En pluk je nog onrijpe appels met verharde hand?
Laat al wat rijp is komen, laat wat is ontsproten groeien:
een beetje uitstel wordt met een nieuw leven goed beloond.
Wat graven jullie diep met wapens in je ingewanden
en geven jullie ongeborenen onzalig gif?
De vrouw uit Colchis treft verwijt, met kinderbloed besprenkeld;
men klaagt dat Itys door zijn eigen moeder is gedood.
Zij waren wrede moeders, maar hen dwong een droeve reden
zich op hun man te wreken door verlies van beider bloed.
Zeg eens, wekte een Tereus of een Jason jullie woede
dat jullie eigen lijf doorboren met panische hand?
Dat doen de tijgerinnen niet in hun Armeense schuilplaats,
ook de leeuwin jaagt niet brutaal haar welpen in de dood.
Tedere meisjes doen dat wel, maar niet zonder vergelding:
vaak komt zij die het kindje in haar buik vermoordt zelf om.
Ze komt zelf om; met losse haren komt ze op de brandplaats
en al degenen die het vluchtig zien roepen: ‘Net goed’.
Ik hoop dat zulke kreten in de ijle wind vervliegen
en dat mijn woord als voorteken zonder gewicht mag zijn.
Goden, weest mild, schenkt U één keer genade voor een misstap;
Dat is genoeg, een tweede fout verdient de juiste straf.

Amores III, 7

Amores III, 7

At non formosa est, at non bene culta puella,
at, puto, non votis saepe petita meis!
hanc tamen in nullos tenui male languidus usus,
sed iacui pigro crimen onusque toro;
nec potui cupiens, pariter cupiente puella,
inguinis effeti parte iuvante frui.
illa quidem nostro subiecit eburnea collo
bracchia Sithonia candidiora nive,
osculaque inseruit cupida luctantia lingua
lascivum femori supposuitque femur,
et mihi blanditias dixit dominumque vocavit,
et quae praeterea publica verba iuvant.
tacta tamen veluti gelida mea membra cicuta
segnia propositum destituere meum;
truncus iners iacui, species et inutile pondus,
et non exactum, corpus an umbra forem.
Quae mihi ventura est, siquidem ventura, senectus,
cum desit numeris ipsa iuventa suis?
a, pudet annorum: quo me iuvenemque virumque?
nec iuvenem nec me sensit amica virum!
sic flammas aditura pias aeterna sacerdos
surgit et a caro fratre verenda soror.
at nuper bis flava Chlide, ter candida Pitho,
ter Libas officio continuata meo est;
exigere a nobis angusta nocte Corinnam
me memini numeros sustinuisse novem.
Num mea Thessalico languent devota veneno
corpora? num misero carmen et herba nocent,
sagave poenicea defixit nomina cera
et medium tenuis in iecur egit acus?
carmine laesa Ceres sterilem vanescit in herbam,
deficiunt laesi carmine fontis aquae,
ilicibus glandes cantataque vitibus uva
decidit, et nullo poma movente fluunt.
quid vetat et nervos magicas torpere per artes?
forsitan inpatiens fit latus inde meum.
huc pudor accessit: facti pudor ipse nocebat;
ille fuit vitii causa secunda mei.
At qualem vidi tantum tetigique puellam!
sic etiam tunica tangitur illa sua.
illius ad tactum Pylius iuvenescere possit
Tithonosque annis fortior esse suis.
haec mihi contigerat; sed vir non contigit illi.
quas nunc concipiam per nova vota preces?
credo etiam magnos, quo sum tam turpiter usus,
muneris oblati paenituisse deos.
optabam certe recipi — sum nempe receptus;
oscula ferre — tuli; proximus esse — fui.
quo mihi fortunae tantum? quo regna sine usu?
quid, nisi possedi dives avarus opes?
sic aret mediis taciti vulgator in undis
pomaque, quae nullo tempore tangat, habet.
a tenera quisquam sic surgit mane puella,
protinus ut sanctos possit adire deos?
Sed, puto, non blanda: non optima perdidit in me
oscula; non omni sollicitavit ope!
illa graves potuit quercus adamantaque durum
surdaque blanditiis saxa movere suis.
digna movere fuit certe vivosque virosque;
sed neque tum vixi nec vir, ut ante, fui.
quid iuvet, ad surdas si cantet Phemius aures?
quid miserum Thamyran picta tabella iuvat?
At quae non tacita formavi gaudia mente!
quos ego non finxi disposuique modos!
nostra tamen iacuere velut praemortua membra
turpiter hesterna languidiora rosa —
quae nunc, ecce, vigent intempestiva valentque,
nunc opus exposcunt militiamque suam.
quin istic pudibunda iaces, pars pessima nostri?
sic sum pollicitis captus et ante tuis.
tu dominum fallis; per te deprensus inermis
tristia cum magno damna pudore tuli.
Hanc etiam non est mea dedignata puella
molliter admota sollicitare manu;
sed postquam nullas consurgere posse per artes
inmemoremque sui procubuisse videt,
‘quid me ludis?’ ait, ‘quis te, male sane, iubebat
invitum nostro ponere membra toro?
aut te traiectis Aeaea venefica lanis
devovet, aut alio lassus amore venis.’
nec mora, desiluit tunica velata soluta —
et decuit nudos proripuisse pedes! —
neve suae possent intactam scire ministrae,
dedecus hoc sumpta dissimulavit aqua.

Vertaling: John Nagelkerken

Is ze niet mooi, mijn lieveling, straalt ze niet louter gratie?
Wat heb ik haar met hart en ziel begeerd, wie weet hoe vaak.
Ik hield haar in mijn armen, maar verslapt kon ik niets maken;
ik lag als last, bron van verwijten, dadenloos in bed.
Ik kon ondanks begeerte, ondanks ook haar groot begeren
niets maken met de steunpilaar van mijn slap onderlijf.
Zij schoof haar arm, blank als ivoor, onder mijn hals, nog schoner
dan witte sneeuw die in Sithonisch land gevallen is,
en strikte onze tongen, strijdend met gretige kussen,
en schoof uitdagend met haar wulpse dij onder mijn dij,
en sprak tot mij met lieve woordjes, noemde mij haar meester,
en fluisterde de woorden die men daarbij doorgaans spreekt.
Alsof mijn lijf behandeld was met kille dollekervel
bleef het zich traag verzetten tegen wat ik had gewenst.
Ik lag daar als een machteloze stronk, als pop, als ballast,
en ik wist nauwelijks of ik een mens was of een schim.
Hoe wordt voor mij de ouderdom, als die ooit nog zal komen,
wanneer mijn jeugd de krachten in de eigen tijd al mist?
Ik schaam me voor mijn jaren. Wat moet ik die jong en man ben?
Voor mijn geliefde bleek ik nu niet jong en ook geen man.
Zo staat eeuwig de priesteres op om de vrome vlammen
te koesteren, zo respecteert een lieve broer zijn zus.
Pas nog heeft blonde Chlide twee keer, blanke Pitho drie keer,
drie keer ook Libas van mijn liefdesdienst geprofiteerd.
Corinna riep mij in benauwde nachtelijke uren:
ik weet nog dat ik negen nummertjes presteren kon.
Is nu mijn lichaam door Thessalisch gif verslapt, betoverd?
Mijn ongeluk komt toch niet voort uit toverzang of -kruid?
Of heeft een toverkol een rood wasbeeld mijn naam gegeven
en midden in mijn lever met een dunne naald geprikt?
Door toverspreuk verzwakt ook Ceres tot steriele strohalm,
het water van een bron droogt, door een spreuk getroffen, op,
van eiken vallen eikels, van de wijnstok vallen druiven
door toverzang, en appels storten dan vanzelf terneer.
Waarom zouden door toverkunst mijn zenuwen niet lam zijn?
Misschien is wel mijn middel daarom van gevoel beroofd.
Daar kwam nog schaamte bij met al haar schadelijke werking;
dat was de tweede reden voor mijn machteloos gebrek.
Wat was mijn liefste heerlijk om te zien en om te strelen
(zo wordt ze aldoor door haar eigen tunica gestreeld).
De man van Pylos zou verjongen als hij haar aanraakte,
en Tithonus zou dan in kracht boven zijn jaren staan.
Dat alles bood ze mij, maar aan haar werd geen man geboden.
Waar moet ik nog om bidden in mijn volgende gebed?
Ik denk dat zelfs de grote goden spijt hebben dat zij me
een gave boden die ik zo beschamend heb gebruikt.
Ik wilde graag ontvangen worden: ik werd echt ontvangen;
gekust worden: dat werd ik; bij haar zijn: ik was bij haar.
Wat ben ik met zoveel geluk? Een machteloze koning.
Ik kreeg daar alle rijkdom, maar gedroeg me als een vrek.
Zo staat hij die verraad pleede droog midden in de golven
en hij ziet vruchten die hij echter nooit bereiken kan.
Zo rijst toch niemand ’s morgens van de zij van een lief meisje
dat hij direct een godentempel rein kan binnengaan?
Maar was ze dan misschien niet lief, heeft ze haar beste kussen
dan niet aan mij vergooid, mij niet met al haar kracht gestijfd?
Ze was in staat om zware eiken, hard staal te bewegen
en dove rotsen te ontroeren met haar lieve stem.
Ze had dus zeker macht een man, een levende, te raken:
maar ik was toen niet levend, en geen man, zoals voorheen.
Wat was de zin als Phemius voor dove oren speelde,
wat heeft arme Thamyras aan een prachtig schilderij?
Wat heb ik niet met stille hoop voor vreugdes op zien doemen,
ach wat een standjes droomde ik, wat maakte ik een reeks.
Maar nee, mijn ledematen lagen neer als afgestorven,
nog lelijker verslapt dan rozen, gisteren geplukt.
En kijk, nu zijn ze sterk en weer gezond, nu het niet meetelt;
nu wensen ze de slag en willen staan in het gelid.
Blijf jij beschaamd daar liggen, miserabel stukje lichaam;
Ik ben door jouw beloften zo al eerder zwaar bedot.
Je houdt je meester voor de gek. Je maakt mij ongewapend,
en tot mijn grote schande leed ik zo een triest verlies.
Mijn lief is bovendien zo ver gegaan hem te beroeren,
zachtjes te trachten hem te doen herrijzen met haar hand.
Maar toen ze zag dat hij op geen manier was op te wekken
en daar gewoon bleef liggen zonder zorgen om haar wens,
zei zij: ‘Waarom bespot je mij? Wie zei jou, slappe eikel,
om zonder zin je leden neer te leggen in mijn bed?
Heeft Circe jou door naalden in een wollen pop te steken
behekst, of ben je door een ander lief al uitgeput?’
Direct sprong ze uit bed, in losse tunica gewikkeld
(hoe sierlijk sprongen daar haar blote voetjes op de grond).
Opdat haar dienares niet wist dat zij nog onberoerd was,
verhulde ze de schande en nam voor de schijn een bad.

Beknotting van mythologische passages

Wanneer we alle geschrapte passages op een rijtje zetten, valt het op dat het vooral gaat om passages met veel obscure mythologische verwijzingen die elkaar vaak snel opvolgen. Soms worden van deze passages slechts delen weggelaten, maar andere mythologische uitweidingen of voorbeelden bij Ovidius’ stellingen worden volledig weggelaten. In wat volgt bieden we een overzicht en proberen we meer in detail een aanleiding te zoeken voor het weglaten van elke specifieke passage.

Dit zorgt er echter niet voor dat mythologie volledig afwezig is in Meihuizens vertaling: passages die een volledige mythe vertellen, worden niet weggelaten, juist omdat ze alle elementen van de mythe uit de doeken doen voor de lezer die niet met de mythologie vertrouwd is. De volgende lijst van tussentitels in de vertaling van de Ars Amatoria zegt genoeg:

Boek I: Sabijnsche maagdenroof – Pasiphaë – Bacchus en Ariadne

Boek II: Daedalus en Icarus – Odysseus en Calypso – Paris en Helena – Mars en Venus

Boek III: Cephalus en Procris.

Het is duidelijk dat het hier, met uitzondering Cephalus en Procris, gaat over zeer bekende mythen, die Meihuizen blijkbaar als onproblematisch beschouwt, mede door het feit dat het hier niet gaat om korte, cryptische verwijzingen. Problematischer wordt het echter wanneer veel mythologische verwijzingen zich opstapelen in lange opsommingen. In wat volgt, bieden we een klein overzicht.

Amores I, 15

Amores I, 15

Quid mihi Livor edax, ignavos obicis annos,
ingeniique vocas carmen inertis opus;
non me more patrum, dum strenua sustinet aetas,
praemia militiae pulverulenta sequi,
nec me verbosas leges ediscere nec me
ingrato vocem prostituisse foro?
Mortale est, quod quaeris, opus. mihi fama perennis
quaeritur, in toto semper ut orbe canar.
vivet Maeonides, Tenedos dum stabit et Ide,
dum rapidas Simois in mare volvet aquas;
vivet et Ascraeus, dum mustis uva tumebit,
dum cadet incurva falce resecta Ceres.
Battiades semper toto cantabitur orbe;
quamvis ingenio non valet, arte valet.
nulla Sophocleo veniet iactura cothurno;
cum sole et luna semper Aratus erit;
dum fallax servus, durus pater, inproba lena
vivent et meretrix blanda, Menandros erit;
Ennius arte carens animosique Accius oris
casurum nullo tempore nomen habent.
Varronem primamque ratem quae nesciet aetas,
aureaque Aesonio terga petita duci?
carmina sublimis tunc sunt peritura Lucreti,
exitio terras cum dabit una dies;
Tityrus et segetes Aeneiaque arma legentur,
Roma triumphati dum caput orbis erit;
donec erunt ignes arcusque Cupidinis arma,
discentur numeri, culte Tibulle, tui;
Gallus et Hesperiis et Gallus notus Eois,
et sua cum Gallo nota Lycoris erit.
Ergo, cum silices, cum dens patientis aratri
depereant aevo, carmina morte carent.
cedant carminibus reges regumque triumphi,
cedat et auriferi ripa benigna Tagi!
vilia miretur vulgus; mihi flavus Apollo
pocula Castalia plena ministret aqua,
sustineamque coma metuentem frigora myrtum,
atque a sollicito multus amante legar!
pascitur in vivis Livor; post fata quiescit,
cum suus ex merito quemque tuetur honos.
ergo etiam cum me supremus adederit ignis,
vivam, parsque mei multa superstes erit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Dichtersroem »
Bijtgrage Afgunst! U beschuldigt mij dat ik mijn leven
verluier? Noemt mijn dichtwerk een verspild talent?
U vindt dat ik naar ’s lands gebruik, nu ik nog krachtig ben
naar ’t stoffig ereloon van een soldaat moet streven?
Of woordenrijke wetten leren? Of als redenaar
mijn stem prostitueren op het kille Forum?
U stelt een mensendoel. Ik streef naar dichtersroem en naar
onsterflijkheid, naar overal gezongen worden.
Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.
Zolang een druif door sappen zwelt en Ceres’ halmen zwichten
voor ’n kromme zeis, wordt ook Hesiodus gehoord.
Callimachus zal altijd allerwegen te verstaan zijn,
meer om zijn verstechniek dan om zijn dichttalent,
en Sophokles’ kothurnen raken nimmer onbekend, en
Aratus zal bestaan zolang er zon en maan zijn.
Zolang een slaaf kan liegen, vaders streng zijn, hoerenbazen
gemeen, maar hoeren aardig, klinkt Menanders naam;
en Ennius mag technisch falen, maar zijn dichtersfaam
faalt nooit, zomin als Accius met zijn verhalen.
En welke eeuw zal niet van Varro spreken en de vaart
van Jasons eerste schip naar ’t Gulden Vlies verkonden?
Het prachtig dichtwerk van Lucretius gaat niet ten onder
tenzij de dag komt dat de wereld zelf vergaat.
Men zal van Tityrus, van landbouw, van Aeneas weten
zolang de trotse wereldhoofdstad Rome heet
en pas als Cupido geen pijl en boog en fakkel heeft
zal men Tibullus’ knappe dactyli vergeten.
In ’t westen zal men Gallus prijzen, Gallus ook in ’t oosten,
en Lýcoris, zijn lief, klinkt luid met Gallus mee.
Terwijl een keisteen en een ploegschaar van gehard metaal
wegslijten door de tijd, kent poëzie geen sterven.
Ook koningen en wapenfeiten leven voort in verzen
niet minder dan de gouden stromen van de Taag.
Het volk mag jagen naar goedkope praal, maar ík wil graag
Castalisch water uit Apollo’s beker drinken,
en om mijn hoofd een krans van winterschuwe mirte winden
en veelgelezen zijn bij wie om liefde vraagt.
Afgunst bestaat bij ’t leven. Na de dood rust zij in vrede.
Dan wordt een elk beloond naar wat hij heeft gedaan.
Ik zal dus niet vergaan wanneer de laatste vlam mijn lichaam
verslonden heeft, maar voor een groot deel voortbestaan.

Dit gedicht wordt integraal weggelaten omwille van de waslijst antieke auteurs die hier genoemd worden en die voor de niet-gespecialiseerde lezer soms nobele onbekenden zijn. De bekende dichters worden soms met moeilijke omschrijvingen aangeduid. Het eerste voorbeeld daarvan is te vinden in de volgende regels:

Zolang berg Ida staat en Tenedos daarnaast blijft liggen,
de Simoeis naar zee snelt, leeft Homerus voort.

In de Latijnse tekst wordt Homerus niet bij naam genoemd, maar aangeduid met de naam Maeonides (inwoner van Maeonië). Maeonië is een andere naam voor Lydië, in het huidige Turkije, vanwaar Homerus inderdaad afkomstig was volgens de traditie. Op een gelijkaardige manier wordt de volgende auteur, Hesiodus, Ascraeus, (inwoner van Ascra) genoemd. De Hellenistische dichter Callimachus (ca. 305-240 v.C.) wordt dan weer omschreven als Battiades,(letterlijk: zoon van Battus), maar dit slaat dan weer op de dynastie van de Battiaden, een koningsdynastie in zijn thuisstad Cyrene.

Aratus van Soli (315-245 v.C.) was de auteur van een leerdicht met de titel Phainomena, waarin hemellichamen en hemelverschijnselen behandeld werden, vandaar Ovidius’ verwijzing naar zon en maan.

Verder worden ook de Griekse comicus Menander (342-291 v.C.), bekend om zijn typetjes, de fragmentarisch bewaarde Romeinse epische dichter Quintus Ennius (239-169 v.C.) en de Romeinse tragicus Lucius Accius (170-85 v.C.) in sneltempo met naam genoemd. De Varro die genoemd wordt, is, gezien de context, waarschijnlijk niet de encyclopedist en prozaschrijver Marcus Terentius Varro Reatinus (116-27 v.C.), maar de dichter Publius Terentius Varro Atacinus (82-35 v.C.), die de ‘Argonautica‘, een epos van de Griekse dichter Apollonius van Rhodos (ca. 295-215 v.C.), naar het Latijn vertaalde. De link met de reis van de Argonauten op zoek naar het Gulden Vlies wordt in het volgende vers gelegd door de vermelding van het Gulden Vlies en de vermelding van “Aesonius, de zoon van Aeson“, namelijk Jason, de leider van de Argonauten. Ook de Romeinse dichter en epicuristische filosoof Titus Lucretius Carus (99-55 v.C.), bekend om zijn leerdicht De Rerum Natura, wordt vermeld.

Hierna gaat Ovidius over naar de eigen tijd: Tityrus et segetes Aeneiaque arma, “Tityrus, de oogst en de wapens van Aeneas” zijn een verwijzing naar de openingswoorden van respectievelijk de Bucolica (waarin Tityrus een belangrijk personage is), de Georgica (over de landbouw) en de Aeneis van Publius Vergilius Maro (70-19 v.C.). Vervolgens worden ook de Romeinse elegische dichters Albius Tibullus (ca. 55-19 v.C.) en Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.) genoemd, wiens geliefde in zijn poëzie Lycoris heet.

Tot slot is er ook nog een verwijzing naar de Castaliabron bij Delphi, die gewijd was aan Apollo en de Muzen en dus symbool staat voor dichterlijke inspiratie.

Hoewel het merendeel van de verwijzingen in dit gedicht literair-historisch en niet mythologisch zijn, is het hele gedicht door Meihuizen weggelaten, omdat het te veel kennis van de Grieks-Romeinse literatuurgeschiedenis veronderstelt. Bij een inkorting met een parafrase, zoals de vertaling van de Ars Amatoria er vele kent, zou het hele punt van dit gedicht tenietgedaan worden. Daarom opteert Meihuizen hier voor een volledige weglating. Hetzelfde gebeurt ook bij andere gedichten van de Amores.

Amores III, 9

Een tweede gedicht dat weggelaten wordt omwille van een te grote veronderstelde kennis bij de antieke lezer, is Amores III, 9, dat gaat over de dood van Ovidius’ collega-dichter Tibullus.

Amores III, 9

Memnona si mater, mater ploravit Achillem,
et tangunt magnas tristia fata deas,
flebilis indignos, Elegia, solve capillos!
a, nimis ex vero nunc tibi nomen erit! —
ille tui vates operis, tua fama, Tibullus
ardet in extructo, corpus inane, rogo.
ecce, puer Veneris fert eversamque pharetram
et fractos arcus et sine luce facem;
adspice, demissis ut eat miserabilis alis
pectoraque infesta tundat aperta manu!
excipiunt lacrimas sparsi per colla capilli,
oraque singultu concutiente sonant.
fratris in Aeneae sic illum funere dicunt
egressum tectis, pulcher Iule, tuis;
nec minus est confusa Venus moriente Tibullo,
quam iuveni rupit cum ferus inguen aper.
at sacri vates et divum cura vocamur;
sunt etiam qui nos numen habere putent.
Scilicet omne sacrum mors inportuna profanat,
omnibus obscuras inicit illa manus!
quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?
carmine quid victas obstipuisse feras?
et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
dicitur invita concinuisse lyra.
adice Maeoniden, a quo ceu fonte perenni
vatum Pieriis ora rigantur aquis —
hunc quoque summa dies nigro submersit Averno.
defugiunt avidos carmina sola rogos;
durant, vatis opus, Troiani fama laboris
tardaque nocturno tela retexta dolo.
sic Nemesis longum, sic Delia nomen habebunt,
altera cura recens, altera primus amor.
Quid vos sacra iuvant? quid nunc Aegyptia prosunt
sistra? quid in vacuo secubuisse toro?
cum rapiunt mala fata bonos — ignoscite fasso! —
sollicitor nullos esse putare deos.
vive pius — moriere; pius cole sacra — colentem
mors gravis a templis in cava busta trahet;
carminibus confide bonis — iacet, ecce, Tibullus:
vix manet e toto, parva quod urna capit!
tene, sacer vates, flammae rapuere rogales
pectoribus pasci nec timuere tuis?
aurea sanctorum potuissent templa deorum
urere, quae tantum sustinuere nefas!
avertit vultus, Erycis quae possidet arces;
sunt quoque, qui lacrimas continuisse negant.
Sed tamen hoc melius, quam si Phaeacia tellus
ignotum vili supposuisset humo.
hinc certe madidos fugientis pressit ocellos
mater et in cineres ultima dona tulit;
hinc soror in partem misera cum matre doloris
venit inornatas dilaniata comas,
cumque tuis sua iunxerunt Nemesisque priorque
oscula nec solos destituere rogos.
Delia discedens ‘felicius’ inquit ‘amata
sum tibi; vixisti, dum tuus ignis eram.’
cui Nemesis ‘quid’ ait ’tibi sunt mea damna dolori?
me tenuit moriens deficiente manu.’
Si tamen e nobis aliquid nisi nomen et umbra
restat, in Elysia valle Tibullus erit.
obvius huic venias hedera iuvenalia cinctus
tempora cum Calvo, docte Catulle, tuo;
tu quoque, si falsum est temerati crimen amici,
sanguinis atque animae prodige Galle tuae.
his comes umbra tua est; siqua est modo corporis umbra,
auxisti numeros, culte Tibulle, pios.
ossa quieta, precor, tuta requiescite in urna,
et sit humus cineri non onerosa tuo!

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

« Bij de dood van Tibullus »
Als Memnons moeder en Achilles’ moeder treuren over
hun zoons, als droeve dood godinnenmoeders raakt,
treur dan, Elegia! Klaag luid met losgebonden haren,
want nu, helaas, draagt u pas echt uw ware naam:
uw dichter, die zijn verzen wijdde aan u faam, Tibullus,
brandde in ’t vuur, zijn nietig lichaam is vergaan.
Zie Cupido: hij heeft zijn pijlenkoker naar beneden
gericht, zijn boog is slap, zijn fakkel zonder licht.
Kijk hoe verdrietig hij daar loopt, zijn vleugels neergeklapt,
zijn borst ontbloot; hij stompt zich met gebalde vuisten;
zijn haar, dat rond zijn schouders hangt, vangt hete tranen;
er klinkt gesnik dat schokkend aan zijn mond ontsnapt.
Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.
Ook Venus treurt. Het leed om haar Tibullus is niet minder
dan toen Adonis omkwam door een zijnenbeet.
Men noemt ons, dichters, heilig; lievelingen van de goden.
Sommigen kennen ons zelfs godeninspraak toe.
Maar al die heiligheid verbleekt bij ’t onheil van de dood,
die krijgt ons allemaal in zijn obscure greep.
Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders,
bij goddelijk gezang, waarmee hij ieder dier
kon temmen? Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?
Of neem Homerus, die vanuit een altijd rijke bron
andere dichters van zijn verzenstroom liet drinken:
ook hij ging na zijn laatste uur de zwarte Avernus in,
alleen zijn poëzie ontkwam het gulzig vuur.
Zijn dichtwerk leeft, de roem van Trojes strijd, de list
van ’t trage weefsel dat ’s nachts weer werd uitgewist.
Zo zul jij, Nemesis, jij, Delia, lang na Tibullus
voortklinken – zijn geliefden van nu en weleer.
Geen offer baat nu meer. Baatte het soms in Isis’ tempel
ver van zijn bed met ratelklanken hulp te smeken?
Nee, als de dood een edel mens verraadt, vermoed ik eerder
– vergeef me – dat er helemaal geen god bestaat.
Leef braaf, dan sterf je braaf. Bid vroom, toch word je vroom en wel
eens door de dood verrast; die brengt je naar de hel.
Of denk je dat gedichten toveren? Zie naar Tibullus,
die kleine urn daarginds is alles wat hij was.
Heilige dichter! Heeft het doodsvuur jou zo snel verteerd?
Was er geen enkele schroom jouw lichaam zo te schenden?
Waarom heeft het geen gouden godshuis aangetast;
daar heeft men toch de macht om rampen af te wenden?
Venus, godin van Eryx’ burcht, heeft haar gelaat – zo zegt men –
snel afgewend, zij hield haar tranen niet meer in.
Toch is dit beter dan wanneer hij als een onbekende
op Korfu was begraven in een nietig graf.
Hier heeft zijn moeder nog bij ’t afscheid zijn betraande ogen
gesloten en zijn as de laatste eer gebracht.
Zijn droeve zuster stond haar moeder in dit groot verdriet
ter zij, zich hevig rukkend aan haar losse haren,
en na hen kwamen Delia en Nemesis. Zij kusten
het lichaam nog. Toen ’t brandde, bleven zij erbij,
en Delia riep nog als afscheid: ‘Mooier dan jouw liefde
bestond er geen, ik was voor jou je levensvlam.’
Maar toen zij Nemesis: ‘Nee! Míjn verlies is heel wat erger
dan jouw verdriet! Bij ’t sterven zocht hij nog mijn hand…’
Als er van ons meer rest dan naam en schaduw, woont Tibullus
straks in de Elyseese Velden, waar Catullus,
geleerd poëet, hem welkom heet, het jeugdige hoofd omvlecht
met klimoprank. Getrouw gaat Calvus aan zijn zij,
en Gallus ook, tenminste als die aanklacht van verraad
vals is gebleken en zijn zelfmoord onterecht.
Jouw schim, Tibullus, als jouw schim daar is zoals jij was,
behoort bij hen; jij vult hun edel aantal aan.
Mogen je resten, bid ik, vredigrusten in de grafurn
en laat de aarde niet zwaar drukken op je as.

Het is duidelijk dat de vele mythologische verwijzingen in deze lange klaagzang naar Meihuizens smaak te veel vergen van “den hedendaagschen mensch. Over Memnon, de mythologische koning van Ethiopië, weten we dat hij met een leger naar Troje trok, om de Trojanen te steunen tegen de Grieken. Hij doodde Antilochus, de zoon van Nestor. Nestor smeekte toen Achilles wraak te nemen, waarna Achilles Memnon doodde. Zijn moeder Aurora (de Dageraad) was hierdoor overmand door verdriet, en smeekte Jupiter hem de onsterfelijkheid te schenken en haar wens werd vervuld. De tranen die zij huilde, werden gezien als de dauw. Ook Achilles zou de Trojaanse Oorlog niet overleven.

Zowel Memnon als Achilles stierven jong en dat is ook voor Tibullus het geval: hij werd slechts 36 jaar oud, als we aannemen dat hij geboren werd in 55 v.C. (een datum tussen 54 en 49 v.C. is echter even goed mogelijk). Vandaar dat Ovidius’ Elegia, de goddelijke personificatie van het genre van de elegie, aanspoort te rouwen om haar spreekwoordelijke zoon. Het feit dat ze “nu pas haar ware naam draagtis een woordspel: het Griekse woord ἔλεγος, waarvan de benaming van het genre werd afgeleid, betekent immers klaagzang of rouwklacht.

De volgende verwijzing betreft Cupido, die in de Latijnse tekst niet bij naam genoemd wordt, maar met “puer Veneris“, “jongen van Venus“, wordt aangeduid. In de volgende regels wordt hij in verband gebracht met Aeneas:

Zo – zegt men – liep hij ook toen hij de rouwstoet van Aeneas,
zijn halfbroer, begeleidde uit het huis van Julus.

In de Latijnse tekst staat iets minder precies frater, “broer” te lezen, maar Aeneas, net als Cupido een zoon van Venus, is inderdaad een halfbroer van Cupido. Julus, die hier ook genoemd wordt, is de zoon van Aeneas.

De in het Latijnse origineel niet geïdentificeerde iuvenis, “jongeman”, is Adonis, die tijdens de jacht op een wild zwijn door het dier verwond werd aan de dij. Hij probeerde nog weg te komen, maar zijn been weigerde mee te werken en op die manier kreeg het zwijn de kans hem dood te trappen. Volgens de mythe barstte Venus toen zodanig in tranen uit, dat bos- en waternimfen, goden en mensen en zelfs de natuur zich bij haar aansloten en samen met haar om Adonis rouwden. Het verdriet om Tibullus is volgens Ovidius nog erger. Deze sterke formulering komt enkel tot haar recht wanneer men voldoende kennis heeft van deze mythe.

In de volgende verzen laat Marietje d’Hane-Scheltema iets weg in haar vertaling. Ze vertaalt het volgende vers immers als volgt:

Quid pater Ismario, quid mater profuit Orpheo?

Orpheus was dichter – had hij baat bij goddelijke ouders […] ?

In de Latijnse versie wordt Orpheus ‘de Ismarische Orpheus’ genoemd, naar de vallei waar hij volgens de mythologie de wilde dieren in bekoring bracht door zijn gezang.

Ook de volgende verzen worden door D’Hane-Scheltema expliciterend vertaald:

Et Linon in silvis idem pater ‘aelinon!’ altis
Dicitur invita concinuisse lyra.

[…] Zong Apollo zelf – zo zegt men – niet een rouwklacht
om Linos, hoog in ’t bos, bij ’n vreugdeloze lier?

Linus was, net als Orpheus, een mythologische musicus en zanger-dichter. Hij was de zoon van Apollo, die hier door Ovidius niet bij naam wordt genoemd. De woordspeling die Ovidius hier maakt, gaat verloren in de vertaling. Als we de leestekens wegdenken, die in de oudheid niet in de tekst stonden, is het eerste vers van bovenstaand verspaar dubbelzinnig: ofwel zong Apollo “Ai, Linus!”, ofwel zong hij een αἴλινος, een rouwlied, ofwel riep hij αἴλινον, wee.

De volgende regels gaan over Homerus, ook hier weer Maeonides genoemd (cf. supra), die vergeleken wordt met de bron van Piëria, verblijfplaats van de Muzen, in de zin dat hij net als die bron een inspiratie was voor dichters van latere tijden. De Avernus die hier genoemd wordt, is het Lago d’Averno bij Cumae, dat gold als de toegangspoort tot de onderwereld en er dus ook symbool voor kon staan. De volgende regels roepen zowel zijn Ilias” (“de roem van Trojes strijd”) als de Odyssee op: nog steeds hopend op Odysseus’ terugkeer, weigerde zijn vrouw Penelope te hertrouwen en om aan de opdringerige aanbidders te ontkomen, beweerde zij dat zij bezig was een lijkkleed te weven voor haar schoonvader Laërtes en dat ze niet kon hertrouwen, vóórdat dit was voltooid. ’s Nachts trok zij echter het weefsel dat zij overdag had afgewerkt weer uit elkaar en stelde zo een beslissing uit.

De volgende verzen spreken over de geliefden die Tibullus in zijn gedichten behandelt: Delia is het onderwerp van zijn eerste boek elegieën en Nemesis is de centrale figuur in het tweede boek. De godin van Eryx’ burcht wordt in de vertaling geïdentificeerd als Venus, maar van de oorspronkelijke lezer werd verwacht dat hij wist dat Eryx, zoon van Venus, de mythologische koning van Sicilië was die door Hercules werd verslagen in een vuistgevecht en daardoor stierf. De berg waar hij begraven werd, werd naar hem Eryx genoemd.

In de scène die volgt, wordt Tibullus in de onderwereld verwelkomt door een paar illustere voorgangers: Gaius Valerius Catullus (ca. 84-54 en 47 v.C.), Gaius Licinius Macer Calvus (82-47 v.C.) en de reeds genoemde Gaius Cornelius Gallus (70-26 v.C.), die inderdaad zelfmoord pleegde nadat hij bij keizer Augustus in ongenade viel.

Aangezien dit gedicht bol staat van de mythologische en literair-historische verwijzingen die zelfs voor een gespecialiseerde lezer in onze tijd niet altijd evident zijn, opteert Meihuizen in zijn populariserende vertaling bewust voor een volledige weglating.

Amores I, 8, 47-48

Dat de weglatingen die Meihuizen doet soms een beetje van willekeur getuigen, bewijst het volgende voorbeeld. Net na een verwijzing naar de Sabijnse maagdenroof die hij wel behoudt, laat hij het volgende stukje weg:

Penelope iuvenum vires temptabat in arcu;
qui latus argueret, corneus arcus erat.

[…] Zelfs Penelope probeerde
vrijers te testen met een boog. Het was
een hoornen boog die hun prestaties woog…
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Men kan nochtans verwachten dat een lezer die de Sabijnse maagdenroof kent, ook genoeg op de hoogte is van de Griekse mythologie om deze episode uit de ‘Odysseete kennen. Een reden voor de weglating is hier dus moeilijk te vinden, aangezien de passage evenmin getuigt van een te “libertijnsch” karakter, zeker in de context van het gedicht, waarin de oude koppelaarster Dipsas – vrij vertaald “Zattefles” een jong meisje verleidingstips geeft.

Amores I, 9, 33-40

Ook in de volgende weggelaten passage gaat het niet bepaald over onbekende episodes uit de mythologie en zijn de verwijzingen ook niet zo cryptisch dat ze een goed tekstbegrip in de weg zouden staan:

Amores I, 9, 33-40

ardet in abducta Briseide magnus Achilles—
dum licet, Argeas frangite, Troes, opes!
Hector ab Andromaches conplexibus ibat ad arma,
et, galeam capiti quae daret, uxor erat.
summa ducum, Atrides, visa Priameide fertur
Maenadis effusis obstipuisse comis.
Mars quoque deprensus fabrilia vincula sensit;
notior in caelo fabula nulla fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Achilles brandde van verdriet na ‘t weggaan van Briseïs
– een kans voor Troje om de Grieken te verslaan -,
Hektor trok pas ten strijde na Andromaches omhelzing,
het was zijn vrouw die hem de helm heeft aangereikt,
en Agamemnon, leider aller leiders, is zowaar
bezweken voor Cassandra’s wild Maenadenhaar.
Zelfs Mars werd kunstig ingesnoerd en voelde liefdesboeien –
niet één verhaal in ’t godenrijk is zo vermaard.

De enige verwijzing die misschien wat uitleg behoeft, zijn de liefdesboeien van Mars: dit is een verwijzing naar het verhaal waarin Vulcanus zijn vrouw Venus in bed betrapt met Mars en hen vangt in een door hem gemaakt gouden net. Vervolgens zet hij hen te kijk bij de andere goden.

Amores I, 10, 49-52

Het boek der liefdeszangen (p39)

Ook deze mythologische uitweiding wordt geschrapt, terwijl een aantal andere mythologische voorbeelden die aan het begin van hetzelfde gedicht voorkomen, niet door Meihuizen worden geschrapt.

Amores I, 10, 49-52

Non fuit armillas tanti pepigisse Sabinas,
ut premerent sacrae virginis arma caput;
e quibus exierat, traiecit viscera ferro
filius, et poenae causa monile fuit.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

Kijk naar Tarpeia, die Sabijnse pronkjuwelen
bedongen had en met de dood werd afgestraft
of naar Eríphyle: zij boette voor een halssnoer
en werd vermoord door hem aan wie zij ’t leven gaf…

Tarpeia noch Eriphyle wordt hier in het Latijn bij naam genoemd. Tarpeia kan wel geïdentificeerd worden door de verwijzing naar de “Sabijnse pronkjuwelendie ze van de Sabijnen als beloning vroeg voor haar verraad. De verwijzing naar Eriphyle was voor de antieke lezer duidelijk door de vermelding van het halssnoer dat ze als steekpenning kreeg om haar man Amphiaraüs te verraden aan Polynices (cf. supra). Amphiaraüs’ zoon Alcmaeon nam hiervoor wraak door zijn moeder te vermoorden. De moderne lezer heeft uiteraard meer moeite met deze cryptische verwijzingen.

Amores II, 5, 38-40

Het boek der liefdeszangen (p69)

In deze passage wordt de blos van Ovidius’ betrapte ontrouwe liefje met veel mythologische vergelijkingen beschreven:

Zoo bloost de hemel voor den Dageraad of een meisje, als de bruidegom, waarmede zij pas gehuwd is, haar aankijkt; zoo kleuren de rozen rood op tusschen de leliën.

Het volgende stukje laat hij dan weer weg:

Amores II, 5, 38-40

aut ubi cantatis Luna laborat equis,
aut quod, ne longis flavescere possit ab annis,
Maeonis Assyrium femina tinxit ebur.

Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema

[…] als de maan wanneer zij
betoverd is; of als ivoor dat vrouwen
soms roze verven, als het door de tijd
geel dreigt te worden […]

Dit stukje wordt misschien weggelaten omwille van de geografische verwijzingen, die hier niet echt een verwijzing naar een mythe lijken: het gaat in de Latijnse tekst om een “Maeonische (= Lydische) vrouw die Assyrisch ivoor verft. De reden voor weglating is ook hier tamelijk vaag.

Amores II, 6, 36

In een gedicht naar aanleiding van de dood van de papegaai van Corinna wordt enkel het volgende vers weggelaten. Het komt uit een deel van het gedicht waarin de papegaai vergeleken wordt met andere vogels, onder andere de raaf, waarover het volgende wordt gezegd:

illa quidem saeclis vix moritura novem.

[…] al leeft dat dier
wel negenmaal zo lang.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

De reden dat het hier weggelaten is, is waarschijnlijk dat de raaf in de oudheid een bekendstond om zijn spreekwoordelijk lange levensduur, een cliché dat de moderne lezer waarschijnlijk niet kent. Toch is het ook hier een merkwaardige weglating, want in hetzelfde gedicht worden korte verwijzingen naar Philomela, Orestes en Pylades, Protesilaüs, Thersites en Hector niet weggelaten, terwijl die potentieel meer problemen zouden opleveren.

Amores II, 17, 18

Het boek der liefdeszangen (p101)

In een gedicht waarover hij zich erover beklaagt dat Corinna zich te mooi voelt voor hem en dat ook laat blijken, somt Ovidius ter illustratie mythologische mannen op die een vrouw hadden die ook out of their league was:

Men zegt immers, dat de nimf Calypso, verliefd op een gewonen sterveling, dien man tegen zijn zin vasthield. Men zegt verder, dat een Nereïde, een zeegodin, het hield met den koning van Phthiotis en dat Venus koosde met Vulcanus, ofschoon deze zoo van zijn aambeeld kwam en met zijn mank been leelijk hinkte. […] En daarom moet ook gij, mijn zon, me tot je nemen […]

Het gaat hier uiteraard achtereenvolgens om Odysseus en Calypso, Peleus en Thetis, en Vulcanus en Venus. Het voorbeeld dat Ovidius tussen Peleus en Thetis enerzijds en Venus en Vulcanus anderzijds noemt, is door Meihuizen weggelaten:

Egeriam iusto concubuisse Numae
[…] de wijze koning Numa
beminde Egeria […]
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Naast de bekendere mythologische koppels vallen de tweede Romeinse koning Numa Pompilius en zijn vrouw, de nimf Egeria, hier uit de boot, hetgeen naar onze inschatting wel in lijn ligt met de mythologische kennis van het doelpubliek: Egeria is inderdaad minder bekend dan Calypso.

Amores II, 18, 23-26

In dit gedicht vergelijkt Ovidius zijn eigen lichte dichtwerk met het “serieuze” werk van (Pompeius) Macer. De Macer die in dit gedicht wordt aangesproken, is dus niet de reeds vermelde Gaius Licinius Macer Calvus (82 v.C. – 47 v.C.), maar een aangetrouwd familielid van Ovidius, waarover we weinig meer weten dan dat hij een epos over Achilles schreef. Ovidius vergelijkt zijn eigen werk met dat van Macer en heeft het op een bepaald moment ook over de ‘Heroides’, een reeks fictieve brieven van vrouwen en geliefden van bekende helden aan hun man. Een voorbeeld van zo’n brief is de brief van Penelope aan Odysseus en Meihuizen laat dat voorbeeld ook staan in zijn vertaling. De volgende voorbeelden van brieven uit de ‘Heroides’ laat hij echter weg:

Quod Paris et Macareus et quod male gratus Iason
Hippolytique parens Hippolytusque legant,
quodque tenens strictum Dido miserabilis ensem
dicat et Aoniae Lesbis amata lyrae.

[…] ja, al die brieven
aan Paris, Jason, Theseus en veel meer;
wat Dido had te zeggen vóór haar trieste zelfmoord;
wat Sappho aan haar minnaar Phaon schreef.
(Vertaling: Marietje d’Hane-Scheltema)

Ook de vertaling van Marietje d’Hane-Scheltema is hier tamelijk vrij. De brief aan Paris is van de nimf Oenone, die hij voor Helena in de steek liet. De brief aan Jason komt niet van Medea, zoals we zouden verwachten, maar van Hypsipyle, de koningin van Lemnos. De brief aan Theseus, hier omschreven als “Hippolyti parens“, komt wel van de verwachte kant: het is Ariadne die hem schrijft. Theseus liet Ariadne op achter op Naxos om er met haar zuster Phaedra vandoor te gaan. Phaedra is dan weer de schrijfster van een fictieve brief aan Theseus’ zoon Hippolytus. In de Nederlandse vertaling wordt dit wat weggemoffeld door de vertaling “veel meer”, maar in het Latijn levert dit een mooi polyptoton op met “Hippolytique en Hippolytusquekort na elkaar in hetzelfde vers.

Tot slot komen nog twee vrouwen aan bod die zelfmoord pleegden uit liefdesverdriet: eerst is er Dido, die Aeneas er niet toe kon bewegen bij haar in Carthago te blijven, zoals dit mooi beschreven staat in het vierde boek van Vergilius’ ‘Aeneis. Zijn lot was immers om de basis te leggen van wat later Rome zou worden en daardoor kon hij niet in Carthago blijven. Dido pleegde zelfmoord, maar niet voordat ze de stad die hij zou stichten te vervloeken en de oorlog te verklaren. Vergilius liet Dido op die manier de Punische Oorlogen na de feiten voorspellen (in technische termen heet dit een vaticinium ex eventu). De tweede vrouw die hier wordt vermeld is de Griekse dichteres Sappho van Lesbos (7de – 6de eeuw v.C.). Hoewel ze vooral bekend is van de “lesbische” liefdes die ze in haar poëzie beschrijft (en waarvan we niet zeker weten of dat wel autobiografisch bedoeld is!), was het toch een man, Phaon, die haar zo wanhopig maakte van liefdesverdriet dat ze zelfmoord pleegde. De anekdote is overigens waarschijnlijk niet historisch, maar dit is moeilijk onomstotelijk te bewijzen.

Amores II, 18, 30-31

Even verder in het gedicht komen Phaedra en Dido opnieuw aan bod, in deze verzen die weggelaten worden, blijkbaar uit consequentie omdat ze ervoor ook al gecensureerd werden.

Legit ab Hippolyto scripta noverca suo.
Iam pius Aeneas miserae rescripsit Elissae.

De stiefmoeder las in de brief van haar Hippolytus.
Vrome Aeneas gaf al antwoord aan arme Elissa.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Wat vreemd is, is dat de verwijzingen naar de zeer bekende figuren Phaedra (“de stiefmoeder”) en Dido (“Elissa) geschrapt worden, maar dat de – naar ons oordeel althans – veel minder bekende Phyllis niet uit deze cataloog geschrapt wordt. Phyllis pleegde zelfmoord nadat haar geliefde Demophon niet terugkeerde van een reis. Ze werd volgens de mythe in een amandelboom veranderd. Dido kwam ook al voor in het niet geschrapte vers 25, een paar verzen voor deze passage. Ook hier is dus een tamelijk grote mate van willekeur te bespeuren in Meihuizens selectie van passages.

Amores II, 18, 33-34

Twee verzen verder wordt er alweer geknipt in de opsomming die het gedicht zo rijk maakt door de volgende verzen weg te laten.

tristis ad Hypsipylen ab Iasone littera venit;
det votam Phoebo Lesbis amata lyram.

Een droef bericht werd aan Hypsipyle gebracht van Jason,
En Sappho wijdt aan Phoebus bitter de beloofde lier.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Amores III, 3, 17-18

De volgende weggelaten passage is een korte illustratie bij een these die Ovidius poneert: “Zegt me, o goden, indien dat meisje U ongestraft heeft mogen bedriegen, waarom moet ik dan boeten voor wat een ander verdient?” Hij illustreert dit met het volgende voorbeeld uit de mythologie:

An non invidiae vobis Cepheia virgo est,
pro male formosa iussa parente mori?

Was Cepheus’ dochter dan geen reden om jullie te haten
Toen ze de dood moest vinden voor haar moeders schoonheidswaan?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Omdat het hier slechts om een korte zijsprong gaat, valt de onmiddellijke overgang naar het volgende punt minder op: “Is het niet voldoende, dat ik aan U als getuigen niets had en dat ze nu zoowel de gefopte goden als mijzelf straffeloos kan uitlachen?”

De dochter van Cepheus die hier genoemd wordt, is Andromeda. Wanneer Andromeda’s moeder Cassiopeia opschept dat zijzelf (of volgens sommige bronnen Andromeda zelf) mooier is dan de Nereïden, neemt Poseidon hiervoor wraak door een zeemonster, Cetus, te sturen dat de kust van hun thuisland Ethiopië onveilig maakt. Andromeda wordt als zoenoffer voor het monster aan een rots geketend, maar wordt gered door Perseus, die met haar trouwt en haar meeneemt naar Griekenland.

Amores III, 3, 37-40

In een passage, waarin Ovidius zich erover beklaagt dat goden al te makkelijk een oogje dichtknijpen voor vrouwen, citeert hij één uitzondering, die in Meihuizens vertaling wordt weggelaten:

Tot meruere peti — Semele miserabilis arsit!
Officio est illi poena reperta suo;
At si venturo se subduxisset amanti,
Non pater in Baccho matris haberet opus.

Velen verdienden straf, maar arme Semele moest branden;
zij heeft haar straf gevonden nadat ze hem had gediend.
Maar had ze bij zijn komst zich aan het liefdesvuur onttrokken,
dan had de vader nooit voor Bacchus moeders taak vervuld.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Semele, de moeder van Dionysos, verbrandde toen ze Zeus in zijn goddelijke gedaante zag, iets dat voor stervelingen onmogelijk is zonder te sterven. Ze deed dit op aangeven van Hera, die zich als oude vrouw vermomd had om Semele te doen twijfelen aan de identiteit van haar minnaar. Zeus kon de ongeboren Dionysos nog redden en naaide hem in zijn dij, totdat het kind volgroeid was en geboren kon worden.

Amores III, 5, 28

In een voorspellende droom, waarin de dichter en zijn liefje worden gesymboliseerd door een stier en een koe, wordt in de beschrijving van de omgeving het volgende vers weggelaten.

Carpebant tauri pabula laeta procul

(er graasden stieren in de verte vrolijk in het gras),
(Vertaling: John Nagelkerken)

De reden van deze weglating is hier volstrekt onbekend: het gaat hier niet om een verwijzing naar een mythe die voor het doelpubliek te obscuur is. Dit werd waarschijnlijk eerder weggelaten omdat het een parenthese vormt die de zin “nodeloos compliceert” en niet essentieel is voor een goed begrip van het geheel.

Amores III, 6, 13-16

Wanneer de dichter op zijn weg naar zijn liefje gestuit wordt door een kolkende rivier, wenst hij dat hij vleugels had.

Nunc ego, quas habuit pinnas Danaeius heros,
Terribili densum cum tulit angue caput,
Nunc opto currum, de quo Cerealia primum
Semina venerunt in rude missa solum.

Had ik nu maar de vleugels die de held, Danaë’s zoon, had
toen hij het hoofd, met gruwelslangen dichtbegroeid, meenam;
had ik nu maar de wagen waarmee voor het eerst de zaden
van Ceres werden uitgezaaid in maagdelijke grond.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Voor de goede verstaander is dit een verwijzing naar de gevleugelde sandalen die Perseus kreeg van Mercurius toen hij ten strijde trok tegen de gorgo Medusa, wier hoofd “met gruwelslangen dichtbegroeid” was en die hij onthoofdde om een einde te maken aan haar terreur. Het tweede deel verwijst naar de godin Ceres als uitvindster en godin van de landbouw, vandaar de verwijzing naar het zaad dat zij voor het eerst in de aarde zou gezaaid hebben.

Amores III, 6, 25-45

“Rivieren moeten juist jongelui bij de liefde behulpzaam zijn; er zijn trouwens die zelf ondervonden, wat liefde zeggen wil.” Aldus vat Meihuizen de volgende regels samen, die allemaal voorbeelden zijn van riviergoden die verliefd werden. Het is niet moeilijk om in te zien waarom deze passage ten prooi valt aan de regel dat te moeilijke passages, die te veel mythologische kennis veronderstellen, worden weggelaten.

Amores III, 6, 25-45

Inachus in Melie Bithynide pallidus isse
Dicitur et gelidis incaluisse vadis.
Nondum Troia fuit lustris obsessa duobus,
Cum rapuit vultus, Xanthe, Neaera tuos.
Quid? non Alpheon diversis currere terris
Virginis Arcadiae certus adegit amor?
Te quoque promissam Xutho, Penee, Creusam
Pthiotum terris occuluisse ferunt.
Quid referam Asopon, quem cepit Martia Thebe,
Natarum Thebe quinque futura parens?
Cornua si tua nunc ubi sint, Acheloe, requiram,
Herculis irata fracta querere manu;
Nec tanti Calydon nec tota Aetolia tanti,
Una tamen tanti Deianira fuit.
Ille fluens dives septena per ostia Nilus,
Qui patriam tantae tam bene celat aquae,
Fertur in Euanthe collectam Asopide flammam
Vincere gurgitibus non potuisse suis.
Siccus ut amplecti Salmonida posset Enipeus,
Cedere iussit aquam; iussa recessit aqua.
Men zegt dat Inachus verbleekt is voor ‘t Bithynisch meisje,
voor Melië, en in zijn kille voorden is verhit.
In tweemaal vijf jaar was nog steeds niet Troje ingenomen
toen aan Neaera, Xanthus, jij je hart en ziel verloor.

Vertaling: John Nagelkerken

Zo dreef toch ook verbeten liefde voor ’t Arcadisch meisje
Alpheüs zover dat hij snelde door een land ver weg.
Men zegt dat jij, Peneüs, eens Creüsa hebt verborgen
in het Phthiotisch land, die eerst aan Xuthus was beloofd.
En Asopus die werd geboeid door Thebe, van Mars stammend,
de Thebe die voor hem een vijftal dochters baren zou.
En als ik nu Acheloüs, zou vragen naar jouw horens,
dan klaagde je: ‘Gebroken door de hand van Hercules.’
Noch Caldydon noch heel Aetolië had zoveel waarde,
zoveel was voor u beiden slechts Deïanira waard.
De rijke Nijl die uitstroomt via zeven riviermonden
en die de bron van zoveel water knap verborgen houdt
heeft, naar men zegt, het vuur dat was ontstoken door Evanthe,
Asopus’ dochter, ook niet kunnen blussen met zijn vloed.
Opdat Enipeus Tyro in een droog bed kon omhelzen,
beval hij dat het water week; het week op zijn bevel.

Amores III, 6, 101-104

Aangezien de vorige passage werd weggelaten, is het logisch dat deze, die ernaar verwijst, voor de consistentie van het geheel ook weggelaten diende te worden.

Huic ego, vae! demens narrabam fluminum amores!
Iactasse indigne nomina tanta pudet.
Nescio quem hunc spectans Acheloon et Inachon amnem
Et potui nomen, Nile, referre tuum!

Ik dwaas vertelde hem liefdesverhalen van rivieren;
ik schaam me dat ik zinloos grote namen heb genoemd:
terwijl ik naar dit onbenullig stroompje keek, besprak ik
Acheloüs en Inachos en uw naam, vader Nijl.
(Vertaling: John Nagelkerken)

Spijtig is wel dat hiermee een deel van de pointe van het hele gedicht verloren gaat in de vertaling, het is letterlijk en figuurlijk lost in translation.

Amores III, 10, 45-46

In dit gedicht beklaagt Ovidius zich over de negendaagse periode van verplichte seksuele onthouding in de aanloop naar een jaarlijks feest ter ere van Ceres. Het gedicht is tegelijk een lofzang op Ceres als milde godin van de landbouw (en dus ook van beschaving). Zo wordt verhaald hoe Ceres op Jasius verliefd werd. Aangezien deze mythe volledig verteld wordt, is dat geen probleem op het vlak van voorkennis, maar de volgende korte verwijzing is dat wel.

Cur ego sim tristis, cum sit tibi nata reperta
Regnaque quam Iuno sorte minore regat?

Moet ik nu droevig zijn nu U Uw dochter hebt hervonden,
die slechts voor Juno onderdoet in koninklijke macht?
(Vertaling: John Nagelkerken)

Dit is een verwijzing naar de eigenlijke reden van het feest: bij het begin van de lente keer Proserpina, Ceres’ dochter, immers terug uit de onderwereld van bij haar ontvoerder en later echtgenoot Pluto. Omdat Proserpina na haar schaking immers zes granaatappelpitten had gegeten in de onderwereld, kon ze niet meer terugkeren naar de wereld van de levenden. Omdat Ceres’ hierdoor ontroostbaar was en de wereld geteisterd werd door een eeuwige winter, mocht Proserpina gedurende zes maanden per jaar naar haar moeder terugkeren, waardoor het wisselen van de seizoenen mythologisch werd verklaard. Meihuizen vond dit echter duidelijk te veel achtergrondkennis om in slechts twee verzen op te roepen en schrapte ze daarom in zijn vertaling. Jammer is wel dat het net deze twee regels zijn die de hoofdgedachte van het gedicht als geheel kernachtig vertolken.

Amores III, 12, 21-40

Het boek der liefdeszangen (p141)

In dit gedicht klaagt Ovidius opnieuw, deze keer over het feit dat zijn Corinna te veel aanbidders aantrekt omdat hij haar de hemel heeft ingeprezen in zijn gedichten. Hij komt tot de vaststelling dat het feit dat dichters over het algemeen kleurrijke en fantastische onwaarheden verkopen blijkbaar geen afbreuk doet aan het belang dat gehecht wordt aan hun woorden. In deze tijden, waarin vals nieuws soms een grote impact kan hebben, lijkt deze gedachte achteraf bekeken zelfs een beetje profetisch. Als voorbeelden van dergelijke dichterlijke fantasieën geeft Ovidius de volgende opsomming.

Amores III, 12, 21-40

Per nos Scylla patri caros furata capillos
Pube premit rabidos inguinibusque canes;
Nos pedibus pinnas dedimus, nos crinibus angues;
Victor Abantiades alite fertur equo.
Idem per spatium Tityon porreximus ingens,
Et tria vipereo fecimus ora cani;
Fecimus Enceladon iaculantem mille lacertis,
Ambiguae captos virginis ore viros.
Aeolios Ithacis inclusimus utribus Euros;
Proditor in medio Tantalus amne sitit.
De Niobe silicem, de virgine fecimus ursam.
Concinit Odrysium Cecropis ales Ityn;
Iuppiter aut in aves aut se transformat in aurum
Aut secat inposita virgine taurus aquas.
Protea quid referam Thebanaque semina, dentes;
Qui vomerent flammas ore, fuisse boves;
Flere genis electra tuas, Auriga, sorores;
Quaeque rates fuerint, nunc maris esse deas;
Aversumque diem mensis furialibus Atrei,
Duraque percussam saxa secuta lyram?

Vertaling: John Nagelkerken

Door ons draagt Scylla, die haar vaders kostbaar haar wegroofde,
razende honden rond haar liezen en haar onderlijf.
Wij gaven vleugels aan de voeten, slangen aan de haren;
als winnaar mende Abas’ kleinzoon het gevleugeld paard.
Wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte,
de adderhond hebben wij met drie koppen uitgerust.
Wij maakten dat Encelados met duizend armen gooide,
dat mannen voor de stem van vogelvrouwen zijn gezwicht.
Aeolus’ stormen stopten wij in zakken voor Odysseus,
verrader Tantalus staat in het water en lijdt dorst.
Een meisje werd berin door ons, en Niobe een steenklomp;
en Cecrops’ vogel klaagt om Itys uit Odrysia.
En Juppiter (sic) verandert zich in goud of in een vogel
of snijdt als stier door water met een meisje op zijn rug.
Moet ik van Proteus spreken, van Thebaanse zaden, tanden,
van runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt?
En hoe jouw zusters, wagenmenner, barnsteentranen huilen,
hoe zij die schepen zijn geweest nu zeegodinnen zijn,
en hoe de dag zich afwendde van Atreus’ dodenmaaltijd,
en hoe het hard gesteente citerklanken heeft gevolgd?

Scylla, die samen met Charybdis de Straat van Messina, de zee-engte tussen Sicilië en het Italiaanse vasteland onveilig zou maken, was volgens de mythologie een knappe nimf, maar toen Glaucus haar de liefde verklaarde, veranderde de tovenares Circe haar uit jaloezie in een monster met het bovenlichaam van een vrouw, maar uit haar zij groeiden zes hondenkoppen met daarin drie rijen tanden. Ze kreeg ook twaalf poten en haar lichaam eindigde in een vissenstaart.

Om Medusa, met “slangen aan de haren” te verslaan, kreeg Perseus de sandalen van Mercurius (“vleugels aan de voeten”). Uit het bloed van de gestorven Medusa werd Pegasus, het “gevleugeld paard” geboren. Bellerophon zou, gezeten op Pegasus, later het monster Chimaera verslaan. De kleinzoon van Abas die hier vermeld wordt is niet Bellerophon, maar Perseus, die echter de achterkleinzoon van Abas is. De omschrijving met “Abantiades” laat echter enige ruimte voor interpretatie in deze specifieke passage en de verwarring tussen de stamboom van Perseus en Bellerophon is typisch voor het niet-canonieke karakter dat de mythologie in de oudheid had.

Tityos was volgens de mythologie een reus uit Euboea. Nadat hij zich vergrepen had aan Leto werd hij door haar kinderen Artemis en Apollo gedood. In de onderwereld werd hij als volgt gestraft. Hij werd vastgebonden aan de grond. Volgens de ‘Odyssee’ besloeg hij een lengte van “negen voren” (Od. XI, 576-581), vandaar dus de stelling “wij dichters strekten Tityos over enorme ruimte”. Twee gieren pikten aan zijn steeds weer aangroeiende lever, een straf die sterk doet denken aan die van Prometheus.

De “adderhond” met drie koppen is Cerberus, de waakhond van de onderwereld, die volgens de mythologie een slang als staart had en ook verschillende slangen op andere plaatsten op zijn lijf.

Encelados was één van de Giganten die de heerschappij van de Olympische goden probeerden omver te werpen, wat mislukte. Hij werd volgens de mythologie onder de Etna begraven, en zou de uitbarstingen van diezelfde vulkaan veroorzaken. Hij gooide volgens de mythologie hele bomen als speren met de kracht van duizend bovenarmen.

De vogelvrouwen die Ovidius vermeldt zijn de harpijen, maar hun nichten, de Sirenen, die zeelui op de klippen lokten met hun mooie stem, waren degenen die “mannen deden zwichten”. Opnieuw contamineert Ovidius hier (bewust?) twee verschillende mythen.

De stormen die Aeolus voor Odysseus in zakken stopte, zijn een bekend gegeven uit Homerus’ Oddyssee en ook de spreekwoordelijk geworden straf van Tantalus in de onderwereld, de tantaluskwelling, wordt hier vermeld. Tantalus werd gestraft voor verschillende misdaden. Nadat hij door Zeus was uitgenodigd om bij de Olympische goden te komen eten, verraadde hij geheimen die Zeus hem verteld had. Daarnaast stal hij nectar en ambrozijn, voedsel dat voorbehouden was aan de goden. Als klap op de vuurpijl schotelde hij de goden zijn in stukken gesneden zoon Pelops voor om te testen of zij wel degelijk alwetend waren. Dat bleken ze inderdaad te zijn en ze straften hem er zwaar voor, door hem eeuwig honger en dorst te laten lijden terwijl hij in het water stond met vruchten bijna binnen handbereik.

Het meisje dat berin werd is Callisto, die door de jaloerse Juno in een berin werd veranderd en na haar dood het sterrenbeeld van de Grote Beer werd. Niobe werd veranderd in een rots, omdat ze de inwoners van Thebe beval haar te aanbidden in plaats van de godin Leto, die maar twee kinderen (Artemis en Apollo) had, terwijl zij zeven zonen en zeven dochters had. Haar kinderen werden door Artemis en Apollo gedood en zijzelf veranderde van verdriet in een rots. Uit haar tranen ontstond de rivier Acheloüs.

Jupiter veranderde zichzelf in een gouden regen om tot bij de opgesloten Danaë te geraken en in een zwaan om bij Leda te raken. Om Ganymedes te ontvoeren nam hij de gedaante van een adelaar aan, om Europa te ontvoeren veranderde hij zich in een stier.

De zeegod Proteus kon van vorm veranderen om zo te ontsnappen aan mensen die hem vroegen de toekomst te voorspellen, een andere gave van hem. Enkel wie hem kon vangen, mocht hem vragen om de toekomst te voorspellen.

De “Thebaanse zaden” waarvan sprake zijn de zogenaamde spartoi van Thebe. Toen Cadmus bij de stichting van de stad Thebe een draak verslagen had, droeg Athena hem op de tanden van de draak te zaaien. Uit de tanden groeiden geduchte soldaten.

Volgens sommige bronnen konden de runderen van Geryones, die Herakles moest stelen als één van zijn twaalf werken, vuur spuwen, vandaar de vermelding van “runderen die vlammen uit hun bek hebben gebraakt”. De verwijzing is echter weinig specifiek.

De wagenmenner die Ovidius nogal onduidelijk aanduidt, is Phaëthon. De zonnegod Helios liet zijn zoon Phaeton op een dag de zonnewagen besturen. Phaeton kon de paarden niet in toom houden, waardoor de zon hemel en aarde verschroeide. Zo kregen de mensen in Ethiopië hun donkere kleur volgens deze mythe. Om de aarde te redden komt Zeus tussenbeide door zijn bliksemschicht naar Phaeton te slinger waardoor hij sterft. De zusters van Phaeton wenen om hem en hun neerdruppelende tranen stollen tot barnsteen.

“Atreus’ dodenmaaltijd” kan wijzen op het mythologische gegeven dat Atreus, een koning van Mycene en vader van Agamemnon en Menelaos, de zonen van zijn broer Thyestes kookte en aan hun vader als eten aanbood. Dit deed hij als wraak omdat Thyestes overspel had gepleegd met zijn vrouw en hem tijdelijk zijn troon ontnomen had.

Amphion bouwde de muren van Thebe door het “hard gesteente citerklanken te laten volgen”. Hij kon zo mooi op zijn instrument spelen dat hij de natuur kon laten gehoorzamen.

Conclusie

Een kort naspel kan na onze beschouwingen uiteraard niet ontbreken. De grootste verrassing is dat de door Meihuizen gecensureerde passages voor het grootste deel passages zijn die tamelijk uitgebreid beroep doen op veronderstelde kennis, die het publiek van Ovidius wel had, maar die bij de moderne lezer deels dan wel volledig ontbreekt. De passages die weggelaten worden omdat ze te “libertijnsch” zijn, zijn in de Amores weggelaten, omdat daar thema’s zoals abortus een wel erg donkere kant van de losse moraal uit Ovidius’ tijd laten zien en omdat erectiestoornissen ook als te expliciet werden bevonden om (een vertaling van) een volledig gedicht aan te wijden. Dit gegeven verdient eigenlijk op zichzelf een uitgebreide behandeling. Dat censuur geenszins een oplossing vormt, moge duidelijk zijn.

Lees meer

D’Hane Scheltema, M. 2015. Ovidius. Amores. Liefdesgedichten. Amsterdam: Athenaeum.

Meihuizen, J. 1941. Ovidius. Het boek der liefdeszangen. Amsterdam: Strengholt.

Meihuizen, J. 1949. Ovidius. De kunst der vrijage. Twintig eeuwen oude maar niet verouderde liefdeswenken. Amsterdam: Strengholt.

Nagelkerken, J. 1995. Amores. Baarn: Ambo.

Pianezzola, E. (ed.) 1991. Ovidio. L’arte di amare. Milaan: Mondadori.

Coverfoto: adaptatie van het schilderij ‘The Awakening of Adonis’ van John William Waterhouse (1899) vanop Wikimedia (Public Domain)

Het bericht À la recherche des vers perdus (bis): censuur in de vertaling van Ovidius’ Amores van Geert De Mol verscheen eerst op OUDE GESCHIEDENIS.

]]>
https://www.oudegeschiedenis.be/13/02/2021/a-la-recherche-des-vers-perdus-bis-censuur-in-de-vertaling-van-ovidius-amores/feed/ 0 1234